CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - A. Toelichting.pdf

Commissie Fysiek Domein 16 september 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: b: Vaststellen bestemmingsplan Breukelerwaard Fase 3, Kavel 120.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De nieuwe bedrijfskavel tussen het afvalscheidingsstation en het bestaande bedrijventerrein zal ruimte bieden aan ongeveer 8.890 m2 (ongeveer 0,9 hectare). Daarmee draagt het plan bij aan de ambities van de gemeente Stichtse Vecht voor een groei van de werkgelegenheid.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

22/51

3.4.2 Landschapsontwikkelingsplan Breukelen, Loenen In het landschapsontwikkelingsplan Breukelen Loenen is voor het buitengebied van deze twee plaatsen een toekomstvisie beschreven. Er wordt onder andere ingezet op het behouden en versterken van de relatie tussen de landschappen aan weerszijde van grote infrastructuur. Ook is het streven om de karakteristieke bomenrijen langs het Amsterdam-Rijnkanaal te behouden. Ook is het belangrijk dat er groene buffers worden ontwikkeld tussen stedelijk gebied Breukelen en het buitengebied. De uitbreiding van natuur- en bosontwikkeling biedt versterking van ecologische waarden en landschappelijke oostwestrelaties en ten behoeve van recreatief gebruik. En er dient sprake te zijn van een samenhangend ontwerp van de beplanting langs de rijksweg A2 bestaande uit landschapsstroken, ecologische zones en ecologische stapstenen (beplantingsplan A2-Noord). De natuurwaarden van de bermen dienen te worden versterkt. Betekenis voor het plan Het LOP vormt de basis voor de inpassingsstudie die is opgesteld (zie bijlage 1). Daarmee zijn bovenstaande punten in het plan opgenomen. 3.4.3 Nota natuurinclusief ontwikkelen, inrichten en bouwen Door de natuur een volwaardige plek te geven in bouwprojecten ontstaat een aantrekkelijke, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier.

In de (ontwerp)Omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat ze streeft naar natuurinclusief en klimaatbestendig bouwen bij haar verstedelijkingsopgave en daarmee een bijdrage wil leveren aan een gezond functionerend stedelijk ecosysteem. Om dit te bereiken hanteert de gemeente voor ontwikkeling van woningbouw een puntensysteem met natuurinclusieve maatregelen. De omvang van het project bepaald het aantal punten dat behaald moet worden binnen de ontwikkeling. Deze nota is in principe van toepassing op woningbouw, maar de gemeente ziet graag dat de uitbreiding van het bedrijventerrein en de ontwikkeling van het nieuwe afvalstation ook worden getoetst aan het puntensysteem, om zo tot een duurzame, klimaatbestendige en natuurinclusieve gebiedsontwikkeling te komen. Betekenis voor het plan Op gebiedsniveau is in de inpassingsstudie nagegaan wat het aantal punten is van de totale ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein (zie bijlage 1). De maatregelen richten zich met name op de mogelijkheden die het groenblauwe raamwerk geeft. Daarmee is in elk geval 13 punten te behalen. Met de invulling van het uitgeefbaar terrein en de bebouwing en daken is dit puntenaantal nog verder te verhogen, door bijvoorbeeld de inzet van groene daken en gevels.

Met de voorgestelde groene inrichting rond de bedrijfskavel (zie paragraaf 2.2.2) zal sprake zijn van een duurzame, klimaatbestendige en natuurinclusieve ontwikkeling en wordt aangesloten bij de ambities uit de gemeentelijke nota Natuurinclusief ontwikkelen. 3.4.4 Afspraken klimaat adaptief bouwen Utrecht In het plan wordt rekening gehouden met de compensatieverplichting oppervlaktewater voor de toename aan verharding, met doorkijk naar wat dit betekent voor de structuur van het grotere gebied. Er zal voldoende ruimte wordt vrijgehouden voor adaptatie van hemelwater (als eis vanuit het LIOR en landelijk beleid) om daarmee het risico op overstroming bij hevige neerslag te beperken. Zoals ook in paragraaf 4.5.2 is beschreven zal met de hoogte van de nieuwe bebouwing rekening worden gehouden met de ligging in overstroombaar gebied en de mogelijke waterdiepte bij een overstroming. Ook is in de bouwregels vastgelegd dat het vloerpeil van gebouwen niet lager dan 0,55m onder NAP mag worden gebouwd, zodat schade aan vitale functies wordt voorkomen. Veel van de afspraken uit de beleidsnotitie zijn op gebiedsniveau relevant. Voor perceelsniveau zijn niet alle afspraken van toepassing.

Er is op gebiedsniveau een Waterhuishoudkundig plan opgesteld (zie paragraaf 4.5 en bijlage 6), waarin rekening is gehouden met de ‘Afspraken Klimaatadaptief Bouwen Utrecht’ en het Gemeentelijke Rioleringsplan en de gemeentelijke Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR). In het kader van het Waterhuishoudkundig plan zijn stresstesten voor waterveiligheid gedaan. Prestatie-eisen voor privaat gebied is hier maatwerk,

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

23/51

waarbij op gebiedsniveau een zeer robuust watersysteem is ontworpen. Om hitte-effecten te beperken dient 40% van de verticale oppervlakten verkoelend ingericht te worden. Dit is onderdeel van de architectonische en bouwkundige uitwerking. Het bestemmingsplan staat dit niet in de weg. 3.4.5 Strategische verkenning knooppunt Breukelen De omgeving van station Breukelen heeft de potentie om zich in de toekomst te ontwikkelen tot een aantrekkelijk woon/werkgebied, strategisch gelegen op een knooppunt van auto-, bus-, trein- en fietsverbindingen tussen Utrecht en Amsterdam. Maar ook met een directe treinverbinding naar Rotterdam. Daarnaast zijn er mogelijkheden om de P+R-functie van de knoop beter te benutten en het gebied meer sociaal veilig en met meer natuur klimaatbestendig in te richten als een Groene Poort. Deze kansen zijn eerder beschreven in het Integraal Ruimtelijk Perspectief 2040, de Omgevingsvisie Stichtse Vecht en het Coalitieakkoord. De gemeente Stichtse Vecht heeft met de provincie Utrecht, Rijkswaterstaat, NS, ProRail, U10 en de waterschappen AGV en HDSR en onder begeleiding van bureau Nieuwegracht de Strategische Verkenning Breukelen opgesteld. Hierin zijn verschillende scenario’s (wonen, werken en recreëren) uitgewerkt en is geadviseerd om te kiezen voor één toekomstscenario.

Betekenis voor het plan Een van de opgaven die in de Strategische Verkenning zijn benoemd, is de uitbreiding van het bedrijventerrein Breukelerwaard in noordelijke richting. De ontwikkeling van de nieuwe bedrijfskavel is hier binnen gelegen en staat deze ambities niet in de weg. Er wordt in het plan voor de bedrijfskavel en het hier ten noorden van geprojecteerde afvalscheidingsstation al rekening gehouden met eventuele verdere uitbreiding door uit te gaan van de nieuwe verkavelingsstructuur die voor het gebied is uitgedacht in de landschappelijke visie uit bijlage 1. 3.4.6 Bestemmingsplan ‘Corridor’ en ‘1e herziening bestemmingsplan Corridor’ Deze twee plannen zijn in samenhang beschouwd. Binnen het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen aanwezig: • Agrarisch met waarden - Landschapswaarden • Water - 2 • Leiding - Hoogspanningsverbinding • Waarde - Archeologie - 3, Waarde - Archeologie - 4 en Waarde - Archeologie - 5 • Waterstaat - Keur • Waterstaat - Waterkering • Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (enkelbestemming) Het grootste deel van het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’. De bestemming is gericht op het agrarisch gebruik en het behoud van landschapswaarden. In deze bestemming zijn gebouwen alleen toegestaan ter plaatse van een bouwvlak.

Er is geen bouwvlak opgenomen ter hoogte van het plangebied. Om de gewenste nieuwe functies toe te staan, dient de bestemming te worden gewijzigd. Water - 2 (enkelbestemming) Door het plangebied loopt een watergang. Deze heeft de bestemming Water – 2. Ten behoeve van het plan zal het water gedempt worden en zal nieuw water worden aangelegd. In de waterparagraaf (zie paragraaf 4.4) is ingegaan op de waterhuishouding. Leiding - Hoogspanningsverbinding Voor het aanwezige hoogspanningstracé is in het huidige bestemmingsplan de dubbelbestemming Leiding Hoogspanningsverbinding opgenomen. De planvorming houdt rekening met de verbinding. In de zone van de dubbelbestemming komen alleen de toegangsweg met de groenzone. Het terrein van het afvalscheidingsstation en de toekomstige bebouwing blijft buiten de zone. De dubbelbestemming is ook overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Waarde - Archeologie - 3, Waarde - Archeologie - 4 en Waarde - Archeologie - 5

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

24/51

Voor de zuidzijde van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 3’ en voor de noordzijde de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 5’ en langs de oostzijde van het plangebied ligt een strook met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 4'. Binnen gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 geldt dat bij ingrepen groter dan 500 m2 eerst onderzoek nodig is en een omgevingsvergunning nodig is. Bij de bestemming Waarde Archeologie - 5 geldt dit, gelet op de zeer lage verwachting, pas bij ingrepen groter dan 10 hectare. De drempelwaarde van 500 m2 uit Waarde - Archeologie - 3 wordt overschreden. Ook is er nieuw gemeentelijk archeologiebeleid. Voor het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 4.2. Met de uitkomsten van het onderzoek is rekening gehouden in het bestemmingsplan. Waterstaat - Keur Aan weerszijden van de in het plangebied aanwezige watergang ligt de dubbelbestemming Waterstaat - Keur. Deze dubbelbestemming bevat regels ter bescherming van de watergang. Er gelden restricties voor het bouwen en voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen deze zone. Voordat de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, dient te zijn afgestemd met het waterschap. De watergang zal worden gedempt en er zal nieuw water komen op een andere plek. In paragraaf 4.4 is nader op de waterhuishoudkundige aspecten ingegaan.

Waterstaat - Waterkering Ter bescherming van de dijk langs het Amsterdam-Rijnkanaal is de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering opgenomen. Een deel van het plangebied valt binnen de gronden met deze dubbelbestemming. In het kader van de planontwikkeling vindt afstemming plaats met het waterschap over mogelijke gevolgen voor de waterkering. In paragraaf 4.4 is hier nader op ingegaan. Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen Over de spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan, is een gebiedsaanduiding langs de spoorlijn gelegd, waarbinnen geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Woningen zijn kwetsbare objecten. Kleine kantoren tot 1.500 m2 en bedrijfsfuncties zijn beperkt kwetsbare objecten. In paragraaf 4.11 is ingegaan op de betekenis van deze zone voor het plan. De gebiedsaanduiding wordt weer in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen, zodat de regeling ook naar de toekomst toe blijft gelden.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

25/51

4

Omgevingsaspecten

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.

4.2

Archeologie

4.2.1 Inleiding Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.2.2 Betekenis voor het plan De gemeente Stichtse Vecht beschikt over een archeologische beleidskaart uit 2021, welke door de gemeenteraad op 1 november 2022 is vastgesteld. Op basis van de beleidskaart geldt voor het zuidelijke deel van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting (zie het oranje gebied in afbeelding 11). De bijbehorende beleidsregel is dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 500 m2. Tot bodemverstorende werkzaamheden worden ook ophogingen hoger dan 50 cm gerekend. Aangenomen is dat er binnen dit gebied meer dan 500 m2 aan grondroerende werkzaamheden plaats zal vinden en ook dieper dan 30 cm.

De rest van het plangebied kent een lage verwachting, waarbij pas onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 10 hectare (100.000 m2). Het totale oppervlakte van het plangebied blijft hier ruim onder.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

26/51

afbeelding 11: uitsnede beleidskaart geactualiseerde archeologiebeleid Stichtse Vecht 2021 (plangebied is met rode lijn aangeduid)

4.2.3 Onderzoek Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het gebied dat onder het archeologiebeleid uit 2021 een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde heeft en nog niet bebouwd is (De Steekproef, augustus 2023). Dit onderzoek is uitgevoerd voor zowel de ontwikkeling van het afvalscheidingsstation als de nieuw te ontwikkelen bedrijfskavel. Het rapport is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting. Voor het onderzoek zijn acht boringen neergezet verspreid over het onderzoeksgebied. In de grondboringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op menselijke bewoningsactiviteiten. Gezien deze resultaten geeft dit geen aanleiding om in het plangebied nader onderzoekt te adviseren. Namens de gemeente Stichtse Vecht heeft de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) het rapport op 9 juni 2023 getoetst. Het rapport is akkoord bevonden. Ook is er geen noodzaak voor archeologisch vervolgonderzoek en kan de dubbelbestemming archeologie voor het onderzochte deel van het plangebied vervallen. Het deel van het plangebied waar een lage archeologische verwachting geldt is niet onderzocht. Daarom zal voor dit deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ worden opgenomen ter bescherming van mogelijke waarden in de toekomst.

Ter plaatse van deze dubbelbestemming is een onderzoek nodig bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 10 hectare (100.000 m2). 4.2.4 Conclusie De drempelwaarden uit het gemeentelijk archeologiebeleid worden overschreden voor de gronden met een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde. In het archeologisch onderzoek zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Het onderzoek is getoetst door de ODRU en akkoord bevonden. Er is geen noodzaak voor vervolgonderzoek en ook geen dubbelbestemming meer nodig voor het onderzochte gebied.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

27/51

Voor het deel van het plangebied dat nog niet is onderzocht is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen ter bescherming van mogelijke waarden in de toekomst. Daarmee is er vanuit archeologisch oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de (financiële) haalbaarheid van het plan. 4.3.2 Betekenis voor het plan Voor het plan is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd (Wematech, 28 oktober 2022). De rapportage is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting. Er zijn enkele lichte overschrijdingen in de bodem waargenomen welke geen belemmering vormen voor het toekomstig gebruik. Er zijn wel beperkingen ten aanzien van het toepassen van grond en de grond uit de onderzochte waterbodem. Daar dient rekening mee te worden gehouden. De resultaten van het onderzoek geven geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse. 4.3.3 Conclusie De resultaten van het verkennend (water)bodemonderzoek geven geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.4

Ontplofbare oorlogsresten

4.4.1 Inleiding Voor bepaalde gebieden kan een verwachtingswaarde voor het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO) gelden, bijvoorbeeld voor locaties waar in de Tweede Wereldoorlog gevochten is. Voorafgaand aan graafwerkzaamheden is verstandig om onderzoek te doen naar de verwachtingen. Wanneer in een vroeg stadium onderzoek wordt verricht naar het al dan niet voorkomen van ontplofbare oorlogsresten kunnen passende maatregelen worden getroffen. 4.4.2 Betekenis voor het plan Uit de beschikbare bronnen is gebleken dat de aanwezigheid van OO in de bodem niet op voorhand kan worden uitgesloten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zich op diverse locaties in de gemeente Stichtse Vecht oorlogshandelingen voorgedaan, waaronder bombardementen op de spoorlijn. Vanwege de ligging van het plangebied naast deze spoorlijn kunnen ontplofbare oorlogsresten (OO) of delen daarvan in de bodem aanwezig zijn. Er is een onderzoek gedaan naar mogelijk voorkomen van ontplofbare oorlogsresten (AVG Explosieven Opsporing Nederland, 22 december 2022). Het rapport is opgenomen als bijlage 5 bij de toelichting. Uit het onderzoek volgt dat het onderzoeksgebied gedeeltelijk verdacht is op ontplofbare oorlogsresten.

Daarom wordt geadviseerd om voor het aanvangen van de werkzaamheden in het plangebied aanvullend explosievenonderzoek uit te voeren in de vorm van detectieonderzoek en eventueel benaderingswerkzaamheden. Deze vervolgstappen worden opgepakt in de planfase. Er is voor het archeologisch onderzoek nagegaan of de boringen veilig geplaatst kunnen worden. Daarvoor zijn de boorpunten onderzocht en hieruit bleek dat er geen OO ter plaatse aanwezig zijn op de diepte en locatie van de boringen voor het archeologisch onderzoek. Dit betekent niet dat het hele plangebied vrijgegeven kan worden. Daarvoor zal nader onderzoek nodig zijn, afgestemd op de verwachte grondwerkzaamheden.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

28/51

afbeelding 12: verdacht gebied

4.5

Water

4.5.1 Beleid en regelgeving Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Waterbeheersprogramma 2022-2027 Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft in het Waterbeheersprogramma 2022-2027 haar ambities en plannen beschreven voor de periode van 2022-2027. Dit heeft ze gedaan aan de hand van de volgende thema’s: - Waterveiligheid - Voldoende water - Gezond water - Gezuiverd afvalwater - Genieten van water (recreatie) 4.5.2 Waterhuishoudkundige situatie Met het oog op de watertoets is een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor de ontwikkeling van het afvalscheidingsstation, de bedrijfskavel 1 fase 3 en de toekomstige verdere uitleg van het bedrijventerrein Breukelerwaard (RPS, 5 december 2023). Dit waterhuishoudkundig plan is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. In onderstaande waterparagraaf zijn beknopt de bevindingen overgenomen. Voor een volledige beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en gevolgen wordt verwezen naar het rapport.

Het waterhuishoudkundig plan is nog niet definitief en zal voor de vaststelling van het bestemmingsplan nog definitief gemaakt worden. 4.5.2.1 Oppervlaktewater en waterberging Voor het plan is de Legger van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht geraadpleegd (zie afbeelding 13). In het plangebied lopen twee watergangen, waarvan één primaire watergang

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

29/51

(6440 2664). De watergang aan de oostzijde ligt net buiten de plangrens. Vanwege de uitgedachte verkaveling voor het gebied en de benodigde ruimte voor de bedrijfskavel is dit niet binnen de bestaande kavelsloten in te passen. Dit betekent dat het water moet worden gedempt en de primaire watergang zal worden verlegd. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling van de bedrijfskavel zal ongeveer 200 m2 water gedempt worden. Ook zal de ontwikkeling leiden tot een toename aan verharding vanwege gebouwen, terreinverharding en de nieuwe toegangsweg). In de huidige situatie is er geen verharding in het gebied. Er van uitgaande dat het terrein volledig verhard zal worden (100%), zal sprake zijn van een toename van zo’n 9.000 m2 aan verharding en bebouwing.

Verharding

Bestaande situatie 0 m2

Bebouwing Totaal

0 m2 0 m2

Nieuwe situatie 2.800 m2 terrein en toegangswegen 6.200 m2 bedrijfsgebouw 9.000 m2

Volgens de Keur 2019 van het waterschap AGV moet een toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem gecompenseerd worden door het graven van open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Sloten die worden gedempt moeten voor 100% binnen hetzelfde peilvak worden gecompenseerd. Dit betekent dat de compensatieopgave neerkomt op 200 m2 + 900 m2 = 1.100 m2 nieuw oppervlaktewater. Aan de noordzijde komt binnen het plangebied een deel van het nieuwe water, ongeveer 120 m2. Maar het merendeel van het nieuwe oppervlaktewater zal komen in de zone langs de nieuwe toegangsweg onder de hoogspanningsverbinding. Dit maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan voor het afvalscheidingsstation. In het plan voor het afvalscheidingsstation zal water komen in de zone langs de nieuwe toegangsweg onder de hoogspanningsverbinding. Er wordt hier een nieuwe groenblauwe zone ontwerpen, welke een landschappelijke kwaliteit aan het gebied geeft. Uit het Waterhuishoudkundig plan volgt dat sprake zal zijn van een robuuste waterhuishouding; afwenteling naar buiten het plangebied in bemalingsgebied Breukelerwaard vindt niet plaats. De primaire watergang zal worden verlegd om langs de nieuwe toegangsweg te lopen en onderdeel uitmaken van de nieuwe groenblauwe landschapszone.

Met het waterschap AGV is overeengekomen dat het nu te veel te graven m2 water ingezet kan worden bij de verdere ontwikkeling van het bedrijventerrein.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

30/51

afbeelding 13: uitsnede Legger AGV (de blauwe lijnen geven de primaire watergangen aan)

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

31/51

afbeelding 14: slotenpatroon en waterberging in de situatie met de bedrijfskavel (met rood aangeduid) en het afvalscheidingsstation (bron: inpassingsstudie IMOSS)

4.5.2.2 Waterkwaliteit Uit het WHP volgt dat de chemische en biologische waterkwaliteit in het gebied sterk zal verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Het watersysteem wordt meer regenwater-gedomineerd plus een beetje kwelwater. Het systeem is minder afhankelijk van de aanvoer van water uit het landbouwgebied omdat er water vanuit het bovenstroomse gebied (Breukelerwaard-zuid) via de stuw wordt aangevoerd. De kwaliteit van dat water is redelijk tot goed en zal mede de waterkwaliteit in -noord bepalen. Een toetsing op basis van ecologische sleutelfactoren (ESF) laat zien dat de waterkwaliteit in Breukelerwaard-noord niet zal verslechteren en er aanwijzingen zijn dat de waterkwaliteit sterk zal verbeteren. 4.5.2.3 Veiligheid Zoals is te zien op de Legger van AGV in afbeelding 13 ligt het plangebied niet binnen een beschermingszone van een waterkering. Er gelden dan ook geen regels vanuit de Legger op dit onderwerp voor het plan. In de Klimaat Effect Atlas zijn de kansen op en grootte van overstroming opgenomen. In de inpassingsstudie van IMOSS werd, gebaseerd op deze Atlas, uitgegaan van een overstromingsdiepte van 0,79 m. Tijdens overleg met Waternet is echter geconstateerd dat het risicoprofiel niet meer up-to-date is (kans en gevolg).

Waternet geeft aan dat, op basis van de nieuwe gegevens, voor Breukelerwaard -Noord uitgegaan kan worden van een waterrisicoprofiel van 20 cm (=verschil tussen vloerpeil en wegpeil). Bij een vloerpeil van NAP -0,65 meter wordt het wegpeil NAP -0,85 meter. In overleg met Waternet is het aspect “gevolgbeperking overstromingen” voor

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

32/51

nu buiten beschouwing gelaten. Inundatie als gevolg van dijkdoorbraken heeft bij Waternet nog (interne) discussie; uitwerking van beleid dient nog een nader vervolg te krijgen. Er is in de bouwregels vastgelegd dat het vloerpeil van gebouwen niet lager dan 0,55m onder NAP mag worden gebouwd. Deze drooglegging is een wenselijke maat vanuit gemeente (GRP) om inundatie van vloeren te voorkomen, maar ook om een goede aansluiting op weginfrastructuur mogelijk te maken. Een doorbraak vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal zal nooit leiden tot peilstijgingen tot boven een vloerpeil van NAP -0,55 meter. Zo is er voor gezorgd dat schade aan vitale functies wordt voorkomen. 4.5.3 Watertoets Ten behoeve van de totstandkoming van het waterhuishoudkundig plan is afstemming geweest Waternet, zodat de waterbelangen zorgvuldig meegenomen worden. Het Waterhuishoudkundig plan wordt door de gemeente en het waterschap gezamenlijk vastgesteld. Er is in het kader van het bestemmingsplan voor het afvalscheidingsstation afgestemd geweest met Waternet. De in dat kader gegeven reacties en wijzigingen zijn ook meegenomen in dit bestemmingsplan voor de bedrijfskavel. 4.5.4 Conclusie De ontwikkeling leidt tot een toename aan verharding in het gebied en er wordt bestaand water gedempt.

Er is voor de gebiedsontwikkeling een zeer robuuste waterstructuur ontworpen, waardoor er van afwenteling geen sprake is en de compensatieopgave wordt ingevuld in de nieuwe groenblauwe landschapszone . Zoals beschreven in het waterhuishoudkundig plan leidt het plan tot een verbetering in de waterkwaliteit. In het kader van de verdere planuitwerking zijn er nog verschillende onderzoeken en keuzes te maken, zoals op het gebied van riolering, maaiveldhoogte, de exacte uitwerking van de compensatieopgave en het waterpeil. Het bestemmingsplan heeft een globaal karakter, waarbinnen dit nog niet vastligt. Daarmee biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit om in het uiteindelijke ontwerp rekening te houden met de uitgangspunten en eisen aan het watersysteem.

4.6

Ecologie

4.6.1 Inleiding De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden, houtopstanden en planten- en dierensoorten. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals Natura-2000 gebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebeurt in het ruimtelijk spoor van het Barro (Rijk) en de PRV (provincie Utrecht). Soortenbescherming Het doel van de wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. De verbodsbepalingen zijn een belangrijk onderdeel van de wet. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogelrichtlijnsoorten, 3.5 Habitatrichtlijnsoorten en 3.10 Andere soorten).

Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11)

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

33/51

4.6.2 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde planten- en diersoorten en beschermde gebieden (Van der Goes en Groot, 29 augustus 2023). Het rapport is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. Hieronder is eerst ingegaan op de gebiedsbescherming en daarna op de soortenbescherming. 4.6.2.1 Gebiedsbescherming Natura-2000 Het plangebied ligt niet in een Natura-2000 gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oostelijke Vechtplassen op ca. 2,2 km (stikstofgevoelig). Omdat het plangebied niet in of nabij een Natura 2000-gebied ligt, zijn directe effecten als gevolg van aantasting van habitattypen of leefgebieden niet aan de orde. Wel kan sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van externe werking. Hier is sprake van indien de gevolgen van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied wel merkbaar zijn in een Natura 2000-gebied. Voorbeelden hiervan zijn geluidverstoring of verstoring door licht, maar ook de gevolgen van stikstofemissies. Voor de meeste effecten geldt dat door de afstanden tot aan de Natura 2000-gebieden ook de externe werking op voorhand uitgesloten kan worden, licht- en geluidbelasting reikt niet dusdanig ver. Enige effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, zijn effecten van stikstofdepositie. Stikstofemissie kan Natura 2000-gebieden op grotere afstand beïnvloeden.

Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie te bepalen is een Aeriusberekening uitgevoerd (Langelaar, 4 december 2023). Het rapport is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura2000-gebieden. De grootste depositietoename op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden vindt plaats in Natura 2000-gebied “Oostelijke Vechtplassen“ en is maximaal 0,01 mol/ha/jr in de aanleg- en gebruiksfase. De beëindiging van het agrarisch grondgebruik dat plaatsvindt voorafgaand aan de vaststelling van het plan is het onlosmakelijke (positieve) gevolg van uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan. Emissies vinden plaats door met bemesting van de agrarische percelen (grasland), de inzet van landbouwmachines op de percelen en verkeersbewegingen van en naar de percelen. Emissies van de landbouwmachines en de verkeersbewegingen zijn buiten het onderzoek gelaten, waardoor de berekende positieve effecten een worstcase berekening in het licht van interne saldering is.

Verschilberekeningen met AERIUS Calculator 2023 tussen de vermeden emissies en de emissies in de aanleg- en gebruiksfase maken duidelijk dat per saldo de NOx depositie op alle kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden ten gevolge van het plan in de gebruiksfase niet groter is dan bij het huidige agrarische gebruik. Tevens is in artikel 3.5.1 de planregel opgenomen dat het gebruik van gronden niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden ten opzichte van de activiteiten die feitelijk plaatsvinden en planologisch zijn toegestaan direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit geeft een aanvullende juridische borging. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Groene Contour of weidevogelgebied. Het gebied aan de zuidwestzijde van de Oosterlandweg is wel een weidevogelkerngebied, hierbinnen gelden restricties voor plannen die betrekking hebben op realisatie van windturbines en zonne-energie. Aangezien het plangebied er buiten ligt, gelden er geen regels vanuit de Interim OV op dit onderwerp voor het bestemmingsplan.

Ook gaat het om een bedrijfskavel en niet om windturbines of zonneparken. Er is geen onderzoek nodig.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

34/51

4.6.2.2 Soortenbescherming Voor de quickscan is op basis van literatuurgegevens en informatie bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Ook is het plangebied bezocht om een aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes voor zover mogelijk geïnspecteerd. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, worden van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verwacht verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het voorliggende plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen.

Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Ooievaar en Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting en luwtewerking toenemen en zal de kwaliteit van het plangebied voor foeragerende vleermuizen toenemen. Conclusie effectbeoordeling Op basis van de bevindingen van de quickscan is geen aanvullend onderzoek nodig.

Ook is geen ontheffing nodig voor de geplande ontwikkeling. Wel is het belangrijk om in de uitvoering rekening te houden met de bevindingen van de quickscan en de zorgplicht in acht te nemen. Aandachtspunten hierin zijn de kans op broedende vogels in en rond het broedseizoen en het zorgvuldig en diervriendelijk te werk gaan bij het dempen van de watergangen. 4.6.3 Conclusie gebieds- en soortenbescherming Er zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden en ook niet op beschermde soorten te verwachten. In de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de bevindingen van de quickscan en de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen.

4.7

Mobiliteit

4.7.1 Verkeersafwikkeling Voor het bestemmingsplan is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd en een oplegnotitie opgesteld (RoyalHaskoningDHV). Het onderzoek is van 31 mei 2024 en de oplegnotitie is van 11 oktober 2024. Dit rapport is opgenomen als bijlage 9 bij de toelichting. Het verkeersonderzoek geeft een analyse van de gevolgen van de toevoeging van de bedrijfskavel voor het verkeersnetwerk. In dit onderzoek is aangesloten bij eerder onderzoek dat is uitgevoerd in december 2021 voor De Corridor.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

35/51

Een bedrijfslocatie zoals opgenomen in het bestemmingsplan, bestaande uit bedrijfsruimte en ondergeschikte kantoorruimte, genereert maximaal 470 motorvoertuigen per etmaal, berekend op basis van algemene CROW kencijfers. Dit is een worstcase aanname waar in het verkeersonderzoek mee gerekend is. Vanwege de ligging van de kavel en door het nemen van mobiliteitsmaatregelen, is het te verwachten dat de verkeersgeneratie lager is dan de worst-case situatie. Naar aanleiding van de zienswijzen en gesprekken met stakeholders, heeft de initiatiefnemer van het bestemmingsplan afgesproken om bedrijven die zich vestigen op de kavel te laten verplichten een mobiliteitsplan op te stellen en het aantal toegestane verkeersbewegingen in de avondspits te limiteren tot maximaal 25 mvt/(avondspits)uur (spitsperiode: 16:00-18:00 uur). Deze afspraak is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd. Het verkeersonderzoek heeft de simulaties met de hogere verkeersintensiteit van 50 motorvoertuigen per uur in de spits uitgevoerd. Dit betekent dat het effect van het plan halveert ten opzichte van de uitkomsten van het verkeersonderzoek. Hieronder is ingegaan op het verkeersonderzoek.

Het onderzoek vergelijkt meerdere situatie, namelijk: • 2023 (referentie 2016 aangepast op basis van tellingen) • 2023 + kavel bestemmingsplan • Autonome situatie 2030 Hoog (situatie met bestuurlijk vastgelegde ruimtelijke ontwikkelingen in de regio / autonome groei verkeer) • Autonome situatie 2030 Hoog + kavel bestemmingsplan De effecten van de verkeersgeneratie op de Corridor en op het omliggende netwerk zijn getoetst op basis van reeds beschikbare studies en prognoses uit verkeersmodellen. Daarnaast is een microsimulatie uitgevoerd van de huidige situatie (2023) en de toekomstige situatie. De microsimulatie geeft inzicht in de knelpunten met en zonder de ontwikkeling van de te ontwikkelen kavel op de Corridor. Getoetst is wat het effect van de ontwikkeling is op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid op het direct omliggende wegennet. Belangrijk aandachtspunt is dat reeds in eerdere studies geconcludeerd is dat er op termijn infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn om tot een acceptabele verkeersafwikkeling te komen. De verkeerstoets is opgedeeld in: • Verkeerstoets wegvak Corridor → toets op vorm – functie en gebruik van de weg • Verkeerstoets rotonde aansluiting A2 → toets op verkeersafwikkeling De Corridor De intensiteiten op de weg de Corridor liggen in 2030 op ca. 2.500 mvt/etmaal (incl. ontwikkeling afvalscheidingsstation en Kansis Groen).

Deze intensiteiten zijn in principe passend voor deze gebiedsontsluitingsweg. Wanneer de nieuwe bedrijfskavel wordt ontwikkeld, neemt de intensiteit op de Corridor met maximaal 470 motorvoertuigen per etmaal toe. Daarmee verandert de verkeerstoets voor de Corridor niet ten opzichte van de autonome situatie. Op het wegvak Corridor en de toets op vorm – functie – gebruik is de verkeerstoets daarom positief. Op De Corridor zal een aanzienlijk percentage van het verkeer bestaan uit vrachtverkeer. Met de extra vrachtverkeersbewegingen die het afvalscheidingsstation en de nieuwe bedrijfskavel daarbij genereert is menging met fietsers minder gewenst en worden vanuit verkeersveiligheid aanvullende maatregelen voorgesteld om de verkeersveiligheid te verbeteren. Dit geldt in zowel de autonome situatie als bij ontwikkeling van het plangebied tot een bedrijfskavel. Ter verbetering van de verkeersveiligheid zijn er voor de inrichting enkele verbetervoorstellen voorgesteld op de Corridor (welke deels al zijn uitgevoerd en deels in de planning staan om uitgevoerd te worden), zoals het verlengen van het vrijliggende fietspad en het veiliger inrichten van de kruispunten met zijwegen. Dit is reeds in een breder onderzoek naar het verbeteren van de verkeersveiligheid op De Corridor bekeken. De ontwikkeling van de bedrijfskavel verandert deze conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek niet.

Aansluiting A2 Breukelen - Impact op kruispunten in 2023

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

36/51

In 2023 staat er een wachtrij afrit A2 vanuit Amsterdam en op de Corridor (avondspits). In 2023 is in zowel de ochtend- als avondspits de impact van extra verkeer door de ontwikkeling van de kavel beperkt. Het afwikkelingsniveau is hetzelfde. De toename van het verkeer in de spitsperiodes is beperkt, maar er is al een knelpunt van wegrijdend verkeer in de avondspits op De Corridor en de verkeersafwikkeling bij de aansluiting A2Breukelen is een knelpunt tijdens de spitsperiodes door de beperkte capaciteit van de dubbelstrooksrotondes. In de avondspits is er een wachtrij op de afrit van de A2 op de westelijke aansluiting en op de zuidelijke tak vanaf De Corridor op de oostelijke aansluiting. De toename van het verkeer in de spitsperiodes is als gevolg van de nieuwe ontwikkeling beperkt en niet significant. De toename van verkeer leidt niet tot een onaanvaardbare verslechtering van de verkeersafwikkeling. Aansluiting A2 Breukelen - Impact op kruispunten in 2030 Qua verkeersafwikkeling zijn ook in 2030 in de autonome situatie de wachtrijen in de avondspits het grootst (maatgevend). Na 17:00 uur loopt de wachtrij op de Corridor op in de simulatie. Ook zijn er wachtrijen op de afrit A2 vanuit richting Amsterdam (tot op snelweg A2) en vanuit richting Utrecht, N401 en Stationsweg. In de autonome situatie loopt het systeem in een aantal runs vast in 2030.

Dit betekent dat er onvoldoende capaciteit is om het verkeer af te wikkelen en er in 2030 (ook zonder ontwikkeling het plangebied tot een bedrijfskavel) een verkeersknelpunt is op deze locatie. Vanwege de knelpunten zijn maatregelen uitgevoerd aan de westelijke rotonde en de afrit. De westelijke rotonde is gewijzigd in een turborotonde en de afrit A2 vanuit Amsterdam heeft extra buffercapaciteit gekregen. Deze maatregelen zijn verwerkt in de simulatie. In de autonome situatie 2030 is het knelpunt op de westelijke rotonde opgelost als gevolg van de maatregelen. Beoordeling planeffect Bij iedere toename, zoals de ontwikkeling van het plangebied, sluit het verkeer achteraan in de wachtrij. Dit gebeurt in de avondspits dan ook op de weg de Corridor. De wachtrij neemt hier toe ten opzichte van de autonome situatie. Ook de reistijden van/naar Corridor nemen toe (zie de bijlagen bij het verkeersonderzoek voor de details). Elke extra (vracht)auto zorgt dat kans op een simulatie dat vastloopt nog groter wordt. Dit toont aan dat in de autonome situatie 2030 de aansluiting (zwaar) overbelast is. Omdat de simulatie in 2030 tot een overbelaste autonome verkeerssituatie komt, is het niet mogelijk om de kwantitatieve invloed van de ontwikkeling van de bedrijfskavel op de wachtrij op de snelweg A2 te bepalen.

Echter is het wel zo dat in de avondspits, wanneer verkeer op de afrit A2 vanuit Amsterdam stilstaat, het verkeer dat de bedrijfskavel via de Corridor verlaat en richting de snelweg rijdt niet het verkeer van de afrit kruist. Dit komt doordat bestuurders via de bypass toegang hebben tot de toerit A2 richting Utrecht. Deze analyse, samen met de onveranderde situatie in 2023 als gevolg van de ontwikkeling, maakt het aannemelijk dat het effect op de wachtrij op snelweg A2 vanuit Amsterdam naar alle waarschijnlijkheid beperkt zal zijn. Daar komt bij dat vanwege de maatregelen aan de westelijke rotonde en de afrit A2 vanuit Amsterdam de verkeersdoorstroming hier verbeterd. De oostelijke rotonde is echter een knelpunt en er staat een wachtrij op de Corridor. Ook op de afrit A2 uit Utrecht en de oosttak is een wachtrij zichtbaar. De westtak kent een korte wachtrij. De komst van de bedrijfskavel zorgt met de gesimuleerde worst-case situatie niet voor andere knelpunten in 2030. Alleen de wachtrijlengte op de Corridor neemt licht toe. Op de andere takken blijft de wachtrij ongeveer gelijk aan de autonome situatie of is sprake van een lichte toename. De wachtrij vanaf de afrit uit Utrecht slaat niet terug tot de hoofdrijbaan van de snelweg . Naar de toekomst toe is een structurele oplossing nodig vanwege de knelpunten op de aansluiting A2.

De impact van de ontwikkeling van de bedrijfskavel is hier echter beperkt op en beperkt zich tot de avondspits, uitgaande van de algemene aannames voor een bedrijf dat een reguliere verkeersaantrekkende werking heeft. Om de impact nog verder te beperken, en mede naar aanleiding van bestuurlijk overleg tussen gemeente Stichtse Vecht, de gedeputeerde van de provincie Utrecht en de initiatiefnemer van de ontwikkeling, is gekozen voor een restrictie van de verkeersbewegingen in de avondspits tot maximaal 25 voertuigbewegingen per uur. Daarmee is de maximale impact van de ontwikkeling in de spits minder dan 1% op de oostelijke rotonde. Het is aannemelijk dat een bedrijf dat zich hier gaat vestigen aan deze regel kan

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

37/51

voldoen. Zo kan worden ingezet op het verminderen van het autogebruik van/naar de bedrijfskavel door verschillende mobiliteitsmaatregelen te treffen (stimuleren OV en fietsgebruik, rijden buiten de spits). Ook zijn er diverse typen bedrijven die een bedrijfsvoering hebben die minder spitsgebonden is, denk aan bedrijven waar in ploegendiensten / shifts wordt gewerkt. Het gaat nu om het bestemmingsplan, wat betekent dat er geen uitgewerkt ontwerp van het gebouw is en ook de invulling nog niet vastligt. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is het verplicht een mobiliteitsplan in te dienen, waarin is ingegaan op de verkeersintensiteiten van het te vestigen bedrijf. Daarmee dient het bedrijf te onderbouwen hoe aan de regeling van het maximum aantal verkeersbewegingen wordt voldaan en door andere vormen van mobiliteit te verbeteren kan de algehele druk rondom de aansluiting verminderd worden. De inschatting is echter wel dat de opgaven rondom de aansluiting onveranderd blijven, maar het kan de wachtrijen op bijvoorbeeld de Corridor verminderen. Voorbeeld van maatregelen: • Verbeteren langzaam verkeer verbinding Station Breukelen naar Corridor (vrijliggend fietspad in plan voor Corridor, zie onderzoek afvalscheidingsstation, al uitgevoerd). • Onderzoek of er voldoende aanbod van OV-fietsen is bij het Station. • Onderzoek potentie pendelbus in spits tussen station en Corridor.

• Mobiliteitsmanagement bedrijven. Concluderend kan gesteld worden dat de komst van de nieuwe bedrijfskavel op Corridor nauwelijks invloed heeft op de knelpunten op het wegennet van Rijkswaterstaat en de knelpunten zijn ook niet op te lossen binnen de schaal en het tijdsbestek van dit initiatief. Het oplossen van de aanwezige knelpunten ligt bij het Rijk en provincie en aangenomen wordt dat dit de komende tijd met de nodige urgentie wordt aangepakt. Ondertussen kan de voorgenomen ontwikkeling doorgang vinden, mede gelet op het feit dat de bijdrage aan de knelpunten niet significant is. 4.7.2 Parkeren Het uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat het parkeren van werknemers en bezoekers op het eigen terrein plaatsvindt. Hier is op het terrein ook voldoende ruimte voor en in de regels is de eis om te voldoen aan de parkeernorm opgenomen. Er is een berekening gemaakt van een mogelijke invulling van de kavel om te beoordelen wat de parkeerbehoefte zou kunnen zijn. Er wordt gedacht aan een invulling van de kavel met bebouwd oppervlak van ongeveer 6.200 m2 footprint. Het gaat om bedrijfsruimte of een kleinschalige logistieke functie met ondergeschikte kantoorruimte. Een maximale invulling zou bestaan uit een begane grond die volledig in gebruik is als bedrijfshal en op een verdieping ondergeschikte faciliteiten zijn ondergebracht (zoal kantoor/showroom).

Dit komt maximaal neer op 6.200 m2 bedrijfsruimte (arbeidsextensief/bezoekersextensief) en 800 m2 kantoorruimte (zonder baliefunctie). De parkeerbehoefte van een dergelijk programma is bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen, vastgesteld door de raad van de gemeente Stichtse Vecht op 29 september 2015. Het plangebied ligt in matig stedelijk gebied en rest bebouwde kom volgens bijlage 1 en 2 van deze nota. De parkeernorm voor kantoor (zonder baliefunctie) is gemiddeld 2,05 pp per 100 m2 bvo. Dit is een norm voor zelfstandige kantoren, terwijl het nu gaat om ondergeschikte kantoorruimte ten dienste van het bedrijf. Door met deze norm te rekenen is een worstcase benadering toegepast. De parkeernorm voor bedrijfshal (bezoekersextensief/arbeidsextensief) is gemiddeld 1,05 pp per 100 m2 bvo. Bij een dergelijke invulling is sprake van een behoefte van afgerond 82 autoparkeerplaatsen. Gelet op het maximum bebouwingspercentage van 70% en de ruime kavel, is ruim voldoende plek voor te reserveren bij de nadere uitwerking en inrichting van het terrein. Functie

Oppervlakte

Kantoor (zonder baliefunctie) Bedrijfshal (bezoekersextensief/arbeidsextensief) Totaal Tabel 1: berekening parkeerbehoefte mogelijke invulling

800 6.200

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

Norm 2,05 / 100 m2 bvo 1,05 / 100 m2 bvo

parkeerbehoefte 16,4 65,1 81,5

38/51

Het gaat nu om een bestemmingsplan. Er is nog geen uitgewerkt ontwerp van het gebouw en de invulling. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat sprake is van voldoende parkeerplaatsen op basis van het aangevraagde programma. In de uitwerking van het ontwerp wordt dit nader vormgegeven. 4.7.3 Conclusie Het plan leidt tot extra verkeer op de Corridor, maar het extra verkeer (max. 470 mvt/etm.) past bij de functie en (toekomstige) vormgeving van deze weg. Het afwikkelingsniveau is hetzelfde. Wel zijn er maatregelen voorgesteld om de verkeersveiligheid te verbeteren. Dit geldt in zowel de autonome situatie als bij ontwikkeling van het plangebied tot een bedrijfskavel. Dit is reeds in een breder onderzoek naar het verbeteren van de verkeersveiligheid op De Corridor bekeken. De ontwikkeling van de bedrijfskavel verandert deze conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek niet. Naar de toekomst toe is een structurele oplossing nodig vanwege de knelpunten op de aansluiting A2 in de autonome situatie. De impact van de ontwikkeling van de bedrijfskavel is hier echter beperkt op. Het oplossen van de aanwezige knelpunten ligt bij het Rijk en provincie en aangenomen wordt dat dit de komende tijd met de nodige urgentie wordt aangepakt.

Ondertussen kan de voorgenomen ontwikkeling doorgang vinden, mede gelet op het feit dat de bijdrage aan de knelpunten niet significant is. Het parkeren wordt opgelost op eigen terrein. In de regels is vastgelegd dat moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Het gaat nu om een bestemmingsplan. Er is nog geen uitgewerkt ontwerp van het gebouw en de invulling. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat sprake is van voldoende parkeerplaatsen op basis van het aangevraagde programma. In de uitwerking van het ontwerp wordt dit nader vormgegeven. De kavel is ruim genoeg om te komen tot een ontwerp waarbij voldoende ruimte is voor het parkeren.

4.8

Bedrijven en Milieuzonering

4.8.1 Algemeen De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied.

Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Milieu-categorie 1

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m

2 3.1

30 m 50 m

10 m 30 m

3.2

100 m

50 m

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

39/51

4.1 4.2

200 m 300 m

100 m 200 m

5.1 5.2

500 m 700 m

300 m 500 m

5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Tabel 2: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

4.8.2 Betekenis voor het bestemmingsplan Het plangebied ligt tegen een drukke spoorweg en nabij het kanaal en de rijksweg A2. Ook ligt het nabij het bestaande bedrijventerrein. Zodoende is het gebied te kwalificeren als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het bestemmingsplan staat bedrijven van maximaal milieucategorie 3.2 toe. Milieucategorie 3.2 heeft een richtafstand van 50 meter in het omgevingstype gemengd gebied. Binnen deze afstand zijn er geen woningen aanwezig. De bestaande en toegestane woningen liggen op een afstand van ongeveer 200 meter (overzijde kanaal). In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de maximale milieucategorie te verruimen naar categorie 4.1. Ook dan wordt voldaan aan de richtafstand. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden en is geen nader onderzoek nodig. Vanuit het oogpunt van milieuzonering is geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9

Geluidhinder wegverkeer

4.9.1 Wettelijk kader Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang. Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art.

1 Wgh): • Woningen • Onderwijsgebouwen • Ziekenhuizen en verpleeghuizen • Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) 4.9.2 Conclusie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk. Er is zodoende geen onderzoek nodig in het kader van de Wet geluidhinder.

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

40/51

4.10

Luchtkwaliteit

4.10.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Woningbouwlocaties van 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.10.2 Onderzoek Op basis van de extra verkeersbewegingen die het plan met zich meebrengt is nagegaan of het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het verkeersonderzoek dat is uitgevoerd, is aangegeven dat het plan een bijdrage heeft van 250 tot 470 mvt/etmaal.

Voor onderstaande berekening is uitgegaan van het maximum van 470 mvt/etmaal. Het aandeel vrachtverkeer is op 15% ingeschat. Jaar van realisatie is 2025. Uit de berekening, die hieronder is getoond, volgt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2025

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

470

Aandeel vrachtverkeer

15,0%

NO2 in μg/m3

1,00

PM10 in μg/m3

0,09

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

4.10.3 Conclusie voor het plan Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

4.11

Externe veiligheid

4.11.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom

Bestemmingsplan Breukelerwaard fase 3 – kavel 1 Breukelen, Vastgesteld

41/51

ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt (zoals woningen). Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.11.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (‘Quick-scan externe veiligheid Corridor Breukelen, Aveco de Bondt, 4 mei 2023).

Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven. De functies die binnen het plangebied worden gerealiseerd betreffen geen risicobronnen volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit is ook uitgesloten in de regels van het bestemmingsplan. Een nadere beschouwing naar de effecten van het plan op de omgeving is vanuit de wetgeving op het gebied van externe veiligheid dus niet benodigd. Vanuit goede ruimtelijke ordening perspectief geldt eventueel nog een richtafstand van 100 meter vanwege de milieucategorie 3.2. Binnen deze richtafstand liggen geen gevoelige functies. Uit de inventarisatie blijkt dat rondom het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn. Deze zijn beschouwd in deze rapportage. De conclusies zijn als volgt: • De Rijksweg A2 en het daaraan gelegen tankstation liggen op voldoende afstand en vormen vanuit het perspectief van externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden opgenomen in het besluit, waarin wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. • Het plangebied is gelegen binnen het aandachtsgebied voor het groepsrisico van de spoorlijn Utrecht-Amsterdam en het Amsterdam-Rijnkanaal. In dit kader is een groepsrisicoberekening uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2877/documents/61269