Bijlage 1 BP Oostwaard 9 Maarssen incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Pagina 24 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Figuur 11 Uitsnede beeldkwaliteitsplan ‘Bocht van Maarssen’
De voorgeschreven versterking van de groene identiteit is ter plaatse van de boerderij Oostwaard reeds ingezet door de aanleg van het Natuurschoonwetbos en het voedselbos. Het bos is in 2015 – 2017 aangelegd. Naast de productie van noten, zaden en bessen heeft de aanleg van het bos ook een belangrijk landschappelijk doel. De bomen gepland langs de Zuilense Ring zijn enkele jaren geleden, met de aanpassing van de afrit en de parallelweg de Sluiswyck, gekapt. Het gevolg was dat de ringweg vanaf de Oostwaard 9 weer geheel in het zicht kwam. De geluidhinder was hierdoor ook toegenomen. Vanuit landschappelijk oogpunt was de transformatie van de noordwestelijke weilanden van het perceel naar een meer besloten karakter geen bezwaar. Het omringende vroegere agrarische weidegebied is reeds getransformeerd met de aanleg van de woonwijk Op Buuren. Voor zowel de boerderij van Oostwaard 9 als de nieuwe woonbuurt Op Buuren als recreanten langs de Vecht was en is een groene buffer tussen de Zuilense Ring en de zuidelijk gelegen gronden juist zeer wenselijk en aantrekkelijk. De conclusie voor het aanleggen van het voedselbos was dat de transformatie van een open agrarisch weidegebied naar een meer gesloten landschap met kleinschalige agrarische productie verantwoord werd geacht. Vanuit de Vecht en de weg de Oostwaard blijft het gebied open.
Zoals aangegeven is voor deze landschappelijke inpassing ook reeds een vergunning verstrekt. Voor wat betreft de functionele wijzigingen van voorliggend plan gaat het met name om inpandige wijzigingen. De wijzigingen dragen onder andere bij aan het beter beleven van de recreatieve waarden van de Oostwaard 9. Door de relatief beperkte bouwkundige wijzigingen ontstaat geen aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit van het gebied en van het ensemblekarakter van de bebouwingen. Het plan sluit hiermee aan op de voorwaarden van het Kernrandzonebeleid benoemd in de provinciale verordening.
Pagina 25 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Stichtse Vecht: “‘t Beste van twee werelden”
Op 12 januari 2022 is de Omgevingsvisie “’t Beste van twee werelden” vastgesteld door de gemeenteraad. In deze visie staan de ambities en keuzes voor de fysieke leefomgeving van de gemeente Stichtse Vecht. De doelen van de omgevingsvisie zijn: • Het maken van aantrekkelijke, bereikbare en gezond leefomgevingen voor wonen, werken en recreëren; • Het versterken van de kwaliteit van de cultuurhistorie, het landschap en de natuur; • Het inspelen op klimaatverandering en ruimte maken voor de energietransitie. De omgevingsvisie gaat in op zeven verschillende onderwerpen, waaronder gezondheid voor iedereen (1), ruimte voor de verstedelijkingsopgaven (2), goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio (3), prettig leven in de kernen (4), ruimte voor recreatie (5), toekomstbestendig vitaal platteland (6) en werken aan klimaatverandering (7). Naast de visie op thema’s zijn ook verschillende deelgebieden aangewezen: de Langzame Vecht en de Snelle Vecht, de oostelijke en de westelijke veenweidegebieden en de drie grote kernen Breukelen, Maarssenbroek en Maarssen-Dorp. Planspecifiek Het plan draagt bij aan het behouden van cultuurhistorische waarden. Met het plan wordt de huidige verhaallijn van de boerderij behouden en kwalitatief verbeterd door met de nieuwe functies de boerderij ook toekomstbestendig te maken. Hierdoor worden de kernkwaliteiten van het gebied behouden en versterkt.
Dit is in lijn met het doel om de kwaliteit van de cultuurhistorie, het landschap en de natuur te versterken. Ook is het plan in lijn met het thema ‘ruimte voor recreatie’. In de visie wordt benoemd dat er kansen voor het plangebied zijn op het gebied van recreatie- en ontspanningseconomie. Op het perceel van de cultuurhistorische boerderij worden de recreatieve gebruiksmogelijkheden verruimd. De focus is gericht op kwaliteit. Ook wordt een beperkte vorm van verblijfsrecreatie mogelijk gemaakt onder andere in de vorm van een camping als aanvulling op het dagbezoek. Tot slot maakt het plan geen faciliteit mogelijk voor massatoerisme. Het plan is daarom in lijn met de omgevingsvisie. 3.3.2
Economische toekomstvisie Stichtse Vecht
De Economische Visie moet concreet maken hoe de economie van Stichtse Vecht zich het beste kan ontwikkelen in de periode tot 2025. Het gaat daarbij om de volle breedte van de economie, met al haar diversiteit aan sectoren en werklocaties. De visie moet duidelijkheid scheppen richting bewoners, bedrijven en organisaties over wat zij van het gemeentelijk economisch beleid mogen verwachten. De visie vormt een kader waarbinnen plannen getoetst kunnen worden, initiatieven gefaciliteerd en gestimuleerd en nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In de visie staat: (onderstreping toegevoegd) De gemeente Stichtse Vecht is een jonge gemeente, ontstaan in 2011 door samenvoeging van de voormalige gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen. Het biedt een unieke ligging in de Randstad tussen Amsterdam, Schiphol en Utrecht. Centrale verkeersaders lopen door de gemeente met de A2, het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal. De gemeente biedt al vele honderden jaren een hoge kwaliteit van het buitengebied voor de grote steden en dat is zichtbaar in de landgoederen en buitenplaatsen langs de Vecht. Deze aantrekkelijke uitgangspositie maakt het mogelijk om meer uit economische ontwikkeling te halen dan tot nu toe het geval is en op zo’n manier dat dit een bijdrage levert aan de brede maatschappelijke ontwikkeling binnen de gemeente en regio.
Pagina 26 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Recreatie en zorg langs de vecht Stichtse Vecht sluit actief aan bij het initiatief ‘Amsterdam Bezoeken Holland Zien’. Toeristen die naar Amsterdam komen worden gestimuleerd om langer te blijven en ook de regio te bezoeken. In het Vechtgebied wil de gemeente zich richten op wandelen en fietsen, maar ook op het stimuleren van het watertoerisme (naast de Loosdrechtse Plassen en de Maarseveense Plassen). Hiervoor zijn bijvoorbeeld aanlegplaatsen en -voorzieningen nodig bij de kernen langs de Vecht. De gemeente wil haar ‘gezicht meer richten naar de Vecht’, dat kan bijvoorbeeld door de horeca en retail als ‘vaardoel’ op te laten nemen en dit te ondersteunen met een goede bewegwijzering vanaf de aanlegplaats. De Vecht vormt het ‘unique selling point’ van Stichtse Vecht en zal prominent aanwezig zijn in de toeristische promotie en marketing, waarbij met name wordt gefocust op de doelgroepen ‘watertoeristen’, ‘fietsers’ en ‘wandelaars’. Belangrijk hierbij is de recreant en de toerist meer en langer te binden aan de kernen langs de Vecht, en zodoende meer geld uit te laten geven bij de bestaande horeca en winkeliers. Het realiseren van meer overnachtingsmogelijkheden is daarvoor noodzakelijk, zoals hotel, bed & breakfast of kamperen bij de boer. De Vecht biedt tevens kansen voor nieuwe bedrijvigheid.
Bij deze initiatieven wordt ervoor gewaakt het kind niet met het badwater weg te gooien, door het landschap, de natuur en cultuurhistorische waarden in Stichtse Vecht te beschermen en te behouden door duurzame vormen van recreatie en toerisme. Agrarische sector De agrarische sector is beeldbepalend voor de beleving van het buitengebied, en vormt het een belangrijke economische sector binnen Stichtse Vecht. De rol van agrariër voor de beleving van het buitengebied kan nog versterkt worden in relatie tot ontwikkelkansen op het vlak van recreatie en toerisme. De gemeente vindt het daarom belangrijk om de agrariërs te betrekken bij het versterken van de recreatie- en toerismemogelijkheden in het buitengebied. Zij zijn degene die grotendeels bepalen hoe het buitengebied eruitziet en ervaren wordt. Het oprichten van micro-ondernemingen in het buitengebied geeft een impuls aan deze beleving. Denk bijvoorbeeld aan het eerdergenoemde kamperen bij de boer, maar ook het aanbieden van streekproducten op de boerderij, bezoeken van een vrijloopstal, opzetten van een zorgboerderij. Door initiatieven en promotie op elkaar af te stemmen gaan we de belevingswaarde voor verblijf in het buitengebied vergroten. Planspecifiek Het plan sluit heel goed aan op de economische toekomstvisie van de gemeente Stichtse Vecht.
Voorliggend plan voorziet in: - Economische kansen vanwege de unieke ligging in buitengebied in de randstad - Een duurzame vorm van recreatie en toerisme die gelegenheid biedt om de boerderij op een verantwoorde wijze te exploiteren, om zo de cultuurhistorische boerderij met omliggende gronden te kunnen behouden en toekomstbestendig te maken; en daarmee het landschap, de natuur en cultuurhistorische waarden in Stichtse Vecht te beschermen en te behouden - Aanlegplaatsen en -voorzieningen langs de Vecht voor het stimuleren van watertoerisme - Binding van toerist en recreant langs de Vecht door middel van verblijfshoreca en activiteiten - De realisatie van overnachtingsmogelijkheden in de vorm van logies en overnachten in agrarische setting (door te kamperen in een tipitent of te slapen op de tillen van de stal) - De versterking van recreatie- en toerismemogelijkheden in het buitengebied door het aanbod van yoga- en meditatiemogelijkheden, workshops, educatieve en culturele evenementen - Toename van beleving van het buitengebied door het oprichten van micro-ondernemingen als de landwinkel, rondleiding door het voedselbos, kennisvoorzieningen en het eerdergenoemde kamperen in een tipitent of slapen op de tillen van de stal.
Pagina 27 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
3.3.3
Vigerend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is bestemmingsplan ‘Oud Zuilen en Op Buuren’ en is gedateerd op 26 april 2016. Planspecifiek De voorgenomen activiteiten, zoals beschreven in artikel 4.1 in de planregels, zijn niet mogelijk op basis van het bestemmingsplan. Hiervoor zal een nieuw planologisch kader vastgesteld moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daar in.
Figuur 12. Uitsnede vigerend bestemmingsplan. (Oostwaard 9 bij blauwe marker)
Daarnaast is er een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Als uitzondering geldt wanneer er binnen het bestaande oppervlakte gebouwd wordt, of zonder graafwerkzaamheden of de bodemverstoring niet meer dan 500 m2 bedraagt. Het plangebied is deels gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Op de gronden met de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ mogen bouwwerken worden gebouwd, met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Van deze hoogte mag worden afgeweken indien en voor zover het belang van de waterkering en de bijbehorende beschermingszone hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. In voorliggend plan wordt uitsluitend gebouwd binnen de bestaande bouwgrenzen en worden er geen graafwerkzaamheden verricht die de bodem verstoren. De archeologische dubbelbestemming vormt daarom geen bezwaar voor voorliggend plan. 3.3.4
Welstandsnota Stichtse Vecht 2013
Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid. De individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Met het uiterlijk van een bouwwerk wordt iedere voorbijganger geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Planspecifiek Onderhavig plan ligt in welstandsgebied Vechtzone (Gebied BG1 in de Welstandsnota).
Pagina 28 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Figuur 13. Uitsnede Welstandsnota Stichtse Vecht. Planlocatie aangeduid met rood kader. (Bron: Welstandsnota Stichtse Vecht 2013)
BG1 Vechtzone, bijzonder welstandsgebied De Vechtzone is een bijzonder welstandsgebied. De welstandsnota geeft aan dat het beleid gericht is op het behoud van de oorspronkelijk structuurelementen en de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in een groene omgeving. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht worden geschonken aan de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een zorgvuldige en gevarieerde vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Daartoe zal de welstandscommissie het plan toetsen aan de volgende criteria: Ligging • hoofdgebouw staat aan de straatzijde, bijgebouwen in ondergeschikte positie • de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar • hoofdgebouwen oriënteren op de belangrijkste openbare ruimten en op het water met in de eerste lijn bebouwing boerderijen en (buiten)huizen en in de tweede lijn stallen, bijgebouwen en schuren • bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn (doorzichten behouden) • gebouwen liggen op enige afstand van de perceelsgrens of de slootkant • opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa • • • • • • • •
gebouwen zijn individueel en afwisselend de individuele woning binnen een rij is deel van het geheel woongebouwen bestaan bij voorkeur uit één laag met kap bedrijfsgebouwen bestaan uit één laag met een zadeldak of plat dak nok is in beginsel haaks op de weg of evenwijdig aan de verkavelingsrichting zijgevels van vrijstaande woningen hebben vensters uitbreidingen waaronder op- en aanbouwen zoals dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan hoofdmassa en eenvoudig van vorm Pagina 29 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Architectonische uitwerking • de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en afwisselend en • per ensemble in samenhang • de voorgevel is representatief • elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot • elkaar en de gevel als geheel plaatsen • kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren • ramen zijn bij voorkeur staand of (verticaal) onderverdeeld • bedrijfsgebouwen eenvoudig en zorgvuldig detailleren • zeer grote lengtes door middel van geleding van de wand doorbreken • wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume Materiaal en kleur • materialen en kleuren zijn traditioneel en terughoudend • gevels van woongebouwen bij voorkeur uitvoeren in baksteen of een vergelijkbaar steenachtig materiaal of in een lichte tint pleisteren • hellende daken van woningen dekken met pannen of riet • grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur • kleuren harmoniëren met de omgeving • aan- en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op hoofdmassa en aan de voorkant traditioneel uitvoeren of bijgebouwen in gepotdekselde planken Daarnaast zijn de Welstandscriteria Erfgoed uit de Welstandsnota Stichtse Vecht 2013 van toepassing. Hierin zijn uitgangspunten opgenomen voor bouwplannen binnen de invloedssfeer van monumenten en beeldbepalende panden.
Hoofdlijn is dat het bouwplan hieraan geen afbreuk mag doen. Daartoe zal de welstandscommissie het plan toetsen aan de volgende criteria: • • • •
het bouwplan dient zich te voegen in zijn omgeving en de historische context zoveel mogelijk te respecteren, Het monument niet visueel of fysiek afsluiten van zijn omgeving Het bouwplan mag geen afbreuk doen aan de omgeving door onzorgvuldige detaillering, armoedig materiaalgebruik of contrasterende kleuren Het bouwplan mag niet in strijd zijn met de in de redengevende beschrijving van het monument genoemde visuele waarden.
Planspecifiek Zoals in paragraaf 2.2 ‘Recente ontwikkeling in plangebied’ is aangegeven zijn de stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten van het ontwerp uitvoerig onderzocht en afgestemd. Daarnaast vindt de ontwikkeling van beoogde gebouwen hoofdzakelijk plaats binnen de bestaande gebouwen en het boerenerf.
Pagina 30 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
3.3.5 Beleidsnota Waardevol Toerisme (2021-2023) De gemeente streeft naar een evenwichtige ontwikkeling van recreatie en toerisme; zodanig dat deze een waardevolle bijdrage levert aan het in stand houden van een aantrekkelijk omgeving voor bewoners, bedrijven en bezoekers. De vrijetijdseconomie draagt bij aan het in stand houden van voorzieningen, cultuur, natuur en het in Stichtse Vecht rijk aanwezige erfgoed. Toerisme en recreatie dragen daarmee bij aan het behoud van de kwaliteiten van Stichtse Vecht. Hinder en overlast van vrijetijdsbesteding voor de omgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Daarbij is een aantal principes leidend: • • • • • •
Toerisme en recreatie verhouden zich naar aard en verschijningsvorm tot de omgeving; spreiding van bezoekers in tijd en ruimte wordt gestimuleerd en overlast voorkomen Individueel bezoek staat voorop; groepsbezoek wordt niet actief gestimuleerd. De focus ligt op bezoekers uit de directe regio, hoewel iedereen welkom is. Duurzame vormen van vrijetijdsmobiliteit, zoals fietsen en elektrisch varen, worden gestimuleerd. Naast dagbezoek wordt gestreefd naar verblijfstoerisme in overwegend kleinschalige accommodaties. Zakelijk bezoek wordt gestimuleerd omwille van spreiding in de tijd en hoge bestedingen.
De Vecht vormt het kloppend hart van Stichtse Vecht. Als een parelsnoer worden woonkernen, buitenplaatsen, landgoederen, kastelen en waterlinies met elkaar verbonden tot een aantrekkelijk groen recreatiegebied vol cultuurhistorie. Langs de oevers zijn hoogwaardige, kleinschalige horecagelegenheden en diverse onderscheidende overnachtingsmogelijkheden. Vanaf de Vecht wordt het groene buitengebied ontsloten. Planspecifiek Het plan sluit goed aan op de beleidsnota Waardevol toerisme van de gemeente Stichtse Vecht. De voorgestane functies onderscheiden zich in hun samenhang van het bestaande aanbod en vormen daarmee een waardevolle toevoeging. Het plan biedt een aantrekkelijke mix aan functies voor zakelijke bezoekers, toeristen, recreanten en bewoners. Daar waar andere landgoederen en buitenplaatsen beperkt of niet toegankelijk zijn, ontstaat met dit initiatief een uitnodigend landgoed dat als een soort van uitspanning kan gaan functioneren. Met de verdergaande regionale verstedelijking is een goed bereikbaar groengebied met ondersteunende recreatieve functies bijzonder welkom. In zijn opzet en verschijningsvorm past het goed binnen het recreatieve parelsnoer van de Vecht.
Pagina 31 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben ze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn. Een planmer is wettelijk verplicht wanneer: • Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)mer noodzakelijk is; • Een bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (dan is een passende beoordeling noodzakelijk).
Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een project-mer of besluit-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). Ingeval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij. Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan valt in categorie D11.2 “Stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn: Tabel 1. Categorie D11.2 met getalsmatige grenzen.
(Bron: bijlage D van Besluit milieueffectrapportage) D 11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Pagina 32 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Dit betekent dat er sprake is van een vormvrije m.e.r. beoordeling. Voor voorliggend plan kan op basis van de in hoofdstuk 2 beschrijving van het plan en hoofdstuk 4 de milieutechnische uitvoerbaarheid voldoende inzicht gegeven worden in de milieugevolgen van het plan zoals bedoeld in de criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. Geoordeeld wordt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek De huidige bestemming van de gebouwen (inclusief ruim 1.000 m2 thans deels leegstaande bedrijfsgebouwen) op de locatie is wonen.
De omliggende gronden zijn bestemd als Agrarisch met waarden. In de directe omgeving liggen woningen sportvelden en intensieve infrastructuur (de noordelijke rondweg van Utrecht). Het gebied kan gezien worden als gemengd stedelijk gebied zoals bedoeld in de richtlijn bedrijven en milieuzonering. Dit houdt in dat de aan te houden richtafstanden met één trede verlaagd mogen worden. Ruimtes met bijbehorende activiteiten op woonerf (t.p.v. gemengde bestemming) De afstand tot de woonfunctie van derden vanaf het woonerf bedraagt ca. 80 meter naar de woningen aan de zuidwestzijde en ca. 60 meter ten opzichte van de woonboten aan de overzijde van de Vecht.. De activiteiten in voorliggend principeverzoek betreffen vergader-/seminarruimte, yoga/trainingsruimte, logiesfunctie, muziek en theateroptreden, landwinkel, extensieve veehouderij en agrarisch beheer ten behoeve van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. - De activiteit vergader-/seminarruimte betreft in essentie een kantoorfunctie. Dit is een functie die direct te combineren is met de woonfunctie. - De activiteit yogaruimte is op basis van de richtlijnen voor Bedrijven en Milieuzonering in te delen als sportschool. Een sportschool kent een milieucategorie van 2 en daarmee een aan te houden afstand van 30 meter tot milieugevoelige bestemmingen.
- Een logiesfunctie valt onder hotels en pensions met een milieucategorie 1. Hiervoor moet een afstand van 10 meter aangehouden worden tot gevoelige bestemmingen. - Een muziek- en theateroptreden kan in twee groepen ingedeeld worden, van schouwburg en of muziekschool. Beiden hebben een milieucategorie van 2 met een aan te houden afstand van 30 meter. - De landwinkel is een specifieke vorm van detailhandel. Detailhandel kent een aan te houden richtafstand van 10 meter. - Extensief agrarisch gebruik, waaronder het houden van dieren incl. de schapenstal en machineschuur heeft als zijnde een extensieve veehouderij een aan te houden afstand van 100 meter. Wat in gemengd stedelijk gebied met één trede verlaagd kan worden naar 50 meter. Pagina 33 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Voor het woonerf, de gemengde bestemming, wordt dus voldaan met de maximaal aan te houden afstand van 50 meter aan de richtlijnen van Bedrijven en Milieuzonering. Kleinschalig kampeerterrein (kamperen bij de boer) (t.p.v. agrarisch met waarden bestemming) De afstand tot de woonfunctie van derden vanaf het kampeerterrein bedraagt ca. 50 meter. Een kampeerterrein kent een milieucategorie van 3.1 en daarmee een richtafstand van 50 meter. Het gebied is echter aan te merken als gemengd vanwege de nabij liggende sportvelden, manegevoorziening en autoweg. Dit betekent dat de richtafstanden aangehouden kunnen worden van een niveau lager, namelijk 30 meter. Het kampeerterrein voldoet daarmee aan de minimale richtafstand van 30m tot gevoelige functies. Bijenstal en schuilstal (t.p.v. agrarisch met waarden bestemming) De beoogde schuilstal en bijenstal zijn reeds toegestaan vanwege de toegekende agrarische functie van het perceel. Een opstal ten behoeve van het huisvesten van insecten (bijenkasten) heeft een afstand van 30 meter tot gevoelige bestemmingen. Het gebied is aan te merken als gemengd gebied, waardoor de richtafstanden van een niveau lager aangehouden kunnen worden, namelijk 10 meter. De bijenstal voldoet aan de minimale richtafstand van 10m tot gevoelige functies. Het houden of fokken van graasdieren heeft een afstand van 50 meter tot gevoelige bestemmingen.
Wanneer het niveau lager aangehouden wordt vanwege gemengd gebied, kan 30 meter als minimale richtafstand aangehouden worden tot gevoelige functies. De schuilstal voldoet aan de minimale richtafstand van 30m. Aangezien voldaan wordt aan de minimale richtafstanden tot gevoelige functies vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor onderhavig plan.
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Onderhavig plan ligt binnen de onderzoekszone van de N404, de N230 en Oostwaard. Het plan omvat, echter geen geluidgevoelige bestemmingen. Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. Het in werking hebben van het kampeerterrein dient aan de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit getoetst te worden. Om te toetsen of er sprake is van een goed woon-en leefklimaat wordt aangesloten bij de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 9). Bij toetsing wordt onderscheid gemaakt in het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Overeenkomstig de VNG-publicatie kan de omgeving van het kampeerterrein worden beschouwd als ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’.
Voor dit omgevingstype kan een verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven indien de richtafstand niet wordt overschreden; inpassing is dan mogelijk.
Pagina 34 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
In het principe-verzoek is reeds beoordeeld of er akoestisch onderzoek nodig is voor (industrie)lawaai vanuit de recreatieve locatie Oostwaard 9 naar de omgeving. De afstanden tot omliggende gevoelige bestemmingen, ca 60 meter of meer, zijn dermate groot dat geen onderzoek nodig is. Daarnaast voldoet het kampeerterrein ruim aan de gestelde richtafstand in de VNG-publicatie van 30 meter tot geluidsgevoelige objecten en kan daardoor worden ingepast. Voor evenementen geldt dat deze moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit of de Algemene Plaatselijke Verordening. Evenementen die (deels) plaatsvinden buiten de gebouwen dient te worden aangesloten bij de Algemene Plaatselijke Verordening 2014 van de gemeente Stichtse Vecht. Het is een inrichting toegestaan om op maximaal acht dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn. Er moet ten minste twee weken voor aanvang van de festiviteit een melding worden gedaan aan het college. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Ecologie Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.4.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voorliggend plan houdt enkel inpandige verbouwing in en geen volledige sloop van bebouwing. Ook worden er geen bosschages verwijderd of bomen gekapt. Het plan houdt dan ook geen nadelige effecten voor beschermde soorten en of gebieden in. Bij de verbouwing van de stal en bijgebouwen, die op termijn uitgevoerd zullen worden, kunnen echter effecten optreden voor gebouwbewonende soorten. Dit treedt enkel op wanneer verbouwing plaatsvindt aan spouwmuren en of aan de buitenzijde van dakconstructies. Omdat het nog niet bekend is wanneer deze werkzaamheden uitgevoerd gaan worden, is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels dat soortenonderzoek nodig is als motivering bij de omgevingsvergunning voor het bouwen wanneer deze werkzaamheden daadwerkelijk Pagina 35 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
uitgevoerd gaan worden. Het heeft ook geen zin om nu onderzoek uit te voeren voor de werkzaamheden die naar alle waarschijnlijkheid pas na drie jaar uitgevoerd zullen worden. Het ecologisch onderzoek zal dan ook niet meer recent genoeg zijn. 4.4.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden.
Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie door de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update januari 2023). Op 10 maart 2021 is een nieuwe Stikstofwet vastgesteld en op 18 juni 2021 het besluit gepubliceerd die de wet nader uitwerkt. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Door deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening. Het besluit over deze wet is per 1 juli 2021 inwerking getreden.
In de Stikstofwet is in artikel 2.9a een uitzondering opgenomen voor de tijdelijke extra stikstofuitstoot bij bouwwerkzaamheden, de zogenaamde bouwvrijstelling. Stikstof dat vrijkomt bij de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bouwwerken en infrastructuur wordt niet meegerekend bij de informatie die ten grondslag ligt aan het verlenen van een vergunning. Op 2 november 2021 deed de Raad van State de uitspraak dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europees natuurbeschermingsrecht dat vereist dat individuele beschermde natuurgebieden geen schade oplopen, en niet op een hoger schaalniveau gekeken mag worden naar maatregelen die bovendien onzeker zijn qua uitvoering. Dit betekent dat ook bouwactiviteiten getoetst dienen te worden aan lokale stikstofgevolgen bij de vergunningsaanvraag.
Pagina 36 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Planspecifiek Een deel van het plan betreft huidige opstallen die (al dan niet na verbouwing) een nieuwe functie krijgen. Sinds 1 juli 2018 dienen nieuwe gebouwen gasloos te worden uitgevoerd, conform de wet VET. Het verbod van gasaansluitplicht geldt slechts voor “nieuw te bouwen bouwwerken”. Hieronder vallen niet bestaande bouwwerken die van functie wijzigen of gebouwen die grondig worden verbouwd. Er vindt geen uitbreiding van bebouwing plaats. De emissies van de gebouwen hoeven derhalve niet meegenomen te worden. Door voorgenomen ontwikkeling zal het aantal vervoersbewegingen van en naar het plangebied echter wel toenemen. Een Aeriusberekening om aan te tonen dat de ontwikkeling geen significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden heeft is daarom noodzakelijk. Er is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 1. De conclusie uit het onderzoek luidt: De berekening is gedaan op 17 februari 2023 met de actuele Aeriuscalculator (versie 2022, update januari 2023). Het effect vanuit de gebruiksfase op Natura 2000-gebieden is 0,00 mol N/ha/j. Dit is ook het geval bij de bouwfase (tijdelijke fase). Er kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de norm Er kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft een wijziging van het gebruik. Het gebruik wijzigt echter niet naar een functie met een hogere milieukwaliteitseis aan de bodem dan voor wonen wat het huidige gebruik is. Er is dan ook geen bodemonderzoek nodig voor het plan.
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Pagina 37 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Tabel 2. Tabel grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.
Toetsing van
Grenswaarde
Stof Stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar 200 µg / m³ worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 50 µg / m³ keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³
Geldig sinds 2015
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011 Sinds 2015
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Voorliggend plan houdt de functiewijziging en verbouw van bestaande gebouwen in. Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. De gehele ontwikkeling blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek naar de gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is het geoloket van de provincie Utrecht geraadpleegd. In onderstaande afbeeldingen is de verdeling van de luchtkwaliteit over het perceel te zien.
2018
2030
NOx
Pagina 38 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
PM10
PM2,5
In onderstaande tabel zijn de verschillende concentraties voor luchtkwaliteit per jaargemiddelde weergegeven. Daarbij zijn de wettelijke grenswaarden en advieswaarden weergegeven. Tabel 3. Concentraties luchtkwaliteit jaargemiddelde voor 2018 en 2030. Stikstof (NOx)
Fijnstof PM10
Fijnstof PM2,5
Jaar 2018 EU-grenswaarde
20-26 μg/m3 <40 μg/m3
20-21 μg/m3 <40 μg/m3
12,5-13,0 μg/m3 <25 μg/m3
Jaar 2030 WHO-advieswaarde
14-18 μg/m3 <40 μg/m3
17-19 μg/m3 <20 μg/m3
10,0-11,0 μg/m3 <10 μg/m3
De concentraties van het jaargemiddelde 2018 blijven op basis van de gegevens uit het geoloket onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De concentraties van het jaargemiddelde 2030 blijven voor stikstof en fijnstof PM10 onder de advieswaarde. De concentratie van fijnstof 2,5 ligt in 2030 net iets boven de advieswaarden van het WHO, met name langs de snelweg. Echter, in de toekomst zal het voedselbos langs de rand van het perceel gegroeid zijn, waardoor het aannemelijk is dat er meer fijnstof weggevangen zal worden dan nu voorzien wordt. De leefkwaliteit is hiermee ook in de toekomst gewaarborgd. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid
Pagina 39 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Pagina 40 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval (generiek) Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid (generiek) Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Planspecifiek Om te beoordelen of er externe veiligheidsrisico’s zijn is risicokaart.nl geraadpleegd. Er zijn geen buisleidingen, transportroutes en of inrichtingen in de directe omgeving die een belemmering vormen voor dit plan.
Figuur 14. Uitsnede Risicokaart. (Bron: Ipo))
Pagina 41 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Gevaarlijke transportroute over water (Amsterdam-Rijnkanaal) Het plangebied is wel gelegen in het effectgebied van het Amsterdam-Rijnkanaal. De nieuwe bestemming in dit plangebied ligt op ca. 450 meter vanaf de waterkant van het Amsterdam-Rijnkanaal. Bij het onderdeel over zelfredzaamheid op de volgende pagina wordt nader ingegaan op het groepsrisico. Gevaarlijke transportroutes via de weg (N230 en lokale wegen) Voor de gemeentelijke en provinciale wegen die aansluiten op de autoweg N230 is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. De route loopt niet door het plangebied. Ook is het plangebied niet gelegen in het invloedsgebied (1%-letaliteitscontour) van deze risicobron. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van het laden of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden met het oog op een veilige leefomgeving. Het is hierdoor mogelijk dat er langs het plangebied transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt van de niet-routeplichtige stoffen (zoals benzine) en routeplichtige stoffen (zoals propaan) maar de frequentie daarvan is door het lokale karakter van het transport) dermate laag dat daardoor geen risico’s ontstaan die ruimtelijk relevant zijn.
Bevi-inrichtingen en overige veiligheidsrisico’s Er zijn geen Bevi-inrichtingen of bedrijven met een “overig veiligheidsrisico” in de directe omgeving. Evenmin zijn er propaantanks bekend bij de Omgevingsdienst Midden Utrecht nabij het plangebied.
Figuur 15. Handelsperspectief BLEVE. (Bron: Veiligheidsregio)
Zelfredzaamheid Gezien het maatgevende scenario (koude BLEVE) is het aspect zelfredzaamheid een kritisch punt. Een koude BLEVE kondigt zich, in tegenstelling van een warme BLEVE niet aan en dit maakt dat mensen weinig tot geen tijd hebben om zich tijdens het voordoen van de explosie zich in veiligheid te brengen / te vluchten.
Pagina 42 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand / vuurbal, onder dekking van objecten zoals muren). Als er schuilmogelijkheden zijn, is voor personen dekking zoeken of een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief. Voor personen binnen, dicht bij de bron (daar waar gebouwen ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief binnenblijven. Dit laatste geldt met name voor het plangebied. De 1%-letaliteitscontour bij het voordoen van een koude BLEVE op het Amsterdam-Rijnkanaal ligt op 85 tot 510 meter, gemeten vanuit de waterkant. Het plangebied is gelegen op ongeveer 450 meter. Het plangebied is dus gelegen in de 1%-letaliteitscontour. Ligging in de 1% letaliteitscontour houdt in dat bij het voordoen van gesteld scenario (BLEVE) naar verwachting 1% van de personen die zich buiten bevinden tijdens het voordoen zal komen te overlijden. In bijlage 4 ‘Advies Veiligheidsregio Utrecht – Oostwaard 9’ is beschreven op welke afstanden vanaf het Amsterdam-Rijnkanaal in zijn algemeenheid effecten optreden en het potentieel aantal slachtoffers daarbij.
Voor voorliggend plan geldt dat tussen het kanaal en het plangebied meerdere rijen bebouwing met zadeldaken en bosschages staan en ook de Vecht stroomt waardoor het risico voor slachtoffers en of gewonden op een afstand van 450 meter nog verder afneemt ten opzichte van de standaard berekening. Daarnaast is op het terrein ook voldoende gelegenheid om te schuilen voor alle personen die op het terrein aanwezig kunnen zijn. Gezien de aard en omvang van het plan en de ligging ten opzichte van de risicobron (op de rand van de 1% letaliteitscontour) en met inachtneming van de omgeving is de verwachting dat 10% van de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Op grond van artikel 8 lid 2 sub b Bevt kan in dit geval worden volstaan met de verantwoording van het groepsrisico waar enkel wordt ingegaan op de aspecten 'bestrijdbaarheid' en 'zelfredzaamheid'. Deze paragraaf over zelfredzaamheid en de volgende over bestrijdbaarheid zijn daar de concrete uitwerking van. Bestrijdbaarheid De brandweer zou zich bij het voordoen van een BLEVE met name richten op het redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers. Tevens zal het bron- en effectgebied worden bepaald. Ook zullen ontstane branden in de omgeving worden geblust en behoort veiligstellen van het bron- en effectgebied tot de taken.
Bestrijding van een incident op het land Aan land (ook van toepassing op plangebied) geldt dat de operationele slagkracht en reactiesnelheid van de brandweer is geregeld in het vigerende dekkingsplan van de Veiligheidsregio Utrecht (Veiligheidszorg op Maat, vastgesteld in juni 2014 door het algemeen bestuur VRU). De brandweer zal er 12 tot 13 minuten over doen voordat de eerste eenheid in het plangebied is gearriveerd. Bestrijding van een incident op het water Ten aanzien van incidenten op het water beschikt de VRU over de volgende capaciteit op de hoofd transsportassen. Naast de boten heeft de VRU de beschikking over 7 duikteams en 2 oppervlakte reddingteams. Voor incidenten op het Amsterdam-Rijnkanaal kan de VRU ook gebruik maken van de blusboot van de omliggende Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (Dordrecht). De opkomsttijd betreft echter meer dan 2 uur nabij het plangebied. Elektromagnetische straling (is niet specifiek onderdeel van het aspect externe veiligheid) Er zijn in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. De dichtstbijzijnde hoogspanningsmast loopt parallel aan de A2 ten westen van Maarssen. Uit de gegevens van de website Pagina 43 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
https://www.antennebureau.nl/onderwerpen/algemeen/antenneregister blijkt dat in de omgeving van het plangebied evenmin zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. De dichtstbijzijnde zendmast voor mobiele telefonie bevindt zich in de wijk Opbuuren aan de Amsterdamsestraatweg. Geconcludeerd kan worden dat het aspect Externe Veiligheid, gelet op de genoemde scenario's en met inachtneming van voorgestelde maatregelen, geen knelpunt zijn voor het plan.
Archeologie en cultuurhistorie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Monumentenwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed grotendeels bij de gemeente. Sinds 1 september 2007 kent Nederland de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Als instrument om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische beleidskaart laten ontwikkelen. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld die in de bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Archeologische monumenten en AMK-terreinen De waardering van archeologische monumenten is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in overleg met de provincies toegekend.
Waardering van de terreinen heeft plaatsgevonden aan de hand van een aantal criteria zoals kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. Op basis hiervan zijn drie waarderingscategorieën onderscheiden: 1. Terrein van zeer hoge archeologische waarde (beschermd): dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de genoemde criteria zijn aangewezen als behoudenswaardig. Bescherming hiervan kan plaatsvinden ex artikel 6 (of 4) van de Monumentenwet; 2. Terrein van zeer hoge en hoge archeologische waarde: dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de genoemde criteria zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren lager dan de beschermde rijksmonumenten. In een aantal gevallen kon de exacte kwaliteit en omvang van een monument niet worden bepaald. Onder andere de oude dorpskernen behoren tot deze categorie; 3. Terrein van archeologische waarde: dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de genoemde criteria zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren lager dan de hierboven genoemde categorieën. (ontleend aan Sloos 2009). Planspecifiek Zoals in paragrafen 2.1 en 3.2.2 en 3.3.4 al werd benoemd heeft Oostwaard een lange en rijke historie. Het was van oorsprong een kloosteruithof van de Sint Stevensabdij. De agrarische grond bij de boerderij heeft een nog bestaand eeuwenoud blokverkavelingspatroon.
Ook de gebouwen op het woonerf dragen nog kenmerken van de oude boerenhistorie. De boerderij is in het beeldkwaliteitsplan van de Vecht geïdentificeerd als een ‘boerenkorrel’ kenmerkend voor het Vechtgebied. Het gebouwenensemble op het erf is dan ook als karakteristiek benoemd.
Pagina 44 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
In de archeologische beleidskaart Stichtse Vecht staat over Oostwaard: Onderzoek op locatie Oostwaard 9 in Maarssen, heeft inzicht gegeven in een eeuwenlange bewoningsgeschiedenis. Uit de resultaten van het gecombineerde bouwhistorisch en archeologisch onderzoek komt duidelijk een beeld naar voren van een bijzondere en complexe vindplaats (Wink & Viersen 2016). De oudste waargenomen opgaande delen van het gebouw gaan terug tot in de 13e eeuw. Mogelijk betreft het een representatief gebouw dat deel heeft uitgemaakt van een uithof van een klooster. Dat er zelfs sprake kan zijn van bewoning vanaf de Late Prehistorie wordt duidelijk uit de aanwezigheid van een vegetatiehorizont in de top van de oeverafzettingen van de Vecht. Deze lijkt deels opgenomen te zijn in een cultuurlaag waarvan de datering echter niet duidelijk is. Mogelijk beslaat de bewoningsgeschiedenis van de locatie Oostwaard dus een periode van meer dan 2000 jaar en een bewoningscontinuïteit van meer dan acht eeuwen. Een deel van het plangebied behoort tot een terrein met een hoge waarde (AMK-terrein), zie onderstaande afbeelding. Het terrein rondom het boerenerf, voortuin en boomgaard is dus een monument van oudheidkundige betekenis die daarom is aangemerkt als behoudenswaardig. Het terrein heeft verder geen beschermde status.
Figuur 16. Overzicht AMK-terrein op terrein van Voedselbos Oostwaard. (Bron: cultureelerfgoed.nl)
Na de aanleg van het voedselbos zijn in 2016 twee archeologische onderzoeken uitgevoerd die de hoge archeologische waarde van Oostwaard bevestigen. Het betreft een archeologische waarneming en bouwhistorische onderzoek ‘Middeleeuws Oostwerde onder de vloer’ van K. Wink en A. Viersen (21 januari 2016) en een archeologisch bureauonderzoek (zie bijlage 3) van de gemeente Stichtse Vecht van A. de Boer (17 juni 2016). De aanbevelingen van het bouwhistorische onderzoek (zie bijlage 2) zijn hieronder weergegeven: De locatie van de huidige boerderij en een groot deel van het omringende terrein heeft op de Archeologische Monumentkaart een status als terrein van hoge archeologische waarde. Deze status is met het uitgevoerde onderzoek meer dan bevestigd. Gezien de grote hoeveelheid funderingsresten en de intactheid van het middeleeuwse ‘loopvlak’ met de daarin aanwezige en nog niet ontdekte grondsporen vormt de vindplaats een uitermate rijk archeologisch bodemarchief. Het nu uitgevoerde onderzoek heeft meer licht geworpen op de historische ontwikkeling van deze bijzondere locatie. Dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden, is mede te danken aan de inzet van de huidige bewoners van het