CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke Strategie Sneek 2050

Raadsvergadering 18 december 2025, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Fêststellen wiziging Omjouwingsfisy – ûnderdiel ‘Ruimtelijke Strategie Sneek 2050’36.912 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Ook bevat elk speerpunt een kaart, uitdrukkelijk niet als een precies eindbeeld maar als een indicatieve illustratie bij het speerpunt. Deze kernambities sluiten aan bij de benadering in lagen, zoals we die in onze analyses hebben toegepast (zie paragraaf 8.2). Die benadering gaat uit van drie lagen: de ondergrond, netwerken en occupatie. Elke kernambitie past in hoofdzaak bij één van deze lagen. Deze algemene benadering hebben we hier specifiek toegespitst op Sneek. Eenzelfde benadering en indeling kan mogelijk ook worden toegepast bij andere gebiedsuitwerkingen.

19

Afbeelding 8.10: Brede welvaart in drie kernambities en zes speerpunten (bron: KuiperCompagnons).

Ruimtelijke ontwikkeling van Sneek op hoofdlijnen Onze ambities voor Sneek richting 2050 hebben we verbeeld in onderstaande schets, die het ruimtelijk raamwerk van de stad vormt. Dit is de toekomst ‘door de oogharen heen’ gezien. Daarin zijn de ambities nog niet heel specifiek gemaakt; de schets geeft op hoofdlijnen ons toekomstbeeld van de stad weer. Een concretere uitwerking is te lezen in de drie kernambities hierna, en te zien op de integrale omgevingsvisiekaart (paragraaf 8.4).

Afbeelding 8.11: Toekomstbeeld Sneek op hoofdlijnen (bron: KuiperCompagnons).

20

Kernambitie: Waterpoort van Fryslân In 2050 is Sneek niet alleen bekend om zijn Waterpoort, maar vormt het zelf ook de ‘waterpoort’ van Fryslân. We hebben voortgebouwd op het ‘blauwe’ DNA van Sneek, als waterstad en centrum van het Friese waterland. Sneek dankt zijn identiteit, economie én leefkwaliteit aan het water. Door water leidend te maken bij ontwikkelingen, hebben we het profiel versterkt én structurele knelpunten opgelost. Speerpunt 1: De waterstad van Fryslân presteert op alle fronten beter

Afbeelding 8.12: Indicatieve illustratie ‘de waterstad van Fryslân presteert op alle fronten beter’.

Sneek is de waterhoofdstad van Fryslân, ook in de toekomst. In 2050 wordt deze identiteit van de stad in de praktijk ook zo ervaren. Een aantrekkelijke waterstad vraagt om zichtbaarheid, toegankelijkheid en openbaarheid van het water. De stad ligt nog meer aan het water en presenteert zich hier op zijn voordeligst. Zo hebben we de waterassen naar de voorgrond gehaald door te investeren in betere vaarroutes, openbare en toegankelijke oevers met wandelmogelijkheden en verblijfsgebied langs het water, voorkanten naar het water, een hogere beeldkwaliteit, een doorvaarbare binnenstad en vaarrondjes. Levendige en toegankelijke openbare waterkanten bieden onder andere ruimte voor stadsstranden, insteekhavens en aantrekkelijke kades zonder parkeerruimte. De staande mastenroute (Geeuw tot en met Houkesloot) vormt als internationale vaarroute de hoofdader van het waterfront van Sneek. Ze is bepalend voor het imago en de gastvrijheid, en is aan weerszijden voorzien van openbare en toegankelijke oevers en kades en voorkanten. Nieuwe bebouwing heeft een hoge beeldkwaliteit en vertelt het verhaal van waterstad Sneek. Bestaande havens rond de binnenstad zijn nog meer zichtbaar en herkenbaar voor passanten. Door het verplaatsen van particuliere havens naar buiten is ruimte ontstaan voor stedelijke verdichting en de publieke waarde en beleving van het water.

Tegelijk mogen de beroepsvaart, onze uitblinkende maritieme sector en watergebonden maakindustrie gezien worden, en wordt de verbinding met het Prinses Margrietkanaal nog beter benut voor regionale economische ontwikkelingen en de circulaire economie. Daarnaast is de afstand tussen de stad en de Snitser Mar kleiner geworden. Enerzijds door het verruimen van het open water richting de stad, anderzijds door het realiseren van openbare boulevards en paden langs het water waar ruimte is voor de maritieme en gastvrijheidssector (primair) en wonen (secundair, op de verdiepingen). In het veengebied aan de zuid- en oostkant van Sneek zorgen het verruimen en verbinden van water voor betere doorstroming en waterbeleving. De bevaarbaarheid en recreatieve kwaliteit van de Snitser Mar hebben we vergroot in samenhang met het vernatten en ecologisch versterken van omliggende veengebieden. Ontwikkelingen rondom de Snitser Mar dragen bij aan de positionering van Sneek als gezonde waterstad en een aantrekkelijk en toegankelijk waterfront. 21

Sneek, en in het bijzonder het Starteiland (befaamd vanwege de Sneekweek en het Skûtsjesilen), heeft zijn kwaliteit als paradijs voor watersportliefhebbers en waterbeleving weten te behouden en versterken. Dat komt onder meer door kwaliteitsversterkingen van natuur en recreatiemogelijkheden en een betere bereikbaarheid, voor fietsers en voetgangers maar ook vervoer via het water. Daarbij kijken we ook over onze grenzen heen, door aansluiting bij het provinciale recreatieve vaarnetwerk en samenwerking met omliggende watersportdorpen. Naast de kwaliteit rond het water hebben we de kwaliteit van het water zelf verbeterd, onder meer door een betere doorstroming, groene en natuurvriendelijke oevers, maar ook door inzet op Sneek als elektrische vaarregio van Europa. Hierdoor voelt ook de ijsvogel, icoonsoort voor een gezonde waternatuur, zich thuis langs de oevers van Sneek en wordt deze steeds vaker gesignaleerd in de stad en omliggende waterlandschappen. Een betere waterkwaliteit draagt bij aan een aantrekkelijke en gezonde waterstad, voor mens en dier. Dat sluit ook aan bij onze ambitie voor Sneek als een ‘blue zone’. Net als in de loop van onze geschiedenis zijn water en bodem sturend voor de ontwikkeling van Sneek.

Grootschalige ontwikkelingen krijgen plaats op de stabielere kleigronden aan de noord- en westkant van de stad (voorbeelden zijn de ontwikkelingen van Harinxmaland, Pasveer en De Hemmen). In de veengebieden kiezen we voor verruiming van het open water en vernatting in combinatie met natuur en recreatie. Nieuwe bouwontwikkelingen worden hier zorgvuldig op aangepast. We hebben in samenwerking met de regio een strategie uitgewerkt voor het omgaan met bodemdaling en andere ontwikkelingen op slappe veengronden, zoals vernatting middels natuur, natte teelten en recreatie. In 2050 is Sneek klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Dit zien we als een overkoepelende opgave en komt dan ook in alle onderdelen van fysieke leefomgeving (en daarom speerpunten van deze visie) terug. Om klimaatadaptatie vorm te geven hebben we maatregelen en acties opgenomen in een omgevingsprogramma, dat we periodiek evalueren en herijken.

Strategische uitgangspunten • • • • •

•

• •

• •

Voortbouwen op het principe van water en bodem sturend; grootschalige ontwikkelingen op de kleigronden aan de noord- en westkant, rekening houden met eigenschappen van het waterbodemsysteem zoals hoogteligging, draagkracht, stabiliteit en waterbergend vermogen. Sneek is de waterstad van Fryslân, ook in de toekomst. Een aantrekkelijke waterstad vraagt om zichtbaarheid, toegankelijkheid en openbaarheid van het water. Naar de voorgrond halen van waterassen en het water meer ruimte geven, investeren in betere vaarroutes, wandel- en fietsmogelijkheden en verblijfsgebied langs het water, een hogere beeldkwaliteit langs het water, inzetten op een doorvaarbare binnenstad en vaarrondjes. Verbeteren van de waterkwaliteit; onder andere door het verbeteren van doorstroming en de aanleg van groene oevers; zo bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde waterstad, voor mens en dier. Langs het water mag de maritieme sector gezien worden en kan de ligging aan het Prinses Margrietkanaal (categorie V-vaarweg) beter worden benut. Bijvoorbeeld door de haven en het Prinses Margrietkanaal beter op elkaar te laten aansluiten in samenhang met onderzoek naar mogelijkheden van watergebonden bedrijvigheid. Hierbij verkennen van de optie om het groot vaarverkeer en de recreatievaart te scheiden.

Verkleinen van de (ervaren) afstand tussen de Snitser Mar en de binnenstad; onderzoeken van mogelijkheden voor verruimen van open water richting de stad en voor het realiseren van openbare boulevards en paden langs het water met ruimte voor maritieme en gastvrijheidssector (primair) en wonen (secundair). Verkennen waar in het veengebied en in de stad water kan worden verruimd en verbonden, voor betere doorstroming en waterbeleving. Vergroten bevaarbaarheid en recreatieve kwaliteit Snitser Mar, in samenhang met vernatten en ecologisch versterken omliggende (Natura 2000-)veengebieden. Ontwikkelingen rondom Snitser Mar dragen bij aan positionering van Sneek als gezonde waterstad en aantrekkelijk en toegankelijk waterfront. Verkennen hoe de stedelijke regio van het Fries Stedelijk Netwerk in samenwerking met relevante partijen vanuit het veentransformatiegebied (de ‘Veenruit’) netto natuurpositieve gebiedsontwikkeling kan bevorderen. Bestaande passantenhavens rond de binnenstad meer zichtbaar en herkenbaar maken; verplaatsen van particuliere havens naar buiten zodat ruimte ontstaat voor stedelijke verdichting, openbare oevers en ontvangst van bezoekers.

22

• • • •

In de veengebieden kiezen voor verruiming van open water, vernatting, natuur, recreatie, landbouw, CO2-reductie en aangepaste bouwontwikkelingen. Regionaal werken aan een strategie voor de omgang met bodemdaling en mogelijke ontwikkelingen op slappe veengronden, zoals vernatting middels natuur, natte teelten en recreatie. De opgaven in het waterfront uitwerken in een omgevingsprogramma. Sneek is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Klimaatadaptatie implementeren via een omgevingsprogramma; periodiek evalueren en actualiseren aan de hand van onze ‘routekaart’ (input uit DPRA, klimaatscenario’s KNMI, klimaatatlas en planning & control-cyclus).

Speerpunt 2: Lobbenstad met groene wiggen

Afbeelding 8.13: Indicatieve illustratie ‘lobbenstad met groene wiggen’.

Naast een waterstad is Sneek ook een groene stad. Voor de groei van de stad was én is de structuur van groene wiggen en bebouwingslobben daartussen leidend. Dit lobbenmodel zorgt voor een duidelijke ruimtelijke hoofdstructuur en contrast tussen stad en landschap. In 2050 hebben we de groene wiggen verder vergroend, onder meer door in de kerngebieden stedelijke ontwikkelingen uit te faseren en water en groen terug te brengen, in de flanken het parkachtige karakter te versterken en de grenzen planologisch vast te leggen en te beschermen. Ook zijn de groene wiggen beter verbonden met elkaar en met de lobben, tot één herkenbaar groen netwerk. Deze stedelijke ecologische hoofdstructuur is belangrijk voor de biodiversiteit in de stad. De wiggen fungeren als dragers van het groen en water in de stad en vormen een klimaatadaptieve contramal van de bebouwingslobben. Voor al onze inwoners bieden ze ruimte voor ontmoeten, spelen, bewegen en verkoelen en dragen ze bij aan een gezonde leefomgeving. De bebouwingslobben tussen de groene wiggen zijn de plaats voor stedelijke ontwikkelingen en verdichting. Hier hebben we onder meer onze woningbouwambitie tot 2050 gerealiseerd (met name in de centrumzone en ‘verandergebieden’). Dit hebben we gecombineerd met vergroening, onder meer door meer de hoogte in te bouwen.

Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen zorgen we voor meer ruimte voor water en groen (netto toename van 20%, volgen van de 3-30-300-vuistregel en de vijf V’s). Op deze manier, ondersteund door ons mobiliteitsbeleid, hebben we de stad kunnen verdichten én vergroenen. Naar buiten toe zorgen we voor een goede aansluiting van de wiggen en lobben op het omliggende landschap. We zorgen er met groene bufferzones voor dat de kernen om Sneek heen vrijliggend blijven. Landbouwgrond 23

kan ook deel uitmaken van deze bufferzones, waar ruimte is voor toekomstbestendige landbouw met voldoende verdienvermogen. De kernen kunnen zelf ontwikkelingen ontplooien als die passen qua maat en schaal en met behoud van voldoende groene bufferruimte tussen deze kernen en Sneek. Sterke groene verbindingen tussen de omliggende landschappen zorgen tegelijk voor afscherming van de dorpen en vereisen een goede landschappelijke inpassing van ontwikkelingen van de stad naar buiten toe. Deze verbindingen vervullen zowel een ecologische als recreatieve functie (onder meer als langzaam verkeersroute). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen vormen landschapsparken als groene buffers de overgang tussen ontwikkelingen in de stad en het landschap. Deze bieden ruimte aan natuur, biodiversiteit, klimaatadaptatie en beweging, en worden dooraderd door vrijliggende fiets- en wandelpaden.

Strategische uitgangspunten •

•

•

• • •

•

•

Sneek als lobbenstad met een radiale structuur van groene wiggen. Dit lobbenmodel versterkt de identiteit van Sneek door contrast tussen stad en landschap. Stedelijke ontwikkeling en verdichting vindt plaats in de lobben; de wiggen zijn de groene hoofdstructuur van de stad en bieden ruimte voor water, groen, biodiversiteit, klimaatadaptatie, ontmoeten, spelen en bewegen. In de groene wiggen inzet op vergroenen, door vergroten oppervlak en kwaliteit van groen. Verbinden van groene wiggen onderling en met de bebouwingslobben. o Kerngebieden: op termijn stedelijke ontwikkeling uitfaseren; nieuwe ontwikkeling alleen op bestaande kavels, bij herontwikkeling eisen aan ecologische voetafdruk en inpassing (50% ontharding), terugbrengen van water en groen, bij voorkeur door uitplaatsing van functies. o Flanken: versterken van het parkachtige karakter; nieuwe ontwikkeling alleen op bestaande kavels, bij herontwikkeling eisen aan footprint en inpassing (25% ontharding). o Grenzen: planologisch vastleggen en beschermen. In de bestaande bebouwingslobben inzet op verdichten; er is ruimte voor verstedelijking en verdichting in de centrumzone en de verandergebieden. In deze gebieden in het bijzonder rekening houden met klimaatadaptatie (tegengaan wateroverlast, hittestress), in de bebouwing en openbare ruimte.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de lobben en de binnenstad zorgen voor meer ruimte voor water en groen: netto toename van 20%, volgen van de 3-30-300-vuistregel). In het ontwerp van gebouwen en buitenruimte wordt rekening gehouden met de biodiversiteit aan de hand van de vijf V’s. De kernen om Sneek heen blijven vrijliggend; groene bufferzones rond de dorpen en IJlst om dit te borgen. Onderzoeken welke ruimte er binnen deze zones is voor de kernen om zelf ontwikkelingen te ontplooien, passend qua maat en schaal, met behoud van voldoende groene ruimte tussen deze kernen en Sneek. Creëren van groene verbindingen tussen omliggende landschappen, met ecologische en recreatieve functie, met een doorgaande langzaam verkeerroute (“rondje om Sneek”) in verbinding met de radiale groene verbindingen de stad in en uit. Deze groene verbindingen zorgen voor afscherming van dorpen en vereisen van uitbreidingen goede landschappelijke inpassing. Bij stedelijke ontwikkelingen creëren van landschapsparken als overgang tussen stad en landschap. Uitwerking van een versterkingsaanpak voor de totale groenstructuur van de stad, bestaande uit groene wiggen en andere groenstructuren, in samenhang met klimaatadaptatie, in een omgevingsprogramma.

24

Kernambitie: Sociaal-economische regiomotor In 2050 is Sneek een goed verbonden regiostad, als sociaal-economische motor die voorzieningen en banen genereert voor zuidwest-Friesland. Dit sluit aan bij de verstedelijkingspropositie zoals we die met de FSNsteden hebben opgesteld. Samen met de andere steden hebben we gezorgd voor een sterk stedelijk netwerk in Fryslân, waarin de steden elkaar versterken en maximaal profiteren van agglomeratievoordelen. Speerpunt 3: Ruimte voor economische groei en transities

Afbeelding 8.14: Indicatieve illustratie ‘ruimte voor economische groei en transities’ (zoneren van lichte naar zware bedrijvigheid).

Ook in 2050 is Sneek een regionaal knooppunt van economie, zorg, onderwijs en energie. Door voldoende ruimte te bieden aan bestaande en nieuwe (circulaire) bedrijvigheid en de circulaire keten hebben we economische groei van Sneek en de regio gefaciliteerd en gestimuleerd. Daarbij hebben we gekozen voor een functionele zonering en slimme clustering, met een geleidelijke overgang van lichte bedrijvigheid in de centrumzone naar zware bedrijvigheid aan de randen. Door hier actief op te sturen gaan we ‘functievervuiling’ tegen. De ’schuifpuzzel’ die hiervoor nodig is hebben we mede mogelijk gemaakt door ruimte te bieden op nieuwe bedrijventerreinen op vooral de kleigronden. Ook hebben we bestaande ruimte op bedrijventerreinen beter benut, onder andere door meer hoogte toe te staan, transformatie van leegstaande panden, invullen van lege ruimte en het efficiënter oplossen van parkeren. Met een stimuleringsaanpak om bedrijven te laten ‘schuiven’ zorgen we ervoor dat de juiste functie op de juiste plek terechtkomt. Verder maken we maximaal gebruik van onze verbinding met het Prinses Margrietkanaal, met een clustering van maritieme en andere watergebonden maakindustrie aan de categorie V-vaarweg. Onze topsectoren zijn zo ook beter zichtbaar geworden. Daarnaast hebben we in 2050 in Sneek nog altijd een sterk cluster op het gebied van zorg.

Met het oog op de energietransitie hebben we voldoende ruimte gereserveerd voor opwekking, distributie en opslag van duurzame warmte en stroom. We realiseren warmtenetten (collectieve warmtelevering) waar dat kan, op basis van lokale warmtebronnen. We houden rekening met de distributie van energie door voldoende ruimte te reserveren, zowel bovengronds als ondergronds. Benodigde ingrepen worden waar mogelijk gecombineerd met ruimtelijke ontwikkelingen, herinrichting van de openbare ruimte en onderhoudswerkzaamheden. Bij nieuwe ontwikkelingen en bij onderhoud en beheermaatregelen in de openbare ruimte worden de behoefte aan en randvoorwaarden voor (toekomstige) energie-infrastructuur expliciet betrokken.

25

Waar nodig en mogelijk geven we energievoorzieningen de ruimte op strategische locaties, waar opwekking, opslag en gebruik zoveel mogelijk lokaal gebundeld worden. We bieden daarom ruimte aan energie en bedrijven in multifunctionele klimaatparken. In deze parken ontstaat maatschappelijke meerwaarde en door de combinatie met andere klimaatmaatregelen versterkt dit de leefbaarheid en omgevingskwaliteit van de gezonde waterstad. Deze energiehubs vormen parkachtige en met groen en water omzoomde en dooraderde gebieden, waar bedrijven in de circulaire keten, duurzame energievoorziening en waar mogelijk andere functies geclusterd zijn. In deze parken is ook bos toegevoegd, wat bijdraagt aan CO 2-reductie, verkoeling van de stad, het vasthouden van water en vergroten van de biodiversiteit. In deze gebieden zoeken we samen met andere partijen zo veel mogelijk naar multifunctioneel ruimtegebruik en koppelkansen. Ruimte voor de energietransitie is er vooral in deze klimaatparken en op of nabij bedrijventerreinen. Waar ingrepen visueel of geluidstechnisch hinder kunnen veroorzaken worden ze zorgvuldig geïntegreerd in een parkomgeving en in de architectuur. In het centrum is hier weinig ruimte voor. Door het centrum aan te sluiten op een warmtenet gekoppeld aan de opwekking van duurzame energie en warmte in de klimaatparken blijft het centrum leefbaar.

Energievoorzieningen met grote ruimtelijke impact krijgen alleen eventueel een plek na zorgvuldig ruimtelijk onderzoek, en altijd gekoppeld aan bedrijventerreinen en op afstand van woonfuncties.

Strategische uitgangspunten • •

• •

• • • • • •

•

•

•

Faciliteren en stimuleren van economische groei door voldoende ruimte te bieden aan bestaande en nieuwe bedrijvigheid en de circulaire keten. Functionele zonering en slimme clustering met een geleidelijke overgang van lichte bedrijvigheid, detailhandel, kantoren en voorzieningen in de centrumzone naar zwaardere bedrijvigheid aan de randen. Schuifpuzzel mogelijk maken door ruimte te bieden op nieuwe bedrijventerreinen op de klei. Functievervuiling tegengaan door actief te sturen op verplaatsing van lichte bedrijvigheid naar bijvoorbeeld de centrumzone. Ruimte bieden binnen en buiten bestaande stad – inbreiden gaat voor uitbreiden – aan circulaire bedrijvigheid en extra werkgelegenheid; hiervoor fysieke ruimte (tot 40% extra) en milieuruimte reserveren op De Hemmen III, Houkesloot / ‘t Ges en nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein(en) na 2035 in/nabij De Hemmen en Harinxmaland. Uitbreidingen worden zorgvuldig landschappelijk ingepast, onder meer door landschapsparken en/of groene buffers. Bestaande ruimte op bedrijventerreinen beter benutten, onder andere door meer hoogte toe te staan, transformatie van leegstaande panden, invulling van lege ruimte en het efficiënter (gestapeld) oplossen van parkeren. Topsectoren meer zichtbaar maken, door clustering van maritieme en andere watergebonden maakindustrie aan de categorie V-vaarweg.

Ruimte reserveren voor opwekking, distributie en opslag van duurzame warmte en energie. Bij de locatiekeuze en inpassing van duurzame energietoepassingen uitgaan van: meerwaarde voor de omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik, integratie in het landschap, functiemenging en zoeken naar koppelkansen. Warmtenetten op basis van lokale warmtebronnen waar dat kan; onderzoeken van mogelijkheden voor geothermie en aquathermie; kaders voor duurzame warmte- en energiebronnen in Kadernota Energiebronnen. Rekening houden met ruimte voor distributie van energie, bovengronds en ondergronds. Ingrepen waar mogelijk combineren met ontwikkelingen, herinrichting openbare ruimte en onderhoud. Bij nieuwe ontwikkelingen behoefte aan en randvoorwaarden voor energie-infrastructuur expliciet betrekken. Waar nodig en mogelijk ruimte geven aan energievoorzieningen op strategische locaties, waar opwekking, opslag en gebruik zoveel mogelijk lokaal gebundeld worden; onder voorwaarden uit deze strategie en het burgerforum advies: onder andere juiste functie op de juiste plaats, eerlijke verdeling lusten, lasten en lokale zeggenschap, maar ook de kwaliteit van het (stads-)landschap. Ruimte voor energie en bedrijven in multifunctionele klimaatparken.

Uitwerken van energiehubs als parkachtige gebieden, waar bedrijven in de circulaire keten, duurzame energievoorziening en mogelijk andere functies worden geclusterd. Ook de bosopgave krijgt hier een plaats. Zoeken naar multifunctioneel ruimtegebruik en koppelkansen. Dergelijke klimaatparken bij de Hemmen en bij Harinxmaland. Energievoorzieningen met grote ruimtelijke impact (zoals windturbines en verticale warmteopslagsilo’s): zoekmogelijkheden aan de zuidwest- en westkant van Sneek, gekoppeld aan bedrijventerreinen en op afstand van woonfuncties; ruimtelijk onderzoek nodig om te komen tot locatiekeuzes en inpassing met ruimtelijke kwaliteit.

26

• •

Kansen benutten voor levering biogas, warmte en grondstoffen van rioolwaterzuiveringsinstallatie Sneek aan nabijgelegen bedrijven, waardoor reststromen nieuwe waarde krijgen. Uitwerken circulaire schuifpuzzel in een omgevingsprogramma.

Speerpunt 4: Sterk ‘daily urban system’ en mobiliteit volgens het STOMP-principe

Afbeelding 8.15: Indicatieve illustratie ‘Sterk ‘daily urban system’ en mobiliteit volgens het STOMP-principe’.

In 2050 kent Sneek en sterk netwerk voor dagelijkse bewegingen (‘daily urban system’), waardoor het goed bereikbaar is voor inwoners en bezoekers. Om de groeiende stad bereikbaar en leefbaar te houden, hebben we onze mobiliteit ingericht volgens de STOMP-strategie. Daarin krijgen actieve, aantrekkelijke en schone mobiliteitsvormen als lopen en fietsen prioriteit, vervolgens openbaar vervoer, dan deelmobiliteit en tot slot de (privé-)auto. De stad hebben we hier stapsgewijs op aangepast, waardoor lopen, fietsen en ov vanzelfsprekend geworden zijn. Zo hebben we een uitgebreid groen langzaam verkeersnetwerk met, aanvullend op routes langs autowegen, vrijliggende fiets- en wandelroutes door de groene wiggen (de stad in en uit) en tussen de groene wiggen (verbindingen met de wijken). Er zijn goede doorfietsroutes die ook aansluiten op multimodale hubs. Fietsers en wandelaars kunnen daardoor kiezen tussen snelle functionele routes en groene recreatieve routes. De fiets wordt hierdoor veelvuldig gebruikt als gezond alternatief voor de auto, maar ook recreatief. Afbeelding 8.16 toont het beoogde groene fietsnetwerk.

27

Afbeelding 8.16: Facetkaart met bestaand en indicatief gewenst groen fietsnetwerk.

In de centrumzone is autoverkeer beperkt en ligt de nadruk op andere verplaatsingsvormen (STOMP). Het gebied is autoluwer ingericht: doorgaand verkeer rijdt niet meer door het centrum en parkeervoorzieningen liggen waar mogelijk buiten het directe zicht. Door een voetgangers- en fietsvriendelijke openbare ruimte, met meer groen en water en waarin de auto minder dominant aanwezig is, staan verblijven en ontmoeten hier centraal. Zo is de omgevingskwaliteit toegenomen en is de binnenstad vitaler, aantrekkelijker en gezonder geworden. Het verkeerssysteem is zo aangepast dat doorgaand verkeer door de binnenstad, en tegelijk oneigenlijk gebruik van de N7, wordt voorkomen. Autoverkeer wordt bijvoorbeeld omgeleid via een systeem van een rondweg met inprikkers, waardoor de binnenstad niet meer fungeert als draaischijf voor autoverkeer tussen noord en zuid. Ook voor landbouwverkeer zijn er efficiënte routes om de binnenstad heen (zie afbeelding 8.15). Rond multifunctionele (gebouwde) parkeerhubs langs de randen van het centrum wordt mobiliteit slim gecombineerd met wonen, werken, voorzieningen, toeristische overstappunten, parkeren en energie. Deze knooppunten verbinden stad, regio en water, en hebben verdichting mogelijk gemaakt zonder overbelasting van de openbare ruimte.

Mede door deze hubs is Sneek in 2050 een belangrijk knooppunt waarin alle openbaar vervoerslijnen en andere mobiliteitsvormen samenkomen – over land en water. Door een efficiëntere aansluiting op het ovhoofdnetwerk is de ov-bereikbaarheid van Sneek en van de regio sterk verbeterd. Dat realiseren we door een strategie van het intensiveren van haltes op de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren door herstel van voormalige haltes en het toevoegen van strategische nieuwe haltes (zoals Oudega, Boazum en Scharnegoutum/Harinxmaland), die waar mogelijk ook aansluiten op andere vervoersmogelijkheden. Daarnaast is Sneek een mobiliteitsknooppunt geworden in aansluiting op Heerenveen en mogelijk op de Lelylijn. In combinatie met verdichting in de stedelijke zone Sneek en rondom ov-knooppunten is er hierdoor ook meer draagkracht voor intensievere (frequentere) ov-verbindingen. Ook zijn Sneek Noord en Harinxmaland beter aangesloten op het ov-netwerk. Daarnaast is watervervoer een volwaardig onderdeel van onze mobiliteitsmix. Waterstations en verbeterde doorvaarbaarheid maken vervoer over water aantrekkelijk en functioneel, en vaarroutes een alternatief voor wegverkeer. Zo is er aansluitend op de Geeuw en vaarroutes door de stad een opvaart naar station Sneek, als een overstappunt voor verschillende modaliteiten.

Het aangewezen zoekgebied voor een ov-knooppunt aan de zuidzijde van Sneek biedt mogelijkheden voor een centraal waterstation in het Friese Merengebied. Het ligt

28

centraal in het merengebied, sluit aan op het wandel- en fietsnetwerk en kan een spil vormen in noord-zuid en oost-west ov-verbindingen (inclusief mogelijke aansluiting op de Lelylijn). Als multifunctionele hub kan het onder meer dienen als een toeristisch overstappunt.

Strategische uitgangspunten • • • •

• • • •

•

•

• • • •

Versterken van het netwerk voor dagelijkse bewegingen (‘daily urban system’), waardoor de dagelijkse voorzieningen van Sneek goed bereikbaar zijn binnen 30 minuten. Verbeteren van de bereikbaarheid van Sneek en van de regio, passend bij de ambitie binnen het Fries Stedelijk Netwerk. Sneek als belangrijk knooppunt waarin alle openbaar vervoerslijnen en andere mobiliteitsvormen samenkomen – over land en water. Watervervoer als volwaardig onderdeel van de mobiliteitsmix; vervoer over water aantrekkelijk en functioneel maken door waterstations en verbeteren van de doorvaarbaarheid. Verbeteren van de ov-bereikbaarheid van Sneek en van de regio door een efficiëntere aansluiting op het ov-hoofdnetwerk om de verbindingen binnen en buiten Fryslân te versterken en verkorten; onder meer door intensiveren haltes op de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren, mogelijk ook aangehaakt aan de Lelylijn. Reserveren zoeklocaties voor een ov-knooppunt in aansluiting op Heerenveen en de mogelijke Lelylijn. Reserveren bufferzone om spoorlijn ten behoeve van mogelijke spoorverruiming en mogelijk langzaam verkeersroutes. Beter aansluiten Sneek Noord en Harinxmaland op het ov-netwerk.

Onderzoeken mogelijkheden ov-knooppunten: opvaart naar station Sneek als overstappunt voor verschillende modaliteiten; knooppunt aan de zuidzijde als centraal waterstation Merengebied, multifunctionele hub en toeristisch overstappunt. Mobiliteit inrichten volgens de STOMP-strategie, om de groeiende stad bereikbaar en leefbaar te houden. Prioriteit voor actieve en schone mobiliteitsvormen als lopen en fietsen, vervolgens openbaar vervoer, dan deelmobiliteit en tot slot de (privé-)auto. Inrichting van de stad stapsgewijs aanpassen op STOMP, in combinatie met groot onderhoud en de maatregelen ten behoeve van de energietransitie, klimaatadaptatie en vergroening. Dit is een integrale ontwerpopgave. Vergroten keuzemogelijkheden voor langzaam verkeer (snelle functionele routes en groene recreatieve routes). Uitbreiden langzaam verkeersnetwerk in aanvulling op bestaande routes langs autowegen, met vrijliggende groene fiets- en wandelroutes. Zowel door de groene wiggen (radiaal, de stad in en uit) als tussen de groene wiggen (ringvormig, verbindingen met de wijken). Rekening houden met sociale veiligheid, bereikbaarheid van voorzieningen en aantrekkelijkheid van routes. Autoluwer inrichten van de centrumzone; geen doorgaand verkeer door het centrum, parkeervoorzieningen waar mogelijk buiten het directe zicht; onderzoeken waar fietsers en voetgangers voorrang kunnen krijgen.

Een voetgangers- en fietsvriendelijke openbare ruimte, waarin de auto minder dominant aanwezig is, met meer groen en water, stelt verblijven en ontmoeten centraal en draagt bij aan de omgevingskwaliteit van de stad. Verkeerssysteem zo aanpassen dat doorgaand verkeer door de binnenstad, en tegelijk oneigenlijke verkeersstromen op de N7, worden voorkomen. Verkennen van oplossingsrichtingen om autoverkeer om te leiden, via een systeem van een rondweg met inprikkers, waardoor de binnenstad niet meer als draaischijf fungeert voor autoverkeer tussen noord en zuid. Zoeken naar oplossingen om landbouwverkeer uit de binnenstad te weren en via efficiënte routes om te leiden. Inzet op multifunctionele gebouwde hubs, waar mobiliteit slim gecombineerd wordt met wonen, werken, voorzieningen, toeristische overstappunten, parkeren en energie. Onderzoeken van een directe wegverbinding met Leeuwarden (inclusief tracékeuze). Onderzoeken mogelijkheden voor ontlasten verkeerssituatie Offingawier; mogelijk in combinatie met andere ontwikkelingen (zoals wegverbinding Leeuwarden, uitbreiding groene wig, recreatieve routes naar het buitengebied, waterverbindingen). De opgaven op het gebied van mobiliteit vragen om uitwerking in een omgevingsprogramma .

Zo uitvoering geven aan het gemeentelijke mobiliteitsprogramma; daarbij zoeken naar samenwerking en afstemming en oplossingen voor de lange termijn, onder meer op het gebied van het verkeerssysteem om de binnenstad te ontlasten, parkeerbeleid in relatie tot integrale gebiedsontwikkeling, maar ook beheer en onderhoud en andere beleidsterreinen.

29

Kernambitie: Gezonde woon- en leefstad In 2050 kent Sneek een hoge omgevingskwaliteit en leefbaarheid. De stad biedt kwalitatief goede woningen en voorzieningen, een aantrekkelijke openbare ruimte met veel water en groen en voldoende ruimte voor ontmoeten, spelen en bewegen, alle toegankelijk voor iedereen. Groei of ontwikkeling alleen vinden we niet genoeg. Door ontwikkelingen altijd te toetsen aan kwaliteit en leefbaarheid hebben we bijgedragen aan de brede welvaart van onze samenleving – onze mienskip. We zien Sneek in 2050 als ‘blue zone’. Dit betekent aandacht voor een gezonde levensloop (van preventie tot revalidatie) en is niet alleen een zorgvraagstuk, maar ook een ruimtelijke opgave die vraagt om zorgvuldige afstemming tussen de gebouwde omgeving, openbare ruimte en sociale netwerken. Speerpunt 5: Stedelijkere woonmilieus met dichtere en hogere bebouwing

Afbeelding 8.17: Indicatieve illustratie ‘stedelijkere woonmilieus met dichtere en hogere bebouwing’; herstructureringsgebieden in bestaande stad en focusgebieden en zoekgebieden voor eventuele uitbreiding, in combinatie met klimaatadaptieve opgaven.

De afgelopen periode hebben we ingespeeld op demografische ontwikkelingen door invulling te geven aan onze woningbouwambitie, in aansluiting op de verstedelijkingspropositie van het FSN. Nieuwe woningen hebben vooral plaats gekregen in stedelijkere woonmilieus binnen de bestaande stadsstructuur, door verdichting in de bebouwingslobben (inbreiding vóór uitbreiding). Dat zijn met name de centrumzone, ‘verandergebieden’ en bestaande stationszones. Uitbreidingen komen pas aan de orde als inbreiden aantoonbaar niet lukt, en worden ingepast in het verlengde van de bebouwingslobben. Bij elke ontwikkeling ‘naar buiten’ is onderzoek naar mogelijke inpassing in landschappelijke en natuurwaarden noodzakelijk, en is netto verbetering van natuur, waterkwaliteit en kwaliteit van de ruimte hier het uitgangspunt. In de historische binnenstad is de verdichting beperkt tot bijzondere publieke functies, waar uitzonderlijke kwaliteit wordt bereikt. Door te kiezen voor gerichte verdichting met oog voor het water- en bodemsysteem, landschap en omgevingskwaliteit zijn de groene wiggen en het groen rondom de stad behouden, verruimd, verrijkt en verbonden. Bij het verdichten (maar ook in bestaande andere wijken) hebben we altijd aandacht voor het water- en bodemsysteem, klimaatadaptatie en het tegengaan van wateroverlast en hittestress.

Door verdichten te combineren met hoger bouwen (bijvoorbeeld door te slopen en hoger terug te bouwen of optoppen) en gebouwd parkeren blijft er op maaiveld meer ruimte over voor groen en water. Woonmilieus zijn hoogstedelijk waar het past, kleinschalig waar nodig. Zo hebben we hogere dichtheden en bebouwing

30

toegevoegd op gezonde en aantrekkelijke plekken, altijd met oog voor menselijke maat en schaal, cultureel erfgoed en netto vergroening. We vinden dit om gezondheidsredenen niet passend langs drukke wegen, noch waar omgevingskwaliteit het niet toelaat. Zo komt ‘hoger bouwen’ selectief voor rondom stations, in de centrumzone (rondom de binnenstad) en op markante plekken langs de groene wiggen en waterfronten. We hanteren verschillende hoogbouwcategorieën (zie uitwerking in kader op de volgende bladzijde). De grootste hoogte zien we in de Spoorzone; in de historische binnenstad en naoorlogse tuinwijken is hogere bebouwing het meest beperkt. Voor alle zones geldt dat hoger bouwen goed moet worden ingepast en een hoge kwaliteit kent. In de binnenstad en centrumzone geldt voor alle nieuwbouw een hoge kwaliteitseis. Dat betekent in ieder geval dat er sprake is van hoge omgevingskwaliteit en er geen belemmeringen zijn voor de leefbaarheid. Hogere dichtheden en bouwhoogte nabij ov-knooppunten past ook binnen onze STOMP-strategie, waardoor er in 2050 meer gebruik gemaakt wordt van ov en er tegelijk een basis ligt voor intensievere ov-verbindingen. Met de nieuwe woonmilieus hebben we gezorgd voor passende en betaalbare woonvormen voor alle doelgroepen, in het bijzonder de gegroeide groepen jongeren, ouderen en kleine huishoudens.

We hebben in heel Sneek gezorgd voor aantrekkelijke en gezonde woonomgevingen, met onder meer aandacht voor een passend voorzieningenaanbod, goede bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte. In alle wijken zijn voldoende maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijs, zorg en dagelijkse boodschappen, maar is ook ruimte voor ontmoeten, spelen en bewegen (voor stedelijke en regionale voorzieningen ligt de focus op de centrumzone, zie speerpunt 6). Deze openbare ruimte en voorzieningen zijn voor iedereen goed toegankelijk. Sportaccommodaties liggen veelal in de groene wiggen en zijn verbonden met en onderdeel van omliggende wijken. De sportvoorzieningen zijn van belang voor de omgevingskwaliteit en leefbaarheid in wijken, hebben een belangrijke functie voor de stad en regio en dragen bij aan de sociale cohesie en vitaliteit van inwoners. Aandacht voor gezondheid komt ook tot uiting in goede zorgvoorzieningen, een gezonde (groene) leefomgeving en maatregelen om (binnen onze mogelijkheden) de milieukwaliteit te verbeteren of milieuhinder te beperken. Dit geldt voor zowel nieuwe als bestaande woonmilieus.

Strategische uitgangspunten •

•

• •

• • •

• •

Inbreiden gaat voor uitbreiden. We kiezen voor stedelijkere woonmilieus en verdichting in de bebouwingslobben: in de centrumzone, verandergebieden en de stadsrand. In de binnenstad geen grote verdichtingsopgave. Door gerichte verdichting blijven groene wiggen en het groen rondom de stad behouden. Als er aantoonbaar geen mogelijkheden zijn voor inbreiden onderzoeken van uitbreidingsmogelijkheden; eerst in de focusgebieden, daarna pas de zoekgebieden. Uitbreidingen inpassen in het verlengde van de bebouwingslobben. Daarbij rekening houden met beperkingen en voorwaarden vanuit natuurdoelstellingen en beschermde gebieden. Bij elke ontwikkeling onderzoek naar mogelijke inpassing in landschappelijke en natuurwaarden; uitgangspunt is netto verbetering van natuur, water en ruimtelijke kwaliteit. Bij verdichting (maar ook in bestaande andere wijken) aandacht voor klimaatadaptatie, om wateroverlast en hittestress tegen te gaan. Verdichting deels combineren met hoger bouwen, waardoor op maaiveld meer ruimte blijft voor groen en water (20%). Woonmilieus hoogstedelijk waar het past, kleinschalig waar nodig (zie categorieën hoger bouwen). Toevoegen hogere dichtheden en bebouwing op gezonde en aantrekkelijke plekken, met oog voor menselijke maat en schaal, cultureel erfgoed en vergroening. Hoger bouwen is daarom niet passend langs drukke wegen en waar omgevingskwaliteit dat niet toelaat.

Hoger bouwen combineren met vergroenen, om te kunnen groeien en verdichten. Hoogbouw selectief rondom stations, in de centrumzone (rondom de binnenstad) en op markante plekken langs de groene wiggen en waterfronten. Hanteren van verschillende categorieën voor hoger bouwen (zie onderstaande uitwerking). Voor alle zones geldt dat hoogbouw goed moet worden ingepast, rekening houdend met omgevingskwaliteit en leefbaarheid. Inpassen van circa 5.000 woningen in de volgende fase van planvorming binnen de stedelijke zone Sneek-Bolsward-IJlst, waarvan het merendeel in Sneek. Tot 2030 circa 900 woningen in de Spoorzone, circa 200 aan de IJlsterkade (waterfront) en honderden in Harinxmaland. We zien ook kansen en een uitwerkingsopgave voor ontwikkeling in IJlst en Bolsward, als onderdeel van de stedelijke zone Sneek-Bolsward-IJlst. Nieuwe woonmilieus zorgen voor passende woonvormen voor alle doelgroepen, in het bijzonder jongeren, ouderen en kleine huishoudens. Zorgen voor aantrekkelijke en gezonde woonomgevingen, met onder meer aandacht voor passend voorzieningenaanbod, goede bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte.

31

• • • •

In alle wijken voldoende maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor ontmoeten, spelen en bewegen. Openbare ruimte en voorzieningen zijn voor iedereen goed toegankelijk. Doorontwikkelen bestaande buitensport-accommodaties op en rond huidige locaties, in verbinding met en als onderdeel van omliggende wijken; mogelijk toevoegen van binnen- en buitensportvoorzieningen bij clustering van vo-voorzieningen (zie speerpunt 6). Inzet op verbeteren van milieukwaliteit of beperken van milieuhinder (onder meer luchtkwaliteit, geluid, bodemkwaliteit); nader uitwerken wat dit voor verschillende gebieden betekent, rekening houdend met bestaande situatie en sturingsmogelijkheden. Uitwerken van opgaven voor multifunctionele stadsrand, stedelijke verdichting en hoger bouwen in een omgevingsprogramma. Hierin ontwerpend onderzoeken van in- en uitbreidingsmogelijkheden (inbreiding gaat voor uitbreiding), uitgaand van integrale gebiedsontwikkeling, rekening houdend met natuurdoelstellingen en beschermde gebieden, verdichting in stationsgebieden, mogelijkheden voor multifunctionaliteit, ruimtelijke kwaliteit en klimaatbestendigheid.

Categorieën hoger bouwen: In het algemeen geldt: hoger bouwen mag in deze zones, mits met hoge kwaliteit en dit geen belemmeringen oplevert voor de leefbaarheid. A. 2-3 lagen in de binnenstad, afhankelijk van de locatie (nader te bepalen in een gebiedsgericht omgevingsprogramma); respectvolle omgang met cultureel erfgoed en versterking van architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren. B. In de binnenstad is incidenteel ruimte voor een hogere uitzondering voor een markant publiek gebouw (trekker), onder voorwaarde dat er uitzonderlijke kwaliteit wordt geleverd en het parkeren op eigen terrein wordt opgelost of op eigen terrein en in een van de parkeerhubs in de centrumzone. Daarnaast geldt de voorwaarde van aansluiting bij de omgeving in hoogte, zodat vanuit het straatbeeld de menselijke maat bepalend blijft, bijvoorbeeld door overgangen naar lagere ‘buren’ of door setbacks. De kleinschaligheid van de binnenstad bepaalt de architectuur. C. Tot 6 lagen (excl. eventueel (half-) verdiepte parkeerlaag) in de vorm van stedelijke gemengde milieus, afwisselende bouwhoogtes. Aan de straat oogt de bebouwing als een stedelijk laagbouwblok van maximaal 4 lagen (3 met kap, of met setback) bestaande uit individuele grondgebonden woningen, afgewisseld met robuustere hoekblokken.

De menselijk maat, schaal, kleurstelling en materialisatie van de binnenstad wordt doorgezet in het straatbeeld. Locaties: centrumzone (excl. Sperkhem en Noorderhoek I, daar tuindorpkarakter versterken), SpoorzoneVeemarkt, voormalige AZC-locatie, vervolgfasen Harinxmaland en rond station Sneek Noord. Parkeren wordt opgelost in gebouwde vorm, of (deels) in gemeenschappelijke hubs. De menselijke maat, kwaliteit en levendigheid van de openbare ruimte is bepalend (vriendelijke gevels, ‘ogen op straat’). In de centrumzone en binnenstad het rood-bruine architectuurbeeld versterken en aanvullen. Bij nieuwe ontwikkelingen versterken van de ‘Sneker’ architectuur. Hierbij spelen het verhaal van Sneek, de tijdgeest van de buurt en grafische omgang met het gevelbeeld een belangrijke rol. D. 4 tot 6 lagen, afhankelijk van de locatie (excl. half verdiepte parkeerlaag). Robuustere blokken op markante plekken langs het waterfront of de groene wiggen in de vorm van kade- en parkwonen, afwisselend in hoogte tussen 4 en 6 lagen, aansluitend op hoogtes in de omgeving. Bezien vanaf het park, water en de straat is de menselijk maat bepalend (vriendelijke gevels, ‘ogen op de straat’). Langs het waterfront versterken van het verhaal van waterstad Sneek in de architectuur. Aandacht voor openbare toegankelijkheid en sociale veiligheid van de oevers en kades.

Aan de groene wiggen (en bij vervangende bouw) versterken van de parkachtige karakteristiek in de architectuur. E. Tot 10 lagen (excl. half verdiepte parkeerlaag; hoogbouw) bij stationsgebied Station Sneek (Spoorzone), doorlopend naar het water van de Geeuw. Het markeert de stationszone Sneek als onderdeel van de centrumzone, en als waterstad. De hoogbouw krijgt hier vorm in een of twee compacte cluster(s). De rood-bruine baksteen identiteit van de binnenstad is dominant. Maar binnen het blok zijn individuele smalle panden herkenbaar door afwisseling in vorm, kleur, materiaal en gevelopbouw. Er is sprake van een goed ontworpen overgang naar de omgeving tot 6 lagen. Ook hier zijn de menselijke maat, kwaliteit en levendigheid van de openbare ruimte bepalend (vriendelijke gevels, ‘ogen op de straat’). Dit gebied biedt ruimte voor bijzondere publieksfuncties, zoals een ‘skybar’ of een ‘multifunctionele hub’ met bijvoorbeeld een toeristisch overstappunt en/of overstap land-water. F. Niet hoger dan bestaand in tuinstadwijken. G. Niet hoger dan 6 lagen langs groene stadsentrees, mits dit aansluit bij de hoogte in de omgeving. H. Niet hoger dan bestaand langs de rondweg en snelweg.

Ontwerpverkenning: inbreiding en uitbreiding

32

Inbreiding gaat vóór uitbreiding. We kiezen voor gerichte verdichting, deels gecombineerd met hoger bouwen, altijd met oog voor de omgevingskwaliteit en leefbaarheid. Hierdoor kunnen we de groene wiggen en het groen rondom de stad behouden. Uitbreiding komt pas aan de orde als inbreiding aantoonbaar niet of onvoldoende mogelijk is; eerst in de focusgebieden, daarna pas de zoekgebieden. Bij uitbreiding is een zorgvuldige inpassing in de overgang tussen stad en landschap van groot belang. Daarbij moet rekening worden gehouden met landschappelijke en natuurwaarden, kansen voor multifunctionaliteit en netto verbetering van natuur, water en ruimtelijke kwaliteit. Dat vraagt om ontwerpend onderzoek. Onderstaande schetsbeelden geven een impressie van mogelijke inpassing van inbreiding en uitbreiding in de stad. Het zijn geen concrete ontwerptekeningen, maar kan mogelijk ter inspiratie dienen voor toekomstige ontwerpopgaven.

Afbeelding 8.18: schetsimpressies in vogelvluchtperspectief van indicatieve inpassing van inbreiding (links) en uitbreiding (rechts) met overgang tussen stad en landschap. Gezien vanuit het zuidoosten (boven) en vanuit het noorden (onder) (bron: KuiperCompagnons).

33

Speerpunt 6: Vitalere centrumzone, binnenstad en voorzieningenclusters

Afbeelding 8.19: Indicatieve illustratie ‘Vitalere centrumzone, binnenstad en voorzieningenclusters’.

In 2050 fungeert de binnenstad met het gebied eromheen als centrumzone van een volwaardig regiocentrum binnen het Fries Stedelijk Netwerk: een compacte dynamische stadskern met regionale voorzieningen zoals winkelen, zorg, welzijn, onderwijs, sport en cultuur. Deze stedelijke en regionale voorzieningen in de centrumzone zijn vanuit de hele stad binnen tien minuten met de fiets bereikbaar, en vanuit de regio binnen dertig minuten met het ov of de fiets. De centrumzone biedt ruimte aan functies en voorzieningen die zorgen voor ontmoeting, reuring en bezoekersstromen naar de binnenstad. Het kernwinkelgebied is compact, aansluitend op de afgenomen behoefte aan fysieke winkels. Hierdoor is er, met name in uiteinden en aanloopstraten, ruimte vrijgekomen voor aanvullende functies zoals lichte bedrijvigheid (denk aan ambachtelijke en creatieve werkplaatsen, ateliers, kleinschalige kantoren, brûsplakken), maatschappelijke voorzieningen (zoals onderwijs, zorg, cultuur) horeca die bijdraagt aan een vitale binnenstad. Er is ruimte voor wonen in stedelijke woonmilieus, met name rondom de binnenstad, passend bij de levendigheid van de centrumzone. De centrumzone is een hoogwaardige stedelijke ruimte door een hoge omgevingskwaliteit in de binnenstad, gericht op ontmoeting en beleving. In de zone daaromheen sluiten ontwikkelingen aan op deze kwaliteit.

Dit geldt voor zowel de bebouwing als de openbare ruimte. In functioneel opzicht, zijn de openbare ruimte en voorzieningen van de centrumzone voor iedereen goed toegankelijk. Twee belangrijke gebieden in de binnenstad zijn het bestuurs- en cultuurkwartier en het waterkwartier. Het bestuurs- en cultuurkwartier biedt in de aanloopstraten ruimte voor aanvullende functies zoals creatieve werkplaatsen, (maak-)ateliers en brûsplakken, cultuur en horeca. Voorwaarde is dat deze functies bijdragen aan de historisch gegroeide identiteit van dit gebied en aan de kwaliteit en vitaliteit van de binnenstad. In het waterkwartier zijn de historische bebouwing, het waternetwerk en de openbare ruimte langs het water dragende structuren. Hier zien we herstelde en bevaarbare waterlopen, en is de interactie tussen land en water versterkt door het water beter beleefbaar, bereikbaar en oversteekbaar te maken. Het waterkwartier is langs de Geeuw uitgebreid richting de Spoorzone, door de Geeuw te verbreden en te voorzien van toegankelijke, groene oevers met paden en openbare voorzieningen. Ook is hier een opvaart naar station Sneek met overstappunt voor verschillende modaliteiten.

34

Een belangrijke structuur in de hele centrumzone is het waternetwerk. Zo zien we herstelde waterlopen in de binnenstad, zoals de Singel en de Kleine Palen, een opvaart naar het station met een multimodaal overstappunt en een waterkwartier in de binnenstad en Spoorzone. Het water is doorvaarbaar, beleefbaar en openbaar toegankelijk, met verschillende uit- en opstapplekken. De binnenstad wordt omringd door een groene gracht. Dit grachtpark fungeert als belangrijke schakel tussen de groene wiggen. Een minder dominante positie van de auto in de binnenstad draagt ook bij aan een aantrekkelijk verblijfsgebied. Zo hebben we gezorgd voor een fietsen voetgangersvriendelijke centrumzone met aantrekkelijke loop- en fietsroutes. Ook hebben we, gelet op de schaarse ruimte in het gebied, parkeren op maaiveld stapsgewijs uitgefaseerd. Parkeren vindt daarom plaats in multifunctionele gebouwde parkeerhubs aan de rand van de centrumzone. Daardoor is ruimte vrijgemaakt voor gerichte verdichting, vergroening en extra water. Een goed openbaar vervoersnetwerk zorgt ervoor dat het centrum voor iedereen goed bereikbaar is. Sneek kent in 2050 een zorgcluster (rondom het ziekenhuis) en meerdere scholencampussen. We werken aan het versterken van het bestaande zorgcluster in een parkachtige omgeving.

Rond het Antonius Ziekenhuis concentreert zich een gebied met medisch-specialistische zorg, eerstelijnsvoorzieningen, ouderenzorg en welzijn. Dit zorgcluster in een parkachtige omgeving (groene wig) ontwikkelt zich tot een zorgknooppunt met regionale betekenis en veel werkgelegenheid. Er is een opgave om de omgevingskwaliteit van dit gebied te verhogen en het gebied sterker te verbinden met de stad – zowel fysiek als functioneel. Dat betekent ook meer aansluiting met het mbo-onderwijs, waar de vraag naar hybride leerplekken en praktijklocaties groeit. Het zorgcluster kan tevens fungeren als proeftuin voor innovatieve concepten, zoals tijdelijke zorgruimtes, gezondheidshubs of gecombineerde leer-werkvoorzieningen. Een gebiedsuitwerking is gewenst voor het zorgcluster, in de context van de groene wiggen. Daarnaast hebben we onze belangrijke regiofunctie op het gebied van onderwijs (vo, mbo en speciaal onderwijs) behouden en versterkt. We hebben gezorgd voor passende onderwijshuisvesting, rekening houdend met de behoefte van de scholen. Waar dat meerwaarde biedt en mogelijk blijkt clusteren we onderwijs-, sport-, cultuuren andere maatschappelijke voorzieningen. Het voortgezet onderwijs heeft toekomstbestendige huisvesting gekregen, na verschillende varianten te hebben onderzocht. De mbo-campus ligt nabij het zorgcluster, wat veel kansen biedt voor samenwerking.

Daarnaast is er een maritieme campus, gelegen aan de Houkesloot. Zo werken we samen met ondernemers en onderwijsinstellingen aan clustervorming en een sterk, relevant onderwijsaanbod voor de sectoren, zoals de maritieme sector, de gastvrijheidseconomie, agrofood, zorg en (circulaire) bouw.

Strategische uitgangspunten • • • •

• •

• • •

De binnenstad met het gebied eromheen fungeert als centrumzone van een volwaardig regiocentrum binnen het FSN: een compacte dynamische stadskern met regionale voorzieningen zoals winkelen, zorg, welzijn, onderwijs, sport en cultuur. De centrumzone biedt ruimte aan functies en voorzieningen die zorgen voor ontmoeting, reuring en zo veel mogelijk verschillende bezoekersstromen naar de binnenstad. Zoeken naar mogelijkheden voor een katalysator, bijvoorbeeld een ‘icoon’, die qua functie en uiterlijk fungeert als publiekstrekker en bewoners trots maakt. Clusteren winkelaanbod in compact kernwinkelgebied; benutten van ruimte met name in uiteinden en aanloopstraten voor aanvullende functies zoals lichte bedrijvigheid (denk aan ambachtelijke en creatieve werkplaatsen, ateliers, kleinschalige kantoren, brûsplakken), maatschappelijke voorzieningen en horeca die bijdraagt aan een vitale binnenstad. Ruimte voor wonen in stedelijke woonmilieus, passend bij de levendigheid van de centrumzone. Centrumzone als hoogwaardige stedelijke ruimte door een hoge omgevingskwaliteit in de binnenstad gericht op ontmoeting en beleving; ontwikkelingen in de zone daaromheen sluiten aan op deze kwaliteit. Dit geldt voor zowel bebouwing als openbare ruimte, met bijzondere aandacht voor de aanloopstraten.

Verbeteren van de toegankelijkheid, bijvoorbeeld door beter toegankelijk maken van openbare ruimte en voorzieningen en minder obstakels voor mensen met een beperking. Bestuurs- en cultuurkwartier: ruimte voor aanvullende functies zoals creatieve werkplaatsen, (maak)ateliers en brûsplakken, cultuur en horeca; functies dragen bij aan de historisch gegroeide identiteit en kwaliteit en vitaliteit van dit deel van de binnenstad. Waterkwartier: historische bebouwing, waternetwerk en openbare ruimte langs water als dragende structuren versterken. Herstellen waterlopen, zoals Singel en Kleine Palen. Bevaarbaar maken Groot- en Kleinzand en gracht rond binnenstad. Water bevaarbaar, beleefbaar, bereikbaar en oversteekbaar maken. Zo versterken vaarrondjes rond en door de stad van verschillende maat en schaal. Uitbreiden waterkwartier langs de Geeuw richting de spoorzone met overstappunt waterlandvervoer.

35

• •

• •

• • •

Het waternetwerk is een belangrijke structuur in de centrumzone, door herstel van waterlopen, een waterkwartier met maritieme functies en overstappunten. Een minder dominante positie van de auto draagt bij aan een aantrekkelijk verblijfsgebied. Verkennen van mogelijkheden voor een fiets- en voetgangersvriendelijke centrumzone, met aantrekkelijke loop- en fietsroutes. Meer woningen en voorzieningen mag niet leiden tot meer auto’s in de binnenstad. Gelet op de schaarse ruimte in de centrumzone is parkeren op maaiveld in de centrumzone niet meer gewenst, dit wordt uitgefaseerd. Verkennen waar parkeren wel kan, in gebouwde parkeerhubs aan de rand van de centrumzone. Zorgen voor een sterk zorgcluster, met verdere clustering rondom het bestaande ziekenhuis in de context van de groen wiggen (verdichten en tegelijk vergoenen, zie speerpunt 2). Behouden en versterken van belangrijke regiofunctie op het gebied van onderwijs. Samen met onderwijsinstellingen en ondernemers werken aan clustervorming en een sterk, relevant onderwijsaanbod. Zoals een mbo-campus nabij het zorgcluster, wat veel kansen biedt voor samenwerking. Maritieme campus gelegen aan de Houkesloot.

Nader onderzoeken van de haalbaarheid van scenario’s voor vo-huisvesting; waaronder mogelijke nieuwbouw en clustering van voorzieningen in de Spoorzone, als kansrijke locatie met goede ov-bereikbaarheid en ligging nabij het centrum Doorontwikkelen van de bestaande buitensportaccommodaties om deze toekomstbestendig en breed toegankelijk te maken, waarbij wordt ingezet op versterking van de wijkfunctie en de groene inbedding. De opgaven in de binnenstad en centrumzone (zoals binnenstad, Spoorzone-Veemarktterrein, Somerrak/Houkesloot en Waldfeart (waaronder Sperkhem en Bolswarderbaan) werken we uit in een gebiedsgericht omgevingsprogramma. De opgaven rondom clustervorming en voorzieningen werken we uit in een omgevingsprogramma (zoals het zorgknooppunt rond het Antonius Ziekenhuis in de groene wig).

36

8.4 Integrale omgevingsvisiekaart Sneek In de paragrafen hiervoor zijn de ambities en gewenste ontwikkelingen voor Sneek toegelicht in tekst, beeld en kaarten. De belangrijkste ambities en ontwikkelingen staan verzameld op de omgevingsvisiekaart die hier te zien is. Deze kaart moet worden gezien als omgevingsvisiekaart en niet als omgevingsplankaart. De omgevingsvisie is namelijk niet juridisch bindend voor de burger. Wel laat de kaart, in combinatie met de tekst, goed zien wat onze ambities zijn voor het behoud en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Sneek.

37

Afbeelding 8.20: Integrale omgevingsvisiekaart Sneek (bron: KuiperCompagnons).

38

8.5 Van ruimtelijke strategie naar uitvoering 8.5.1 Sleutelgebieden, herstructureringsgebieden en thema's Sneek is niet overal gelijk; om overal hetzelfde brede welvaartsniveau te bereiken moeten we daarom in verschillende gebieden verschillende ingrepen en investeringen doen. Niet elke wijk of elk gebied heeft hetzelfde nodig. Bovendien kan niet alles overal en tegelijk, dus zullen er keuzes gemaakt moeten worden. We onderscheiden in dat licht een aantal sleutelgebieden en herstructureringsgebieden. Daarnaast wordt ingegaan op de diverse uit te werken thema’s, die in de vorige paragraaf bij de strategische uitgangspunten zijn benoemd. Sleutelgebieden zijn gebieden met een hoge dynamiek, waar veel ontwikkelingen en belangen samenkomen, die een belangrijke bijdrage leveren aan de regiokracht van Sneek. Hiervoor zien we meervoudige transformatieopgaven (functieverandering), vaak in combinatie met herstructureringsopgaven (vernieuwing, geen functieverandering). In onderstaande tabel staan kort mogelijke ontwikkelingsrichtingen benoemd per sleutelgebied. Bij de uitwerking van deze sleutelgebieden houden we rekening met de ambities en strategische uitgangspunten uit de vorige hoofdstukken. De hieronder genoemde sleutelgebieden en thema’s werken we verder uit in een gebiedsgericht omgevingsprogramma. Aan een aantal programma’s wordt momenteel al gewerkt.

Herstructureringsgebieden zijn gebieden, wijken of buurten met vernieuwingsvraagstukken. Hier is sprake van een integrale veranderopgave in de bebouwing en openbare ruimte, maar de functie verandert niet. Het gaat bijvoorbeeld om de wijken Sperkhem, Tinga, Noorderhoek, It Eilân en de voormalige AZC-locatie, maar bijvoorbeeld ook de Hemmen I. Deze herstructureringsgebieden staan deels op onderstaande kaart, en deels maken ze deel uit van een sleutelgebied. Sperkhem maakt bijvoorbeeld deel uit van sleutelgebied Wâldfeart. De aanpak binnen zowel de sleutelgebieden als de herstructureringsgebieden heeft in de voorbereidings-, planen realisatiefase vaak een doorlooptijd die afhankelijk is van diverse factoren. Dit is in veel gevallen een samenspel met diverse partners. De planning kan soms vertragen en versnellen. Het is daarom zaak om ontwikkelingen goed te monitoren, in samenhang met beschikbare middelen en personele inzet. Nr. Gebied

Suggesties voor transformatie-opgaven en mogelijke kaders voor uitwerking gebiedsprogramma

1

Binnenstad

Dynamisch stedelijk milieu. met focus op cultuur, voorzieningen, lichte bedrijvigheid, winkels, dienstverlening en brûsplakken, ontmoeten, verblijfskwaliteit, groen, herstel water, waterbeleving en doorvaarbaarheid, voetgangers- en fietsvriendelijke openbare ruimte. Onderzoeken hoe het Martiniplein meer als ontmoetings- en verblijfplek aan het water kan fungeren. Mogelijkheden onderzoeken voor parkeerhubs, die op diverse plekken het maaiveldparkeren kunnen vervangen. Aandachtspunten waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder meer hittestress, wateroverlast, bodemverontreiniging, drukte in de ondergrond (waterberging, warmtenetten, et cetera) en hoge omgevingskwaliteit, in aansluiting op het beschermd stadsgezicht.

2

Spoorzone / Veemarktterrein

Ruimte voor woningen en centrumstedelijke functies. Tussen station en Geeuw: kansen voor hoogte-accenten met een mix van wonen, werken, zorg en onderwijs en een multifunctionele en multimodale stationshub. Waterfront met openbare oevers en allure. Beperkt autoverkeer. Onderzoeken mogelijkheden brugverbindingen zoals met IJlsterkade en Lemmerwegwijken en tussen Veemarktplein en Martiniplein, met minimale belemmering van vaarroutes . Op het Veemarktterrein mogelijkheden onderzoeken om ruimte te creëren voor groen verblijfs- en evenementengebied en wellicht een functionele trekker, door bijvoorbeeld gebouwde alternatieven voor maaiveldparkeren. Onderzoek naar de wegen-, parkeer-, ov- en langzaam verkeersstructuur (onder andere oude rondweg, Veemarktgebied), met mogelijkheden voor herinrichting, vergroening, het versterken van het ‘daily urban system’ en de 30 minuten bereikbaarheid vanuit de regio. Aandachtspunten waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder meer geluid door weg en spoor, bodemverontreiniging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16413366/1