Voorontwerp Bp Ruimtekwartier - Toelichting-20220815.pdf
Tekst van het document
4.3.3 Kantoren Blijkens de provinciale Omgevingsvisie moet overtollige plancapaciteit worden gereduceerd. Daarna zet de provincie in op vernieuwing van verouderde kantoren op courante locaties en op de herontwikkeling en transformatie van kantoorgebieden met problematische leegstand. Het plangebied ligt in een gebied aangeduid als ''Reductielocaties''. In gevolge artikel 9.17 van de Omgevingsverordening mag voorliggend bestemmingsplan de verplaatsing van plancapaciteit voor zelfstandige kantoren toelaten. Hiervan is echter geen sprake omdat er geen verplaatsing van kantoorvolume is voorzien. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe zelfstandige kantoren mogelijk, maar voorziet in een transformatie van de kantoren naar woningbouw. Dit sluit aan op het beleid in de Omgevingsvisie, artikel 9.17 onder 1c waar het gaat over transformatie. De huidige plancapaciteit aan brutovloeroppervlakte voor zelfstandige kantoren komt te vervallen. Wel wordt de realisatie van publieke en maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt. De beweegreden hiertoe is opgenomen in paragraaf 3.3.2 Voorzieningen van deze toelichting. Inpassingsplan Kantoren Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben een ‘Inpassingsplan Kantoren’ (provinciaal bestemmingsplan) in procedure gebracht.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de uitvoering van het regulerende spoor van de Provinciale Aanpak Kantorenleegstand (PAK). Dit spoor is gericht op reductie van in bestemmingsplannen en beheersverordeningen opgenomen planologische overcapaciteit van bestemmingen die voorzien in nieuwbouw van zelfstandige kantoren (onbenutte bouwtitels). In de Thematische Structuurvisie Kantoren 2016-2027 (TSK) is op basis van het Kantorenmarktonderzoek 2015 per kantorenlocatie beschreven wat de behoefte is aan ten opzichte van de bestaande
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
27 - 56
voorraad toe te voegen kantoorruimte tot en met 2027. Zoals in de TSK is aangegeven, zal o.a. een inpassingsplan worden vastgesteld voor onbebouwde percelen met onbenutte bouwtitels in Locatie 12: Stichtse Vecht - Planetenbaan & Het Kwadrant. Het planvoornemen is in overeenstemming met het provinciaal kantorenbeleid.
4.3.4 Ladder duurzame verstedelijking Bij de beoordeling of de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet eerst nagegaan worden of er met de gebiedsontwikkeling Planetenbaan sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Met het bestemmingsplan wordt een stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt, namelijk woningbouw. Het planvoornemen betreft de transformatie van een werkgebied (kantoren en bedrijven) naar een woongebied met voorzieningen en wordt derhalve aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. In het provinciaal programma wonen en werken (realisatiedeel) worden woningbouwontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nieuwe woningbouwontwikkelingen moeten passen in dit provinciale programma. Voor de gemeente Stichtse Vecht zijn in dit programma de volgende cijfers opgenomen: 2020-2024 2025-2029 Totaal Binnenstedelijk Uitleg Totaal Binnenstedelijk Uitleg Totaal 3.244 44 3.288 783 0 783 4.071 De woningaantallen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, passen binnen het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken. Gemeente Stichtse Vecht zet in haar “Actualisatie Woonvisie 2017 – 2022” in op een nieuwbouwprogramma van minimaal 30% sociale huurwoningen. Ten aanzien van betaalbare koop- en middenhuurwoningen moet worden aangesloten bij de behoefte in de betreffende kern.
Ook wil de gemeente het woningaanbod voor mensen met een zorgvraag uitbreiden. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het combineren van wonen en zorg. Gezien de omvang van de totale ontwikkeling op de Planetenbaan wordt gestreefd naar een gedifferentiëerd aanbod zodat de verschillende woonvormen voor alle inkomensgroepen bereikbaar zijn en de bevolking gemêleerd is. Voorts is in het door de gemeenteraad vastgestelde Stedenbouwkundig kader een motivering opgenomen van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte in de gemeente en in het Ruimtekwartier. De specifieke randvoorwaarden zijn in dit bestemmingsplan opgenomen in paragraaf 3.3. Betekenis voor het bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan een gewijzigd programma toe, namelijk woningen en (beperkte) voorzieningen ten opzichte van werken. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is de Ladder van toepassing voor het bestemmingsplan. Met de realisatie van de circa 1830-1840 woningen in het Ruimtekwartier wordt voorzien in een kwantitatieve woningbehoefte zoals die ook in het provinciaal programma wonen en werken (realisatiedeel) is opgenomen.
Tevens wordt met dit plan een bijdrage geleverd aan de kwalitatieve woningbehoefte zoals die in de Actualisatie Woonvisie 2017 – 2022” en het Stedenbouwkundig kader zijn gemotiveerd.
4.4 Regionaal beleid U16 Het provinciaal programma wonen en werken geeft aan (in par 4.1) dat het totale realisatiedeel van het programma (63.176 woningen) zo'n 64 % van de onderkant van de bandbreedte (99.200 woningen)omvat . Dat betekent dat er minimaal nog voor zo'n 36.000 woningen aan plannen in de komende jaren zal moeten toegevoegd aan het realisatiedeel. Nog eens 26.000 woningen zijn nodig om aan de bovenkant van de bandbreedte te komen en daarmee ook het huidige tekort geheel in te lopen. In de regio U16 als geheel zijn in het realisatiedeel circa 1.400 woningen op uitbreidingslocaties opgenomen, dat is ca. 2 % van het realisatiedeel van het programma.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
28 - 56
4.5 Gemeentelijk beleid Het belangrijkste document dat van toepassing is voor de gebiedsontwikkeling Planetenbaan is het door de gemeenteraad vastgestelde document 'Planetenbaan en Het Kwadrant Maarssenbroek. Stedenbouwkundig kader & randvoorwaarden, november 2019', alsmede de bij de vaststelling vastgestelde amendementen. In dit stedenbouwkundig kader zijn reeds de relevante beleidsvoornemens van de gemeente beschreven. In principe betekent dit dat een uitvoerige beschrijving van het gemeentelijk beleid in deze toelichting achterwege kan blijven, omdat met dit bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan het genoemde stedenbouwkundig kader.
4.5.1 Omgevingsvisie Stichtse Vecht De hoofdlijnen van het gemeentelijke beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de omgevingsvisie Stichtse Vecht. Om het beleid verder uit te werken heeft Stichtse Vecht zeven thema's opgesteld: 1. Gezondheid voor iedereen; 2. Ruimte voor de verstedelijkingsopgaven 3. Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio; 4. Prettig wonen in de kernen; 5. Ruimte voor recreatie; 6. Toekomstbestendig vitaal platteland 7. Werken aan klimaatverandering. Voor het planvoornemen is niet elk thema van toepassing. Alle thema's die van toepassing zijn worden hieronder behandeld. 4.5.1.1 Ruimte voor de verstedelijkingsopgaven Samengevat zijn de volgende zaken van belang voor de ontwikkeling van de Planetenbaan: Grote aantallen woningen bouwen voor de eigen bevolking en de regio tot 2030; Ontwikkelen/uitvoeren plannen nabij OV-knooppunt 1. Op termijn: hoogwaardig woon- en werkmilieu direct rondom OV-knooppunt; 2. Op lange termijn: kansen voor een grote woningbouwlocatie. a. Waarbij eerst goed onderzoek gedaan moet worden. bedrijven goede vestigingslocaties bieden door: 1. Ruimte voor kleine ondernemers om te ondernemen aan huis, zowel in kernen als buitengebied.
De transformatie van Planetenbaan past bij de strategische positie van de locatie en het voornemen om goede vestigingslocaties te bieden aan kleine ondernemers om te ondernemen aan huis (zie paragraaf 4.5.1.1 Ruimte voor de verstedelijkingsopgaven). Bij het mogelijk maken van deze voorzieningen is evenwel geen sprake van een toename van de huidige plancapaciteit aan kantoren. Ondanks het accent op woningbouw bij de transformatie, is een inpassing van voorzieningen essentieel voor de toekomstwaarde van het gebied. Veel kleine innovatieve ondernemers zijn bijvoorbeeld op zoek naar kantoorruimte en werkplekken. Vanuit sociale veiligheid en levendigheid van het gebied is het gewenst om functies op de begane grond in de plint toe te voegen. Deze worden derhalve ook planologisch mogelijk gemaakt in voorliggend bestemmingsplan. De gemeente kiest voor concentratie en clustering van winkels in centrumgebieden. In de nabijheid van het plangebied liggen twee supermarkten en ook winkelcentrum Bisonspoor is goed bereikbaar. Sommige detailhandelsfuncties kunnen echter een aanvulling zijn in het gebied. Kleinschalige detailhandelsfuncties zijn een goede aanvulling binnen het plangebied zijn en worden daarom in beperkte mate gefaciliteerd (zie ook paragraaf 3.3.2).
4.5.1.2 Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio Samengevat zijn de volgende zaken van belang voor de ontwikkeling van de Planetenbaan: Inzetten op duurzaam, schoon en informatie-intensief vervoer. Bezoekers via Groene Poorten over laten stappen op schone duurzame en stille vervoersvormen Lokaal en recreatief fietsgebruik stimuleren met fijnmazig en compleet routenetwerk. Herbezinning op wegontwerp waarbij langzaam verkeer belangrijker wordt.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
29 - 56
Het gebruik van de stations intensiveren en zorgen voor een doelmatig OV-netwerk. Bedrijventerreinen en werklocaties zijn goed bereikbaar met zowel het OV als de auto. De onderbouwing van het onderdeel mobiliteit is opgenomen in paragraaf 3.4 en paragraaf 5.9. 4.5.1.3 Prettig wonen in de kernen Samengevat zijn de volgende zaken van belang voor de ontwikkeling van de Planetenbaan: De eigen identiteit van elke kern wordt behouden. Nieuwe initiatieven dragen bij aan de identiteit. De samenleving ruimte bieden voor ontmoeting en eigen initiatief. Er wordt gezorgd voor een volledig voorzieningennetwerk, waarbij de voorzieningen zo goed mogelijk bereikbaar zijn voor iedereen. Er wordt ruimte geboden aan werken in de kernen. Er wordt ingezet op groen in en rondom de kernen. De inrichting van de openbare ruimte en de gebouwde omgeving kan bijdragen aan een gezonde leefstijl van de toekomstige bewoners van het plangebied. Aantrekkelijke langzaam verkeersroutes nodigen uit tot beweging. Door autoparkeerplaatsen te clusteren en onder een verhoogd maaiveld te plaatsen is er meer ruimte voor deze verbindingen en een groene omgeving. 4.5.1.4 Werken aan klimaatverandering Samengevat zijn de volgende zaken van belang voor de ontwikkeling van de Planetenbaan: Klimaatadaptatie Bewustwording van de ruimtelijke impact van reageren op de klimaatverandering. Meer ruimte voor groen en water t.b.v.
verkoeling, water vasthouden en bergen. Robuust en toekomstbestendig bodem- en watersysteem. Klimaatmitigatie Klimaatbestendiger Stichtse Vecht door slim ruimtegebruik,duurzame mobiliteit, minder veenoxidatie, energiebesparing, warmtetransitie (aardgasvrij) en de opwek van zonne-energie. Er wordt binnen Stichtse Vecht minimaal 0,1 TWh duurzame energie opgewekt voor 2030 en minimaal 021 TWH voor 2040. De focus ligt in de nabije toekomst op zonne-energie. Groen is een belangrijk middel om een prettige en duurzame gebruiksruimte te realiseren en om de klimaatbestendigheid te vergroten. Bomen geven luwte,schaduw en koelte waardoor de buitenruimte niet snel te veel opwarmt (hittestress) of dat er tocht is. Dak- en gevelgroen kan ook bijdragen aan de isolatie van gebouwen, wat de energievraag reduceert. Een groene inrichting draagt bij aan de natuurbeleving. Nieuwe beplanting kan bijdragen aan de ecologische waarde (biodiversiteit) van de bestaande flora en fauna. De omvang van de herontwikkeling van Planetenbaan maakt een integrale aanpak van de energievoorziening relevant. Een gezamenlijke aanpak kan resulteren in een grotere efficiëntie.
De energievoorziening is duurzaam en maakt zoveel mogelijk gebruik van energiebronnen in de directe omgeving, bijvoorbeeld door de toepassing van WKO’s, al dan niet gekoppeld tussen verschillende gebruikers, of thermische energie uit het oppervlaktewater uit het Amsterdam Rijnkanaal. Planspecifiek Duurzaamheid wordt in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken en wordt in alle fasen meegenomen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Op deelgebiedsniveau wordt getoetst of zij voldoende maatregelen hebben getroffen ten behoeve van een duurzame en meer klimaatneutrale leefomgeving. De specifieke doelen voor Planetenbaan zoals die zijn verwoord in het Stedenbouwkundig Kader zijn opgenomen in paragraaf 3.5. Er wordt voor het gehele gebied een energievisie opgesteld.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
30 - 56
4.5.2 Wonen De “Actualisatie Woonvisie 2017 – 2022” (Companen juli 2019 ) is gestoeld op de cijfers uit het regionale woningbehoefteonderzoek van eind 2018. Dit documenten is door de gemeenteraad vastgesteld en daarmee randvoorwaardenstellend voor het bestemmingsplan. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen die van belang zijn voor de Planetenbaan zijn: 1. De gemeente Stichtse Vecht heeft een belangrijke functie voor de lokale en regionale markt. Huishoudens vinden hier vanuit Utrecht een betaalbare huur- of koopwoning. Keuzes die Stichtse Vecht maakt hangen nauw samen met keuzes die de gemeente Utrecht maakt en vice versa. Bijvoorbeeld herstructurering in Utrecht zal de druk op de woningmarkt in Stichtse Vecht vergroten. Onderlinge afstemming van woonbeleid is dan ook van belang. 2. De gemeente Stichtse Vecht kenmerkt zich door diversiteit in de bevolkingssamenstelling.Naast veel gezinnen, is het aandeel van 1- en 2 persoons huishoudens onder de 65 jaar en boven de 65 jaar ongeveer gelijk. De komende jaren zal het aantal gezinnen echter niet veel meer groeien. Daarentegen neemt het aandeel 65+ huishoudens de komende jaren steeds meer toe. Vooral het aantal oudere ouderen (75-plussers) groeit met ruim 50%. De toevoeging van appartementen in de huur en koop lijkt dan ook gewenst om de doorstroming van deze groepen te bevorderen. 3.
De woningmarkt in zowel de huur- als koopsector staat in Stichtse Vecht sterk onder druk. Toevoegingen zijn in alle segmenten nodig om de keuzemogelijkheden van woningzoekenden te vergroten. 4. Het inkomensniveau van de gemeente Stichtse Vecht ligt hoger dan het regionaal gemiddelde. Dit zien we ook terug in de samenstelling van de woningvoorraad. Het aandeel sociale huurwoningen ligt dan ook onder het regionaal gemiddelde. Desondanks loopt de druk op de sociale huur in de gemeente al enkele jaren sterk op. Toevoeging in dit segment is noodzakelijk om de druk te verlagen. Ook het toevoegen van ruime en betaalbare woningen in het middensegment (huur en koop) is wenselijk om de doorstroming van scheefwoners in de sociale huur te bevorderen. In de Woonvisie zet de gemeente Stichtse Vecht in op een nieuwbouwprogramma van minimaal 30% sociale huurwoningen. Ten aanzien van betaalbare koop- en middenhuurwoningen moet worden aangesloten bij de behoefte in de betreffende kern. De komende jaren wil de gemeente het woningaanbod voor mensen met een zorgvraag in de gemeente uitbreiden. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het combineren van wonen en zorg.
Gezien de omvang van de totale ontwikkeling op de Planetenbaan wordt gestreefd naar een gedifferentiëerd aanbod zodat de verschillende woonvormen voor alle inkomensgroepen bereikbaar zijn en de bevolking gemêleerd is. In 2021 is de Huisvestingsopgave wonen met zorg en welzijn (Companen 08-09-2021) opgesteld. Dit document is niet door de gemeenteraad vastgesteld en kan derhalve worden gezien als aanbeveling aan marktpartijen. Het programma dat in de Planetenbaan wordt gerealiseerd is echter vastgelegd, voorafgaand aan dit document Huisvestingsopgave wonen met zorg en welzijn en daarmee is deze niet randvoorwaardenstellend voor het bestemmingsplan. Planspecifiek Voor de gebiedsontwikkeling Planetenbaan is het door de gemeenteraad vastgestelde Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden van toepassing. In dit kader staan randvoorwaarden voor het woningbouwprogramma, waarmee concreet invulling wordt gegeven aan de Actualisatie Woonvisie. De specifieke aspecten met betrekking tot het woningbouwprogramma zijn opgenomen in paragraaf 3.3.
4.5.3 Economie In de afgelopen 10 jaar is de leegstand in de kantoorgebouwen aan de Planetenbaan dramatisch toegenomen naar uiteindelijk 70% van de aanwezige kantoorcapaciteit. Om de verpaupering van het kantorengebied tegen te gaan en tegelijkertijd te voorzien in de toegenomen vraag naar woningen, heeft de gemeente in 2016 een “kansenkaart” vastgesteld om de eigenaren te stimuleren om na te denken over een transitie van een monofunctionele kantorenlocatie naar een gemengde woon-werklocatie. Dit heeft concreet gestalte gekregen met het door de gemeenteraad vastgestelde Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden (2019). Het retailbeleid van de gemeente kiest voor concentratie en clustering van food en non-food winkels in centrumgebieden.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
31 - 56
In de nabijheid van de Planetenbaan liggen twee supermarkten en ook winkelcentrum Bisonspoor is goed bereikbaar. De voorzieningen die in het plangebied worden toegestaan hebben een lokale (niet-gebiedsoverstijgende) functie en vormen geen concurrentie voor retailvestigingen in de centrumgebieden.
4.5.4 Mobiliteit 4.5.4.1 Verkeer De hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid ten aanzien van het verkeer zijn opgenomen in het GVVP Stichtse Vecht 2015. Samengevat zijn de volgende zaken van belang voor de gebiedsontwikkeling: Inzetten op mobiliteits- en verkeersmanagement; Op de gebiedsontsluitingswegen staat de doorstroming centraal, rekening houdend met de leefbaarheid. Er wordt gezocht naar een evenwicht tussen doorstroming, leefbaarheid en verkeersveiligheid. Op de erftoegangswegen staat de leefbaarheid centraal, rekening houdend met de bereikbaarheid voor met name hulpverleningsvoertuigen; Een duurzaam alternatief voor de auto is de fiets. Het fietsgebruik wordt gestimuleerd en gefaciliteerd; Een samenhangend fietsnetwerk is belangrijk, waarbij de hoofdfietsroutes worden onderverdeeld in routes met een verbindende functie en routes met een ontsluitende functie; Binnen het plangebied betekent dit verbindende routes die aansluiten op een hoofdfietsroute naar het station. In het coalitieakkoord 2018-2022 geeft het bevoegd gezag aan dat één van doelstellingen op het gebied van mobiliteit is om de doorstroming van het verkeer te verbeteren.
Het toevoegen van woningen en andere functies in het plangebied is van invloed op het aantal verkeersbewegingen en kan daarom alleen als ook zorgvuldig naar de doorstroming op het bestaande verkeersnet en verkeersveilige oplossingen wordt gekeken. De bovenstaande beleidsuitgangspunten hebben een vertaling gekregen in diverse specifieke mobiliteitsonderzoeken en nadien is dit onderwerp ook uitvoerig behandeld in het Milieueffectrapport. De inhoud en conclusies van deze onderzoeken zijn opgenomen in paragraaf 5.9 Mobiliteit. De planspecifieke beschrijving van de mobiliteit Planetenbaan is opgenomen in paragraaf 3.4. 4.5.4.2 Parkeren Het plangebied ligt volgens de omschrijving van het GVVP in een "sterk stedelijk" gebied en valt onder rest bebouwde kom. Gezien het unieke karakter van de transformatie en de toekomstige doelgroepen is onderzocht op welke wijze de parkeernormen uit het GVVP Stichtse Vecht 2015 moeten worden toegepast en/of dat er maatwerk mogelijk is. Ook wil de gemeente meer inzetten op verbetering van de fietsroutes, openbaar vervoer en andere mobiliteitsconcepten. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van het Stedenbouwkundig Kader & randvoorwaarden en daarin opgenomen in Bijlage C (Arcadis, Notitie Parkeernormen transformatieproject Planetenbaan en het Kwadrant, Gemeente Stichtse Vecht, 7 december 2018).
De conclusie van dit onderzoek luidt dat er maatwerknormen kunnen worden toegepast. Deze normen zijn opgenomen in paragraaf 3.4 Mobiliteit.
4.5.5 Kwaliteit leefomgeving (amendementen) In de vergadering van de gemeenteraad Stichtse Vecht bijeen op 2 juni 2020 is het volgende besloten. 4.5.5.1 Amendement GL SBK Planetenbaan Gezond Leefklimaat Als sub beslispunt in het raadsbesluit onder 1. op te nemen en daarmee onder het kopje "Geluid " (deel B, p33, GO p14) toe te voegen aan de voorgestelde Eisen: • Maatregelen of voorzieningen te treffen op of rond het plangebied om de geluidsbelasting in het gehele plangebied te verminderen, en daarmee te zorgen voor een gezond woon- en leefklimaat - tenminste op maaiveldniveau. Toelichting: De Planetenbaan en het Kwadrant zullen binnenkort bebouwd worden met 1500 tot 2300 woningen. De geluidsbelasting in het gebied is enorm hoog, niet alleen vanwege de Zuilense Ring, maar ook vanwege het verkeer op de Ruimteweg.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
32 - 56
De hoeveelheid verkeer op de Ruimteweg zal de komende jaren alleen nog maar toenemen : 1. Niet alleen als gevolg van de (voorgenomen) afsluiting van de Maarssenbroekseslag 2. Maar ook vanwege verkeer uit het plangebied zelf Stichtse Vecht hecht aan een gezond woon - en leeftklimaat voor al haar inwoners. Dit gezonde leefklimaat in het beoogde plangebied staat ernstig onder druk vanwege de aanwezige geluidsbelasting. Dit zal op de lange duur nadelig uitpakken voor de toekomstige bewoners. De maatregelen kunnen bestaan uit: Maatregelen op of langs de Ruimteweg en de aangrenzende wegen die het (verkeers)geluid tegenhouden of dempen - bijvoorbeeld in de vorm van een geluidswal of scherm. Maatregelen en voorzieningen in het plangebied zelf, die het geluid afschermen of dempen. Van belang hierbij is dat niet alleen in het 'binnengebied' dwz, inpandig, maar ook in de buitenruimte een aangenaam verblijfsklimaat ontstaat, tenminste op maaiveldniveau. Een en ander is geregeld in de artikelen 6.2.12 Voorwaardelijke verplichting geluidwerende maatregelen en 6.3.1 Plaats, afmetingen, functies en gevelindeling van bebouwing en inrichting buitenruimte sub a. 4.5.5.2 Amendement GL SBK Planetenbaan Klimaatadaptief Bouwen Als sub beslispunt in het raadsbesluit onder 1.
op te nemen en onder het kopje "Energie en Klimaat" (deel B, p34, GO p15) toe te voegen onder Eisen: Nieuwe en bestaande gebouwen worden Klimaatadaptief ontwikkeld en ingericht. Het gehele plangebied wordt Klimaatadaptief ontwikkeld en ingericht. Toelichting: De Planetenbaan en het Kwadrant zullen binnenkort bebouwd worden met 1500 tot 2300 woningen. Deze appartementen zullen allemaal gesitueerd zijn in hoogbouw. Dit kan leiden tot een 'versteende' omgeving. Een dergelijke omgeving absorbeert veel hitte en straalt deze ook weer uit. Door klimaatverandering en stijgende temperaturen neemt de kans op warme zomers en bijgevolg hittestress toe. Het is belangrijk dat het plangebied Planetenbaan klimaatadaptief wordt ontwikkeld met het oog op de toekomst. Dit betekent zowel hittestressbestendig, als berekend op grote hoeveelheden water. In het document wordt hier wel naar verwezen, maar een overkoepelend begrip ontbrak nog. Dat hopen we met dit amendement te ondervangen. Bij klimaatadaptieve ontwikkeling kan gedacht worden aan de volgende maatregelen: Klimaatadaptieve gevels, waardoor de temperatuur zowel binnen als buiten de gebouwen getemperd wordt. Gebouwen die zódanig worden ontworpen dat de temperaturen inpandig beheersbaar blijven, ook in warme zomers.
Waterpartijen – op of langs het perceel – , in de vorm van (binnen)vijvers, fonteinen, sloten of grachten, die zorgen voor verkoeling en absorpsie van water. Waar mogelijk toepassen van dak- , balkon- en gevelgroen. Een en ander is geregeld in artikel 6.2.9 Voorwaardelijke verplichting Klimaatadaptief bouwen.
4.6 Conclusie De transformatie van het gebied Planetenbaan van een traditioneel bedrijventerrein naar een stedelijk woongebied is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden. Dit bestemmingplan bouwt voort op en is in overeenstemming met het Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden en het overige beleid van de gemeente. Daar waar wordt afgeweken van het Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden is dat expliciet benoemd (paragraaf 3.7 Afwijkingen t.a.v. het Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden).
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
33 - 56
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
34 - 56
Hoofdstuk 5
Omgevingsfactoren
In dit hoofdstuk worden de relevante omgevingsfactoren beschreven en waar nodig onderzocht. Tot deze omgevingsfactoren behoren zowel planologische onderwerpen als milieukundige en waterhuishoudkundige onderwerpen. De onderwerpen zijn op alfabetische volgorde behandeld.
5.1 Archeologie en cultuurhistorie 5.1.1 Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992 hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2023 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.
5.1.2 Onderzoek Er is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Het plangebied ligt in een voormalig veengebied met een lage archeologische verwachting. Dit geldt echter niet voor de strook langs de oude Maarssenbroekse Dijk en Stadswetering. Dit betreft één van de eerste ontginningsassen van het gebied, en waarlangs in ieder geval al in het begin van de 19e eeuw sprake was van lintbebouwing met boerderijen. Eventuele archeologische resten kunnen hier bestaan uit grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Deze resten kunnen worden aangetroffen op de overgang tussen de ophogingslaag die voor het bouwrijp maken van het bedrijventerrein is aangelegd, en de natuurlijke ondergrond. Op basis van het AHN en historisch kaartmateriaal valt op te maken dat het maaiveld tot aan de aanleg van het bedrijventerrein op 0,4 m -NAP heeft gelegen. Het maaiveld bij de Planetenbaan ligt nu op ca. 0 m NAP, dus hier is minstens 0,4 m opgehoogd. De kans bestaat dat voorafgaand aan de ophoging er sprake is geweest van afgraving, waardoor eventuele archeologische resten kunnen zijn verstoord, en waardoor het moderne ophogingspakket dikker uitvalt dan de verwachte 0,4 m ter hoogte van de Planetenbaan.
5.1.3 Conclusie Vestigia adviseert het volgende: opnemen van een dubbelbestemming "Waarde Archeologie" voor een zone aan de oostzijde van het plangebied, bestaande uit een strook langs de Maarssenbroekse Dijk en Stadswetering met een breedte van 50 meter langs de wetering, plus buffers van 50 meter rondom aangetoonde historische bebouwing op de Kadastrale Minuut van 1811-1832. Vanwege de ouderdom van de ontginningsas, en de afwijkende vorm van percelering kan ook buiten de erven van 1811-1832 ook sprake zijn geweest van bewoning in de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. binnen deze dubbelbestemming het laten uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
35 - 56
100 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Deze vrijstellingsgrens wordt geadviseerd op basis van wat doorgaans voor een gebied met een hoge verwachting aan vrijstellingsgrenzen wordt gehanteerd. de rest van het plangebied behoeft geen archeologische dubbelbestemming en kan worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. het is aan de gemeente aan te geven of deze vrijstellingsgrenzen kunnen worden aangehouden.
5.2 Akoestiek 5.2.1 Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Geluidsvisie ODRU ODRU heeft voor Planetenbaan en Het Kwadrant een Visie verkeersgeluid opgesteld (Z/18/114965 / D - 251226, 3 december 2018) die is opgenomen in Bijlage C van het Stedenbouwkundig kader en randvoorwaarden. In het plangebied is het aspect verkeerslawaai een kritische factor voor de woon- en leefomgeving. Als de ingediende plannen afzonderlijk op het aspect geluid worden getoetst, kunnen kansen gemist worden om de woon- en leefomgeving als geheel beter in te richten. In de voorliggende visie verkeersgeluid wordt een algemene aanpak voor het plangebied beschreven, waarin naast de toetsingskaders ook de voorwaarden en kansen worden beschreven. Bij het opstellen van het Milieueffectrapport is rekening gehouden met deze geluidsvisie.
5.2.2 Onderzoek Het onderzoek naar wegverkeerslawaai is opgenomen in paragraaf 7.2 van het Milieueffectrapport (zie Bijlage **).
5.2.3 Conclusie De belangrijkste effecten en bevinden zijn: Er is zonder mitigerende maatregelen sprake van een beperkte toename van de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de bestaande bebouwing. De hinder kan zonder het treffen van maatregelen licht toenemen; Er is zonder mitigerende maatregelen sprake van (te) hoge geluidbelastingen op de nieuwbouw ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. Uit de toetsing aan de grenswaarden in de Wet geluidhinder voor wegverkeerslawaai en aan het gemeentelijke beleid en randvoorwaarden volgt dat de nieuwbouw zonder maatregelen nog niet juridisch uitvoerbaar is. Eerst is een onderzoek naar doeltreffende maatregelen nodig, die ervoor zorgen dat de ten hoogste toelaatbare waarde niet wordt overschreden, dat de geluidbelasting zoveel mogelijk wordt teruggebracht tot de voorkeurswaarde en er geluidluwe gevels worden gecreëerd. Het maatregelenonderzoek is uitgevoerd en opgenomen in het Milieueffectrapport. Naast dat maatregelen nodig zijn voor de juridsche maakbaarheid van het plan, en om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk beleid (amendementen zie par. 4.5.5) zijn maatregelen gewenst. Gedacht kan worden aan combinaties van bron- en overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidreducerend asfalt en afscherming langs de Zuilense Ring en Ruimteweg.
Door middel van het Gebiedsfonds wordt een pakket van maatregelen vastgesteld voor het plan. Hiermee kan het plan juridisch haalbaar gemaakt worden en het leefklimaat aanzienlijk verbetert. De ontwikkeling van het plangebied biedt ook kansen het geluidniveau bij de bestaande bebouwing te reduceren. Van de bron- en overdrachtsmaatregelen die effect hebben op de nieuwbouw, kunnen ook de bestaande woningen in de directe omgeving profijt hebben.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
36 - 56
5.3 Bedrijven en milieuzonering en Geurhinder 5.3.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies , wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
5.3.2 Onderzoek Het onderzoek Bedrijven en milieuzonering is opgenomen in paragraaf 7.5 van het Milieueffectrapport (zie Bijlage **).
5.3.3 Conclusie Toevoegen na afronding onderzoek Bedrijven en milieuzonering
5.4 Bodem 5.4.1 Toetingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
5.4.2 Onderzoek Het onderzoek Bodem is opgenomen in paragraaf 7.6 van het Milieueffectrapport (zie Bijlage **). Aanvullend is een vooronderzoek bodem uitgevoerd ten behoeve van de Bestemmingsplanwijziging Planetenbaan (RHDHV BH5097-MI-RP-220603-1052, 3 juni 2022). Dit rapport is als Bijlage 2 bijgevoegd.
5.4.3 Conclusie Tot de ontwikkeling van het gebied in de jaren 1980/1990 voor bedrijven en kantoren, is het gebied in gebruik geweest voor agrarische doeleinden en boomgaarden. Bij het bouwrijp maken in de jaren 1970 is het gebied opgespoten met zand, waarbij de aanwezige sloten zijn gedempt. Binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk kantoren aanwezig. Kantoren worden niet aangemerkt als potentieel bodembedreigende activiteit. Daarnaast zijn drie autobedrijven aanwezig (geweest). De activiteiten van de autobedrijven aan de Planetenbaan 9 zijn gestopt en voldoende onderzocht. Het autobedrijf aan de Kometenweg 2 is nog aanwezig en
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
37 - 56
niet onderzocht. Deze locatie is verdacht voor een potentiële bodemverontreiniging. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten dient een eventuele bodemverontreiniging als gevolg van de bedrijfsactiviteiten door de veroorzaker te worden gesaneerd. Op basis van de beschikbare bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat de algemene bodemkwaliteit in het deelgebied Planetenbaan kan worden aangemerkt als licht verontreinigd. In de grond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zware metalen en plaatselijk 1,2-dichlooretheen, xylenen en minerale olie aanwezig. Plaatselijk kan in de ondergrond een sterke verontreiniging aanwezig zijn, gerelateerd aan het slib in gedempte sloten. In het deelgebied Het Kwadrant is een verontreiniging met PAK aanwezig in de puinlaag (geen bodem) van maaiveld tot circa 1 m-mv. De verontreiniging in de puinlaag is nog niet volledig afgeperkt. Op basis van de huidige gegevens komt (een deel van) de puinlaag niet in aanmerking voor hergebruik. Een deel van het plangebied is verdacht voor een verontreiniging met bestrijdingsmiddelen in de laag van 0-30 cm van het oorspronkelijke maaiveld. De parameter bestrijdingsmiddelen is in de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken niet meegenomen. Het plangebied is niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest in de bodem.
Op individuele terreinen kunnen wel asbestverdachte puinfunderingen aanwezig zijn. De verwachte beïnvloeding van de onderzoekslocatie door PFAS betreft hoofdzakelijk atmosferische depositie (gehalten onder de landelijk hergebruiksnorm). Op basis van de verkregen informatie over de bodemkwaliteit in het plangebied, is in het algemeen sprake van licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater. De licht verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling tot de bestemming wonen. Op basis van het vooronderzoek bodem wordt door RHDHV geadviseerd: Voorafgaand aan de uitvoering van het bouwplan en de vergunningaanvraag dient een bodemonderzoek (inclusief actualisatie van het vooronderzoek) te worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit, hergebruiksmogelijkheden van de grond en de noodzaak tot sanerende maatregelen in het plangebied te bepalen. Hierbij dient specifiek aandacht te worden besteed aan de slootbodem en het dempingsmateriaal van de gedempte sloten; Het advies is in het bodemonderzoek ter plaatse van de voormalige boomgaarden op de diepte van het oude maaiveld bestrijdingsmiddelen mee te nemen als onderzoeksparameter. Advies ODRU: Voor de bestemmingsplanprocedure moet het vooronderzoek nog worden aangepast. Deze aanpassing heeft inmiddels plaatsgevonden. PFAS-onderzoek (in een later stadium) is alleen nodig op PFAS-bronlocaties.
5.5 Externe veiligheid 5.5.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
38 - 56
5.5.2 Onderzoek Het onderzoek Externe veiligheid is opgenomen in paragraaf 7.4 van het Milieueffectrapport (zie Bijlage **). Aanvullend is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd ten behoeve van de Bestemmingsplanwijziging Planetenbaan (RHDHV BH5097-IB-RP001-F01, 25 mei 2022). Dit rapport is als Bijlage 3 toegevoegd.
5.5.3 Conclusie Resultaten toetsing risicobronnen Zuilense Ring De autoweg heeft geen PR10-6-contour; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Het groepsrisico neemt toe van 0,030 naar 0,041 maal de oriëntatiewaarde en blijft daarmee onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het planvoornemen. Conform het Bevt dient te worden gekeken naar de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid in het kader van de verantwoording groepsrisico. Spoorlijn Utrecht - Noord Diemen De PR10-6-contour ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet relevant; wel ligt het planvoornemen binnen het invloedsgebied van 4.000 meter. Conform het Bevt dient te worden gekeken naar de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid in het kader van de verantwoording groepsrisico. LPG-tankstations BP Nederland B.V. en Shell Ruimteweg De PR10-6-contouren liggen niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Er is geen bevolking aanwezig binnen het invloedsgebied van 150 meter confrom het Bevi. Hiermee is er geen effect op de hoogte van het groepsrisico.
Binnen 160 meter van de tankstations worden geen zeer kwetsbare objecten gerealiseerd. Hiermee voldoet het planvoornemen aan de voorwaarden voor de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. Conform het Bevi dient te worden gekeken naar de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid in het kader van de verantwoording groepsrisico. A2 (afrit 5 (Breukelen) - afrit 6 (Maarssen)) De PR10-6 ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet relevant; wel ligt het planvoornemen binnen het invloedsgebied van 4.000 meter. Conform het Bevt dient te worden gekeken naar de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid in het kader van de verantwoording groepsrisico. Elementen verantwoording groepsrisico De rampen die zich kunnen voordoen welke impact hebben op het planvoornemen ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied, zijn koude BLEVE, warme BLEVE, wolkbrand, fakkelbrand en een toxische wolk. In de verantwoording zal de veiligheidsregio moeten ingaan op vluchtwegen, schuilplaatsen, handmatig afsluitbare ventilatie en tweezijdige bereikbaarheid. Daarnaast zijn bluswatervoorzieningen en goede risicocommunicatie belangrijk.
Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
39 - 56
5.6 Kabels en leidingen 5.6.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
5.6.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen.
5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel weergegeven. Tabel: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 ìg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
5.7.2 Onderzoek Het onderzoek Luchtkwaliteit is opgenomen in paragraaf 7.3 van het Milieueffectrapport (zie Bijlage **).
5.7.3 Conclusie Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de jaargemiddelde NO2-, PM10- en PM2.5-concentratie in de plansituatie ruim voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Er zijn daarom geen maatregelen onderzocht.
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
40 - 56
Het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit is gering. Er is in geen geval sprake van een concentratietoename van meer dan 0,4 ìg/m³ bij woningen. Naast de beoordeling in het kader van het MER is er ook beoordeeld of er wordt voldaan aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Uit de resultaten blijkt dat na de ontwikkeling in het zichtjaar 2030, ter hoogte van de NSL-toetspunten en woningen, ruim wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties. Hieruit volgt dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 5.16, eerste lid onder a van de Wet milieubeheer, waarmee het project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit.
5.8 Milieu Effect Rapportage 5.8.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
5.8.2 Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 1831 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft weliswaar onder de drempelwaarde, maar omdat de procedure van de milieueffectrapportage al is opgestart, acht de gemeente het raadzaam om dit proces ook af te ronden met een Milieueffectrapport. Het rapport is opgenomen als bijlage *.
5.8.3 Conclusies Voor de conclusies en aanbevelingen wordt kort halve verwezen naar hoofdstuk 9 van het Milieueffectrapport.
5.9 Mobiliteit 5.9.1 Toetsingskader Voor de beoordeling van de verkeerskundige effecten bestaat geen strikte wettelijke regelgeving waaraan de situatie moet voldoen. De effectbeoordeling voor verkeer heeft op de volgende basis plaatsgevonden: Bereikbaarheid: - kwalitatieve beoordeling van de verwachte effecten voor de bereikbaarheid in en rond het plangebied; - kwantitatieve beoordeling van de verwachte wijzigingen in verkeersintensiteiten en daarmee gepaard gaande verkeersafwikkeling op de kruispunten die het plangebied ontsluiten; verkeerskundige richtlijnen, veelal vastgelegd in documenten van het kennisplatform CROW en toegepaste analysepakketten. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling op de kruispunten zijn in deze richtlijnen criteria benoemd wat acceptabel geacht wordt. Deze zijn gehanteerd in de beoordelingsmethodiek. Verkeersveiligheid: kwalitatieve beoordeling van de verwachte effecten door een expert, toetsend aan de eisen en wensen die in de verkeerskundige richtlijnen die in Nederland vigerend zijn. Daarbij zijn het gedachtengoed en bijbehorende richtlijnen van het nationale kennisplatform CROW leidend voor een 'duurzaam veilig verkeerssysteem'. “Stedenbouwkundig Kader & Randvoorwaarden” (november 2019) waarin de (beoogde) ontsluitingsstructuur
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
41 - 56
uiteen wordt gezet, voor de verschillende modaliteiten.
5.9.2 Onderzoek Om zeker te weten dat er geen negatieve effecten ontstaan met betrekking tot de verkeersveiligheid en doorstroming vanwege de verschillende ontwikkelingen in Maarssenbroek zijn diverse mobiliteitsonderzoeken uitgevoerd. Met de uitvoering van deze onderzoeken wordt voldaan aan de provinciale instructieregel voor mobiliteit. Voorafgaand aan het Stedenbouwkundig kader en randvoorwaarden heeft Arcadis het Mobiliteitsonderzoek Maarssenbroek uitgevoerd (28 oktober 2019). De bevindingen hiervan zijn opgenomen in het stedenbouwkundig kader. Er werd geconcludeerd dat ook in de maximale woningbouwvariant (Planetenbaan en Het Kwadrant) de capaciteit van de wegen en kruispunten voldoende zou zijn. Alleen het kruispunt 'kruising Ruimteweg / Maarssenbroekseslag' zal moeten worden aangepast. Voor de doorstroming van het verkeer zijn verder geen maatregelen nodig. Om deze conclusie te verifiëren is in het kader van de milieueffectrapportage een aanvullend verkeersonderzoek uitgevoerd (RHDHV, Bijlage **). Het onderzoek Verkeer is opgenomen in paragraaf 7.1 van het Milieueffectrapport.
5.9.3 Conclusie RHDHV concludeert in haar onderzoek dat er mitigerende maatregelen nodig om de bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer op orde te houden zijn, met name om de verkeersafwikkeling op de kruispunten te waarborgen. Het planalternatief zorgt voor een aantal kruispunten in het plangebied en direct daar aangrenzend voor problemen met de verkeersafwikkeling (in spitsperiodes) ten gevolge van de verkeerstoename. Deze knelpunten zijn oplosbaar door aanpassingen van de kruispunten, in de vorm van verkeersregelingen, maar naar verwachtingen is in veel gevallen aanpassing van de kruispunt lay-out (aantal opstelstroken) noodzakelijk. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen welke aanpassingen nodig zijn om een acceptabele verkeersafwikkeling te waarborgen. Dit aanvullende maatregelenonderzoek is uitgevoerd en de maatregelen zijn opgenomen in het Gebiedsfonds. Alternatieve mogelijkheden zijn een aangescherpt mobiliteitsbeleid, met sterke(re) sturing op gebruik van andere modaliteiten (fiets, OV) en restricties voor gebruik van de auto, met name door een strikter parkeerbeleid (normering). Het planalternatief zorgt anderzijds voor een duidelijk positief effect ten aanzien van de bereikbaarheid voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers), omdat voor deze doelgroepen specifieke verbindingen en voorzieningen zijn opgenomen in het plan.
Indirect profiteert hiervan ook het aspect verkeersveiligheid. Met dit pakket aan maatregelen ontstaat een goede verkeersafwikkeling op zowel de wegvakken als de kruispunten.
5.10 Natuur en ecologie 5.10.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 5.10.1.1 Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
42 - 56
leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Spoedwet Aanpak Stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak stikstof in werking getreden.
Hierbij is de toets bij Wnb vergunningen ten aanzien van Natura 2000 gebieden aangepast, niet alleen voor stikstofdepositie, maar ook voor andere effecten. Er is nu alleen een vergunning nodig als er sprake is van mogelijke significante (negatieve) effecten. Voorheen was dit ook het geval als er sprake was van enige verstoring of verslechtering van een Natura 2000-gebied, die op zich niet significant was. Dan kon deze vergunning wel worden verleend, maar vaak wel onder voorwaarden. Nu is er voor deze activiteiten geen vergunning meer nodig, geringe effecten moeten worden tegengegaan middels het beheerplan voor het Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. 5.10.1.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
5.10.2 Onderzoek Het onderzoek Natuur is opgenomen in paragraaf 7.8 van het Milieueffectrapport (zie Bijlage **).
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
43 - 56
5.10.3 Conclusie Er treden geen effecten op in het nabij gelegen Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Door de gehele herinrichting van het plangebied wordt het functionele leefgebied van verschillende beschermde soorten (vleermuizen, steenmarter, kleine marterachtigen, ringslang en broedvogels) mogelijk aangetast wat strijdig is met de Wet natuurbescherming. Door het treffen van de juiste mitigerende maatregelen en het benutten van kansen voor een natuurinclusieve inrichting van het gebied kan het negatieve effect worden geneutraliseerd. De planontwikkeling heeft potentieel een negatief effect op de gemeentelijke groenstructuur wanneer er onvoldoende aandacht wordt besteed aan de groeninrichting. Door de realisatie van het groen casco en de groene binnenterreinen (zie paragraaf 3.1) en een natuurinclusieve inrichting wordt het potentieel negatief effect gemitigeerd.
5.11 Niet gesprongen explosieven 5.11.1 Toetsingskader Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen mogelijk munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid.
5.11.2 Onderzoek Voor bepaalde gebieden geldt een hoge verwachtingswaarde voor het aantreffen van niet-gesprongen explosieven. Bij het ontwikkelen van een plan moet hier rekening worden gehouden. Wanneer in een vroeg stadium onderzoek wordt verricht naar het al dan niet voorkomen van NGE's kunnen passende maatregelen worden getroffen. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage **.
5.11.3 Conclusie
5.12 Waterhuishouding 5.12.1 Toetsingskader 5.12.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. 5.12.1.2 Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Toepassen van de trits vasthouden -bergen -afvoeren, met als eerste insteek het vasthouden van water.
Toepassen van de trits schoonhouden - zuiveren - schoonmaken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken. Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand
(voorontwerp) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VO01
44 - 56
van de NBW-normen regionale wateroverlast. 5.12.1.3 Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Wet Milieubeheer (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren). Een Watervergunning is nodig voor: Werken in, aan en in de nabijheid van oppervlaktewater (bijvoorbeeld leggen van kabels, verlagen maaiveld, dempen, graven, overkluizen, stuw plaatsen). Het onttrekken/(weer) lozen van grondwater tijdens bouwwerkzaamheden. Het lozen van regenwater van verhard dak- en terreinoppervlak op oppervlaktewater. Werkzaamheden in of nabij waterkeringen. 5.12.1.4 Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan (vastgesteld 22 december 2009, geüpdatet periode 2016-2021) is vastgesteld op basis van de Waterwet en de wet Ruimtelijke ordening (WRO). In dit plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven.