Voorontwerp Bp Ruimtekwartier - MER Planetenbaan en Het Kwadrant concept 20220815.pdf
Tekst van het document
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
60
1562 1563 1564 1565 1566 1567 1568 1569 1570 1571 1572 1573 1574 1575 1576 1577 1578 1579 1580
Arbowet In de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit zijn regels vastgelegd met betrekking tot de veiligheid van werkgevers en werknemers. In diverse CROW-richtlijnen zijn deze regels uitgewerkt voor de praktijk. Voor het plangebied Planetenbaan en Het Kwadrant betekent dit dat de kwaliteit van de bodem bekend moet zijn zodra handelingen op of met grond gaan plaatsvinden, zoals bij graafwerkzaamheden. Vanuit de Wet bodembescherming (Wbb) en het Arbeidsomstandighedenbesluit dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Omgevingswet Naar verwachting wordt per 1 januari 2022 de Omgevingswet van kracht. In de Omgevingswet worden de bestaande wetten ten aanzien van de fysieke leefomgeving (waaronder de Wet milieubeheer, Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit) gebundeld en gemoderniseerd. Met de Omgevingswet wordt een integrale aanpak van de leefomgeving beoogt. Binnen de omgevingswet wordt het aspect bodemkwaliteit bezien in relatie tot de fysieke leefomgeving. Vooralsnog lijkt de normering ten aanzien van bodemkwaliteit niet te wijzigen. Onder de Omgevingswet zijn de bodembedreigende activiteiten graven en saneren benoemd met daaraan gekoppeld algemene regels en voorschriften. Afhankelijk van het volume en de kwaliteit van de grond is wel of geen melding nodig voor werkzaamheden in de bodem.
Voor de activiteit saneren is maatwerk mogelijk wanneer de werkzaamheden niet passen binnen de algemene regels.
1581
7.6.1.2 Provinciaal beleid
1582 1583 1584 1585 1586 1587 1588 1589 1590 1591 1592 1593 1594 1595 1596 1597 1598 1599 1600 1601 1602 1603 1604 1605 1606 1607 1608 1609 1610
Bodem- Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) Met het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 draagt de provincie bij aan het realiseren van ontwikkelopgaven door in een vroeg stadium kennis en inzichten in te brengen vanuit het bodem-, water- en milieudomein. In het BWM-plan is als doelstelling van het bodembeleid opgenomen het geleidelijk verbeteren van de algehele grond- en grondwaterkwaliteit binnen de provincie. Dit wordt bereikt door het nakomen van de afspraken zoals opgenomen in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020: 1. De provincie zet zich in om de spoedlocaties binnen de bodemsanering aan te pakken. De nadruk ligt op locaties met verspreiding van verontreinigingen via grondwater; 2. De provincie betrekt het beheer en waar nodig sanering van de bodem bij ruimtelijke ontwikkelingen. Via maatwerk in het gebied wordt met andere partijen gezocht naar een goede aanpak van verontreiniging van grond en grondwater gezien de ontwikkelingen in dat gebied of ten behoeve van de maatschappelijke opgaven; 3. De provincie stimuleert gebiedsgericht grondwaterbeheer en stelt als randvoorwaarde, dat het instrument flexibel is bij gewenste gebiedsontwikkelingen maar niet conflicteert met de grondwaterdoelstellingen; 4. De provincie bevordert dat derden hun verantwoordelijkheid voor de aanpak van bodemverontreinigingen oppakken.
In het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant (PUB) zijn de werkzaamheden opgenomen om deze doelstellingen te realiseren. Provinciaal Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant (PUB) 2016 t/m 2020 In het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant (PUB) zijn de activiteiten van de provincie opgenomen en beschreven met betrekking tot de aanpak van bodemverontreiniging en -sanering. In het PUB zijn werkzaamheden opgenomen voor het saneren en beheren van bodem en ondergrond. Vanuit het PUB zijn er de volgende activiteiten benoemd: • aanpak van de spoedlocaties. Hierbij vervult de provincie een regisserende en uitvoerende rol. De daadwerkelijke aanpak van de spoedlocaties ligt veelal bij partijen die daarvoor in eerste instantie verantwoordelijk zijn, zoals eigenaren van bedrijfsterreinen. De provincie monitort de voortgang en zorgt er
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
61
1611 1612 1613 1614 1615 1616 1617 1618 1619 1620 1621 1622 1623 1624 1625 1626 1627 1628 1629 1630 1631
• •
• •
voor dat het juridisch instrumentarium wordt ingezet. Dit betreft dan met name de bevoegd gezag taken van de Wbb. Voor een beperkt aantal spoedlocaties vervult de provincie een uitvoerende rol als bodemonderzoeker of bodemsaneerder; gebiedsgericht grondwaterbeheer. Hierin heeft de provincie met name een adviserende en stimulerende rol richting mogelijke gebiedsbeheerders; diffuse verontreiniging. De provincie vervult hier in eerste instantie een uitvoerende rol. Op basis van de inventarisatie van de problematiek en landelijke ontwikkelingen, stellen ze gebiedsgericht beleid en eventuele gebruiksadviezen op; voormalige stortplaatsen. Hierin heeft de provincie een uitvoerende rol. Het betreft met name de afronding van het beheer en nazorg van de voormalige stortplaatsen; stimulering van derden. De provincie stimuleert gemeenten, bedrijven en particulieren door het verstrekken van een mogelijke financiële bijdrage in de kosten voor onderzoek en sanering en door kennisoverdracht en informatiebeheer.
Provinciale milieuverordening Utrecht 2013 In de provinciale milieuverordening (PMV) zijn regels en voorschriften opgenomen ter bescherming van het milieu. De PMV bevat hoofdzakelijk regels ten aanzien van de bescherming van de drinkwaterwingebieden, stiltegebieden en ontgassing van voer- en vaartuigen. Het plangebied is niet gelegen in een drinkwaterwingebied, zodat er vanuit de PMV geen specifieke regels of voorschriften worden gesteld ten aanzien van bodem.
1632
7.6.1.3 Gemeentelijk beleid
1633 1634 1635 1636 1637 1638 1639 1640
Nota bodembeheer regio Noordwest-Utrecht Voor de gemeenten De Ronde Venen, Woerden, Stichtse Vecht, Oudewater en Montfoort is gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor de toepassing van grond. Het Gebiedsspecifieke bodembeleid is beschreven in de ‘Nota bodembeheer regio Noordwest-Utrecht’ (Witteveen+Bos, ZT69-1/14-022.907, 3 december 2014). Door het vaststellen van gebiedsspecifiek bodembeleid wordt het mogelijk om binnen de regio NWU op een milieuhygiënisch verantwoorde, duurzame en kostenefficiënte wijze grond en baggerspecie op de landbodem toe te passen en her te gebruiken.
1641
7.6.2
1642 1643 1644 1645 1646 1647 1648 1649 1650 1651 1652
In deze paragraaf worden de onderzoeksmethode en het beoordelingskader beschreven. Door het hanteren van een beoordelingskader worden de effecten van de alternatieven bepaald op basis van de referentiesituatie, zodat een duidelijke vergelijking en beoordeling plaatsvindt.
Beoordelingskader en onderzoeksopzet
Onderzoeksopzet Algemeen Om de algemene bodemkwaliteit en bekende bodemverontreinigingen in beeld te brengen wordt een vooronderzoek bodem (bureaustudie) uitgevoerd in overeenstemming met de NEN5725. Voor het vooronderzoek bodem worden de bodemarchieven en informatiesystemen van de betreffende gemeente, omgevingsdienst en provincie geraadpleegd.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
62
1653 1654 1655 1656 1657 1658 1659 1660 1661 1662 1663 1664 1665 1666 1667 1668 1669 1670 1671 1672 1673 1674 1675 1676 1677 1678 1679 1680 1681 1682 1683 1684 1685 1686 1687 1688 1689 1690 1691 1692
Bodemkwaliteit Op basis van de beschikbare gegevens over de algemene bodemkwaliteit, potentiële puntbronnen en bodemverontreinigingen binnen het plangebied, worden op basis van expert judgement de knelpunten en effecten beschreven. Hierbij worden de volgende effecten beschouwd: • Invloed van de ontwikkeling op de verbetering van de bodemkwaliteit in het plangebied (noodzaak tot sanering van sterke verontreinigingen); • Invloed van de ontwikkeling op vrijkomende grond en mogelijkheden voor hergebruik binnen of buiten het plangebied. Studiegebied De bureaustudie is uitgevoerd voor het plangebied Planetenbaan en Het Kwadrant gelegen tussen de Zuilense Ring, Ruimteweg, Het Kwadrant, Kometenweg en de Maarssenbroeksedijk. De volledige rapportage van de bureaustudie is opgenomen in bijlage 6. Beoordelingsmethode Voor de effectbepaling wordt aangesloten bij de voor dit MER geldende 5-punts schaal van ‘--‘ tot ‘+ +’. In onderstaande paragrafen wordt de specifieke invulling van deze schaal voor het thema bodem nader toegelicht. Bodemkwaliteit Binnen het plangebied kunnen sterke verontreinigingen aanwezig zijn. Wanneer voor de ontwikkeling de aanwezigheid van de sterke verontreiniging een belemmering vormt voor de gewenste functie/gebruik van de locatie en/of het noodzakelijk is grondwerkzaamheden in de sterk verontreinigde grond uit te voeren, zijn saneringsmaatregelen noodzakelijk.
Het uitvoeren van een sanering betekent dat voor het plangebied de bodemkwaliteit wordt verbeterd en een duurzaam geschikte bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. Wanneer mobiele verontreinigingen aanwezig zijn en grondwateronttrekkingen (bv bemaling of bodemenergiesystemen) worden toegepast, kan dit juist een negatief effect hebben op de bodemkwaliteit door aantrekken en verspreiden van verontreiniging. Hergebruik grond Voor de ontwikkeling van het plangebied zal grondverzet noodzakelijk zijn. Er zal grond vrijkomen ten behoeve van herinrichting, infrastructuur en/of bouwwerkzaamheden. Het plangebied is reeds eerder opgehoogd ten behoeve van de huidige inrichting. Het is niet de verwachting dat het gebied verder hoeft te worden opgehoogd. Het meest ideaal is als met een gesloten grondbalans kan worden gewerkt. Op deze manier wordt optimaal hergebruik gemaakt van de vrijkomende grond in het plangebied zonder dat grond van elders hoeft te worden aangevoerd. Vrijkomende grond is echter niet altijd op basis van milieuhygiënische of civieltechnische kwaliteit geschikt voor hergebruik. Van een direct ‘effect’ is voor dit beoordelingscriterium geen sprake; de beoordeling betreft meer een projectkenmerk waarmee negatieve effecten voorkomen kunnen worden.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
63
1693
Tabel 7-20 Effectscores voor het criterium bodemkwaliteit en hergebruik grond Codering ++
Omschrijving
Bodemkwaliteit
Hergebruik grond
Zeer positief effect
Sanering van meerdere locaties nodig voor beoogd gebruik
Alle vrijkomende herbruikbare grond kan binnen het plangebied toegepast worden en er is geen noodzaak tot aanvoer van grond van elders
Sanering van één locatie noodzakelijk voor beoogd gebruik
Een groot deel van de vrijkomende herbruikbare grond kan binnen het plangebied toegepast worden. Voor overblijvende grond is afzet elders mogelijk en er is een beperkte noodzaak tot aanvoer van grond van elders
+
Positief effect
0
Geen / neutraal effect
Geen sanering of verbetering van de bodemkwaliteit nodig voor beoogd gebruik
Geen hergebruik van vrijkomende geschikte grond en geen aanvoer van grond van elders
-
Negatief effect
Verslechtering bodemkwaliteit door aantrekken/verplaatsen grond(water)verontreiniging
Vrijkomende grond komt niet in aanmerking voor hergebruik binnen het plangebied of elders en er is een noodzaak tot aanvoer van grond van elders
--
Sterk negatief effect
N.v.t.
N.v.t.
1694 1695
7.6.3
Referentiesituatie
1696 1697 1698 1699 1700 1701 1702 1703 1704 1705 1706 1707 1708 1709 1710 1711 1712 1713 1714 1715 1716 1717 1718 1719 1720
Binnen de referentiesituatie is het gebied hoofdzakelijk bestemd en in gebruik voor bedrijfsmatige doeleinden. Er zijn geen ontwikkelingen in het gebied voorzien. Bodemkwaliteit Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt de verwachte algemene bodemkwaliteit in het plangebied aangemerkt als klasse Achtergrondwaarde (geen verhoogde gehalten). In het verleden zijn in een deel van het plangebied echter boomgaarden aanwezig geweest waar mogelijk bestrijdingsmiddelen zijn toegepast. Op het oorspronkelijk maaiveld op een diepte van circa 1 meter ter plaatse van de voormalige boomgaarden kan de bodemkwaliteit ten aanzien van bestrijdingsmiddelen negatief beïnvloed zijn. Binnen het plangebied zijn diverse bodemonderzoeken bekend. Uit de bodemonderzoeken blijkt dat de algemene bodemkwaliteit moet worden aangemerkt als licht verontreinigd. Dit wijkt af van de verwachting op basis van de zone op de bodemkwaliteitskaart. In de deelgebieden Planetenbaan (noord, midden en zuid) zijn in de grond licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zware metalen en plaatselijk 1,2-dichlooretheen, xylenen en minerale olie aanwezig. Plaatselijk kan in de ondergrond een sterke verontreiniging aanwezig zijn, gerelateerd aan het slib in gedempte sloten.
In het deelgebied Het Kwadrant is een sterke verontreiniging met PAK aanwezig in de puinlaag (geen bodem) van maaiveld tot circa 1 m-mv. Bij de huidige inrichting en gebruik vormt de sterk verontreinigde puinlaag geen belemmering. De sterke verontreiniging bevindt zich buiten de huidig geplande nieuwbouw in het deelgebied Het Kwadrant waar in het bodemonderzoek hooguit licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater zijn aangetoond. Hergebruik grond Binnen het plangebied zijn in de referentiesituatie geen ingrepen in de bodem voorzien waarbij grond vrijkomt.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
64
1721
7.6.4
Effectbeschrijving en -beoordeling
1722 1723 1724 1725 1726 1727 1728 1729 1730 1731 1732 1733 1734 1735 1736 1737 1738 1739 1740 1741 1742 1743 1744 1745 1746 1747 1748 1749 1750 1751 1752 1753 1754 1755 1756 1757 1758 1759 1760 1761 1762 1763 1764 1765 1766 1767 1768
Voor de ontwikkeling van het plangebied is een voorkeursalternatief uitgewerkt. Het voorkeursalternatief omvat de al getransformeerde drie kantoorgebouwen binnen het deelgebied Planetenbaan Zuid. De andere bestaande gebouwen worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Binnen het deelgebied Het Kwadrant wordt de hoogbouw van het bestaande kantoor getransformeerd tot woningen. De laagbouw wordt gesloopt om ruimte te maken voor nieuwbouw. Bij nieuwbouw worden de parkeervoorzieningen ondergronds of inpandig (onder of op maaiveld) gerealiseerd. Met de nieuwe indeling in het plangebied zal tevens de gehele maaiveldinrichting wijziging. Bodemkwaliteit Binnen het deelgebied Planetenbaan zijn in het algemeen maximaal licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater aangetoond. De bedrijfsactiviteiten aan de kometenweg 2 zijn nog niet onderzocht en kunnen potentieel een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Bij vertrek van het bedrijf dient een eventuele sterke bodemverontreiniging als gevolg van de bedrijfsactiviteiten door de veroorzaker te worden gesaneerd tot de oorspronkelijke bodemkwaliteit (licht verontreinigd) of minimaal onder de interventiewaarde. Bij de realisatie van ondergrondse parkeervoorzieningen ter plaatse van gedempte sloten en voormalige boomgaarden, kan sprake zijn van (lokale) sterke verontreinigingen.
Voor grondverzet in deze sterke verontreinigingen zijn dan sanerende maatregelen noodzakelijk. De verwachte algemene bodemkwaliteit voor de bovengrond en sanerende maatregelen voor de ondergrond vormen geen belemmering bij de geplande ontwikkeling van het deelgebied Planetenbaan (noord, midden en zuid). In het deelgebied Het Kwadrant is aan het maaiveld een verontreinigde puinlaag aanwezig. De verontreinigde puinlaag is niet op het gehele terrein aanwezig en kan binnen de ontwikkeling niet worden hergebruikt. In deelgebied Het Kwadrant zijn in het algemeen maximaal licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater aangetoond. De licht verhoogde gehalten in de bodem vormen geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. Aan het voornemen is ten aanzien van bodemkwaliteit de score + (positief effect) toegekend vanwege de mogelijke saneringen voor de ondergrondse parkeervoorzieningen. Hergebruik grond Grond zal vrijkomen bij het bouw- en woonrijp maken van de uit te geven percelen (funderingen, ondergrondse parkeervoorziening), vernieuwen van infrastructuur, herinrichten van het maaiveld en bij het eventueel graven van nieuw oppervlaktewater. In het gehele plangebied zijn in de grond naar verwachting maximaal licht verhoogde gehalten aanwezig.
In de ondergrond ter plaatse van de gedempte sloten en voormalige boomgaarden is de kwaliteit van (een deel van) de grond mogelijk onvoldoende voor hergebruik. Afhankelijk van de geplande ontwikkeling (wel of geen ondergrondse bouw) kan niet herbruikbare grond vrijkomen. In deelgebied Het Kwadrant is aan het maaiveld een verontreinigde puinlaag aanwezig welke niet voor hergebruik in aanmerking komt. De vrijkomende licht verontreinigde grond komt in aanmerking voor hergebruik. De grondslag in het gebied betreft zand op klei. Het vrijkomende zand is naar verwachting civieltechnisch en milieuhygiënisch geschikt voor hergebruik binnen het plangebied. Bij diepere ontgravingen (bv ondergrondse parkeervoorzieningen, kabels en leidingen) komt ook klei vrij. De klei, hoewel milieuhygiënisch geschikt, is vaak civieltechnisch niet of beperkt geschikt voor hergebruik. Binnen het plangebied is geen ophoging voorzien. Vrijkomend zand zal daarmee voornamelijk hergebruikt kunnen worden als grondverbetering of aanvulling bij sanering en bouwkuipen. De hergebruikmogelijkheden voor klei worden minimaal geacht. Dit betekent dat er binnen het plangebied een beperkte mogelijkheid is tot hergebruik van vrijkomende grond. Doordat geen ophoging nodig is van het plangebied en het voornemen is deels ondergronds te bouwen, zal op de grondbalans naar verwachting een overschot ontstaan.
Het overschot aan vrijkomende grond kan worden afgezet voor hergebruik buiten het plangebied. Op basis hiervan wordt ten aanzien van hergebruik van grond de score + (positief effect) toegekend.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
65
1769
7.6.5
Beoordeling maatregelen
1770 1771 1772 1773 1774 1775 1776 1777
Om de definitieve bodemkwaliteit en hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen is verkennend bodemonderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van de te ontwikkelen percelen noodzakelijk. Daarbij dient specifiek aandacht te worden besteed aan de gedempte sloten, asbest, bestrijdingsmiddelen en PFAS. Dit verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd als onderdeel van de conditionerende onderzoeken bij het ontwerp en voor de bouwvergunning. Het vormt tevens de basis voor de bepaling van de hergebruiksmogelijkheden van de grond. Deze maatregel heeft geen invloed op de effectscore voor bodemkwaliteit en hergebruik grond.
1778
7.6.6
1779
De effectscores voor het thema bodem zijn in onderstaande tabel weergegeven.
1780
Tabel 7-21 Overzicht effectbeoordeling bodem
Totaaloverzicht effectbeoordeling
Criteria
1781 1782 1783 1784 1785 1786 1787 1788 1789 1790 1791 1792 1793 1794 1795
Referentiesituatie
Voorkeursalternatief
Bodemkwaliteit
0
+
Hergebruik grond
0
+
•
•
•
• •
De aanwezigheid van voormalige boomgaarden en gedempte sloten in het plangebied kunnen de bodemkwaliteit in de ondergrond negatief hebben beïnvloed. Daarnaast is de bodemkwaliteit ten aanzien van de parameter PFAS onvoldoende inzichtelijk; Een verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van de bouwvergunning, voor het vaststellen van de saneringsnoodzaak en het bepalen van de hergebruiksmogelijkheden van de grond; Het is niet uitgesloten dat saneringsmaatregelen nodig zijn voor eventuele ondergrondse bouwwerkzaamheden (parkeergarages). Daarmee zou de bodemkwaliteit verbeteren en is sprake van een positief effect op bodemkwaliteit. Een mogelijk overschot aan vrijkomende grond kan worden afgezet voor hergebruik buiten het plangebied. Daarom is sprake van een positief effect (+) voor het criterium hergebruik van grond. Voor werkzaamheden in sterk verontreinigde grond dient op basis van het ontwerpplan het saneringstraject conform de Wet bodembescherming (BUS melding of saneringsplan) te worden doorlopen.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
66
1796
7.7
Water
1797 1798 1799
In deze paragraaf zal getoetst worden in welke mate de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op het oppervlaktewater- en grondwatersysteem.
1800
7.7.1
1801 1802 1803 1804 1805 1806 1807 1808 1809 1810 1811 1812 1813 1814 1815 1816 1817 1818 1819 1820 1821 1822 1823 1824 1825 1826 1827 1828 1829 1830 1831 1832 1833 1834 1835 1836 1837 1838 1839 1840 1841 1842
Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.
Uitgangspunten
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: • Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. • Toepassen van de trits vasthouden -bergen -afvoeren, met als eerste insteek het vasthouden van water. • Toepassen van de trits schoonhouden - zuiveren - schoonmaken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken. • Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW-normen regionale wateroverlast. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Wet Milieubeheer (gemeente en provincie).
Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren). Een Watervergunning is nodig voor: • Werken in, aan en in de nabijheid van oppervlaktewater (bijvoorbeeld leggen van kabels, verlagen maaiveld, dempen, graven, overkluizen, stuw plaatsen). • Het onttrekken/(weer) lozen van grondwater tijdens bouwwerkzaamheden. • Het lozen van regenwater van verhard dak- en terreinoppervlak op oppervlaktewater. • Werkzaamheden in of nabij waterkeringen. Nationaal waterplan Op 22 december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het Rijk. In de afgelopen jaren is het plan geüpdatet voor de periode 2016 tot en met 2021. Het plan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de wet Ruimtelijke ordening (WRO). In dit plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Nederland voldoet met dit Nationaal Waterplan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstroming risico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan 2016-2021 kent vijf ambities waaronder dat Nederland de veiligste delta in de wereld moet blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
67
1843 1844 1845 1846 1847 1848 1849 1850 1851 1852 1853 1854 1855 1856 1857 1858 1859 1860 1861 1862 1863 1864 1865 1866 1867 1868 1869 1870 1871 1872 1873 1874 1875 1876 1877 1878 1879 1880 1881 1882 1883 1884 1885 1886 1887 1888 1889 1890
door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Daarnaast wordt er gekozen voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit en zoet water beschikbaarheid. Een andere ambitie is dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht. De laatste ambitie is het stimuleren van waterbewust leven door de Nederlandse bevolking. Provinciaal Bodem-, Water-, en Milieuplan De provincie Utrecht stelt kaders en ontwikkelt beleid voor schoon, mooi, veilig en voldoende water in Utrecht. Dit is vastgelegd in het Bodem- Water- en Milieuplan. De meeste maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren zijn gebaseerd op de KRW. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werk, en leefklimaat. Daarbij horen een aantal uitgangspunten. Ten eerste bestaat het streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Het tweede uitgangspunt is het werken aan bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Daarnaast bestaat de ambitie om te werken aan een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving. Tot slot, is een verbetering van een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio, wenselijk.
Waterkoers 2016–2021 Het hoogheemraadschap heeft haar ambities en lange termijnvisie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelend doel samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt het hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van klimaatbestendige leefomgeving (Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, www.ruimtelijkeadaptatie.nl). Het klimaat verandert: hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar.
Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: - de bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; - uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
68
1891 1892 1893 1894 1895 1896 1897 1898 1899 1900 1901 1902 1903 1904 1905 1906 1907 1908 1909
Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2017-2021 In het GRP van Stichtse Vecht wordt rekening gehouden met extreme neerslag als gevolg van klimaatverandering, hier wordt in beheer en inrichting rekening mee gehouden om de kans op wateroverlast te beperken. Meer groen (en dus minder verharding) is een belangrijke maatregel hiervoor. Als meer water kan infiltreren in de bodem is dat bovendien gunstig tegen droogte-effecten. Stichtse Vecht hanteert de voorkeurstrits vasthouden-bergen-afvoeren. Vasthouden betekent dat water buiten het watersysteem wordt vastgehouden, bijvoorbeeld op daken, regentonnen etc. Bergen is water vasthouden in het watersysteem, dus bijvoorbeeld in sloten, infiltreren in het grondwater etc. Bij afvoeren wordt het water via watergangen of rioolstelsels afgevoerd naar benedenstroomse gebieden (of de RWZI). Om wateroverlast tegen te gaan zijn in het GRP naast de ambitie tot meer groen de volgend eisen gesteld: • Bij nieuwbouw wordt de vloerpeilhoogte verhoogd naar 30 cm boven straatniveau, om wateroverlast in gebouwen te voorkomen. • Bij nieuwbouw moet een waterberging op eigen terrein gerealiseerd worden die 10mm water kan bergen per m2 op de riolering aangesloten verhard oppervlak. De gemeente accepteert enige hinder bij een bui die eens in de 100 jaar voorkomt. Pas bij ‘wateroverlast’ neemt de gemeente maatregelen om dit tegen te gaan.
Wanneer sprake is van hinder en wanneer van overlast wordt bepaald aan de hand van de beslisboom ‘Knelpunten water op straat situaties’ van Winnet.
1910
7.7.2
Beoordelingskader en onderzoeksopzet
1911 1912 1913 1914 1915
In deze paragraaf worden het beoordelingskader en de onderzoeksmethode beschreven. Voor het aspect water is beoordeeld wat de mogelijke effecten zijn van de beoogde ontwikkelingen op (grond-)waterkwaliteit en oppervlakte- en grondwaterkwantiteit. Omdat het watersysteem nog niet nader is uitgewerkt zal de beoordeling hoofdzakelijk kwalitatief zijn.
1916
Tabel 7-22 Beoordelingscriteria water Beoordelingscriteria
Beoordeling
Grondwaterkwaliteit
Kwalitatief
Grondwaterkwantiteit
Kwalitatief
Oppervlaktewaterkwaliteit
Kwalitatief
Oppervlaktewaterkwantiteit
Kwalitatief
1917 1918 1919 1920
Grondwaterhuishouding
1921
Tabel 7-23 Effectscores voor het criterium grondwaterkwantiteit
Voor de vertaling van de effectanalyse naar de +/- beoordeling is de volgende schaal gehanteerd:
Codering
Omschrijving
Grondwaterkwaliteit
++
Zeer positief effect
Zeer positief effect op de grondwaterhuishouding
+
Positief effect
Positief effect op de grondwaterhuishouding
0
Geen / neutraal effect
Neutraal effect op de grondwaterhuishouding
-
Negatief effect
Negatief effect op de grondwaterhuishouding
--
Sterk negatief effect
Sterk negatief effect op de grondwaterhuishouding
1922
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
69
1923 1924 1925 1926 1927 1928 1929
Op grond van bestaande gegevens over grondwaterstanden en -stroming wordt met expert judgement beoordeeld welke invloed de alternatieven hebben. Daarbij wordt een inschatting gemaakt of er invloed is op de grondwaterstanden en grondwaterstroming. Een daling van de grondwaterstand kan mogelijk resulteren in verzakkingen. Een te hoge grondwaterstand kan ervoor zorgen dat de ontwateringsnormen niet meer worden gehaald.
1930
Tabel 7-24 Effectscores voor het criterium grondwaterkwaltiteit
Grondwaterkwaliteit Codering
1931 1932 1933 1934 1935 1936 1937
Omschrijving
Grondwaterkwalititeit
++
Zeer positief effect
Zeer positief effect op de grondwaterkwaliteit
+
Positief effect
Positief effect op de grondwaterkwaliteit
0
Geen / neutraal effect
Neutraal effect op de grondwaterkwaliteit
-
Negatief effect
Negatief effect op de grondwaterkwaliteit
--
Sterk negatief effect
Sterk negatief effect op de grondwaterkwaliteit
Door uitloging van bouwmaterialen, een calamiteit en bedrijfswerkzaamheden kunnen verontreinigingen in de bodem en het grondwater terecht komen. Met behulp van expert judgement is kwalitatief bepaald hoe de hiervoor genoemde bronnen de grondwaterkwaliteit beïnvloeden. Oppervlaktewaterkwantiteit Tabel 7-25 Effectscores voor het criterium oppervlaktewaterkwaliteit Codering
Omschrijving
Oppervlaktewaterkwantiteit
++
Zeer positief effect
Zeer positiefeffect ten opzichte op het bergend vermogen van het watersysteem
+
Positief effect
Positief effect ten opzichte op het bergend vermogen van het watersysteem
0
Geen / neutraal effect
Neutraal effect ten opzichte op het bergend vermogen van het watersysteem
-
Negatief effect
Negatief effect ten opzichte op het bergend vermogen van het watersysteem
--
Sterk negatief effect
Sterk negatief effect ten opzichte op het bergend vermogen van het watersysteem
1938 1939 1940 1941 1942 1943 1944 1945 1946 1947
Oppervlaktewaterkwaliteit
1948
Tabel 7-26 Effectscores voor het criterium oppervlaktewaterkwantiteit
Op ‘verhard oppervlak’ (daken, bestrating en overige terreinverhardingen zoals grote kunstwerken) kan hemelwater niet vrij in de bodem infiltreren, maar wordt versneld afgevoerd naar de aangrenzende watergangen of de riolering. Een toename van verhard oppervlak leidt tot een verminderde grondwateraanvulling en een grotere belasting van riolering, en/of het oppervlaktewaterstelsel en moet worden gecompenseerd door het graven van extra waterberging. Effecten worden kwalitatief beoordeeld aan de hand van de toename van het verhard oppervlak en de daarmee samenhangende ruimtevraag ten behoeve van de watercompensatie
Codering
15 augustus 2022
Omschrijving
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
Oppervlaktewaterkwantiteit
BH5097TPRP2102261138
70
++
Zeer positief effect
Zeer positief effect op de waterkwaliteit van het ontvangende watersysteem
+
Positief effect
Positief effect op de waterkwaliteit van het ontvangende watersysteem
0
Geen / neutraal effect
Neutraal effect op de waterkwaliteit van het ontvangende watersysteem
-
Negatief effect
Negatief effect op de waterkwaliteit van het ontvangende watersysteem
--
Sterk negatief effect
Sterk negatief effect op de waterkwaliteit van het ontvangende watersysteem
1949 1950 1951 1952 1953 1954
Verandering van de oppervlaktewaterkwaliteit kan aan de orde zijn wanneer er tijdelijk of permanent sprake is van verontreinigd afstromend hemelwater op het oppervlaktewater of als gevolg van overstorten vanuit de riolering. Eventuele effecten kunnen zich voordoen in de aangrenzende primaire en tertiaire watergangen. Bij de effectbeschrijving worden eventuele effecten kwalitatief beschreven.
1955
7.7.3
1956 1957 1958 1959 1960 1961 1962 1963 1964 1965 1966 1967 1968 1969 1970 1971 1972 1973 1974 1975 1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986
Deze paragraaf beschrijft de huidige situatie en het huidige gebruik van Planetenbaan en Het Kwadrant, en de autonome ontwikkelingen tot 2030. Tezamen vormt dit de ‘Referentiesituatie’ waarmee in het MER de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling zal worden vergeleken.
Referentiesituatie
Huidige waterhuishouding plangebied Deelgebieden Planetenbaan noord, midden en zuid Van noord (Verbindingsweg) naar zuid (Zuilense Ring) wordt het gebied gekenmerkt door een geleidelijke overgang van aanvankelijk automobielbedrijven (autoboulevard), via een gemengde zone naar uiteindelijk een grootschalige kantoorlocatie. Een restaurant en een verkooppunt voor motorbrandstoffen completeren het geheel. Met deze functionele invulling kent het gebied nog weinig open gronden. Inzijging van neerslag is enkel mogelijk in de bermzone langs de Ruimteweg en de Zuilense Ring. De afwatering van het gebied vindt plaats via de primaire watergang aan de Maarssenbroeksedijk die via de Kometenweg in directe verbinding staat met het afwateringsstelsel van de aangrenzende woonwijk Bloemstede. Deelgebied het Kwadrant Het deelgebied bevat een grootschalig kantoorgebouw dat met bijbehorende verharding ruim 50% van het totale gebied beslaat. Het kantorencomplex wordt omgeven door een tertiaire watergang die langs de Zuilense Ring in verbinding staat met de primaire watergang aan de Maarssenbroeksedijk. Grondwater De regionale stromingsrichting van het grondwater in het 1e watervoerende pakket is Noordwest gericht (polder Mijdrecht).
De stromingsrichting van het freatisch grondwater is niet bepaald, maar wordt veelal beinvloedt door de aanwezigheid van onder andere nabij gelegen oppervlaktewateren (Amsterdam-Rijnkanaal en Haarrijnse plas), cunet van wegen en kabels en leidingen in de grond. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Het dichtstbijzijnde grondwaterbeschermingsgebied (grens 100-jaarsaandachtgebied) is gelegen ten noordoosten van het Amsterdam-Rijnkanaal en betreft het drinkwaterwingebied Bethunepolder. De grondwaterkwaliteit kan negatief worden beïnvloed als hemelwater in contact komt met vervuilende stoffen en vervolgens infiltreert in de bodem of door een calamiteit als gevolg van bedrijfswerkzaamheden. Het
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
71
1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
plangebied is hoofdzakelijk in gebruik voor kantoren. Een deel van de kantoren zijn reeds gerenoveerd en geschikt als woning. Grondwaterverontreiniging kan optreden als oude uitlogende bouwmaterialen zijn gebruikt zoals zinken goten. Het is niet bekend of bij de bouw van de huidige gebouwen uitlogende materialen zijn gebruikt. Naast kantoren woningen zijn er diverse bedrijven aanwezig waaronder een meubelwinkel en meerdere autobedrijven. In het plangebied zijn daarnaast twee bovengrondse opslagtanks aanwezig. Veruit het grootste risico op grondwaterverontreiniging ontstaat bij de bedrijven. Binnen dit plangebied zijn diverse autobedrijven aanwezig waaronder twee garagebedrijven. De huidige milieuwetgeving voorkomt het lozen van stoffen in het grondwater. Echter kan altijd als gevolg van een calamiteit het grondwater vervuild raken. Voor zover bekend hebben binnen het plangebied in het verleden geen voor bodem en grondwaterverontreiniging verdachte activiteiten plaatsgevonden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het gebied ligt voor het grootste gedeelte tussen de 6070 cm. In het noordelijkste gedeelte van het plangebied ligt de GHG tussen de 90 – 100 cm. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels bebouwd.
Ten behoeve van deze bouw is het plangebied geschikt gemaakt voor bebouwing en wordt aangenomen dat het gebied in de huidige situatie voldoet aan de ontwateringsnormen. Oppervlaktewater Het gebied valt binnen het peilgebied van Maarssenbroek, zowel MBL_003 en MBL_001. In MBL_003 wordt een vast peil van NAP -1,65 gehanteerd. MBL_001 (hierin is de primaire watergang gelegen) heeft een zomerpeil van -1,00m NAP en winterpeil van -1,1m NAP
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
Figuur 7-10 Watersysteem plangebied (legger HDSR)
Riolering In het plangebied ligt een gescheiden rioolstelsel. Het vuilwater wordt afgevoerd naar de RWZI van de gemeente Utrecht. De hemelwateriolering loost deels op de in het plangebied aanwezige tertiaire watergangen en deels rechtstreeks op de primaire watergang. De afwatering van het verhard oppervlak vindt plaats via inzameling op de hemelwateriolering en deels via rechtstreekse afwatering op het oppervlaktewater.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
72
The linked image cannot be displayed. The file may have been moved, renamed, or deleted. Verify that the link points to the correct file and location.
2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029
Figuur 7-11 Hemelwater- en vuilwaterriolering (rioleringsbestand gemeente Stichtse Vecht)
Autonome ontwikkelingen De waterhuishoudkundige situatie zal als gevolg van de autonome ontwikkeling niet noemenswaardig wijzigen. Als gevolg van de omzetting van kantoorgebouwen naar woningen zal de vuilwaterstroom vanuit het plangebied toenemen. Wijzigingen aan het watersysteem worden naar verwachting alleen gedaan op basis van deze planontwikkeling. Voor de effectbeoordeling wordt de referentiesituatie gelijkgesteld aan de huidige situatie.
2030
7.7.4
Effectbeschrijving en -beoordeling
2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040 2041 2042 2043 2044 2045 2046 2047 2048 2049 2050 2051 2052
Grondwaterkwaliteit Bij nieuwbouw worden niet uitlogende materialen gebruikt. Eventuele opslagtanks worden verwijderd en de bedrijven die mogelijk een risico vormen voor het vervuilen van het grondwater worden op een andere locatie gehuisvest. Hiermee neemt het risico op grondwaterverontreiniging af. Het effect, en dan met name het lagere risico op grondwaterverontreiniging als gevolg van het plan, wordt als positief beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie (+). Grondwaterkwantiteit De geplande ontwikkelingen zullen naar verwachting geen negatieve invloeden hebben op de grondwaterstanden omdat het project geen permanente grondwateronttrekkingen dan wel -lozingen nodig maakt. Omdat het gebied ook nu al voldoet aan ontwateringsnormen is ophoging van het maaiveld of actief verlagen van de grondwaterstand (drainage) niet aan de orde. De grondwaterstand wordt dus niet actief verlaagd waardoor er ook geen extra zettingsgevaar bestaat. De watergangen zorgen aan de ene kant voor voldoende ontwatering maar ook voor het behoud van de huidige grondwaterstand. In de aanlegfase wordt mogelijk wel grondwater onttrokken ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. Zo kan het nodig zijn dat voor het aanleggen van ondergrondse parkeergarages de grondwaterstand tijdelijk verlaagd wordt.
De effecten in de directe omgeving van deze grondwateronttrekking kunnen worden gemitigeerd door technieken zoals herinfiltratie. Hierdoor wordt het verlagende effect van de onttrekking tenietgedaan. Ook kan worden gewerkt met onderwaterbeton waardoor bemaling tijdens de
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
73
2053 2054 2055 2056 2057 2058 2059 2060 2061 2062 2063 2064 2065 2066 2067 2068 2069 2070 2071 2072 2073 2074 2075 2076 2077 2078 2079 2080 2081 2082 2083 2084 2085 2086 2087 2088 2089 2090 2091 2092 2093 2094 2095 2096 2097 2098 2099 2100 2101 2102
bouwwerkzaamheden wordt geminimaliseerd. Ten tijde van het opstellen van het MER is nog niet duidelijk of bemaling nodig is en welke techniek dan wordt toegepast. Afhankelijk van de uiteindelijke keuze hoe om te gaan met het vrijkomende hemelwater kan de grondwateraanvulling wel enigszins wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Opties hiervoor zijn meer groen in het plangebied, meer onverhard terrein of half verharding en infiltratievoorzieningen. Hierdoor kan plaatselijk meer grondwater infiltreren. Tijdens neerslagperioden kan de grondwaterstand hier plaatselijk stijgen waarna deze in droge periodes weer uitzakt. Het grondwaterpeil wordt hoofdzakelijk gereguleerd door het peil in de aangrenzende watergangen. De ontwikkeling heeft geen noemenswaardige effecten op de grondwaterkwantiteit en wordt derhalve als neutraal beoordeeld (0). Oppervlaktewaterkwantiteit Om minimaal aan het stand-still principe te voldoen moet het ontwerp rekening houden met afstromend water van verhard oppervlak. Het areaal bestaand oppervlaktewater mag conform de Keur van het waterschap HDSR niet afnemen omdat dit leidt tot een afname van de waterberging. Dempingen moeten 1:1 worden gecompenseerd met nieuw oppervlaktewater. Als het verhard oppervlak toeneemt moet dit worden gecompenseerd met waterberging.
In het Stedenbouwkundig kader van randvoorwaarden voor het plan is een groen-blauw casco opgenomen en de eis dat minimaal 50% van het onbebouwde oppervlak van de bouwpercelen groen moet worden ingericht. Daarmee zal het oppervlak verharding zeker afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Als er daarnaast geen aanpassingen (verkleiningen) aan het watersysteem (oppervlaktewater) worden doorgevoerd neemt de druk op het watersysteem af. Daarnaast eist de gemeente dat bij nieuwe ontwikkelingen dat de eerste 10 mm hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt en niet wordt afgevoerd op het omliggende watersysteem. Ook dat vermindert de druk op het watersysteem. Omdat het een relatief groot plangebied is voor veel nieuwe woningen biedt de ontwikkeling voorts ook kansen voor het ontwerp van een robuust en duurzaam watersysteem. Hierbij gaat men ervan uit het hemelwater zoveel mogelijk vast te houden en te bergen/infiltreren op eigen terrein. Naast deze aanvullende berging op particuliere percelen ontstaan er ook kansen voor de aanleg van extra waterberging in de openbare ruimte. Hiermee neemt de druk op het watersysteem nog meer af. In hoeverre binnen dit plangebied invulling wordt gegeven aan de ontwikkeling van een duurzaam watersysteem hangt af van de ambities van de gemeente en ontwikkelaars.
Om bovenstaande redenen wordt het effect van het plan op het aspect oppervlaktewaterkwantiteit positief beoordeeld (+). Oppervlaktewaterkwaliteit Om minimaal aan het stand-still principe te voldoen en om de waterkwaliteit te verbeteren, moet rekening worden gehouden met het afstromend water van verhard oppervlak. Bermpassages of andere zuiverende voorzieningen kunnen hemelwater opvangen zodat het afstromend water niet direct in het oppervlaktewater terecht komt. Dit draagt bij aan het behoud van een goede waterkwaliteit Door de planontwikkeling zal minder hemelwater tot afstroming komen omdat bij nieuwbouw de eerste 10 mm wordt afgekoppeld. Daarnaast biedt de ontwikkeling kansen om het hemelwater lokaal te infiltreren of middels een bermpassage of andere zuiverende voorziening te zuiveren voordat het afstroomt naar het watersysteem. Het plan scoort daarom positief ten opzichte van de referentiesituatie (+).
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
74
2103
7.7.5
Beoordeling maatregelen
2104 2105 2106 2107 2108 2109 2110 2111 2112 2113 2114 2115 2116 2117 2118 2119 2120 2121 2122 2123 2124 2125 2126 2127 2128 2129
De effectbeoordeling laat zien dat er geen negatieve effecten op het thema water te verwachten zijn als gevolg van het plan. Randvoorwaardelijk is daarvoor dat het verhard oppervlak niet toeneemt en bestaand oppervlaktewater niet afneemt. Afhankelijk van de bouw van ondergrondse parkeervoorzieningen moeten tijdelijke grondwaterbemalingen voor bouwwerkzaamheden wel worden gemitigeerd met daarvoor beschikbare technieken (herinfiltratie of onderwaterbeton). Minstens zo belangrijk voor het aspect water zijn maatregelen om het gebied te verbeteren. Voor die opgave bestaan goede mogelijkheden die in de detailuitwerking van het plan geïntegreerd moeten worden, in afstemming met het waterschap. De mogelijkheden betreffen: • De herontwikkeling van het gebied biedt de mogelijkheid om op een meer duurzame manier om te gaan met het verwerken van hemelwater. Kansen liggen met name op het vlak van afkoppelen, infiltreren en vertraagd afvoeren. • Door de verwerking van hemelwater ruimtelijk in te bedden in het ontwerp door bijvoorbeeld het aanbrengen van extra waterberging of wadi’s kan dit een positieve bijdrage leveren aan de beleving van het plangebied. Sowieso moeten bij de nieuwbouw voorzieningen worden geïntegreerd om aan de gemeentelijke eis te voldoen om de eerste 10 mm neerslag op eigen terrein te verwerken. • Mogelijkheden voor hergebruik van hemelwater.
Indien hemelwater centraal wordt geborgen, eventueel in ondergrondse buffertanks kan dit worden hergebruikt voor beregening. • Indien er in de directe omgeving van het plangebied problemen zijn met de afvoer van hemelwater (wateroverlast) biedt deze ontwikkeling mogelijkheden om een oplossing voor deze problemen te integreren in het ontwerp. • Ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater van vervuilende oppervlaktes dienen te worden voorkomen. Door de herontwikkeling ontstaat de kans om voor deze gebieden (indien aanwezig) een apart hemelwaterafvoersysteem te ontwikkelen in combinatie met voorzuivering (bermpassages) om de waterkwaliteit te verbeteren.
2130
7.7.6
Totaaloverzicht effectbeoordeling
2131
De effectscores van het thema water zijn in onderstaande tabel weergegeven.
2132
Tabel 7-27 Overzicht effectbeoordeling water Criteria
2133 2134 2135 2136 2137 2138 2139 2140 2141 2142
Referentiesituatie
Voorkeursalternatief
Grondwaterkwaliteit
0
+
Grondwaterkwantiteit
0
0
Oppervlaktewaterkwaliteit
0
+
Oppervlaktewaterkwantiteit
0
+
Op dit moment is het plan nog niet volledig in detail uitgewerkt. Wel is duidelijk dat het plan zal zorgen voor een afname in verharding. Waterbergingscompensatie is daarom niet noodzakelijk en een positief effect op de klimaatrobuustheid van het gebied mag verwacht worden. De uitwerking van het plan biedt nog veel kansen om het plan nog klimaatadaptiever in te richten. Dit is ook de wens van het waterschap en de gemeente (motie “Klimaatadaptatie op Stedenbouwkundig kader”). Door het toepassen van zuiverende voorzieningen zoals bermpassages alvorens het hemelwater richting het oppervlaktewater afstroomt scoort het plan positief voor de waterkwaliteit.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
75
2143 2144 2145 2146 2147 2148 2149 2150 2151 2152 2153 2154 2155 2156
Er worden geen effecten verwacht op de grondwaterstanden. Omdat het potentieel licht verontreinigd verhard oppervlak afneemt, er bij nieuwbouw geen uitlogende materialen worden gebruikt en bij de afstroming gebruik wordt gemaakt van zuivering in de toplaag worden scoort de ontwikkeling positief op de grondwaterkwaliteit. Bij de nadere uitwerking van het plangebied wordt geadviseerd de volgende vervolgonderzoeken uit te voeren: • Bepalen invloed ontwikkeling op beschikbare capaciteit vuilwaterstelsel (niet onderzocht in het kader van deze m.e.r.); • Nadere uitwerking infiltratie- en bergingsvoorzieningen in openbaar gebied; • Mogelijkheden onderzoeken om extra aanleg oppervlaktewater aan te leggen om het plan nog klimaatrobuuster te maken. • Na uitwerking van het plangebied een klimaatstresstest uit te voeren om te toetsen hoe het systeem reageert bij een bui van 70 mm in 1 uur (klimaatbui).
2157
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
76
2158
7.8
Natuur
2159 2160 2161 2162 2163 2164
De beoordeling ten aanzien van Natuur vindt plaats aan de hand van de criteria Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, beschermde soorten en gemeentelijke groenstructuur. De effecten die het voorkeursalternatief kan veroorzaken zijn verstoring door geluid, licht en menselijke activiteit en door een toename van stikstofdepositie. Andere effecten als verontreiniging, ruimtebeslag, verdroging en optische verstoring worden niet veroorzaakt door de voorgenomen ontwikkeling en zijn daarmee niet aan de orde.
2165
7.8.1
2166 2167 2168 2169
Kader van relevant beleid, wet- en regelgeving In onderstaande tabel is het relevante beleid, wet- en regelgeving voor het aspect Natuur weergeven, met daarbij de relevantie voor dit MER.
2170
Tabel 7-28 Relevant beleid, en wet- en regelgeving voor het aspect natuur
Uitgangspunten
Naam beleid/ wet/ regelgeving
Beknopte inhoud + relevantie voor MER
Nationale regelgeving Wet natuurbescherming – Natura 2000
De wet heeft tot doel om een samenhangend Natura 2000-netwerk te realiseren om de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa te stoppen. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden aangewezen met daarbij specifieke instandhoudingsdoelstellingen. Het plangebied ligt op circa 3 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Onderzocht wordt of het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied aantast en of met maatregelen de uitvoerbaarheid van het plan geborgd kan worden. Eerst wordt dit onderzocht in een zogeheten voortoets. Als significant negatieve effecten daarin niet zijn uit te sluiten moet een passende beoordeling uitgevoerd worden.
Wet natuurbescherming – soorten
De wet beschermt verschillende in het wild levende planten- en diersoorten. Er zijn verschillende beschermingscategorieën. In het plangebied komen beschermde soorten voor en in het MER wordt onderzocht of het functionele leefgebied van de verschillende soorten aangetast wordt en of daarmee de duurzame instandhouding van de soort in het geding komt. Zo nodig worden mitigerende of compenserende maatregelen voorgesteld.
Provinciale/ regionale regelgeving Natuurnetwerk Nederland
Het beleid omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in de Omgevingsvisie en -verordening van de Provincie Utrecht. De doelstelling is om een samenhangend natuurnetwerk te realiseren om zo bij te dragen aan het tegengaan van de achteruitgang van de biodiversiteit in Nederland. Het plangebied ligt op circa 1,5 kilometer van het dichtstbijzijnde NNN-gebied en voorziet daarmee niet tot bestemmingswijzigingen binnen het NNN. Gezien de aard van de ingreep en de afstand tot het plangebied zijn negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland op voorhand uit te sluiten. Een toetsing aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening is daarmee niet nodig. Het Natuurnetwerk Nederland wordt daarom in de verdere beoordeling niet meegenomen.
Gemeentelijke regelgeving Groen Structuur Plan, gemeente Stichtse Vecht Het groenstructuurplan geeft inzicht in de beeld- en kwaliteitsbepalende groenvoorzieningen en geeft deze schematisch op kaart weer. Aangegeven is welke waardevolle groenstructuur in de gemeente Stichtse Vecht aanwezig is waar bij de ontwikkeling ruimtelijke plannen zoveel mogelijk rekening mee gehouden moet worden. De groenstrook ten zuiden van het plangebied is aangewezen als ecologisch groen. De sloten rondom het plangebied zijn aangewezen als natte en droge verbinding. De inhoud van het Groen Structuur Plan is bindend voor de gemeente Stichtse Vecht. Er kan gemotiveerd vanaf geweken worden.
2171
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
77
2172 2173 2174 2175 2176
Het studiegebied wordt bepaald door de reikwijdte van de effecten in relatie tot de bovenstaande relevante wet- en regelgeving. Dit verschilt dus per beoordelingscriterium. Voor Natura 2000-gebieden bijvoorbeeld wordt het studiegebied bepaald door de reikwijdte van stikstofdepositie tot in de Oostelijke Vechtplassen. Dit kan daarmee beschouwd worden als het grootste studiegebied voor natuur. Uitgangspunten AERIUS-berekeningen Om het projecteffect van het plan in beeld te brengen wordt de depositiebijdrage van het wegverkeer in de situatie na de realisatie van de ontwikkeling van de Planetenbaan en Het Kwadrant vergeleken met de autonome ontwikkeling (referentiesituatie). Voor de beoordeling van de effecten op de stikstofdepositie is gekeken naar het jaar 2030. In de AERIUS-berekeningen zijn de wegen van het onderliggend wegennet (OWN) meegenomen waar een toe- of afname is van 250 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting of meer. Daarnaast zijn ook de wegen van het hoofdwegennet (HWN) meegenomen waar een toe- of afname is van 500 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting of meer. Wegen waarop een kleinere verkeerstoename plaatsvindt worden niet in het rekenmodel opgenomen omdat wordt verondersteld dat deze hoeveelheden verkeer binnen de onnauwkeurigheid van het verkeersmodel vallen.
Voor de wegkenmerken is uitgegaan van de gegevens uit de NSL Monitoringstool (MT2020, jaar 2030). De emissies van het wegverkeer zijn gemodelleerd als lijnbron. AERIUS zet deze lijnbron om naar puntbronnen en berekent per puntbron de totale verkeersemissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) op basis van de ingevoerde gegevens (wegkenmerken, intensiteiten en voertuigtypen) en de gegevens in de AERIUS-database (emissiefactoren).
2177 2178
7.8.2
2179 2180 2181 2182 2183 2184 2185 2186 2187
In deze paragraaf worden het beoordelingskader en de onderzoeksmethode beschreven. Door het hanteren van een beoordelingskader worden de huidige situatie en referentiesituatie op gelijke wijze beschreven als de effecten van het alternatief, zodat een duidelijke vergelijking en beoordeling plaatsvindt.
2188
Beoordelingskader en onderzoeksopzet
Analysemethode, bronnen en benodigde gegevens Voor de effectbeoordeling van het voorkeursalternatief is in onderstaande tabel aangegeven welke analyses per criterium uitgevoerd worden. Tevens is aangegeven welke gegevens hiervoor nodig zijn en welke bronnen gebruikt zijn. Tabel 7-29 Aanpak per beoordelingscriterium Criteria
Analysemethode
Te gebruiken gegevens (beschikbaar en nog nodig)
Natura 2000
Bepalen van effect van het plan op de natuurlijke kenmer- • ken van het Natura 2000-gebied: • Toename stikstofdepositie, kwantitatief • • Overige storingsfactoren zijn niet aan de orde, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.
Staat van instandhouding en gevoeligheden instandhoudingsdoelstellingen. Aerius-berekeningen
Beschermde soor- Bepalen aantasting/versterking functionele leefgebied van Meest recente verspreidingsgegevens (NDFF). ten beschermde soorten, kwalitatief Bestaande inventarisatiegegevens: • Uitgevoerde quickscan binnen het deelgebied Het Kwadrant, 2021
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
78
Gemeentelijke groenstructuur
2189 2190 2191 2192 2193 2194 2195 2196 2197 2198 2199 2200 2201 2202 2203 2204 2205 2206 2207 2208 2209 2210 2211 2212 2213 2214 2215 2216 2217 2218 2219 2220 2221 2222 2223
Bepalen mate van inpassing gemeentelijke groenstructuur, kwalitatief
•
Groen Structuur Plan (Gemeente Stichtse Vecht, 2017).
De voorgenomen activiteit heeft mogelijk negatieve gevolgen op de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied, onderverdeeld naar Natura 2000-gebieden, wettelijk beschermde soorten, Natuurnetwerk Nederland en het Groen Structuur Plan van de gemeente Stichtse Vecht. Bij de beoordeling van deze criteria wordt bijvoorbeeld gekeken naar effecten op ruimtebeslag (verlies van leef-, broed- of foerageergebied), stikstofdepositie, verstoring door geluid en licht, en effecten op ecologische relaties (barrièrewerking). Ook wordt in beeld gebracht welke kansen het voornemen biedt voor versterking van de natuur in en om het plangebied. Hierna volgt een korte beschrijving van de beoordeling van de verschillende te toetsen criteria. Bij de beoordeling van de verschillende te toetsen criteria wordt naar zowel permanente als tijdelijke effecten gekeken. Vanwege de afstand van 1,5 kilometer tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is er op voorhand geen strijdigheid met de Provinciale Ruimtelijke verordening. Het NNN is daarom niet meegenomen als beoordelingscriterium. Natura 2000-gebieden (H2 Wet natuurbescherming) Voor dit beoordelingscriterium zijn scores toegekend op basis van de gevolgen die de ontwikkelingen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Het effectonderzoek voor dit MER kan gezien worden als voortoets waarin de vraag is of significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Beschermde soorten (H3 Wet natuurbescherming) De scores voor dit beoordelingscriterium zijn toegekend op basis van de invloed van het voorkeursalternatief op beschermde soorten en hun leefgebieden. Er is aan de hand van bureauonderzoek in beeld gebracht welke beschermde soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Het voornemen kan leiden tot het verwijderen van beplanting. Op basis van deze informatie is verkend in welke mate met het plan leefgebieden van soorten worden aangetast (en daarmee wettelijke verbodsbepalingen worden overtreden), en in hoeverre deze effecten kunnen worden voorkomen of beperkt. Anderzijds kan de landschappelijke inpassing van het plan leiden tot het creëren van nieuw leefgebied voor beschermde soorten. Gemeentelijke groenstructuur In het zuiden van het plangebied en daaraan aansluitend ligt een gebied dat onderdeel is van het Groen Structuur Plan van de gemeente Stichtse Vecht. Een zeer positieve score wordt toegekend aan een plan dat in belangrijke mate bijdraagt aan het versterken van deze groenelementen. Een plan dat op dit criterium zeer negatief scoort heeft belangrijke negatieve effecten op de groenstructuur.
Tabel 7-30 Beoordelingscriteria natuur Beoordelingscriteria
Beoordeling
Natura 2000-gebieden
Kwantitatief
Beschermde soorten
Kwantitatief
Gemeentelijke groenstructuur
Kwalitatief
2224 2225
Voor de vertaling van de effectanalyse naar de +/- beoordeling is de volgende schaal gehanteerd:
2226
Tabel 7-31 Effectscores voor het criterium Natura 2000-gebieden Codering
Omschrijving
Natura 2000-gebieden
++
Zeer positief effect
Draagt in belangrijke mate bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen
+
Positief effect
Draagt bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen
15 augustus 2022