Toelichting bestemmingsplan Griendweg 1.pdf
Tekst van het document
•
•
•
De koeien worden zeer veel beweid. Niet de gangbare 720 uren beweiden, maar circa 3500 uren per jaar. Het jongvee wordt continue beweid in de periode van circa april tot circa november. De koeien worden in belangrijke mate gevoerd met natuurgras. Dit voer bevat weinig eiwit, waardoor het ureumgetal continue relatief laag is (schommelt vaak tussen 15 en 21). Het vloersysteem kenmerkt zich door een vaste vloer, licht hellend en in de midden een sleuf voor afvoer van gier. De gier wordt dus gescheiden van de mest afgevoerd. Als de koeien op stal staan worden de stalvoeren elke 2 uur schoongemaakt met een mestschuif. Mest en gier worden zoveel mogelijk gescheiden Om de mest en gier separaat te kunnen blijven opslaan binnen het erf is er een extra mestsilo nodig. Het is de bedoeling om die binnenkort te bouwen. Op dit moment is het nog zo percolaat en dunne mest in 1 silo komt terecht (deze is te klein). Deze oude silo wordt bestemd voor percolaat (vaste mest + kuilvoer) ten behoeve van composthoop. Als mest langer kan worden opgeslagen is tussentijdse afvoer niet meer nodig en daardoor zijn er in de beoogde situatie fors minder transporten. Tussentijdse afvoer betekent extra mesttransporten en dat is niet wenselijk.
Het is een uitdrukkelijke wens van het waterschap dat mest voortaan wordt opgeslagen in een betonnen mestsilo in plaats van een PVC-silo in verband met verkleining risico in waterwingebied. Het milieurisico wordt daarmee verlaagd. Met voldoende mestopslag kan bemesting zoveel mogelijk plaatsvinden op het moment dat de gewassen er om vragen. Dit leidt tot beter benutting van mineralen en dus een verlaging van stikstofbodemoverschot. Dus bijvoorbeeld niet eind augustus mest uitrijden omdat het nodig is om voldoende ruimte in de winter te hebben, maar bemesten wanneer de planten daarom vragen. Dat is vooral het voorjaar.
Biologische werkwijze conform SKAL-certificaat: -
Diervoeders zijn GMO-vrij geproduceerd Geen kunstmest Geen chemische bestrijdingsmiddelen
Noemenswaardig in dit kader is bovendien dat er bedrijf sterk bijdraagt aan natuurbeheer conform natuurbeheersplannen. Sub d: Allereerst wordt opgemerkt dat voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe mestsilo. Er is geen sprake van uitbreiding van het aantal dieren of toevoegen van stallen. Verder zou uit sommige onderzoeksrapporten blijken dat bedrijven met vee, bijvoorbeeld geiten, varkens en pluimvee, mogelijk aanleiding kunnen zijn voor een verminderde gezondheid. Nader onderzoek naar die diercategorieën zou dat moeten aangeven. Melkvee wordt hierin niet als veroorzaker genoemd. Melkvee veroorzaakt geen probleem en gewijzigde situatie levert dan ook niet snel een bijdrage in vermindering van niet bestaande problemen. Dat neemt niet weg dat met zorgvuldig continue wordt bijgedragen aan gezondheidszorg. Waarom bepaalde aspecten niet relevant zijn wordt hieronder benoemd: -
Op het gebied van geurhinder wordt ruimschoots aan de wettelijke normen voldaan aan zijn bovenwettelijke maatregelen daarom niet relevant. Ten aanzien van fijnstofemissie is er in het gebied geen probleem en de effecten van het bedrijf zijn ‘niet in betekenende mate’. Ten aanzien van endotoxinen zijn effecten te verwaarlozen. Dat houdt verband met het geringe aantal veehouderijen in het gebied. Een enkel melkveehouderijbedrijf speelt over het algemeen geen bijzondere rol in dit verhaal.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld -
Het bedrijf is gelegen in het buitengebied, op grote afstand van andere woningen en verblijfsobjecten. Emissie van fijnstof is zeer gering en wordt beschouwd als ‘niet in betekende mate’.
-
Biologische werkwijze conform SKAL-certificaat: -
Er wordt gekozen voor sterke rundveerassen die geschikt zijn voor biologische landbouw. Diergeneesmiddelengebruik is sterk ingeperkt. Slechts onder verantwoording van een dierenarts mag een individueel dier worden behandeld met antibiotica. Hiervoor gelden strikte richtlijnen bij SKAL. Diervoeders bevatten geen antibiotica. De teelten van ruwvoeders zijn conform biologisch productiemethode, wat bijdraagt aan biodiversiteit en daarmee indirect bijdraagt aan de volksgezondheid.
-
Verder werkt het bedrijf met benodigde hygiënemaatregelen. Naast biologische productiemethode is noemenswaardig dat er bijzonder veel gedaan wordt aan natuurbeheer conform natuurbeheersplannen. Het bedrijf vormt geen directe belasting voor de volksgezondheid. Bovenwettelijke aanpassingen zijn om diverse redenen dan ook niet relevant. Desalniettemin zijn er toch enkele aspecten die wel een positief effect hebben op volksgezondheid en bovendien bovenwettelijk zijn, zoals dus de SKAL-certificering. Conclusie: Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de gestelde voorwaarden zoals beschreven in de interim Provinciale Omgevingsverordening.
Artikel 6.3: In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden onderzoek uitgevoerd en een aanvullende notitie opgesteld. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 5.7. Hier wordt geconcludeerd dat door vaststelling van voorliggend bestemmingsplan geen negatief effect op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn te verwachten.
3.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale beleidsambities zoals verwoord in de Omgevingsvisie provincie en verankerd in de Provinciale Omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Hieronder worden de belangrijkste beleidsdocumenten die betrekking hebben op voorliggende ontwikkeling behandeld.
3.3.1
Omgevingsvisie Stichtse Vecht
3.3.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie Stichtse Vecht is op 12 januari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente Stichtse Vecht kent een grote trots als het gaat om de cultuur, het unieke landschap van de Vecht en de veenweidegebieden en de historische dorpen die als een kralensnoer langs de Vecht zijn verrezen. De kernkwaliteiten zijn het vertrekpunt voor de toekomst. Dit doet de gemeente door te behouden en te versterken. Nieuwe ontwikkelingen dragen hieraan bij. Deze vinden plaats in lijn met de schaal, maat en logica van de gevormde werelden en gebruiken het erfgoed als inspiratie. Stichtse Vecht is een aantrekkelijke vestigingsplaats voor veel mensen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 3.3.1.2 Thema’s Voor de Omgevingsvisie Stichtse Vecht zijn bij de start drie overkoepelende opgaven geformuleerd: • • •
Aantrekkelijke, bereikbare en gezonde leefomgeving voor wonen, werken en recreëren Versterken van de kwaliteit van cultuurhistorie, archeologie, landschap en natuur Inspelen op klimaatverandering en ruimte maken voor de energietransitie
Op basis van de vorenstaande opgaven zijn de volgende thema’s geformuleerd: • • • • • • •
Gezondheid voor iedereen Ruimte voor de verstedelijkingsopgaven (wonen en werken) Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio Prettig leven in de kernen Ruimte voor recreatie Toekomstbestendig vitaal platteland Werken aan klimaatverandering
Ten aanzien van voorliggend project is met name het thema ‘Toekomstbestendig vitaal platteland’ van belang.
3.3.1.3 Toekomstbestendig vitaal platteland Visie Toekomstbestendig vitaal platteland: •
•
•
•
•
• •
De gemeente biedt ontwikkelruimte binnen de agrarische bedrijfsvoering als het omgevingsbeslag (negatieve invloed op het milieu) niet toeneemt. Dit kan door intern salderen of extern salderen. Professionalisering, modernisering, innovatie in combinatie met verbreding dragen hier aan bij. De meest kansrijke economische groeimogelijkheden voor de landbouw zitten in de verbreding en in duurzamer/natuurinclusiever. De gemeente stimuleert en faciliteert waar mogelijk de agrariërs die willen verbreden en/of duurzamer en natuurinclusiever willen worden. We gaan naar een multifunctioneler platteland. Daarbij streven we naar een gevarieerder, duurzamer/natuurinclusiever en multifunctioneel landschap met een hogere opvangcapaciteit voor nevenfuncties en natuur. De bodemdaling en veenoxidatie willen we stoppen of vertragen. Voor dit transitieproces is een integrale en gebiedsgerichte aanpak een geschikt middel. Wij zetten de huidige samenwerking met de agrarische sector, buurtgemeenten en Provincie voort. Wij vinden dat de Provincie (en/of Rijk) hier een leidende rol heeft. We winnen tijd door de bodemdaling en veenoxidatie te vertragen m.b.v. een waterinfiltratiesysteem. We onderzoeken samen met de samenleving de mogelijkheden voor een toekomstbestendig, integraal en gebiedsdekkend plan voor Veenweidegebied West. Dit kunnen ook meerdere kleine plannen worden.
Indien gewenst gaan ook aan de slag in de andere gebieden. We geven mede invulling aan de ecologische verbindingszones uit de provinciale Omgevingsvisie (POVI). De provincie Utrecht is hiervoor verantwoordelijk. We gaan richtlijnen maken voor hoe om te gaan met vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) en de bijbehorende stikstofruimte.
3.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Stichtse Vecht In de Omgevingsvisie heeft de bethunepolder een bijzonder positie met aandacht voor haar geschiedenis, transformatie en huidige functie als waterwingebied en natuurgebied. Voor de Bethunepolder heeft de gemeente als doel om met de partijen die betrokken zijn in het gebied door te gaan op de ingeslagen weg en te blijven werken aan natuurontwikkeling en natuur inclusieve landbouw in het gebied. Voorliggend plan sluit hierop aan. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan in overeenstemming met de Omgevingsvisie Stichtse Vecht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 3.3.2
Trendlijnen Stichtse Vecht & Omgevingsvisie Stichtse Vecht
3.3.2.1 Algemeen Ter voorbereiding op de omgevingsvisie voor Stichtse Vecht is in 2017 gestart met het opstellen van de trendlijnen voor Stichtse Vecht. Het trendlijnenrapport is opgesteld als onderlegger voor de omgevingsvisie. Op 12 januari 2022 is de Omgevingsvisie Stichtse Vecht door de gemeenteraad vastgesteld. Het betreft een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Hierin worden acht trendlijnen benoemd: • • • • • • • •
Het watersysteem (Rivier)dorpen Veenontginning Buitenplaatsen Waterlinies (OHW en NHW) Grote infrastructuur Suburbanisatie en industrialisatie Het recreatielandschap
Daarnaast is de gemeente Stichtse Vecht opgedeeld in vijf deelgebieden: 1. 2. 3. 4. 5.
Veenweide West; Snelle Vecht; Langzame Vecht; Veenweide Oost / Plassengebied; De Grote Kernen.
In het voorliggend geval is deelgebied vier van toepassing.
3.3.2.2 Deelgebied 4: Het veenweidegebied Oostzijde Voor de Bethunepolder heeft de gemeente als doel om met de partijen die betrokken zijn in het gebied door te gaan op de ingeslagen weg en te blijven werken aan natuurontwikkeling en natuur inclusieve landbouw in het gebied. Daarbij geeft de gemeente ruimte voor recreatie zowel in de zomer als in de winter. Het gebied gelegen aan de oostrand van Maarssen-Dorp is in de loop van de tijd sterk verkleurd door de aanleg van verschillende recreatieparken en de vestiging van bedrijven. Het resterende agrarische gebied heeft te weinig omvang en is daardoor vatbaar voor verrommeling. De kwaliteiten van het water en de resterende agrarische gronden zijn onvoldoende met het dorp en de omgeving verbonden. Hoe hier een kwaliteitsverbetering kan worden gemaakt zal nader onderzocht moeten worden. Hier wordt een aparte gebiedsvisie voor opgesteld. Waarbij de gemeente streeft naar verdere kwaliteitsverbetering van het landschap met doorzichten, natuurlijke randen en een betere toegankelijkheid van de Wilgenplas en Stille plas. Dit geldt ook voor de Maarsseveense plassen. De gemeente wil de recreatieve verbindingen met het omliggende gebied binnen de gemeente en met het Noorderpark versterken.
De gemeente ziet kansen om de huidige TOP te ontwikkelen tot een groene poort waarmee het een schakel wordt tussen de verschillende unieke natuur en cultuurhistorische gebieden die om de Maarsseveense plassen heen liggen. De gemeente werkt regionaal samen om te zorgen voor een passend en eigentijds voorzieningenniveau.
3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Trendlijnen Stichtse Vecht & Omgevingsvisie Stichtse Vecht In het rapport Trendlijnen Stichtse Vecht en de Omgevingsvisie Stichtse Vecht wordt ten aanzien van het gebied aangegeven dat voornamelijk van belang is om de balans tussen recreatie en natuur te waarborgen. Met de voorliggende ontwikkeling wordt deze balans niet verstoord omdat het gaat om een bestaand agrarisch bedrijf waarbij het bedrijfsperceel landschappelijk wordt ingepast. De karakteristieke lijnen in het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld landschap wordt daarnaast niet verstoord. Gelet hierop wordt gesteld dat het project passend is binnen het beleidskader Trendlijnen Stichtse Vecht en de Omgevingsvisie Stichtse Vecht.
3.3.3
Landschapsontwikkelingsplan
3.3.3.1 Algemeen Eind 2010 is voor het buitengebied van de voormalige gemeente Maarssen een landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Met dit plan wil de gemeente de kwaliteit van het landschap beschermen en versterken en richting geven aan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. Het buitengebied van de gemeente Maarssen bezit een hoge landschappelijke waarde met een fraaie afwisseling van de Vecht met haar oevers en de veenweidegebieden en het petgatenlandschap. Door de toenemende druk van de verstedelijking staat het landschap onder druk. Ontwikkelingen vragen om een duidelijke visie op het landschap en haar kwaliteiten. Door vooraf verwachte veranderingen in het buitengebied in beeld te brengen en hierop te reageren en deze te (be)geleiden, kunnen bestaande waarden worden behouden en nieuwe worden gevormd. Het landschapsontwikkelingsplan is een plan dat aandacht besteed aan vele aspecten van het landschap, uiteenlopend van cultuurhistorie, landschap en natuur en water tot agrarisch en recreatief gebruik. In het plan wordt het beleid van hogere overheden op integrale wijze doorvertaald naar het lokale niveau.
3.3.3.2 Bethunepolder Het plangebied is gelegen in de Bethunepolder, zoals weergegeven in afbeelding 3.1. Landschappelijke inpassing van het agrarisch perceel zal plaatsvinden op basis van de kenmerken van dit landschap.
Afbeelding 3.1
Landschapontwikkelingsplan (Bron: voormalige gemeente Maarssen)
Vanuit het landschap en de ontstaansgeschiedenis is behoud van de landschappelijke samenhang van de drooggemalen polder van belang.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld • •
• • •
Deze samenhang uit zich in de openheid, rationele blokvormige kavelstructuur en het rationele slotenpatroon. De natuurontwikkeling dient het blokvormige kavelpatroon te versterken en een overwegend open karakter te hebben, bijvoorbeeld natte graslanden, water, moeras en natuurvriendelijke oevers en rietvelden, waardoor de openheid en het rationele patroon de bindende karakteristiek binnen deze polder blijft. Opgaande elementen dienen beperkt te blijven tot incidenten en de belangrijkste zichten op de polder niet te verstoren. De agrarische erven dienen hun robuuste uitstraling te behouden en als eilanden van bebouwing en beplanting in de open ruimte te liggen. De taluds van de hogere omringende veengronden naar de lagere droogmakerij dienen groen en zichtbaar te blijven. Hierop dienen geen ontwikkelingen plaats te vinden, zoals woningbouw (bij Tienhoven), parkeren of incidentele bebouwing.
3.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het Landschapontwikkelingsplan Zoals blijkt uit paragraaf 2.3 wordt het agrarische erf door middel van een landschappelijk inpassingsplan ingepast in het landschap. Het zicht op de beoogde nieuwe mestopslagsilo zal worden afgeschermd door het aanplanten van een struweelhaag met enkele knotwilgen. Hierdoor blijft de robuuste uitstraling van het agrarische erf behouden. Met inachtneming van het landschappelijk inpassingsplan is voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het LOP Maarssen.
3.3.4
Dorpsvisie Tienhoven-Oud Maarsseveen, Maarsseveen-Molenpolder en Bethunepolder
3.3.4.1 Algemeen In het kader van gebiedsgericht werken heeft de gemeente samen met bewoners een DorpsOntwikkelingsPlan (DOP) gemaakt. Ook voor het gebied waar Tienhoven-Oud Maarsseveen, Maarsseveen-Molenpolder en Bethunepolder binnen liggen is een DOP gemaakt. Om inzicht te krijgen in de kernkwaliteiten en aandachtspunten is een SWOT-analyse gemaakt bestaande uit objectieve gegevens en een bewonersenquête. Daaruit zijn zes visiepunten afgeleid, namelijk: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Behouden en versterken van de dorpskwaliteit Behouden van vitaliteit Behouden en versterken van de sociale samenhang Veilig en ontspannen leven Bereikbare kernen Aandacht voor duurzaamheid
3.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de dorpsvisie Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak Griendweg 1 te Tienhoven. De uitbreiding voorziet enerzijds in de mogelijkheden een nieuwe mestopslagsilo bij het agrarisch bedrijf te realiseren en anderzijds zorgt de uitbreiding ervoor dat de planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Door een nieuwe mestopslagsilo met een groter capaciteit te plaatsen hoeft er geen mest meer te worden afen aangevoerd. Daarnaast kan de bestaande silo volledig worden ingezet voor het opvangen van perssappen. Dit alles zorgt voor een duurzamere bedrijfsvoering. Verder wordt het geheel landschappelijk ingepast wat zorgt dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt. Resumerend wordt gesteld dat met voorliggend plan een belangrijk agrarisch bedrijf, wat zorgt voor een vitaal buitengebied, voldoende toekomstperspectief wordt geboden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 3.3.5
Welstandsnota Stichtse Vecht 2013
3.3.5.1 Algemeen In de welstandsnota, welke op 18 december 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld, staat beschreven welke welstandscriteria voor de bouwwerken in een bepaald gebied gelden. Het welstandsniveau ter plaatse van het plangebied is gekwalificeerd als ‘gewoon’. Het plangebied maakt onderdeel uit van het in de welstandsnota onderscheiden deelgebied ‘Buitengebied Oost’.
3.3.5.2 Buitengebied Oost Hoewel het deelgebied ‘Buitengebied Oost’ in hoge mate bijdraagt aan de identiteit van de gemeente heeft de bebouwing hierin een ondergeschikte rol. Het buitengebied is daarom een gewoon welstandsgebied. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, de cultuurhistorische bebouwing en het beperken van grote oppervlakken verharding. Bij de advisering over woongebouwen en bedrijfsgebouwen zal de nadruk liggen op de massa en het materiaal- en kleurgebruik.
3.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan de welstandsnota Voorgenomen ontwikkeling gaat in beginsel enkel uit van het nieuwbouwen van een mestopslagsilo ten behoeve van het aanwezig agrarische bedrijf. Bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de mestopslagsilo zal het bouwplan worden voorgelegd en beoordeeld ten aanzien van de geldende welstandseisen.
3.3.6
Perspectiefnota Landbouw
3.3.6.1 Algemeen Gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie om te werken aan een vitaal platteland, met de agrarische sector als belangrijke economische drager. Naast landbouw betreft dit ook onder andere recreatie, natuur- en landschapsbeheer en duurzame-energieproductie. Om toekomstige ontwikkelingen in de agrarische sector mogelijk te maken, wil de gemeente ruimte bieden in haar Omgevingsvisie. Om inzicht te krijgen in de toekomstige ontwikkelingen is een toekomstvisie vanuit agrarisch perspectief opgesteld met betrokkenheid van agrariërs. In de onderstaande afbeelding worden de verschillende deelgebied weergegeven. In de perspectiefnota wordt een gebrek aan beschikbare gronden aangewezen als een beperking voor extensivering en een natuurinclusieve bedrijfsvoering. Melkveehouders verwachten dat er grond beschikbaar komt, maar zien ook stevige concurrentie binnen de gemeente door andere functies en dan met name de zonnevelden. Ze zien wel een groeiende mogelijkheid om samen te werken met natuurorganisaties. Als van bijvoorbeeld Natuurmonumenten gronden kunnen worden gepacht die zeer extensief natuurvriendelijk mogen worden gebruikt, dan zien zij daarin kansen. Maar de beperking van het bouwblok is ook van invloed op verdere extensivering van bedrijven.
Bij een extensievere bedrijfsvoering is meer ruimte op het bouwblok nodig, bijvoorbeeld voor de opslag van vaste mest of compost, dan wel voor een stal met ingestrooide ligruimte. Maar juist op een iets ruimer bouwblok kunnen die opslagen en stal landschappelijk goed worden ingepast.
3.3.6.2 Toetsing van het initiatief aan de Perspectiefnota Landbouw In de Bethunepolder ligt er al meer nadruk op het samenkomen van landbouw, natuur en recreatie dan in de andere deelgebieden. Hier is ruim 10 jaar geleden een bewuste keuze gemaakt. De Bethunepolder wijkt af van de rest van het gebied en is vooral zand, als gevolg van het later droogmalen van deze polder. In dit
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld weidegebied biedt een natuurinclusieve bedrijfsvoering hele goede kansen. Het voorliggende bestemmingsplan sluit aan bij de ambitie zoals opgenomen in de perspectiefnota.
3.3.7
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectenrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
4.1.2
Situatie plangebied
In dit geval wordt geen geluidsgevoelig object toegevoegd of gewijzigd. Derhalve worden de aspecten rail-, industrie- en wegverkeerslawaai buiten beschouwing gelaten. Wat betreft de invloed van de in het plangebied aanwezige agrarische bedrijf (specifiek het deel gelegen buiten het bouwvlak) op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering).
4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.
4.2.2
Onderzoeksresultaten
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het uitbreiden van het agrarisch bouwvlak naar ruim 2 hectare ten behoeve van het realiseren van een mestopslagsilo en om de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Een mestopslagsilo betreft een bouwwerk waar niet voortdurend mensen verblijven, het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse de beoogde locatie van de nieuwe
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld mestopslagsilo is mogelijk sprake van een gedempte sloot. Omdat onbekend is met welk materiaal deze voormalige sloot gedempt is, is deze locatie verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij het aantreffen van bodemvreemd materiaal tijdens graafwerkzaamheden is het nodig om direct contact op te nemen met een bodemspecialist van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU). Wat betreft het in overeenstemming brengen van de juridisch-planologische situatie met de feitelijke situatie is het van belang te bepalen welke bebouwing op dit moment buiten het bouwvlak is gelegen. In voorliggend geval gaat het om een mestsilo. Er is hier geen sprake van voortdurend menselijk verblijf waardoor ook hier het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
4.2.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn namelijk genoeg projecten die overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de navolgende tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst van het ministerie van VROM kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Afstand tot te toetsen plaats 70 m Totale emissie in g/jr van 324000 uitbreiding/ oprichting
80 m 387000
90 m 473000
100 m 120 m 140 m 160 m 581000 817000 1075000 1376000
Getallen op basis van berekeningen met STACKS, versie 2008 (Bron: ECN)
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
4.3.2
Situatie plangebied
De emissie van fijnstof vanuit het veehouderijgedeelte neemt toe met 5.240 gram per jaar naar in totaal 42.300 gram per jaar. Indien een bedrijf op 100 meter afstand een toename heeft van 581.000 gram per jaar dan wordt in de handreiking fijnstof en veehouderij (Infomil, mei 2010) gesteld dat deze toename niet in betekende mate (NIBM) is. Het agrarisch bouwvlak ligt in dit geval op meer dan 75 meter afstand tot gevoelige objecten. Ook overige bronnen, zoals bijvoorbeeld transportbewegingen, hebben door hun geringe omvang geen invloed van betekende mate. De genoemde handreiking en zijn doorverwijzingen bevestigen dat ook. Geconcludeerd kan worden dat de emissie van fijnstof beschouwd kan worden als niet in betekende mate (NIBM).
4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voornemen.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
4.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode cirkel) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 4.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld •
niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
De groene arcering op de afbeelding betreft het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (kwetsbaar gebied). De mogelijke effecten op beschermde gebieden (waaronder Natura-2000 gebieden) wordt in paragraaf 5.7 toegelicht.
4.4.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het realiseren van voorgenomen ontwikkeling. Opgemerkt wordt dat het agrarisch bedrijf Griendweg 1 zelf geen risicovol bedrijf betreft.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarbij gelet op het plangebied sprake is van een rustige omgeving. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’.
In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven behorende bij de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woonen leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen van de bedrijven in de omgeving. In voorliggend geval wordt een bestaand melkveehouderij bedrijf uitgebreid met een mestopslagsilo. Tevens wordt de juridisch-planologische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld Op basis van de VNG-uitgave “bedrijven en milieuzonering” valt een melkveehouderij in categorie 3.2 waarbij – uitgaand van het omgevingstype “rustige woonwijk” - de grootste richtafstand van 100 meter geldt voor het aspect geur. Voor de aspecten stof en geluid geldt een richtafstand van 30 meter en voor het aspect gevaar 0 meter. De afstand tussen het plangebied en het meest nabijgelegen milieugevoelige object bedraagt meer dan 100 meter, waarmee wordt voldaan aan de richtafstanden.
4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Er is geen sprake van realisatie van nieuwe milieugevoelige objecten. De bestaande bedrijfswoning Griendweg 1 blijft behouden. Planologisch is het mogelijk de bedrijfswoning te verplaatsen binnen het bouwvlak. Het meest nabijgelegen agrarisch bedrijf betreft de Griendweg 3 waar planologisch gezien een grondgebonden veehouderij is toegestaan. De afstand tussen het nieuwe bouwvlak van het agrarisch bedrijf Griendweg 1 en het bouwvlak van het agrarisch bedrijf Griendweg 3 bedraagd circa 85 meter. Gelet op de grootste richtafstand (uitgezonderd geur) voor de aspecten stof en geluid (30 meter) wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat er als gevolg van voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van verdere belemmering van omliggende (agrarische)bedrijven in hun bedrijfsvoering.
4.5.3
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Geur
4.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht
4.6.2
Situatie plangebied
Binnen het plangebied is een biologische melkveehouderij gevestigd. Voor melkkoeien geldt dat er geen geuremissie is vastgesteld. Tevens is het plangebied gelegen buiten de bebouwde kom, daarom dient aan de richtafstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten te worden voldaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld De afstand van de rand van de inrichting (het nieuwe bouwvlak) tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige object buiten de bebouwde kom bedraagt circa 75 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wet geurhinder en veehouderij.
4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft er een toetsing plaatsgevonden aangaande de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Hierna zijn de resultaten van de onderzoeken opgenomen. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 2, bijlage 3 en bijlage 4 van deze toelichting.
4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
4.7.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt deels binnen de begrenzing van het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Dit Natura2000-gebied is aangewezen als Vogelrichtlijn- en als Habitatrichtlijngebied. Het plangebied is gelegen in Vogelrichtlijngebied. Op afbeelding 4.2 is de ligging van het plangebied in het Natura 2000-gebied weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Afbeelding 4.2
Ligging plangebied in het Natura 2000-gebied (Bron ondergrond: synbiosys.nl)
Uit de in bijlage 3 opgenomen toetsing van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden wordt het volgende geconcludeerd: Het voorgenomen plan waarmee een nieuwe mestsilo wordt gebouwd is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 in Tienhoven. Dit betreft een veehouderij die grotendeels gericht is op het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, waarin het bedrijf (deels) is gelegen. De bedrijfsvoering is gericht op de natuurbeheer, waarbij onder andere habitats en/of leefgebieden van kwalificerende soorten van schraal grasland, vochtige hooilanden en riet/moeras worden beweid en/of gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd en gebruikt op het bedrijf, als hooi voor de koeien, als strooisel in de boxen of als compost. In die zin kan worden gesteld dat het bedrijf activiteiten verricht die direct verband houden met en noodzakelijk zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Voor dergelijke activiteiten geldt vanaf 1 januari 2020 (door het wijziging van de Wet natuurbescherming vanwege de Spoedwet stikstof) dat geen plantoets hoeft te worden doorlopen op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming en geldt geen vergunningplicht meer op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming.
Los van voorgaande zijn de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling op voor Natura 2000gebieden kwalificerende habitats en/of leefgebieden van kwalificerende soorten getoetst. Uit deze toetsing volgt dat het voorgenomen bestemmingsplan welke voorziet in de nieuwbouw van mestsilo en waarbij tevens rekening is gehouden met de reeds vergunde maar buiten het huidige bouwvlak gelegen sleuf- en mestsilo’s niet leidt tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden. Van een significante verstoring van kwalificerende habitatsoorten en/of vogels is geen sprake. Er gaat ten opzichte van de referentiesituatie weliswaar een zeer beperkt deel van (potentieel) leefgebied van de kwalificerende broedvogelsoort purperreiger en de kwalificerende niet-broedvogelsoorten kolgans, grauwe gans en smient verloren, maar dit heeft geen invloed op de draagkracht van het gebied in relatie tot de instandhoudings-doelstellingen. Voor alle betreffende soorten geldt dat momenteel de in het aanwijzingsbesluit geformuleerde doelaantallen ruim worden gehaald, ondanks het huidige gebruik van de buiten het bouwvlak gelegen sleuf- en mestsilo’s. Van een significante verslechtering van het leefgebied van kwalificerende vogels is geen sprake.
Voor het aspect stikstofdepositie geldt dat er in 2016 een Nbwet vergunning is verleend voor de inrichting. De gerealiseerde sleuf- en mestsilo’s en de nieuw te bouwen mestsilo zijn bij de aanvraag op tekening aangegeven als onderdeel van de betreffende inrichting. Deze maken dus onderdeel uit van de vergunde situatie. Boven-dien blijkt uit de toetsing dat het huidige gebruik van de sleuf- en mestsilo’s niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie. Per saldo is juist sprake van een afname aan stikstof-depositie ten opzichte van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld de referentiesituatie, omdat voerwerkzaamheden nu efficiënter kunnen worden uitgevoerd waardoor er fors minder tractorbewegingen plaatsvinden. Bij de opslag van mest geldt dat dit proces nu – in tegenstelling tot in de referentiesituatie – vrijwel volledig geëlektrificeerd is, waardoor fors minder vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. Bovendien hoeft – in tegenstelling tot de referentiesituatie – geen mest meer te worden afgevoerd in de winter en weer te worden aangevoerd in de zomer, waardoor fors minder vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. De bouw van een nieuwe mestsilo zal niet leiden tot een merkbaar ecologisch effect op omliggende gevoelige habitats en/of leefgebieden van kwalificerende soorten omdat de bouwwerkzaamheden slechts enkele dagen tot hooguit circa 1 week duren. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan niet leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000gebieden. Daarbij wordt opgemerkt dat de nieuwbouw van een mestsilo leidt tot minder verkeersbewegingen omdat de op het bedrijf aanwezige mest nauwelijks nog aan- en afgevoerd hoeft te worden. Dit heeft een positief effect op de stikstofdepositie in de Bethunepolder. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling is daarom ook niet noodzakelijk.
4.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort volledig tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie Utrecht heeft zes toetsingsaspecten vastgesteld die samen de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN vormen. Deze zijn: 1. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, inclusief de vereiste omgevingsfactoren (zoals donkerte, bodem, water en milieu); 2. De robuustheid en aaneengeslotenheid van de NNN (voorheen EHS); 3. De aanwezigheid van bijzondere soorten; 4. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen; 5. Behoud van oppervlakte; 6. Behoud van samenhang; Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de bestemming, het gebruik en de inrichting van een deel van het NNN duurzaam gewijzigd. Wanneer gekeken wordt naar het effect van de voorgenomen activiteit op de wezenlijke waarden en kenmerken, dan worden deze in grote lijnen niet aangetast. De bouw van een nieuwe mestsilo is noodzakelijk voor een verduurzaming van de biologische melkveehouderij.
Deze aanpassing is dermate gering van aard dat dit op het geheel geen nadelig effect heeft. De oppervlakte die het betreft (afname gebied) is een zeer gering stukje binnen het NNN gebied dat in de praktijk al tot de agrarisch inrichting behoort. De gebiedskenmerken worden niet aangetast. Er vindt een compensatie plaats (zie ook paragraaf 3.2 en het in bijlage 1 opgenomen erfinrichtingsplan). Het bedrijf draagt in grote mate bij aan natuurbeheer in het gebied. Door de integrale voordelen voor het gebied, zonder afbreuk te doen aan gebiedskenmerken van NNN, is het toestaan van de beoogde bedrijfsactiviteiten een verantwoorde keuze te noemen die past binnen de provinciale beleidskaders (zie ook bijlage 4). Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht.
4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
4.7.3.2 Situatie plangebied Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige beschermde grondgebonden zoogdier-, vleermuis-, amfibieën- en vogelsoorten. De sloot vormt vermoedelijk het functionele leefgebied voor sommige niet beschermde faunasoorten, waaronder vissen. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige zoogdier-, amfibieën- en vogelsoorten er rust- en/of voortplantingslocaties. Het is niet uitgesloten dat incidenteel een ringslang opduikt in het plangebied, maar deze wordt als een ‘zwerver’ beschouwd en bezet er geen winterrustplaats of voortplantingslocatie. Het plangebied behoort niet tot het ‘normale’ foerageergebied va deze soort. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels is niet beschermd. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van (winter)rust- en voortplantingslocaties’.
De functie van het plangebied als foerageergebied, is voor deze soorten niet beschermd.. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en de functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast. In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat dieren onnodig verwond en gedood worden en dat rust- en voortplantingsplaatsen onnodig verstoord en vernield worden. Daarom dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten rekening gehouden te worden met de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren dient de sloot gedempt te worden op een dusdanige wijze, dat vissen weg kunnen komen.
4.6.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt in het kader van voorliggende ontwikkeling geen belemmering.
4.7
Archeologie & Cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 4.7.1.2 Situatie plangebied Het voornemen is getoetst aan de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Een uitsnede van de kaart is opgenomen in afbeelding 4.3.
Afbeelding 4.3 Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Stichtse Vecht (Bron: Gemeente Stichtse Vecht)
Het plangebied is gelegen in de Bethunepolder, hiervoor geldt de archeologische verwachting ‘onbekend’. Voor gebieden met de archeologische verwachting ‘onbekend’ geldt dat een archeologisch onderzoek vereist is bij bodemverstoringen groter dan 10 ha en dieper dan 0,3 meter. In voorliggend geval wordt slechts één mestopslagsilo gerealiseerd met een oppervlakte die ruim minder dan 10 ha bedraagt. Gelet op vorenstaande is een archeologisch onderzoek in het onderhavige geval niet noodzakelijk. Hoewel in voorliggend geval een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Stichtse Vecht) worden gemeld.
4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe gebouwde monumenten (daaronder ook begrepen ‘groene’ monumenten) en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 4.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de cultuurhistorische waardenkaart, in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Ter plaatse van de nieuwe mestopslagsilo of in de directe nabijheid daarvan is eveneens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan.
4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en het aspect cultuurhistorische geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit project.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).