Bestemmingsplan Clarenborg Nieuwer Ter Aa (toelichting, regels en Verbeelding).pdf
Tekst van het document
De andere percentages uit het programma voor Nieuwer Ter Aa in de recente Woonvisie 2023 - 2030 worden niet bereikt.
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
25
4.
Randvoorwaarden
4.1.
Waterhuishouding
4.1.1. Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.1.2.
Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa - Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op 18 maart 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan.
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
26
Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. AGV heeft in het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 haar plannen voor de nabije toekomst staan. In het waterbeheerprogramma legt het waterschap beleidsdoelen, maatregelen en kosten op hoofdlijnen vast. Het waterschap streeft op een duurzame en kosteneffectieve wijze naar optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Daarnaast draagt het waterschap op het gebied van recreatie, landschap en cultuurhistorie bij aan verbetering van de beleving.
Belangrijke doelen van het waterschap voor de lange termijn (tot 2030) zijn een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust beheersgebied, dat beter bestand is tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte. In de Keur 2019 staan de regels die gelden voor activiteiten in en rond het water, zoals regels ten aanzien van het dempen van water, compenseren van toename aan verhard oppervlak of het bouwen in een beschermingszone van een dijk. In de Keur (met het bijbehorende Keurbesluit en de Beleidsregels voor de Keur) is aangegeven voor welke activiteiten een vergunningsplicht geldt en onder welke voorwaarden een vergunning te verkrijgen is. In afdeling 2.1 van de Keur 'Regels over verhard oppervlak en stedelijke uitbreiding' wordt ingegaan op de regels met betrekking tot het aanbrengen van extra verhard oppervlak. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterneutraal plaatsvinden. Het waterschap beschrijft in de Keur de criteria waar een ontwikkeling aan getoetst dient te worden. Hieraan wordt voldaan wanneer 10% van de toename van het verhard oppervlak wordt gecompenseerd met de uitbreiding van open water. Het bestuur kan per afwateringsgebied een norm stellen voor de compensatie in het watersysteem van de uitbreiding van verhard oppervlak. 4.1.3.
Watertoets Algemeen Ten behoeve van de planontwikkeling is een waterhuishoudingsplan 4 vervaardigd. Dit plan is gebruikt als onderlegger voor deze watertoets.
4
Drong Omgeving & Techniek, Nieuwbouw Nieuwer Ter Aa Waterhuishoudingsplan, Versie 1.2, 2110802-WH230616, Barneveld, 13 maart 2024
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
27
Grondwater Voor het bepalen van de grondwaterstand is de meest representatieve peilbuis in de omgeving van het plangebied gebruikt. De grondwaterstand in die peilbuis heeft een GHG van 1,65 m NAP en een GLG van 2,60 m -NAP. Ter plaatse van het plangebied ligt het maaiveld circa 80 cm lager. Op basis van de isohypsenkaart wordt, van noord naar zuid, globaal dezelfde grondwaterstand verwacht. De RHG (representatief hoogste grondwaterstand) in het plangebied wordt aangenomen op 1,40 m -NAP en de RLG (representatief laagste grondwaterstand) op 2,20 m -NAP. De RHG ligt circa 0,90 m beneden maaiveld en de RLG 1,70 m beneden maaiveld. Bij het verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd op 4 april 2021 zijn grondwaterstanden aangetroffen van 1,10 m tot 1,20 m beneden maaiveld, circa 1,60 m -NAP. Oppervlaktewater Het oosten van het plangebied grenst aan primair oppervlaktewater met een streefpeil van 1,37 m -NAP. Hier kan ook zonder problemen toekomstig op worden geloosd mits er wordt voldaan aan de eisen vanuit het waterschap zoals opgenomen in de keur en/of te verlenen watervergunning. Het westen van het plangebied grenst aan een secundaire dijk van een boezemwater (de Aa). De kruin (kruinbreedte 3,0 meter) van de dijk dient voor inspectie toegankelijk te blijven voor het waterschap. Ter hoogte van de nieuwe toegangsweg ligt in de bestaande situatie een primaire watergang.
Deze watergang zal ten behoeve van het aanleggen van de toegangsweg omgelegd moeten worden. In het ontwerp is voor deze verlegde primaire watergang het profiel aangehouden zoals in de legger van Waterschap Amstel Gooi en Vechtstreek opgenomen. De aan te brengen duiker krijgt een diameter van Ø600mm. Op deze wijze blijft de doorvoercapaciteit van het verlegde deel van de primaire watergang langs de toegangsweg gelijk aan de bestaande situatie. Verhard oppervlak In de huidige situatie is het complete plangebied onverhard. Drooglegging De GHG vormt het uitgangspunt voor het bepalen van de aanlegpeilen. Om wateroverlast bij gebouwen en wegen te voorkomen wordt een minimale ontwateringsdiepte geadviseerd 0,7 meter voor woningen met kruipruimte en voor woonstraten en van 0,5 meter voor tuinen. Compensatie Het bestaande watersysteem rondom het plangebied blijft gehandhaafd. Langs de zuidrand van het plangebied wordt een nieuwe watergang aangelegd als compensatie voor de toename van het verhard oppervlak. Deze watergang wordt met de primaire watergang aan de oostzijde van het plangebied verbonden. De primaire watergang aan de oostzijde wordt deels enkele meters verlegd in verband met de ontsluitingsroute van het plangebied. De bestaande greppel door het plangebied wordt gedempt.
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
28
Uit het waterhuishoudingsplan blijkt dat het verhard oppervlak met 10.678 m² toeneemt. De watergang langs de zuidrand van het plangebied heeft een oppervlak van 705 m². Gelet op de compensatie-eis van 10% betekent dit dat deze watergang de compensatie vormt voor 7.050 m² van de toename van de verharding. Er moet derhalve nog voor 3.628 m² (10.678-7.050) aanvullend worden gecompenseerd. Hiervoor worden drie wadi's en een berging aangelegd. Er wordt een bergingseis 70 mm/m² gehanteerd. Dat betekent dat in die wadi's minimaal 247 m² (3.628 m² * 0,07 mm) geborgen dient te kunnen worden. De wadi's en de berging kunnen gezamenlijk 261 m³ water bergen. Derhalve wordt aan de compensatie-eis voldaan. Afvalwater Vanuit de Wet Milieubeheer (artikel 10.33) heeft de gemeente de verplichting een voorziening aan te bieden voor het inzamelen en transporteren van afvalwater. Hierbij wordt vastgehouden aan de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater zoals opgenomen in artikel 10.29a (Wm). Bij nieuwbouw vindt gescheiden aansluiting van het hemelwater en afvalwater plaats. Het huishoudelijk afvalwater zal via een separaat riool, onder vrij verval, afvoeren naar een bestaande inspectieput in de Van Renessestraat, op een b.o.b. van 2,03 m -NAP, die nog nagemeten wordt. Het afvalwater wordt op deze manier via deze aansluiting afgevoerd naar de RWZI.
Mocht bij de verdere civiele uitwerking blijken dat het niet mogelijk is om de nieuwe riolering onder vrij verval aan te sluiten op de bestaande put, zal er binnen het plangebied een pompput worden aangebracht die het vuilwater naar de bestaande inspectieput (putnr. 158782) perst. De afvalwaterprognose is (op basis van 125/l/inw/dag bij 2,5 inw. per woning bij 50 woningen) berekend op 15,6 m³/dag. De piekbelasting bedraagt 1,56 m³/uur. Het waterschap is akkoord met deze extra toevoer aan afvalwater op het gemaal en de zuivering. Idealiter bedraagt de berging 15,6 m³ zodat er in ieder geval 24 uur aan buffer beschikbaar is bij verstopping. Bij het toepassen van rioolbuizen met een diameter van Ø250mm wordt hier ruimschoots aan voldaan. Hemelwater Het hemelwater zal zoveel mogelijk, via oppervlakkige afwatering, afstromen naar de te realiseren wadi's en oppervlaktewater. Waar het niet mogelijk is om oppervlakkig af te wateren zal gebruik worden gemaakt van een hemelwaterriool. Aandachtspunt is dat er voldoende verhard oppervlak aangesloten dient te worden op de wadi zodat alle berging in het gebied benut wordt. Gezien de grondopbouw voornamelijk uit klei bestaat is de verwachting dat de leeglooptijd van de wadi door middel van infiltratie niet toereikend zal zijn. Om toch de leeglooptijd van de wadi's te garanderen wordt er onder de wadi's grondverbetering aangebracht.
Onder de wadi's wordt tevens een drain aangelegd welke die aangesloten op de overstortput. Op deze manier zijn de wadi's binnen een dag weer geleegd. Daar waar woningen niet aan oppervlaktewater of een wadi liggen wordt gebruik gemaakt van een HWA-stelsel. Het HWA stelsel is hydraulisch getoetst aan een bui T=100 met een duur van 60 minuten. Dit komt neer op 60 mm neerslag. Bij deze hydraulische toets is ervan uitgegaan
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
29
dat het ontvangende oppervlaktewater binnen deze 60 minuten stijgt tot de maximale stijghoogte (insteek talud laagst gelegen maaiveld). Dit betreft de meest ongunstige situatie voor een bui T=100. De stijghoogtes bij een bui T=100 met een duur van 60 minuten blijven overal tot onder maaiveld en er ontstaat er geen water op straat situatie. Tevens is de eis dat bij een bui van 90 mm in één uur geen wateroverlast ontstaat bij hoofdwegen, woningen en vitale functies (zoals drinkwater en energie). Het water in de wadi komt in dat geval tot aan het maaiveld te staan, maar blijft wel binnen insteek talud van de wadi's. In het noordelijk deel komt kortstondig 14 cm water op straat, gerekend op een oppervlakte van 100 m². In totaal zal er circa 14m³ water op straat staan. Omdat dit deel van de rijbaan over een lengte van 75 meter eenzelfde NAP-hoogte heeft, zal dit water op straat zich in de praktijk verspreiden over deze 75 meter rijbaan. Dit betekent dat er per strekkende meter rijbaan 0,19 m³ water op straat staat. Dit houdt in dat er ter plaatse van de molgoot 8 cm water staat tot ongeveer halverwege de rijbaan en parkeervakken. Op de hoger gelegen helft van de rijbaan en parkeervakken zal geen water op straat staan. Doordat de rijbaan en parkeervakken hier aan weerszijden een verhoogde band hebben, zal er geen water op straat situatie op het trottoir ontstaan.
De middenspanningsruimte is op een locatie gesitueerd waar het water oppervlakkig kan afwateren richting de zuidelijke watergang. Deze zal dus geen last ondervinden van een water op straat situatie. Voor de plaatsing van de overige nutskasten zal rekening gehouden moeten worden met de mogelijke water op straat situatie bij een extreme regenbui. Waterkwaliteit De verwachting is dat de toekomstige situatie de waterkwaliteit zal doen verbeteren. In de bestaande situatie is het plangebied grasland waarop vee wordt gehouden en mest wordt uitgereden. In de toekomstige situatie zal er geen vee meer in het plangebied gehouden en geen mest meer uitgereden worden. In de toekomstige situatie zal een groot deel van het verharde oppervlak afwateren via wadi's en bermen. Nutriënten uit bijvoorbeeld bladval en hondenpoep zal hierdoor minder snel in het oppervlaktewater belanden. De zuidelijke watergang heeft vanaf de zuidzijde geen schaduw, waardoor er veel licht op het water kan komen. Tevens kan de watergang voldoende waterdiepte krijgen en behouden door het onderhoud vanaf de kant. Deze factoren dragen bij aan een gezond waterleven. 4.1.4. Conclusie Op basis van meetgegevens van het grondwater is de RHG bepaald op 1,40 m -NAP. Op basis van de RHG kunnen alle ontwateringshoogtes bepaald worden. De bestaande greppel dwars door het plangebied wordt gedempt.
Het bestaande watersysteem rondom het plangebied wordt gehandhaafd. Ter compensatie voor het dempen van de greppel en toekomstig verhard oppervlak wordt extra oppervlaktewater gecreëerd en worden er wadi's aangebracht. Hemelwater stroomt zoveel mogelijk oppervlakkig af naar wadi's en het oppervlaktewater, waar dit niet mogelijk is wordt gebruik gemaakt van een hemelwaterriool. Het huishoudelijk afvalwater wordt, bij voorkeur via een vrijvervalstelsel, afgevoerd naar een bestaande inspectieput in de Van Renessestraat.
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
30
4.2.
Milieuaspecten
4.2.1. Bedrijven en milieuzonering In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (2009) is een richtafstandenlijst opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten 'milieubelastende activiteiten' aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van 'milieugevoelige activiteiten'. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Benadrukt moet worden dat de richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) en dat de richtafstanden bij een omgevingstype gemengd gebied (een gebied met een matige tot sterke functiemenging) met 1 stap kunnen worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Het waar nodig scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige gebieden en functies bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; ▪ het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Het bestemmingsplan en de milieuregelgeving vormen elkaars complement. Voor zover met behulp van een zonering eventuele overlast voor de omgeving niet voldoende kan worden beperkt, kan de toepassing van milieuregelgeving uitkomst bieden. Afbeelding 8: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter 500 meter 300 meter 700 meter 500 meter
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
31
Omdat het plangebied zowel in de omgeving van een bedrijventerrein als van sportvelden en een basisschool is gesitueerd, is een milieuzoneringsonderzoek5 uitgevoerd. In de omgeving van het plangebied is sprake van een verscheidenheid aan functies, zoals een veehouderij, school, sportveld en enkele bedrijven. Voor het plangebied wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Uit het onderzoek blijkt dat enkele beoogde bouwvlakken voor woningen binnen de richtafstand voor het aspect geluid vanwege het sportveld aan Doude van Troostwijkstraat 1 liggen. Mogelijke geluidbronnen zijn stemgeluid van sporters en publiek, het terras en de kantine (afzuiging, airco). Een ander deel van het plangebied ligt binnen de richtafstand voor het aspect geluid vanwege de school aan Doude van Troostwijkstraat 20-22. Mogelijke geluidbronnen zijn stemgeluid van spelende kinderen en installaties (afzuiging, airco). Het plangebied ligt niet binnen de feitelijke of maximaal planologische richtafstanden van overige functies in de omgeving. Zowel in verband met het sportveld als de basisschool is akoestisch onderzoek 6 uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de optredende geluidbelastingen als gevolg van de activiteiten op het schoolplein en op de voetbalvereniging inzichtelijk gemaakt.
De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering volgt dat voor basisschool in een 'gemengd gebied' een richtafstand van 10 meter dient te worden aangehouden en voor een veldsportcomplex (voetbalveld) een richtafstand van 30 meter. Na contact met zowel de school als de voetbalvereniging en een geluidmeting op locatie zijn een aantal uitgangspunten voor het akoestisch model opgesteld. De voetbalvereniging is zowel in de dagperiode (wedstrijden) als in de avondperiode (trainingen) actief. Voor de school geldt dat deze alleen in de dagperiode geopend is. Voor het akoestische onderzoek is uitgegaan van de worst-case situatie voor beide inrichtingen, in het geval van ontbreken van informatie zijn aannames gedaan. De bronvermogens (L w.A) van de activiteiten op de school en voetbalvereniging zijn op basis van representatieve kentallen, uit de beschikbare literatuur en op basis van kennis en expertise binnen het onderzoeksbureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd bepaald. Op basis van deze uitgangspunten en door middel van tekeningen en een geluidmeting op locatie is een akoestisch model opgesteld waarmee de optredende geluidbelastingen ter plaatse van de nieuwe woningen zijn berekend.
5
6
De Roever Omgevingsadvies, Quickscan bedrijven en milieuzonering woningbouwplan Nieuwer Ter Aa, 20221188.v03, Schijndel, 23 december 2022 Buro Bouwfysica B.V., Akoestisch onderzoek School met de bijbel en o.s.v. NiTA, Woningbouwplan Nieuwer Ter Aa, 22182.05v4, Capelle aan den IJssel, 30 oktober 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
32
Uit de berekeningsresultaten volgt dat als gevolg van stemgeluid ter plaatse van de gevels van de nieuwbouwwoningen een geluidbelasting optreedt van maximaal LAr,LT = 53 dB(A) etmaalwaarde, waarmee de richtwaarde van LAr,LT = 50 dB(A) etmaalwaarde voor een 'gemengd gebied' met 3 dB wordt overschreden. Aan de verhoogde richtwaarde conform stap 3 voor een 'gemengd gebied' van LAr,LT = 55 dB(A) etmaalwaarde wordt wel voldaan. Als gevolg van schreeuwende kinderen, dichtslaande portieren en fluiten door de scheidsrechter is een maximale geluidniveau berekend van LA,max = 75 dB(A) in de dagperiode. Dit betekent een overschrijding van de richtwaarde van 5 dB van de richtwaarde van LA,max = 70 dB(A) op basis van 'gemengd gebied'. Voor de avondperiode is eveneens een maximaal geluidniveau berekend van LA,max = 56 dB(A). Dit betekent geen overschrijding van de richtwaarde van 10 dB van de richtwaarde van LA,max = 65 dB(A) op basis van 'gemengd gebied'. De overschrijdingen in de dagperiode worden enerzijds veroorzaakt door het fluiten van de scheidsrechter in de dagperiode op wedstrijddagen en anderzijds door schreeuwende / spelende kinderen op het schoolplein / veldje.
Uit de berekeningsresultaten van het inrichtingsgebonden verkeer volgt dat als gevolg van auto's die naar en van de inrichting (school en voetbalvereniging) rijden ter plaatse van de gevels van de nieuwbouwwoningen een geluidbelasting optreedt van maximaal LA,eq = 29 dB(A) etmaalwaarde waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van LA,eq = 50 dB(A) etmaalwaarde volgens de VNG-publicatie / 'Schrikkelcirculaire'. Zoals bovengenoemd zullen de richtwaarden voor een 'gemengd gebied' in een aantal situaties worden overschreden. Deze overschrijdingen zijn het resultaat van de gekozen 'worst-case' benadering en is dus uitgegaan van extreme situaties (hoge bronvermogens, lange bedrijfstijden enz.). Aan de verhoogde richtwaarde conform stap 3 voor een 'gemengd gebied' van LAr,LT = 55, 50 en 45 dB(A) in de dag- (7.00 – 19.00 uur), de avond- (19.00 – 23.00 uur) respectievelijk de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur), wordt wel voldaan. Ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen waar als gevolg van spelende kinderen en/of het fluiten door de scheidsrechter niet aan de richtwaarde van LAr,LT = 50 dB(A) etmaalwaarde of LA,max = 70 dB(A) etmaalwaarde kan worden voldaan kunnen eventueel aanvullende maatregelen worden getroffen. Het treffen van bronmaatregelen is niet realistisch aangezien het stemgeluid van kinderen en sporters betreft.
Een volgende mogelijkheid is het treffen van maatregelen om de overdracht van bron naar ontvanger te reduceren. Onderzocht is dat het plaatsen van schermen met een hoogte van circa 3 meter en een lengte van circa 60 meter ter plaatse van het speelveld van de school en 90 meter ter plaatse van het voetbalveld resulteert in een reductie voor de optredende geluidbelasting ter plaatse van de begane grond van de woningen van 2 – 3 dB, de overschrijdingen op de hoger gelegen verdiepingen blijven onverminderd optreden. Uit voorgaande volgt dat het treffen van bronmaatregelen niet mogelijk is. Het plaatsen van schermen met voornoemde afmetingen is vanuit sociale veiligheid en financieel / esthetisch oogpunt niet gewenst. Bovendien leidt het plaatsen van schermen tot onvoldoende reductie van
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
33
de optredende geluidbelastingen ter plaatse van de woningen en is daarmee slechts beperkt doelmatig. Hierdoor resteert de mogelijkheid om maatregelen aan de ontvangzijde te treffen. Deze kunnen bestaan uit bijvoorbeeld een verbeterde geluidwering van de gevels om een binnenniveau van maximaal LAr,LT = 35 dB(A) dan wel LA,max = 55 dB(A) etmaalwaarde in de woningen te kunnen waarborgen of de geluidbelasting plaatselijk te reduceren en/of het akoestisch klimaat in de woningen te verbeteren. In verband met de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf aan de westkant van de Aa is geurhinderonderzoek7 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er voor wat agrarische geur betreft sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de belangen van veehouderijen niet worden geschaad. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er bij de nieuw te bouwen woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door middel van gevelweringsmaatregelen is het mogelijk om het akoestisch klimaat in de woningen langs de noordrand van het plangebied te verbeteren. 4.2.2. Geluid Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai en weg- en railverkeerslawaai.
Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. In de nabijheid van het plangebied Nieuwer Ter Aa – Clarenborg is er geen spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein aanwezig. Om te bepalen of er voldaan kan worden aan de eisen voor wat betreft wegverkeerslawaai is akoestisch onderzoek8 uitgevoerd. Wegverkeerslawaai Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar (nieuwe) woningen die in een geluidszone vallen. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van: ▪ woonerven; ▪ 30 km/uur-gebieden. De breedte van de geluidszone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De rijksweg A2 heeft een zonebreedte van 600
7
8
De Roever Omgevingsadvies, Onderzoek geurhinder veehouderijen Woningbouwplan Nieuwer Ter Aa, 20220084.v1, Schijndel, 10 januari 2023 Buro Bouwfysica B.V., Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Woningbouwplan Nieuwer Ter Aa, 22182.04v3, Capelle aan den IJssel, 23 november 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
34
meter (vijf of meer rijstroken in buitenstedelijk gebied). De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 53 dB. Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Volgens artikel 110g Wgh is deze reductie variërend van 2 dB tot maximaal 4 dB bij wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur. Vanwege de rijsnelheid van maximaal 100 km/uur geldt voor de rijksweg A2 een getrapte aftrek van 2, 3 en 4 dB. Alle wegen in het plangebied zullen deel uit maken van een 30 km/uur-gebied. Op grond van de Wgh is voor wegen waar de maximale snelheid 30 km/uur bedraagt akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Deze wegen hebben een dermate lage verkeersintensiteit dat er geen relevante geluidbelasting optreedt bij de nieuwe woonbestemmingen. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Uit de berekeningen blijkt dat voor alle woningen en 12 individuele woonfuncties in de woonzorgvoorziening hogere waarden vanwege de rijksweg A2 noodzakelijk zijn. Het is gezien de locatie redelijkerwijs niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege de rijksweg A2 terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde of lager.
De eerstelijns bebouwing in het bouwplan zorgt er overigens wel voor dat de geluidbelasting op de tweedelijns bebouwing voor een groot deel van de bouwblokken/gevels voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Op twee bouwblokken met direct zicht op de rijksweg A2 wordt de maximaal te verlenen ontheffingswaarde (53 dB) eveneens overschreden. Voor deze gevels is het toepassen van dove gevels noodzakelijk. De grenswaarden uit de Wgh zijn namelijk niet van toepassing op dove gevels (Een dove gevel is een bouwkundige constructie zonder te openen delen met een zekere geluidwering of, een bouwkundige constructie met bij uitzondering te openen delen mits die delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte.) In het onderzoek worden voor deze woningen en voor de woonzorgvoorziening enkele kansrijke oplossingen voorgesteld om het plan haalbaar te maken binnen de wettelijke kaders en kaders van het gemeentelijk geluidbeleid, zodanig dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de overige woningen in het plan blijkt dat op basis van de positionering en indeling van deze woningen geen aanvullende maatregelen benodigd zijn om te voldoen aan de aanvullende eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid.
Het is gezien de locatie redelijkerwijs niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege de rijksweg A2 door bronmaatregelen of maatregelen in het overdrachtsgebied terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde of lager. Door het vaststellen van hogere waarden is – via de werking van het Bouwbesluit – een goed woon- en leefklimaat in de woningen gewaarborgd (geluidwering van gevels). Met een akoestisch/bouwtechnisch onderzoek dient te worden aangetoond dat karakteristieke geluidwering ten minste gelijk dient te zijn aan de vastgestelde hogere waarde minus de toegestane binnenwaarde van 33 dB voor het wegverkeerslawaai. Woningen dienen te voldoen aan de aanvullende eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid met betrekking tot een geluidluwe zijde, geluidluwe buitenruimte en ten minste 30% van het vloer-
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
35
oppervlak van de gebruiksruimten, waaronder ten minste 1 slaapkamer, die wordt gesitueerd aan de geluidluwe zijde. Aan die eis kan worden voldaan. Conclusie Voor alle woningen dient een hogere waarde te worden verleend. In aanvulling hierop kan door toepassing van dove gevels bij twee bouwblokken en aanvullende maatregelen in een aantal andere gevallen, voor alle woningen een aanvaardbaar akoestisch woon- leefklimaat worden gerealiseerd. 4.2.3. Bodem Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Derhalve is milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd9. Tijdens de terreininspectie zijn geen verdachte locaties waargenomen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte waarnemingen gedaan. Tijdens het veldwerk zijn geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. In het geanalyseerde bovengrondmonster ter plaatse van het westelijke terreindeel overschrijdt het lood gehalte de achtergrondwaarde.
In het geanalyseerde mengmonster van de ondergrond ter plaatse van het oostelijke terreindeel overschrijdt het nikkel gehalte de achtergrondwaarde. In de geanalyseerde grondwatermonsters overschrijden de barium gehalten de streefwaarde. In het geanalyseerde grondwatermonster van één peilbuis overschrijdt tevens het zinkgehalte de streefwaarde. De verhoogd aangetroffen gehalten aan zware metalen (barium en tevens zink) zijn waarschijnlijk een gevolg van (fluctuerende) van nature verhoogde achtergrondconcentraties, die vaker voorkomen in de regio. Deze gehalten worden dan ook beschouwd als van nature verhoogde waarden. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is gelet op de verhoogd aangetroffen waarden in de grond hiermee derhalve verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de voorgenomen bestemming van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot
9
Eco Reest BV, Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van: Van Renessestraat te Nieuwer Ter Aa, 210272, Zuidwolde, 16 maart 2021
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
36
nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein. Door de ODRU is in 2023 in een 'Deeladvies ROM bodem' aangegeven dat de bodemkwaliteit van het plangebied nog niet voldoende is vastgelegd (kenmerk Z/21/180511 / D – 840677, 23 januari 2023), omdat informatie over de aanwezigheid van dammetjes in het plangebied ontbreekt. Daarom is aanvullend bodemonderzoek 10 uitgevoerd. Doel van het chemisch onderzoek is een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond ter plaatse van de kaveldam. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygienisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van het plangebied (wonen met tuin). Doel van het asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te of de verdenking op verontreiniging met asbest ter plaatse van de kaveldam terecht is. Uit de chemische analyses blijkt dat in de sterk beton houdende bodemlaag (0,5 – 0,7 m-mv; onder de puinlaag) ter plaatse van één boring gehalten aan diverse zware metalen, minerale olie en PAK verhoogd zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Het betreft relatief beperkte overschrijdingen, waarbij de interventiewaarde niet wordt benaderd.
Het gemeten gehalte aan lood overschrijdt de risicowaarde voor grote moestuinen, maar niet de risicowaarden voor wonen met tuin (kleine moestuin) en voor plaatsen waar kinderen spelen. In de zwak puinhoudende bodemlaag (0,7 – 1,2 m-mv) ter plaatse van diezelfde boring zijn de gehalten aan nikkel, lood, zink en PAK verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Ook hier betreft het relatief beperkte overschrijdingen, waarbij de interventiewaarde niet wordt benaderd. Het gemeten gehalte aan lood overschrijdt niet de door GGD-GHOR vastgestelde risicowaarden voor lood in bodem. In het geanalyseerde mengmonster van de puinlaag ter plaatse van de kaveldam is geen asbest aangetoond. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein. Toepassing van eventueel vrijkomende de grond op het terrein is milieuhygiënisch verantwoord.
Toepassing van eventueel vrijkomende grond elders kan eventueel plaats vinden binnen een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart of met een aanvullend grondonderzoek conform het Besluit Bodemkwaliteit. De gemeente waar de grond eventueel wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag. Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek wordt geconcludeerd, dat in het geanalyseerde monsters van de puinlaag van de kaveldam geen asbest is aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een asbest verdachte locatie, is op basis van de resultaten van het asbestonderzoek derhalve verworpen.
10
Eco Reest BV, Aanvullend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van: Kaveldam nabij Van Renessestraat te Nieuwer Ter Aa, 231279, Hoogeveen, 29 september 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
37
Conclusie Op basis van de uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek en van het aanvullend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen aan het realiseren van woningen in het plangebied. 4.2.4. Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen.
Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico. ▪ Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. ▪ Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld.
Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
38
Met het oog op het aspect externe veiligheid, is een memo 11 vervaardigd, waarvoor de risicokaart is geraadpleegd. De VRU heeft per mail op deze memo gereageerd. Naar aanleiding van die reactie is deze paragraaf aangevuld. Uit de memo blijkt dat een deel van het plangebied in het Explosieaandachtsgebied12 ligt (gele arcering in afbeelding 9). Er gelden geen andere risico's voor de projectlocatie, ook niet vanuit de aanliggende bedrijven. Afbeelding 9: Fragment risicokaart.
Afbeelding 10: Verantwoording groepsrisico. Bereikbaarheid Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied bereikbaar is. De calamiteitenontsluiting over het sportcomplex is van de risicobron af gesitueerd. Daarnaast omvat de planontwikkeling ook drie vluchtmogelijkheden (routes voor langzaam verkeer). Tot slot wordt in het plan een reservering voor een vierde vluchtmogelijkheid opgenomen. De ontwikkeling is daarmee zodanig ontsloten dat aanwezigen altijd voldoende mogelijkheden hebben om van de bron van een mogelijke explosie (of ander gevaar op de A2) weg te vluchten.
11
12
RAP Gebiedsontwikkeling, Notitie Externe Veiligheid – Uitbreiding Nieuwer Ter Aa – Clarenborg, Amersfoort, 18 oktober 2023 De term 'Explosieaandachtsgebied' gaat pas in na de ingangsdatum van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Tot die datum moet rekening worden gehouden met de invloedsgebieden (bron: Handleiding Risicoberekeningen Bevt Bijlage, versie 1.2, 11 januari 2017; blz 8): Explosie door ongeval met brandbare gassen (BLEVE) met een afstand van 355 meter en een gifwolk door ongeval met een tankwagen met giftige vloeistof (Acrylnitril) met een afstand van 730 meter. Ook in verband met die scenario's dient een verantwoording van het groepsrisico te worden vervaardigd.
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
39
Zelfredzaamheid De reguliere woningen worden in belangrijke mate bewoond door zelfredzame personen; niet zelfredzame personen kunnen echter niet worden uitgesloten. Voor de aanwezige niet zelfredzame personen geldt dat deze altijd onder begeleiding van zelfredzame personen aanwezig zullen zijn, zoals ouders bij het voorbeeld van kinderen. De woonzorgvoorziening biedt ruimte aan o.a. dementerende ouderen. Deze voorziening is aan één zijde direct aangrenzend aan de calamiteitenontsluiting gesitueerd. Aan de andere zijde grenst deze voorziening aan een vluchtweg (route voor langzaam verkeer). Daarmee zijn er voldoende vluchtmogelijkheden. Bij de woonzorgvoorziening zijn altijd zelfredzame mensen (personeel), die bewoners kunnen begeleiden. De BHV-organisatie van de woonzorgvoorziening moet op de hoogte zijn van de mogelijke gevaren bij een ongeval met gevaarlijke stoffen op de snelweg en bekend zijn met de getroffen maatregelen in het gebouw. Dit zal ook bij de oefeningen moeten worden meegenomen. Er dient te worden gezorgd voor een afsluitbare ventilatie in de gebouwen, zodat men bij een gifwolk in de woning veilig kan schuilen. De schakelaar of stekker voor het afschakelen van de mechanische ventilatie moet op een eenvoudig te bereiken plaats worden aangebracht.
Bluswatervoorziening Voor wat betreft positionering van de bluswatervoorziening wordt overleg gevoerd met het team Operationele voorbereiding van de VRU.
Binnen het Explosieaandachtsgebied zijn geen woningen, andere kwetsbare objecten of verblijffuncties gesitueerd. In hoofdzake bestaat de inrichting binnen het explosieaandachtsgebied uit infrastructuur (wegen), groen- en watervoorzieningen en een enkele parkeerplaatsen. Gelet hierop kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt voor de ontwikkeling van woningbouw en een de woonzorgvoorziening op deze locatie geen belemmering. 4.2.5. Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit samen met de AMvB "Niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM), de ministeriële regeling NIBM, de ministeriële regeling Projectsaldering en de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de nieuwe wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO 2. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen.
Omdat in het plangebied het aantal woningen met maximaal 52 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat uit het oogpunt van het 'Wet luchtkwaliteit' er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Uit kaarten van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK) blijkt dat de achtergrondconcentratie langs de A2 ter hoogte van het plangebied stikstofdioxide (21,0 microgram per m³) en fijn stof (17,4 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddel-
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
40
de grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (9,3 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.3.
Ecologie De natuur in Nederland wordt door de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. In de Wnb blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NatuurNetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. Onder de Wet natuurbescherming vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Floraen faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In verband met de planontwikkeling, die op dat nog uitging van een ingrijpende renovatie, is een quickscan ecologie 13 uitgevoerd.
Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het NatuurNetwerk Nederland (NNN) opgenomen. Het Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000gebied". Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat
13
Ecofect B.V., QuickScan Wet natuurbescherming Ter Aaseweg Nieuwer Ter Aa, QS50309, Nunspeet, 3 februari 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
41
natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN bestaat uit: ▪ bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen; ▪ landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden); grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). Het plangebied ligt op een afstand van 4.2 kilometer het Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen. Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden is een voortoets Natura 2000 niet noodzakelijk. Het plangebied ligt tussen een aantal onderdelen van Natura 2000-gebieden: de Oostelijke Vechtplassen, Botshol en de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Om te bepalen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden zijn stikstofdepositieberekeningen14 uitgevoerd met de recentste versie van de AERIUS-calculator. Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek, en de daarbij behorende berekeningen, kan worden geconcludeerd dat voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase de grenswaarde van de stikstofdepositie op natuurgebieden van 0,00 mol/ha/jaar niet wordt overschreden. Dit houdt in dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect stikstof voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase.
Er is geen vergunning ten aanzien van de wet natuurbescherming nodig. Met uitzondering van de Aa, ligt de planlocatie buiten het NNN (Natuurnetwerk Utrecht). Aangezien het Natuur Netwerk in Utrecht geen externe werking kent, is een verdere toetsing voor de bouwplanontwikkeling niet aan de orde. Soortenbescherming Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Er komt wel een aantal niet jaarrond beschermde soorten voor in het plangebied. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak
14
Ecofect B.V., Stikstof onderzoek, Ter Aaseweg Nieuwer Ter Aa, SO51116, Nunspeet, 3 november 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
42
per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Het leefgebied van beschermde vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In het plangebied is geen bebouwing waardoor op voorhand gebouwbewonende soorten kunnen worden uitgesloten. Direct nabij en in het plangebied zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Eventueel aanwezige soorten zullen geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen daarom geen verblijfplaatsen verloren gaan door de planontwikkeling. Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Op iets meer afstand van het plangebied zijn dergelijke lijnelementen wel aanwezig. Hiertussen staan ook bomen met holten die in potentie een verblijfplaats kunnen zijn voor de vleermuis. Aangezien deze bomenrijen buiten het plangebied staan, is er in het onderzoek van uit gegaan dat deze intact blijven en zal dit geen invloed hebben voor de vleermuis. Het foerageergebied blijft intact. Een nader onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes is niet noodzakelijk. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door stedelijke omgeving.
Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren aangetroffen. Het plangebied ligt niet binnen het bereik van beschermde reptielen en amfibieën. Het habitat, dat aanwezig is op de planlocatie, is niet geschikt voor deze soorten. Bij ingrepen aan de watergangen rondom het plangebied in verband met de planontwikkeling wordt een ecologisch werkprotocol en wordt het plaatsen van een reptielen / amfibieënscherm ruim voor aanvang van de werkzaamheden geadviseerd. In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor onder dit beschermingsregime vallende libellen en dagvlinders. Het voorkomen van deze libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan ook het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Zorgplicht De Wnb kent twee vormen van soortenbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling gekoppeld aan de juridische status van de soorten: de algemene zorgplicht en zorgvuldig handelen. In het kader van de algemene zorgplicht wordt respect vereist voor alle wilde flora en fauna en dient te worden getracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zo veel mogelijk te beperken.
Zorgvuldig handelen is gekoppeld aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van werken die vallen onder ruimtelijke ontwikkeling. Zorgvuldig handelen betreft: ▪ voorkomen dat schade optreedt aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld andere projectlocatie kiezen);
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
43
▪ beperken van schade aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogelnest of verplaatsen beschermde planten); ▪ ongedaan maken van schade aan beschermde planten en dieren. Conclusie Uit het oogpunt van natuurbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
4.4.
Archeologie en monumenten
4.4.1. Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan heeft alleen de toekomstige ontsluiting van het plangebied een archeologische dubbelbestemming. Op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Breukelen heeft het gehele plangebied, met uitzondering van de Aa, een archeologische verwachtingswaarde. Op grond daarvan is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter. De toekomstige ontsluiting is aangegeven als 'AMK-terrein niet beschermd'.
Ten behoeve van de planontwikkeling is daarom in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek 15 uitgevoerd. Het plangebied ligt op de meandergordel van de Oud-Aa die onderdeel uitmaakte van het Vecht-Angstel-systeem. De meandergordel de Oud-Aa vormde het bovenstroomse gedeelte. De Oud-Aa meandergordel vormde ter plaatse van Nieuwer Ter Aa een grote bocht in het Vecht-Angstel riviersysteem, die rond 100 na Chr. werd afgesneden en vanaf dat moment tussen Breukelen en Nieuwersluis de loop van de huidige Vecht volgde. In het plangebied bevinden zich de afzettingen van de Oud-Aa stroomgordel. Onder de bouwvoor zijn kalkrijke en kalkloze oeverafzettingen aanwezig. In de kalkloze oeverafzettingen is een laklaag (vegetatie horizont) aangetroffen. De laklagen en kalkloze oeverafzettingen worden geïnterpreteerd als bodems die in het verleden aan het oppervlak hebben gelegen en dus mogelijkheid boden voor
15
ADC ArcheoProjecten, Ter Aaseweg, Nieuwer Ter Aa, Stichtse Vecht Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek, ADC Rapport 5441, Amersfoort, 20 mei 2022
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
44
bewoning. Onder de oeverafzettingen zijn geulafzettingen aanwezig. Onder de geulafzettingen bevinden zich de beddingafzettingen. Afbeelding 11: Fragment archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Breukelen.
Het uitgevoerde vooronderzoek heeft de hoge archeologische verwachting voor het plangebied bevestigd. In het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn. Daarom is vervolgens een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek 16 uitgevoerd. Het karterend booronderzoek bevestigt en verfijnt de onderzoeksresultaten van het verkennend booronderzoek. In het gehele plangebied zijn kalrijke geulafzettingen aanwezig met daarbovenop kalkloze oeverafzettingen. De kalrijke geulafzettingen zowel als de kalkloze oeverafzettingen zijn afkomstig van de Oud-Aa stroomgordel. In één boring zijn geen kalkloze
16
ADC ArcheoProjecten, Ter Aaseweg, Nieuwer Ter Aa, Stichtse Vecht Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek, ADC Rapport 5872, Amersfoort, 8 februari 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg
45
oeverafzettingen aanwezig. Tijdens het karterend booronderzoek is er geen laklaag (=vegetatiehorizont) aangetroffen, die tijdens het verkennend booronderzoek wel is aangetroffen. Dit duidt er op dat de laklaag alleen nog plaatselijk aanwezig is, of niet meer herkenbaar is. In de kalkloze oeverafzettingen zijn houtskoolfragmenten aangetroffen. In drie boringen zijn deze ter hoogte van de eerder aangetroffen houtskoolfragmenten en laklaag aanwezig. In de zone waar de Linie ter Aa mogelijk aanwezig zou kunnen zijn, is een onverstoorde, natuurlijke bodemopbouw aanwezig, maar zijn in de bouwvoor zandbrokken aanwezig. Dit zou mogelijk in verband kunnen staan met een ophogingspakket (wal) of de egalisatie daarvan. Echter is de methodiek van het uitgevoerde booronderzoek is niet betrouwbaar genoeg om de aan- of afwezigheid hiervan te kunnen vast stellen. Daarom is voor de zuidzijde van het plangebied een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven17 uitgevoerd. Daarnaast is een vijftal aanvullende boringen gezet helemaal in het noorden van het plangebied. In de proefsleuven bleek dat de verwachting uit het vooronderzoek enigszins moet worden bijgesteld. De bodemopbouw was zoals eerder verwacht en bestond uit een pakket met oeverafzettingen van zeer siltige klei met daarop de bouwvoor.
Bijna overal is in de top van deze afzettingen een vegetatiehorizont aangetroffen. Een dergelijke vegetatiehorizont is een potentieel bewonings-/loopniveau. Echter bevatte deze vegetatiehorizont geen insluitsels of andersoortige aanwijzingen voor bewoning (zoals een licht verrommelde top of vermenging met ander materiaal dat zou kunnen wijzen op een belopen oppervlak). Mogelijk zijn talrijk aanwezige mangaanconcreties tijdens het vooronderzoek aangezien voor houtskoolfragmenten. Tijdens het onderzoek zijn vier sporen ontdekt. Het betreft greppels die samenhangen met de percelering van het terrein. Deze kunnen allemaal worden gedateerd in de Nieuwe tot vroegmoderne tijd. Eén scherfje handgevormd aardewerk met potgruismagering is aangetroffen in de top van de oeverafzettingen, maar zonder duidelijke context. Dit scherfje heeft een vermoedelijke datering in de IJzertijd, maar een datering in de Romeinse tijd kan niet worden uitgesloten. Bij het aanvullende booronderzoek is eenzelfde soort bodemopbouw aangetroffen als bij de proefsleuven met een afwisseling van sterk tot uiterst siltige kleiafzettingen. In slechts één van de vijf boringen is daarbij de vegetatiehorizont waargenomen. Daarnaast week de bodemopbouw bij de meest noordoostelijke boring enigszins af van de rest met meer zandige in plaats van siltige klei.
In de proefsleuven zijn geen aanwijzingen gevonden voor een archeologische vindplaats. In het uiterste noordoosten van het plangebied is de toekomstige in- en uitrit van de nieuwe wijk ge-
17
ADC ArcheoProjecten, Ter Aaseweg, Graven in de oevers van de Aa bij de Ter Aaseweg in Nieuwer ter Aa, Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven en een aanvullend booronderzoek (concept), ADC Rapport 6270, Amersfoort, 18 december 2023
Ontwerp Gemeente Stichtse Vecht – Bestemmingsplan Nieuwer Ter Aa – Clarenborg