CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.TOELICHTING Maarsseveense Plassen 2e herziening.24032023.pdf

Raad 30 mei 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 23.: Vaststellen bestemmingsplan Maarsseveense Plassen 2e herziening (veegplan)43.087 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Planspecifiek Het recreatiegebied De Maarsseveense Plassen is aangewezen als “generatorgebied” met een belangrijke regionale functie. Binnen dit gebied wil het recreatieschap balans vinden tussen een maximale opvangcapaciteit van recreanten, het genereren van inkomsten en het creëren van een gevarieerd, aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig recreatief aanbod. Er zal wel rekening worden gehouden met wat maximaal passend is voor het terrein en dat belangrijke waarden binnen het Pagina 22 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

recreatiegebied behouden blijven. Ook de openbare functie en het bieden van ruimte aan verenigingen wil men behouden. Ten aanzien van de fiets- en wandelnetwerken wil men o.a. investeren in het netwerk van de Vecht en het Noorderpark. Dit bestemmingsplan biedt, gelijk aan het vorige bestemmingsplan voldoende mogelijkheden om invulling te geven aan het recreatieconcept.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1 Toekomstvisie Stichtse Vecht 2013-2040 Focus op morgen Op 29 januari 2013 heeft de gemeenteraad Stichtse Vecht de Toekomstvisie Stichtse Vecht 20132040 vastgesteld. In deze visie gaat de jonge gemeente op zoek naar de identiteit en kwaliteit van haar grondgebied. Daarbij wordt ingegaan op kernkwaliteiten, trends & ontwikkelingen, opgaven & kansen en tenslotte hoe hier vervolg aan gegeven kan worden. Dit laatste onderdeel krijgt nadere invulling door nog te ontwikkelen deelvisies. De kernkwaliteiten worden voor een belangrijk deel gevormd door de ligging en historie van de gemeente en de diversiteit: landelijk en dorps tot stedelijk groot en druk. De Maarsseveense Plassen worden in de visie aangemerkt als belangrijke kernkwaliteit van de gemeente. In Focus op Morgen worden verder de erfgoedwaarden, zoals de vele buitenplaatsen, de monumenten, de Vecht en de karakteristieke Vechtdorpen benoemd als kernkwaliteiten die de leefomgeving versterken en toekomstwaarde geven. Om het landschap en de cultuurhistorische waarden in stand te kunnen houden, is creativiteit nodig. Dat kan bijvoorbeeld door op duurzame wijze meer toerisme en recreatie langs de Vecht, in het plassengebied en open weidegebied mogelijk te maken. Er is ook aandacht voor de agrariërs binnen de visie, die worden gezien als de beheerder en dragers van het landschap.

Door ruimte te bieden aan verbreding van functies kunnen agrariërs behouden blijven voor onze gemeente. Bij verbreding denken we aan kleinschalige nevenactiviteiten zoals bed & breakfast, agritoerisme, kamperen bij de boer, educatieve activiteiten en verkoop van agrarische producten. Verder is er aandacht voor het leefbaar houden van het landelijk gebied en de kleine kernen door ruimte te bieden aan de bewoners om activiteiten te ontplooien, zoals beroepen en bedrijfjes aan huis. Planspecifiek In de visie wordt ingezet op grote aansluitende routenetwerken en toeristische ‘overstappunten/ transferpunten (toeristische opstap plekken).O.a. het recreatiegebied De Maarsseveense Plassen komt in aanmerking als TOP. Hier kunnen recreanten hun wandeltocht starten of overstappen op stille en schone vervoermiddelen zoals fietsen, elektrische scooters en creatieve en innovatieve alternatieven voor gemotoriseerd vervoer. Ook het vergroten van de beleving van het landschap voor de bezoekers vormt een uitgangspunt. Ondanks dat onderhavig plan consoliderend van aard is, biedt het voldoende ruimte om mee te bewegen met de trends en ontwikkelingen op het gebied van recreatie en toerisme zonder daarbij afbreuk te doen aan de huidige functies en kwaliteiten van het gebied.

2.4.2 Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan (GVVP) In het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan (GVVP) is de wegencategorisering voor Maarssen opgenomen. In het GVVP wordt onderscheid gemaakt naar stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. De Zuilense Ring, inclusief op- en afritten zijn opgenomen als stroomweg. De Maarsseveensepoort en de Maarsseveensevaart zijn gebiedsontsluitingswegen. De Herenweg/Gageldijk en Westbroekse Binnenweg/Oudedijk zijn erftoegangswegen. Zowel de inrichting van de wegen als de toegestane snelheid dienen te zijn afgestemd op de functie van de weg. Planspecifiek Gezien het conserverende karakter van voorliggend bestemmingsplan, is onderhavig plan in lijn met het GVVP. De parkeernormen die als bijlage bij de regels zijn gevoegd zijn afgestemd op het GVVP. Basisuitgangspunt voor parkeren is dat bewoners en bedrijven de parkeerbehoefte op eigen terrein opvangen en niet afwentelen op de openbare ruimte. Daarnaast is er behoefte aan Toeristische Opstap Plekken (TOP’s). Dit zijn plekken met voldoende parkeergelegenheid en een directe aansluiting op de hoofdroutes van het recreatieve fietspadennetwerk. Mensen kunnen hier uit de auto Pagina 23 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

en op de fiets stappen. Er is in 2017 een TOP gerealiseerd bij de hoofdentree van het recreatiegebied De Maarsseveense Plassen. 2.4.3 Beleidsnota Recreatie en Toerisme “Water verbindt” Toerisme en recreatie vormen belangrijke thema’s in de toekomstvisie van Stichtse Vecht “Focus op Morgen”. Toerisme en recreatie is één van de groeisectoren en ten aanzien van economie en werkgelegenheid van groot belang voor de provincie Utrecht. In september 2015 heeft de gemeenteraad daarom het beleid voor recreatie en toerisme vastgesteld. Dit beleid moet verdere sturing geven aan de ontwikkeling van het toeristisch-recreatieve product. Stichtse Vecht heeft door haar centrale ligging een recreatieve spilfunctie tussen Amsterdam en Utrecht (noord en zuid) en de Vinkeveense- en Loosdrechtse Plassen (oost en west). Stichtse Vecht is een overwegend landelijke gemeente in het Randstedelijk gebied. De gemeente is rijk aan cultuurhistorie, bijzondere landschappen en (waterrijke) natuurgebieden. Deze gebieden zijn zowel aantrekkelijk als kwetsbaar. De gemeente trekt veel toeristen en recreanten uit het omliggende stedelijke gebied. De gemeente heeft in het beleid 11 speerpunten benoemd: 1. Optimalisatie recreatief aanbod Stichtse Vecht streeft een divers en modern openbaar recreatief aanbod na voor zowel eigen inwoners als bezoekers van buitenaf.

Wij zien het als onze verantwoordelijkheid tegenover de regio om zowel de kwantiteit als kwaliteit van het recreatief aanbod te verhogen en stellen ons actief op in de doorontwikkeling van recreatieterreinen binnen onze grenzen die van regionaal belang zijn. 2. Doorontwikkeling informatie- en ontvangstfunctie Stichtse Vecht wil een gastvrije gemeente zijn voor mensen uit de regio (en daarbuiten) en bezoekers op actieve wijze onthalen, wegwijs maken en informeren over het toeristisch aanbod. 3. Duidelijkheid bieden aan ondernemers over hun ontwikkelmogelijkheden Stichtse Vecht wil ondernemers duidelijkheid bieden over welke ontwikkelmogelijkheden zij hebben binnen onze gemeente. Per deelgebied geven wij op hoofdlijnen de kaders aan waarbinnen wij ruimte zien voor toeristisch-recreatieve ontwikkelingen. 4. Meer mogelijkheden voor duurzaam toerisme Wij scheppen meer mogelijkheden en planologische ruimte voor duurzame vormen van recreatie en toerisme, extensief dan wel intensief. Hierbij is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen passend dienen te zijn binnen de omgeving en bijdragen aan de beleving van de kwaliteit van de omgeving. 5.

Bezoekersstromen kanaliseren en gebruik van duurzame vervoersmiddelen stimuleren Stichtse Vecht wil toeristische bezoekersstromen kanaliseren, gemotoriseerd toeristisch verkeer zoveel mogelijk aan de randen van de dorpskernen en recreatiegebieden opvangen om de verkeersdruk te beperken en bezoekers stimuleren om gebruik te maken van duurzame vervoersmiddelen. 6. Behoud en ontwikkeling mogelijk maken door publiek-private samenwerking Stichtse Vecht acht publiek-private samenwerking noodzakelijk voor duurzame toeristische ontwikkeling en zet zich daarom in voor het creëren van nieuwe, gebiedsgerichte publiekprivate samenwerkingsverbanden, waarin de verantwoordelijkheid voor- en zeggenschap over zowel het behoud als de exploitatie van recreatiegebieden gedeeld wordt. 7. Verbetering van het toeristisch product Stichtse Vecht wil haar toeristisch product verbeteren om meer rendement te halen uit het toerisme. Wij richten ons hierbij met name op het verbeteren van de toeristische infrastructuur, verhogen van de verblijfscapaciteit (zakelijk en niet-zakelijk), verbeteren van het voorzieningenniveau langs de Vecht voor zowel de plezier- als passagiersvaart en het aanbrengen van samenhang in het bestaande aanbod. 8.

Ondernemers stimuleren tot gezamenlijke toeristische productontwikkeling Stichtse Vecht stimuleert lokale ondernemers om samen met andere ondernemers in de regio toeristische producten (arrangementen, evenementen, etc.) te ontwikkelen, gericht op de beleving van de thema’s ‘water’ en ‘cultuurhistorie’, de versterking van de relatie tussen landPagina 24 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

en watertoerisme en waarin rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van het gebied en de infrastructuur. 9. Stimuleren en faciliteren van evenementen Stichtse Vecht stimuleert en faciliteert ondernemers en andere initiatiefnemers bij het organiseren van evenementen binnen de kaders van een passend evenementenprogramma. 10. Gerichte marketing en promotie 11. Intensivering regionale samenwerking Stichtse Vecht is vanuit toeristisch-recreatief oogpunt gezien onder te verdelen in vijf deelgebieden, namelijk: 1. De Vecht 2. Het veenweidegebied 3. De corridor 4. De Maarsseveense Plassen (inclusief het zuidoostelijk poldergebied) 5. De Loosdrechtse Plassen Voor dit bestemmingsplan is het beleid voor gebied 4 van belang. Ontwikkelperspectief voor de Maarsseveense Plassen (inclusief het zuidoostelijk poldergebied) Dit gebied heeft alles voor een brede groep recreanten en toeristen. Cultuurhistorie, rust en stilte, maar ook alles voor de actieve recreant: het recreatieterrein Maarsseveense Plassen is één van de best bezochte recreatieterreinen in de provincie en trekt ongeveer evenveel bezoekers uit de stad Utrecht als uit Maarssen. Het recreatiegebied maakt onderdeel uit van de provinciale recreatiezone. Er vinden daarnaast regelmatig evenementen plaats op het terrein van de Maarsseveense Plassen.

In dit gebied zijn ook karakteristieke dorpen en buurtschappen te vinden en het boerderijmuseum Vredegoed. Het ‘Werk bij Maarsseveen’ (ook wel het C-Fordt genoemd) gaat in de toekomst een belangrijke rol vervullen bij het vertellen van het verhaal van de Hollandse Waterlinie. De Hollandse Waterlinie (genomineerd voor de UNESCO-werelderfgoedlijst) loopt dwars door Stichtse Vecht heen en er zijn in totaal drie forten waar het verhaal van de Hollandse Waterlinie te beleven is. Daarnaast valt een groot deel van het poldergebied binnen het Natuur Netwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur en Natura2000) en vormt het landschap een belangrijke kwaliteit. Het deelgebied Maarsseveense Plassen is met name geschikt voor dagrecreatie. De doelgroep voor dit gebied komt overwegend uit de stad Utrecht en Maarssen en omgeving en valt onder te verdelen in 2 groepen, namelijk: • De actieve recreant die zich vooral richt op outdoor en sportieve activiteiten zoals beachvolleyballen, hardlopen, kanoën, skeeleren, duiken, surfen, zwemmen, schaatsen (in de winter), fietsen etc. • De recreant die zich vooral richt op de rust en natuur zoals wandelaars, vissers, fietsers, naturisten en saunabezoekers.

Het recreatieterrein aan de Maarsseveense Plassen kent nu al een intensief recreatief gebruik en dat wil de gemeente graag zo houden, ook als het gaat om het houden van evenementen op deze locatie. Aangezien de Maarsseveense Plassen een bovenlokale functie heeft wil de gemeente graag actief meewerken aan de modernisering van dit recreatieterrein, dat beheerd wordt door het recreatieschap Stichtse Groenlanden. Het terrein valt binnen de recreatiezone Utrecht-West en dat betekent dat de provincie planologisch meer ruimte wil geven voor recreatieve ontwikkelingen. De gemeente wil in samenwerking met het recreatieschap onderzoeken of het mogelijk is om de horecavoorzieningen uit te breiden. Daarnaast wil de gemeente bekijken of een uitbreiding van het bouwvolume mogelijk en noodzakelijk is. In de doorontwikkeling van het recreatieterrein dient wel rekening te worden gehouden met de impact die ontwikkelingen kunnen hebben op de omgeving en voor omwonenden. Voor de rest van het gebied wordt vooral ingezet op beleving van het landschap en de natuur en een goed aansluitend routenetwerk voor wandelaars en fietsers. Planspecifiek

Pagina 25 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

Het bovengenoemde ontwikkelperspectief is al ingezet met de voorgaande bestemmingsplannen Maarsseveense Plassen uit 2009 en de herziening uit 2018. Dit bestemmingsplan houdt daarin geen beleidswijziging in. De natuurgebieden en waardevolle landschapselementen zoals de verkaveling en slootpatronen zijn duidelijk bestemd. In de regels voor natuur en agrarische doeleinden zijn naast de beschermende regels mogelijkheden opgenomen voor het realiseren of koppelen van recreatieve langzaamverkeersroutes. Staatsbosbeheer heeft aan de Westbroekse Binnenweg een vertrekpunt voor georganiseerde boottripjes door het natuurgebied “Molenpolder”. Deze locatie is positief bestemd. Alle losse recreatieverblijven zijn positief bestemd. In de regels van het bestemmingsplan wordt binnen de woonbestemming en agrarische bestemming ruimte geboden voor kleinschalige overnachtingsmogelijkheden in de vorm van B&B. Het recreatiegebied de Maarsseveense Plassen heeft een bestemming die overwegend gericht is op de actieve recreant met indoor en outdoor mogelijkheden. Het recreatiegebied herbergt ook een welnesscomplex. In het bestemmingsplan Maarsseveense Plassen uit 2009 was de verruiming van het bouwvolume al opgenomen. De bouwvlakken zijn in de navolgende bestemmingsplannen daarom niet verruimd.

In goed overleg met de bewonersvereniging Maarsseveen-Molenpolder is er zelfs voor gekozen de bouwvlakken en bouwmogelijkheden op cruciale plekken te verkleinen of geheel te laten vervallen. De doelstelling voor het recreatiegebied is: een gevarieerd ingericht eigentijds recreatiegebied voor brede lagen van de bevolking waar het hele jaar door gerecreëerd en gesport kan worden met in- en outdoor faciliteiten en horeca. De groene setting is een belangrijke kernkwaliteit van het gebied. Daarom is een beeldkwaliteitsplan gemaakt voor het recreatiegebied waar behoud van de kernkwaliteiten, duurzaamheid en een goede relatie tussen actie en rust, bouwen en groen wordt bewerkstelligd. 2.4.4 Retailvisie Stichtse Vecht Algemeen De retailvisie legt de richtlijnen voor de nabije toekomst vast. Hiermee worden de retailvoorzieningen in de dorpscentra zoveel mogelijk gefaciliteerd ten behoeve van de werkgelegenheid en de leefbaarheid van de kernen. Het gekozen beleid op basis van recente onderzoeksrapporten is gebaseerd op concentreren, versterken en vernieuwen. Dit betekent: Concentratie • Concentratie van winkelvoorzieningen in de centrumgebieden van de 4 grootste kernen: Maarssenbroek, Maarssen-dorp, Breukelen en Loenen aan de Vecht. • Het ontstaan van nieuwe winkelcentra voorkomen en het stimuleren van verspreid liggende winkels om te verhuizen naar deze centrumgebieden.

• Faciliteren van aanwezige retail in kleinere dorpskernen, maar geen actief beleid ter versterking daarvan. • In de periferie op bedrijventerreinen slechts volumineuze detailhandel toestaan. Versterken • Zorgen voor een goede bereikbaarheid en voldoende gratis parkeervoorzieningen. • Een ruime winkeltijdenverordening en een aantrekkelijk marktbeleid. • Een standplaatsenbeleid dat aanvullend is op de reguliere detailhandel, d.w.z. differentieert per woonkern. Vernieuwen • Het stimuleren van nieuwe winkelconcepten als (instore) pick-up points en blurring in de centrumgebieden. • Het faciliteren van distributiepunten voor e-commerce op bedrijventerreinen. • Het creëren van een communicatieplatform voor stakeholders op gebied van kennisdeling en informatie-uitwisseling. Maarssen-Dorp Het centrum van Maarssen-Dorp ligt tussen het Harmonieplein en het Pieter de Hoogplein. Het kenmerkt zich als een gevarieerd gebied met winkeltjes, horeca, kantoren en maatschappelijke Pagina 26 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

voorzieningen. Door het stimuleren van nieuwe ontwikkelingen en blurring wordt de concentratie van retail in het centrum geconcentreerd. In het bestemmingsplan wordt hiervoor een centrumbestemming opgenomen. Daarnaast is er een buurtwinkelcentrum aan de Plesmanlaan, en enkele verspreid liggende winkels op diverse plekken. Voor het winkelcentrum aan de Plesmanlaan geldt dat dit ongewijzigd blijft. Voor de solitaire winkels buiten het centrum zal waar mogelijk de retailfunctie vervangen worden door een woonfunctie. Planspecifiek Zoals hierboven is aangegeven worden bestaande detailhandel en eventuele nieuwe initiatieven met name in de vier grootste kernen van Stichtse Vecht gestimuleerd. De winkeliers vervullen in de kleine dorpskernen een belangrijke sociale en maatschappelijke rol. In de centra van kleinere dorpen zoals Tienhoven worden deze waar mogelijk gefaciliteerd maar hier geldt geen actief stimuleringsbeleid. Op de binnen de rode contour gelegen bedrijventerreinen is alleen detailhandel van volumineuze goederen toegestaan. Detailhandel in het landelijk gebied (buiten de rode contouren) is niet toegestaan, met uitzondering van detailhandel die een duidelijk relatie heeft met het landelijk gebied, zoals tuincentra en boomkwekers of de verkoop van zelf gekweekte of gemaakte agrarische producten (bv groente en fruit, kaas, eieren).

Het plangebied ligt in de stedelijke randzone van Utrecht (Tuinbouwweg, Herenweg, Gageldijk en Westbroekse binnenweg) en kenmerkt zich door een mengeling van wonen, werken, natuur en recreëren. Binnen deze specifieke stedelijke randzone zijn in het verleden een groot aantal caravanstallingen gevestigd in voormalige agrarische complexen. Om deze ondernemingsvorm te versterken is het wenselijk om als onderdeel van het stallen en repareren de verkoop van nieuwe en tweede hands kampeermiddelen toe te staan. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het primaire gebruik “stallen” betreft en dat de aanvullende activiteiten op geen enkele manier problemen mogen opleveren voor verkeer en milieu. Aangezien kampeermiddelen onder de volumineuze goederen vallen vormt deze bedrijfsactiviteit geen gevaar voor de stabiliteit van de grote winkelcentra. Daar komt bij dat de kans dat deze cluster aan stallingen zich binnen afzienbare tijd gaat verplaatsen naar een bedrijventerrein niet aannemelijk is. Binnen het plangebied zijn twee stallingbedrijven gevestigd. 2.4.5 Landschapsontwikkelingsplan Maarssen In 2010 is voor Maarssen een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld.

Het LOP heeft tot doelstellingen het benoemen, behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied van Maarssen, het opstellen van een aansprekende visie voor de komende 10-15 jaar, die als inspirerend streefbeeld en als toetsingskader dient voor nieuwe ontwikkelingen en het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling in het buitengebied door particulieren, instanties en de gemeente zelf. Ook is er een uitvoeringsprogramma opgenomen waarin uitvoeringsprojecten zijn benoemd gericht op bijvoorbeeld het stimuleren van een streekeigen inrichting van erven, de beeldkwaliteit van bebouwingslinten en het verbeteren van de toegankelijkheid en informatievoorziening over en in het gebied. Planspecifiek Voor het bestemmingsplangebied is het uitgangspunt de bestaande groenstructuur te behouden en te versterken waar mogelijk. Het is van belang om vanaf de Westbroekse Binnenweg en Oude Dijk doorzichten te behouden op het achterliggende zoddengebied. Ook aan de Tuinbouwweg zijn nog plekken waar we een blik kunnen werpen of een restant van het zoddengebied. Verder is het van belang het open weidelandschap te handhaven. Aan de Westbroekse Binnenweg liggen nog een paar weilanden die vanuit landschappelijk oogpunt behouden moeten blijven.

Daarnaast is het wenselijk de hoofdentree naar het recreatiegebied de Maarsseveense Plassen te verbeteren. Ook de bewegwijzering kan in fysieke en digitale vorm beter. Het recreatiegebied wordt expliciet genoemd als gebied dat een revitaliseringslag nodig heeft. Het recreatieschap heeft daar samen met een aantal initiatiefnemers zoals Spa Sereen, De Pannekoekenbakker en Out Door Inn Style de afgelopen jaren in geïnvesteerd.

Pagina 27 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

2.4.6 Dorpsvisie Tienhoven-Oud Maarsseveen, Maarsseveen-Molenpolder en Bethunepolder In het kader van gebiedsgericht werken heeft de gemeente samen met bewoners een DorpsOntwikkelingsPlan (DOP) gemaakt. Ook voor het gebied waar Tienhoven-Oud Maarsseveen, Maarsseveen-Molenpolder en Bethunepolder binnen liggen is een DOP gemaakt. Om inzicht te krijgen in de kernkwaliteiten en aandachtspunten is een SWOT-analyse gemaakt bestaande uit objectieve gegevens en een bewonersenquête. Daaruit zijn zes visiepunten afgeleid, namelijk: 1. Behouden en versterken van de dorpskwaliteit 2. Behouden van vitaliteit 3. Behouden en versterken van de sociale samenhang 4. Veilig en ontspannen leven 5. Bereikbare kernen 6. Aandacht voor duurzaamheid Planspecifiek Belangrijke landschappelijke waarden zoals natuur en onderdelen van het open veenweidelandschap met specifieke slotenpatroon, worden expliciet bestemd in dit bestemmingsplan. Het doel is deze waarden voor nu en de toekomst te behouden. Bij het vastleggen van de bouwvlakken en bouwhoogtes is rekening gehouden met de omgeving en het behoud van doorzichten. In het bestemmingsplan is ook een speciale beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen met een beschrijving van de kwaliteit. De bestemmingen in dit plan zijn overwegend agrarisch, natuur, wonen en recreatie.

Het recreatiegebied de Maarsseveense Plassen speelt een belangrijke rol in het plangebied en kan samen met het nabijgelegen C-ford een bijdrage leveren in het vitaal houden van het gebied.

2.5

Beleidsuitgangspunten bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o.

In het bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. (2009) zijn duidelijke uitgangspunten geformuleerd voor het plangebied. Een groot deel van deze uitgangspunten zijn ook nu nog van toepassing. In goed overleg met de bewonersvereniging Maarsseveen-Molenpolder en het recreatieschap zijn de regels van het bestemmingsplan uit 2009 onder de loep genomen en zijn verbeteringen aangebracht. Hieronder volgt een opsomming van de nog geldende en nieuwe uitgangspunten. Bij het opstellen van deze 2e herziening van het bestemmingsplan (veegplan) zijn deze uitgangspunten inhoudelijk niet gewijzigd. Deze uitganspunten zijn reeds verwerkt in het bestemmingsplan van 2018 (moederplan) en dus reeds vastgesteld. Voor de leesbaarheid en toelichting op de gemaakte keuzes in het verleden is onderstaande opsomming behouden in deze toelichting. 1. Voor het plangebied geldt dat met het voorgaande bestemmingsplan en dit bestemmingsplan ingezet is op de volgende functies: • wonen • recreatie, • natuur, • agrarisch beheer. • Inzetten op landschap- en natuurontwikkeling, aanleg van recreatieve routes en functies en substantiële sloop van bedrijfsbebouwing met behulp van de ruimte-voorruimte-regeling danwel het wegbestemmen of verkleinen van bouwmogelijkheden in ruil voor een meer passende bestemming. 2. Binnen het plangebied is de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen.

Voor het militair erfgoed van de voormalige waterlinies ligt de opgave vooral op het via landschapontwikkelingen versterken en beleefbaar maken van de linies in het landschap. 3. De bestaande woningen in de lintbebouwing worden positief bestemd. Ten aanzien van nieuwe (recreatie)woningbouw geldt een nul-optie. Het oprichten van nieuwe woningen kan alleen worden bezien in het kader van functiewijziging in combinatie met de ruimte voor ruimte

Pagina 28 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

regeling waarbij aantoonbaar sprake moet zijn van een teruggang in bebouwingsoppervlak en herstel van landschap en/of natuur (kwaliteitsverbetering). 4. De lintbebouwing moet luchtig blijven zodat wordt voorkomen dat er een aaneengesloten bebouwingsstrook ontstaat. Daarom zijn de bebouwingsvlakken per woning zoveel mogelijk in de lengterichting geprojecteerd met een werkelijke breedte van tussen de 12 en 16 meter en diepte van ongeveer 30 meter. Tevens hebben de gronden direct langs de weg de bestemming tuin gekregen. 5. Het is van belang de bestaande doorzichten richting de natuurgebieden, de open weilanden en het voor dit gebied kenmerkende sloten en verkavelingspatroon te behouden. Ondanks dat wij dit niet kunnen regelen in het bestemmingsplan is het gewenst dat bewoners en ondernemers er mede zorg voor dragen dat bestaande fraaie doorzichten niet teniet worden gedaan door hoog opgaande dichte beplanting of vergunningsvrije bouwwerken. Bewoners en ondernemers spelen zelf een cruciale rol in het behouden of herstellen van de kernwaarden van het gebied. Afschermende groenzones rond bedrijfsbebouwing en open tuinen aan de weg moeten mede voorkomen dat het plangebied haar groene karakter verliest. 6. Woningen (m.u.v. de voormalige recreatiewoningen) mogen worden uitgebreid tot een maximum van 650 m3 met een bijbehorend bouwwerk van 50 m2.

Verder zijn de vergunningsvrije regels in de Wet Algemene Bepaling Omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. deze regeling hebben we opgenomen binnen de regels voor bijbehorende bouwwerken. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken mag het erf bij de woning met niet meer dan 50% worden bebouwd. Bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn worden geplaatst en dienen qua vorm ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. De Provinciale Ruimtelijke Verordening biedt de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen woningen van 800m3 toe te staan. Dit kan als extra stimulans worden gebruikt bij de ruimte-voor-ruimte-regeling. 7. Voor de verblijfsrecreatieve parken en recreatiewoningen die met behulp van een wijzigingsprocedure zijn gewijzigd naar wonen is een speciale woonbestemming gemaakt die recht doet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid maar die tegelijkertijd ruimte biedt aan een verdere transformatie naar een fraai en prettig woongebied. 8. Bestaande losse recreatieverblijven/recreatiewoningen of verblijfsrecreatieve terreinen komen alleen in aanmerking voor de wijzigingsbevoegdheid naar wonen als ze voldoen aan de gestelde voorwaarden en buiten het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur en Natura2000) zijn gelegen.

Deze woningen krijgen een woonbestemming met speciale aanduiding zodat de bouwmassa van de betreffende woning niet groter wordt dan 250m3. 9. Het is toegestaan om een beroep/bedrijf aan huis te hebben. De voorwaarden voor beroepen en bedrijven aan huis zijn opgenomen in de gebruiksregels . O.a. het parkeren op eigen erf, de omvang en ruimtelijke uitstraling van het beroep/bedrijf aan huis zijn als voorwaarden opgenomen. Activiteiten die gevaar op kunnen leveren voor het NNN gebied of het grondwaterbeschermingsgebied en de 100-jaars aandachtszone zijn niet toegestaan. 10. Er worden geen mogelijkheden meer geboden voor de oprichting van nieuwe agrarische bouwvlakken en kassenpercelen. Alleen de bestaande agrarische productiebedrijven met een duidelijk toekomstperspectief komen in aanmerking voor uitbreiding of wijziging van hun bouwvlak. 11. Om het agrarisch cultuurlandschap te behouden en herstellen is binnen de agrarische bestemming ruimte opgenomen voor nevenactiviteiten naast de agrarische (beheer) functie.

Pagina 29 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

Deze nevenactiviteiten moeten een toegevoegde waarde hebben aan de agrarische functie en kwaliteit van het gebied en zijn gekoppeld aan voorwaarden. 12. Voormalige agrarische complexen die worden bewoond hebben een woonbestemming gekregen met een nadere aanduiding “voormalig agrarisch bedrijf” zodat de bestaande agrarische bebouwing indien gewenst in stand kan blijven om te gebruiken als bijbehorende bouwwerken voor bijvoorbeeld het hobbymatig houden van dieren. Het vestigen van bedrijven is niet toegestaan. 13. Alleen de bestaande bedrijven die ook al bestemd zijn in het voorgaande bestemmingsplan hebben een plek gekregen in dit bestemmingsplan waarbij (indien mogelijk) als uitgangspunt verder de 20% uitbreidingsregeling (de uitbreidingscapaciteit is maximaal 20% van de bestaande bedrijfsbebouwing, voor zover het bouwvlak dit mogelijk maakt. Cumulatief gebruik is niet toegestaan) is aangehouden die ook is opgenomen in het bestemmingsplan HerenwegGageldijk e.o.. Als gebruik wordt gemaakt van functiewijziging dan is het van belang aan te sluiten bij de functies en voorwaarden zoals genoemd onder 1. 14. Om de landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behouden, versterken of herstellen is een beeldkwaliteitparagraaf toegevoegd aan het bestemmingsplan dat als toetsingskader geldt voor de welstandscommissie en voor ontheffings- en wijzigingsprocedures.

Tevens zijn, waar nodig, aanduidingen en beschermende bestemmingen toegekend. Naast de beeldkwaliteitsparagraaf is een speciaal beeldkwaliteitsplan gemaakt voor het recreatiegebied Maarsseveense Plassen en wordt gewerkt aan een beeldkwaliteitsplan voor de voormalige verblijfsrecreatieve terreinen die een woonbestemming hebben gekregen. 15. Om de ecologische waarden te behouden en versterken zijn aan de Molenpolder en polder Maarsseveen beschermende bestemmingen toegekend. 16. Het is van belang de ecologische en recreatieve relaties tussen verschillende gebieden, zoals het Noorderpark, het landschapspark Oud Zuilen en het recreatiegebied de Maarsseveense Plassen te versterken. In de regels is ruimte opgenomen voor de aanleg of koppeling van recreatieve langzaamverkeersroutes en de oprichting van een Toeristische OpstapPlek bij de hoofdentree van de Maarsseveense Plassen. 17. Het recreatiegebied Maarsseveense Plassen e.o. is een gevarieerd ingericht eigentijds recreatiegebied voor brede lagen van de bevolking waar het hele jaar door gerecreëerd en gesport kan worden met in- en outdoor faciliteiten en horeca. De groene setting vormt een belangrijke kernkwaliteit. 18. Het recreatiegebied de Maarsseveense Plassen versterken als regionale recreatievoorziening voor brede lagen van de bevolking. 19. Waarborgen van een goede (zwem)waterkwaliteit in de grote plas. 20.

De parkeervoorziening moet voldoen aan de norm van het Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan en CROW en moet binnen het recreatiegebied worden gerealiseerd. 21. De bebouwing van het recreatiegebied wordt geclusterd in de omgeving van het strandbad waarvoor speciale bouwvlakken zijn aangegeven. Er moet aandacht zijn en blijven voor de kernkwaliteiten van het recreatiegebied die nader worden verwoord in een door het recreatieschap op te stellen beeldkwaliteitsplan/ruimtelijke visie. 22. Het recreatiegebied De Maarsseveense Plassen en de daarbinnen vallende ondernemingen vormen tezamen één inrichting op grond van het Activiteitenbesluit. Deze inrichting mag maximaal 12 dagen per jaar afwijken van de in het Activiteitenbesluit genoemde normen ten Pagina 30 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

behoeve van een evenement of incidentele festiviteit. Voor deze afwijking zijn speciale normen opgenomen in de regels van dit plan. Om 23.00 uur gaat de nachtperiode in en moet weer voldaan worden aan de normen zoals genoemd in het Activiteitenbesluit waarbij wel rekening wordt gehouden met geluid ten gevolge van opruimwerkzaamheden en vertrekkende gasten. De inrichting biedt slechts ruimte voor één outdoor dance event per jaar die 1 dag duurt. Evenementen en incidentele festiviteiten die passen binnen de normen van het Activiteitenbesluit en de recreatieve bestemming van de inrichting vallen onder de reguliere bedrijfsvoering en zijn altijd toegestaan.

Pagina 31 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

3. Inventarisatie en analyse 3.1

Landschap ontstaansgeschiedenis

Tijdens het Holoceen is aan de voet van de hoger gelegen zandgronden door het stijgende grondwater een veenpakket ontstaan. Overtollig kwelwater werd via de Vecht afgevoerd naar het westen. Daardoor is een kleipakket afgezet op het veen in het westen. Het vanuit het oosten onder het veen duikende dekzand bereikt in de buurt van de Vecht een diepte van ongeveer drie meter onder het huidige oppervlak. Het gebied waar nu de Maarsseveense Plassen liggen, was ooit een ondoordringbaar moerasgebied. Een Romeinse veldheer, die deze regio bezocht en verslag moest uitbrengen aan zijn superieuren in Rome, gaf te kennen dat het hier zeer “onherbergzaam” was en dat de mensen die hier woonden barbaren waren die men zelden zag. Sinds de 12e eeuw zijn deze veengronden ter ontginning uitgegeven in verschillende lenen van de bisschop van Utrecht, uitgaande van de kleistrook langs de Vecht. Deze ontginningsbasis is duidelijk herkenbaar in het landschap. De Zogwetering vormt de scheiding tussen het “oude land” van de hoger liggende, in onregelmatige blokken verkavelde kleizone en het door inklinking lager liggende veengebied met zijn lange smalle opstrekkende kavels. Bij de ontginning groef men sloten min of meer loodrecht op de Vecht. Evenwijdig hiermee werden enkele grotere vaarten gegraven (waaronder de Maarsseveensevaart), als grens tussen de lenen en om het gebied toegankelijk te maken.

Evenwijdig met de Vecht werden dwarsvaarten met daarnaast kaden aangelegd, om het water van het op dat moment nog niet ontgonnen veenmoeras op te vangen. Het moeras werd in fasen, van dwarsdijk tot dwarsdijk, ontgonnen. De Herenweg-Gageldijk is de eerste van deze dwarsdijken, gevolgd door de Westbroekse Binnenweg-Oude Dijk. Langs deze dwarsdijken ontstonden de zo kenmerkende wegdorpen zoals Oud Maarsseveen en Westbroek. De ontginningsperiode eindigde in de loop van de 16e eeuw. Door de ontginningen en bijbehorende afwatering daalde het maaiveld. Het land kwam lager te liggen dan de rivier, wat in eerste instantie de aanleg van dijken noodzakelijk maakte (rond 1200). De inklinking en oxidatie van het land zetten zich echter voort. Dit had een onomkeerbaar proces van maaivelddaling tot gevolg. Dit is nog steeds gaande. In samenhang met de stijgende grondwaterstanden was het rond het jaar 1600 noodzakelijk molenbemaling toe te passen. Anders zouden de polders onder water lopen. De polders hadden ieder hun eigen peilbeheer en polderbestuur. Om het peil te kunnen regelen stonden de polders niet in open verbinding met het buitenwater, maar dit ging via de sluizen en watermolens. De gehele polder Westbroek werd tot 1946 bemaald door de Westbroekse molen (circa 1250 ha.). Deze staat echter niet binnen het plangebied, maar in de polder Buitenweg aan de Vecht.

Binnen het plangebied bevinden zich de Nedereindsevaart en de Maarssenveensevaart. Deze hebben altijd een belangrijke waterafvoerende functie gehad richting de Westbroekse molen. De Nedereindsevaart is destijds ingrijpend aangepast met de aanleg van de Zuilense ring en de Maarsseveense plassen. In tijden met veel neerslag en onvoldoende molenwind bleken echter ook de molens niet meer te voldoen. In de loop van de 19e eeuw werd daarom mechanische bemaling toegepast. Het land kon hierdoor intensiever worden gebruikt en de productiviteit werd vergroot. Het ontgonnen gebied diende in eerste instantie voor de akkerbouw. Pas later is door inklinking en vervening de grondwaterstand zodanig hoger geworden dat het kenmerkende veenweidegebied is ontstaan. Vooral in de wat verder van de Vecht verwijderde polders (met daardoor minder kleiverontreiniging) zoals de Molenpolder en polder Maarsseveen nam de turfwinning in belang toe. De turf deed dienst als brandstof en werd verkocht aan de stadsbewoners. Op deze wijze is in de 17 e en 18e eeuw het huidige trekgaten ofwel petgaten (stroken open water) en legakkerlandschap ontstaan, dat in een deel van het plangebied nog goed herkenbaar is. Een belangrijk deel van het gebied maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW).

Dit was een 85 kilometer lange verdedigingslinie, aangelegd vanaf 1815, waarbij stukken land aan de oostzijde van de Vecht onder water konden worden gezet om de vijand tegen te kunnen houden. Pagina 32 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

De invloed van de verdedigingslinie op het landschap is zichtbaar aanwezig. Er is een uitgebreid netwerk van sluizen, gemalen en andere werken aangelegd en bestaande werken zijn aangepast. De volledige setting van de NHW, inclusief de waterwerken is een cultuurhistorisch waardevol ensemble. Inmiddels is de NHW ook in zijn geheel als complex aangewezen als Rijksmonument en staat deze op de nominatie van de Werelderfgoedlijst (UNESCO). Het gebied van Maarsseveen kenmerkte zich door grote armoede. Hongersnoden en ziekten hebben de bewoners van dit structureel onzekere gebied vaak geteisterd. In het gebied is vanaf het begin van de 20e eeuw zeer geleidelijk tuinbouw ontstaan als de belangrijkste vorm van bestaan. De nabijheid van de afzetmarkt Utrecht maakte het mogelijk de verbrokkelde restanten grond op voorlanden en legakkers enigszins rendabel te maken. Door de slechte bereikbaarheid van de percelen (in de meeste gevallen alleen via het water) kwam de tuinbouwontwikkeling maar traag op gang. In 1955 ontstond door de behoefte aan ca. 7 miljoen m³ zand voor het opspuiten van Utrechts stadsuitbreiding Overvecht een acute vraag naar zand dat men goedkoop (t.b.v. sociale woningbouw) meende te kunnen winnen in dit gebied. Daartoe vond ruilverkaveling plaats volgens het eerste landinrichtingsplan van ons land: “De Maarsseveense Plassen”.

In dit plan is getracht de belangen van tuinbouw te koppelen aan die van stadsuitbreiding, recreatie en natuurbehoud. De uitvoering van het plan startte in 1960 en het werk kwam gereed in 1967. Zo ontstond het recreatieterrein “De Maarsseveense Plassen”, een grote zandwinplas omzoomd door speelweiden, groenvoorziening, vissteigers, stranden en dergelijke. Daarnaast ontstonden 20 ha natuurreservaat (de Molenpolder en huidige polder Maarsseveen) door de samenvoeging van een aantal kavels van het oorspronkelijke landschap en 120 ha goed ontsloten tuinbouwgronden met kavels van ca. 1,5 ha die beschikbaar kwamen door de samenvoeging van 40 ha tuinbouwgrond en het opspuiten van 80 ha zand in de trekgatenzone achter de tuinderswoningen. Ten behoeve van een betere ontsluiting van het feitelijke ruilverkavelinggebied zijn de weteringen langs de dwarsdijken gedempt om deze dijken te kunnen verbreden en bestraten. In het kader van de ruilverkaveling werden ook nieuwe woningen, warenhuizen (kassen), schuren e.d. gebouwd tegen gunstige geldelijke regelingen en werd uitgebreide huishoudelijke, agrarische en sociaal-economische voorlichting gegeven. Alles om een onbelemmerde ontwikkeling van het tuinbouwgebied mogelijk te maken.

Door de ruilverkaveling is veel van het karakteristieke, oude landschap verloren gegaan, voornamelijk door de aanleg van de Grote Plas en de verbreding van de dwarsdijken. Al snel na de oplevering van het ruilverkavelingsgebied bleek dat de mogelijkheden voor de tuinders in dit gebied marginaal waren en dat zij de concurrentiestrijd met het “Westland” niet aan konden. Provincie en gemeente gaven begin jaren ‘70 in dit kader ruimte om tuinbouwgrond om te zetten naar verblijfsrecreatieve terreinen en volkstuinen. Daarbij ontstond een uitgebreid scala van andere stadsrandactiviteiten zoals caravanstallingen, transportbedrijfjes, kleine industriële bedrijfjes, opslag, autobedrijven, maneges, tuincentra etc. Samen met de al vanouds aanwezige (agrarische) bedrijvigheid leidde dit tot een bont geheel van activiteiten dat sterk afweek van de oorspronkelijke plannen van de landinrichting het gebied aan te wijzen als agrarisch productiegebied. Ook de stadsbewoners zaten niet stil en zagen het gebied als uitgelezen stek om landelijk te wonen onder de rook van de stad en kochten in dit kader agrarische kavels op en leegstaande agrarische bebouwing waardoor het agrarisch gebied sterk versnipperde. De verblijfsrecreatieve terreinen met de daar aanwezige stacaravans vormde in Maarssen in de jaren ‘80 voor woningzoekenden een plek om permanent te gaan wonen.

Vanaf eind jaren ‘60 tot heden is een situatie ontstaan die kan worden omschreven als een stedelijke kernrandzone met alle positieve en negatieve kanten daarvan. Het gebied heeft langzaam maar zeker haar primaire functie als agrarisch productiegebied verloren en is meer een woongebied geworden,. De gronden zijn te versnipperd en de infrastructuur, waterhuishouding, bodemkwaliteit en perceeloppervlaktes zijn voor de agrarische sector niet optimaal. De voormalige agrarische complexen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten zoals het stallen van caravans, hoveniers of woondoeleinden. Grote delen van het Noorderparkgebied zijn natuurgebieden geworden, waaronder polders Maarsseveen en Molenpolder die vallen binnen het Natura2000 gebied.

Pagina 33 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

Het landschap heeft bovendien een belangrijke recreatieve functie gekregen, mede door de Maarsseveense Plassen en het Noorderpark.

Verkavelingsstructuren oeverwal en veenweidegebied (Toelichting bestemmingsplan Maarssen Zuid, Kuiper compagnons, 13 april 2005)

Ontginningen veenweidegebied (Lambert 1971 p. 105 naar Gottschalk 1956)

.

Pagina 34 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

Plangebied omstreeks 1910

Plangebied heden

3.1.1 Huidige functionele opbouw Hoewel de oorsprong als agrarisch gebied nog altijd herkenbaar aanwezig is, is met name onder invloed van de verstedelijking, de huidige functie en inrichting van het landschap bepaalt. Hierbij moet met name worden gedacht aan de functies: 1. woongebied; 2. recreatiegebied; 3. natuurgebied; 4. agrarisch beheer (melkveehouderijen). Deze functies kunnen elkaar versterken mits er op de juiste wijze invulling wordt gegeven aan ontwikkelingen vanuit o.a. functiewijziging en ruimte-voor-ruimte.

Pagina 35 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

3.2

Cultuurhistorie, monumenten en archeologie

Vanaf de jaren ‘60 van de vorige eeuw is de oorspronkelijke structuur van het plangebied ernstig verstoord. Toch zijn de verkavelingstructuur en de vroegere verveningactiviteiten nog wel aantoonbaar aanwezig en deze zijn van cultuurhistorisch belang. Aan de Oude Dijk en de Westbroekse Binnenweg vinden we nog een klein aantal cultuurhistorische elementen in de vorm van verveningwoningen en boerderijen. Deze elementen dateren van rond 1900. Toch werden de Oude Dijk (Ouden Dijk) en Westbroekse Binnenweg (Binnenwegsche Dijk) al vanaf 1600 bewoond. Van deze oorspronkelijke bebouwing is niets meer terug te vinden. Een groot deel van het tracé van de Oude Dijk is verloren gegaan door de verveningsactiviteiten en herverkaveling van de Bethunepolder. Het gebied had voornamelijk een agrarische functie en kenmerkte zich door grote armoede. De kleine vervenershuisjes en arbeiderswoningen herinneren daaraan. In het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke of rijksmonumenten. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van het ontwerp Streekplan. De CHS bestaat uit samenhangende, historisch waardevolle structuren van bovenlokaal belang. Het plangebied is aangeduid als gebied waar nadere eisen kunnen worden gesteld. De cultuurhistorie geeft in dat geval de richting aan voor nieuwe ontwikkelingen en functieverandering.

Verder maakt het gebied onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). De Nieuwe Hollandse Waterlinie is voorgedragen voor de Werelderfgoedlijst van UNESCO. In 1815 besloot Koning Willem I de Hollandse Waterlinie te vervangen door een nieuwe linie, waarbinnen ook de stad Utrecht kwam te liggen. De linie bestond uit een aaneengesloten onder water te zetten gebied van Zuiderzee tot Biesbosch, met op de kwetsbare plekken (toegangswegen, en gebied dat niet onder water gezet kon worden) forten en batterijen. Omstreeks 1880 volgde versterking met bomvrije kazernes en opslagplaatsen. Onder dreiging van de Duitse inval zijn vanaf september 1939 vele mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen gebouwd. Van de 300 rond Utrecht geplande bunkers waren er begin april 1940 ongeveer 220 gebouwd. In 1961 werd de linie officieel overbodig verklaard. Inmiddels is de linie van de ruggengraat van het Nederlandse defensiestelsel geëvolueerd tot ruggengraat van het Groene Hart. De linie maakt zichtbaar deel uit van het ruimtelijke historische landschap en heeft culturele, monumentale, natuur- en ecologische betekenis. Nabij het plangebied liggen de forten Maarsseveen, De Gagel en De Klop. Het gehele plangebied behoorde tot het inundatieveld van de Hollandse Waterlinie. De verbindingswegen tussen o.a.

fort De Gagel en fort Maarsseveen aan de Herenweg lopen door het plangebied en zouden op een aantal punten zelfs verbeterd kunnen worden, waardoor de recreatieve waarde van de NHW wordt vergroot. Bescherming van de nog aanwezige cultuurhistorische elementen is van groot belang. Deze objecten spelen een belangrijke rol als het gaat om de beeldkwaliteit van het gebied. Binnen het plangebied bevinden zich diverse panden die op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen zijn als rijksmonument. De erfgoedverordening 2011 biedt de mogelijkheid om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Tussen 1988 en 1992 werd het Monumenten Inventarisatie Project uitgevoerd in de provincie Utrecht. Op grond van de uitkomsten van deze projecten is een lijst opgesteld met karakteristieke panden en objecten. Een deel van deze panden en objecten zal in de toekomst mogelijk worden voorgedragen als gemeentelijk monument.

Onderstaand een overzicht van alle karakteristieke panden en objecten binnen het plangebied Overzicht bebouwing met cultuurhistorische waarden: Maarsseveensevaart 11 Langhuisboerderij (1700-1750); Gemeentelijk monument Maarsseveensevaart bij 11 Hooiberg (1700-1750); Gemeentelijk monument Maarsseveensevaart bij 11 Schuur (1700-1750); Gemeentelijk monument Maarsseveensevaart 13 Langhuisboerderij (1875-1900); Karakteristiek Maarsseveensevaart 13A Langhuisboerderij (1875-1900); Karakteristiek Pagina 36 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

Oude Dijk 32 Westbroekse Binnenweg 7

Westbroekse Binnenweg 40

Westbroekse Binnenweg 94

Westbroekse Binnenweg 96

Arbeiderswoning (1905-1910), 1½ woonlaag, mansardekap; karakteristiek Arbeiderswoning (1875-1900), 1 woonlaag, zadeldak, baksteen; Voorstel toekomstige gemeentelijke monumenten Arbeiderswoning (1900-1910), 1 woonlaag, zadeldak, baksteen; Voorstel toekomstige gemeentelijke monumenten Boerderij (1941); B-Selectie toekomstige gemeentelijke monumenten, Voorstel toekomstige gemeentelijke monumenten Langhuisboerderij “Dorpszicht” (1900-1905); Voorstel toekomstige gemeentelijke monumenten

3.2.1. Archeologie Wettelijk kader De gemeente kent voor het gehele grondgebied archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten. Deze zijn opgesteld in 2010. De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992 -een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed – hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze Wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De bescherming van archeologische waarden wordt door de Monumentenwet grotendeels bij de gemeenten neergelegd. Gemeenten zijn sinds 2007 verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. De bescherming van archeologische waarden krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden.

Gemeenten dienen bij bodemingrepen van enige omvang het behoud van archeologische waarden af te wegen tegen andere belangen. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische beleidskaart op laten stellen. Deze beleidskaart stelt de gemeente in staat de archeologische waarden in de gemeente structureel mee te nemen in het ruimtelijke planvormingsproces. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld. In de beleidsregels zijn afwijkingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakte-ondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. 3.2.2. Archeologische waarden en verwachtingen in het bestemmingsplangebied Op de gemeentelijke beleidskaart bevinden zich zones waaraan een bepaalde archeologische waarde of verwachting is toegekend. Deze (verwachtings)waarden zijn gebaseerd op geo(morfo)logische, archeologische en historische bronnen.

Het gaat om de volgende archeologische verwachtingen: • Ontginningsassen: hoge archeologische verwachting, vrijstellingsgrens 50 m 2 en 0,30 m -mv • Komgebied variabel, gebied ten oosten van dieptelijn pleistoceen: vrijstellingsgrens 1.000 m2 en 0,30 m –mv. • Komgebied laag, gebied ten westen van dieptelijn pleistoceen: vrijstellingsgrens 10 ha en 0,30 m –mv.. • Waarnemingen vondsten: vrijstellingsgrens 100 m2.

Pagina 37 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

De Oude Dijk en Westbroekse Binnenweg aan de kant van de Molenpolder worden vanuit de archeologie gezien als een ontginningsbasis met hoge archeologische verwachtingswaarden. De kans dat hier iets gevonden wordt uit de late middeleeuwen is aanzienlijk. Ook het gebied ten oosten van de 3m –NAP dieptelijn top van het pleistocene oppervlak ligt, heeft een hoge verwachting voor resten uit de Midden- en Nieuwe Steentijd. De rest van het gebied heeft een lage archeologische verwachtingswaarde.

Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Zoals bij de uitgangspunten voor dit bestemmingsplan vermeld is het archeologiebeleid voor de gemeente Stichtse Vecht herzien en wordt op korte termijn vastgelegd in een paraplubestemmingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente. De regeling in het paraplubestemmingsplan wordt anders ingevuld dan voorheen in dubbelbestemmingen werd geregeld. Daarom is gekozen om in dit bestemmingsplan de ‘oude’ dubbelbestemmingen niet op te nemen. In de ontwerpfase was dit nog wel het geval echter omdat de regeling op zeer korte termijn vervangen zou worden is bepaald dat het niet zinvol is om het alsnog in dit bestemmingsplan op te nemen.

3.3

Beeldkwaliteit, de beleving en identiteit van het plangebied

3.3.1 Beeldkwaliteit Beeldkwaliteit is een ruim begrip dat betrekking heeft op alle aspecten die van invloed zijn op de beleving van de ruimtelijke omgeving. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden spelen hierbinnen een belangrijke rol. Deze beeldkwaliteit paragraaf geeft richtlijnen en aanbevelingen ten aanzien van de beeldkwaliteit. 3.3.2 Algemene beeldkarakteristiek Het veenweidelandschap kent in dit deel van de gemeente Stichtse Vecht een strak patroon van smalle en diepe “cope” percelen die in noordelijke richting steeds langer worden. De percelen bestaan uit land, veld, veen en water en dienden in het verleden voor akkerbouw, tuinbouw, extensieve veehouderij en turfwinning. De ontwikkeling van het gebied is gefaseerd gegaan, waarbij telkens een Pagina 38 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

nieuwe strook aan het gebied is toegevoegd, in de vorm van een nieuwe ontginningsbasis. Als de scheisloten te lang werden, werd dwars op de kavels een nieuwe wetering gegraven. Tot ca. 1860 vond turfwinning plaats. In het aanwezige landschappelijke patroon van water en land blijkt nog steeds dat de turfwinning in deze omgeving kleinschalig was. In de polder Maarsseveen en Molenpolder is de tufwinning nog te herkennen. In 1950 zijn plannen gemaakt voor het omvangrijke ruilverkavelingsproject “de Maarsseveense Plassen”: Dit was in Nederland de eerste integrale ruilverkaveling waarbinnen de belangen van de landbouw, recreatie, stadsuitbreiding, industrie en natuurbehoud een plek kregen. De ruilverkaveling was betaalbaar als er ook zand werd gewonnen voor de aanleg van een industrieterrein en de nieuwbouwwijk Overvecht. De twee zandwinplassen die ontstonden werden ingericht als recreatiegebied de Maarsseveense Plassen. Daarnaast werd tuinbouw in het gebied geïntroduceerd. Het plangebied vormt met het plangebied Herenweg-Gageldijk e.o. een twee eenheid. Het karakter van het landschap verschuift van een typisch “trekgatenlandschap” met veel wateroppervlak aan de noordwestzijde (Molenpolder), naar een open weide landschap aan de zuidoostzijde (Polder Binnenweg). Het langgerekt patroon van percelen zet zich in noordelijke richting door.

Het langgerekte patroon wordt onderbroken door de ontginningsassen (Herenweg, Gageldijk, Oude Dijk en Westbroekse Binnenweg) waarlangs de zo typerende lintbebouwing is gelegen. Het plangebied wordt primair gestructureerd door een langgerekt sloten- en kavelpatroon. Soms heeft een samenvoeging plaatsgevonden van percelen overeenkomstig de intenties van de ruilverkaveling. Dit zien we vooral bij de percelen die direct rond het recreatiegebied de Maarsseveense Plassen liggen (zuidzijde van de Westbroekse Binnenweg). Ook is sprake van een opdeling van percelen in de breedte, waarbij meerdere smalle en ondiepe woonhuiskavels zijn afgesplitst. De bebouwing bestaat van origine uit een geschakeerd samenstel van boerderijen met bijgebouwen in de diepte van het perceel (loodrecht op de weg) en eenvoudige daglonershuisjes, op korte afstand van de weg. Bij de boerderijen varieert de breedte van 6 tot 8 meter, de hoogte bedraagt hooguit 8 m en een goothoogte van maximaal 3.5 m. De grote bebouwing ligt in de diepterichting (loodrecht op de weg) en de eenvoudige kleine woonpanden langs de weg in de dwarsrichting. De afgelopen 25 jaar is een ontwikkeling gaande, waarbij de originele bebouwing is vervangen door omvangrijke villa’s. Deze panden staan in contrast met de omgeving vanwege de afwijkende detaillering en de opvallende kleurstelling.

Ook is er sprake van opwaardering van de kleine voormalige dagloners huisjes die in een aantal gevallen zijn vergroot en verbouwd tot riante woningen. Dit verschijnsel zien we vooral aan de Oude Dijk. Het gebied aan de noordzijde van de Westbroekse Binnenweg kan worden gekenschetst als natuurreservaat. De langgerekte structuur van kavels en afwateringssloten wordt onderbroken door een aantal doorgravingen van de percelen. De bebouwing is veel schaarser en ligt op ruime afstand van de weg, waardoor de panden meer tot het landschap behoren dan tot de weg. Bij een verdere ontwikkeling wordt gepleit voor een zeer beperkte bebouwingsdichtheid en het in stand houden van een losse en open bebouwingsstructuur, op enige afstand van de weg. De kwaliteit is met name gelegen in de zorgvuldig uitgewerkte relatie met het natuurgebied waarbij het van belang is dat er een natuurlijke overgang ontstaat van het woonperceel met zijn bebouwing, erf en tuin naar het natuurgebied. Duidelijk zichtbare oeverbeschoeiingen en bebouwing op de grens met het natuurgebied zijn ongewenst. Van groot belang is de aankleding van de weg met groen en passende erfafscheidingen. Ontwikkelingen, zoals het open parkeerterrein halverwege de Westbroekse Binnenweg, dient te worden voorkomen. Door dit parkeerterrein is de continuïteit van het dwarsprofiel van de weg onderbroken.

Het parkeerterrein is niet ingepast in de omgeving. Het is belangrijk parkeerterreinen in te passen in de omgeving. Bij grote parkeerterreinen heeft het de voorkeur deze achter de lintbebouwing te realiseren. Tevens het aanbrengen van hoge en dichte beplantingsstroken tussen de weg en het natuurgebied is ongewenst. Daarmee wordt het fraaie open zicht vanaf de weg over het landschap weggenomen. De toekomst van het open gebied is afhankelijk van het behoud en de oorspronkelijke opzet van de cope verkaveling met inbegrip van het trekgatenpatroon. Gezocht moet worden naar een aanpak waarbij de Grote en de Kleine Plas als onderdelen van het landschap zijn opgenomen. In dit kader is het van belang dat het gebied direct rond de plassen zo natuurlijk mogelijk blijft. De groenzone van dicht, hoog opgaand groen en sloten dienen gehandhaafd te blijven. De coulissenstructuur kan

Pagina 39 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

worden hersteld in het verlengde van de bestaande sloten en nog aanwezige trekgaten, waardoor een hechte integratie ontstaat van de plassen en het omliggende gebied. Het risico van aantasting van de open vergezichten en het op plekken weidse karakter moet worden gezocht in verspreide bebouwing. In principe zou een verdeling moeten worden gemaakt naar bebouwd en open gebied. Het open gebied moet te aller tijde gevrijwaard blijven van bebouwing behoudens een zeer beperkt aantal incidentele op zichzelf staande objecten. Het bebouwde gebied wordt gevormd door de stroken aan weerszijden van de wegen/dijken. Hier is bebouwing toegestaan in de vorm van een samenhangende bebouwingsstructuur die vooral in de lengte staat gebouwd en niet een breed gezicht heeft naar de weg toe. Bij de verkenning van de bebouwing valt de grote diversiteit op qua massa’s, kapvormen, materiaaltoepassing en kleurstelling. Er ontbreekt een samenhangend en consistent beeld van landschap en bijbehorende bebouwing. Om te komen tot een indicatie voor een streefbeeld zijn enige afbeeldingen gezocht van soortgelijke situaties in de nabije omgeving, zie de historische tekening van Westbroek en het dorpsgezicht van Tienhoven/ Oud Maarsseveen.

De prenten tonen een bebouwingsbeeld, dat is opgebouwd uit panden aan de zuidzijde met een kopse gevel op een beperkt aantal meters van de weg en aan de noordzijde met het water en de bruggetjes naar het woonperceel (bebouwing heeft min of meer een eilandligging). De bebouwing ligt dan een aantal meters naar achteren teruggeschoven. De afbeelding toont eenvoudige bebouwing in de diepte van de percelen. Incidenteel omgeven door een aantal nevenopstallen. De woonpercelen zijn omgeven door windsingels.

Kaart 2 – De deelgebieden van het plangebied Maarsseveense Plassen 3.3.3 De beleving en identiteit van de deelgebieden Deelgebied I Recreatiegebied de Maarsseveense Plassen Dit gebied bestaat uit de Grote Plas met daaromheen liggende gronden. Het gebied is eind jaren 60 aangelegd. Het noordwestelijk deel waar o.a. het betaalde strandbad ligt, is geschikt voor intensieve dagrecreatie met daarbij horende indoor en outdoor activiteiten. Binnen dit deel ligt een groot parkeerterrein en staan gebouwen om de recreatieve activiteiten te huisvesten of ondersteunen. Het zuidoostelijk deel kan worden gekenschetst als het gebied voor de meer extensieve recreatievormen. Dit gedeelte van de plas bezit begroeide oevers met hier en daar mogelijkheden voor vissen en zonnen. Rond de gehele plas loopt een langzaamverkeersroute waar wandelaars, fietsers en skaters gebruik van maken. Deze route maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie route. Verder zijn er doorzichten over het water. Het uitzicht is weids. Het totale recreatiegebied ligt verscholen achter een groene zone met een gemiddelde hoogte van 20 meter. Vanaf de wegen in het Pagina 40 Toelichting, Bestemmingsplan Maarsseveense Plassen e.o. 2e herziening, Stichtse Vecht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2265/documents/47329