CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

8. TV RAAD CU - Bijlage Evaluatie ijslands preventiemodel trimbos

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestjoersrapportaazje maaie, juny 202131.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Trimbos-instituut

27

het belangrijk dat hun kind deelneemt aan activiteiten en niet alle ouders hebben voldoende financiële middelen ter beschikking om hun kind aan activiteiten te laten deelnemen. In Nederland bestaan er wel diverse subsidies om ouders met lage inkomens te ondersteunen, maar deze zijn niet altijd even toegankelijk of worden als stigmatiserend gezien. De vrijetijdspas uit IJsland spreekt veel van de organisaties die wij spraken aan. Doordat alle jongeren de pas met een vaststaand bedrag ontvangen, ongeacht het inkomen van de ouders, is de pas niet stigmatiserend. Daarnaast verlaagt de pas de drempel om eens een activiteit uit te proberen. Een aantal geïnterviewden gaf aan dat het in Nederland lastig is om laagdrempelig activiteiten uit te proberen, omdat lidmaatschappen vaak meteen voor een jaar gelden. Professionele begeleiding Een andere uitdaging ligt in de begeleiding van veel sportactiviteiten. In de interviews werd genoemd dat in Nederland veel sportactiviteiten op sportverenigingen worden begeleid door vrijwilligers, die vaak niet pedagogisch geschoold zijn. Een aantal organisaties noemde het positief dat er in IJsland wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van de personen die het vrijetijdsaanbod verzorgen voor jongeren. Het wordt belangrijk gevonden dat bijvoorbeeld trainers van sportactiviteiten pedagogisch onderlegd zijn.

In Nederland zijn er nog weinig kwaliteitscriteria voor sportverenigingen. Cultuuractiviteiten worden, in tegenstelling tot sportactiviteiten, vaak wel professioneel begeleid. In een branche waar reeds flink is bezuinigd, betekent dit dat de activiteiten vaak duurder zijn. Verder werd aangegeven dat er in het schoolcurriculum veel aandacht is voor sport, en minder voor cultuur. Op middelbare scholen is er bezuinigd op scholing van docenten in cultuur, en er is weinig aandacht voor muziek. Hierdoor komen jongeren hier minder mee in contact. Gezonde omgeving vrijetijdsactiviteiten Een andere uitdaging in Nederland is om activiteiten in een gezonde omgeving te laten plaatsvinden. Via programma’s als JOGG, activiteiten in het Nationaal Preventieakkoord en via de Rookvrije Generatie wordt er stevig ingezet op het creëren van gezonde omgevingen op de plekken waar jongeren hun vrije tijd doorbrengen. In sommige gevallen zijn deze locaties al overwegend gezonde omgevingen, zoals muziekscholen of plekken waar culturele activiteiten worden georganiseerd. Tegelijkertijd constateerden enkele geïnterviewden dat de plekken waar jongeren sporten niet altijd gezonde omgevingen zijn. In de sportkantines wordt vaak alcohol geschonken en op het sportterrein mag vaak nog worden gerookt.

3.2 Evaluatie van het leertraject 3.2.1 Deelnemende gemeenten Zoals eerder beschreven, hebben zes Nederlandse gemeenten deelgenomen aan het beleidsvormend leertraject van het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut. Tijdens dit drie jaar durende traject (april 2018 - april 2021) implementeerden deze gemeenten de IJslandse werkwijze. De stappen die zij hebben doorlopen zijn (zie figuur 4): 1) besluitvorming; 2) opstart; 3) monitoring; 4) terugkoppeling en dialoog; 5) beleidsvorming; 6) uitvoering; en 7) monitoring. De interviews met de gemeenten hebben we gehouden in november/ december 2019 en april 2021. In deze interviews haalden we ervaringen op om het hele leertraject te kunnen evalueren.

28

Trimbos-instituut

Figuur 4. Stappen in het leertraject met het IJslandse preventiemodel

Te ru en gko di ppe al oo ling g

g

in

r ito

on

M

START

Community building

Besluitvorming

Opstart

Ui

tv

oe

rin

g

le

Be

g

in

rm

vo

s id

Hieronder werken we de projectfasen stap voor stap uit. We schetsen per stap de ervaringen van de gemeenten met de implementatie van het IJslandse model. Deelonderzoeksvraag 2a staat hierin centraal: In hoeverre kunnen de Nederlandse gemeenten die deelnemen aan het leertraject het IJslandse model implementeren, en in hoeverre vinden zij het van meerwaarde vergeleken met reeds bestaande programma’s en werkwijzen in hun gemeente?

Stap 1: Besluitvorming deelname (januari 2018-april 2018)

In het kort: • Belangrijkste redenen voor deelname aan het leertraject zijn de integrale aanpak, de positieve insteek, de langetermijnvisie op preventie-, jeugd- en gezondheidsbeleid en datagestuurd werken. • Randvoorwaarden voor deelname zijn financiering, voldoende capaciteit en draagvlak bij wethouders, gemeenteraad, ambtenaren en scholen.

In februari 2018 presenteerden het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut de opzet van het beleidsvormend leertraject aan de geïnteresseerde gemeenten. In maart 2018 konden de gemeenten zich aanmelden om deel te nemen aan het leertraject. Het traject ging in april 2018 van start. In deze paragraaf bespreken we welke redenen hebben bijgedragen aan het besluit van de gemeenten om deel te nemen aan het beleidsvormend leertraject en de randvoorwaarden voor deelname.

Trimbos-instituut

29

Redenen voor deelname aan traject Gemeenten noemden de volgende redenen om deel te nemen aan het beleidsvormend leertraject: • Integrale aanpak: het IJslandse preventiemodel leent zich ervoor om diverse thema’s aan elkaar te verbinden. Hierdoor biedt het gemeenten een kans om naast preventie van middelengebruik ook te werken aan bijvoorbeeld welbevinden en het behalen van gezondheidswinst. Ook de integrale samenwerking met diverse lokale partijen werd als een waardevol element gezien. • Positieve insteek: het IJslandse model sluit aan bij wat jongeren graag doen en past in de gedachte achter positieve gezondheid, waar veel gemeenten aan werken. Door de positieve insteek is het niet belerend. • Gezondheidsbeleid op de lange termijn: gemeenten zijn op zoek naar een model waar ze structureel op in kunnen zetten. Het IJslandse model biedt een duidelijke langetermijnvisie met een overzicht waarin wordt aangegeven welke stappen deelnemers kunnen zetten. Het interveniëren in de omgeving, in plaats van in het gedrag van de jongeren zelf, spreekt de gemeenten aan. • Vernieuwende aanpak: eerdere inspanningen op het gebied van middelenpreventie hadden niet het gewenste effect.

De effecten die in IJsland bereikt zijn, zorgen voor enthousiasme en het werken met deze nieuwe methode interesseert de gemeenten • Datagestuurd werken: monitoring en data zijn belangrijke onderdelen van het IJslandse model. Het model biedt duidelijke handvatten voor wat gemeenten kunnen doen met data. Gemeenten zijn enthousiast over het gebruiken van data voor het onderbouwen van een keuze voor (gesubsidieerde) interventies. • Imago verbeteren: een aantal gemeenten gaf aan te willen werken aan een beter imago op het gebied van middelengebruik. Hierdoor werd urgentie gevoeld om met dat thema aan de slag te gaan. • De IJslandse situatie sluit aan bij gemeente: sommige gemeenten herkenden een aantal kenmerken van de IJslandse gemeenschap ook in hun eigen gemeenschap, zoals de hechte samenstelling in de gemeenschap. Dit heeft meegespeeld in de beslissing om deel te nemen aan het leertraject. Andere gemeenten twijfelden juist of IJsland niet te veel verschilt van en of de aanpak wel te vertalen is naar de Nederlandse situatie. Juist de verandering die IJsland in twintig jaar heeft doorgemaakt, gaf gemeenten toch het idee dat verandering in hun gemeente ook mogelijk is. Randvoorwaarden voor deelname De twee belangrijkste randvoorwaarden voor deelnemende gemeenten aan het leertraject waren draagvlak en financiering.

Draagvlak Draagvlak bij wethouders, gemeenteraad, ambtenaren en scholen was een belangrijke voorwaarde voor gemeenten om te kunnen deelnemen aan het leertraject. Dit moest snel georganiseerd worden, omdat de periode om een besluit te nemen over deelname aan het leertraject kort was en bovendien in verkiezingstijd viel. De volgende zaken hebben bijgedragen aan het creëren of benutten van draagvlak bij betrokkenen: • Aansluiting bij politieke speerpunten: een aantal gemeenten gaf aan dat de IJslandse aanpak goed aansluit bij politieke speerpunten in de gemeente, zoals preventie van

30

Trimbos-instituut

middelengebruik, het verhogen van het geluksgevoel van jongeren, alcoholmatiging of het werken aan preventief gezondheidsbeleid. Hierdoor was er onder wethouders en de gemeenteraad meteen of al snel draagvlak voor deelname aan het leertraject. • Enthousiasme van belangrijke partners: wanneer belangrijke partners (ambtenaren, huisarts, school) enthousiast waren over de aanpak, dan droeg dit bij aan het draagvlak. • Presentatie ICSRA op de Voor de Jeugd Dag 2017: veel van de ambtenaren en in sommige gevallen ook de wethouders waren aanwezig bij de Voor de Jeugd Dag in 2017 waar Jón Sigfússon van het ICSRA vertelde over de IJslandse aanpak. Zijn verhaal heeft ze geïnspireerd en geënthousiasmeerd. • Media-aandacht voor het IJslandse model: in de zomer van 2017 verscheen in de Volkskrant een artikel over het IJslandse model (Sahadat, 2017). Een aantal ambtenaren en wethouders heeft dit artikel gelezen en is daardoor enthousiast geworden over het IJslandse model. Ook een documentaire van de BBC over het model heeft bijgedragen aan het enthousiasme van een wethouder. In een van de gemeenten zijn media-items over het model en over alcoholgebruik toegevoegd aan de aanvraag voor deelname aan het leertraject bij het college, om het voorstel meer kracht bij te zetten.

Financiering en capaciteit Voor deelname aan het leertraject was er financiering nodig, namelijk voor de ondersteuning door ICSRA, het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut. Daarnaast waren er mensen en middelen nodig om de werkwijze te implementeren en om preventieactiviteiten op te zetten. In gemeenten waar middelengebruik of andere elementen van de aanpak al een politiek speerpunt waren, was het relatief gemakkelijk om financiering rond te krijgen. Andere gemeenten hebben hier wat meer moeite voor moeten doen. Doorslaggevend hierin was dat het model past in de transformatiegedachte en dat kosten op de lange termijn voorkomen worden, zoals zorgkosten. Het feit dat het een landelijk ondersteund leertraject is, gaf gemeenten de hoop dat er in de toekomst ook meer financiële ondersteuning mogelijk is.

Stap 2: Opstart (april 2018 – augustus 2018)

In het kort: • Aan het begin van het traject zijn de deelnemende gemeenten met het Trimbosinstituut en het Nederlands Jeugdinstituut op studiereis in IJsland geweest. • Gemeenten moeten flink investeren en merken dat het veel tijd en moeite kost om lokale partners te betrekken en activeren. • Sommige gemeenten hebben ervoor gekozen om aan de slag te gaan in een afgebakend gebied (zoals enkele dorpskernen of juist meerdere kleine gemeenten bij elkaar).

In de opstartfase maakten de zes deelnemende gemeenten, het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut een studiereis naar IJsland (mei-juni 2018), hebben zij de lokale partners betrokken bij het leertraject en een gebied binnen de gemeente geselecteerd. Hieronder beschrijven we de ervaringen van de gemeenten met de studiereis, met het betrekken van de lokale partijen en met het afbakenen van het gebied voor de toepassing van het model.

Trimbos-instituut

31

Studiereis Van 29 mei tot en met 2 juni 2018 organiseerden het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut een studiereis naar IJsland voor de zes deelnemende gemeenten. De projectleider en een aantal werkgroepleden van elke gemeente namen daaraan deel. Een van de gemeenten had een eigen onderzoeker meegenomen en een andere gemeente nam twee GGD-collega’s (een epidemioloog en een gezondheidsbevorderaar) mee. Op het programma stond onder meer de Planet Youth-workshop, georganiseerd door het ICSRA. Aan deze workshop namen personen deel uit veel verschillende landen. Tijdens deze workshop vertelden medewerkers van het ICSRA meer over de werkwijze van het IJslandse model, deelden ze hun eigen ervaringen en deelde een aantal landen die het IJslandse model al implementeren ook hun ervaringen. Een groot deel van de gemeenten gaf aan dat de studiereis naar IJsland aan het begin van het traject heel waardevol was. Door de studiereis begrepen de ambtenaren beter hoe de werkwijze in elkaar zit. Zo werd er dieper ingegaan op belangrijke elementen van de werkwijze, zoals het community based werken, het betrekken van onderwijs en het datagestuurd werken. Een aantal gemeenten noemde dat ze na de reis een beter beeld hadden van de IJslandse visie en hierdoor partners beter kunnen wijzen op wat wel en wat niet binnen het IJslandse model past.

De meeste gemeenten vonden het fijn dat de andere gemeenten, het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut mee waren. Hierdoor konden ze met elkaar sparren, en voelden ze zich gesteund. Achteraf gezien gaf één gemeente aan graag een vertegenwoordiger van de scholen en de GGD uit haar gemeente meegenomen te willen hebben. Dan hadden deze lokale partners dezelfde voorkennis gehad als de gemeente, en hadden ze elkaar op de studiereis al beter leren kennen. Een verbeterpunt voor de studiereis is om de lezingen te combineren met bezoeken aan initiatieven in de praktijk. Op die manier krijgen gemeenten een idee hoe ze het model in de praktijk kunnen implementeren. Daarnaast biedt het een toegevoegde waarde wanneer andere landen dan IJsland delen hoe ze de IJslandse aanpak in hun land geïmplementeerd hebben. Deze elementen waren in deze studiereis beperkt aanwezig. Scholen betrekken Scholen zijn belangrijke partners binnen het IJslandse model. In de opstartfase investeerden de gemeenten daarom in het betrekken van- en de samenwerking met scholen. De scholen werden gevraagd om mee te werken aan de implementatie van het IJslandse model om mee te werken aan de dataverzameling in het najaar van 2018. De samenwerking met scholen was echter niet gelijk vanzelfsprekend. De gemeenten hebben verschillende manieren gebruikt om deze in goede banen te leiden.

Enkele gemeenten kozen ervoor scholen met een een-op-een-gesprek te benaderen. Dit werkte goed, al kostte het ook veel tijd. Sommige gemeenten kozen ervoor de scholen formeel te benaderen met een brief. Weer andere gemeenten hebben een bijeenkomst georganiseerd. Het contact met school verliep meestal via de directie, de zorg- of ondersteuningscoördinator, of het afdelingshoofd. De gemeenten merkten dat het belangrijk was om de juiste ingang bij een school te vinden. Het enthousiasme om deel te nemen was afhankelijk van de persoon die ze spraken. Het loonde vaak om verschillende personen binnen dezelfde school bij het proces te betrekken.

32

Trimbos-instituut

Sommige scholen wilden in eerste instantie niet meedoen. Zo gaven ze als reden dat ze al veel doen aan het welbevinden van leerlingen. Andere scholen hadden het idee dat er veel verantwoordelijkheid bij de school zou komen te liggen, terwijl ze daar geen capaciteit voor hebben. Een school zag veel beren op de weg met betrekking tot het betrekken van ouders omdat de ouderavonden daar vaak slecht werden bezocht. Op één school hielp een wisseling van schoolleiding bij het besluit voor deelname aan het traject. De eerdere schoolleiding stond er niet voor open, maar de nieuwe schoolleiding heeft de aanpak omarmd. Bij een van de scholen was er vrees dat de resultaten van de metingen het imago van de school zouden schaden. Uiteindelijk is het alle gemeenten gelukt om scholen te betrekken. In kleinere gemeenten waren alle scholen betrokken. In grotere gemeenten was een groot deel van de scholen betrokken. Redenen voor scholen om niet mee te doen waren bijvoorbeeld tijdgebrek, of het al werken aan preventie en daar al tevreden over zijn. In sommige gevallen waren scholen uit het speciaal onderwijs wel aangehaakt bij het leertraject, maar hebben deze niet actief deelgenomen aan de dataverzameling. GGD betrekken De GGD is ook een belangrijke partner in het traject met het IJslandse model in Nederland.

Zij hebben veel ervaring met dataverzameling en -analyse en met het opzetten van interventies ter preventie van middelengebruik. In de opstartfase, en soms al in de besluitvormingsfase, hebben gemeenten de GGD betrokken bij het proces. De mate waarin de GGD was aangehaakt, verschilde per gemeente. In sommige gemeenten was de GGD meteen enthousiast en proactief. Eén gemeente had GGD-collega’s meegenomen op de studiereis. Bij een andere gemeente dacht de GGD meteen mee over zowel de inhoud als de afname van de vragenlijst. In andere gemeenten was de GGD minder betrokken bij het proces vanwege een gebrek aan capaciteit. Eén gemeente had de GGD en scholen al vóór de studiereis gesproken. Op dat moment kon de gemeente het model nog niet goed uitleggen, waardoor het enthousiasme bij de aanwezigen beperkt was. Overige partijen betrekken Naast scholen en de GGD zijn in deze fase ook andere lokale partijen door gemeenten benaderd voor samenwerking, zoals interne collega’s, zorginstellingen, sportverenigingen en -koepels, instellingen voor jongerenwerk of welzijnswerk, huisartsen, instellingen voor verslavingszorg, Halt, politie, de afdeling Handhaving van de gemeente en inwoners. Alle gemeenten hebben een startbijeenkomst georganiseerd met de lokale partijen om het IJslandse model toe te lichten en om hen te vragen mee te denken over de implementatie.

Deze bijeenkomsten vonden plaats in mei 2018, net voor de studiereis. Het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut waren bij deze bijeenkomsten aanwezig om het model en het leertraject toe te lichten. In veel gemeenten waren de partijen meteen enthousiast om mee te denken en mee te doen. Tijdens deze bijeenkomsten werden kritische vragen gesteld, bijvoorbeeld over het betrekken van ouders en het omgaan met lokale gewoontes. Bepaalde voorbeelden uit IJsland, zoals de avondklok, spraken niet aan.

Trimbos-instituut

33

Een aantal gemeenten had achteraf gezien, lokale partners eerder willen betrekken. Het was nu niet gelukt omdat ze snel moesten beslissen over de deelname aan het traject. Hierdoor was er niet genoeg tijd om bijvoorbeeld de scholen en de GGD meteen te betrekken bij het besluit. Afbakenen gebied Het gebied waarin het leertraject is uitgevoerd, is niet in alle gemeenten hetzelfde. Zo heeft een gemeente besloten om op één kern te focussen. Met een kern wordt een dorp of stad bedoeld die binnen de gemeente valt. De gemeente koos voor deze kern omdat deze goed af te kaderen was, ook wat betreft scholen: de meeste leerlingen uit deze kern zitten hier ook op school. Daarnaast was er in deze kern ook een urgentiebesef om aan dit thema te werken, waardoor de gemeente sneller op draagvlak kon rekenen. Een aantal gemeenten heeft ervoor gekozen om op de hele gemeente te focussen. Andere gemeenten zijn begonnen in een afgebakend gebied, bijvoorbeeld een dorp. Daarnaast nam er een groep van vier samenwerkende gemeenten deel, die samen een logische regio vormen. De jongeren uit deze gemeenten gaan bijna allemaal naar de twee scholen in deze regio, en hun vrije tijd brengen ze ook in deze regio door.

Stap 3: Monitoring (juli 2018-november 2018)

In het kort: • Toegevoegde waarde van de IJslandse monitor ten opzichte van reguliere Nederlandse monitor: - informatie over beschermende en risicofactoren; - snelle terugkoppeling; - in gesprek over resultaten met lokale partners; - resultaten als basis voor breed gedragen prioritering van preventiebeleid.

In het najaar van 2018 vond de eerste ronde plaats van dataverzameling in het kader van het IJslandse model. De IJslandse vragenlijst (vertaald naar het Nederlands) werd afgenomen onder zoveel mogelijk 15- en 16-jarige jongeren uit de gemeenten. Samen met de GGD en scholen hebben de gemeenten de dataverzameling voorbereid. In de volgende paragrafen beschrijven we de rol van monitoring in preventiebeleid, de samenwerking met GGD en scholen, het proces van voorbereiding, de kwaliteit en inhoud van de vragenlijst en de ervaringen van gemeenten met de uitvoering van de eerste monitoringsronde. De rol van monitoring in preventiebeleid Monitoring is een belangrijk onderdeel van het IJslandse model. In deze paragraaf beschrijven we hoe de gemeenten monitoring ervoeren voordat ze aan de slag gingen met het IJslandse model, en hoe ze de eerste ronde monitoring tijdens het leertraject ervoeren. In gemeenten wordt gemonitord door de GGD. Denk aan de Jeugdmonitor, Emovo of Jouw GGD Check-onderzoeken. In de meeste gevallen gebeurt dit eens in de vier jaar. Verkregen cijfers worden in de meeste gevallen door de GGD teruggekoppeld aan een of een aantal beleidsmedewerkers. Veel gemeenten konden niet duidelijk aangeven wat er in het vervolg

34

Trimbos-instituut

met deze cijfers gebeurde. Er volgden geen automatische stappen op deze monitor. Sommige gemeenten gaven aan dat ze deze cijfers gebruikten om bepaalde zaken te constateren, of om te laten zien wat ze met beleid hadden bereikt. Maar door het grote gat tussen meetmomenten was het voor gemeenten lastig om beleid te schrijven op oude cijfers en om nieuwe trends te ontdekken in de snel veranderende leefomgeving van de jongeren. Daarnaast zit er normaliter veel tijd tussen het afnemen van de vragenlijst en het ontvangen van de resultaten. Een aantal gemeenten gaf aan dat de GGD-cijfers besproken worden met scholen, maar in een aantal gemeenten gebeurt dit niet. In het leertraject werd om het jaar gemonitord, namelijk in het najaar van 2018 en in het najaar van 2020. Het ICSRA koppelde de resultaten binnen twee á drie maanden na afname van de vragenlijsten terug aan de gemeenten. Zij ontvingen een gemeenterapport en schoolrapporten. In februari 2019 kwam een aantal experts van het ICSRA naar Nederland om de resultaten van de eerste dataverzameling te bespreken met de deelnemende gemeenten en lokale partners. Een vaak genoemd voordeel van de IJslandse manier van monitoring, is dat de resultaten van de monitor werden teruggekoppeld aan en besproken met betrokken partijen, zoals de scholen.

Onderdeel van de werkwijze is dat gemeenten op basis van de resultaten in gesprek gaan met betrokken partijen over de vervolgstappen. De partners gaan hierbij op zoek naar gezamenlijke doelstellingen of aandachtsgebieden. Het momentum dat de data oplevert zorgt voor enthousiasme. Een dergelijke aanpak was in geen van de deelnemende gemeenten gekoppeld aan de GGD-resultaten. Enkele gemeenten gaven aan dat ze deze uitgebreide terugkoppeling ook zouden kunnen uitvoeren met de GGD-cijfers, mits deze sneller beschikbaar zouden zijn, maar dat ze hier zonder het IJslandse voorbeeld niet op waren gekomen. Een ander voordeel is dat de cijfers van de IJslandse monitor recenter zijn. De vragenlijst wordt vaker afgenomen en de resultaten zijn sneller na afname beschikbaar dan bij de GGD-monitor. Alle gemeenten gaven aan dat dit heel waardevol is en dat het hiermee makkelijker is om het gesprek aan te gaan met partners en met ouders. Samenwerking met GGD Niet alle epidemiologen van GGD’en waren meteen enthousiast over de IJslandse monitoring. Monitoring is normaal gesproken de rol van de GGD, dus het feit dat de gemeente nu een andere monitor wilde afnemen, leidde in sommige gevallen tot spanningen. In één gemeente waren de schoolverpleegkundigen niet blij omdat met de komst van de IJslandse vragenlijst was besloten om de Jouw GGD Check-lijsten niet af te nemen.

Hierdoor hebben de verpleegkundigen niet de kans gehad om met individuele leerlingen in gesprek te gaan en waar nodig te ondersteunen bij problematiek. De meeste GGD’en hebben actief meegedacht en/of meegewerkt aan de monitor, doordat de gemeenten geïnvesteerd hebben in de relatie en begrip hebben getoond voor de GGD. De GGD’en hebben bijvoorbeeld ondersteund in het werven van scholen, of hebben meegedacht over het waarborgen van de privacy (AVG) en ethische waarborgen bij het implementeren van de vragenlijst. Sommige GGD’en hebben actief meegekeken met de vragenlijst en waren bijvoorbeeld aanwezig bij de afname van de eerste monitor. In veel gevallen heeft de GGD

Trimbos-instituut

35

een verpleegkundige beschikbaar gesteld, bij wie leerlingen terechtkonden met persoonlijke vragen of problemen naar aanleiding van de vragenlijst. Andere GGD’en waren ten tijde van de eerste meting niet zo betrokken, omdat ze niet voldoende capaciteit hadden. Samenwerking met school De vragenlijsten werden afgenomen op middelbare scholen, omdat jongeren uit de gemeenten daar het gemakkelijkst te bereiken zijn. Het was daarom cruciaal dat de scholen in de gemeenten wilden meewerken met de monitor. Zoals besproken in het stuk over de opstartfase, is het in alle gemeenten gelukt om (een deel van) de scholen te betrekken in het traject. De gemeenten hoorden van scholen dat zij middelengebruik en welbevinden belangrijke thema’s vonden, en daarom geïnteresseerd waren in de uitkomsten van de monitor. Deze uitkomsten gaven de school aanknopingspunten om aan te werken. Ook hoorden de gemeenten van de scholen dat zij kansen zagen om meer met de gemeente samen te werken en gebruik te maken van de mogelijkheden die de gemeente bood. Een aantal scholen stelde wel voorwaarden voor deelname. Zo gaf een school aan te verwachten dat de gemeente waar mogelijk taken voor de monitor zou uitvoeren. Andere scholen wilden niet dat de resultaten van de school openbaar gemaakt zouden worden door de gemeente. De tijdsdruk die er op de afname van de vragenlijst zat, maakte het proces ingewikkeld.

De afname van de eerste monitor moest in een korte periode ingepland worden, waardoor de scholen zich opgejaagd voelden. Een deel van de scholen wilde duidelijkheid over de inhoud van de vragenlijst, maar hier was vaak geen tijd voor. De gemeenten hadden ook niet alle informatie, dus konden vragen van de scholen niet altijd beantwoorden. Een aantal onderwerpen in de vragenlijst werd door sommige scholen als heftig ervaren. Andere scholen hebben zich niet inhoudelijk met de vragenlijst beziggehouden of hadden geen kritiek. Proces voorbereiding monitor De vragenlijsten werden op de deelnemende middelbare scholen digitaal afgenomen onder 15- en 16-jarige leerlingen, tijdens een lesuur. In de voorbereiding is de vragenlijst naar het Nederlands vertaald en door het ICSRA gedigitaliseerd. Vervolgens moest er op de middelbare scholen tijd voor afname worden ingepland. In de opstartfase heeft het ICSRA de suggestie gewekt dat vragen konden worden aangepast aan de wensen van de gemeenten en GGD’en. De gemeenten en GGD’en hebben veel tijd gestoken in het bekijken van de vragenlijst en het doorgeven van veranderingen. Vervolgens bleek dat de vragenlijsten niet veranderd kon worden, alleen vertaald. Een aantal gemeenten gaf aan het jammer te vinden dat dit achteraf pas duidelijk werd: ‘Het was teleurstellend dat ze zo stram bleven aan hun eigen vraagstellingen.

Ze hebben hierover niet de juiste verwachtingen geschept. Ze gaven het idee dat er verandering mogelijk was, maar dat bleek uiteindelijk niet zo te zijn. De GGD heeft de hele vragenlijst bekeken en gekeken wat er verbeterd kon worden, maar uiteindelijk kon hier niks van worden aangepast.’ De ervaring van het ICSRA met het digitaal afnemen van vragenlijsten was ten tijde van de eerste monitorronde beperkt. Het digitaliseren van de vragenlijst duurde hierdoor lang, waardoor er weinig tijd over was voor kwaliteitscontrole op de uiteindelijke vragenlijst. De planning op een aantal van de scholen moest hierdoor worden aangepast. Ook een geplande

36

Trimbos-instituut

testafname van de vragenlijst kon hierdoor niet plaatsvinden. Een aantal gemeenten had het fijn gevonden als er wel een test was geweest, zodat de vragenlijst beter aangepast had kunnen worden aan wat de leerlingen wel begrijpen en wat niet. Daarnaast bleken er verschillen te zijn tussen IJsland en Nederland, die om verschillende werkwijzen vragen. Zo gaan in Nederland niet alle jongeren uit een gemeente ook in die gemeente naar school. In IJsland is dit wel het geval. Het ICSRA had geen duidelijk antwoord hoe de gemeenten hier het beste mee om konden gaan. In veel gemeenten is hier een oplossing voor gevonden, door vragenlijsten ook af te nemen op scholen buiten de gemeente, waar jongeren uit de deelnemende gemeente naar school gaan. Eén gemeente vond het erg belangrijk om de vragenlijst ook op het speciaal onderwijs uit te zetten. Ze hebben er moeite voor gedaan en een passende oplossing gevonden door de vragenlijst op deze school verdeeld over meerdere dagen af te nemen. De gemeenten hebben de ouders van leerlingen die de vragenlijst zouden invullen vooraf op diverse manieren geïnformeerd. Sommige gemeenten hebben ouders een brief gestuurd waarin toestemming werd gevraagd voor deelname van het kind aan het onderzoek. Als ouders niet wilden dat hun kind de vragenlijst zou invullen, dan konden ze dit aangeven bij de school.

Enkele andere gemeenten hebben de vragenlijst toegelicht tijdens een ouderavond. Voor de informatiebrieven aan ouders en scholen hebben gemeenten gebruikgemaakt van input van de GGD, het Trimbos-instituut, het Nederlands Jeugdinstituut en in sommige gevallen ook van een publicatie van het ICSRA. Kwaliteit en inhoud vragenlijst Veel gemeenten stelden het op prijs dat er in de IJslandse vragenlijst naar meer achterliggende beschermende en risicofactoren wordt gevraagd dan in de GGD-monitor. De IJslandse vragen zijn meer gericht op de omgeving, waardoor de gemeenten problematiek konden koppelen aan achterliggende factoren. Hierdoor konden ze prioriteiten stellen op basis van de resultaten en kwamen ze te weten waar ze interventies op konden inzetten. Aan de andere kant zitten er ook thema’s in de lijst die de gemeenten niet relevant vonden (op de korte termijn). Veel gemeenten gaven aan dat de vragenlijst te complex en te lang was. Voornamelijk voor lagere schoolniveaus (speciaal onderwijs en praktijkonderwijs) was de vragenlijst te ingewikkeld en te lang. Hier zagen gemeenten in de toekomst graag een oplossing voor. Ook misten ze bepaalde antwoordopties bij vragen, waardoor jongeren niet het juiste antwoord konden kiezen. Een ander kritiekpunt was dat alle vragen door de leerlingen beantwoord moesten worden.

Als ze op een vraag ‘nee’ hadden geantwoord, waardoor volgende vragen niet meer relevant waren, moesten ze deze vragen toch beantwoorden. Eén medewerker van een gemeente vond het juist belangrijk om de vragenlijst in deze uitgebreide vorm te blijven gebruiken, zodat ze aangesloten blijven bij de database van Planet Youth van het ICSRA. Verder gaven gemeenten aan dat ze graag meer inzicht zouden krijgen in de onderbouwing van de vragenlijst en de bijbehorende procedures, zoals data cleaning. Uitvoering eerste monitor De vragenlijst is op de meeste scholen zonder problemen uitgevoerd. Veel scholen hadden ervaring met het afnemen van vragenlijsten, en konden dit goed organiseren. Ze hebben voor de leerlingen tijd ingeroosterd om de vragenlijst in te vullen, bijvoorbeeld tijdens een

Trimbos-instituut

37

mentoruur. In sommige gevallen werd de afname begeleid door een docent, in andere gevallen was er een medewerker van de gemeente aanwezig. Via de GGD was er nazorg geregeld voor leerlingen die na het invullen van de vragenlijst (persoonlijke) vragen hadden. Hier is weinig gebruik van gemaakt. De tijd die nodig was om de vragenlijst in te vullen, verschilde per leerling en per schoolniveau. Op de lagere onderwijsniveaus hadden de leerlingen doorgaans meer moeite met het invullen van de vragenlijst. Daarnaast waren er tussen scholen verschillen in de ingeplande tijd. Op lagere schoolniveaus waren op sommige scholen twee lesuren ingepland voor het afnemen van de vragenlijst. Op een school voor speciaal onderwijs is het niet gelukt om de vragenlijst af te nemen, omdat de leerlingen niet de concentratie hadden om de hele vragenlijst in te vullen. In een andere gemeente is afname op speciaal onderwijs wel gelukt, omdat het invullen van de vragenlijst daar verspreid werd over meerdere dagen.

Stap 4: Terugkoppeling en dialoog (februari 2019-juli 2019)

In het kort: • De tevredenheid over de rapportage is wisselend: voor sommigen was het waardevolle input om het gesprek aan te gaan, anderen vonden het summier en misten de lokale interpretatie. • Op bijeenkomsten zijn de gemeenten met lokale partners in gesprek gegaan over de uitkomsten. • Gemeenten en lokale partners hebben op basis van de uitkomsten gezamenlijk prioriteiten gesteld voor het jeugdbeleid.

De gegevens die met de eerste ronde van de vragenlijsten zijn opgehaald, werden verwerkt door het ICSRA. Eind januari 2019 leverde het ICSRA rapporten met de resultaten op per gemeente en per school. In februari 2019 kwamen drie experts van het ICSRA naar Nederland om deze resultaten te bespreken in elke gemeente, samen met belangrijke partners. In de volgende paragrafen bespreken we de ervaringen van de gemeenten met de rapporten, de wijze waarop prioriteiten werden gesteld op basis van de resultaten, en hoe partners geactiveerd werden tot vervolgstappen. Rapportage De uitkomsten van de monitor werden door het ICSRA verwerkt tot rapporten op gemeenteen schoolniveau. In de rapporten staan aanbevelingen, diverse grafieken en (kruis)tabellen met de cijfers van de betreffende gemeente of school. Daarnaast zijn in elk rapport ook de uitkomsten van de andere gemeenten te zien, maar er is niet terug te leiden welk resultaat bij welke gemeente hoort. Er werd gerapporteerd over een deel van de vragen uit de vragenlijst. Belangrijke resultaten die gepresenteerd werden, gingen over middelengebruik, ouders, peergroep, school, vrije tijd en welzijnsindicatoren. In kruistabellen werd weergegeven in welke mate bepaalde indicatoren verschillen tussen verschillende groepen. Een aantal gemeenten was erg blij met de rapportage.

De uitsplitsing in de beschermende factoren hielp hen om de pijnpunten naar boven te krijgen. Een medewerker van een

38

Trimbos-instituut

gemeente zei: ‘Het rapport is een duidelijk praatpapier om de actuele situatie van de jeugd in de regio te laten zien.’ Daarnaast noemden gemeenten dat de kruistabellen goed zichtbaar maken waar aan gewerkt kan worden. Ook in de discussie met partners en ouders hielpen de kruisverbanden. Een medewerker van een gemeente zei hierover: ‘Als ouders zeggen: “als ik regels stel, gaat mijn kind juist meer drinken”, dan kunnen we in de kruisverbanden laten zien dat dit juist niet het geval is. Zo kun je argumenten weerleggen op basis van feiten en het gesprek gemakkelijker maken.’ Andere gemeenten, en met name onderzoekers van de gemeente of GGD, hadden meer verwacht van het rapport. Zo werd genoemd dat het rapport summier is, en dat de lokale interpretatie ontbreekt. De aanbevelingen waren voor alle gemeenten hetzelfde. Voor aanvullende analyses hebben de gemeenten in sommige gevallen de GGD ingeschakeld. Soms waren er interessante uitkomsten te vinden in variabelen die door het ICSRA niet gerapporteerd zijn. Verder werd genoemd dat het lastig was om de kruistabellen te begrijpen. Sommige gemeenten hadden meer kruistabellen gewild, omdat deze een waardevolle bijdrage konden leveren aan discussies. Bepalen van prioriteiten Alle deelnemende gemeenten hebben, in samenspraak met lokale partners en op basis van de resultaten, drie prioriteiten voor het preventiebeleid gekozen.

In elke gemeente had een van deze drie prioriteiten te maken met ouders, ouderbetrokkenheid of ouderparticipatie. Ook vrijetijdsbesteding werd overal gekozen. Daarnaast kwamen de volgende thema’s naar boven: welbevinden, school, preventie en handhaving, en bewustwording. De meeste gemeenten organiseerden vervolgbijeenkomsten om op interactieve wijze met de deelnemers prioritering aan te brengen op basis van de uitkomsten. Daarbij werd meestal gekozen voor stickeren, mindmaps, of andere manieren om de uitkomsten te prioriteren. Welke maatschappelijke partners bij deze bijeenkomst(en) aanwezig waren, verschilde per gemeente. Meestal waren welzijnsorganisaties, scholen, GGD’en, jeugdprofessionals, en een enkele keer burgers en/of jongerenorganisaties aanwezig. De inhoud en de resultaten van de vragenlijst, en daarmee de inhoud van de rapporten, waren bepalend voor de gekozen prioriteiten. Er was duidelijk waardering voor de kruistabellen (die het gesprek meteen een goede richting geven) en nieuwe en dus onbekende resultaten over de rol van ouders en vrije tijd. In de gegevens over middelengebruik en welbevinden werd vooral bevestigd wat al bekend was.

Stap 5: Beleidsvorming (augustus 2019 – december 2019)

In het kort: • Gemeenten hebben flink moeten investeren in de samenwerking met lokale partners. • Zodra lokale partners betrokken waren, verbeterde vaak de samenwerking. • De gemeenten hadden een regievoerende en faciliterende rol in het proces van interventieontwikkeling en beleidsvorming.

Trimbos-instituut

39

Na het bespreken van de resultaten van de monitor met lokale partners en na gezamenlijk doelen en prioriteiten te hebben bepaald, gingen gemeenten aan de slag met beleidsvorming en het selecteren en/of ontwikkelingen van interventies. In de volgende paragrafen bespreken we de ervaringen van de gemeenten met het activeren van lokale partners en de rolverdeling tussen gemeente en partners. Activeren Na het vaststellen van de prioriteiten op basis van de dataverzameling hebben de gemeenten de betrokken samenwerkingspartners aangezet om mee te denken over en mee te werken aan beleid en preventieactiviteiten. De manier waarop gemeenten in deze fase aan de samenwerkingsrelatie met lokale partners bouwden, was vrij generiek. De gemeenten organiseerden bijeenkomsten en gingen een-op-een met partners in gesprek. In de meeste gemeenten waren maatschappelijke partners betrokken of was de samenwerking met eerder betrokken partners geïntensiveerd, zoals: scholen, GGD, jongerenwerk, verslavingszorg, welzijnsinstelling, sport- en cultuurorganisaties, ouders, ziekenhuis en de politie. Ook werden diverse afdelingen binnen de gemeente betrokken, zoals Jeugd, Sport, Onderwijs, Sociaal domein en Handhaving. Om de partners samen te brengen en samen te laten werken, richtten de meeste gemeenten (soms voor elke gekozen prioriteit) een werkgroep of projectgroep op.

Daarnaast werden in breder verband allianties gesloten of werd er een lokaal preventieakkoord opgesteld waarmee de inzet van diverse partners bekrachtigd werd. Maar het samenbrengen ging niet vanzelf. ‘… je moet echt veel tijd investeren in netwerken, praten. Het is een kwestie van vertrouwen en enthousiasmeren. Je moet als gemeente echt wat doen om het op gang te krijgen’, aldus een geïnterviewde. Ook merkte een groot deel van de gemeenten dat de wijze waarop zij het traject presenteerden, een groot effect had op de betrokkenheid van partners. Veel gemeenten waren gestart met een duidelijke focus op het voorkomen van middelengebruik onder jongeren. Dit schrok sommige partners af. Met een focus op het geluk en welbevinden van jongeren werd vaak meer enthousiasme bemerkt bij partners. Een aantal gemeenten gaf aan dat de partners en de gemeente elkaar in het begin nog moesten leren kennen en zoekende waren op welke manier de samenwerking vorm kon krijgen. Een gemeente benoemde dat het belangrijk is dat er duidelijke afspraken gemaakt worden, zodat er geen wrijving van taken en belangen ontstaat tussen partners. Na verloop van tijd merkten de gemeenten dat veel van hun partners actief betrokken waren, meedachten met het traject en steeds vaker zelf met ideeën kwamen. Rolverdeling In de meeste gevallen zat een persoon vanuit de gemeente de werkgroepen voor.

In sommige gevallen was dit iemand van een GGD of van een andere partner van de gemeente. Een aantal gemeenten benoemde dat het belangrijk is dat de voorzitter vanuit de gemeente of een onafhankelijke organisatie komt. ‘Het plan ga je samen maken: hoe gaan we dat doen, waar richten we ons op, hoe gaan we doelen behalen? Het is belangrijk dat daar iemand bij is die onpartijdig is’, aldus een geïnterviewde. Een aantal gemeenten heeft in de subsidieverlening als voorwaarde opgenomen dat partners alleen subsidie ontvangen als hun activiteiten aansluiten bij de doelen van het IJslandse

40

Trimbos-instituut

model. Dit zorgde ervoor dat partners meer gemotiveerd waren en meedachten over het maatschappelijk belang van hun activiteiten. Bij partners voor wie deze voorwaarde niet gold, was er soms minder animo om dingen anders te gaan doen.

Stap 6: Uitvoering (januari 2020 – heden)

In het kort: • Gemeenten en hun partners hebben activiteiten opgezet op het gebied van ouderbetrokkenheid, vrijetijdsbesteding en welbevinden. • Gemeenten hebben diverse activiteiten georganiseerd om ouders te betrekken, maar het bleek lastig om ouders te bereiken en betrekken. • In alle gemeenten is er een divers aanbod van vrijetijdsactiviteiten opgezet, die over het algemeen goed werden bezocht en waar positief op gereageerd is. • In diverse gemeenten is er aandacht besteed aan welbevinden, met name via activiteiten op school. Deze activiteiten zijn echter nog minder goed ingebed dan de vrijetijdsactiviteiten..

Op basis van de monitorresultaten hebben de gemeenten samen met hun partners beleid gevormd en interventies geselecteerd en/of ontwikkeld. Vervolgens zijn de gemeenten en hun partners aan de slag gegaan met het uitvoeren van deze interventies en/of beleid. In de volgende paragrafen bespreken we de ervaringen van de gemeenten met het uitvoeren van activiteiten en interventies rondom ouderbetrokkenheid, vrijetijdsbesteding, welbevinden, school en communicatie. Uitvoering van beleid en interventies De activiteiten werden met name uitgevoerd door lokale partners van de gemeente, zoals jongerenwerk, scholen, GGD, organisatoren van vrijetijdsactiviteiten of welzijnsorganisaties. Ouderbetrokkenheid In de gemeenten zijn er diverse activiteiten georganiseerd om ouders meer te betrekken bij het leven van hun kind. Hieronder een greep uit de activiteiten die zijn opgezet: • opvoedcursussen georganiseerd vanuit de school over thema’s als grenzen stellen, alcohol en drugs, seksuele voorlichting en praten met pubers; • schriftelijke informatie voor ouders, in de vorm van een nieuwsbrief of brochure, met opvoedtips en informatie over het traject; • ouderbijeenkomsten of ouderavonden over onder andere het omgaan met middelengebruik. Soms in combinatie met theater waarin herkenbare situaties voor ouders met pubers werden uitgebeeld.

De resultaten van de monitor zijn vaak ook gedeeld en besproken op deze avonden; • besloten Facebookpagina voor ouders waarin informatie werd gedeeld en polls (een korte vraag) werden uitgezet.

Trimbos-instituut

41

Daarnaast staan er activiteiten op de planning die nog niet zijn uitgevoerd, zoals: • ouders van een klas bij elkaar brengen om samen op school te eten en informatie te delen, in plaats van een ouderavond; • huis-aan-huis verspreiden van een oudermagazine met ervaringsverhalen van ouders met kinderen in alle leeftijdsgroepen; • online campagne met video’s van lokale partners om uit te leggen met welke vragen ouders bij hen terechtkunnen; • ouders meer betrekken bij sportverenigingen. De gemeenten merkten dat het een uitdaging is om ouders te bereiken en betrekken. Zo werden ouderavonden niet altijd goed bezocht. Vanwege corona zijn er ook online ouderavonden georganiseerd. De ervaringen hiermee waren wisselend; in één gemeente was de opkomst laag, terwijl de opkomst in een aantal andere gemeente groter was dan normaal. In een aantal gemeenten is daarnaast actief input opgehaald bij ouders door hen te betrekken bij de projectgroep of via een ouderraad op school. Een aantal gemeenten gaf aan dat het hierbij lastig was om ouders op de langere termijn actief te laten meedenken. Vrijetijdsbesteding In alle zes de gemeenten zijn er vrijetijdsactiviteiten voor jongeren georganiseerd. Deze werden vaak opgezet in samenwerking met jongerenwerk, welzijnsorganisaties of andere aanbieders van activiteiten.

Bij de activiteiten was er aandacht voor de IJslandse randvoorwaarden, zoals een gezonde omgeving en professionele begeleiding. Hieronder een greep uit de activiteiten die zijn opgezet: • diverse sport-, muziek- en cultuuractiviteiten voor jongeren die gratis toegankelijk waren, ook in de schoolvakanties. In sommige gemeenten waren dit eenmalige activiteiten. In andere ging het om een blok van een aantal weken waarin jongeren iedere week dezelfde activiteit doen. In één gemeente organiseerde een groep jongeren als bijbaan bij de gemeente zelf activiteiten voor hun leeftijdgenoten; • klussendienst waarbij jongeren klussen deden in de groenvoorziening en beloond werden met een voucher voor sport- of cultuuractiviteiten; • een mobiel jeugdhonk in de vorm van een bus waar jongeren samenkwamen om activiteiten te ondernemen. De bus ging langs verschillende dorpen in de gemeente, zodat de activiteiten voor iedereen gemakkelijk toegankelijk waren; • online activiteiten zoals e-sports-toernooien en online escaperooms; • mogelijkheid voor jongeren om maatschappelijke diensttijd te vervullen.

Er is ook geïnvesteerd in randvoorwaarden voor vrijetijdsactiviteiten zoals: • het trainen van trainers bij sportverenigingen om te zorgen dat ze de juiste skills hebben om een goede en veilige sfeer in de jeugdteams te onderhouden; • heropening van een jongerencentrum waar jongerenwerkers de jeugd ontvangen; • het plaatsen van rolmodellen bij activiteiten zoals het mobiele jeugdhonk; • het verbeteren van zaken in de openbare ruimte, zoals een skatepark en mountainbikeroute. Een aantal gemeenten was bij jongeren nagegaan – bijvoorbeeld via een vragenlijst op school of via gesprekken van een jongerenwerker met jongeren op school – welke activiteiten ze graag zouden willen doen. Daardoor sloten de activiteiten goed aan bij de wensen van de jongeren.

42

Trimbos-instituut

Over het algemeen waren de reacties van jongeren en hun ouders op de activiteiten erg positief en was de opkomst goed. Veel gemeenten werkten met een website waarop jongeren zich voor de activiteiten konden aanmelden (zoals de website van Urk of Texel). Hierdoor kregen gemeenten een goed beeld van het aantal aanmeldingen en de populariteit van de verschillende activiteiten. Eén gemeente gaf aan dat het belangrijk is dat de personen die de activiteiten begeleiden een goede aansluiting kunnen vinden bij pubers en hun leefwereld. De activiteiten waarbij dit niet het geval was, werden minder goed bezocht. Een andere gemeente gaf aan dat het lastig was om de jongeren in kleine dorpen te bereiken met de activiteiten. Welbevinden De gemeenten werkten op diverse manieren aan het verbeteren van het welbevinden van jongeren. Een aantal voorbeelden daarvan: • Er is een interventie voor jongeren ontwikkeld door de GGD en uitgevoerd op scholen, gericht op het welbevinden van jongeren (Je brein de Baas?!). Deze interventie bestond uit een aantal lessen over het omgaan met je puberbrein in een crisis, gericht op de coronapandemie. Er wordt gekeken of deze interventie met een meer algemene insteek ook na de coronapandemie geïmplementeerd kan worden.

• Er is door één gemeente budget voor mentale gezondheid beschikbaar gesteld, waar jongeren zelf een beroep op konden doen (bijvoorbeeld voor huiswerkbegeleiding, coachgesprekken et cetera). • In het beleid van de scholen was er een focus gelegd op welbevinden. • Er is een lokale campagne uitgezet om jongeren duidelijk te maken wie ze kunnen inschakelen wanneer ze hulp nodig hebben, om zo jongerenwerk en het sociaal team onder de aandacht te brengen. Op die manier werd duidelijk bij wie jongeren terechtkunnen als ze ergens over willen praten. School De gemeenten betrokken de scholen op verschillende manieren bij de implementatie van het IJslandse preventiemodel. Hieronder een aantal voorbeelden van de samenwerking met scholen: • Scholen zijn gestimuleerd om aan de slag te gaan met de Gezonde School, met name op het thema welbevinden. • Voor het Gezonde School-aanbod vanuit de GGD is er extra subsidie beschikbaar gesteld. • Het maatschappelijk werk op school is uitgebreid. • Op een van de scholen is er een chillplek gerealiseerd voor brugklassers, van waaruit een jongerencoach activiteiten organiseerde voor en met de jongeren. • Er zijn weerbaarheidstraining en preventielessen op scholen georganiseerd. Communicatie De meeste gemeenten hebben een eigen logo met een eigen huisstijl ontwikkeld om alle activiteiten rond het traject in hun gemeente uit te dragen.

Met jongeren werd er vaak via online platforms gecommuniceerd, zoals via een Instagramaccount of een website. Hierop werden activiteiten gedeeld, maar er werd ook input opgehaald van de jongeren, bijvoorbeeld via polls op Instagram Stories. Een gemeente gaf aan dat ze voor ouders een andere communicatiestrategie hadden dan voor jongeren, omdat deze doelgroepen op een andere manier bereikt kunnen worden. Ouders werden bijvoorbeeld via (een andere) website of via lokale media bereikt. Trimbos-instituut

43

Stap 7: Monitoring (mei 2020 – december 2020)

In het kort: • De tweede meting is minder soepel verlopen dan de eerste vanwege verschillende versies, ICT-problemen en de coronapandemie. • Gemeenten willen graag dat de volgende dataverzameling door de GGD wordt uitgevoerd, en anticiperen daarop.

In het najaar van 2020 vond in de zes deelnemende gemeenten de tweede ronde plaats van de dataverzameling in het kader van het IJslandse model. Net als in 2018 is de IJslandse vragenlijst (vertaald naar het Nederlands) afgenomen onder zoveel mogelijk 15- en 16-jarige jongeren uit de deelnemende gemeenten. Samen met de GGD en de scholen hebben de gemeenten de dataverzameling voorbereid. In de volgende paragrafen beschrijven we de ervaringen van de gemeenten met het proces van monitoring door de IJslandse onderzoekers gedurende deze tweede ronde. Voorbereiding en afname van de vragenlijsten De meeste gemeenten waren tevreden over de voorbereiding van de tweede monitor. Ook de uitvoering op de scholen liep in de meeste gevallen goed. Wel merkten de gemeenten dat corona invloed had op de respons. Door de coronamaatregelen was het voor de meeste gemeenten niet mogelijk om op school aanwezig te zijn bij de afname van de vragenlijsten. Verder hadden docenten andere prioriteiten, en moest een aantal leerlingen de vragenlijst thuis invullen, waardoor de respons in deze gevallen lager was dan gehoopt. In een van de gemeenten liet de ICT de onderzoekers volledig in de steek, waardoor de resultaten niet volledig waren. Andere technische problemen werden in vrijwel alle gevallen opgelost, en de desbetreffende gemeenten waren positief over de reactiviteit van de IJslandse onderzoekers.

In sommige regio’s was vanwege de deelname van speciaal onderwijs de begeleiding tijdsintensief. Meerdere gemeenten gaven te kennen behoefte te hebben aan een draaiboek, waarin zaken beschreven staan als: hoe komen de vragenlijsten in de klas, wat zijn de acties zodra de resultaten er zijn, hoe zijn de taken verdeeld? Er werd bij de tweede meting door de IJslandse onderzoekers meer flexibiliteit in de vragenlijst geboden: zo waren er vaste en facultatieve onderdelen, en werd er een lange en een korte versie (bedoeld voor jongeren in thuisonderwijs door corona) aangeboden. De meeste gemeenten hebben samen met een medewerker van de GGD bekeken welke facultatieve vragen er in de vragenlijst opgenomen moesten worden. De vragenlijst werd, ondanks het flexibele gedeelte, (wederom) te lang bevonden. Ook waren de vragen niet altijd goed te begrijpen, met name voor leerlingen op lagere onderwijsniveaus. Rapportage, presentatie en bespreking De rapportage van de tweede meting bestond uit een powerpoint met resultaten. De grote meerderheid van de gemeenten was niet tevreden over het rapport; de duiding van de resultaten en aanbevelingen die in het eerste rapport werden gegeven, ontbraken. Ook werd het inconsistent gevonden dat er vergelijkingen met de andere gemeenten in stonden, terwijl de boodschap eerder was om zichzelf alleen met de eigen eerdere meting te vergelijken.

44

Trimbos-instituut

Doordat sommige vragen in de tweede meting net anders werden gesteld, was het ook lastig om resultaten te vergelijken met de eerste meting. Voordat de gemeenten de resultaten met hun lokale partners bespraken, vond er een sessie plaats met de IJslandse onderzoekers om de algemene resultaten te bespreken en per regio een korte toelichting te geven. Een deel van de gemeente vond het fijn het algemene verhaal van de IJslanders weer eens te horen. Wel vond de meerderheid dat het een te algemene bijeenkomst was, met weinig duiding en geen tot weinig concrete adviezen. Ten tijde van de interviews voor dit evaluatierapport hadden enkele gemeenten de resultaten (online) met hun lokale partners besproken. Sommige gemeenten zijn ook een-op-een in gesprek gegaan met partners. De duiding van de tweede rapportage was lastiger vanwege de coronacrisis. Het bleek moeilijker om te verklaren in hoeverre de verschillen met de vorige meting beïnvloed werden door de coronacrisis, of door andere factoren. De resultaten van de rapportage stemden over het algemeen positief: volgens de deelnemers kwamen hierdoor ook nu weer onderwerpen op de agenda die te maken hebben met de omstandigheden waarin jongeren opgroeien, en ontstond er meer draagvlak voor acties.

Genoemd werden bijvoorbeeld onderwerpen als het lidmaatschap van sportverenigingen waar gedronken wordt door minderjarigen, verbetermogelijkheden voor vrijetijdsbesteding van jongeren, en welbevinden. Eén gemeente noemde dat er dankzij de resultaten van de vragenlijst een grote impuls was gegeven aan het wijkgericht werken.

Samenwerking met lokale partners

In het kort: • Zodra lokale partners betrokken waren, verbeterde vaak de samenwerking en waren zij actief betrokken. • Het contact met de school was over het algemeen intensiever ten opzichte van de periode voordat er met het model werd gewerkt. • Gemeenten en lokale partijen wisten elkaar makkelijker te vinden.

Het samenwerken met lokale partners is een belangrijk onderdeel van het IJslandse preventiemodel. In deze paragraaf beschrijven we hoe de gemeenten de samenwerking met de lokale partners oppakten, hoe deze is verlopen, welke rol de gemeenten op zich namen binnen deze samenwerking, en welke knelpunten hierin werden ervaren. De deelnemende gemeenten gaven aan dat, met de implementatie van het IJslandse preventiemodel, de samenwerking met lokale ketenpartners op het gebied van jeugd en preventie is verbeterd. De gemeenten hebben samenwerkingen opgezet met partners met wie ze eerder niet samenwerkten. ‘We kunnen elkaar makkelijker vinden en de partijen onderling kunnen elkaar ook makkelijker vinden. Dat is heel leuk om te zien,’ aldus een geïnterviewde.

Trimbos-instituut

45

Ook waren er nieuwe partijen die zelf naar de gemeente kwamen omdat ze enthousiast waren over het model. Hiermee sloot het model goed aan bij de ambitie die veel gemeenten hebben om meer integraal te werken. Eén gemeente benoemde dat de versterkte samenwerking met scholen ook zeer helpend is geweest tijdens de coronacrisis: ‘De scholen en de gemeente waren nooit zo intensief bij elkaar betrokken geweest als we niet met het model aan het werk waren. We hebben elkaars cultuur leren kennen.’ Dit gold ook voor de samenwerking met sport- en cultuurorganisaties. De gemeenten lieten weten dat deze partijen erg enthousiast waren en graag meedachten omdat er voor hen een podium ontstond voor het organiseren van interventies. Sommige gemeenten stelden dat zij en de aanbieders voorheen vooral los van elkaar opereerden. De gemeente was dan vooral opdrachtgever, en de aanbieders voerden uit. Nu gingen zij samen in gesprek over de cijfers, de kerndoelen en de benodigde interventies, en was de gemeente meer inhoudelijk betrokken. Communicatie met samenwerkingspartners De gemeenten communiceerden met lokale partners via aparte bijeenkomsten, een nieuwsbrief, een website of via sociale media. Daarnaast waren de lokale partners in sommige gemeenten onderdeel van de projectgroep of een van de werkgroepen.

De structurele communicatie, met in veel gemeenten een vast aanspreekpunt, droeg volgens sommige gemeenten bij aan het verbeterde contact onderling. ‘Er is meer structuur gekomen in de communicatie met partners. We hebben jongerenwerk, cultuur, sport en scholen nu eens in het kwartaal structureel aan tafel’, aldus een geïnterviewde. Waardoor liep de samenwerking beter? Dat de samenwerking met partijen beter liep dan voorheen, had volgens de gemeenten verschillende oorzaken. Een aantal gemeenten benoemde dat minimaal één persoon binnen de gemeente zich op dat moment actief bezighield met het verbinden van partijen, het plannen van afspraken en het delen van ontwikkelingen. Hierdoor kon de gemeente beter sturen op samenwerking. Daarnaast noemde een deel van de gemeenten de kracht van het IJslandse verhaal als reden voor de betere samenwerking. Het succes uit IJsland en de wetenschappelijke onderbouwing van het model maakten dat veel lokale partners enthousiast waren om mee te werken. Verder noemden enkele gemeenten dat het kracht geeft aan de samenwerking als je vertrekt vanuit het bespreken van de cijfers en het benoemen van de kerndoelen. Hiermee ontstaat er een gevoel van urgentie bij de doelen waar de aanpak op gericht is. Volgens één gemeente hielp het hierbij dat de aanpak niet te breed was, maar specifiek gericht was op enkele thema’s rondom jeugd.

Rol van gemeenten in samenwerking met lokale partners De gemeenten waren de kartrekker en regievoerder in het traject. Zij waren actief bezig met het betrekken van partners, het stimuleren van interventies en het blijven benadrukken van de IJslandse boodschap. De projectleider moest hiervoor een proactieve houding aannemen. Een afwachtende houding kan ervoor zorgen dat partners afhaken, zo bleek bij een van de gemeenten. Volgens de gemeenten was het belangrijk om het project te verbinden aan landelijke en bestuurlijke ontwikkelingen. Ook was het belangrijk om intern draagvlak te creëren, onder meer door andere collega’s binnen de gemeente te laten aanhaken. Hoewel

46

Trimbos-instituut

gemeenten en partners samen optrokken, gaven de meeste gemeenten aan dat ze het organiseren van activiteiten en interventies overlieten aan partners. De gemeente speelde hier meer een faciliterende rol in en zorgde dat er budget beschikbaar was voor de uitvoerende organisaties. Uitdagingen in de samenwerking Hoewel gemeenten over het algemeen positief waren over de samenwerking met lokale partners, verliep dit niet altijd even soepel. De aanjagersrol was voor een aantal projectleiders, die een achtergrond hadden als beleidsmaker, niet vanzelfsprekend, waardoor dit soms veel energie en tijd kostte. ‘De gemeente had altijd regie op afstand. Nu moet zij de regie meer naar zich toe trekken. Dat is een cultuuromslag’, aldus een van de geïnterviewden. Daarnaast hadden veel gemeenten te maken met enkele lokale partijen die weerstand toonden gedurende het traject. Ook kon er wrijving ontstaan doordat lokale partners in een project- of werkgroep verschillende belangen hadden, waardoor zij het niet eens konden worden over de aanpak. Veel gemeenten gaven aan dat het belangrijk is dat er binnen de gemeenten voldoende mankracht beschikbaar is om hier tijd en energie in te steken. Ten slotte werd genoemd dat zowel op uitvoerend als bestuurlijk niveau de randvoorwaarden van het IJslandse preventiemodel soms ontbraken.

Interventies werden door lokale partners snel onder de noemer van het model geplaatst, terwijl dit soms niet helemaal passend was. Het was een uitdaging om de betrokkenen hier bewust van te maken. Bestuurlijk draagvlak De bestuurlijke commitment van de gemeenteraad en wethouders verschilde per gemeente. De meeste gemeenten stelden dat de bestuurlijke commitment aan het eind van het leertraject nog steeds aanwezig was of zelfs was toegenomen. In sommige gemeenten was het model echt een begrip, en waren betrokkenen erg enthousiast over hoe het paste binnen preventief jeugdbeleid. Enkele gemeenten gaven aan dat op bestuurlijk niveau niet altijd iedereen meeging. Het langetermijnperspectief maakte het lastig, en er werd soms snel resultaat verwacht. Het was dan ook belangrijk om te blijven herhalen dat het om een traject gaat dat zich richt op de lange termijn. In veel gemeenten was de aanpak al geborgd in een beleidsnota, meerjarenplan of preventieakkoord.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10607100/1