Voorontwerp Bp Ruimtekwartier - MER Planetenbaan en Het Kwadrant concept 20220815.pdf
Tekst van het document
Nadere beschouwing van de meest voorname kruispunten, kijkend naar de kruispuntanalyses uit het “Mobiliteitsonderzoek Maarssenbroek” en de verkeersintensiteiten zoals in het voorliggende planalternatief berekend, levert het volgende beeld op:
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
36
833 834 835 836 837 838 839 840 841 842 843 844 845 846 847 848 849 850 851 852 853 854 855 856
• •
•
•
•
•
Het kruispunt Ruimteweg – Burg. Waverijnweg kan naar verwachting de verkeersstromen in het planalternatief verwerken; De kruispunten van de Ruimteweg met de Kometenweg, met de Maarssenbroekseslag en met de Meteorenweg, vragen nadere bestudering en naar verwachting noodzaak tot aanpassingen, om de toename in verkeersstromen adequaat te kunnen verwerken. Voor alle drie kruispunten bedraagt de toename van het verkeer van het planalternatief ten opzichte van de referentiesituatie circa 40%; Het kruispunt Maarssenbroeksedijk – Meteorenweg – Computerweg vraagt nadere bestudering of deze de nieuwe verkeersstromen kan verwerken (de Computerweg zit niet opgenomen in het verkeersmodel, maar de toenames op beide andere wegen zijn fors); Het kruispunt Ruimteweg – Floraweg – Lageweidseslag vraagt nadere bestudering of deze de nieuwe verkeersstromen kan verwerken (dit kruispunt is niet bestudeerd in het genoemde ‘Mobiliteitsonderzoek’, maar de verkeerstoenames in het planalternatief zijn volgens het verkeersmodel aanzienlijk); Het kruispunt Maarssenbroeksedijk – Nijverheidsweg – Kometenweg zit niet opgenomen in het verkeersmodel, maar gezien de bestaande activiteiten aan de Nijverheidsweg, de planontwikkeling én de ontwikkeling van Goodmann is het zeer wel mogelijk dat op dit kruispunt problemen zullen optreden; Op de overige kruispunten lijkt de verkeerstoename (relatief) beperkt en geen
reden om vanuit deze studie maatregelen te moeten nemen.
Bovenstaande effectanalyse geeft aan dat er ten gevolge van het planalternatief extra verkeer komt, die op bepaalde kruispunten naar verwachting negatieve effecten zal geven in termen van verkeersafwikkeling, waardoor aanvullende maatregelen (kruispuntaanpassingen of maatregelen die autoverkeer wegtrekken) nodig zullen zijn. Dit betekent dat zonder nadere maatregelen de bereikbaarheid voor het gemotoriseerde verkeer zal verslechteren. Daarmee resulteert dit in een negatieve beoordeling op dit aspect (-).
857
7.1.4.2 Bereikbaarheid per openbaar vervoer
858 859 860 861 862 863 864 865 866 867 868 869 870
In de referentiesituatie beschikt het plangebied over een aantal bushaltes aan de Ruimteweg, waarmee toegang ontstaat tot enkele ontsluitende buslijnen (lijn 38, lijn 48 en lijn 428). In het ‘Stedenbouwkundig Kader’ wordt voor een goede OV-positionering van de wijk gepleit en vertaald in (het handhaven van) een goede busverbinding richting het station van Maarssen en Utrecht en het aansluiten van langzaam verkeerroutes in het plangebied, die goed aansluiten op de bushaltes. Letterlijk staat in het kader dat “voor de goede bereikbaarheid van de bestaande bushaltes elk deelgebied een directe en overzichtelijke langzaam verkeersverbinding naar de nabijgelegen bushalte heeft”. Ten aanzien van de bereikbaarheid per openbaar vervoer verandert er in het planalternatief in die zin weinig ten opzichte van de referentiesituatie; alleen een ‘garantie’ dat de langzaam verkeersverbindingen goed aansluiten bij de bestaande bushaltes. Dit alles leidt tot een neutrale effectbeoordeling (0).
871
7.1.4.3 Bereikbaarheid voor langzaam verkeer
872 873 874 875 876 877 878 879
In het ‘Stedenbouwkundig Kader’ is het beoogde ontsluitingsverkeer voor het langzaam verkeer, fietsers en voetgangers, nader geduid, zie Figuur 7-5. Onderdeel van het plan is een investering in langzaam verkeersverbindingen, in aansluiting op de (bestaande) hoofdfietsroutes in het gebied en mede voor een optimale verbinding richting het station, via de fietsroutes of via de bushaltes in het gebied. Voorzien is een flinke uitbreiding van voetgangersverbindingen en fietsverbindingen in het plangebied, zoals te zien is in Figuur 7-5. Voor de ontwikkeling van het deelgebied Het Kwadrant zijn twee ongelijkvloerse oversteken naar Planetenbaan-zuid en het plan Haagstede
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
37
880 881
905 906
907 908 909 910
voorzien voor voetgangers en fietsers (een langzaam verkeersbrug). Een visualisatie hiervan is te zien in Figuur 7-6.
882 883 884 885 886 887 888 889 890 891 892 893 894 895 896 897 898 899 900 901 902 903 904
Figuur 7-5: Verkeersstructuur langzaam verkeer plangebied (bron: Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden)
Figuur 7-6: Beoogde langzaam verkeersbrug tussen Het Kwadrant en Planetenbaan-zuid (bron: Stedenbouwkundig Kader en Randvoorwaarden)
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
38
911 912 913
Met deze aanpassingen wordt de bereikbaarheid voor het langzaam verkeer in en om het plangebied goed gefaciliteerd en verbetert deze duidelijk ten opzichte van de referentiesituatie (++).
914
7.1.4.4 Verkeersveiligheid
915 916 917 918 919 920 921 922 923 924 925 926 927 928 929 930 931
Er zijn enkele aspecten binnen het planalternatief, die effect (kunnen) hebben op de verkeersveiligheid. Theoretisch geeft een toename van verkeer, in dit geval ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkelingen, meer risico’s voor de verkeersveiligheid, omdat het aantal voertuigbewegingen toeneemt. Zo lang deze verkeersstromen goed, met adequate weginfrastructuur worden afgehandeld (duurzaam veilig verkeerssysteem en weginrichting), is er geen direct effect op de verkeersveiligheid. Het eerder benoemde risico van onvoldoende verkeersafwikkeling op de kruispunten is dat wel; indien de capaciteit van een kruispunt onvoldoende is om de verkeersvraag goed af te wikkelen, zullen automobilisten genegen zijn meer risico’s te nemen. Dit is een negatief effect voor de verkeersveiligheid (zonder nadere maatregelen). Een positief onderdeel van het plan voor de verkeersveiligheid betreft de voorgenomen investeringen en beoogde structuur voor het langzaam verkeer. Deze structuur is van het gemotoriseerde verkeer gescheiden en zeker met de realisatie van de langzaam verkeersbrug wordt het aantal potentiële conflicten verminderd. Dit geeft een positief effect voor de verkeersveiligheid. In de totaalbeoordeling resulteert hiermee een neutrale score op het aspect verkeersveiligheid (0).
932
7.1.5
Beoordeling maatregelen
933 934 935 936 937 938 939 940 941 942 943 944 945 946 947 948 949 950 951 952 953 954 955 956 957
Om de bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer in het planalternatief op orde te houden zijn mitigerende maatregelen nodig, met name om de verkeersafwikkeling op de kruispunten te waarborgen. Maatregelen kunnen gezocht worden in het beïnvloeden van de verkeersvraag, opdat er minder autoverkeer op de kruispunten komt. Mobiliteitsbeleid, met sterke inzet op alternatieve vervoerwijzen fiets en openbaar vervoer, moet hiervoor de basis zijn. Parkeerbeleid (striktere parkeernormering) en mogelijk zelfs beperkingen in capaciteit voor auto-infrastructuur zijn hiervoor mogelijk in te zetten middelen. Dit moet uiteraard plaatsvinden in de context van een (nieuwe) gemeentelijke mobiliteitsvisie en daaruit volgend beleid en uitvoeringsprogramma. Mogelijk kan de druk op de kruispunten ook enigszins verlicht worden door te sturen op een andere routering, zodat verkeersstromen zich anders, beter verdelen over het wegennet. Zonder dwingende maatregelen (eenrichtingsverkeer, aanpassing van ontsluiting van bedrijventerreinen) is deze maatregel naar verwachting beperkt effectief, omdat automobilisten met hulp van navigatie veelal makkelijk de kortste en snelste routes vinden. Tenslotte, indien de verkeersvraag niet (voldoende) wijzigt is het opwaarderen van de kritische kruispunten de voor de hand liggende mitigerende maatregel.
Dit betekent dat extra opstelstroken voorzien worden op kruispunten, om de verkeersvraag te kunnen verwerken. Zonder maatregelen zou de verkeersafwikkeling, de doorstroming op deze kruispunten substantieel verslechteren ten opzichte van de referentiesituatie, met risico’s op serieuze wachtrijvorming en congestie in de spitsperiodes. De exacte maatregelen moeten volgen uit nadere, specifiekere kruispuntanalyses. Het betreft de volgende kruispunten: • Ruimteweg – Kometenweg; • Ruimteweg – Maarssenbroekseslag; • Ruimteweg – Meteorenweg;
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
39
958 959 960 961 962 963 964 965 966 967 968 969
• • •
Maarssenbroeksedijk – Meteorenweg – Computerweg; Maarssenbroeksedijk – Nijverheidsweg – Kometenweg; Ruimteweg – Floraweg – Lageweidseslag.
Met het nemen van passende maatregelen kan de negatieve effectscore op autobereikbaarheid verbeterd worden tot neutraal (0) en de neutrale effectbeoordeling voor verkeersveiligheid tot positief (+). Met het voorzien en treffen van maatregelen moet ook het tijdsaspect in ogenschouw genomen worden; de geïdentificeerde afwikkelingsproblemen treden pas in de loop van de jaren op. Monitoring en fasering van mogelijke aanpassingen aan kruispunten is relevant, in samenhang met eventueel nieuw mobiliteitsbeleid en de effecten daarvan.
970
7.1.6
Totaaloverzicht effectbeoordeling
971 972 973
In onderstaande tabel is de hierboven toegelichte effectbeoordeling samengevat voor het planalternatief. Tussen haakjes staan de scores aangegeven inclusief de maatregelen, zoals genoemd in de voorgaande paragraaf.
974
Tabel 7-5 Overzicht effectbeoordeling verkeer Criteria
975 976 977 978 979 980 981 982 983 984 985 986 987 988 989
Referentie
Planalternatief
Bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer
0
- (0)
Baarheid per openbaar vervoer
0
0
Bereikbaarheid voor langzaam verkeer
0
++
Verkeersveiligheid
0
0 (+)
De belangrijkste conclusies vanuit het deelonderzoek verkeer zijn de volgende: • Het planalternatief zorgt voor een aantal kruispunten in het plangebied en direct daar aangrenzend voor problemen met de verkeersafwikkeling (in spitsperiodes) ten gevolge van de verkeerstoename. • Deze knelpunten zijn oplosbaar door aanpassingen van de kruispunten, in de vorm van verkeersregelingen, maar naar verwachtingen is in veel gevallen aanpassing van de kruispunt lay-out (aantal opstelstroken) noodzakelijk. Nader, specifiek onderzoek is nodig om vast te stellen welke aanpassingen nodig zijn om een acceptabele verkeersafwikkeling te waarborgen. Alternatieve mogelijkheden zijn een aangescherpt mobiliteitsbeleid, met sterke(re) sturing op gebruik van andere modaliteiten (fiets, OV) en restricties voor gebruik van de auto, met name door een strikter parkeerbeleid (normering). • Het planalternatief zorgt anderzijds voor een duidelijk positief effect ten aanzien van de bereikbaarheid voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers), omdat voor deze doelgroepen specifieke verbindingen en voorzieningen zijn opgenomen in het plan. Indirect profiteert hiervan ook het aspect verkeersveiligheid.
990
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
40
991
7.2
Wegverkeerlawaai
992
PM: onderzoek wegverkeerlawaai wordt momenteel geactualiseerd aangevuld.
993
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
41
994
7.3
Luchtkwaliteit
995 996 997 998 999 1000 1001
De verbrandingsmotoren van wegverkeer emitteren luchtverontreinigende stoffen, zoals stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM10 en PM2.5), waardoor de concentraties van deze stoffen in de lucht in de omgeving worden beïnvloed. De realisatie van de woningen leidt tot een verkeerstoename op de omliggende wegen waardoor het van invloed is op de luchtkwaliteit in de omgeving. In het kader van dit MER en de vigerende wet- en regelgeving, is met modelberekeningen het effect op de luchtkwaliteit in beeld gebracht.
1002
7.3.1
1003 1004 1005 1006 1007 1008 1009 1010 1011 1012 1013 1014 1015 1016 1017 1018 1019 1020 1021 1022 1023 1024 1025 1026 1027 1028 1029 1030 1031 1032 1033 1034 1035 1036 1037 1038 1039 1040 1041
Wettelijk kader en beleidskader De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) en de onderliggende regelgeving in AMvB’s (Algemene Maatregel van Bestuur) en Ministeriële regelingen.
Uitgangspunten
Wet milieubeheer titel 5.2 Wat betreft luchtkwaliteit geeft de Wm de volgende grondslagen voor bestuursorganen om hun bevoegdheden uit te oefenen: 1. er is geen sprake van overschrijding van grenswaarden (art. 5.16, eerste lid, sub a); 2. er is sprake van een niet in betekenende mate bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 eerste lid, sub c); 3. er is sprake van overschrijding van grenswaarden, maar als gevolg van de uitoefening is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 eerste lid, sub b onder 1); 4. er is sprake van overschrijding van grenswaarden, maar ten gevolge van een door de uitoefening optredend effect of een samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 eerste lid, sub b onder 2); 5. de uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 eerste lid, sub d). Wanneer een plan of project voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. Wanneer het plan of project de ontwikkeling van een gevoelige bestemming betreft, dan zijn ook art.
5.16a uit de Wet milieubeheer en de bepalingen uit het Besluit gevoelige bestemmingen van toepassing. In dit onderzoek wordt getoetst op de eerste grond: er is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden. Grenswaarden In bijlage 2 bij de Wm zijn grenswaarden opgenomen voor concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht voor de bescherming van de gezondheid van de mens. Voor grenswaarden geldt dat het voorgeschreven kwaliteitsniveau moet zijn bereikt en vervolgens in stand moet worden gehouden. In Tabel 7-14 zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) aangegeven. Naast de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn in Tabel 7-14 de advieswaarden opgenomen die in het najaar van 2021 zijn aangescherpt door de wereldgezondheid organisatie (WHO). De WHO-advieswaarden geven een gezonde concentratie waarnaar overheden kunnen streven. Bij deze advieswaarden zijn ook een viertal tussenstappen benoemd, voor gebieden die nog niet aan de advieswaarden kunnen voldoen.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
42
1042 1043
Tabel 7-6 Grenswaarden en WHO-advieswaarden Stof
Criterium
Grenswaarde (µg/m3)
WHO-advieswaarde (µg/m3)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
10 µg/m3
Uurgemiddelde concentratie
200 µg/m3 (mag maximaal 18 keer per jaar worden overschreden)
-
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
15 µg/m3
PM10
Etmaalgemiddelde concentratie
50 µg/m3 (mag maximaal 35 keer per jaar worden overschreden)
45 µg/m3 (3 à 4 overschrijdingen per jaar)
PM2.5
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
5 µg/m3
NO2
1044 1045 1046 1047 1048 1049 1050 1051 1052 1053 1054 1055 1056 1057 1058 1059 1060 1061 1062 1063 1064 1065 1066 1067 1068 1069 1070 1071 1072 1073 1074 1075 1076
De concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) zijn in Nederland maatgevend voor de luchtkwaliteit, waarbij voor NO2 specifiek de jaargemiddelde concentratie maatgevend is en voor PM10 het aantal dagen met een te hoge 24-uurgemiddelde concentratie. Wanneer deze grenswaarden niet worden overschreden, wordt ook aan de grenswaarden voor uurgemiddelde concentratie NO2 en jaargemiddelde concentratie PM10 voldaan. Ten aanzien van de overige stoffen waarvoor in de Wm grenswaarden zijn opgenomen 4, zijn in het laatste decennium nergens in Nederland normoverschrijdingen opgetreden en vertonen de concentraties een dalende trend 5. Dit beeld wordt bevestigd door metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM 6. Daarmee is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat ten gevolge van dit project de grenswaarden voor andere stoffen dan NO2, PM10 en PM2,5 overschreden worden. Toepasbaarheidsbeginsel In artikel 5.19, 2e lid, Wm is het toepasbaarheidsbeginsel opgenomen. Dit artikel geeft aan waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden, namelijk: 1. Op locaties die zich bevinden in gebieden die niet publiekelijk toegankelijk zijn en waar geen vaste bewoning is; 2.
Op terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6, 2de lid Wm, van toepassing zijn; 3. Op de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: Rbl 2007) beschrijft op welke wijze de concentraties van luchtverontreinigende stoffen, genoemd in Bijlage 2 van de Wm, moeten worden berekend en gemeten. Daartoe zijn in de Rbl 2007 bepalingen opgenomen met betrekking tot de generieke invoergegevens en de rekenmethoden die gebruikt moeten worden bij concentratieberekeningen. Ook bevat de regeling bepalingen met betrekking tot de locatie waar de concentraties vastgesteld moeten worden van luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in Bijlage 2 van de Wm. In artikel 22, eerste lid, sub a van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl2007) zijn daarnaast bepalingen opgenomen die ingaan op de representativiteit van reken- en meetpunten. Kortweg kan gezegd 4
Zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood, ozon, arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en stikstofoxiden. CBS, PBL, Wageningen UR (2013), www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen 6 RIVM, Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2012, RIVM Rapport 680704013/2013 5
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
43
1077 1078 1079 1080 1081 1082 1083 1084 1085 1086 1087 1088 1089 1090 1091 1092 1093 1094 1095 1096 1097 1098 1099 1100 1101
worden dat reken- en meetpunten gesitueerd moeten worden op locaties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is. Dit wordt het vereiste van de significante blootstelling genoemd. Besluit en regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Projecten waarvan aannemelijk is gemaakt dat ze niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, kunnen conform de Wm gerealiseerd worden, zelfs wanneer sprake zou zijn van overschrijding van grenswaarden. Hiervoor wordt een maximale verslechtering gehanteerd van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Dit betekent een NIBM-bijdrage voor zowel NO2 en PM10 van maximaal 1,2 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie. Besluit gevoelige bestemmingen Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd. Het besluit trad op 16 januari in werking. Deze Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen.
Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoeligheid zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Het besluit maakt gebruik van zones gemeten vanaf de rand van de weg. Deze zijn aan weerszijde 300 m breed bij rijkswegen en 50 m bij provinciale wegen. Studiegebied Het studiegebied beperkt zich tot de zone van 500 meter rondom het plangebied. Het studiegebied is weergegeven in Figuur 7-9. Figuur 7-7 Studiegebied luchtkwaliteit
1102
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
44
1103
7.3.2
Beoordelingskader en onderzoeksopzet
1104 1105 1106 1107 1108 1109 1110 1111 1112
In deze paragraaf worden het beoordelingskader en de onderzoeksmethode beschreven. Door het hanteren van een beoordelingskader worden de huidige situatie en referentiesituatie op gelijke wijze beschreven als het effect van de beoogde ontwikkeling, zodat een duidelijke vergelijking en beoordeling plaatsvindt.
1113
Tabel 7-7 Beoordelingscriteria luchtkwaliteit
Beoordelingskader Het thema luchtkwaliteit wordt beoordeeld op basis van het projecteffect op de concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) bij woningen. De beoordelingscriteria zijn weergegeven in Tabel 7-15.
Aspect
Beoordelingscriteria
Beoordeling
Luchtkwaliteit
Effect op jaargemiddelde NO2-concentratie bij woningen
Kwantitatief
Effect op jaargemiddelde PM10-concentratie bij woningen
Kwantitatief
Effect op jaargemiddelde PM2.5-concentratie bij woningen
Kwantitatief
1114 1115 1116 1117 1118 1119 1120 1121 1122
Onder een significante toe- of afname van concentratie wordt normaliter 1,2 μg/m³ verstaan (de grens van Niet in betekende mate). In dit project worden de veranderingen in luchtkwaliteit bij kleinere concentratieverschillen (0,4 μg/m³) inzichtelijk gemaakt. De gehanteerde beoordelingsschaal is weergegeven in Tabel 7-16. Voor NO2, PM10 en PM2,5 worden dezelfde concentratieklassen aangehouden. Wanneer er woningen zijn met zowel een relevante verbetering als een relevante verslechtering, wordt uitgegaan van de verschillen in verbeteringen en verslechtering. Bij de bepaling van de effectscore voor het thema luchtkwaliteit wordt de score aangehouden van de stof (NO2, PM10 of PM2,5) waarbij de grootste effecten optreden.
1123
Tabel 7-8 Beoordelingsschaal luchtkwaliteit Score
1124 1125 1126 1127 1128 1129 1130 1131 1132 1133 1134
Verklaring
Luchtkwaliteit
++
Zeer positief effect
5 % of meer van de woningen en/of gevoelige bestemmingen heeft een verbetering van meer dan 0,4 µg/m3
+
Positief effect
1 - 5 % van de woningen en/of gevoelige bestemmingen heeft een verbetering van meer dan 0,4 µg/m3
0
Geen/neutraal effect
< 1 % van de woningen en/of gevoelige bestemmingen heeft een verandering van meer dan 0,4 µg/m3
-
Negatief effect
1 - 5 % van de woningen en/of gevoelige bestemmingen heeft een verslechtering van meer dan 0,4 µg/m3
--
Zeer negatief effect
5 % of meer van de woningen en/of gevoelige bestemmingen heeft een verslechtering van meer dan 0,4 µg/m3
Juridische maakbaarheid Naast de beoordeling in het kader van het MER wordt er ook beoordeeld of de beoogde ontwikkeling voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Het project voldoet aan de luchtkwaliteitseisen (is juridisch haalbaar) als het project in overeenstemming is met artikel 5.16, eerste lid, sub a Wm betreffende de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5. Luchtkwaliteit plangebied Voor de beoordeling in het kader van het MER wordt gekeken naar de luchtkwaliteit ter hoogte van de woningen buiten het plangebied. Daarnaast zal ook de luchtkwaliteit binnen het plangebied inzichtelijk worden gemaakt.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
45
1135 1136 1137 1138 1139 1140 1141 1142 1143 1144 1145 1146 1147 1148 1149 1150 1151 1152 1153 1154 1155 1156 1157 1158
1159 1160 1161
Beoordelingsmethodiek Modelberekeningen vormen de basis voor de effectbeoordeling. De onderzochte stoffen zijn NO2, PM10 en PM2.5. In het onderzoek worden de situaties na de realisatie van ontwikkeling van de Planetenbaan en Het Kwadrant vergeleken met de autonome ontwikkeling (referentiesituatie). Uit deze vergelijking wordt duidelijk wat de effecten zijn van de beoogde ontwikkeling. Voor de beoordeling van de effecten op de luchtkwaliteit is gekeken naar het jaar 2030. Wegen en kenmerken Bij de concentratieberekening zijn alle wegen binnen het studiegebied meegenomen aangevuld met alle omliggende wegen die relevant zijn voor de luchtkwaliteit 7 (tot 5 km vanaf het studiegebied) en vallen binnen het toepassingsbereik van SRM2. Voor de ligging van de wegen in de plansituatie en de overige wegen, is uitgegaan van het verkeersmodel. Voor de wegkenmerken van de overige wegen en is uitgegaan van de gegevens uit de NSL Monitoringstool (MT2020, jaar 2030). Modellering luchtkwaliteit De modelberekeningen zijn uitgevoerd met de AERIUS lucht rekentool (versie 2021) met als zichtjaar 2030. Met dit verspreidingsmodel kunnen berekeningen worden uitgevoerd voor wegen die vallen onder het toepassingsbereik van standaard rekenmethode 1 (SRM1, wegen in binnenstedelijk gebied) en standaard rekenmethode 2 (SRM2, wegen in buitenstedelijk gebied).
De concentraties van PM2.5, PM10 en NO2 zijn berekend ter hoogte van de woningen en NSL-toetspunten binnen het studiegebied. De rekenpunten zijn weergegeven in Figuur 7-10.
Figuur 7-8 Rekenpunten
7
Alle wegen die tevens zijn opgenomen in de NSL Monitoringstool zijn meegenomen in de modelberekeningen
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
46
1162
7.3.3
Referentiesituatie
1163 1164 1165 1166 1167 1168 1169 1170 1171 1172 1173
Huidige situatie Om een beeld te geven van de luchtkwaliteit in de huidige situatie is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringtool (monitoringsronde 2021, zichtjaar 2020). Hierbij is gekeken naar de concentraties ter hoogte van de NSL-toetspunten. De minimale en maximale concentraties in de huidige situatie ter hoogte van de NSL-toetspunten in het studiegebied zijn weergegeven in tabel 7-17. In de huidige situatie liggen de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties ruim onder de desbetreffende grenswaarden. Ter hoogte van de NSL-toetspunten wordt nergens voldaan aan de WHO-advieswaarde voor NO2, PM10 en PM2.5. Tabel 7-9: Luchtkwaliteit ter hoogte van NSL-toetspunten – huidige situatie NO2-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM10-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM2.5-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
Grenswaarden
40
40
25
WHO-advieswaarden
10
15
5
18,1 - 26,4
17,0 - 17,9
9,2 - 9,8
Huidige situatie
1174 1175 1176 1177 1178 1179 1180 1181 1182 1183 1184 1185 1186 1187
Autonome ontwikkeling (referentiesituatie) De minimale en maximale concentraties ter hoogte van de NSL-toetspunten en woningen bij de autonome ontwikkeling in 2030 (referentiesituatie) zijn weergegeven in tabel 7-18. Uit de resultaten van de modelberekeningen blijkt dat de maximale NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties bij de NSL-toetspunten, door de dalende achtergrondconcentraties en verkeersemissie, veel lager zijn dan in de huidige situatie. In 2030 wordt overal voldaan aan de grenswaarden voor de concentraties NO2-, PM10- en PM2.5. Voor NO2 en PM2,5 wordt nog nergens voldaan aan de WHO-advieswaarden uit 2021. Voor beide stoffen zitten de concentraties in de laatste tussenstap voor het op den duur voldoen aan deze advieswaarden. De concentraties van PM10 voldoen al wel deels aan de nieuwe WHO-advieswaarden. Tabel 7-10: Luchtkwaliteit ter hoogte van NSL-toetspunten en woningen – autonome ontwikkeling 2030 NO2-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM10-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM2.5-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
Grenswaarden
40
40
25
WHO-advieswaarden
10
15
5
NSL-toetspunten
12,8 - 19,1
14,9 - 16,3
7,7 - 8,2
Woningen
11,9 - 14,6
14,7 - 15,4
7,6 - 8,1
1188 1189
7.3.4
Effectbeschrijving en -beoordeling
1190 1191 1192 1193 1194
De minimale en maximale NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties die bij de twee alternatieven zijn berekend ter hoogte van de NSL-toetspunten en woningen zijn weergegeven in tabel 7-19 en tabel 7-21. Uit de resultaten van de modelberekeningen blijkt dat er wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO2-, PM10en PM2.5-concentraties.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
47
1195 1196 1197 1198 1199 1200 1201 1202 1203 1204 1205 1206 1207
Voor NO2 en PM2,5 wordt nog nergens voldaan aan de WHO-advieswaarden uit 2021. Voor beide stoffen zitten de concentraties in de laatste tussenstap voor het op den duur voldoen aan deze advieswaarden. De concentraties van PM10 voldoen al wel deels aan de nieuwe WHO-advieswaarden.. Effectbeschrijving luchtkwaliteit langs wegen Als gevolg van de ontwikkeling treden er in het studiegebied lokaal kleine veranderingen op van de luchtkwaliteit langs wegen. Deze veranderingen leiden bij NO2 tot een verhoging van de maximale jaargemiddelde concentratie langs de wegen met 0,2 µg/m3. Bij PM10 blijven de minimale en maximale jaargemiddelde concentraties gelijk. Bij PM2,5 bedraagt de verhoging van de maximale jaargemiddelde concentratie langs de wegen 0,1 µg/m3. In geen van de situaties treedt een overschrijding van de grenswaarde op. De beoogde situatie heeft voor alle drie de stoffen een lagere concentraties dan de huidige situatie. Tabel 7-11: Luchtkwaliteit ter hoogte van NSL-toetspunten NO2-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM10-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM2.5-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
40
40
25
Huidige situatie (2020)
18,1 - 26,4
17,0 - 17,9
9,2 - 9,8
Autonome ontwikkeling (2030)
12,8 - 19,1
14,9 - 16,3
7,7 - 8,2
Beoogde situatie (2030)
12,9 - 19,3
14,9 - 16,3
7,7 - 8,3
Grenswaarden
1208 1209 1210 1211 1212 1213 1214 1215 1216 1217 1218
1219 1220 1221 1222 1223 1224 1225 1226
Effectbeschrijving luchtkwaliteit plangebied De minimale en maximale concentraties binnen de deelgebieden ter hoogte van de grens vanaf waar de woningen gebouwd mogen worden, zijn weergegeven in tabel 7-20. De concentraties zijn berekend met en zonder verkeerseffecten van de voorgenomen ontwikkeling. Uit de resultaten van de modelberekeningen blijkt dat er in het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties. Aan de WHO-advieswaarden van najaar 2021 kan voor PM10 deels worden voldaan in 2030. Tabel 7-12 Luchtkwaliteit op grens plangebied (grens voor woningbouw) NO2-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM10-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM2.5-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
Grenswaarden
40
40
25
WHO-advieswaarden
10
15
5
Autonome ontwikkeling (2030)
12,1 - 14,7
14,7 - 15,4
7,7 - 8,2
Beoogde situatie (2030)
12,1 - 14,7
14,7 - 15,5
7,7 - 8,2
Effectbeschrijving luchtkwaliteit bij bestaande woningen Ter hoogte van de woningen is de invloed van verkeersemissies kleiner dan direct langs de weg. De concentraties in tabel 7-21 zijn daarom lager dan in tabel 7-19. De minimale en maximale concentraties ter hoogte van bestaande woningen zijn met en zonder planontwikkeling gelijk. Tabel 7-13: Luchtkwaliteit ter hoogte van woningen
Grenswaarden
15 augustus 2022
NO2-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM10-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
PM2.5-concentratie (Jaargemiddelde, μg/ m3)
40
40
25
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
48
WHO-advieswaarden
1227 1228 1229 1230 1231 1232 1233 1234 1235
10
15
5
Autonome ontwikkeling (2030)
11,9 - 14,6
14,7 - 15,4
7,6 - 8,1
Beoogde situatie (2030)
11,9 - 14,6
14,7 - 15,4
7,6 - 8,1
In tabel 7-22 is het aantal woningen weergegeven waar de concentraties NO2-, PM10- en PM2.5 wijzigt als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie na de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Uit deze tabel blijkt dat 80 van de 2050 woningen een concentratietoename van 0,1 – 0,4 µg/m3 krijgt voor NO2. Meer dan 96% van de woningen krijgt voor geen van de drie stoffen een concentratietoename groter dan 0,1 µg/m3. Tabel 7-14: Aantal woningen per verschilconcentratieklasse (jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2.5) Verandering concentratie (μg/m3)
NO2
PM10
PM2.5
< -1,2
0
0
0
-0,9 - -1,2
0
0
0
-0,5 - -0,8
0
0
0
-0,1 - -0,4
0
0
0
1.970
2.049
2.050
0,1 - 0,4
80
1
0
0,5 - 0,8
0
0
0
0,9 - 1,2
0
0
0
> 1,2
0
0
0
< 0,1
1236 1237 1238 1239 1240 1241 1242 1243 1244 1245 1246 1247 1248 1249 1250 1251 1252 1253 1254 1255 1256
Effectbeoordeling luchtkwaliteit Juridische maakbaarheid Uit de resultaten van tabel 7-19 blijkt dat na de ontwikkeling, ter hoogte van de NSL-toetspunten wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties. De NSL-toetspunten liggen dichter bij de weg dan de woningen en krijgen daarmee een hogere verkeerbijdrage dan de woningen. De aanvullende berekeningen ter hoogte van het plangebied en de woningen bevestigen het beeld dat ook daar (ruim) aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan in 2030. Uit het voldoen aan de grenswaarden volgt dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 5.16, eerste lid onder a van de Wet milieubeheer, waarmee het project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit De beoordelingsschaal voor het thema luchtkwaliteit (tabel 7-16) vormt de basis voor het beoordelen van de effecten bij woningen. De beoordeling van het thema luchtkwaliteit wordt gebaseerd op het aantal woningen met een toe- of afname van de jaargemiddelde concentratie van meer dan 0,4 μg/m3 voor NO2, PM10 of PM2.5. Er is voor NO2, PM10 en PM2.5 bij geen enkele woning een concentratieverschil van meer dan 0,4 μg/m3.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
49
1257 1258 1259 1260
Bij de bepaling van de effectscore voor het thema luchtkwaliteit wordt de score aangehouden van de stof (NO2, PM10 of PM2,5) waarbij de grootste effecten optreden. Alle drie de stoffen krijgen een score ‘neutraal’. De eindbeoordeling voor het thema luchtkwaliteit is daarmee ook ‘neutraal’.
1261
7.3.5
1262 1263 1264 1265
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de jaargemiddelde NO2-, PM10- en PM2.5-concentratie in de plansituatie ruim voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Er zijn daarom geen maatregelen onderzocht.
1266
7.3.6
1267 1268 1269
De beoordeling is weergegeven in tabel 7-23.
1270 1271 1272 1273 1274 1275 1276 1277 1278 1279 1280
Beoordeling maatregelen
Totaaloverzicht effectbeoordeling
Tabel 7-15: Beoordeling luchtkwaliteit Verandering concentratie (μg/m3)
Beoordeling luchtkwaliteit
Jaargemiddelde NO2-concentratie
0
Jaargemiddelde PM10-concentratie
0
Jaargemiddelde PM2.5-concentratie
0
Luchtkwaliteit bij woningen
0
Het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit is gering. Er is in geen geval sprake van een concentratietoename van meer dan 0,4 μg/m³ bij woningen. De beoordeling voor het thema luchtkwaliteit is daarom ‘neutraal’. Naast de beoordeling in het kader van het MER is er ook beoordeeld of er wordt voldaan aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Uit de resultaten blijkt dat na de ontwikkeling in het zichtjaar 2030, ter hoogte van de NSL-toetspunten en woningen, ruim wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties. Hieruit volgt dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 5.16, eerste lid onder a van de Wet milieubeheer, waarmee het project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit.
1281
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
50
1282
7.4
Externe veiligheid
1283 1284 1285 1286
Externe veiligheid gaat over het risico op slachtoffers door ongevallen met gevaarlijke stoffen. Deze paragraaf beschrijft de mogelijke risico’s die ontstaan door het toevoegen van nieuwe woningbouw in de nabijheid van gevaarlijke stoffen.
1287
7.4.1
1288 1289 1290 1291 1292 1293 1294 1295 1296 1297 1298 1299
Beleidskader Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat uit verschillende besluiten en regelingen. Deze besluiten regelen aan welke milieukwaliteitseisen met betrekking tot externe veiligheid moet worden voldaan. De volgende besluiten zijn van toepassing voor dit onderzoek. • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 8: Inrichtingen met gevaarlijke stoffen • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) 9: Spoorwegen, autowegen, vaarroutes met transport van gevaarlijke stoffen • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) 10: Hogedruk aardgasleidingen
Uitgangspunten
Voor het plangebied zijn de relevante risicobronnen in beeld gebracht met de signaleringskaart 11 en is conform de wetgeving bepaald of een risicobron een invloedsgebied heeft over het plangebied. Invloedsgebied: Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied is over het algemeen bepaald door voor het grootst mogelijke ongeval te berekenen op welke afstand nog 1% van de blootgestelde personen overlijdt (zogenaamde 1% letaliteitsgrens).
1300 1301 1302 1303 1304 1305 1306 1307 1308 1309 1310 1311 1312 1313 1314 1315 1316 1317 1318 1319 1320
Indien een invloedsgebied over het plangebied valt, is de risicobron relevant. Deze relevante risicobronnen zijn vervolgens getoetst aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. • Plaatsgebonden risico: De kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats verblijft, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een buisleiding, transportroute of binnen een inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. • Groepsrisico: De kans per jaar dat een groep van ten minste tien personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron. Verantwoordingsplicht groepsrisico In de genoemde besluiten is tevens vastgelegd dat het bevoegd gezag verplicht is het groepsrisico te verantwoorden. Hiervoor geldt per besluit een ander beoordelingsregime en geldt in sommige gevallen een beperkte verantwoording. Bij een beperkte verantwoording groepsrisico dient het bevoegd gezag de veiligheidsregio om advies te vragen in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. In het geval van een volledige verantwoording dient het bevoegd gezag tevens een afweging te maken in ruimtelijke maatregelen en/of te zoeken naar alternatieve locaties.
Onderstaand de voorwaarden voor een beperkte verantwoording groepsrisico: Bij het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor is sprake van een beperkte verantwoording als: • het plangebied buiten de 200 meter van de transportroute ligt of; 8
Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer (Besluit externe veiligheid inrichtingen), Stb. 2004, 250, in werking getreden op 8 oktober 2004. Laatste wijziging op 18 september 2015 9 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), Staatsblad 2013, nummer 307, inwerkingtreding 1 april 2015 10 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Ministerie van VROM, Besluit van 24 juli 2010, Staatsblad 686, 17 september 2010 11 Signaleringskaart 2021; https://nl.ev-signaleringskaart.nl/ geraadpleegd op 12 maart 2021.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
51
1321 1322 1323 1324 1325 1326 1327 1328 1329 1330 1331 1332 1333 1334 1335
• •
het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat onder de oriëntatiewaarde blijft.
Bij buisleidingen is sprake van een beperkte verantwoording groepsrisico als: • het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt of; • het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; • het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Voor inrichtingen geldt conform het Bevi altijd een volledige verantwoording van het groepsrisico indien sprake is van een toename van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Studiegebied Het studiegebied betreft het plangebied inclusief de in de omgeving aanwezige risicobronnen die een invloedsgebied hebben over het plangebied.
1336
7.4.2
Beoordelingskader en onderzoeksopzet
1337 1338 1339 1340 1341 1342 1343 1344 1345 1346 1347 1348 1349 1350 1351 1352 1353 1354 1355 1356 1357 1358 1359 1360 1361 1362 1363 1364 1365 1366 1367 1368
Algemeen De voorliggende effectbeoordeling laat de gevolgen van het voornemen aan de Planetenbaan en Het Kwadrant voor externe veiligheid zien door een vergelijking te maken tussen de referentiesituatie en de situatie na realisatie. Conform de hiervoor beschreven regelgeving is het plan Planetenbaan en Het Kwadrant beoordeeld op de criteria plaatsgebonden risico en groepsrisico. Analysemethoden De volgende analyses zijn toegepast: • Inventarisatie van de risicobronnen in en in de omgeving van het plangebied met een invloedsgebied over het plangebied. • Beoordeling relevante risicobronnen, risicobronnen waarbij een plaatsgebonden risicocontour PR10-6 te verwachten is en een verandering van het groepsrisico ten gevolge van het planvoornemen. • Veranderingen van de risicobronnen ten gevolge van het planvoornemen. • De beoordeling van de relevante risicobronnen is getoetst in dit MER. Beoordelingsmethode In het algemeen geldt dat hoe meer bevolking binnen een invloedsgebied van een risicobron aanwezig is op korte afstand van een risicobron, des te hoger de externe-veiligheidsrisico’s worden. Er worden geen nieuwe risicobronnen in (de omgeving van) het plangebied voorzien waardoor effecten daarvan niet hoeven worden beschouwd. Voor de effectbeoordeling is een 5-puntsschaal gehanteerd. Deze zijn voor de criteria plaatsgebonden risico en groepsrisico als volgt geoperationaliseerd.
Plaatsgebonden risico De normwaarde voor het plaatsgebonden risico is dat deze niet hoger mag worden dan een kans van 1 * 10-6 per jaar ten gevolge van de planontwikkeling. Het plaatsgebonden risico is per risicobron afzonderlijk berekend en met behulp van contouren rond een installatie en/of langs een transportroute geprojecteerd. Veranderingen met betrekking tot de risicobron kunnen ervoor zorgen dat de contouren veranderen. Ontwikkelingen in de nabijheid van een risicobron kunnen ervoor zorgen dat (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR-contouren geprojecteerd worden. Dit is beoordeeld aan de hand van de onderstaande effectscores.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
52
1369
1370 1371 1372 1373 1374 1375 1376 1377 1378 1379 1380
Effectscore ++
Beoordeling
+
Positief effect
0
Geen/ neutraal effect
-
Negatief effect
--
Zeer negatief effect
Zeer positief effect
PR 10-6 contour neemt af, géén beperkt kwetsbare en/of kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour, er is voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico. PR 10-6 contour neemt af, het aantal beperkt kwetsbare en/of kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt af, er is voldaan aan de richtwaarden van het plaatsgebonden risico. Situatie blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. PR 10-6 contour neemt toe, het aantal beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt toe, er is voldaan aan de grenswaarden van het plaatsgebonden risico. PR 10-6 contour neemt toe, het aantal (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt toe, er is niet voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico.
Vervolgens zijn de alternatieven als geheel beoordeeld voor het plaatsgebonden risico. Hierbij is beoordeeld of er veranderingen plaatsvinden en welk (totaal) effect dit heeft voor het milieuaspect externe veiligheid. Groepsrisico Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een oriëntatiewaarde die is berekend per risicobron. Per relevante risicobron is voor het voornemen onderzocht wat de veranderingen zijn in de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de referentiesituatie. Voor ieder type risicobron geldt een ander beoordelingsregime in overeenstemming met de genoemde besluiten en de bijbehorende mate van verantwoording. Hierdoor kan de hoogte van het groepsrisico niet gecumuleerd worden. Onderstaand de effectscores voor het groepsrisico. Effectscore Beoordeling ++ Zeer positief effect + Positief effect 0 Geen/ neutraal effect
-
Negatief effect
--
Zeer negatief effect
Afname van het GR en hoogte van het GR is lager dan 0,1 * oriëntatiewaarde Afname van het GR en hoogte van het GR ligt tussen 0,1 en 1 * oriëntatiewaarde 1) Hoogte van het GR is gelijk aan de referentiesituatie/ 2) Afname van het GR en de hoogte van het GR > 1* oriëntatiewaarde/ 3) Toename van het GR en de hoogte van het GR < 0,1 * oriëntatiewaarde/ 4) Toename van het GR en de hoogte van het GR ligt tussen > 0,1 en 1 * oriëntatiewaarde en de toename is minder dan 10%. Toename van het GR en de hoogte van het GR ligt tussen 0,1 en 1 * oriëntatiewaarde en een toename van het GR is meer dan 10%. Toename van het GR en de hoogte van het GR ligt boven de oriëntatiewaarde.
1381 1382 1383 1384
Vervolgens zijn de alternatieven als geheel beoordeeld voor het groepsrisico. Hierbij is beoordeeld of er veranderingen plaatsvinden en welk (totaal) effect dit heeft voor het milieuaspect externe veiligheid.
1385
7.4.3
1386 1387 1388 1389 1390 1391
Onderstaande afbeelding toont een fragment van de signaleringskaart met daarop aangegeven het plangebied en de risicobronnen in de nabijheid van het plangebied. Het plaatsgebonden risico is afhankelijk van het type risicobron met bijbehorende specificaties. Om de hoogte van het groepsrisico van de afzonderlijke risicobronnen te bepalen zijn onderstaande uitgangspunten voor de bevolkingsgegevens gehanteerd.
Referentiesituatie
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
53
1392
Tabel 7-16 Bevolkingsaantallen referentiesituatie (zoals ingevoerd in de risicoberekening) Deelgebied Bevolkingsvlak
Aantal m2 bvo voorzieningen / Aantal personen aantal woningen Overdag Nacht
Binnen-buitenfractie Overdag
Nacht
Noord
1
Bedrijven dagdienst
26.105
870
0
0,05
0
Midden
2
Bedrijven dagdienst
30.780
1.026
0
0,05
0
2
Woonbebouwing
42
51
101
0,07
0,01
3
Bedrijven dagdienst
18.700
623
0
0,05
0
3
Woonbebouwing
294
353
706
0,07
0,01
4
Bedrijven dagdienst
33.242
1108
0
0,05
0
Haagstede* 5
Bedrijven dagdienst
1.500
50
0
0,05
0
Woonbebouwing
155
186
372
0,07
0,01
Zuid
Kwadrant
5
Kentallen: Woonbebouwing: 2,4 personen per woning Kantoren en bedrijven: 1 persoon per 30 m2 (VROM, 2007; Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) *NB: Haagstede is geen onderdeel van het planvoornemen, dit bestemmingsplan ligt wel binnen het invloedsgebied en is daarom meegenomen in de bevolkingscijfers voor de risicoberekening
1393
3 5
8
2
4
1
7 6
1394 1395 1396
Figuur 7-9 Plangebied en de risicobronnen in de nabijheid van het plangebied (nummer 9 ligt buiten het kaartbeeld)
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
54
1397 1398 1399 1400 1401 1402 1403 1404 1405 1406 1407 1408 1409 1410 1411
1412 1413 1414 1415 1416 1417 1418 1419 1420 1421 1422 1423 1424 1425 1426 1427 1428 1429 1430 1431 1432 1433 1434 1435 1436 1437 1438 1439
1. N230 (Zuilensering): De N230 vormt de zuidoostelijke begrenzing van het plangebied. Deze provinciale weg is relevant omdat deze een invloedsgebied over het plangebied heeft vanwege het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied heeft een effect op de hoogte van het groepsrisico. Over de N230 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dit betreft brandbare vloeistoffen (1.348 transporten LF1, 1.543 transporten LF2 per jaar) en brandbare gassen (516 transporten GF3 per jaar). Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van 355 meter voor brandbare gassen. De bebouwing ligt op 50 meter van de weg. Onderstaande tabel geeft het overzicht van de toetsingsresultaten voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het groepsrisico heeft toetsing plaatsgevonden middels een RBMII berekening; de uitwerking hiervan is opgenomen in het onderzoeksrapport externe veiligheid ten behoeve van het bestemmingsplan. (RHDHV, 2022; Onderzoek externe veiligheid bestemmingplan Planetenbaan). Tabel 7-17 Toetsingsresultaten voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico referentiesituatie Risicobron
Plaatsgebonden risico
Groepsrisico
Autoweg N230
Geen PR 10 per jaar contour, aantal transporten GF3 ligt De hoogste normwaarde van het groepsrisico is 0.03 onder de 4.000 per jaar (RIVM, 2017; Handleiding risicomaal de oriëntatiewaarde en treedt op bij 530 slachtoffers met een frequentie van eens in de 1*10-9 jaar. analyse transport 12). -6
2. Spoorlijn Utrecht-Noord Diemen: De spoorlijn Utrecht-Noord – Diemen heeft een invloedsgebied (> 4000 meter) over het plangebied. Doordat de risicobron op 375 meter van het plangebied ligt zijn er geen effecten voor het plaatsgebonden risico en heeft het plangebied conform het Bevt geen effect op de hoogte het groepsrisico. 3. Amsterdam-Rijnkanaal: Het Amsterdam-Rijnkanaal heeft geen invloedsgebied over het plangebied en is daarmee niet relevant. Er zijn geen effecten voor het plaatsgebonden risico en het plangebied heeft geen effect op de hoogte het groepsrisico. 4. Buisleiding W529-07: De buisleiding heeft geen invloedsgebied over het plangebied en is daarmee niet relevant. Er zijn geen effecten voor het plaatsgebonden risico en het plangebied heeft geen effect op de hoogte het groepsrisico. 5. GOS (Gasontvangst/verdeelstation): De GOS valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer; plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn niet van toepassing. Het Activiteitenbesluit gaat uit van veiligheidsafstanden waarbinnen beperkingen gelden voor het ontwikkelen van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten zoals woningen. De veiligheidsafstand valt niet over het plangebied en is daarmee niet relevant. 6/7. LPG-tankstations: De LPG-tankstations hebben conform het Bevi een invloedsgebied van 150 meter dat deels over het plangebied ligt.
Binnen het overlappende gedeelte is geen bevolking aanwezig; hiermee is er geen effect voor het groepsrisico ten gevolge van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontouren liggen buiten het plangebied. Tevens wordt voldaan aan de voorwaarden van de circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations, dat er binnen 160 meter geen zeer kwetsbare objecten liggen. 8. Biegelaar B.V.: De Bevi-inrichting Biegelaar B.V. is gesaneerd. Het plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn niet meer van toepassing.
12
RIVM, 2017; Handleiding risicoanalyse transport (Bijlagen), versie 1.2, 11 januari 2017
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
55
1440 1441 1442
9. Autosnelweg A2: De A2 heeft een invloedsgebied (meer dan 4000 meter) over het plangebied. Doordat de risicobron op 700 meter van het plangebied ligt zijn er geen effecten voor het plaatsgebonden risico en heeft het plangebied conform het Bevt geen effect op de hoogte het groepsrisico.
1443
7.4.4
1444 1445 1446 1447 1448 1449 1450
Het planvoornemen maakt 2222 nieuwe woningen mogelijk, in aanvulling op de al aanwezige 336 woningen in het gebied. Hiermee komt een deel van het bestaande bruto-vloeroppervlak kantoren te vervallen. Dit planvoornemen veroorzaakt een toename van de bevolking wat consequenties heeft voor het groepsrisico van de verschillende risicobronnen. Onderstaande bevolkingsgegevens zijn gehanteerd voor het voorkeursalternatief .
Effectbeschrijving en -beoordeling
Tabel 7-18 Bevolkingsaantallen voorkeursalternatief (zoals ingevoerd in de risicoberekening) Deelgebied Bevolkingsvlak
Noord
Aantal m2 bvo voorzieningen / aantal woningen
Aantal personen
Binnen-buitenfractie
Overdag
Overdag
Nacht
Nacht
1
Bedrijven dagdienst
797
27
0
0,05
0
1
Woonbebouwing
609
731
1.462
0,07
0,01
Midden
2
Woonbebouwing
646
775
1.550
0,07
0,01
Zuid
3
Woonbebouwing
544
653
1.306
0,07
0,01
Kwadrant
4
Bedrijven dagdienst
8.331
278
0
0,05
0
4
Continu bedrijf
600
20
20
0,05
0,01
4
Woonbebouwing
759
911
1.822
0,07
0,01
Bedrijven dagdienst
1.500
50
0
0,05
0
Woonbebouwing
155
186
372
0,07
0,01
Haagstede* 5 5
Kentallen: Woonbebouwing: 2,4 personen per woning Bedrijven dagdienst: 1 persoon per 30 m2 Continu bedrijf (supermarkt): 1 persoon per 30 m2 (VROM, 2007; Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) *NB: Haagstede is geen onderdeel van het planvoornemen, dit bestemmingsplan ligt wel binnen het invloedsgebied en is daarom meegenomen in de bevolkingscijfers voor de risicoberekening.
1451 1452 1453 1454 1455 1456 1457 1458 1459 1460 1461 1462 1463 1464 1465 1466 1467
Plaatsgebonden risico N230: Het plaatsgebonden risico van de N230 blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie omdat er geen veranderingen plaatsvinden aan de risicobron. Overige risicobronnen: Niet van toepassing, er zijn geen veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie, Groepsrisico N230: De verandering in de bevolkingsdichtheid betekent een toename van het groepsrisico van de N230. De bebouwing is gelegen op 50 meter van de weg. De hoogste normwaarde van het groepsrisico is 0,04 maal de oriëntatiewaarde en treedt op bij 624 slachtoffers met een frequentie van eens in de 1*10-9 jaar. Daarmee ligt het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Conform het Bevt artikel 8 lid 2 vormt het groepsrisico geen belemmering voor het planvoornemen maar dient voldaan te worden aan de verantwoordingsplicht groepsrisico. Gezien de hoogte van het groepsrisico volstaat een beschouwing ten aanzien van rampenbestrijding en zelfredzaamheid.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
56
1468 1469 1470 1471 1472 1473 1474 1475 1476 1477 1478 1479 1480
Overige risicobronnen: Gezien de ligging van de risicobronnen ten opzichte van het planzijn er geen veranderingen te verwachten ten opzichte van de referentiesituatie. Wel geldt de verantwoordingsplicht voor de risicobronnen met een invloedsgebied tot over het plangebied (Spoorlijn, LPG-tankstations en de A2). In het kader van de bestemmingsplanprocedure dient het bevoegd gezag advies te vragen aan de veiligheidsregio ten aanzien van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Effectbeoordeling Op basis van de beoordeling voor de criteria plaatsgebonden risico en groepsrisico per risicobron zijn de totaaleffecten beoordeeld. Enkel de N230 is relevant. Voor het voorkeursalternatief geldt dat het plaatsgebonden risico gelijk blijft ten opzichte van de referentiesituatie en een neutrale score heeft. Het groepsrisico neemt beperkt toe maar blijft onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde en scoort daarmee neutraal ten opzichte van de referentiesituatie.
1481
7.4.5
Beoordeling maatregelen
1482 1483 1484 1485 1486 1487 1488 1489 1490 1491
Het berekende groepsrisico en de toename ten opzichte van de referentiesituatie kan gezien worden als een soort thermometer om op te acteren voor het maken van beleidskeuzes. Het bevoegd gezag dient advies te vragen aan de veiligheidsregio om voorzieningen en maatregelen te treffen voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid ten aanzien van de N230. In deze verantwoording groepsrisico dienen tevens de effecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Utrecht-Noord – Diemen en de A2 beschouwd te worden. Daarnaast dient ingegaan te worden op de effecten van de nabijgelegen LPGtankstations. Het bevoegd gezag maakt uiteindelijk een afgewogen besluit. De maatregelen hebben geen invloed op de hoogte van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De te nemen maatregelen hebben daarom geen invloed op de effectscores.
1492
7.4.6
1493 1494
De effectscores zijn weergegeven in onderstaande tabel.
1495
Tabel 7-19 Overzicht effectbeoordeling externe veiligheid
Totaaloverzicht effectbeoordeling
Criteria
1496 1497 1498 1499 1500 1501 1502 1503 1504 1505 1506 1507
Referentie
Voorkeursalternatief
Plaatsgebonden risico
0
0
Groepsrisico
0
0
• • •
• •
Het milieuaspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voornemen. De criteria plaatsgebonden risico en het groepsrisico scoren neutraal ten opzichte van de referentiesituatie. Het groepsrisico van de N230 neemt beperkt toe. Het bevoegd gezag dient in de bestemmingsplanprocedure te voldoen aan de verantwoordingsplicht groepsrisico ten aanzien van rampenbestrijding en zelfredzaamheid ten gevolge van verschillende omliggende risicobronnen. De veiligheidsregio geeft advies betreffende de belangrijkste te nemen maatregelen. Het is aan het bevoegd gezag een afweging te maken welke maatregelen op welke wijze worden geïmplementeerd. De maatregelen kunnen niet direct worden geborgd in het bestemmingsplan; hiervoor kan indien noodzakelijk een convenant worden gesloten met de uitvoerende partijen.
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
57
1508 1509 1510
•
Een onderzoek externe veiligheid is ter onderbouwing opgesteld ten behoeve van de verantwoordingsplicht groepsrisico als milieuonderzoek bij het bestemmingsplan. Dit onderzoek loopt parallel aan dit MER.
1511
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
58
1512
7.5
Bedrijven en milieuzonering en geurhinder
1513
PM; onderzoek nog in uitvoering.
1514
15 augustus 2022
PLANETENBAAN EN HET KWADRANT
BH5097TPRP2102261138
59
1515
7.6
Bodem
1516 1517 1518
Deze paragraaf beschrijft de effecten op de bodem die optreden als gevolg van het plan. Daarbij komen aan de orde de aspecten bodemkwaliteit en de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond bij de aanleg.
1519
7.6.1
1520
7.6.1.1 Landelijk beleid
1521 1522 1523 1524 1525 1526 1527 1528 1529 1530 1531 1532 1533 1534 1535 1536 1537 1538 1539 1540 1541 1542 1543 1544 1545 1546 1547 1548 1549 1550 1551 1552 1553 1554 1555 1556 1557 1558 1559 1560 1561
Wet milieubeheer De centrale doelstelling van de Wet milieubeheer (Wm) is een integrale aanpak van de milieuproblematiek ofwel het in samenhang bekijken van alle aspecten van het milieubeleid in onderlinge samenhang. Om dat doel te bereiken heeft de Wm een aantal juridische mogelijkheden om het milieu te beschermen. De wet gaat uit van de grootst mogelijke milieubescherming, verbetering van het milieu, doelmatige verwijdering van afvalstoffen en een zuinig gebruik van energie en grondstoffen. Als milieuschade bij een bepaalde activiteit niet meer te voorkomen is moet de schade geminimaliseerd worden voor zover dit mogelijk is. De Wm bevat bepalingen ten aanzien van het beschermen van het milieu. Hierin zijn de wettelijke gereedschappen verankerd. Het bevat algemene regels voor het milieubeheer. Meer specifieke regels worden uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur of AMvB's) en ministeriële regelingen.
Uitgangspunten
Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming (Wbb) stelt regels om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en haar fysieke eigenschappen te beschermen. Enerzijds heeft de wet een preventief doel en worden regels beschreven om te voorkomen dat een nieuwe verontreiniging van de bodem ontstaat. Anderzijds heeft de Wbb een curatief doel door voorwaarden te geven voor het opruimen, saneren, van reeds bestaande bodemverontreinigingen. De wet maakt onderscheid in historische en nieuwe bodemverontreiniging. Een nieuwe verontreiniging is veroorzaakt na 31 december 1986 en hiervoor geldt de zorgplicht (Wbb, art. 13, Zorgplicht). Een historische verontreiniging is veroorzaakt voor 1 januari 1987 en is saneringsplichtig indien in de Wbbbeschikking de aard, mate en omvang ("ernst") en risico’s ("spoed") zijn vastgelegd. Binnen het plangebied zijn mogelijk historische verontreinigingen aanwezig. Volgens de Wbb moeten deze verontreinigingen gesaneerd worden indien er een onaanvaardbaar risico is voor mens of milieu of indien er een verspreidingsrisico is. Als dit niet het geval is, moeten verontreinigingen gesaneerd worden op een natuurlijk moment. Tevens moet dan rekening worden gehouden met beperkte afvoermogelijkheden van de grond en de Arbo wetgeving.
De ontwikkeling van het plangebied Planetenbaan en Het Kwadrant is zo’n natuurlijk moment om eventueel aanwezige verontreinigingen te saneren. Vanaf 1 januari 2006 is de norm dat de sanering van historische bodemverontreinigingen functiegericht en kosteneffectief worden uitgevoerd. Besluit bodemkwaliteit Op 1 januari 2008 zijn het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit in werking getreden. In het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) staan de kwaliteitseisen waaraan bouwstoffen, grond en baggerspecie moeten voldoen wanneer deze op of in de bodem of onder oppervlaktewater worden toegepast. Het Bbk komt ook tegemoet aan de wens om maatwerk op gebiedsniveau beter mogelijk te maken en geeft de mogelijkheid om gericht toezicht te houden op de gehele keten van bouwstoffen, grond en baggerspecie van het moment van productie, ontgraving tot en met de toepassing. Voor de ontwikkeling van het plangebied Planetenbaan en Het Kwadrant betekent dit dat er grondverzet zal gaan plaatsvinden. Vrijkomende grond welke niet binnen het plangebied kan worden hergebruikt kan buiten de locatie nuttig worden toegepast. Daarnaast gelden er eisen aan de toe te passen grond welke van buiten het plangebied wordt aangevoerd. Grond dat onderdeel uitmaakt van een geval van ernstige bodemverontreiniging (Wbb) dient te worden afgevoerd en mag niet worden hergebruikt.