CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

8. TV RAAD CU - Bijlage Evaluatie ijslands preventiemodel trimbos

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestjoersrapportaazje maaie, juny 202131.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De invloed van de coronapandemie

In het kort: • De coronapandemie had zowel negatieve (het afgelasten van activiteiten, vermindering van betrokkenheid/enthousiasme) als positieve (extra budget, grote groepen makkelijker online samen te krijgen) effecten op het leertraject.

In de evaluatiegesprekken stonden we stil bij de impact van de coronapandemie op het leertraject. In deze paragraaf bespreken we welk effect de pandemie heeft gehad op het implementeren van het IJslandse preventiemodel in de deelnemende gemeenten.

Trimbos-instituut

47

De gemeenten hebben zowel positieve als negatieve effecten van de pandemie op het leertraject ervaren. Een positief effect was met name het extra geld dat er vrijkwam door de aandacht die er kwam voor mentale gezondheid en welbevinden. Voor een van de gemeenten betekende dit dat er activiteiten georganiseerd konden worden waar eerst geen geld voor beschikbaar was. Deze extra mogelijkheden gaven het leertraject een boost. ‘We moesten de jongeren wat bieden. Ik geloof dat er nog nooit zoveel activiteiten zijn georganiseerd als in de coronatijd’, vertelde een geïnterviewde. Daarnaast waren bepaalde groepen juist gemakkelijker samen te brengen doordat er meer mogelijkheden waren voor online overleg. Een als negatief ervaren effect dat door bijna alle gemeenten werd genoemd, is het moeten annuleren en/of verplaatsen van vele (geplande) activiteiten zoals vrijetijdsactiviteiten, campagnes en bijeenkomsten. ‘We zijn daarmee van start gegaan, maar corona is er volledig doorheen gefietst’, aldus een geïnterviewde. Verschillende gemeenten merkten dat hierdoor het enthousiasme en de betrokkenheid van bepaalde partijen afnam, waardoor de gemeenten veel tijd en energie moesten investeren om vooruit te blijven gaan. Naast de positieve ervaring met de toegenomen mogelijkheden voor online vergaderen, werd het online vergaderen ook als negatief effect benoemd.

Niet alle overleggen kwamen online goed tot uiting, en met name de gesprekken ‘bij de koffieautomaat’ werden erg gemist. Ook is de dataverzameling op scholen door de coronapandemie en -maatregelen niet overal goed verlopen. Niet alle leerlingen konden op school zijn op het moment dat de vragenlijsten werden afgenomen, en de mogelijkheid om deze thuis in te vullen leverde weinig respons op. Daarbij gaven enkele gemeenten ook aan dat het lastig was om de cijfers van de tweede meting te duiden, aangezien niet duidelijk was wat het effect van corona op de uitkomsten was.

Ondersteuning door Trimbos, Nederlands jeugdinstituut en ICSRA

In het kort: • De ondersteuning door het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut is als waardevol ervaren. Gemeenten zien graag dat deze ondersteuning blijft. • Verbeterpunten in de ondersteuning zijn het consequent en actiever benaderen van gemeenten en het aanbieden van en adviseren over passende interventies. • De IJslanders vormden een grote inspiratiebron voor de gemeenten en konden met hun kennis en expertise lokale partijen enthousiasmeren. • Volgens de gemeenten is er in het vervolg geen behoefte aan praktische ondersteuning door de IJslanders, zoals bij de monitor.

Gedurende het leertraject (2018-2021) hebben het Trimbos-instituut, het Nederlands Jeugdinstituut en de IJslandse organisatie ICSRA de zes deelnemende gemeenten ondersteund. In deze paragraaf bespreken we hoe de deelnemende gemeenten deze ondersteuning hebben ervaren. Ondersteuning door het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut Over de ondersteuning van het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut waren de gemeenten positief. Met name inhoudelijk was men te spreken over de bijdragen

48

Trimbos-instituut

vanuit beide instituten. Specifiek werden hier de themabijeenkomsten (bijvoorbeeld over ouderbetrokkenheid) genoemd, waarin de gemeenten handvatten kregen aangereikt om doelen en plannen concreet te maken. De een-op-een ondersteuning werd door de gemeenten gewaardeerd. Het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut werden als toegankelijk ervaren, en vragen werden snel en vakkundig beantwoord. Verschillende gemeenten gaven hierbij de tip om actiever en consequent contact met de gemeenten op te zoeken. Consequent contact vanuit de instituten kan tot waardevolle gesprekken leiden, ook al heeft de gemeente zelf geen specifieke vragen. De gemeenten konden de expertise van de instituten inzetten tijdens bijeenkomsten met lokale partijen. De aanwezigheid van het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut versterkte hierbij de boodschap richting de lokale partners. Gemeenten hadden echter ook graag gezien dat de expertise en kennis van de instituten meer was ingezet voor het aanbevelen van interventies. Gedurende het leertraject zochten gemeenten voornamelijk zelf naar passende interventies. Een toolbox met evidence based interventies die aansluiten op de IJslandse werkwijze en een persoonlijk advies werd aanbevolen voor het vervolgtraject.

Een van de gemeenten gaf ook aan dat het goed zou zijn om het overleg tussen wethouders van de verschillende gemeenten in een bepaalde vorm te organiseren. Tot slot gaven enkele gemeenten aan het online platform voor informatie-uitwisseling niet tot nauwelijks te gebruiken. ‘Het idee was heel goed, maar ik denk dat een forum alleen werkt als iedereen er consequent stukken in upload en vragen op stelt en allemaal beantwoordt. Zolang dat niet gebeurt, werkt het niet’, aldus een geïnterviewde. Elkaar mailen en belangrijke updates in een WhatsAppgroep delen werd als prettiger ervaren. De gemeenten gaven aan de ondersteuning graag te behouden voor het vervolgtraject. Ook gaven ze aan een blijvende rol te zien voor het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut om de verbindende schakel te zijn in het land, de boodschap uit te dragen, en te zorgen voor landelijke agenda setting. Ondersteuning door ICSRA Tijdens het leertraject hebben de gemeenten het IJslandse ICSRA met name als inspiratiebron ervaren. De ICSRA-medewerkers konden door de jarenlange ervaring en doordat ze bedenkers van het model zijn, het belang van de aanpak goed overbrengen in bijvoorbeeld een bijeenkomst met partners van de gemeenten. Meerdere gemeenten gaven aan dat deze boodschap zonder de ICSRA-medewerkers minder stevig bij hun partners was overgekomen, en zagen hierin de meerwaarde in de samenwerking.

Het bezoek aan IJsland aan het begin van het leertraject werd door enkele gemeenten als meerwaarde van de samenwerking benoemd. Een groot aantal gemeenten gaf echter aan dat zij gedurende het traject weinig tot geen directe ondersteuning hebben ervaren vanuit ICSRA. De overige gemeenten gaven aan dat de ondersteuning enorm is afgenomen en dat ze met name vanaf de tweede helft van het leertraject geen ondersteuning hebben ervaren. Hier speelden mogelijk ook de fysieke afstand en de taal een rol. Voor de toekomst gaven de meeste gemeenten aan geen behoefte te hebben aan praktische ondersteuning vanuit IJsland (zoals ondersteuning bij de monitor).

Trimbos-instituut

49

Contact tussen deelnemende gemeenten De deelnemende gemeenten vonden het onderlinge contact erg prettig. De intervisiebijeenkomsten boden de mogelijkheid om kennis en ervaringen uit te wisselen, wat een boost gaf aan het enthousiasme en inspiratie. ‘Je bent met hetzelfde doel bezig, dat vond ik echt heel prettig’, vertelde een geïnterviewde. Een van de gemeenten gaf aan dat de verbinding tussen de beleidsmedewerkers van de verschillende gemeenten wel sterker had gekund. In de toekomst zouden de meeste gemeenten met elkaar verbonden willen blijven voor verdere uitwisseling.

De toekomst van het IJslandse preventiemodel in Nederland

In het kort: • Alle deelnemende gemeenten gaan door met de implementatie van het IJslandse preventiemodel, waarin ze de focus breder trekken dan alleen middelengebruik. • Een deel van de gemeenten heeft het gedachtegoed voor langere periode kunnen borgen in het beleid. De overige gemeenten zijn voornemens dit te regelen. • De gemeenten willen de waardevolle kenmerken van de IJslandse monitor graag inbedden in de GGD–jeugdgezondheidsmonitor. • Alle deelnemende gemeenten raden andere gemeenten aan om te werken volgens het IJslandse model.

Aan de gemeenten werd gevraagd hoe ze de toekomst van het IJslandse preventiemodel voor zich zien; gaan ze ermee door en zo ja, wat blijven ze doen of gaan ze anders doen, en waar ligt de ondersteuningsbehoefte? Focus Alle gemeenten gaven aan na afloop van het leertraject door te gaan met de implementatie van de IJslandse werkwijze en daarmee cyclisch, datagedreven en community based te blijven werken. Een aantal gemeenten gaf aan de werkwijze in het gehele sociale domein te willen inzetten. Hierbij verleggen ze de focus van middelengebruik naar het welbevinden van de jeugd in het algemeen. De gemeenten waren enthousiast over de datagedreven werkwijze van het IJslandse model. Een gemeente gaf aan dat ze hierdoor zijn blijven zoeken naar de aanleiding van de aanleiding, doelend op de beschermende en risicofactoren die van invloed zijn op middelengebruik en welbevinden van jongeren. Een andere gemeente liet weten aan de hand van de resultaten samen met de partners echt te kijken naar wat nodig is, in plaats van ieder jaar hetzelfde doen omdat ze dat gewend waren. Borging van het IJslandse preventiemodel Een aantal gemeenten heeft het IJslandse gedachtegoed al kunnen borgen in bijvoorbeeld het lokale preventieakkoord, de beleidskaders of het regionaal gezondheidsakkoord. De andere gemeenten waren hierover nog in gesprek met het college.

Wel waren er bij enkele gemeenten nog zorgen over de beschikbare financiën binnen de gemeente voor de komende jaren. Volgens

50

Trimbos-instituut

een van de gemeenten is het procesmatig gezien belangrijk om de projectgroep te behouden. Zonder projectgroep zou de kans bestaan dat het samenwerken weer zou vervallen in een eilandjescultuur. Een andere manier waarop de werkwijze geborgd werd in het beleid, was door de IJslandse kaders op te nemen in de subsidievoorwaarden. Op deze manier werkten de subsidieontvangers automatisch mee aan het implementeren van het IJslandse gedachtegoed. Monitoring Een groot deel van de gemeenten gaf al na de eerste monitoringsronde aan dat zij de IJslandse vragenlijst en de GGD-monitor in de toekomst inhoudelijk willen integreren. De gemeenten gaven aan graag met de GGD te willen samenwerken, omdat zij een belangrijke partner is op dit gebied. De basisvragenlijst van de GGD wordt idealiter aangevuld met de beschermende en risicofactoren uit het IJslandse model. Een reguliere positie voor de GGD bij afname en rapportage zou ook kunnen leiden tot meer landelijke steun, oppert een gemeente. Daarnaast maakt dataverzameling door de GGD het gemakkelijker om toe te zien op de privacy van de deelnemers en het voldoen aan de AVG, dan wanneer de dataverzameling wordt uitgevoerd door een IJslandse organisatie. De gemeenten waren het erover eens dat frequentere afname van de vragenlijst een cruciaal element is om de IJslandse aanpak uit te voeren.

De meeste gemeenten benadrukten de ‘politieke’ waarde van tweejaarlijks meten en de noodzaak om ‘het verhaal levendig te houden’. Eén onderzoeker van een GGD opperde dat eens in de vier jaar meten genoeg is om trends te signaleren, maar dat de inzet van activiteiten beter geëvalueerd zou moeten worden. Ook zijn de gemeenten het erover eens dat de resultaten van de monitoring eerder terug moeten naar de gemeenten dan normaal gesproken het geval is bij de GGD. De snelle terugkoppeling door de IJslandse onderzoekers was van enorme meerwaarde. Dat dit ook in Nederland mogelijk is, heeft de coronacrisis laten zien, waarin resultaten van onderzoeken binnen een paar maanden werden teruggekoppeld. Daarnaast gaven gemeenten aan de resultaten te willen blijven bespreken met lokale partners. De te monitoren leeftijdsgroep lag voor sommigen nog niet vast: jonger meten of meer trachten de hele leeftijdsrange van 12-18 jaar te bestrijken vielen onder de mogelijkheden. Een enkeling schetste de ideale situatie dat alle jeugd van 8-20 jaar zou worden gemonitord, al erkende deze persoon dat dat een idealistisch beeld is. Ondersteuning De gemeenten gaven aan ook na het leertraject nog behoefte te hebben aan ondersteuning door het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut.

De deelnemende gemeenten zouden met name graag zien dat het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut de landelijke discussie blijven voeren en de IJslandse werkwijze landelijk blijven uitdragen. Gemeenten gaven aan dat ze hopen op een landelijke beweging en meer investering vanuit de rijksoverheid. ‘De ondersteuning van de overheid is belangrijk om het optimale effect te behalen’, aldus een van de geïnterviewden. Daarnaast benoemden enkele gemeenten dat ze in de toekomst meer advies zouden willen over welke interventies binnen de IJslandse werkwijze passen.

Trimbos-instituut

51

Aanbeveling voor andere gemeenten Alle deelnemende gemeenten raadden andere gemeenten aan om met het IJslandse preventiemodel te gaan werken. Ze raadden aan de werkwijze breder in te zetten dan alleen op middelengebruik. De positieve benadering, datagedreven en community based werken sprak de deelnemende gemeenten aan. Een van de gemeenten wees op het belang van voldoende capaciteit en budget voor het starten met deze werkwijze, en adviseerde om alleen gemeenten te gaan ondersteunen die aan de gestelde voorwaarden voldoen. Nieuwe gemeenten zouden het werken met de IJslandse werkwijze ook kunnen zien als een mogelijkheid om met bezuinigingen om te gaan; ‘Niemand wil het met minder doen, maar als het dan toch moet, dan kun je het beter effectief, evidence based en datagedreven doen’, aldus een van de geïnterviewden.

3.2.2 Deelnemende scholen

In het kort: resultaten uit interviews met deelnemende scholen • Scholen deden mee vanwege het integrale karakter, omdat ze iets wilden doen aan middelengebruik en omdat ze een positieve bijdrage wilden leveren aan de ontwikkeling van jongeren. • Resultaten van de IJslandse monitor werden uitgebreider besproken en met meer partijen dan bij de GGD-monitor het geval was. Scholen willen idealiter dat deze monitors worden samengevoegd. • Scholen willen een rol spelen in de implementatie van preventieactiviteiten, maar vinden dat de gemeenten dit proces moeten trekken. • Deelname kostte veel tijd. Scholen vinden dit het waard als ze zien dat er nieuwe activiteiten worden opgezet. • In veel gevallen is de samenwerking met lokale partijen verbeterd; sommige scholen zien nog kansen daartoe. • Scholen willen dat gemeenten hen op de hoogte houden van de ontwikkelingen binnen het traject, ook al zijn de scholen daar zelf niet direct bij betrokken. Dit zou bijdragen aan draagvlak onder de scholen. • Scholen willen het liefst meer uren en budget voor deelname.

In alle deelnemende gemeenten waren er scholen betrokken bij het traject. De scholen zijn een belangrijke vindplek voor jongeren en hun ouders. Daarnaast zijn scholen een centraal punt waar de monitor kan worden uitgezet. In deze paragraaf beschrijven we de ervaringen van een aantal deelnemende scholen met het IJslandse model. We bespreken hoe zij tot het besluit zijn gekomen om deel te nemen aan het traject, hoe de monitoring is verlopen (in vergelijking met de reguliere monitoring), hoe zij de rapporten beoordelen, wat hun rol is in de implementatie, hun kijk op de rol van ouders en vrijetijdsbesteding, of het werken met het IJslandse model belastend voor hen is, hoe de samenwerking verloopt met de gemeente en andere lokale partijen, hoe zij de toekomst zien en welke aanbevelingen/suggesties ze hebben. Tijdens de gesprekken stond deelonderzoeksvraag 2b centraal: Welke bevorderende en belemmerende factoren ervaren scholen bij de implementatie van het IJslandse model in hun gemeente?

52

Trimbos-instituut

Op twee momenten tijdens het traject hebben we gesprekken gevoerd met deelnemende scholen, namelijk in het voorjaar van 2020 en het voorjaar van 2021. Uit elke deelnemende gemeente hebben we op beide momenten met minstens één school gesproken. In sommige gevallen hebben we bij de eindevaluatie dezelfde scholen gesproken als bij de tussenevaluatie. Deelname aan het leertraject De scholen werden door de gemeente benaderd met de vraag om deel te nemen aan het leertraject met het IJslandse preventiemodel. Veelal informeerden de gemeenten de school(directeur) of het samenwerkingsverband waarvan de school deel uitmaakt over het voornemen met het IJslandse model te willen gaan werken. Deelname werd in algemene zin gemotiveerd vanuit de pedagogische verantwoordelijkheid van de school. Een geïnterviewde sprak bijvoorbeeld van ‘de noodzaak om als een van de spelers in het maatschappelijke veld […] het welbevinden van jongeren te bevorderen’. Daarnaast noemden scholen ook andere beweegredenen om mee te doen: het ontvangen van subsidies; contact en kennisoverdracht met externe organisaties en kennisinstellingen; het meedoen aan een meerjarig plan vanuit good practices.

De scholen zagen het IJslandse model in het algemeen als een aantrekkelijke methodiek: de thema’s waar het vooral op inhaakt (middelengebruik, vrijetijdsbesteding, welbevinden) werden onderkend en waren op sommige scholen al een reden om interventies in te zetten voordat men van de IJslandse methode gehoord had. Maar ‘achter het IJslandse model zit echt een plan’, aldus een van de geïnterviewden, en gaf daarom aanleiding tot deelname. Een kleine groep scholen zag middelengebruik, met name alcoholgebruik, onder hun leerlingen als een actueel probleem waar ze iets aan willen doen. Op sommige scholen wist men moeilijk een antwoord te vinden op het voorkomen van middelengebruik buiten schooltijd en buiten het schoolterrein. Programma’s die alleen op school plaatsvinden, hebben namelijk maar een beperkt effect. De vier domeinen van het model spraken aan, omdat daarmee breder dan alleen naar school wordt gekeken. Scholen worden vaak gezien als organisaties die verantwoordelijk zijn voor problemen met jeugdigen en het verhogen van het welbevinden. De scholen waardeerden het dat bij het IJslandse model deze verantwoordelijkheid niet primair bij hen werd gelegd, maar bij alle lokale partners samen. ‘Een traject in de gezamenlijkheid met de hele gemeenschap: dat spreekt aan en daar is behoefte aan’, aldus een geïnterviewde.

Voorbereiding en uitvoering van de monitoring De uitvoering van de monitoring in het kader van het leertraject was in de meeste gevallen niet anders dan bij de GGD-enquêtes: de vragenlijsten werden op school afgenomen (meestal tijdens een mentoruur). In sommige gemeenten werd de monitoring geheel door de gemeente gecoördineerd (net als de te organiseren ouderavonden en informatiebijeenkomsten ter voorbereiding van de monitor), op andere scholen coördineerden de mentoren de afname en gaven voorlichting vooraf aan de ouders zelf. Er was op alle scholen al de nodige ervaring met die manier van dataverzameling vanwege de GGD-jeugdmonitor, Emovo of Jouw GGD Check-vragenlijsten.

Trimbos-instituut

53

De geïnterviewden noemden enkele positieve en enkele negatieve ervaringen met (het uitvoeren van) de monitoring. Zo ervaarden ze de voorbereiding door de gemeente (informatiebrief voor de ouders, informed consent) als positief: hierdoor hoefden zij de vragenlijsten zelf ‘alleen nog maar uit te zetten’, aldus een geïnterviewde. Verder vonden ze het fijn dat er voorafgaand aan de vragenlijst tijd was voor uitleg aan de leerlingen. Sommige geïnterviewden benoemden dat de vragenlijst iets ‘steviger en schokkender’ was dan de GGD-vragenlijst. De geïnterviewden gaven verder aan dat het bij de tweede dataverzameling lastiger was om de monitoring af te nemen vanwege de coronapandemie: het handhaven van de maatregelen slokte al veel van hun tijd op. Ten slotte vonden enkele scholen de vragenlijst te lang en/of de vraagstelling te moeilijk: dit werkte volgens hen demotiverend voor de leerlingen, waardoor zij de lijst vermoedelijk niet altijd serieus invulden. Een belangrijke wens was het samenvoegen van de IJslandse vragen met de GGD-vragenlijst. Op sommige scholen werd de IJslandse vragenlijst in dezelfde periode afgenomen als de GGD-vragenlijst. Rapporten over de resultaten van de monitor De IJslanders leverden per deelnemende school een rapport met daarin de resultaten van de monitor.

De scholen ontvingen deze rapportages van de gemeente en op de meeste scholen werden de resultaten ook met de gemeente besproken. Dat leverde voor sommige scholen geen nieuwe informatie op, al gaven ze soms wel een schokkend beeld van het middelengebruik op de school. De rapporten leidden volgens sommige geïnterviewden ook tot nieuwe vragen: ‘Er kwam bijvoorbeeld uit dat er niet genoeg aanbod is in de vrije tijd. Terwijl veel leerlingen lid zijn van een sportvereniging. Dus is er dan te weinig aanbod in de vrije tijd? Of is het niet gevarieerd genoeg? Dat soort vragen komt dan op. En ook als je naar buiten treedt met de resultaten, wordt dit soort vragen opgewekt.’ Op sommige scholen werden de resultaten van GGD-vragenlijsten ook al besproken voordat het IJslandse leertraject van start ging. Met een aantal scholen werd ook bekeken welke vervolgacties uitgezet konden worden. Andere scholen gaven aan dat er voorheen weinig opvolging was op de resultaten van GGD-onderzoek, of dat er voornamelijk heel individueel per leerling werd ingezet op een vervolg. Het merendeel van de scholen heeft ervaren dat er door het IJslandse model meer uitwisseling was met de gemeente, GGD en andere partijen over de uitkomsten. De betrokkenen stelden gemeenschappelijke doelen, dachten samen na over vervolgacties, en het proces werd versneld en verstevigd.

‘Het voelt meer als een samenwerking’, gaf een geïnterviewde aan. Rol van de school in de implementatie De meeste scholen zagen zichzelf als ‘een belangrijke speler in het bevorderen van het welbevinden van jongeren’. Ze gaven aan dat ze op het thema van middelengebruik en/of welbevinden een verantwoordelijkheid hebben naar jongeren en de gemeenschap. Zij zagen hun taak breder dan alleen lesgeven, en gaven aan het belangrijk te vinden om mee te werken aan dit beleidsvormend leertraject. Daarbij vonden ze het belangrijk om op dit thema samen te werken met organisaties in het maatschappelijke veld. De meerderheid van de scholen gaf aan dat de school een vindplaats kan zijn voor jongeren. Zo kan de school de dataverzameling faciliteren en ook aanvullende enquêtes over bijvoorbeeld de wensen van leerlingen over vrijetijdsbesteding. De school kan ook de plaats zijn waar vrijetijdsactiviteiten worden georganiseerd of gepromoot, bijvoorbeeld door jongerenwerkers. 54

Trimbos-instituut

Daarnaast kan de school een vindplaats zijn voor ouders. Zo gaf een aantal scholen de gemeente of de instelling voor verslavingszorg de ruimte om op een ouderavond aandacht te besteden aan middelengebruik. De scholen gaven aan dat het bij de rol van de school hoort om korte lijnen binnen de zorgstructuur te waarborgen. Het gaat hierbij om het contact met de wijkagenten, de gemeente en andere hulpinstanties. Er was geen consensus over de rol van de school op het gebied van preventie en welzijn: de helft vond dat lesgeven prioriteit heeft. Ook vond ongeveer de helft dat de school een signalerende rol heeft. Iets minder dan de helft vond dat de school daarnaast ook een coachende, faciliterende en/of informatievoorzienende rol heeft. De meeste scholen vonden dat de gemeente de trekker moest zijn van het traject met het IJslandse model. De scholen verschilden van mening over de mate waarin de gemeente het proces moet trekken. Op sommige plekken kwam de gemeente met ideeën en bekeek de school of het mogelijk was om deze op de school te organiseren. In een aantal gemeenten namen de scholen deel aan werkgroepen en dachten ze actief mee over het opstellen van activiteiten. Een enkele school nam zelf het voortouw in het opzetten van activiteiten.

Een aantal scholen probeerde, soms op eigen initiatief, om het IJslandse model te borgen in hun beleid door vignetten van de Gezonde School te behalen. De scholen vonden het belangrijk dat niet alleen zij, maar de hele omgeving van de jongeren bij het traject betrokken werd. Scholen werkten op verschillende manieren aan het voorkomen van middelengebruik bij leerlingen. Alle scholen zetten groepsinterventies in, waarvan de meeste uitbesteed werden aan een externe organisatie. Ook hebben de meeste scholen preventieve interventies opgenomen in hun curriculum. Daarnaast zetten de meeste scholen ook individuele interventies in. De helft van de scholen gaf aan dat ze interventies hebben ingezet en/of ontworpen aan de hand van de resultaten die uit de eerste ronde van de dataverzameling gekomen zijn. Ook was er op de helft van de scholen een jongerenwerker aanwezig die zich bezighield met de preventie van middelengebruik en het verbeteren van het welzijn van jongeren. Scholen waren erg positief over deze samenwerking, ze vonden dat de jongerenwerkers veel initiatief toonden, activiteiten organiseerden die aansloten bij de behoeften van leerlingen en dat ze goede gesprekken met leerlingen voerden en middelengebruik signaleerden. De rol van ouders In de rapportage van de dataverzameling staan ook resultaten over de ouderbetrokkenheid.

Deze laten zien dat ouders betrokken zijn bij het leven van hun kind. Alcoholgebruik van jongeren onder de 18 jaar wordt door ouders echter veelal geaccepteerd. Deze resultaten kunnen goed gebruikt worden om met de ouders in gesprek te gaan. Een groot deel van de geïnterviewden gaf aan zich samen met de ouders verantwoordelijk te voelen voor de opvoeding van de jongeren. Soms speelde een coach daar ook een rol bij. Scholen vonden echter dat zij niet de verantwoordelijkheid hebben om ouders op te voeden. Een geïnterviewde: ‘De school is niet verantwoordelijk voor het opvoeden van ouders, die kun je niet dwingen of een sanctie opleggen’. Daarnaast is het nog wel een probleem om verschillende doelgroepen ouders te benaderen: dit gaf meer dan de helft van de scholen aan.

Trimbos-instituut

55

De rol van vrijetijdsbesteding De scholen gaven aan meer aanbod te willen op het gebied van vrijetijdsbesteding. Alle scholen gaven aan behoefte te hebben aan sportactiviteiten na school. Ongeveer de helft van de geïnterviewden vertelde dat ze graag vrijetijdsbesteding zouden willen aanbieden, maar nog niet goed weten wat precies. Daarnaast gaf een deel van de scholen aan dat de activiteiten die door de gemeente georganiseerd werden in het kader van IJslands preventiemodel niet aansloten bij de doelgroep. Sommige scholen zijn nog zoekende naar een manier om verschillende doelgroepen te bereiken. Het gaat dan vaak om een bepaalde sfeer die bij activiteiten aanwezig is: ‘Een veilige plek waar je even, ja “leuk kan zitten”. Want thuis is het soms gewoon te druk of is er geen plek’, aldus een geïnterviewde. Belastbaarheid voor de school Een aantal scholen gaf aan dat hun inspanningen in verhouding staan tot de opbrengsten van het werken met het IJslandse model. In het begin van het traject ging er veel tijd zitten in bijeenkomsten met de gemeente en andere partners, maar hier zien de scholen nu wel iets voor terug. Zo gaven ze bijvoorbeeld aan dat de samenwerking met de gemeente en andere partijen echt verbeterd is, dat de gemeente geïnvesteerd heeft in extra mensen en middelen, of dat er vanuit andere partijen meer begrip is voor mogelijkheden en knelpunten bij de school.

Een deel van de scholen gaf aan dat ze geen extra uren krijgen voor het uitvoeren van de taken voor het IJslandse model. Een geïnterviewde: ‘De samenwerking vraagt wel veel van de school, door alle verschillende overleggen waar we aan deelnemen. Dit komt bovenop het normale werk, hier krijg ik geen uren voor beschikbaar. Ik doe het graag, maar daardoor is het wel kwetsbaar. Dit is de eerste taak die ik moet laten vallen bij drukte, omdat dit er bovenop komt. Dat kan een gevaar zijn voor de continuïteit’. Doordat het IJslandse model geen structureel onderdeel van hun takenpakket is, is er een groot risico op verloop van contactpersonen bij de scholen. Daarnaast hadden ze hierdoor ook niet de ruimte om meerdere collega’s binnen de school te betrekken. Een enkele school gaf aan een stagiair te willen aanstellen om op die manier extra ondersteuning te organiseren. Ongeveer driekwart van de scholen gaf aan dat ze graag meer budget of uren zouden hebben voor activiteiten in het kader van het IJslandse model. Daarnaast constateerde een krappe meerderheid van de scholen dat er door een gebrekkige communicatie vanuit de gemeente op dat moment geen activiteiten plaatsvonden. Ook de langetermijnplanning vanuit de gemeente was voor de scholen niet altijd duidelijk.

Samenwerking met de gemeente en lokale partijen De samenwerking tussen de scholen en de gemeente is sinds de start van het leertraject beter geworden, al gold dit niet voor alle scholen. Voor het leertraject bleken er geduld en een lange adem nodig te zijn. In veel gemeenten ging het proces van dataverzameling en het bespreken van de resultaten goed, maar duurde het daarna lang voor het ontwikkelen van activiteiten op gang kwam. Bureaucratie en de coronapandemie werden als oorzaken hiervoor genoemd. De meeste scholen gaven echter aan dat de gemeente op dit moment wel initiatief neemt. Een aantal scholen vond dat de gemeente een leiderschapsrol op zich nam, korte lijnen onderhield met school en/of hen van informatie voorzag.

56

Trimbos-instituut

Desondanks waren er verbeterpunten. Zo was het voor de geïnterviewden niet altijd duidelijk wie er verantwoordelijk was voor het traject. Iets minder dan de helft van de geïnterviewden zei behoefte te hebben aan een meer faciliterende gemeente en wilde meer informatie ontvangen. De communicatie tussen de school en de gemeente bleek een belangrijke factor te zijn voor de wijze waarop de scholen het proces ervaren hebben. Enkele scholen die aangaven dat het proces goed loopt, gaven ook aan dat de communicatie met de gemeente goed verloopt. Het is duidelijk wat de gezamenlijke doelen zijn en waar verantwoordelijkheden liggen. Er is structureel contact, vaak via een vaste contactpersoon bij de gemeente, die kan doorverwijzen naar andere personen binnen de gemeente. Ook worden betrokkenen bijvoorbeeld via een projectgroep, werkgroep of mailing door de gemeente op de hoogte gehouden. Scholen die het proces als langzaam en stroperig ervaren hebben, gaven aan dat er weinig communicatie was met de gemeente. Deze scholen benoemden gebrekkige communicatie vanuit de gemeente als reden dat er op dat moment geen activiteiten op de scholen zijn. Er was weinig duidelijkheid over de stand van zaken. In sommige gevallen waren er wel bijeenkomsten, maar deze waren niet frequent.

Zo vertelde een geïnterviewde: ‘Kijk als de gemeente zegt: dit zijn onze plannen, of dit is ons tijdspad, of dit zijn onze korte termijn doelen, dan helpt dat mij in mijn denken wat ik misschien nu al zou willen op school.’ Deze scholen werden niet meegenomen in het proces, maar zouden dit wel willen. Het lage tempo en de onduidelijkheid gaan ten koste van het draagvlak, gaf een van de scholen aan. Een aantal scholen noemde als oplossing een digitaal platform dat de betrokken partijen zouden kunnen gebruiken om elkaar op de hoogte te houden van ontwikkelingen. Meerdere scholen gaven aan dat zij door het traject met het IJslandse model beter zijn gaan samenwerken met verschillende lokale partijen, zoals de gemeente, de GGD, jongerenwerk en instellingen voor verslavingszorg. Zo vertelde een geïnterviewde: ‘Het is gemakkelijker om af te stemmen over deze thema’s en het proces gaat gemakkelijker en sneller. Hierdoor leren we samen te werken. Door al het werk te bundelen bereik je meer dan wanneer iedereen in z’n eigen hokje blijft’. Er is een gedeelde basisvisie, waardoor het voelt als een gezamenlijk traject en doel waar de partijen aan werken. Hierdoor was er ook een gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan. De verschillende partijen zagen in dat ze van elkaar afhankelijk waren om iets te bereiken.

In enkele gevallen weten de organisaties elkaar door de verbeterde samenwerking ook op andere thema’s al te vinden. Andere scholen zagen het belang in van samenwerken op deze thema’s, maar vonden dat deze samenwerking nog kan worden verbeterd. Meerdere scholen gaven aan dat de uitwisseling tussen de verschillende organisaties nog beperkt is. Zij zagen graag dat het contact intensiever zou worden en de samenwerking verder zou groeien. In sommige gevallen zijn er nog geen gezamenlijke doelen opgesteld, of zijn deze niet voor iedereen helder. Voor sommige scholen was het niet duidelijk welke organisaties er betrokken waren en wat ieders taak was. Ook noemde een aantal scholen dat bepaalde partners nog betrokken moesten worden. In een aantal gemeenten is er een lokaal preventieakkoord of convenant getekend door alle betrokken partijen, waarin zij zich committeren aan gezamenlijke doelen op het gebied van preventie. Alle scholen die hiermee te maken hebben, gaven aan dat ze het belang van ondertekenen inzien. Een medewerker van een school merkte op dat dit akkoord eigenlijk voorafgaand aan het traject getekend had moeten worden. Trimbos-instituut

57

Toekomstvisie van de scholen op het IJslandse preventiemodel Een deel van de geïnterviewden had het idee dat er door het leertraject meer bewustwording is gecreëerd en/of dat er meer structuur is ontstaan en dat de partijen elkaar beter weten te vinden. Mede hierdoor vond de helft van de scholen dat het leertraject een vervolg zou moeten krijgen. Echter benoemde net zo’n grote groep dat het leertraject ook een tijdrovend proces is. Daarnaast speelde de coronapandemie een rol in het verloop van het traject. Meer dan de helft van de scholen gaf aan dat de pandemie belemmerend werkte voor het maken en uitvoeren van de plannen. Ongeveer een kwart van de scholen gaf aan meer hulp te willen op het gebied van mentaal welzijn van leerlingen: ‘Op mentaal gebied zullen we nu echt wel wat meer werk krijgen. Ik denk dat het nog lang niet helder is wat die lockdowns hebben gedaan met onze leerlingen.’ Verder zouden sommige scholen graag meer trainingen voor docenten zien op het gebied van het herkennen en bespreekbaar maken van middelengebruik onder leerlingen. Daarnaast zou een kwart van de scholen de preventieactiviteiten graag eerder dan het vierde leerjaar willen inzetten, omdat ze merken dat leerlingen al op jongere leeftijd met middelengebruik bezig zijn.

3.3 Vergelijking IJslandse en Nederlandse jeugdgezondheidsmonitors Tijdens dit onderzoek stond deelonderzoeksvraag 3 centraal: In hoeverre kan de IJslandse monitor worden geïmplementeerd in Nederland en is het van toegevoegde waarde op de reeds bestaande GGD GHOR-jeugdgezondheidsmonitor? In deze paragraaf bespreken we de resultaten van het gedeelte van het onderzoek dat gericht is op de inhoud van de vragenlijst van de IJslandse monitor (paragraaf 3.3.1, ‘Instrumentvergelijking’) en de eerste analyse van de verkregen data uit de eerste meetronde (paragraaf 3.3.2, ‘Analyse van beschikbare data’). De contextuele kenmerken van de IJslandse monitor, zoals de frequente afname en snelle terugkoppeling, zijn in dit deelonderzoek niet meegenomen.

3.3.1 Instrumentvergelijking: eerste vragenlijst en GGD GHOR-basisvragenlijst

In het kort: de IJslandse monitor • De IJslandse vragenlijst is aanmerkelijk langer dan de GGD GHOR-basisvragenlijst. • De IJslandse vragenlijst heeft vaak meer vragen nodig voor dezelfde onderwerpen, en bestrijkt meer onderwerpen. • De relatieve benutting van de GGD GHOR-basisvragenlijst is groter dan die van de IJslandse vragenlijst. • Om aan te sluiten bij de IJslandse methode, kan de GGD GHOR-basis- vragenlijst aangevuld worden met vragen over gezin, school en omgeving.

58

Trimbos-instituut

Inhoudelijke vergelijking Om de IJslandse en de GGD GHOR-vragenlijst met elkaar te kunnen vergelijken, hebben we elk item uit de vragenlijsten geclassificeerd in hoofdtermen. In bijlage 2 geven we de resultaten van de globale vergelijking weer; het gaat hier dus om onderwerpen die in de vragenlijsten behandeld worden. Bijlage 2 is gebaseerd op de gegevens uit bijlage 3, waarin elk item toegeschreven is aan de betreffende onderwerpcategorie. Figuur 5 geeft een grafische samenvatting van bijlage 2, met daaraan toegevoegd het aantal items dat binnen elke onderwerpcategorie gebruikt wordt in beide vragenlijsten. De IJslandse vragenlijst omvat meer dan driemaal zoveel items als de hier gebruikte lijst van GGD GHOR: 338 versus 104. De meeste items bij GGD GHOR worden besteed aan onderwerpen die te maken hebben met gedrag en gezondheid van de jongere zelf, gevolgd door vragen die te maken hebben met school en middelengebruik. Ook in de IJslandse lijst gaan de meeste vragen over gedrag en gezondheid (zij het procentueel minder), maar zijn vragen over gezin en ouders de meest voorkomende categorie daarna. Niet verwonderlijk is dat de IJslandse lijst voor elke onderwerpcategorie meer vragen gebruikt dan de GGD GHOR-lijst.

Vragen over de omgeving (waardering van de wijk, verhuizing, betrokkenheid buren, het veiligheidsgevoel en de plek waar alcohol gebruikt wordt) zijn in het geheel niet opgenomen in de GGD GHORvragenlijst. Figuur 5. Globale onderwerpvergelijking IJslandse vragenlijst en GGD GHOR-vragenlijst

Trimbos-instituut

59

Benutting in rapportages In figuur 6 zien we de mate waarin de door de scholieren gegeven antwoorden benut zijn. Daarbij moet bedacht worden dat het hierbij ook om antwoorden op vragen gaat die überhaupt niet bedoeld zijn om in een rapportage te worden verwerkt, maar alleen een administratieve functie hebben. Denk daarbij aan vragen over de inkomenssituatie van het gezin, het geslacht van de respondent, de invulmanier (digitaal of papier) of de leeftijd van de respondent. Figuur 6. Aantal en percentage items dat in eerste rapportage terechtkwam

De GGD GHOR-vragenlijst kende weliswaar minder items en onderwerpen, maar een groter percentage daarvan kwam terecht in de bestudeerde rapportages. Bij de IJslandse vragenlijst kwam een minderheid van de gestelde vragen terecht in een lokale rapportage.

3.3.2 Analyse van beschikbare data: lengte en redundantie

In het kort: analyse van beschikbare data • Het percentage missende waarden neemt toe naarmate de vraag verder in de vragenlijst geplaatst is. • De redundanties in de vragenlijst zijn logisch.

We doen hier geen verslag van de lokale resultaten van de monitor; het is aan de lokale partijen om deze te benutten. Daarbij moet bedacht worden dat de data vanuit deze zes bijzondere regio’s weinig generaliseerbare informatie over landelijke prevalenties kunnen opleveren. In deze paragraaf kijken we als het ware met een helicopterview naar de data, in het bijzonder naar de missende waarden, redundanties, en veronderstelde samenhangen. Missende waarden en redundantie In figuur 7 wordt het percentage missende waarden uitgezet per vraag, waarbij we drie pieken zien. Bij piek 1 gaat het met name over vragen over absentie van school; bij 2 gaan de vragen over het volgen en breken van regels; en bij 3 over de ervaren aantrekkelijkheid ten opzichte van het andere geslacht. Deze vragen bevatten logischerwijs een hoog percentage missende

60

Trimbos-instituut

waarden, omdat ze alleen aan jongens dan wel aan meisjes zijn gesteld. In het algemeen valt breder op dat het percentage missende waarden bij jongens hoger ligt dan bij meisjes. We zien verder dat het percentage missende waarden toeneemt naarmate de vraag verder in de vragenlijst is opgenomen, en dat de waarde aan het eind van de vragenlijst (met uitzondering van de logische piek 3) rond de 6 procent is. Figuur 7. Percentage missende waarden (Y-as) bij elke vraag in de IJslandse vragenlijst (X-as)

Figuur 8. Redundanties in de IJslandse dataset

Trimbos-instituut

61

Om redundanties in beeld te krijgen, hebben we de mate van samenhang tussen alle items gevisualiseerd (zie figuur 8). In deze figuur staan de vragen in de volgorde van de vragenlijsten zowel van links naar rechts als van boven naar beneden geordend. De mate van samenhang wordt weergegeven door de kleur. De figuur bevat alleen de vragen die sterk samenhangen met ten minste één andere vraag (absolute Spearmans Rho > 0.7). De gevonden samenhangen blijken in de lijn der verwachting te liggen: er is een grote mate van samenhang tussen alle vragen over religiositeit (in figuur 8 aangegeven met 1). Een grotere (zij het minder sterk) samenhangende set vragen beslaat vragen over de leeftijd waarop voor het eerst verschillende middelen (tabak, alcohol, drugs) zijn gebruikt (2). Verder blijkt dat vragen die onderling negatief samenhangen gaan over de leeftijd en het geboortejaar (3); de woonsituatie en het hebben meegemaakt van een ouderlijke echtscheiding (4); en het ervaren levensgeluk en het hebben van gevoelens van onbehagen (5).

3.3.3 Bouwstenen voor een IJslandmodule voor de GGD

In het kort: Naar een IJslandmodule voor de GGD • Zo’n 20 procent van de dia’s uit de tweede rapportage is geheel reproduceerbaar door gebruik te maken van bestaande GGD-vragen • 27 procent is geheel niet reproduceerbaar vanwege ontbrekende vragen. Vooral items over school en gemeenschap ontbreken. • De GGD GHOR-basisvragenlijst is goed uit te breiden met items uit de IJslandse vragenlijst om een vergelijkbare rapportage te bereiken. Dat kan binnen de bestaande flexibele ruimte.

Na de eerste ronde van de monitor werd al duidelijk dat de gemeenten er de voorkeur aan gaven om de vragenlijst van de IJslandse onderzoekers te integreren in de jeugdgezondheidsmonitor van de GGD. De regionale GGD’en voeren vierjaarlijks de jeugdmonitor uit voor de gemeenten in hun regio. De vraagstellingen in de vragenlijsten zijn deels hetzelfde: ongeveer de helft van de vragen behoort tot de GGD GHOR-basisvragenlijst die we in voorgaande paragrafen vergeleken. De rest kan bepaald worden door de regionale GGD en daarmee worden afgestemd op de lokale behoefte. In deze paragraaf bekijken we of, en zo ja hoe, het flexibele gedeelte van de regionale GGD-vragenlijst benut zou kunnen worden voor de informatiebehoefte in het IJslandse preventiemodel. Daarvoor hebben we eerst gekeken hoe vergelijkbaar de items van de verschillende versies zijn (de instrumentvergelijking). Om een verdere afweging te kunnen maken, bekeken we vervolgens welke items samenhangen met drie door de IJslanders gehanteerde uitkomsten voor middelengebruik. Instrumentvergelijking: tweede rapportage en regionale GGD-vragenlijsten De tweede rapportage door de IJslandse onderzoekers bestond uit een powerpoint met zo’n 80 dia’s, waarvan 11 algemeen inleidende dia’s, 9 dia’s over specifieke inhoud met betrekking tot COVID-19, en 8 titeldia’s.

De overige 52 dia’s behandelden de onderwerpen uit de (nietCOVID-19-gerelateerde gedeelten van de) vragenlijst. Deze dia’s werden ingedeeld in een

62

Trimbos-instituut

van de volgende categorieën: A. Volkomen identiek, zelfde figuur reproduceerbaar B. Verschillende vraag, zelfde figuur reproduceerbaar C. Verschillende vraag, zelfde figuur gedeeltelijk reproduceerbaar D. Verschillende vraag, andere figuur over zelfde concept reproduceerbaar E. Verschillende vraag, andere figuur over nabij concept reproduceerbaar F. Niet reproduceerbaar Classificaties van dekking Figuur 9. Classificaties van de dekking van de IJslandse vragenlijst met de GGD GHOR-vragenlijst

Uit de vergelijking bleek dat de inhoud van de meeste dia’s goed te reproduceren is wanneer gebruikgemaakt wordt van de reeds afgenomen items uit de lokale GGD-vragenlijst (zie figuur 9). Slechts 27 procent van de dia’s bleek op geen enkele wijze reproduceerbaar. Dit kwam vooral door het ontbreken van vragen over school en omgeving (community). De hogere dekking bij vragen over ouders bleek te verklaren door het feit dat GGD Fryslân vragen over ondersteuning door ouders reeds overgenomen had uit de IJslandse vragenlijst. Deze vragen waren in geen enkele andere regionale GGD-vragenlijst opgenomen. Samenhang van items met drie belangrijkste uitkomstvariabelen De IJslandse onderzoekers hanteren in hun tweede rapportage drie uitkomsten waarmee verschillende andere kenmerken tezamen worden weergegeven. Dit zijn: dagelijks roken, dronkenschap gedurende de laatste maand en life time cannabisgebruik. Om het aantal items verder te kunnen reduceren, keken we naar de samenhang van deze afhankelijke variabelen met de antwoorden op vragen over leeftijdgenoten, ouders, omgeving, vrijetijdsbesteding en school. In figuur 10 geven we, gegroepeerd naar onderwerp, de dertig (deel)items weer met de hoogste voorspellende waarden met betrekking tot deze drie uitkomstvariabelen.

Trimbos-instituut

63

Figuur 10. Dertig meest samenhangende (sub)items uit de IJslandse vragenlijst met de uitkomsten dagelijks roken, dronkenschap in afgelopen 30 dagen en ooit cannabisgebruik. Weergegeven als odds ratio, naar thema.

64

Trimbos-instituut

Naarmate de gekleurde bolletjes verder van de verticale lijn af staan (die de waarde 0 weergeeft), is de samenhang tussen de vraag en de uitkomst groter. Of ze links (de kans op de uitkomstvariabele wordt lager bij oplopende waarden op de vraag) of rechts (de kans neemt toe met oplopende waarden op de vraag) staan, hangt af van de richting van de antwoordcategorieën bij de vraag. De samenhangen blijken op de theoretisch te verwachten plek te staan: zo wordt bijvoorbeeld de kans dat een jongere gaat roken sterk verhoogd wanneer zijn of haar vrienden ook dagelijks roken. Hierboven staan de dertig meest samenhangende items, zie bijlage 3 voor een volledig overzicht. Samenstelling bouwstenen voor een IJslandmodule Bijlage 4 geeft de items weer die voor de IJslandmodule gebruikt kunnen worden. In totaal gaat het in dit flexibele gedeelte om 28 items. Met deze items is het mogelijk om alle figuren uit de rapportage 100 procent te reproduceren. Voor een minder uitvoerige variant, waarmee alle onderwerpen behandeld kunnen worden (maar dan niet alle onderwerpen op exact dezelfde manier) zijn de items blauw gearceerd; deze bestaat uit 9 items (categorie F). Om dit in perspectief te plaatsen: in de regionale vragenlijst van GGD Twente zijn momenteel 58 van de 103 items opgenomen in het flexibele deel van de vragenlijst.

Opname van de IJslandmodule zou bij gelijkblijvende lengte van de vragenlijst nog plaats geven aan 30 van deze 58 items. Daarbij zal overigens ook het verschil in invulvolume (het aantal reacties dat van de jongere gevraagd wordt per vraag) moeten worden meegewogen. Een minimalere variant zou kunnen bestaan uit alleen een selectie van items die aanzienlijk samenhangen met vragen over middelengebruik (top 30). Ook dit is aangegeven in bijlage 4.

Trimbos-instituut

65

66

Trimbos-instituut

4

Conclusie

In dit onderzoek hebben we de implementatie van het IJslandse preventiemodel in de zes Nederlandse gemeenten die deelnemen aan het beleidsvormend leertraject onder de loep genomen. De ambitie van dit onderzoek was niet om effecten van deze aanpak vast te stellen. De uiteindelijk beoogde effecten van het programma, namelijk gezondheidsverbetering en vermindering van middelengebruik, zijn op deze korte termijn niet te bepalen; in IJsland duurde het jaren voordat er effect zichtbaar was. Wat wel bepaald kan worden, is in hoeverre de methode uitvoerbaar is in Nederland en in hoeverre de werkwijze toegevoegde waarde heeft voor bestaande werkwijzen van gemeenten om middelengebruik onder jongeren te voorkomen en welbevinden te verbeteren. De hoofdonderzoeksvraag luidt: In hoeverre kan het IJslandse preventiemodel worden geïmplementeerd in Nederland en is het van toegevoegde waarde op de bestaande programma’s en werkwijzen ter bevordering van de gezondheid van jongeren? Om de hoofdvraag te beantwoorden, hebben we drie onderzoeken uitgevoerd. Allereerst hebben we interviews afgenomen bij (landelijke) organisaties om na te gaan welke kansen en uitdagingen het IJslandse model biedt voor de Nederlandse situatie. Daarnaast hebben we het leertraject zowel tussentijds als tegen het einde van het traject geëvalueerd met de deelnemende gemeenten en een aantal deelnemende scholen.

Ten slotte hebben we een nadere verkenning van de IJslandse monitor uitgevoerd in vergelijking tot de Nederlandse GGD GHOR-jeugdgezondheidsmonitor. In dit concluderende hoofdstuk geven we de antwoorden op de onderzoeksvragen per deelonderzoek weer, en sluiten we af met de beantwoording van de hoofdonderzoeksvraag.

4.1 Kansen en uitdagingen Deelonderzoeksvraag 1: Welke kansen en uitdagingen zien (landelijke) organisaties bij de implementatie van het IJslandse model in Nederland? Over het algemeen zijn de zeventien geïnterviewde medewerkers van (landelijke) organisaties – zoals GGD GHOR, RIVM, VNG, VO-raad, JOGG, et cetera – zeer geïnteresseerd in het IJslandse model. De visie en de kernelementen van dit model spreken aan en bieden volgens de geïnterviewden aanknopingspunten voor verbetering van de bestaande werkwijzen in Nederland. Zo spreekt het aan dat het IJslandse preventiemodel een integrale aanpak is, waarbij de hele community actief wordt betrokken. Community building is volgens de geïnterviewden kansrijk in Nederland, al vraagt het realiseren ervan veel investering in tijd. Met name het actief betrekken van ouders en scholen wordt van belang geacht, al wordt daarbij de kanttekening geplaatst dat het in Nederland tot op heden lastig is gebleken om deze doelgroepen bij preventiebeleid te betrekken.

Trimbos-instituut

67

Verder wordt de IJslandse manier van monitoren (regelmatig en uitgebreid meten, snelle terugkoppeling van de resultaten en de monitor als onderdeel van het lokale beleidsproces) gezien als een belangrijk en interessant onderdeel van de aanpak. Idealiter zien de landelijke organisaties dat de goede en haalbare punten van de IJslandse monitor worden geïntegreerd in de bestaande Nederlandse monitoringssystemen. Ten slotte zien de landelijke organisaties kansen voor Nederland om zinvolle vrijetijdsbesteding beter uit te werken. Het is volgens hen duidelijk een belangrijke factor in het gezond en veilig opgroeien van kinderen. De professionele begeleiding, die als randvoorwaarde wordt gesteld in het IJslandse model, is echter kostbaar en vormt daarmee een uitdaging voor Nederland.

4.2 Implementatie IJslands preventiemodel door gemeenten Deelonderzoeksvraag 2a: In hoeverre kunnen de Nederlandse gemeenten die deelnemen aan het leertraject het IJslandse model implementeren, en in hoeverre vinden zij het van toegevoegde waarde op bestaande programma’s en werkwijzen in hun gemeente? We kunnen concluderen dat het IJslandse preventiemodel goed implementeerbaar is in Nederlandse gemeenten. Alle deelnemende gemeenten hebben succesvol draagvlak gecreëerd en financiële middelen vrijgemaakt om aan het leertraject mee te doen. Het is gemeenten gelukt samenwerking met lokale partijen op te zoeken en te verbeteren om zo samen de werkwijze te implementeren. Ook hebben alle gemeenten, vaak in samenwerking met onderzoekers van de GGD, de IJslandse monitor twee keer uitgevoerd en zijn resultaten met lokale partners besproken. Op basis van de resultaten hebben de gemeenten en hun partners beleid gevormd en activiteiten uitgevoerd op het gebied van ouderbetrokkenheid, vrijetijdsbesteding, school en welbevinden. De ondersteuning van het traject door het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut werd gewaardeerd. De gemeenten zien een blijvende rol voor deze instituten om de verbindende schakel te blijven in het land, de boodschap te blijven uitdragen en te zorgen voor de landelijke agenda setting.

Het is niet alleen mogelijk gebleken om de IJslandse werkwijze naar de Nederlandse context te vertalen, de implementatie is ook van toegevoegde waarde op bestaande programma’s en werkwijzen in gemeenten. Een onmiskenbaar resultaat van de, voor gemeenten, nieuwe werkwijze dat door alle deelnemers genoemd werd, is de verbeterde en vernieuwde samenwerking tussen lokale partijen die betrokken zijn bij jeugdigen. Deze vorm van community building vraagt echter veel tijdsinvestering. Ook het werken met de IJslandse manier van monitoring wordt als meerwaarde gezien. De gemeenten willen in de toekomst de positieve elementen van de IJslandse monitor graag integreren in de GGD-jeugdgezondheidsmonitor. De betrokkenen zijn enthousiast en gaan door met de implementatie van het IJslandse model. Ook raden de deelnemende gemeenten andere gemeenten aan om met deze werkwijze aan de slag te gaan. De onderbouwing voor bovenstaande conclusies is te vinden in de alinea’s hieronder.

68

Trimbos-instituut

Besluitvorming De belangrijkste redenen voor gemeenten om deel te nemen aan het leertraject met het IJslandse model waren: integrale aanpak, positieve benadering, langetermijnvisie op gezondheidsbeleid en datagestuurd werken. Om deel te kunnen nemen, was financiering en draagvlak bij wethouders, gemeenteraad, ambtenaren en scholen nodig. Ondanks de korte periode voor aanmelding zijn gemeenten erin geslaagd dit te realiseren. Bevorderende factoren waren: aansluiting van het IJslandse model bij de lokale politieke speerpunten; enthousiasme van belangrijke partners; en aandacht voor het IJslandse model in de media en op een congres. Opstart Een belangrijke randvoorwaarde voor het implementeren van het IJslandse model is dat de gemeenten zich kunnen verdiepen in de inhoud van het model. Voor dit leertraject vond de verdiepingsslag plaats tijdens de studiereis naar IJsland. Het betrekken van scholen is in alle gemeenten (grotendeels) gelukt. Niet alle scholen waren direct enthousiast, omdat ze bijvoorbeeld zelf bezig waren met preventiebeleid, of bang waren dat er te veel verantwoordelijkheid bij hen zou komen te liggen. Uiteindelijk heeft het merendeel van de scholen hun medewerking en betrokkenheid toegezegd. De mate waarin de GGD gedurende het traject betrokken is geweest, verschilt per gemeente. Sommige GGD’en zijn proactief en vanaf het begin betrokken bij het proces.

Andere GGD’en hadden hier in eerste instantie niet de capaciteit voor, maar haakten uiteindelijk toch aan. In alle gemeenten zijn diverse lokale en regionale organisaties betrokken bij de uitwerking van het IJslandse model in hun gemeente. De gezamenlijke startbijeenkomst heeft bijgedragen aan het enthousiasme voor het model en bood partners de gelegenheid om (kritisch) mee te denken. Een les achteraf is om de belangrijkste partners ook al te betrekken in de besluitvormingsfase. Monitoring De deelnemende gemeenten hebben de vragenlijst van het IJslandse model twee keer uitgezet onder vierdeklassers van het voortgezet onderwijs. De uitvoering verliep niet altijd soepel. Zo was de vragenlijst erg lang, waren de vragen ingewikkeld voor sommige groepen leerlingen, en waren de mogelijkheden om de lijst naar wens aan te passen beperkt. Ook leidde de monitor tot spanningen tussen gemeenten en GGD’en, doordat de GGD de monitor normaal gesproken uitvoert. Toch zijn de gemeenten zeer enthousiast over de monitor, in het bijzonder over: a) de snelle terugkoppeling van resultaten; b) de informatie in het rapport over risico- en beschermende factoren voor middelengebruik door jongeren; c) de mogelijkheid om aan de hand van actuele data over middelengebruik en onderliggende factoren in gesprek te gaan met lokale partners.

Deze elementen van de IJslandse monitor integreren de gemeenten in de toekomst graag in de GGD-jeugdgezondheidsmonitor. Terugkoppeling en dialoog De zes deelnemende gemeenten gingen aan de hand van de resultaten van de monitor in gesprek met lokale partners om de belangrijkste onderwerpen te selecteren en doelstellingen te formuleren. De resultaten van de monitor vormden de basis voor een breed gedragen prioritering in het gemeentelijke preventiebeleid. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit

Trimbos-instituut

69

draagvlak is volgens de gemeenten het beschikken over actuele data en het bespreken hiervan tijdens een of meer bijeenkomsten met lokale partners. Beleidsvorming Na het vaststellen van de prioriteiten hebben de gemeenten hun samenwerkingspartners betrokken bij de beleidsvorming en de selectie van preventieactiviteiten. De gemeenten namen hierin een regievoerende en faciliterende rol. Het kostte veel tijd om de samenwerking met lokale partners te realiseren, met als resultaat een sterk verbeterde samenwerking. De gemeenten vormden project- of werkgroepen om samen met lokale partners na te denken over het beleid en de interventies die op basis van de prioritering moesten worden ingezet. Uitvoering Op basis van de monitorresultaten hebben de gemeenten samen met hun partners beleid ontwikkeld en interventies geselecteerd. Vervolgens zijn zij samen aan de slag gegaan met de uitvoering. Gemeenten en hun partners hebben activiteiten opgezet op het gebied van ouderbetrokkenheid, vrijetijdsbesteding en welbevinden. In de gemeenten werden diverse activiteiten georganiseerd om ouders te betrekken, zoals ouderavonden, opvoedcursussen of communicatie in de vorm van nieuwsbrieven of brochures. Middels deze activiteiten zijn al vele ouders bereikt, maar toch blijkt het lastig om een grote groep ouders voor de lange termijn te bereiken en betrekken.

In alle gemeenten is een divers aanbod vrijetijdsactiviteiten opgezet. Dit zijn bijvoorbeeld sport-, muziek- en cultuuractiviteiten, die vaak gratis toegankelijk zijn. Over het algemeen worden de activiteiten goed bezocht en wordt er positief op gereageerd door jongeren en hun ouders. Verder wordt er in diverse gemeenten aandacht besteed aan welbevinden, met name via activiteiten op school. Deze activiteiten zijn echter nog minder goed ingebed dan de vrijetijdsactiviteiten. Samenwerking partners De gemeenten ervaren dat het IJslandse model een boost geeft aan de samenwerking. Gemeenten en lokale partners zijn dichter bij elkaar gekomen en weten elkaar makkelijker te vinden. Met name het contact met de school is over het algemeen intensiever ten opzichte van de periode voordat er met het model werd gewerkt. Ook is er contact ontstaan tussen partners die eerder weinig met elkaar te maken hadden. Hoewel gemeenten over het algemeen positief zijn over de samenwerking met partners, ervaren zij wel dat het veel tijd en energie kost om partijen mee te krijgen in de aanpak. Invloed coronacrisis Vlak na de start van de implementatie van interventies en beleid kregen we te maken met de coronapandemie. Deze heeft zowel negatieve als ook enkele positieve effecten op het leertraject gehad.

Door de maatregelen moesten veel activiteiten die op de planning stonden worden geannuleerd, en bleek het lastiger om lokale partners aangehaakt en enthousiast te houden. Wel zorgde de extra gelden die vanuit de overheid vrijkwamen voor extra mogelijkheden om activiteiten op te zetten, en konden bepaalde groepen die lastig samen te brengen waren online gemakkelijker samenkomen. Ondersteuning Trimbos-instituut, Nederlands Jeugdinstituut, ICSRA De gemeenten zijn positief over de ondersteuning door het Trimbos-instituut en het Nederlands

70

Trimbos-instituut

Jeugdinstituut. Ze maken dankbaar gebruik van de kennis die beide instituten hebben en vinden de medewerkers toegankelijk en vakkundig. Voor het implementatietraject adviseren de gemeenten de instituten om de nieuwe gemeenten actiever en consequent te benaderen en om een grotere rol te spelen in advisering over interventies. De deelnemende gemeenten blijven graag gebruikmaken van de ondersteuning en hopen dat het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut zich blijven inzetten voor de landelijke agenda setting van het IJslandse preventiemodel. De ervaring met het IJslandse ICSRA is gedurende het leertraject veranderd. Waar de gemeenten in de tussenevaluatie overwegend positief waren, met name met betrekking tot de inspirerende rol die de IJslanders hebben, spraken de gemeenten in de eindevaluatie minder positief over de samenwerking met IJsland. De ondersteuning vanuit IJsland die een aantal gemeenten in de eerste helft wel heeft ervaren, was vanaf de tweede helft van het leertraject niet meer aanwezig. De gemeenten hebben geen behoefte meer aan praktische ondersteuning door de IJslanders, zoals bij de monitoring. De gemeenten zien graag dat de GGD dit overneemt, waarbij het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut deze overgang ondersteunen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10607100/1