CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Programma Versnelling Woningbouw 2021-2024 prov. Utrecht.pdf

Commissie Fysiek Domein 10 februari 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 7. 19:30: Uitvoeringsprogramma actualisatie Woonvisie en prestatieafspraken woningbouwcorporaties 2021.17.618 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

17

5.1.

Programmalijn 2: Versterken sociaal/middensegment

Doelstelling: Streven om tenminste 50% van de nieuw toe te voegen woningen in het sociale en middeldure segment te realiseren.

In het Coalitieakkoord is aangegeven dat wij het belangrijk vinden dat er voldoende betaalbare nieuwe woningen komen. Het streven is dat tenminste 50% van de nieuwe woningen in het middensegment en sociale segment wordt gerealiseerd. In de Ontwerp-Omgevingsverordening is daarom opgenomen dat ‘in de regionale programmering afspraken worden gemaakt om te borgen dat dat het programma tenminste 50% van de te bouwen woningen behoort tot het sociale en middensegment’. In het PS Kader Regionale Programmering wordt dit verder geconcretiseerd. Vanuit dit Uitvoeringsprogramma zullen wij partijen ondersteunen en stimuleren om de betaalbaarheid te verbeteren. Gezien de druk op de woningmarkt is dat een lastige opgave, ook omdat de landelijke regelgeving sterk van invloed is op het vraagstuk rond de betaalbaarheid. In onze aanpak zullen wij daarom ook nadrukkelijk het Rijk betrekken en vragen haar rol bij deze op te pakken. Daarnaast gaan we in overleg met gemeenten, corporaties en marktpartijen financieringsconstructies uitwerken op basis waarvan we een bijdrage kunnen leveren aan ‘duurzame betaalbaarheid’: het gaat er vooral om dat voor de langere termijn woningen in het betaalbare segment blijven.

We sluiten aan bij de gebiedsgerichte aanpak: in die gebieden waar we intensief bij betrokken zijn, zullen we onze middelen ook inzetten om de betaalbaarheid te verbeteren (zie programmalijn 1) . Het gaat overigens bij deze programmalijn niet alleen om de ‘prijs’ maar nadrukkelijk ook om een goede prijs/kwaliteit verhouding: de woningen moeten geschikt zijn voor de juiste doelgroep (niet te kleine woningen) en ook voor de langere termijn moet er sprake zijn van een aantrekkelijke woningvoorraad en woonomgeving. Voorbeeld inzet vanuit programma BO 2017 t/m 2020

Met acties in deze programmalijn willen wij bevorderen dat er meer woningen in deze segmenten worden gerealiseerd. Het zal daarbij veelal gaan om maatwerk, afgestemd op de lokale situatie. Daarbij is het besef dat onze rol hierbij in feite beperkt is. Als subdoelen in programmalijn 2 onderscheiden we: 1. Inzet financiële ondersteuning / instrumenten. 2. Agendering en lobby. 3. Stimuleren samenwerking.

5.3.

Challenge Middenhuur De bouw van middenhuurwoningen kent nog vaak knelpunten, zoals financiële onhaalbaarheid en gebrek aan locaties. Een versnelling is nodig om dit segment een boost te geven. In samenhang met het Biedboek Middenhuur organiseerde de provincie daarom de Challenge Middenhuur. Hierbij zijn in 2019 zes middenhuurprojecten uitgedaagd om te versnellen en te optimaliseren. De provincie Utrecht stelde per project €10.000 beschikbaar voor de inzet van expertise en om concrete knelpunten op te lossen.

Programmalijn 3: Bestaande voorraad Doelstelling: Optimaliseren bestaande woningvoorraad waarbij ingezet wordt op de versnelde toevoeging van woningen via herstructurering/transformatie en het beter benutten van de bestaande voorraad (doorstroming).

Herstructurering en transformatie Binnen dit Uitvoeringsprogramma richten wij ons op de (versnelde) toevoeging van woningen via de (grotere) transformatie en/of herstructureringsprojecten. Denk daarbij aan transformatie van (leegstaande) kantoren, winkels en andere gebouwen tot woningen. Bij herstructurering faciliteert het programma sloop-nieuwbouw projecten die een aanzienlijke verdichting (toename aantal woningen) beogen, passend bij de focus van ons programma. Via trajecten als Regiodeal Vitale Wijken wordt ingezet op de vitaliteit en leefbaarheid.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

18

Van de gewenste woningvoorraad staat er al ongeveer 90% en daarom is ook aandacht voor de bestaande woningvoorraad nodig. Het gaat met name om de kwaliteitsslag die nodig is in wijken met een relatief hoog percentage sociale huurwoningen (veelal wederopbouwijken). Deze herstructureringsopgave is essentieel in relatie tot de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de upgrade van een woonwijk door andere segmenten toe te voegen. Daar liggen ook opgaven op het gebied van energietransitie, gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie. We zoeken hierbij ook de samenwerking met de Ontwikkelmaatschappij Utrecht (OMU). Deze samenwerking heeft vooral betrekking op de transformatie van kantoren(locaties). Denk aan Middelland Woerden, Rijnhuizen in Nieuwegein en De Hoef in Amersfoort. Wij werken samen op inhoud en kennisontwikkeling en verbinden van elkaars netwerk en expertise. De OMU is een belangrijk instrument voor de inzet van private investeringen op objectniveau en kan daarmee een gebiedsontwikkeling op gang brengen. Wij zetten de OMU actief in daar waar wij kansen zien. Daarnaast werken we actief samen om wederzijds kennis en kunde uit te wisselen en onze blik op mogelijke kansen te verbreden. De kennis en ervaring van marktwerking die de OMU in huis heeft, is voor ons functioneren zeer relevant.

Voorbeeld inzet vanuit programma BO 2017 t/m 2020

Uitplaatsing bedrijf in Soesterberg Een bijzonder voorbeeld van de intensieve samenwerking is dat het milieuhinderlijke bedrijf Elma in Soesterberg door de OMU is aangekocht, waarbij het grote financiële tekort door bijdragen vanuit de provincie (en ook door de Vliegbasis en de Soest) is afgedekt. Resultaat was dat het bedrijf vertrekt naar het provinciale bedrijventerrein op de Richelleweg . Op de locatie kunnen 40-60 woningen worden gebouwd. Ook verdwijnt de milieuhindercirkel op de Vliegbasis zodat daar de woonwijk kan worden gerealiseerd. Een win-win-win-situatie.

Doorstroming Belangrijk onderdeel van deze programmalijn is de doorstroming. Belangrijk aandachtspunt voor ons programma is voldoende passende huisvesting voor starters en senioren die een bestaande woning geschikt voor gezinnen achterlaten. Bijvoorbeeld door te kijken naar nieuwe woonvormen. Doorstroming is voor een goed functionerende woningmarkt een cruciaal onderdeel. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een gemeente wel genoeg kleine eengezinswoningen heeft, maar dat ze niet vrij komen doordat die bewoners wel willen maar niet kunnen verhuizen naar een woning die past bij hun levensfase en woonwensen. Het kan ook zitten in het (financiële) gat tussen huur en koop dat voor mensen te groot is om te overbruggen. Mede hierdoor zitten zowel de koop als de huurmarkt op slot en wordt de bestaande voorraad niet optimaal benut. Door het dalend woningaanbod zijn er onvoldoende keuzemogelijkheden om een volgende stap in de wooncarrière te maken. Dit heeft een kwantitatief (onvoldoende aanbod) en een kwalitatief (niet het juiste aanbod) aspect. Als subdoelen in programmalijn 3 onderscheiden we: 1. Stimuleren doorstroming. 2. Benutten kansen herstructurering en transformatie.

5.4.

Programmalijn 4: Kennisbank Doelstelling: Bijdragen aan een betere kennisontwikkeling en -overdracht en het bijdragen aan actuele en eenduidige informatie (monitoring).

Naast de inzet via de programmalijnen 1, 2, en 3 is meer nodig. Om mee te bewegen met de dynamiek van en vernieuwing in de markt is de ontwikkeling van kennis, kennisdeling en monitoring nodig. Wij gaan ons inzetten om het ‘kenniscentrum’ voor de Utrechtse woningmarkt te worden door middel van goede monitoring en kennisoverdracht. De kennis willen we proactief breed delen en uitdragen. Kennis ontwikkelen en leerervaringen delen vormen een belangrijke factor voor een goede samenwerking tussen alle betrokken partijen en leveren een positieve bijdrage aan de versnelling. Als provincie willen we een regierol vervullen in het monitoren van de Utrechtse woningmarkt en hier proactief aan bijdragen. Daarbij gaan we onder andere de basisgegevens van de woningmarkt en demogelijke effecten van de corona-crisis monitoren zodat we snel kunnen anticiperen op ontwikkelen. Dit doen we in samenwerking met onze netwerkpartners. Voor zowel ons eigen programma als voor onze partners is een goede monitoring van

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

19

ontwikkelingen van groot belang, om zo steeds de voortgang van onze ambities te kunnen monitoren en proactief in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen. Hierbij dragen we ook bij aan het verbinden van partijen waardoor samenwerking beter kan verlopen. Daarnaast biedt het een efficiënte werkwijze voor het aanleveren van cijfers richting het Rijk. Als subdoelen in programmalijn 4 onderscheiden we: Optimaliseren monitoring. Proactief kennisdelen. De acties in programmalijn 4 zijn ondersteunend en onderbouwend voor de andere programmalijnen.

We gaan sterker inzetten op monitoring en evaluatie: • We gaan meer datagedreven werken. • We gaan een nieuwe provinciale Monitor Wonen opzetten met data over o.a. de woningmarkt. We integreren hierin de Actieagenda monitor. Het betreft een groeimodel. We gaan daarbij na hoe we de effecten van corona en stikstofcrisis kunnen monitoren. • We gaan de huidige planmonitor optimaliseren (gebruiksvriendelijker). • We gaan een kennis/informatie afdeling, opzetten. • We gaan meer duiding geven aan de cijfers (analyse) en deze proactief delen. Wij zijn daarmee kennisbank voor onze externe partijen zoals gemeenten, corporaties, ontwikkelaars, bouwers, etc. We gaan de data uit de monitors gebruiken voor de evaluaties. Daarbij wordt tevens onderzocht welke instrumenten effectief zijn gebleken en wat er nodig is om bij te sturen. Meten is weten! Doordat we de monitoring intensiveren kunnen we snel en adequate reageren richting en in overleg treden namens de regio met het Rijk.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

20

6. Uitwerking subdoelen in acties In dit hoofdstuk zijn de subdoelen van de programmalijnen uitgewerkt. Per subdoel is een toelichting en een eerste aanzet van acties opgenomen. GS zal aanvullend jaarlijks een werkplan opstellen. Daarin worden acties verder uitgewerkt met een planning en beoogde resultaten. Het zijn deels acties waar we zelf het initiatief voor nemen en deels waar we als uitvoeringsprogramma aan meedoen omdat het voortouw elders ligt. Daarbij ligt de focus op zaken waar de provincie een daadwerkelijke meerwaarde heeft, op vernieuwende aanpakken en innovaties en het bieden van eenduidige overzicht. De inzet is aanvullend op hetgeen in andere trajecten al is geborgd. Dit is een adaptief en flexibel programma waarbij jaarlijks wordt bekeken of bijstelling nodig is. Voortschrijdende inzichten en nieuwe ontwikkelingen kunnen leiden tot aanpassing van of toevoeging van activiteiten.

6.1

Programmalijn 1: Versnellen woningbouw

In 5.1 is de doelstelling van programmalijn 1 beschreven. In deze paragraaf zijn de subdoelen toegelicht. 1. Harde plancapaciteit tot uitvoering brengen We willen de realisatiekracht versterken en plannen (versneld) tot uitvoering te brengen. In overleg met gemeenten, corporaties en marktpartijen selecteren we de belangrijkste woningbouwgebieden die we intensief gaan ondersteunen. Dit doen we met inzet van specifieke expertise maar ook met financieringsinstrumenten. Een ‘aanjaagteam’ gaat in nauwe samenwerking met partners knelpunten oplossen waarbij bestuurlijke inzet een optie kan zijn. Via dit ‘aanjaagteam’ kan het naast specifieke expertise ook gaan om de inzet van een onafhankelijke ‘zwaargewicht’. Bijvoorbeeld een woningmarktregisseur (deskundige) die boven de partijen staat en een doorbraak kan forceren en partijen bij elkaar brengt. We zetten ons in om knelpunten weg te nemen, ook op het vlak van bijvoorbeeld stikstof en PFAS. Woningbouwprojecten lopen vaak vertraging op in de fase van vergunningverlening en we gaan gemeenten en marktpartijen op dit specifieke punt ondersteunen. Met de inzet van subsidies kunnen we bijdragen aan het oplossen van specifieke knelpunten die tot vertraging leiden (bijv. uitplaatsing hinderlijke bedrijven).

Hierbij gebruiken we onder meer het proces van de regionale programmering waarbij een gedeeld actueel overzicht van woningbouwlocaties ontstaat. Dit is voor ons een belangrijke bron als het gaat om de vraag waar we onze inzet op richten. Het proces van regionale programmering benutten we ook om met onder andere gemeenten aan tafel te zitten om te ondersteunen, aan te jagen en te bemiddelen bij projecten die vastlopen. Onze inzet is aanvullend aan (of aanhakend bij) hetgeen in andere trajecten (als Woondeals, Woningbouwimpuls) wordt opgepakt. Eerste aanzet acties: Intensieve ondersteuning van gemeenten, marktpartijen en/of corporaties bij grote gebiedsprojecten (door inzet van kennis, expertise, en/of capaciteit); co-financiering voor inhuur. Gebiedsgerichte inzet financieringsconstructies (bijvoorbeeld fondsvormig/kostenverevening). Instellen en inzetten van een ‘aanjaagteam’ en/of een ‘onafhankelijke zwaargewicht’. De ervaringen gaan we actief borgen en delen. Ondersteuning om oplossingen te vinden voor knelpunten, bijvoorbeeld op vlak van stikstof en PFAS. Proactieve ondersteuning bij vergunningverlening (bijvoorbeeld op gebied van WNB, stikstof of geluid). Subsidies voor knelpuntenaanpak (bijvoorbeeld voor uitplaatsing hinderlijke bedrijven, PFAS). 2.

Zachte plancapaciteit omzetten in harde plannen Om tot een continue bouwstroom te kunnen komen is het belangrijk om voldoende harde plannen te hebben. Aanvullend is onze inzet daarom gericht op acties om het proces van ‘zacht naar hard’ te versnellen. Dit door onder meer de inzet van specifieke expertise en door de samenwerking tussen gemeenten en marktpartijen te verbeteren. We richten ons daarbij ook op het wegnemen van belemmeringen en knelpunten. We willen deze explicieter in beeld krijgen en op zoek gaan naar manieren om deze aan te pakken om zo de processen te versnellen. We willen dit proactief en in een vroeg stadium ophalen bij onze partners. Ook verkennen we mogelijke extra plancapaciteit op de korte termijn (passend in provinciale kaders). Bijvoorbeeld door de mogelijkheden van experimenteergebieden waarmee nieuwe locaties in beeld komen na te gaan. Extra plancapaciteit kan ook ontstaan door het optimaliseren van bestaande plannen. Meer werk maken van de samenhang tussen wonen en werken kan bijdragen aan grotere transformatiepotentie. Door lichte hindercategorieën niet op een bedrijventerrein te plaatsen ontstaat er ruimte voor nieuwe woningen. Gezien de huidige financiële situatie is

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

21

het voor sommige gemeenten lastig om voldoende capaciteit/middelen in te zetten voor de planfase. De provincie gaat hier subsidie voor beschikbaar stellen (deels revolverend). Eerste aanzet acties: Ondersteuning gemeenten door inzet specifieke expertise (als programmamanagement, RO, planeconomie) bij planontwikkeling. Ondersteuning door inzet experts die in samenwerking met gemeenten en marktpartijen plannen concretiseren. Gebruik (nieuwe) instrumenten stimuleren. Onder andere als hulpmiddel bij de te maken afwegingen met als doel dat er uiteindelijk een resultaat is dat in balans is (in het besef dat niet alle ambities 100% scoren). Een dergelijke methodiek gaan we in afstemming met regionale programmering uitwerken. Financiële ondersteuning (revolverend/subsidie) aan de plankostenfase. Optimaliseren plancapaciteit ook door het proactief initiëren van innovatieve projecten die versnelling of verhoging kunnen aanbrengen in de woningbouwproductie. 3. Versterken samenwerking overheden en marktpartijen om knelpunten op te lossen De provincie richt zich op het meer verbinden van overheden en marktpartijen op regionaal en lokaal niveau waardoor samenwerking beter kan verlopen. Om de opgave daadwerkelijk aan te pakken is meer dan alleen samenwerking op projectniveau nodig.

Het is belangrijk om elkaar snel te vinden om zo ook snel te kunnen anticiperen bij veranderingen op de woningmarkt. Vanwege de stikstofproblematiek en de corona-crisis is het elkaar snel kunnen vinden nog belangrijker geworden. Er zijn in de afgelopen periode enkele ervaringen op gedaan met samenwerkingstafels/stadsakkoorden etc.. In overleg gaan we de samenwerking versterken, met besef van ieders eigen rol en verantwoordelijkheden. Hiermee willen we ook meerjarige commitment creëren. Eerste aanzet acties: Het faciliteren totstandkoming van samenwerkingsafspraken door bijvoorbeeld in te zetten op samenwerkingsafspraken tussen alle betrokken partijen om de woningbouwopgave te realiseren. Het kan daarbij gaan om een ‘lightversie’ of een zwaardere variant van samenwerkingsafspraken (afhankelijk van de omvang en risico’s van een gebiedsontwikkeling). Deze afspraken gaan we bij voorkeur koppelen aan het budget vanuit dit programma (afspraken over hetgeen uitgevoerd gaan worden). Mogelijke inzet door een ‘onafhankelijke zwaargewicht’. Het samen met onze partners mogelijke scenario’s uitwerken als gevolg van de corona-crisis en stikstof-problematiek en daarbij mogelijke acties (inclusief taken en verantwoordelijkheden per partij) formuleren. 4. Meer faciliteren (nieuwe) woonvormen We onderzoeken en stimuleren de mogelijkheden van (nieuwe) woonvormen.

Zo is er bijvoorbeeld behoefte aan nieuwe woonvormen voor (kwetsbare) ouderen door de toenemende vergrijzing. Als er meer en betere woonvormen komen kan dat de doorstroming verbeteren. Ook is er vraag naar ‘flexibele’ woningen voor verschillende doelgroepen (‘spoedzoekers’, arbeidsmigranten, starters en uitstroom ggz/mo.). Flexibele of tijdelijke woonvormen kunnen op korte termijn helpen de krapte op de woningmarkt te verminderen en kunnen voorzien in urgente woningbehoefte van verschillende doelgroepen. Onderzoek moet uitwijzen in hoeverre er geschikte locaties beschikbaar zijn en of er sluitende businesscase te maken zijn. Eerste aanzet acties: Het onderzoeken van de mogelijkheden van extra woningen via het concept flexwonen. Daarbij gaat het ook om acties als het met partners onderzoeken van de mogelijke locaties en het uitwerken van de (on)mogelijkheden. Bij voldoende potentie: het stimuleren van dit concept door het organiseren van bijeenkomsten (kennisoverdracht) en het opstellen van een handboek met (proces)tips. Ondersteuning van gemeenten bij het concept flex-wonen. Ondersteunen en stimuleren nieuwe woonvormen voor bijvoorbeeld (kwetsbare) ouderen.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

22

6.2

Programmalijn 2: Versterken sociaal/middensegment

In 5.2 is de doelstelling van programmalijn 2 beschreven. In deze paragraaf zijn de subdoelen toegelicht. 1. Inzet financiële ondersteuning / instrumenten Samen met het Rijk, gemeenten, beleggers en andere partijen zetten we ons in op het versterken van het segment van betaalbare huur- en koopwoningen. We gaan na welke financiële ondersteuning mogelijk is en zetten innovatieve financieringsconstructies in. Wij sluiten aan bij hetgeen in andere trajecten (als Woondeals en Woningbouwimpuls) wordt opgepakt. We betrekken waar nodig het Rijk bij deze acties. Eerste aanzet acties: Specifiek middelduur: innovatieve financieringsconstructie ‘duurzaam betaalbare’ middensegment uitwerken en het initiëren en ondersteunen pilots. Daarbij kijken en leren we ook van voorbeelden elders in het land. Specifiek sociaal: subsidieregeling betaalbare woningen onderzoeken in samenwerking met gemeenten en corporaties Specifiek sociaal: verkennen (samen met gemeenten) van mogelijkheid van een KoopGarantfonds (erfpacht, revolverend) naar het voorbeeld van de verkenning provincie Gelderland. 2. Agendering en lobby Via het proces van de regionale programmering willen we de ambitie voor 50% sociaal/middelduur kracht bijzetten door deze nadrukkelijk te agenderen. Met de regionale programmering willen we het regionale (en provinciale) overzicht bieden in de ontwikkelingen in de regio’s.

Daarmee biedt het kansen voor een goede kwalitatieve regionale afstemming (en om discrepanties tussen vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen). En kan gezamenlijk met gemeenten en andere stakeholders gewerkt worden aan deze maatschappelijke opgave. De opgave ‘sociaal/middelduur’ gaan we blijvend agenderen bij het Rijk en gemeenten. Eerste aanzet acties: In regio overleggen (onder andere in kader van de regionale programmering) proactief agenderen en bespreken van de mogelijke discrepanties. Blijvend met het Rijk in gesprek over de opgave en mogelijke oplossingen (o.a. aanpassing instrumentarium). Actieve lobby naar het Rijk en (bestuurlijk) gemeenten en corporaties, om te bewerkstelligen dat oplossingen voor de opgave ‘sociaal/middelduur’, gevonden worden.

3. Stimuleren samenwerking Aanvullend stimuleert de provincie de samenwerking en ondersteunt gemeenten specifiek op dit thema. We brengen stakeholders proactief bij elkaar zodat zij gaan samenwerken om woningen in deze segmenten re realiseren. Door de samenwerking groeit het onderlinge vertrouwen tussen gemeenten, corporaties en beleggers. Eerste aanzet acties: Faciliteren totstandkoming concrete samenwerkingsafspraken beleggers, corporaties en marktpartijen. Actief contact zoeken met corporaties (met onder andere oproep om sociale huurwoningen niet standaard in de verkoop te brengen). Ondersteuning bieden aan gemeenten (projectleiders, specifieke expertise) voor versterken sociaal en/of middelduur (met name de lage middelduur). Ondersteunen en organiseren van kennissessies en ontmoetingen voor gemeenten en beleggers met centrale vraag welke instrumenten zijn er om sociaal en middelduur blijvend te borgen.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

23

6.3

Programmalijn 3: Bestaande voorraad

In 5.3 is de doelstelling van programmalijn 3 beschreven. In deze paragraaf zijn de subdoelen toegelicht. 1. Stimuleren doorstroming De provincie zet zich in om doorstroming aan te jagen via onder meer actieve agendering en ondersteuning in expertise. Met name beleggers, corporaties en gemeenten hebben een rol bij het realiseren van de doorstroming. Eerste aanzet acties: Instellen en inzet van specifieke op doorstroming gerichte experts (aanjaagteam of doorstromingscoach). Ondersteunen door kennis en innovaties op dit thema samen te brengen en proactief te delen. Agendering door bijvoorbeeld corporaties te bewegen om na te gaan of het werken met tijdelijke contracten voor instromers kan helpen en de stimuleren van een voorrangsregeling waarmee senioren en scheefwoners bij geschikte middenhuurwoningen voorrang krijgen. Onderzoeken of (financieel) instrumentarium kan helpen de doorstroming in de koopsector in beweging te zetten. Daarbij kan gedacht worden aan de mogelijkheden van financiële prikkels. Onderzoeken of een data(tool) ontwikkeld kan worden waarbij gemeenten (en ontwikkelende partijen) kunnen zien wat het bouwprogramma doet voor de doorstroming binnen de gemeente of regio. Op deze manier de mogelijkheid om een zo optimaal mogelijk woningbouwprogramma neer te zetten qua doorstroming. 2.

Benutten kansen herstructurering en transformatie Het programma richt zich op het benutten van de kansen om (versneld) woningen toe te voegen bij herstructurering en transformatieprojecten. Herstructurering biedt naast het creëren van een beter woon- en leefklimaat, kansen om extra woningen toe te voegen. De inzet is aanvullend op wat in andere trajecten (als Regiodeal Vitale Wijken, programma’s Energietransitie, Gezonde leefomgeving en Klimaatadaptatie) wordt opgepakt. Bij transformatie van leegstaande kantoren, winkels of andere gebouwen, benutten we kansen om woningen toe te voegen. Wij zoeken hierbij ook de samenwerking met de OMU. Eerste aanzet acties: Ondersteunen bij herstructurerings- en transformatieprojecten/gebieden door bijvoorbeeld inzet van expertise vanuit de focus op het benutten van kansen om versneld woningen toe te voegen. Inzet van expertise op het vlak van financiële constructies om zo plannen financieel haalbaarder te maken. Zorgdragen voor loketfunctie binnen de provinciale organisatie om bij herstructurerings- en transformatieprojecten initiatiefnemers, in verbindingen te brengen met de relevante andere beleidsvelden/programma’s zoals klimaatadaptatie en energietransitie, om zo integraal werken meer en beter te stimuleren.

6.4

Programmalijn 4: Kennisbank

In 5.4 is de doelstelling van programmalijn 4 beschreven. In deze paragraaf zijn de subdoelen toegelicht. 1. Optimaliseren monitoring De provincie gaat de bestaande monitors (woningmarktmonitor en planmonitor) verder optimaliseren. De provincie speelt hiermee in op de grote behoefte aan actuele en eenduidige informatie over de woningmarkt en een toegankelijk systeem om die te verkrijgen. We streven er naar om een regierol te vertolken op het monitoren van woningbouw data- en informatie. De woningmarktmonitor wordt geoptimaliseerd om trends en ontwikkelingen op de woningmarkt eenduidig en helder te definiëren en hier op in te spelen. De planmonitor is een belangrijk vertrekpunt in het proces van de regionale programmering. Met de optimalisatieslag van de planmonitor beogen we (1) meer inzicht in woningbouwplannen voor gemeenten en (2) een efficiënte werkwijze voor het aanleveren van woningbouwcijfers richting het Rijk. De inzet vanuit dit programma is gericht op het beschikbaar stellen van informatie. Daarbij is aandacht voor verschillende doelgroepen. De monitoring wordt gebruikt voor evaluatie en bijstelling van onze inzet. Deze actie ondersteunt, onderbouwd en draagt bij aan (sub)doelen van de 3 andere pijlers. Bijvoorbeeld: Monitoren van segmentering in bestaande en nieuwe woningbouwplannen en kennisdelen daarover.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

24

-

Opzetten van kennisdeel binnen de te optimaliseren woningmarktmonitor over de diverse benoemde thema’s van het programmaplan (bijvoorbeeld middenhuur, doorstroming en innovatieve woonvormen) en de ondersteunde projecten.

Eerste aanzet acties: Optimaliseren bestaande monitors (woningmarktmonitor en planmonitor) Regelmatige updaten (en evt. verdere optimalisatie) van de woningmarktmonitor / Monitor Wonen. Regelmatige (streven 2 keer per jaar) update Planmonitor (uitvraag aan gemeenten). Regelmatige (in ieder geval 1 keer per jaar) analyse van de woningmarkt en de resultaten proactief delen. Monitoring effecten corona-crisis en stikstofproblematiek op de woningmarkt. 2. Proactief kennisdelen De provincie organiseert diverse bijeenkomsten met markt, kennisinstellingen en de publieke sector, waarbij netwerkvorming en kennisuitwisseling centraal staan. Hierbij valt te denken aan: Hoe omgaan met stapeling ambities en de daaraan gekoppelde verminderde (financiële) haalbaarheid. Daarbij ook mogelijke instrumenten als hulpmiddel, betrekken. Actualiteiten ontwikkelingen die van invloed zijn, zoals corona en stikstof. Innovaties op de woningmarkt. Onderzoek geeft meer inzicht in de problematiek, de opgaven en de mogelijke oplossingen. Bij de andere programmalijnen zijn al een aantal voorstellen voor onderzoek opgenomen. De resultaten hiervan gaan we proactief delen. In de loop van het programma kunnen overigens aanvullend relevante onderzoeksvragen naar voren komen. Als provincie willen we daaraan bijdragen als ze in lijn zijn met de doelstellingen van dit programma.

Eerste aanzet acties: - Netwerkbijeenkomsten rond specifieke onderwerpen met een uitwisselingskarakter, waarbij partijen met elkaar in gesprek gaan over knelpunten en/of oplossingen. Hierbij betrekken we ook (de ervaringen van) het Rijk en andere regio’s buiten de provincie. - Masterclasses rond een aantal thema’s waarbij kennisontwikkeling centraal staat. - Bijeenkomsten om de voortgang van het programma te bespreken en tot eventuele bijstelling te komen. Hierbij kan ook gedacht worden aan sessies met bestuurders van de belangrijkste partijen in het veld (bijvoorbeeld Klanbordgroep versnelling woningbouw).

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

25

7. Programmaorganisatie, middelen en communicatie 7.1

Organisatie

Dit is een adaptief en daarmee ook een flexibel uitvoeringsprogramma. Er wordt gebruik gemaakt van voortschrijdende inzichten en er wordt ingespeeld op veranderende omstandigheden. Daarvoor wordt het programma onder meer gemonitord. De primaire focus van het programma ligt op de woningbouwopgave. Daarbij is het besef dat het veelal gaat om een integrale gebiedsontwikkeling waarbij meerdere opgaven samenkomen (als energie, klimaat, circulair, mobiliteit, menging wonen en werken, groen en voorzieningen). De opgaven bij deze ambities zijn onderdeel van andere programma’s. Het is daarbij relevant om als provincie met één geluid naar buiten te treden. Dit is een aandachtspunt en vraagt in de provinciale organisatie een tijdige coördinatie en afstemming met de relevante beleidsafdelingen en programma’s met thema’s als energietransitie, groen groeit mee, klimaatadaptatie en circulariteit. De provincie kan een meerwaarde creëren door het verbinden, aan elkaar koppelen van de verschillende stedelijke thema’s. Dit om bijvoorbeeld meekoppelkansen in beeld te brengen en optimaal te benutten, af te stemmen wat nodig is om ontwikkelingen verder te brengen en om prioriteiten te stellen. Maar ook om gebruik te maken van elkaars expertise en beschikbare instrumenten/tools. Daarbij moet ook steeds beseft worden dat het niet mogelijk zal zijn om op al deze thema’s steeds een 10 te scoren.

Het zal steeds gaan om maatwerk, waar met betrokken partijen bekeken moet worden in welke mate aan de verschillende ambities voldaan kan worden. Het kan zijn dat de betaalbaarheid van woningen door de kwalitatieve ambities en de grote opgave op de Utrechtse woningmarkt, onder druk komt te staan. Vanuit het programma wordt aanvullend op hetgeen in het programmaplan is opgenomen, onder meer een actieve bijdrage geleverd aan het proces van de regionale programmering wonen en werken, en het opstellen van beleid (bijvoorbeeld Provinciale Omgevingsvisie).

7.2

Governance-structuur

De bestuurlijk opdrachtgever van het programma is de portefeuillehouder van Binnenstedelijke Ontwikkeling en Wonen namens Gedeputeerde Staten. De opgavemanager is de ambtelijke opdrachtgever. De uitvoering van dit programmaplan is in handen van het programmateam. Het team streeft naar optimale samenwerking en bewaking van de integraliteit. Om dit te borgen wordt er zowel gebiedsgericht als themagericht gewerkt. In de gebiedsgerichte aanpak komen de verschillende thema’s samen en bij de themagerichte aanpak wordt geborgd dat de leerervaringen gedeeld kunnen worden in de verschillende gebieden. Daarbij zijn er thema’s waar het programma direct verantwoordelijkheid draagt en capaciteit voor levert en thema’s waar andere programma’s verantwoordelijkheid dragen en capaciteit leveren in de gebiedsontwikkeling, zoals bijvoorbeeld energietransitie, groen groeit mee en klimaatadaptatie. Intern provincie Utrecht zal zorggedragen worden voor een goede en tijdige afstemming met andere beleidsvelden en programma’s. Het Uitvoeringsprogramma Versnelling Woningbouw is gericht op samenwerking met partners. Gemeenten zijn daarin een belangrijke samenwerkingspartner. Zij zijn immers primair verantwoordelijk voor de ontwikkeling binnen hun bebouwde omgeving. Ook marktpartijen en corporaties zijn een samenwerkingspartner. Maar ook het Rijk zien we ook als een belangrijke partner.

In paragraaf 4.1 is ingegaan op de rol van het Rijk. Gezien de onzekerheden die er zijn als gevolg van de coronacrisis, is het van belang dat partijen elkaar weten te vinden, zodat we als regio snel kunnen anticiperen op eventuele veranderingen in de woningmarkt. In de regio’s U16, Amersfoort en Foodvalley zijn reeds diverse overleggen en samenwerkingsverbanden waar we als provincie aan deelnemen. Bij een aantal samenwerkingsverbanden nemen zowel publieke en private partijen deel. Deze samenwerkingsverbanden benutten we in het nieuwe programma en versterken we indien dat nodig is.

7.3

Financieel kader/begroting en subsidieverordening

Voor de uitvoering van het programma is op basis van de ervaringen uit het huidige programma binnenstedelijke ontwikkeling, de huidige kennis, inzichten, plannen en ambities, voor de looptijd van het programma jaarlijks € 3,8 miljoen extra benodigd. Dit incidentele bedrag van € 3,8 miljoen per jaar is opgenomen in de Kaderbrief. De begroting 2021, waarin deze claim is verwerkt onder ‘Programma 1 Ruimtelijke ontwikkeling, Beleidsdoel 1.3’, wordt

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

26

in november 2020 ter besluitvorming aan Provinciale Staten aangeboden. De € 3,8 miljoen komt bovenop het structurele bedrag van € 1,2 miljoen per jaar, die in de programmabegroting 2020 (programma 1, beleidsdoel 1.2) is opgenomen en in de begroting 2021 onder programma 1, beleidsdoel 1.3. 2021

2022

2023

2024

Incidenteel € (*1000)

3.800

3.800

3.800

3.800

Structureel € (*1000)

1.200

1.200

1.200

1.200

5 miljoen

5 miljoen

5 miljoen

5 miljoen

Totaal beschikbaar budget

Met €5 miljoen middelen voor versnelling woningbouw, kunnen we echt een slag maken om samen met onze publieke en private partners de doelstellingen van dit programma te realiseren2. De komende jaren zal het Uitvoeringsprogramma Versnelling Woningbouw zich focussen op de gebiedsontwikkelingen waar grote aantallen woningen te realiseren zijn. Vanuit effectiviteit kunnen projecten vanaf 50 woningen in aanmerking komen. Gemeenten, corporaties en marktpartijen ondervinden onder meer problemen bij het vinden van voldoende middelen om een businesscase rond te krijgen. In de huidige marktomstandigheden in de provincie Utrecht is het vaak moeilijk om voldoende betaalbare woningen te bouwen die aansluit op de omvang van op de woonbehoeften. De beschikbaarheid van betaalbare (en tegelijk kwalitatief passend voor de doelgroep) woningen is een groot vraagstuk; vaak ontbreken voldoende financiële middelen om tot een sluitende bussinescase te komen. Dat geldt ook voor de financieel onrendabele toppen en bovenplanse kosten en de stapeling van ambities (o.a. klimaatadaptief, duurzaam, natuurinclusief, groen, circulair). Actieve samenwerking met soms een financiële impuls, geeft ons positie aan tafel. Daarnaast kan een stevige bijdrage van de provincie in financiële zin, meer dan de aanzet zijn om gelden bij het Rijk naar de regio te halen.

Nadrukkelijk zal ook worden gekeken waar de inzet van de financiële instrumenten van de OMU bij transformatie van gebieden kansrijk kan zijn. De verwachting is het programmageld te besteden met een verhouding van 20% voor procesondersteuning (bijvoorbeeld voor inhuur expertise bij andere partijen) en 80% voor financiële ondersteuning in verschillende vormen aan concrete projecten, zoals bijvoorbeeld garantstelling, storting in revolverend fonds of subsidiëren. Een financiële ondersteuning in de vorm van subsidies kan het benodigde zetje zijn om bij andere partners ook cofinanciering los te krijgen. In hoofdstuk 6 zijn acties opgenomen als meer concrete voorbeelden waar het budget aan besteed wordt. Vanwege het adaptieve karakter zal het programmaplan verder worden uitgewerkt in een jaarlijks actie/werkplan. Daarin komt de nadere concretisering met onder meer de beoogde resultaten met een indicatie van benodigd budget. We kijken daarbij of de provinciale inzet in verhouding is tot de provinciale ambities en de bijdragen van anderen. In het actieplan worden mogelijke bijstellingen doorgevoerd die uit de monitoring en evaluatie naar voren komen. We monitoren daarbij onder meer of de ingezette instrumenten succesvol zijn geweest. GS stelt dit actieplan jaarlijks vast en zal de staten daarover informeren.

Uiterlijk eind 2020 zal de subsidieverordening binnenstedelijke ontwikkeling zijn aangepast aan de nota financieringsbeleid.

2 In het huidige programma Binnenstedelijke Ontwikkeling was er minder geld beschikbaar. Dit was ook niet nodig omdat de woningbouwopgave nog niet zo immens was als nu en dat het economisch tij er anders uitzag. Met procesgeld en bescheiden investeringsgelden werd de woningbouw aangejaagd. Dit heeft de provincie veel opgeleverd doordat het netwerk is aangesterkt en we in hoge mate inhoudelijke kennis hebben van afzonderlijke projecten. Door deze inzet op kennis en verbinding is bekend waar de knelpunten zitten op lokaal niveau. Nu wordt ons gevraagd om ook deel te nemen aan het vervolg. Niet alleen voor de kennis en financiële middelen maar vooral omdat wij als provincie mede een taak hebben om de condities voor de woningbouw op orde te brengen.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

27

7.4

Verantwoordingscyclus

Het programma start in 2021 en heeft een adaptief en flexibel karakter. Dit heeft mede te maken met de onzekerheden die er momenteel zijn als gevolg van bijvoorbeeld de coronacrisis en de stikstofcrisis. Maar ook dat wij voor het bereiken van de resultaten, afhankelijk zijn van de inzet van onze samenwerkingspartners. Ieder woningbouwproject heeft op zich weer maatwerk, waarbij er diverse redenen kunnen zijn waarom een project stagneert of niet van de grond komt. In hoofdstuk 3 is dit reeds beschreven. De provincie zal daar dan steeds flexibel op moeten kunnen inspelen. Hierbij zijn ook de afspraken over de regionale programmering relevant. Deze zijn voor ons programma een belangrijk vertrekpunt. Die afspraken worden naar verwachting jaarlijks bijgesteld. In lijn met de aanbevelingen van de Randstedelijke Rekenkamer zullen we PS met regelmaat informeren over de voortgang en resultaten van het Uitvoeringsprogramma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024. Mede vanwege het adaptieve karakter van het programma wordt vanaf 2021 jaarlijks een voortgangsrapportage opgesteld die inzicht geeft in de voortgang van de inspanningen van het programma en in hoeverre en op welke wijze actuele inzichten leiden tot aanpassing van de acties van het programma. We kijken daarbij onder meer of ingezette instrumenten succesvol zijn geweest en wat er nodig is om bij te sturen.

Doordat we de monitoring intensiveren (zie hoofdstuk 5.4 en 6.4) kunnen we snel en adequaat reageren richting en in overleg treden met onze partners, waaronder het Rijk. Bij de monitoring worden indicatoren gekoppeld aan de (sub)doelen van de programmalijnen. Bijvoorbeeld de plancapaciteit, opgeleverde woningen, projecten waaraan een bijdrage is geleverd, aantal bijeenkomsten waarbij kennis is gedeeld. Ook de in de provinciale begroting bij het beleidsdoel “Er is passende woonruimte die aansluit bij de woningbehoefte in de provincie Utrecht” (programma 1) opgenomen indicatoren, worden hierbij betrokken. De rapporteren via de reguliere planning & control cyclus. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de voortgangsrapportages. Eventuele bijstellingen van financiële kaders en nieuwe programmalijnen zullen via deze cyclus aan PS ter besluitvorming worden voorgelegd. Ter afsluiting van het programma zal in 2024 een eindevaluatie plaatsvinden, inclusief verantwoording aan PS. Zo nodig bevat deze eindrapportage voorstellen voor een vervolgtraject.

7.5

Communicatie

Een belangrijk onderdeel binnen het programma is de communicatie. Doel hiervan is om meer bekendheid te geven richting onze stakeholders over de toegevoegde waarde die de provincie kan bieden bij de woningbouwopgave, zodat stakeholders ons sneller weten te vinden. Het gaat daarbij onder andere om het meer bekendheid geven van onze mogelijke inzet en instrumenten en wat deze de gemeenten kunnen opleveren. We benutten hierbij ook het proces van regionaal programmeren. Daarnaast zal er gecommuniceerd worden ten behoeve van kennisdeling en het met elkaar delen van successen op programmaniveau en op het niveau van projecten/acties/thema’s. Denk dan bijvoorbeeld aan het regelmatig laten verschijnen van een nieuwsbrief met daarin de verschillende programmaonderdelen, behaalde resultaten, lessons learned, etc. Begin 2021 zal er een communicatieplan worden opgesteld.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

28

BIJLAGE 1: Beleidskaders Omgevingswet en Provinciale Omgevingsvisie en -verordening In de Ontwerp van de Provinciale Omgevingsvisie3 zijn de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Daarmee zijn ook onderlinge samenhang en relaties tussen verschillend beleidsthema’s bezien. Provinciale Omgevingsvisie: Visie 2050: Wij willen dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staan we voor een flinke uitdaging: het aantal inwoners, woningen, banen en verplaatsingen groeit fors. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. Onze grootste opgave is daarmee de vraag hoe wij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren. Ook zal het nodig zijn om prioriteiten te stellen en keuzes te maken. Met zeven thema’s geven we richting aan de ontwikkeling en de bescherming van onze gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 hebben wij een provincie Utrecht waarin: stad en land gezond zijn; die klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin duurzame energie een plek heeft; met vitale steden en dorpen; die duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een levend landschap, erfgoed en cultuur; die een toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Provinciale Omgevingsvisie: Ambities vitale steden en dorpen: 2040: een sterke provincie met een duurzaam, gezond en divers woon- en leefklimaat. 2040: behoud en versterking van de inclusiviteit van de Utrechtse samenleving, zodat alle inwoners kunnen wonen, werken of ontmoeten waar en wanneer zij dat wensen. 2040: iedereen die in de provincie Utrecht wil wonen kan beschikken over passende woonruimte. Dit betekent onder andere een voldoende aanbod aan woningen in het sociale en middeldure segment. 2040: behoud en versterking kwaliteit van de woonomgeving; gevarieerd en met aandacht voor de openbare ruimte met groen en blauw en ruimte om te bewegen en laagdrempelige en goed bereikbare voorzieningen. 2040: het realiseren van energieneutrale woningen of woonwijken (energieneutraal in 2040). Mensen vinden de provincie Utrecht aantrekkelijk om in te wonen. Redenen zijn de centrale ligging, de grote diversiteit aan steden en dorpen, het aanbod aan voorzieningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid, landschap, erfgoed en cultuur. De behoefte aan wonen is en blijft fors. Door het toenemend aantal huishoudens houdt de druk op de woningmarkt aan. Prognoses wijzen uit dat de provincie het komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. De Provincie kiest ervoor om de ruimtevraag voor wonen op een duurzame wijze te accommoderen.

Wij bezien de toekomstige ontwikkeling van woonlocaties in samenhang met bereikbaarheid en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in de Omgevingsvisie verwoord. Het zoeken naar ruimte voor woningen hangt immers samen met het zoeken naar ruimte om onze steden en dorpen gezond, veilig, duurzaam en bereikbaar te maken. Wij hanteren bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes: zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied; eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. In aanvulling hierop willen we onder voorwaarden ruimte bieden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk). Wij vinden dat nieuwe locaties voor verstedelijking integraal en op regionaal niveau moeten worden bezien; er moet ook gekeken worden naar de aanwezigheid van groen en blauw ter plekke en in de nabijheid, de bereikbaarheid en de energie-opgave. We zetten in op het stimuleren van slimme combinaties en ‘meekoppelkansen’ van deze opgaven in combinatie met de woningbouwontwikkeling.

Naast voldoende woningen is de kwaliteit van de te bouwen woningen belangrijk. Wij vinden dat eenieder in de provincie een woning moet kunnen vinden die past bij de persoonlijke voorkeur, gezinssituatie en portemonnee. Wij streven naar naar een inclusieve samenleving, bijvoorbeeld door menging van typen woningen en woon-milieus in stadsdelen, wijken en kernen.

3 In maart 2020 heeft GS het ontwerp van de Provinciale Omgevingsvisie en -Verordening vastgesteld. In mei 2020 is bekend

geworden dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld tot 1 januari 2022. Dit betekende ook dat de ter inzage legging van de Ontwerp Omgevingsvisie en Interimverordening pas in het najaar van 2020 plaatsvindt. In dit hoofdstuk is uitgegaan van de tekst zoals opgenomen in het ontwerp van de Omgevingsvisie.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

29

-

Om het wonen in onze provincie voor iedereen betaalbaar te houden, en omdat de koop- en huurprijzen van de bestaande woningvoorraad relatief hoog zijn, sturen wij er op dat van de toe te voegen woningen ten minste 50% moet worden gerealiseerd in de segmenten ‘middelduur’ en ‘sociaal’. Om te voldoen aan de ambitie van een energieneutrale provincie in 2040, is het uitgangspunt dat alle woningbouwplannen die worden gerealiseerd energieneutraal zullen zijn dan wel gebruik maken van duurzame vormen van energie.

Gezien de grote ruimtevraag die op de provincie afkomt, is het zaak om zorgvuldig om te gaan met de ruimte. Binnen het stedelijk gebied is nog veel ruimte aanwezig die kan worden benut voor verdichting, herontwikkeling of intensivering. En er komen continu nieuwe mogelijkheden bij. Dit maakt dat wij primair blijven inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling. Wij vragen daarbij aandacht voor de wijze van verdichting. Om te kunnen voldoen aan de toekomstige behoefte aan wonen zullen we ons moeten inspannen om innovatiever en compacter te bouwen dan we tot nu toe gewend zijn. De mate van compactheid, is afhankelijk van de locatie, en hangt ook af van hetgeen mogelijk is relatie tot onze opgaven en ambities op het gebied van onder andere binnenstedelijke kwaliteit, energieneutraliteit en gezondheid. Bijvoorbeeld door in te zetten op hoogbouw en lagere parkeernormen komt er meer ruimte beschikbaar voor groen. Wij zetten in op een efficiënt gebruik van de ruimte, zodat het benodigde aantal extra hectares voor de woningbouwopgave zo veel mogelijk beperkt blijft. Ook is aandacht nodig voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Klimaatverandering en gezondheid vragen om een stedelijke omgeving waar tevens ruimte is voor groen en blauw en voor bewegen. In een aantal kernen in de provincie Utrecht staat de vitaliteit onder druk: er is sprake van vergrijzing en gezinsverdunning.

Hierdoor dreigt het draagvlak voor voorzieningen weg te vallen. Door middel van woningbouw willen gemeenten de vitaliteit behouden en versterken. Voor deze kernen geldt evenzeer dat primair wordt ingezet op binnenstedelijke (binnendorpse) ontwikkeling waarbij compacter en innovatiever zal moeten worden gebouwd dan tot nu toe gebruikelijk. Daar waar geen binnendorpse mogelijkheden meer zijn faciliteren wij deze gemeentelijke ambities door een eenmalige kleinschalige uitbreiding per kern ten behoeve van de lokale vitaliteit tot 50 woningen zonder regionale afweging mogelijk te maken. Daarbij vinden wij het belangrijk dat de uitbreiding past bij het karakter van het dorp en dat de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van het landschap. Voor een aantal kleinere kernen kan een uitbreiding met maximaal 50 woningen uitkomst bieden, voor andere en grotere kernen is soms een grotere uitbreiding vanuit lokaal perspectief gewenst. Grotere locaties dienen echter in regionaal verband te worden afgewogen. Hoe geven we uitvoering aan deze beleidsdoelen. Stimuleren / participeren / realiseren (programma): samen met gemeenten/regio’s regionale programmering van woningbouw; vervolg op het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijke Ontwikkeling 2016-2020.

Reguleren (verordening): verplichting tot regionale programmering woningbouw; criteria en voorwaarden woningbouwlocaties. -

Informatie en communicatie: woningmarktmonitor; planmonitor wonen; Primos-prognose woningbehoefte.

Afwegingskader uitbreidingslocaties voor wonen In dit Afwegingskader is vastgelegd hoe de provincie in het kader van de Omgevingsvisie en -verordening omgaat met uitbreidingslocaties voor woningbouw, met specifieke aandacht voor bouwmogelijkheden voor kleine kernen. Dit Kader is na vaststelling door PS (december 2019) verwerkt in de ontwerp Omgevingsvisie en – verordening. Regionale programmering en Provinciaal programma Wonen De huidige dynamiek op de woningmarkt vraagt om meer adaptiviteit en samenwerking. In de Ontwerp Omgevingsvisie is aangegeven dat de provincie voor de woningbouwprogrammering inzet op een gezamenlijke regionale programmering. Regionale programmering is een instrument waarmee kan worden gestuurd op een bouwprogramma van voldoende omvang en een voldoende voorraad plannen in de juiste fase van ontwikkeling voor zowel korte, middellange als lange termijn, zodat een ‘continue bouwstroom’ gerealiseerd kan worden. Het gaat daarbij om het in beeld brengen van de toevoeging aan de woningvoorraad. Dus niet alleen nieuwbouwlocaties maar ook toevoeging door bijvoorbeeld transformatie. Het proces om te komen tot een goede set aan regionale programmeringsafspraken zal bestaan uit veelvuldig overleg en afstemming tussen gemeenten en provincie. Daarnaast worden ook andere stakeholders als corporaties en marktpartijen, betrokken.

Naar verwachting stellen PS in september 2020 een Kader vast voor deze regionale programmering waarin onder andere kwantitatieve bandbreedtes en kwalitatieve randvoorwaarden en ambities voor de regionale programma’s, zijn opgenomen. Er wordt gekoerst op vaststelling van het eerste regionale programma wonen en werken uiterlijk het eerste kwartaal 2021. Daarbij zal sprake zijn van een groeimodel: het eerste programma zal voor de korte termijn verder zijn uitgewerkt dan voor de langere termijn, ook vanwege de bovengenoemde lopende trajecten in de regio’s. Voor de langere termijn kunnen al wel potenties of zoekrichtingen worden aangegeven. Bij de komende bijstellingen kan dat verder worden aangevuld en bijgesteld.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

30

De hoofdlijnen van deze regionale samenwerking worden door GS opgenomen en vastgesteld in een provinciaal programma. In de provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat een Omgevingsplan voor woningbouw- ontwikkeling moet passen binnen dit provinciale programma. Om adaptief te kunnen inspelen op actuele en maatschappelijke ontwikkelingen, gaat de provincie de uitvoering van dit programma monitoren en regelmatig evalueren, zodat bijstelling kan plaatsvinden. Naar verwachting gaat deze bijstelling ongeveer jaarlijks plaatsvinden.

Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling (2016) Op 15 december 2016 is het beleidskader binnenstedelijke ontwikkeling provincie Utrecht door PS vastgesteld. Vervolgens is door GS in 2017 het uitvoeringsprogramma binnenstedelijke ontwikkeling 2017-2020 vastgesteld. Het beleidskader is gericht op een geïntegreerde aanpak van de binnenstedelijke ontwikkeling met als hoofddoel: blijvend aantrekkelijke steden en dorpen waar het goed wonen, werken en ontmoeten is. Het heeft een scope voor de langere termijn en geeft o.a. aan waar vanuit de algemene trends en ontwikkelingen de stedelijke opgave en ambities liggen en welke rol de provincie kan nemen om bij te dragen aan de verwezenlijking van deze ambities. In 2018 is er bovendien een Actie Agenda wonen 2018-2021 opgesteld. De essentie van het beleidskader, het huidige uitvoeringsprogramma binnenstedelijke ontwikkeling en de Actie Agenda Wonen staat nog steeds overeind. Deze zijn dan ook een belangrijk vertrekpunt geweest bij het opstellen van het voorliggende programma.

Programma’s in het kader van de Omgevingswet In de provinciale Omgevingsvisie staat de ambitie gericht op de toekomst in 2050 met meetbare (tussen)doelen. Er is geformuleerd wat er in 2025 / 2030 / 2040 op zijn minst bereikt moet zijn om die ambitie te verwezenlijken. In de visie is niet vastgelegd hoe de provincie de doelen precies wil gaan bereiken. Dit wordt gedaan via programma’s. Programma’s in de Omgevingswet worden volgens de wet vastgesteld door Gedeputeerde Staten en bevatten voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan en maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. De provincie is als uitwerking van Europese richtlijnen verplicht een aantal programma’s op te stellen. Wonen is geen verplicht programma. De totstandkoming en vaststellingsprocedure van onverplichte programma’s is aan het provinciebestuur. Programma’s zijn zelfbindend. De provincie streeft naar een samenhangend pakket van visie, verordening en programma’s. Dat betekent het streven naar een beperkt aantal, zo integraal mogelijke, programma’s. De visie is geformuleerd op hoofdlijnen.

Het beleid wordt waar nodig thematisch verder uitgewerkt in beleidsprogramma’s en uitvoeringsprogramma’s. De beleidsprogramma’s zijn thematisch of bundelen enkele thema’s en geven inhoudelijke verdieping en detaillering aan de hoofdlijnen van beleid in de Omgevingsvisie. De uitvoeringsprogramma’s geven aan hoe uitvoering wordt gegeven aan de beleidskaders en kunnen thematisch of gebiedsgericht zijn.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

31

BIJLAGE 2: Lessen afgelopen periode Het jaar 2020 is het laatste jaar van het lopende programma Binnenstedelijke Ontwikkeling 2017-2020. Eind 2019 is een tussentijdse evaluatie van dit programma uitgevoerd. In 2019 heeft ook de Randstedelijke Rekenkamer een evaluatie uitgevoerd van de provinciale regierol op het gebied van wonen getiteld ‘Bouwen aan Regie”. Hierbij is ook nadrukkelijk het functioneren van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijke Ontwikkeling onderzocht. Het doel van het onderzoek van de Randstedelijke Rekenkamer was PS van Flevoland, Noord Holland, Utrecht en ZuidHolland te ondersteunen in hun kaderstellende en controlerende rol door inzicht te geven in de wijze waarop de regierol op het gebied van wonen wordt ingevuld en uitgevoerd. De centrale onderzoeksvraag was: Op welke wijze hebben de provincies Flevoland, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland invulling gegeven aan hun regierol op het gebied van wonen en hoe verloopt de uitvoering daarvan? Op basis van het onderzoek komt de Rekenkamer tot de volgende aanbevelingen: 1. Vergroot de regierol van de provincie door eisen te stellen aan regionale samenwerking, rekening houdend met de verscheidenheid aan regio’s en de al bestaande overlegstructuren. 2. Breng overzicht en eenduidigheid in het provinciale instrumentarium op het gebied van wonen. 3. Werk aan de bekendheid van instrumenten richting gemeenten.

Maak duidelijk wat de verschillende instrumenten de gemeenten opleveren. 4. Gebruik de aanwezigheid bij regionale overleggen om meer aansluiting te vinden met de gemeentelijke praktijk als het gaat over de provinciale inzet op onderzoek en monitoring. Ga bijvoorbeeld samen verder met het verbeteren van de planmonitor zodat deze van nog grotere waarde kan zijn dan deze nu is. 5. Sluit de regio indeling in de Woningmarktmonitor aan op de indeling van de regionale overleggen. 6. Breng het provinciale indicatieve woningbouwprogramma in lijn met de programma’s van de drie regio’s, zodat er meer duidelijkheid en eenduidigheid komt over de cijfers. 7. Ga na welke lessen geleerd kunnen worden van andere provincies. Het eigen instrumentarium kan worden uitgebreid met instrumenten die in andere provincies goed werken. 8. Stel, zoals in het beleid staat beschreven, structureel schriftelijke voortgangsrapportages op over de voortgang van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijke ontwikkeling. 9. Organiseer een sessie met PS waarin afspraken gemaakt worden over de informatievoorziening op het gebied van wonen. PS heeft GS verzocht om uitvoering te geven aan deze aanbevelingen.

De evaluatie en de aanbevelingen zijn betrokken bij het opstellen van het de provinciale Omgevingsvisie en -verordening, Kader voor Regionale Programmering wonen en werken, en het Uitvoeringsprogramma Versnelling Woningbouw. Zie ook: https://www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl/Vergaderingen/Statencommissie-Ruimte-Groen-en-Water/2020/08-januari/09:30 De belangrijkste bevindingen uit de evaluatie van het programma binnenstedelijke ontwikkeling 2017-2021 zijn: • bij gemeenten, corporaties en marktpartijen bestaat in het algemeen waardering voor de provincie voor de wijze van ondersteuning van gebiedsontwikkelingen en projecten, de inbreng van expertise en financiële ondersteuning en het bieden van een platform voor netwerken en kennisuitwisseling op het vlak van binnenstedelijke ontwikkelingen en wonen; • de projecten liggen verspreid over bijna alle Utrechtse gemeenten, met uitzondering van Bunschoten, Lopik en Vijfheerenlanden. De meeste projecten zijn uitgevoerd in Utrecht, Woerden, Soest, Houten en Leusden; • geef meer bekendheid aan de mogelijkheden van het programma en de gerealiseerde successen; • de Subsidieverordening Binnenstedelijke Ontwikkeling wordt door externe partners zeer gewaardeerd. Deze is flexibel en breed inzetbaar voor het oplossen van knelpunten zodat kan worden ingespeeld op veranderende behoeften en marktomstandigheden.

Aanvullend op het Rekenkamerrapport, zijn de belangrijkste aanbevelingen o.b.v. de tussentijdse evaluatie: • Leg het accent op het versnellen van woningbouwbouw in combinatie met het verwezenlijken van andere ambities uit het Coalitieakkoord (verduurzaming, klimaatadaptatie, bereikbaarheid, gezonde leefomgeving). • Stel het woningbouwvraagstuk centraal maar werk integraal en benut meekoppelkansen. • Beperk de inzet niet tot de binnenstedelijke locaties. • Richt specifieke aandacht op doelgroepen zoals ouderen, starters, arbeidsmigranten en dak- en thuislozen. • Richt de thematische inzet op het vergroten van de betaalbaarheid van woningen (sociaal, middenhuur en goedkope koop), doorstroming, flexwonen, verduurzaming (bijv. houtbouw) en hoogbouw en verdichting. • Focus op zaken waar de provincie een daadwerkelijke meerwaarde heeft, biedt overzicht en inzicht en richt je op vernieuwende aanpakken en innovaties. • Behoud de flexibiliteit in de subsidieverordening en werk knelpuntgericht maar biedt externe partijen wel meer inzicht in de mogelijke toegevoegde waarde van de provincie en het beschikbare instrumentarium. • Professionaliseer de woningbouwmonitor en planmonitor en zorg voor adequate data. Neem de aanbevelingen uit het Rekenkamerrapport over en sluit bij de monitoring aan bij de regionale overlegstructuren om zo meer regie te voeren.

• Benut het proces van regionale programmering om nog intensiever met gemeenten, corporaties en marktpartijen aan tafel te zitten om te ondersteunen, aan te jagen en te bemiddelen bij projecten die vastlopen. • Bezie nadrukkelijk de rol bij centrumontwikkeling en de aanpak van de retailproblematiek. • Bepaal of -en zo ja welke- specifieke rol er nodig is voor ondersteuning van vitaliteit in kleine kernen. • Breng het takenpakket in balans met de beschikbare formatieruimte en zorg zonodig voor nadere prioritering.

Programma Versnelling Woningbouw 2021 t/m 2024

32

BIJLAGE 3: Begrippenlijst “Aanjaagteam”

Hierbij kan worden gedacht aan een team met verschillende experts, breed inzetbaar, gericht op het bijdragen aan de versnelling en verhoging van de woningbouwproductie. Bij inzet van uit het team kan het gaan om bemiddeling, kennis beschikbaar stellen of contacten inzetten. Het kan gaan om ‘oliemannetjes’, om ‘experts’, maar ook valt te denken aan pilots met woon- of verhuiscoaches.

Gebiedsontwikkeling

De ontwikkeling van alle facetten -zoals wonen, werken en recreëren- in afgebakend gebied. Er is sprake van het realiseren van meervoudige doelen en ambities, die het lokale niveau overschrijden en waarbij een ruimtelijk afgebakend gebied het integrerend kader vormt. Daarbij gaat het écht om transitie en reallocatie van functies of om een (sterke) aanpassing van functies aan veranderende fysieke omstandigheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1491/documents/31697