Toelichting bestemmingsplan Griendweg 1.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Griendweg 1, Tienhoven
Juni 2023
Vastgesteld
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven”
Plannaam:
Griendweg 1, Tienhoven
IMRO-code:
NL.IMRO.1904.BPGriendweg1THN-VG01
Plantype:
Bestemmingsplan
Status:
Vastgesteld
Datum:
Juni 2023
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Toelichting
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 5 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 6 HUIDIGE PLANOLOGISCH REGIME .................................................................................................................... 6 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 9
HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED ........................................................... 10 2.1 2.2 2.3
HUIDIGE SITUATIE ...................................................................................................................................... 10 RUIMTELIJKE ONTWIKKELING ........................................................................................................................ 11 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 15
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ........................................................................... 16 3.1 3.2 3.3
EUROPEES- EN RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 16 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 20 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 25
HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .................................................. 32 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.7 4.8 4.9 4.10
GELUID .................................................................................................................................................... 32 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 32 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 33 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 34 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 36 GEUR ...................................................................................................................................................... 38 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 39 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 42 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ..............................................................................................................
44 WATERASPECTEN....................................................................................................................................... 45 KABELS & LEIDINGEN .................................................................................................................................. 46
HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 47 5.1 5.2 5.3
INLEIDING................................................................................................................................................. 47 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 47 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 48
HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID...................................................................... 50 6.1 6.2 6.3 6.4
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................................................................................ 50 VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 50 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 50 ZIENSWIJZEN............................................................................................................................................. 50
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 51 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN ....................................................................................................... 52 QUICKSCAN NATUURWAARDEN............................................................................................................. 53 TOETSING EFFECTEN NATURA 2000-GEBIEDEN ........................................................................................ 54 AANVULLENDE NOTITIE NATUUR (NNN) ................................................................................................ 55 VORMVRIJE MER-BEOORDELING ............................................................................................................ 56
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Ontstaan Bethunepolder De Bethunepolder diende in eerste instantie voor de akkerbouw. Pas later is door inklinking (verzakken van de grond) en vervening de grondwaterstand zodanig hoger geworden dat het gebied ongeschikt werd voor akkerbouw en het kenmerkende veenweidegebied is ontstaan. In de 19e eeuw is een start gemaakt met het droogmaken van de Bethunepolder, hetgeen echter niet eenvoudig was. Daardoor kent de polder ook een zeer fijnmazig slotenstelsel een rechthoekige verkaveling passend bij een droogmakerij. De polder werd echter nooit droog genoeg voor de beoogde land en tuinbouw. Door de lage ligging van de Bethunepolder en de drainerende werking die dit heeft op de omgeving, is water altijd een belangrijk probleem in de polder geweest. Naast kwelwater vanuit de omliggende polders, kwelt er ook water op dat afkomstig is uit de Utrechtse Heuvelrug. Het wegmalen van het kwelwater uit de polder kostte in het begin van de 20e eeuw zoveel dat dit niet opwoog tegen de opbrengsten uit de landbouw. Men wilde de polder vol laten lopen. Vanwege de goede kwaliteit van het kwelwater heeft het Gemeentelijk Waterlei dingbedrijf Amsterdam echter de kosten voor bemaling op zich genomen. De polder werd pas echt droog toen in 1930 het Gemeentelijk Waterbedrijf Amsterdam begon met het oppompen van het zeer schone kwelwater.
Kwelwater wordt bemalen onder ander ten bate van de productie van drinkwater. Kwelwater wordt ook gebruikt voor aanvulling van de Loosdrechtse Plassen. De aanwezigheid van goed kwelwater heeft de Bethunepolder destijds voor 'verdrinking' gered. Recente ontwikkeling Bethunepolder Vanwege de uitvoering van het plan voor de herinrichting van het Noorderpark is ook de agrarische functie van de Bethunepolder gewijzigd. De Bethunepolder neemt in het Noorderpark een bijzondere positie in. Het grootste deel van de polder was in gebruik bij veehouderijbedrijven. Inmiddels is een groot deel van het gebied verworven voor en ingericht als natuurgebied. Staatsbosbeheer en de gemeente Amsterdam hebben een aanzienlijke hoe veelheid grond in eigendom. Vanaf 2010 hebben overheden actief beleid gevoerd om de Bethunepolder in te richten als reservaat- en natuurontwikkelingsgebied met bijzondere aandacht voor recreatie, landschap, cultuurhistorie en de hydrologische aspecten. De provincie heeft in samenwerking met het waterschap, terreinbeheerders, bewoners en gemeente een inrichtingsplan voor de Bethunepolder opgesteld en vastgelegd in een door alle partijen ondertekende 'Verklaring herinrichting Bethunepolder' (maart 2011).
Daarop heeft de gemeente destijds het bestemmingsplan Landelijk gebied Maarssen vastgesteld waarin een oppervlakte van ongeveer 150 hectare de bestemming werd gewijzigd van “Agrarisch” naar “Natuur”. De herinrichting van de Bethunepolder was nodig om de beleidsdoelstellingen van de provincie Utrecht te bereiken. Hierbij zijn natuur- en waterdoelen aan elkaar gekoppeld, ofwel de waterdoelen staan ten dienste van de natuurdoelen. Het waterdoel is het terugdringen van de hoeveelheid kwel in de diepgelegen Bethunepolder met als randvoorwaarde dat er voldoende en kwalitatief goed water beschikbaar blijft om drinkwater voor de gemeente Amsterdam te produceren. Daarnaast zijn er ook natuurdoelen binnen de polder: het realiseren van Natura 2000-doelen , een robuuste ecologische verbindingszone en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Om ruimte te maken voor de natuurdoelstellingen in de Bethunepolder zijn de meeste in het gebied agrarische bedrijven verplaatst. Een groot deel van de agrarische bedrijven in deze polder is inmiddels uitgeplaatst of gestopt. In de 'Verklaring herinrichting Bethunepolder' is de hele polder aangewezen als EHS maar tegelijk is het behoud van twee agrarische bedrijven in de polder als randvoorwaarde opgenomen.
Daar waar zich reële mogelijkheden voordoen om de rol van de landbouw in het gebied af te stemmen op de te realiseren natuurdoelen, heeft het de voorkeur die kansen te benutten. Op het perceel Griendweg 1 te Tienhoven, in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht, wordt een biologische melkveehouderij geëxploiteerd. Het agrarisch bedrijf op het perceel Griendweg 1 is één van de twee agrarische bedrijven die behouden moeten blijven zoals voorgenomen in de 'Verklaring herinrichting Bethunepolder'. Het bedrijf is inmiddels uitgegroeid tot een belangrijke gebiedspartner voor de gemeente, , Provincie, Staatsbosbeheer en Waternet. Het agrarisch bedrijf is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld beheer van een groot deel van de natuurgronden in de polder en het verwerken en de opslag van maaisel van Staatsbosbeheer. Om nog duurzamer te kunnen werken heeft de initiatiefnemer de wens om de opslagcapaciteit te vergroten. De huidige opslagcapaciteit van drijfmest is onvoldoende waardoor in de winterperiode mest eerder dient te worden afgevoerd en in de zomer mest dient te worden aangevoerd. Hierdoor kan nog niet optimaal rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van de Bethunepolder. Door een nieuwe mestopslagsilo met een grotere capaciteit te plaatsen hoeft er geen mest meer te worden aangevoerd en kan afvoeren worden uitgesteld indien (weers)omstandigheden dit vragen. Bijkomend voordeel is dat de bestaande silo volledig kan worden ingezet voor het opvangen van perssappen. Bovendien is de bestaande silo verouderd en heeft deze in 2015 gelekt. Ter bescherming van het grondwater is het gewenst om deze silo in de toekomst niet meer te gebruiken voor mestopslag. Door het realiseren van een nieuwe mestsilo is er sprake van duurzamere en efficiëntere bedrijfsvoering. Gebleken is dat de beoogde locatie van de mestopslagsilo, onverwacht, buiten het agrarisch bouwvlak is gelegen, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Maarssen’. In paragraaf 1.4 wordt hier nader op ingegaan.
Het realiseren van bedrijfsbebouwing is alleen binnen een bouwvlak toegestaan. Dit houdt in dat voorgenomen ontwikkeling niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. Om voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Hierbij wordt enerzijds de plaatsing van de nieuwe mestopslagsilo mogelijk gemaakt en anderzijds de planologisch situatie van de agrarische bedrijfsbebouwing in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders, daarbij zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Griendweg 1, in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht. De locatie is kadastraal bekend als Maarssen, sectie K, nummers 1494, 1495, 596 en 227. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1.1
Ligging plangebied in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht (Bron: ArcGIS)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
1.3
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1904.BPGriendweg1THN-VG01) en een renvooi; regels.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4
Huidige planologisch regime
1.4.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Maarssen’. Dit bestemmingsplan is op 17 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Op afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan opgenomen. De zwarte lijn geeft het huidig agrarisch bouwvlak weer. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is indicatief weergegeven met de rode omlijning.
Afbeelding 1.2
1.4.2
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijke Gebied Maarssen’ (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Beschrijving bestemming en aanduiding
Op basis van het bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ en deels de bestemming ‘Water’. Tevens is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 5’. Tot slot gelden ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – waterwingebied’ en de gebiedsaanduiding ‘bethunepolder’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ Gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ zijn onder meer bedoeld voor grondgebonden veehouderijen. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen en veekralen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak.
‘Water’ Gronden met de bestemming ‘Water’ zijn bestemd voor water, de waterhuishouding en extensief recreatief medegebruik. Op gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (waaronder begrepen kunstwerken) ten dienste van de bestemming toegestaan.
‘Waarde – archeologie - 5’ De voor ‘Waarde – archeologie - 5’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), me bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen zijn slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; 2. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; 3. een bouwwerk niet groter dan 10 ha; 4. een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd. ‘milieuzone – waterwingebied’ Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - waterwingebied' zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor de exploitatie en bescherming van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening.
‘bethunepolder’ Voor gronden die zijn voorzien van de aanduiding ‘bethunepolder’ gelden specifieke regels omtrent het bouwen van steigers. Zo zijn uitsluitend open steigers toegestaan, mag de diepte van de steigers gemeten vanaf de waterkant niet meer dan 1 meter bedragen en mag de bouwhoogte van steigers niet meer dan 0,5 meter boven het waterpeil bedragen.
1.4.3
Strijdigheid
Een deel van de huidige bebouwing van het agrarische bedrijf is buiten het bouwvlak gelegen. Ook de locatie van de beoogde nieuwe mestopslagsilo is gelegen buiten het bouwvlak. Het realiseren van de betreffende mestopslagsilo is, vanwege het ontbreken van de bouwmogelijkheden, niet toegestaan op basis van de geldende bestemming. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders om de mestopslagsilo te kunnen realiseren en de planologische situatie van de bedrijfsbebouwing in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Voorgeschiedenis Het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied Maarssen” heeft in de 2012 als ontwerp ter inzage gelegen. In het belang van de continuïteit van het agrarisch heeft de huidige eigenaar destijds een zienswijze tegen het bestemmingsplan ingediend waarin gevraagd wordt om het bouwvlak te vergroten. Dit vooruitlopend op de vereiste ontwikkelingen om dit bedrijf, zoals beoogd, als één van de twee agrarisch bedrijven voor te polder te kunnen behouden. De eigenaar heeft verzocht het bouwvlak te vergroten tot 2 hectare. Om medewerking te kunnen verlenen is de eigenaar gevraagd om zijn plan uit te werken. Dit heeft geleid tot een aanvraag
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld omgevingsvergunning in november 2012, welke uiteindelijk op 12 maart 2013 is vergund. Onderstaand de situatietekening behorende bij de in 2013 verleende vergunning.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2013” is het agrarisch bouwvlak, gewijzigd vastgesteld. Dit bouwvlak komt echter niet overeen met de feitelijke en vergunde situatie. In plaats daarvan is het agrarisch bouwvlak uitgebreid met een (onverklaarbaar) “plukje”. Mogelijke verklaring is dat de uitbreiding van het bouwvlak op een onjuiste schaal in de kaartlaag is opgenomen. Op de onderstaande luchtfoto van 2013, waarop te zien is dat begonnen is met het uitvoeren van de omgevingsvergunning, is uitbreiding van het bouwvlak in het rood weergegeven. Deze omissie is onopgemerkt gebleven tot de eigenaar een aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwe mestsilo wilde indienen. Tot werd de merkwaardige uitbreiding opgemerkt en bleek de silo buiten het bouwvlak te liggen. Indien het bouwvlak op de juiste wijze zou zijn aangepast, zoals beschreven in de zienswijze ten het geldende bestemmingsplan en conform de verleende omgevingsvergunning, dan zou de nieuwe mestsilo gelegen zijn binnen het agrarisch bouwvlak.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet nu wel in de benodigde bouwvlak en in de gewenste juridisch planologische kaders om de mestopslagsilo te kunnen realiseren en de planologische situatie van de bedrijfsbebouwing in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige en gewenste situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt onder andere het beleid van het Rijk, provincie Utrecht en de gemeente Stichtse Vecht beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue. In de hoofdstukken 5 en 6 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
HOOFDSTUK 2 2.1
BESCHRIJVING PLANGEBIED
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht, ten noordoosten van de kern Maarssen. De ruimtelijke- functionele structuur van de omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgronden, natuur, agrarische bedrijven en verspreid liggende woonerven. Op het agrarisch bedrijfsperceel aan de Griendweg 1 wordt een biologische melkveehouderij geëxploiteerd. Op het bestaande perceel bevinden zich verschillende bedrijfsgebouwen (stallen en schuren). Op het erf is tevens een bedrijfswoning aanwezig. Achter de stallen liggen de bestaande sleufsilo en de bestaande mestsilo. Ten aanzien van de mest wordt het volgende opgemerkt: de mest in de stal wordt samen met het strooisel naar de achterzijde van de stal geschoven. Hier wordt de dunne fractie (drijfmest) en dikke fractie (vaste mest) geschieden. De vaste mest wordt eerst op een mestplaat geschoven en daarna verplaatst naar de vaste mestopslag. De drijfmest wordt eerst opgevangen in de kelder achterin de stal en daarna overgepompt naar de mestsilo. Doordat de huidige opslagcapaciteit van drijfmest onvoldoende is dient er in de winterperiode mest te worden afgevoerd welke in zomer weer dient te worden aangevoerd. Door de bouw van een nieuwe mestsilo kan nog efficiënter en duurzamer gewerkt worden en worden het aantal vervoersbewegingen verdere beperkt.
In afbeelding 2.1 wordt de huidige situatie ter plaatse van het plangebied en de omgeving weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven met de rode contour.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Afbeelding 2.2
Vogelvlucht huidige situatie plangebied (Bron: van der Linden)
2.2
Ruimtelijke ontwikkeling
2.2.1
Algemeen
Concreet bestaat het voornemen uit het realiseren van een extra mestopslagsilo ten behoeve van een efficiëntere en duurzamere bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf ter plaatse. Door een nieuwe mestopslagsilo met een groter capaciteit te plaatsen hoeft er namelijk geen mest meer te worden af- en aangevoerd. Hierdoor kan het agrarisch bedrijf blijven functioneren zoals in de 'Verklaring herinrichting Bethunepolder' werd beoogd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de Bethunepolder. In afbeelding 2.3 is de gewenste situatie van het agrarisch bedrijf weergegeven. Om te zorgen voor toekomstperspectief van het agrarisch bedrijf wordt uitgegaan van een agrarisch bouwvlak van ruim 2,0 hectare.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Afbeelding 2.3
2.2.2
Beoogde situatie Griendweg 1 (Bron: Scheerder Bouwadvies)
Aanpassingen aan slotenpatroon
Het plangebied ligt in de Bethunepolder en kent een historisch slotenpatroon dat sinds het ontstaan van de polder niet of nauwelijks is gewijzigd. Door ontwikkeling van het agrarisch bedrijf (Griendweg 1) in de afgelopen decennia, zijn verschillende aanpassingen aan het slotenpatroon ten westen van het bedrijf uitgevoerd; telkens als gevolg van wenselijke uitbreiding van het bedrijfsoppervlakte. Op onderstaande afbeeldingen is de ontwikkeling weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Afbeelding 2.4
Ontwikkeling van het agrarisch bedrijfsperceel periode 2010-2015 (Bron: topotijdreis.nl)
Zoals te zien op bovenstaande afbeelding zijn omstreeks 2011 de eerste aanpassingen in het slotenpatroon uitgevoerd. Het erf is toen in westelijke richting uitgebreid en is een smalle sloot verlegd. Na 2014 is de brede sloot, welke tussen de uitbreiding en het oorspronkelijke erf lag, gedempt. Bij de voorliggende ontwikkeling, wordt een kleine aanpassing uitgevoerd aan de sloot in de noordwestzijde van het erf. De smalle sloot, ten westen van de huidige mestsilo, wordt verlegd in westelijke richting, en komt naast de nieuwe mestsilo te liggen. Op afbeelding 2.5 wordt de (wenselijke) aanpassing weergegeven. De gekozen ligging van de sloot is puur praktisch ingestoken en niet gebaseerd op een cultuurhistorische achtergrond. Voor de efficiënte bedrijfsvoering is het niet wenselijk dat er een sloot door het bouwvlak ligt.
2.2.3
Landschappelijke inpassing
Om het agrarische erf landschappelijk in te passen in het landschap is door Natuurbank Overijssel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitgangspunten, het gehele landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Op afbeelding 2.5 is de landschappelijke inpassing weergegeven. Voor de inpassing van het nieuwe erf is gekozen voor de aanleg van een struweelhaag langs de westgrens van het erf en ten noorden van de beoogde nieuwe mestopslagsilo. De bestaande enkele rij jonge wilgen (met enkele knotwilgen) wordt verwijderd en omgevormd tot een struweelhaag. In de nieuwe struweelhaag worden enkele knotwilgen geplant.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
Afbeelding 2.5
Landschappelijke inpassing Griendweg 1 (Bron: Natuurbank Overijssel)
Om tot het wenselijke eindbeeld te komen moeten er inrichtings- en beheermaatregelen genomen worden. Inrichtingsmaatregelen: De volgende inrichtingsmaatregelen moeten genomen worden: • • • •
Dempen bestaande sloot; Verplaatsen bestaande beplanting Aanleg rietoever Aanleggen nieuwe beplanting
Hierna wordt per maatregel een toelichting gegeven. De nummers corresponderen met de nummering op afbeelding 2.3. Ad 1 & 5: Bestaande beplanting Niets doen in verband met bestaande situatie Ad 6: Verspreid elzensingel met daartussen gagel Tussen de sloot en het kavelpad worden zes groepjes zwarte elzen geplant. Deze groepjes bestaan uit 6-12 jonge zwarte elzen (driejarig plantsoen) in een plantverband van 0,5x0,5 meter (10-15 m2 per groepje). Tussen de groepjes elzen wordt (wilde) gagel geplant. In totaal worden 12 gagelstruiken geplant. De elzen en de gagel wordt aan de waterkant geplant. Ad 8: Verplaatsen beplanting Om vraat en schade van ratten en om de sleufsilo’s aan te kunnen rijden van beide kopse kanten, dient de beplanting ten westen van de sleufsilo’s verplaatst te worden. De beplanting wordt verplaatst naast de nieuw te bouwen mestsilo. Ad 9 t/m 12: n.v.t. Ad 13: Te verplaatsen struweel Om de mestsilo te kunnen bouwen, dient de aanwezige beplanting verplaatst te worden. De beplanting wordt verplaatst naast de nieuw te bouwen mestsilo. Ad 14: Hakhoutsingel BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld Rond de nieuwe mestsilo wordt beplanting geplant. Dit plantvak wordt ingeplant met een gemengd plantsoen bestaande uit zwarte els, boswilg, katwilg, kraakwilg, Gelderse roos, hondsroos, ruwe iep en winterlinde. Ook wordt beplanting die elders weggaat, hierin verwerkt. Daarbij gaat het om meidoorn en els. De boomvormers worden aan de binnenzijde geplant, de struweelvormers aan de buitenzijde (zonzijde). Er wordt gebruik gemaakt van driejarig plantsoen van minimaal 80-120 cm hoog. Het plantsoen wordt geplant in een driehoeksverband van 1,5 x 1,5 meter. Ad 15: Elzensingel in slootkant In de slootkant worden zwarte els, boswilg, katwilg, kraakwilg en es geplant in een enkele rij. Er wordt een enkele rij geplant van driejarig plantsoen van minimaal 80-120 cm hoog. Het plantsoen wordt geplant in een verband van 1 stuk per strekkende meter. Ad 16: Boomgaard Er wordt een boomgaard aangelegd van zeven hoogstam fruitbomen. Er wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van oude fruitrassen. De bomen worden geplant met twee boompalen en boomband. Ad 17: Rietstrook met hakhout Er wordt een drie meter brede moerasstrook met rietland met ruigte aangelegd. Deze strook wordt vier meter breed en ontstaat door het afgraven van de bovenste 30-40 cm van het grasland.
De moerasstrook zal op natuurlijke wijze ontwikkelen tot een rietstrook en ruigte, als gevolg van natuurlijke opslag van bomen en struiken. De moerasstrook wordt veiliggesteld door het aanbrengen van een raster. Beheer: Om van aanplant tot het wenselijke eindbeeld te komen moet de beplanting op de juiste wijze beheerd worden. Knotbomen De knotbomen worden periodiek geknot, afhankelijk van de snelheid van het uitlopen van de bomen is dat gemiddeld ieder 8-12 jaar. Houtsingel De houtige beplanting in het plangebied wordt beheerd als hakhout. Dat wil zeggen dat de beplanting periodiek (om de 10-12 jaar) net boven de grond afgezaagd wordt, waarna deze weer zal uitlopen. Het afzetten van het hakhout gebeurt bij voorkeur gefaseerd, waarbij met een tussenpose van 3-4 jaar, de helft van de haag afgezet wordt (i.p.v. de hele singel in één jaar). Rietstrook Om het wenselijke eindbeeld, rietsloot met verspreid enkele bomen en ruigte, te handhaven, wordt natuurlijke opslag van bomen en struiken periodiek verwijderd. De rietstrook wordt verdeeld over drie delen, periodiek gemaaid met tussenliggende periodes van 4-6 jaar.
2.3
Verkeer en parkeren
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In het kader van verkeer en parkeren wordt opgemerkt dat het gaat om een bestaand bedrijf. Voor de te realiseren mestopslagsilo geldt dat het aantal verkeersbewegingen beperkt afneemt Immers hoeft er door het realiseren van een nieuwe mestopslagsilo geen mest meer te worden af- en aangevoerd. De uitbreiding van het bouwvlak tot ruim 2,0 hectare zal naar verwachting niet leiden tot een verkeersaantrekkende werking dat dit de capaciteit van omliggende wegen in gevaar brengt. Voor het overige blijft de bestaande bedrijfsvoering namelijk gelijk. De bestaande in- en uitritten op de Griendweg blijven behouden. Tot slot is op het bedrijfsperceel voldoende manoeuvreerruimte en ruimte voor parkeren aanwezig. De ontwikkeling brengt in het kader van de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen met zich mee.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het beleid vanuit het rijk, de provincie Utrecht en gemeente Stichtse Vecht. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1
Europees- en rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
3.
Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Wel wordt opgemerkt dat het plangebied in het Groene Hart ligt. Het Groene Hart is in de NOVI opgenomen als één van de acht NOVI-gebieden binnen Nederland. NOVIgebieden zijn gebieden met essentiële, complexe en urgente opgaven met een nationaal belang waar samenwerking tussen alle overheidslagen noodzakelijk is om succesvol antwoord te geven op de opgaven. In voorliggend geval wordt de juridisch-planologische situatie van een bestaande biologische melkveehouderij in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast is het de wens een nieuwe mestopslagsilo bij het agrarische bedrijf te realiseren, dit ten behoeve van een efficiëntere en duurzame bedrijfsvoering. De voorgenomen ontwikkeling gaat vergezeld met een adequate landschappelijke inpassing van het nieuwe agrarische bedrijfsperceel, kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2 en bijlage 1 bij deze toelichting. Hiermee wordt het Groen Hart niet onevenredig aangetast, temeer omdat het gaat om een bestaand bedrijfsperceel.
Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
3.1.2.2 Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat in voorliggend geval sprake is van een uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf in het buitengebied. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Bro, derhalve is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten dat van Rijksbelang is met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Het plangebied is gesitueerd binnen de grenzen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die door het rijk als erfgoedcomplex van uitzonderlijke universele waarde is aangewezen. Bij provinciale verordening zijn in het belang van instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten regels gesteld, zodat een bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk kan maken die de kernkwaliteiten kunnen aantasten. De kernkwaliteiten voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn: a.
b. c.
Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem, bestaande uit: innundatiegebieden, zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving, voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten, waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers, en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden, overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten, de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten, de historische vestingstructuur van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem; Grote openheid; Groen en overwegend rustig karakter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 3.1.4
Europese Kaderrichtlijn Water (2000)
3.1.4.1 Algemeen De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
3.1.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Europese Kaderrichtijn Water De kaderrichtlijn doet geen specifieke beleidsuitspraken die van belang zijn voor onderhavig bestemmingsplan.
3.1.5
Nationaal Waterplan en Waterbeleid 21e eeuw
3.1.5.1 Algemeen De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die gefaseerd tot 2027 worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan 2016-2021 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie Overijssel en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. In Nederland verscheen in het najaar van 2000 het rapport “Waterbeleid voor de 21e eeuw”, een advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw (Commissie WB21). Deze door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen ingestelde commissie doet aanbevelingen over hoe in de komende eeuw met water moet worden omgegaan. De Commissie WB21 stelt dat de 21e eeuw om een andere aanpak van het waterbeleid vraagt dan de 20e eeuw. Er moet minder accent op het technische beheer komen te liggen. Het water moet niet langer als vijand, maar veel meer als bondgenoot worden gezien. Het waterbeheer dient te worden gebaseerd op: • • • • • •
stroomgebiedsbenadering; ruimte geven aan water; vasthouden en tijdelijk bergen van water, alvorens af te voeren; kansen benutten voor meervoudig ruimtegebruik; geen afwenteling van problemen in het watersysteem zelf, noch van bestuurlijke verantwoordelijkheden of kosten; te ontwikkelen normenstelsel per stroomgebied.
Bij grootschalige en/of ingrijpende locatiebesluiten dienen de kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen voor het watersysteem te worden onderzocht aan de hand van een zogenaamde watertoets. Zonodig moeten compensatiemaatregelen worden getroffen. Het huidige regime van schadevergoeding door de Rijksoverheid moet worden vervangen door een verzekeringsstelsel voor schade door regenval en, eventueel, overstroming van boezems. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de provincie dienen op respectievelijk nationaal en regionaal niveau een sterkere regierol te vervullen. Naar verwachting zal de door de Commissie WB21 voorgestane aanpak belangrijke voordelen opleveren, zoals een toegenomen veiligheid van mens en dier en een betere bescherming van materiële goederen. Een snelle implementatie van de maatregelen voorkomt bovendien dat op termijn duurdere oplossingen voor de steeds nijpender problemen moeten worden gezocht. Ruimte voor water heeft tevens een positieve invloed op de natuurontwikkeling, de landbouw en de ruimtelijke kwaliteit in zowel stedelijk als landelijk gebied. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld 3.1.5.2 Toetsing van het initiatief aan het Nationaal Waterplan en Waterbeleid Het nationaal Waterbeleid doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor onderhavig bestemmingsplan.
3.1.6
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd wordt dat het rijksbeleid zich niet verzet tegen de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid van de provincie Utrecht is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie provincie Utrecht en de daarbij behorende Provinciale Omgevingsverordening.
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht
3.2.1.1 Algemeen In de Omgevingsvisie, vanaf 1 april 2021 in werking, staat hoe de provincie zich wil voorbereiden op de toekomst. Gezien alle ontwikkelingen die er zijn en ruimte vragen, zoals de bevolkingsgroei en het opwekken van duurzame energie. In de Omgevingsverordening staan de regels die bij de Omgevingsvisie horen (zie ook paragraaf 3.2.2). Het voorliggend plan ligt in de volgende thema’s: • • • • •
Verzilveren linie en limes; Provincie Utrecht CO2-neutraal; Transitie naar duurzame landsbouw; Tegengaan bodemdaling; Realiseren en verbeteren natuurnetwerk Nederland.
Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende ambities per thema.
3.2.1.2 Van toepassing zijnde ambities per thema Verzilveren linie en limes De provincie wil beschermen en benutten landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. Daarbij stimuleren zijn de inzet van creatieve verbeeldingskracht. Dit doen ze om de kwaliteit en identiteit van de fysieke leefomgeving te versterken. In de landschappen ontwikkeld de provincie met de kernkwaliteiten van het landschap mee en stimuleren anderen dat ook te doen. Binnen de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt de focus gelegd op historische buitenplaatszones, militair erfgoed, agrarische cultuurlandschappen, archeologisch waardevolle zones en historische infrastructuur. Hierbij verzilverd de provincie de uitzonderlijke universele waarden van (genomineerd) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes. Tenslotte draagt de provincie zorg voor monumenten en dragen bij aan een hoogwaardig cultureel aanbod dat meegroeit met het aantal inwoners. Provincie Utrecht CO2-neutraal De ambitie is om in 2050 een CO2-neutrale provincie te zijn. Daartoe stimuleert de provincie allereerst energiebesparing. Elektriciteit en warmte halen we uit duurzame energiebronnen als wind, zon, bodem, water en biomassa.
Er zijn grote veranderingen nodig in verschillende sectoren: gebouwde omgeving, bedrijven, BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld mobiliteit en landbouw. Het vraagt opschaling van de inzet van bewezen technologie, de ontwikkeling van innovaties en de toepassing van slimme ruimtelijke combinaties in al deze sectoren. Nieuwe technieken voor duurzame energieopwekking faciliteert de provincie als ze minder impact op onze leefomgeving hebben. Voor deze technieken biedt de provincie ruimte voor experimenten, mits het gezond en veilig is. In grote delen van de provincie wordt ruimte gegeven om in het proces van de Regionale Energiestrategieën (regio’s U16, Amersfoort en Foodvalley) met lokaal draagvlak op zoek te gaan naar geschikte locaties voor wind- en zonne-energie. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing is belangrijk. Hiervoor stelt de provincie enkele algemene en gebiedsspecifieke voorwaarden, mede op basis van de Utrechtse kwaliteiten. Rijnenburg is in beeld als (tijdelijk) energielandschap (en voor de lange termijn als zoekrichting grootschalige integrale ontwikkeling wonen-werken-bereikbaarheid). Transitie naar duurzame landsbouw en Realiseren en verbeteren natuurnetwerk Nederland De ambitie is om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit te ontwikkelen.
Bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden met grote natuursystemen. Voor 2040 realiseert de provincie in totaal 3.000 hectares natuur in de Groene contour. Grote natuureenheden worden ecologisch met elkaar in verbinding gebracht (Rivierengebied en Veenweide-plassengebied). Daarnaast onderzoekt de provincie de kansen voor uitbreiding van houtopstanden die bijdragen aan CO2-reductie. Hierbij wordt gestimuleerd om de transitie naar een duurzame landbouw die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk is. Daarbij is de economische rentabiliteit van agrarische bedrijven een belangrijk uitgangspunt. En de provincie stimuleert dat de landbouw dicht bij de inwoners staat (streekproducten, recreatie e.d.). Tot 2030 heeft de provincie de ambitie dat de landbouw de nutriëntenkringlopen heeft gesloten, zelfvoorzienend in energie is en daarnaast deels ook opereert als groene energieproducent voor derden. Tegengaan bodemdaling De provincie zet zich in voor een klimaatbestendige en waterveilige provincie samen met waterbeheerders, gemeenten en Rijk. Hierbij wordt gezorgd voor een aantrekkelijke en toekomstbestendige dijken en omgeving langs de Nederrijn en Lek.
Dit wordt gedaan in samenhang met maatregelen om de zoetwateraanvoer naar West-Nederland bij droogte te garanderen via de Klimaatbestendige Wateraanvoer. Daarbij verzilvert de provincie meekoppelkansen met andere functies als natuur, recreatie, energie en mobiliteit. De provincie wil het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug benutten om regenwater vast te houden en te infiltreren. In de veenweidegebieden wordt een mix aan maatregelen genomen voor het tegengaan van bodemdaling in 2030 met 50%. De provincie breiden de bestaande grondwaterwinningen uit met zoekgebieden drinkwaterwinning Eiland van Schalkwijk en Eemdijk. De provincie zorgt dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater voldoet aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water en de doelen voor het overig water. Nieuwe ontwikkelingen in stedelijk en landelijk gebied worden klimaatadaptief (groen en blauw) ingericht.
3.2.1.3 Landschap Groene Hart Het plangebied is gesitueerd binnen de grenzen van het Nationaal Landschap Groene Hart. Voor dit nationaal landschap zijn de volgende kernkwaliteiten gedefinieerd, die behouden en versterkt dienen te worden: • • • •
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte;
Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal. Daarbij dienen de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut te worden om de contrasten tussen de verschillende landschapstypen te behouden én te versterken. Enkel en alleen het accent leggen op rust en stilte doet geen recht aan het Groen Hart. Het waarborgen van rust vraagt ook het bieden van ruimte voor vormen van dynamiek. Daarbij ligt de focus op het vergroten van de contrasten in rust en dynamiek tussen de agrarische landschappen van de velden en de dynamische BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld landschappen van de oude stroomruggen. De provincie vraagt dus zorgvuldig om te gaan met de open, lege ruimte en de dynamiek te concentreren in ‘zones’. Centraal staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap. Daarbij worden de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut om de contrasten tussen de verschillende typen landschap te behouden en te versterken. De focus ligt op het behouden, benutten en versterken van de contrasten tussen: • • •
openheid en intimiteit; rust en reuring; oude en nieuwe overgangen;
3.2.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Provinciale Omgevingsvisie In voorliggend geval wordt de juridisch-planologische situatie van een bestaande biologische melkveehouderij in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast is het de wens een nieuwe mestopslagsilo bij het agrarische bedrijf te realiseren, dit ten behoeve van een efficiëntere en duurzame bedrijfsvoering. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling aansluit op de ambitie inzake het behouden van de landbouwfunctie in het landelijk gebied ten behoeve van de kwaliteit en beleefbaarheid van het platteland. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet tevens is een adequate landschappelijke inpassing van het nieuwe agrarische bedrijfsperceel, kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2 en bijlage 1 bij deze toelichting. Wat betreft de doorgroeimogelijkheden van het bouwperceel naar ruim 2 hectare wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2, hier wordt getoetst aan de gestelde voorwaarden. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Provinciale Omgevingsvisie’ van de provincie Utrecht.
3.2.2
Interim Provinciale Omgevingsverordening
3.2.2.1 Algemeen Per 1 april 2021 is de interim Provinciale Omgevingsverordening (POVI) van kracht. Door de uitstelling van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 jaar later dan gepland), is het nodig om in plaats van de Omgevingsverordening een Interim Omgevingsverordening te maken. De Omgevingsverordening kan namelijk niet onder de huidige wetgeving in werking treden; dat kan alleen onder de nieuwe Omgevingswet. Om toch eerder uitvoering te kunnen geven aan de plannen en ambities uit de Omgevingsvisie, hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht besloten om, tot de nieuwe wet ingaat, te werken met een interim Omgevingsverordening, kortweg Interimverordening. Ten aanzien van de voorliggende ontwikkeling zijn artikelen 3.7, 8.1 (lid 3) en 6.3 het meest relevant. Artikel 3.7 Instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater 1.
2.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen een Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Boringsvrije zone, Beschermingszone oppervlaktewaterwinning, 100-jaarsaandachtsgebied of Kwetsbare strategische grondwatervoorraad laat geen activiteiten toe en bevat geen bestemmingen en regels die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop het waterwinbelang in acht is genomen.
Artikel 8.1 Instructieregel agrarische bedrijven (lid 3) Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel tot maximaal 2,5 hectare voor bestaande grondgebonden veehouderijen en in een landbouwontwikkelingsgebied ook voor bestaande niet-grondgebonden veehouderijen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld b. c. d.
de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.
Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland 1.
2. 3.
4.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a. ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; b. ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c. ruimtelijke ontwikkelingen in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming.
Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verhardingen begrepen. Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als:. a. de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en b. de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.
3.2.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Interim Provinciale Omgevingsverordening Artikel 3.7: In het kader van voorliggend bestemmingsplan wordt conform het geldend bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Maarssen’ de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – waterwingebied’ opgenomen ter bescherming van het drinkwaterwingebied.
Artikel 8.1 lid 3: Sub a: Het nieuwe agrarische bedrijfsperceel wordt landschappelijk ingepast. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2 en bijlage 1 bij deze toelichting. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat er sprake is van een adequate landschappelijke inpassing van het agrarische bedrijfsperceel. Sub b: Aan de Griendweg 1 is een biologische veehouderij aanwezig. Bij biologische veehouderijen zijn de welzijnseisen van de dieren standaard hoger dan bij niet-biologische veehouderijen. Biologische werkwijze conform SKAL-certificaat: • •
Oppervlakte per dier is ruimer, conform biologische eisen. De dieren worden zoveel mogelijk geweid, behalve als dit vanwege slecht weer, bodemgesteldheid of gezond gewenst is om dit niet te doen. Dat resulteert in circa 3500 uren voor de melkkoeien en jongvee is continue in het weiland van circa april tot circa november.
Op deze wijze wordt zoveel mogelijk het natuurlijke gedrag van dieren bevorderd. Bovendien wordt bij de dieren veel natuurlijk strooisel gebruikt in de ligboxen en zit het jongvee op stro (potstal). Ook de melkkoeien rondom de afkalfperiode worden in stro gehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Vastgesteld Sub c: Voor reductie van ammoniak in stallen is er een erkende methode, namelijk het bouwen van emissiearme vloer conform de RAV-code. In de betreffende stallen zijn weliswaar geen erkende stalsystemen gebruikt, wel is er sprake van emissiebeperkende maatregelen in stallen en bedrijfsvoering. De vloer is maar één aspect. Het gaat verder om een combinatie van maatregelen: beweiding, rantsoen, stalklimaat en ventilatie en de wijze waarop vloeren worden schoongemaakt en de mest wordt opgeslagen. Daarin worden de volgende maatregelen genomen, waardoor de stikstofemissie wordt verlaagd: • • • • • •