20240214 Afvalscheidingsstation Breukelen_vastgesteld_Toelichting.pdf
Tekst van het document
De bestemming is gericht op het agrarisch gebruik en het behoud van landschapswaarden. In deze bestemming zijn gebouwen alleen toegestaan ter plaatse van een bouwvlak. Er is geen bouwvlak opgenomen ter hoogte van het plangebied. Om de gewenste nieuwe functies toe te staan, dient de bestemming te worden gewijzigd. Water – 2 (enkelbestemming) Door het plangebied loopt een watergang. Deze heeft de bestemming Water – 2. Ten behoeve van het plan zal het water gedempt worden en zal nieuw water worden aangelegd. In de waterparagraaf (zie paragraaf 4.4) is ingegaan op de waterhuishouding. Leiding Hoogspanningsverbinding Voor het aanwezige hoogspanningstracé is in het huidige bestemmingsplan de dubbelbestemming Leiding Hoogspanningsverbinding opgenomen. De planvorming houdt rekening met de verbinding. In de zone van de dubbelbestemming komen alleen de toegangsweg met de groenzone. Het terrein van het afvalscheidingsstation en de toekomstige bebouwing blijft buiten de zone. De dubbelbestemming is ook overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Waarde – Archeologie – 5 en Waarde – Archeologie – 3 Voor het overgrote deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 5. Aan de zuidzijde bij de aansluiting op de Corridor geldt voor een klein deel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 3.
Binnen gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 geldt dat bij ingrepen groter dan 500 m2 eerst onderzoek nodig is en een omgevingsvergunning nodig is. Bij de bestemming Waarde - Archeologie 5 geldt dit, gelet op de zeer lage verwachting, pas bij ingrepen groter dan 10 hectare. De drempelwaarde 10 hectare (100.000 m2) wordt met het plan niet overschreden. Wel wordt de drempelwaarde van 500 m2 overschreden. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het bestemmingsplan, zie paragraaf 4.2. vanwege de uitkomsten van het onderzoek kan in het nieuwe bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 vervallen. De dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 5 wordt weer overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
22/45
Waterstaat – Keur Aan weerszijden van de in het plangebied aanwezige watergang ligt de dubbelbestemming Waterstaat – Keur. Deze dubbelbestemming bevat regels ter bescherming van de watergang. Er gelden restricties voor het bouwen en voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen deze zone. Voordat de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, dient te zijn afgestemd met het waterschap. De watergang zal worden gedempt en er zal nieuw water komen op een andere plek. In paragraaf 4.4 is nader op de waterhuishoudkundige aspecten ingegaan. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de dijk langs het Amsterdam-Rijnkanaal is de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering opgenomen. Een deel van het plangebied valt binnen de gronden met deze dubbelbestemming. In het kader van de planontwikkeling vindt afstemming plaats met het waterschap over mogelijke gevolgen voor de waterkering. In paragraaf 4.4 is hier nader op ingegaan. Veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen Over de spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan, is een gebiedsaanduiding langs de spoorlijn gelegd, waarbinnen geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Woningen zijn kwetsbare objecten. Kleine kantoren tot 1.500 m2 en bedrijfsfuncties zijn beperkt kwetsbare objecten.
In paragraaf 4.11 is ingegaan op de betekenis van deze zone voor het plan. De nieuwe gebouwen blijven buiten de gebiedsaanduiding. En de gebiedsaanduiding wordt weer in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen, zodat de regeling ook naar de toekomst toe blijft gelden.
afbeelding 10: uitsnede verbeelding “1e herziening bestemmingsplan Corridor” (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
23/45
4
Omgevingsaspecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.
4.2
Archeologie
4.2.1 Inleiding Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.2.2 Toets aan gemeentelijk archeologisch beleid De gemeente Stichtse Vecht beschikt over een archeologische beleidskaart uit 2010. Op basis van de beleidskaart geldt voor het zuidelijke deel van het plangebied bij de aansluiting op de weg de Corridor een middelhoge archeologische verwachting (zie afbeelding 11). De bijbehorende beleidsregel is dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 500 m2. Tot bodemverstorende werkzaamheden worden ook ophogingen hoger dan 50 cm gerekend. De gemeente werkt aan een actualisatie van het archeologiebeleid. In 2021 is in verband daarmee een nieuwe beleidskaart opgesteld, welke door het college op 2 juni 2022 is vastgesteld.
Het geactualiseerde archeologiebeleid is nog niet door de gemeenteraad vastgesteld. Omdat dit mogelijk nog gedurende de planvorming wel zal gebeuren, is alvast aan het nieuwe beleid getoetst. Bij de actualisatie zijn de typen verwachtingen en de bijbehorende ondergrenzen hetzelfde gebleven. Wel is de zone met een middelhoge tot hoge verwachting (oranje) aangepast. Deze kent nu een uitstulping richting het noorden, waardoor een iets groter oppervlak van het plangebied in de zone met een middelhoge verwachting (zie afbeelding 12). De rest van het plangebied kent een lage verwachting, waarbij pas onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 10 hectare (100.000 m2). Het totale oppervlakte van het plangebied blijft hier ruim onder.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
24/45
afbeelding 11: uitsnede beleidskaart archeologie Stichtse Vecht (plangebied is met rode lijn aangeduid)
afbeelding 12: uitsnede beleidskaart geactualiseerde archeologiebeleid Stichtse Vecht 2021 (plangebied is met rode lijn aangeduid)
4.2.3 Onderzoek Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het gebied dat onder het nieuwe archeologiebeleid uit 2021 een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde heeft en nog niet bebouwd is (De Steekproef, augustus 2023). Dit onderzoek is uitgevoerd voor zowel de ontwikkeling van het afvalscheidingsstation als de hier ten zuiden van gelegen nieuw te ontwikkelen bedrijfskavel. De rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
25/45
Voor het onderzoek zijn acht boringen neergezet verspreid over het onderzoeksgebied. In de grondboringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op menselijke bewoningsactiviteiten. Gezien deze resultaten geeft dit geen aanleiding om in het plangebied nader onderzoekt te adviseren. Namens de gemeente Stichtse Vecht heeft de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) het rapport op 9 juni 2023 getoetst. Het rapport is akkoord bevonden. Ook is er geen noodzaak voor archeologisch vervolgonderzoek en kan de dubbelbestemming archeologie voor het onderzochte deel van het plangebied vervallen. Het deel van het plangebied waar een lage archeologische verwachting geldt is niet onderzocht. Daarom zal voor dit deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ worden opgenomen ter bescherming van mogelijke waarden in de toekomst. Ter plaatse van deze dubbelbestemming is een onderzoek nodig bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 10 hectare (100.000 m2). 4.2.4 Conclusie De drempelwaarden uit het huidige gemeentelijk archeologiebeleid worden overschreden. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de gronden met een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde. Er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Het onderzoek is getoetst door de ODRU en akkoord bevonden.
Er is geen noodzaak voor vervolgonderzoek en ook geen dubbelbestemming meer nodig voor het onderzochte gebied. Voor het deel van het plangebied dat nog niet is onderzocht is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen ter bescherming van mogelijke waarden in de toekomst. Daarmee is er vanuit archeologisch oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de (financiële) haalbaarheid van het plan. 4.3.2 Betekenis voor het plan De locatie is in het verleden altijd in gebruik geweest als landbouwgrond en er heeft geen bebouwing gestaan. Er worden geen grote bodemverontreiniging op deze locatie verwacht. Op grond daarvan wordt de locatie geschikt geacht voor de toekomstige functie. Als onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling worden bedrijfsgebouwen gerealiseerd en gaat er grond vergraven worden voor de aanleg van het terrein, de toegangswegen en het water. Ook worden sloten gedempt. Ook gaan er mogelijk bodembedreigende activiteiten op de locatie plaatsvinden. In het kader van de beoogde nieuwbouw en waarschijnlijk ook in het kader van de aanleg van nieuwe wegen en verhardingen is bodemonderzoek nodig. Daarbij moet onder andere worden gekeken naar plekken op deze locatie waar in het verleden sloten hebben gelegen die gedempt kunnen zijn met bodemvreemde materialen, zoals bijvoorbeeld puin. Ook is er mogelijk onderzoek nodig bij een te dempen sloot. Het benodigde bodemonderzoek dient plaats te vinden voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor bouwen. 4.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Voor de vergunningsfase dient verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
26/45
4.4
Ontplofbare oorlogsresten
4.4.1 Inleiding Voor bepaalde gebieden kan een verwachtingswaarde voor het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten gelden, bijvoorbeeld voor locaties waar in de Tweede Wereldoorlog gevochten is. Voorafgaand aan graafwerkzaamheden is verstandig om onderzoek te doen naar de verwachtingen. Wanneer in een vroeg stadium onderzoek wordt verricht naar het al dan niet voorkomen van ontplofbare oorlogsresten kunnen passende maatregelen worden getroffen. 4.4.2 Onderzoek Uit de beschikbare bronnen is gebleken dat de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de bodem niet op voorhand kan worden uitgesloten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zich op diverse locaties in de gemeente Stichtse Vecht oorlogshandelingen voorgedaan, waaronder bombardementen op de spoorlijn. Vanwege de ligging van het plangebied naast deze spoorlijn kunnen ontplofbare oorlogsresten of delen daarvan in de bodem aanwezig zijn. Er is een onderzoek gedaan naar mogelijk voorkomen van ontplofbare oorlogsresten (AVG Explosieven Opsporing Nederland, 22 december 2022). Het rapport is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting. Uit het onderzoek volgt dat het onderzoeksgebied gedeeltelijk verdacht is op ontplofbare oorlogsresten.
Daarom wordt geadviseerd om voor het aanvangen van de werkzaamheden in het plangebied aanvullend explosievenonderzoek uit te voeren in de vorm van detectieonderzoek en eventueel benaderingswerkzaamheden. Deze vervolgstappen worden opgepakt in de planfase. 4.4.3 Conclusie Uit het onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten volgt dat het onderzoeksgebied gedeeltelijk verdacht is. Voorafgaand aan de werkzaamheden in het plangebied wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd. Door met de bevindingen van dit onderzoek rekening te houden, is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Water
4.5.1 Beleid en regelgeving Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Waterbeheersprogramma 2022-2027 Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft in het Waterbeheersprogramma 2022-2027 haar ambities en plannen beschreven voor de periode van 2022-2027. Dit heeft ze gedaan aan de hand van de volgende thema’s: - Waterveiligheid - Voldoende water - Gezond water - Gezuiverd afvalwater - Genieten van water (recreatie) 4.5.2 Waterhuishoudkundige situatie Met het oog op de watertoets is een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor de ontwikkeling van het afvalscheidingsstation, de bedrijfskavel 1 fase 3 en de toekomstige verdere uitleg van het bedrijventerrein Breukelerwaard (RPS, 5 december 2023). Dit waterhuishoudkundig plan is opgenomen als bijlage 5 bij de toelichting. In onderstaande waterparagraaf zijn beknopt de bevindingen overgenomen.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
27/45
4.5.2.1 Oppervlaktewater en waterberging Voor het plan is de Legger van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht geraadpleegd (zie afbeelding 13). In het plangebied lopen twee watergangen, waarvan één primaire watergang (6440 2664). Vanwege de benodigde ruimte is het niet mogelijk om het nieuwe afvalscheidingsstation binnen de bestaande kavelsloten in te passen. Dit betekent dat het water moet worden gedempt en de primaire watergang zal worden verlegd. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling zal ongeveer 1.400 m2 water gedempt worden. Ook zal de ontwikkeling leiden tot een toename aan verharding vanwege gebouwen, terreinverharding en de nieuwe toegangsweg). In de huidige situatie is er geen verharding in het gebied. Er van uitgaande dat het terrein van het afvalscheidingsstation volledig verhard zal worden (100%), zal sprake zijn van een toename van ruim 18.000 m2 aan verharding en bebouwing.
Verharding
Bestaande situatie 168 m2
Bebouwing Totaal
0 m2 168 m2
Nieuwe situatie 11.300 m2 terrein afvalstation 4.800 m2 toegangswegen 3.300 m2 op het afvalstation 19.400 m2
Volgens de Keur 2019 van het waterschap AGV moet een toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem gecompenseerd worden door het graven van open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Sloten die worden gedempt moeten voor 100% binnen hetzelfde peilvak worden gecompenseerd. Dit betekent dat de compensatieopgave neerkomt op 1.400 m2 + 1.940 m2 = 3.340 m2 nieuw oppervlaktewater. Dit nieuwe water zal komen in de zone langs de nieuwe toegangsweg onder de hoogspanningsverbinding. Er wordt hier een nieuwe groenblauwe zone ontwerpen, welke een landschappelijke kwaliteit aan het gebied geeft. Uit het Waterhuishoudkundig plan volgt dat sprake zal zijn van een robuuste waterhuishouding; afwenteling naar buiten het plangebied in bemalingsgebied Breukelerwaard vindt niet plaats. De primaire watergang zal worden verlegd om langs de nieuwe toegangsweg te lopen en onderdeel uitmaken van de nieuwe groenblauwe landschapszone. Met het waterschap AGV is overeengekomen dat het nu te veel te graven m2 water ingezet kan worden bij de verdere ontwikkeling van het bedrijventerrein.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
28/45
afbeelding 13: uitsnede Legger AGV (de blauwe lijnen geven de primaire watergangen aan)
afbeelding 14: detailkaart met daarin de plangrens (rode stippellijn) over de bestaande watergangen heen
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
29/45
4.5.2.2 Waterkwaliteit Uit het WHP volgt dat de chemische en biologische waterkwaliteit in het gebied sterk zal verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Het watersysteem wordt meer regenwater-gedomineerd plus een beetje kwelwater. Het systeem is minder afhankelijk van de aanvoer van water uit het landbouwgebied omdat er water vanuit het bovenstroomse gebied (Breukelerwaard-zuid) via de stuw wordt aangevoerd. De kwaliteit van dat water is redelijk tot goed en zal mede de waterkwaliteit in -noord bepalen. Een toetsing op basis van ecologische sleutelfactoren (ESF) laat zien dat de waterkwaliteit in Breukelerwaard-noord niet zal verslechteren en er aanwijzingen zijn dat de waterkwaliteit sterk zal verbeteren. 4.5.2.3 Veiligheid Zoals is te zien op de Legger van AGV in afbeelding 13 ligt het plangebied niet binnen een beschermingszone van een waterkering. Er gelden dan ook geen regels vanuit de Legger op dit onderwerp voor het plan. In de Klimaat Effect Atlas zijn de kansen op en grootte van overstroming opgenomen. In de inpassingsstudie van IMOSS werd, gebaseerd op deze Atlas, uitgegaan van een overstromingsdiepte van 0,79 m. Tijdens overleg met Waternet is echter geconstateerd dat het risicoprofiel niet meer up-to-date is (kans en gevolg).
Waternet geeft aan dat, op basis van de nieuwe gegevens, voor Breukelerwaard -Noord uitgegaan kan worden van een waterrisicoprofiel van 20 cm (=verschil tussen vloerpeil en wegpeil). Bij een vloerpeil van NAP -0,65 meter wordt het wegpeil NAP -0,85 meter. In overleg met Waternet is het aspect “gevolgbeperking overstromingen” voor nu buiten beschouwing gelaten. Inundatie als gevolg van dijkdoorbraken heeft bij Waternet nog (interne) discussie; uitwerking van beleid dient nog een nader vervolg te krijgen. Er is in de bouwregels vastgelegd dat het vloerpeil van gebouwen niet lager dan 0,55m onder NAP mag worden gebouwd. Deze drooglegging is een wenselijke maat vanuit gemeente (GRP) om inundatie van vloeren te voorkomen, maar ook om een goede aansluiting op weginfrastructuur mogelijk te maken. Een doorbraak vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal zal nooit leiden tot peilstijgingen tot boven een vloerpeil van NAP -0,55 meter. Zo is er voor gezorgd dat schade aan vitale functies wordt voorkomen. 4.5.3 Watertoets Ten behoeve van de totstandkoming van het waterhuishoudkundig plan is afstemming geweest Waternet, zodat de waterbelangen zorgvuldig meegenomen worden. Er is een concept bestemmingsplan voorgelegd aan het waterschap geweest. De reactie op het plan is beschreven in bijlage 12. Met de belangen van het waterschap is rekening gehouden in de voorgenomen planontwikkeling.
4.5.4 Conclusie De ontwikkeling leidt tot een toename aan verharding in het gebied en er wordt bestaand water gedempt. Er is voor de gebiedsontwikkeling een zeer robuuste waterstructuur ontworpen, waardoor er van afwenteling geen sprake is en de compensatieopgave wordt ingevuld in de nieuwe groenblauwe landschapszone. Zoals beschreven in het waterhuishoudkundig plan leidt het plan tot een verbetering in de waterkwaliteit. In het kader van de verdere planuitwerking zijn er nog verschillende onderzoeken en keuzes te maken, zoals op het gebied van riolering, maaiveldhoogte, de exacte uitwerking van de compensatieopgave en het waterpeil. Het bestemmingsplan heeft een globaal karakter, waarbinnen de exacte verkaveling nog niet vastligt. Daarmee biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit om in het uiteindelijke ontwerp rekening te houden met de uitgangspunten en eisen aan het watersysteem.
4.6
Ecologie
4.6.1 Inleiding De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden, houtopstanden en planten- en dierensoorten.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
30/45
Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals Natura-2000 gebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebeurt in het ruimtelijk spoor van het Barro (Rijk) en de PRV (provincie Utrecht). Soortenbescherming Het doel van de wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. De verbodsbepalingen zijn een belangrijk onderdeel van de wet. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogelrichtlijnsoorten, 3.5 Habitatrichtlijnsoorten en 3.10 Andere soorten).
Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11) 4.6.2 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde planten- en diersoorten en beschermde gebieden (Van der Goes en Groot, 10 augustus 2022). Het rapport is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting. Hieronder is eerst ingegaan op de gebiedsbescherming en daarna op de soortenbescherming. 4.6.2.1 Gebiedsbescherming Natura-2000 Het plangebied ligt niet in een Natura-2000 gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oostelijke Vechtplassen op ca. 2,2 km (stikstofgevoelig). Omdat het plangebied niet in of nabij een Natura 2000-gebied ligt, zijn directe effecten als gevolg van aantasting van habitattypen of leefgebieden niet aan de orde. Wel kan sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van externe werking. Hier is sprake van indien de gevolgen van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied wel merkbaar zijn in een Natura 2000-gebied. Voorbeelden hiervan zijn geluidverstoring of verstoring door licht, maar ook de gevolgen van stikstofemissies. Voor de meeste effecten geldt dat door de afstanden tot aan de Natura 2000-gebieden ook de externe werking op voorhand uitgesloten kan worden, licht- en geluidbelasting reikt niet dusdanig ver.
Enige effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, zijn effecten van stikstofdepositie. Stikstofemissie kan Natura 2000-gebieden op grotere afstand beïnvloeden.
Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie te bepalen is een Aeriusberekening uitgevoerd (Langelaar, 4 december 2023). Het rapport is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat de stikstofdepositie zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura2000-gebieden. De grootste depositietoename reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden vindt plaats in Natura 2000-gebied “Oostelijke Vechtplassen“ en is maximaal 0,01 mol/ha/jr in de gebruiksfase. De beëindiging van het agrarisch grondgebruik dat plaats vindt voorafgaand aan de vaststelling van het plan is het onlosmakelijke (positieve) gevolg van uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan. Emissies vinden plaats door met bemesting van de agrarische percelen (grasland), de inzet van landbouwmachines op de percelen en verkeersbewegingen van en naar de percelen. Emissies van de landbouwmachines en de verkeersbewegingen zijn buiten het onderzoek gelaten, waardoor de berekende positieve effecten een worstcase berekening in het licht van interne saldering is.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
31/45
Een verschilberekening met AERIUS Calculator 2023 tussen de vermeden emissies en de emissies in de gebruiksfase maken duidelijk dat per saldo de NOx depositie op alle kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden ten gevolge van het plan in de gebruiksfase niet groter is dan bij het huidige agrarische gebruik. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Groene Contour of weidevogelgebied. Het gebied aan de zuidwestzijde van de Oosterlandweg is wel een weidevogelkerngebied, hierbinnen gelden restricties voor plannen die betrekking hebben op realisatie van windturbines en zonne-energie. Aangezien het plangebied er buiten ligt, gelden er geen regels vanuit de Interim OV op dit onderwerp voor het bestemmingsplan. Ook gaat het om een woningbouwplan en niet om windturbines of zonneparken. Er is geen onderzoek nodig. 4.6.2.2 Soortenbescherming Voor de quickscan is op basis van literatuurgegevens en informatie bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied.
Ook is het plangebied bezocht om een aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes voor zover mogelijk geïnspecteerd. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Ooievaar en Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Conclusie effectbeoordeling Op basis van de bevindingen van de quickscan is geen aanvullend onderzoek nodig. Ook is geen ontheffing nodig voor de geplande ontwikkeling. Wel is het belangrijk om in de uitvoering rekening te houden met de bevindingen van de quickscan en de zorgplicht in acht te nemen. Aandachtspunten hierin zijn de kans op broedende vogels in en rond het broedseizoen en het zorgvuldig en diervriendelijk te werk gaan bij het dempen van de watergangen.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
32/45
4.6.3 Conclusie gebieds- en soortenbescherming Er zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden en ook niet op beschermde soorten te verwachten. In de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de bevindingen van de quickscan en de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen.
4.7
Mobiliteit
4.7.1 Verkeersafwikkeling Voorafgaand aan de locatiekeuze is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (RoyalHaskoningDHV, 16 december 2021). Dit rapport is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. Het verkeersonderzoek gaat in op korte termijn ontwikkelingen (het afvalscheidingsstation en uitbreiding P+R-terrein) en lange termijn ontwikkelingen (uitbreiding bedrijventerrein, woningbouw westzijde A2 en verdere uitbreiding van het P+R terrein). Voor het bestemmingsplan is in deze paragraaf alleen ingegaan op de bevindingen ten aanzien van het afvalscheidingsstation. Met de komst van het afvalscheidingsstation en andere ontwikkelingen op de korte termijn, zullen de verkeersintensiteiten toenemen. Door de openingstijden buiten de ochtend en avondspits te houden, zal de extra druk op de spitsperioden vanuit het afvalscheidingsstation zeer beperkt zijn. Het gaat in de spitsperiodes om circa 40 verkeersbewegingen. De als gevolg van het afvalscheidingsstation aanvullende verkeersbewegingen buiten de spitsperiodes zijn hoger. Het gaat om 400 tot 700 verkeersbewegingen op werkdagen en 1.100 verkeersbewegingen in het weekend. Op basis van de verkeersgeneratie, verkeersstromen en de inrichting van de weg, is de Corridor getoetst op bereikbaarheid, verkeersveiligheid en doorstroming vanuit de principes van Duurzaam Veilig.
Er zijn maatregelen voorgesteld met betrekking tot fietsinfrastructuur, de voorrangssituatie, voetgangers en de snelheid (zie par. 2.5 van het verkeersonderzoek). In onderstaande tabel zijn de maatregelen gelinkt aan de verschillende ontwikkelingen, zodat te herleiden is waarom welke maatregelen worden genomen en in welke mate zij passen bij de lange termijn, wanneer De Corridor mogelijk wordt doorgetrokken richting het noorden bij verdere uitbreiding van het bedrijventerrein.
afbeelding 15: tabel met verkeerskundige maatregelen aan de Corridor (bron: RHDHV, dec. 2021)
De maatregelen worden momenteel uitgewerkt en zullen voorafgaand aan de exploitatie van het afvalscheidingsstation zijn getroffen. Met het treffen van deze maatregelen zal de verkeersafwikkeling op de Corridor sterk worden verbeterd. In het onderzoek van RHDHV (bijlage 8 bij de toelichting) wordt verder een knelpunt benoemd rond de westelijke afrit van de A2. De Provincie Utrecht heeft aangegeven dat de rotonde in 2023 zodanig zal worden aangepast dat filevorming op de A2 kan worden voorkomen. Hiervoor heeft de provincie reeds een investeringsbesluit genomen. Daarmee zijn er geen knelpunten in de verkeersafwikkeling op bestaande infrastructuur te verwachten. Voor de bezoekersstromen van de milieustraat is in het plan ruimte opgenomen voor een opstelstrook aan de buitenzijde van het afvalscheidingsstation. Hiermee wordt voorkomen dat wachtend verkeer op de nieuwe toegangsweg komt te staan en daarmee tot bereikbaarheidsknelpunten kan leiden voor de andere functies in het plangebied. Daarmee zijn ook geen knelpunten in de verkeersafwikkeling op toekomstige infrastructuur te verwachten. 4.7.2 Parkeren Het uitgangspunt voor de ontwikkeling van he tafvalscheidingsstation is dat het parkeren van de verschillende functies op het terrein plaatsvindt. De bezoekers van de milieustraat zullen niet
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
33/45
parkeren. De medewerkers van de milieustraat, het circulair ambachtscentrum, de gemeentewerf en KansisGroen zullen wel parkeerruimte nodig hebben. De gemeente heeft haar parkeernormen opgenomen in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013, Deel B: Beleidsnota parkeren (2015). Er zijn parkeernormen per functie beschreven. Een afvalscheidingsstation is geen functie die in de parkeernota is genoemd. De daadwerkelijke hoeveelheid parkeerplaatsen vraagt dus maatwerk. Met vaststelling van dit bestemmingsplan zal daarom een parkeernorm worden vastgesteld. In het Programma van Eisen voor de nieuwe locatie is vastgelegd dat in het ontwerp het parkeren moet worden opgelost op het terrein. Daarbij is aangegeven wat er per onderdeel wordt verwacht aan parkeerbehoefte. Voor het afvalscheidingsstation komt dit op 5 parkeerplaatsen. Voor de gemeentewerf wordt ingeschat dat er 20 tot 25 parkeerplaatsen nodig zijn (waaronder ook ruimte voor stalling van bedrijfswagens). De parkeerbehoefte voor KansisGroen wordt ingeschat op 20 tot 25 parkeerplaatsen. Voor het gronddepot en het circulair ambachtscentrum zijn geen aparte parkeerplaatsen nodig. Het personeel voor deze functies valt onder de gemeentewerf en parkeert ook daar. Dit komt in totaal op 45-55 parkeerplaatsen. In de uitwerking van het ontwerp wordt dit nader vormgegeven.
4.7.3 Conclusie Het plan leidt tot extra verkeer op de weg Corridor. Voor een goede en veilige verkeersafwikkeling zijn maatregelen voorgesteld met betrekking tot fietsinfrastructuur, de voorrangssituatie, voetgangers en de snelheid op en langs de weg Corridor. Het parkeren wordt opgelost op eigen terrein. Dit is als één van de eisen aan het ontwerp aanvullend ook geborgd in de planregels.
4.8
Bedrijven en Milieuzonering
4.8.1 Algemeen De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied.
Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Milieu-categorie 1
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m
2 3.1
30 m 50 m
10 m 30 m
3.2 4.1
100 m 200 m
50 m 100 m
4.2 5.1
300 m 500 m
200 m 300 m
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
34/45
5.2 5.3
700 m 1.000 m
500 m 700 m
6 1.500 m 1.000 m Tabel 1: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
4.8.2 Betekenis voor het bestemmingsplan De realisatie van een gemeentewerf/afvalscheidingsstation valt onder milieucategorie 3.1. De activiteiten die plaatsvinden bij het circulair ambachtscentrum zijn van een vergelijkbare milieucategorie (sorteren en demonteren van producten). Een gronddepot is niet specifiek benoemd en is te scharen onder de gemeentewerf. KansisGroen kan gezien worden als een bedrijfsgebouw/kantoorgebouw. Dit valt onder milieucategorie 1. Milieucategorie 3.1 heeft een richtafstand van 50 meter in het gebiedstype rustige woonwijk. Binnen deze afstand zijn er geen woningen aanwezig. De bestaande en toegestane woningen liggen op een afstand van ongeveer 200 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden en is geen nader onderzoek nodig. Vanuit het oogpunt van milieuzonering is geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.9
Geluidhinder wegverkeer
4.9.1 Wettelijk kader Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang. Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art.
1 Wgh): • Woningen • Onderwijsgebouwen • Ziekenhuizen en verpleeghuizen • Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) 4.9.2 Conclusie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk. Er is zodoende geen onderzoek nodig in het kader van de Wet geluidhinder.
4.10
Luchtkwaliteit
4.10.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
35/45
stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Woningbouwlocaties van 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.10.2 Onderzoek Op basis van de extra verkeersbewegingen die het plan met zich meebrengt is nagegaan of het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het verkeersonderzoek dart is uitgevoerd, is aangegeven dat het plan leidt tot 700 mvt/etmaal op een werkdag en 1.100 mvt/etmaal in het weekend (alleen zaterdag). Gemiddeld komt dit neer op 660 mvt per weekdag. Het aandeel vrachtverkeer is op 15% ingeschat. Het merendeel van de verkeersbewegingen betreft bezoekers van de milieustraat, maar er zullen ook vrachtwagens komen voor de logistiek. Jaar van realisatie is 2024.
Uit de berekening, die hieronder is getoond, volgt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2024
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
660
Aandeel vrachtverkeer
15,0%
NO2 in μg/m3
0,88
3
0,17
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
4.10.3 Conclusie voor het plan Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
4.11
Externe veiligheid
4.11.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
36/45
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt (zoals woningen). Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.11.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (‘Quick-scan externe veiligheid Afvalscheidingsstation Stichtse Vecht, Aveco de Bondt, 20 oktober 2022). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven.
De functies die binnen het plangebied worden gerealiseerd betreffen geen risicobronnen volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een nadere beschouwing naar de effecten van het plan op de omgeving is vanuit de wetgeving op het gebied van externe veiligheid dus niet benodigd. Vanuit goede ruimtelijke ordening perspectief geldt eventueel nog een richtafstand van 30 meter voor gevaar bij dergelijke functies (uitgaande van categorie ‘gemeentewerf’). Binnen de richtafstand van 30 meter liggen geen voor gevaar gevoelige functies. Uit de inventarisatie blijkt dat rondom het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn. Deze zijn beschouwd in deze rapportage. De conclusies zijn als volgt: • De Rijksweg A2 en het daaraan gelegen tankstation liggen op voldoende afstand en vormen vanuit het perspectief van externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden opgenomen in het besluit, waarin wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. • Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van de spoorlijn Utrecht-Amsterdam en het Amsterdam-Rijnkanaal. In dit kader is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner is dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde.
Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden opgenomen in het besluit, waarin wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. • Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van het Amsterdam-Rijnkanaal. In dit kader is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een groepsrisico. Het is dan ook niet benodigd om een verantwoording af te leggen voor het groepsrisico. • Het plangebied is deels gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied van de spoorlijn Utrecht-Amsterdam. Bebouwing is echter buiten het plasbrandaandachtsgebied gesitueerd. Het plasbrandaandachtsgebied vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De zone van het plasbrandaandachtsgebied is op de verbeelding opgenomen als gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen’. Hierbinnen mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. • Ten westen van het plangebied staan hoogspanningslijnen. Een hoogspanningsleiding valt niet onder het werkingsgebied van wetgeving op het gebied van externe veiligheid. Kaders zoals het plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn dus niet aan de orde. Wel gelden rondom de hoogspanningsleiding beperkingen zoals de magneetveldzone en een belemmeringenstrook.
Aangezien geen sprake is van gevoelige functies is het onwaarschijnlijk
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
37/45
dat de magneetveldzone een beperking vormt. Binnen de belemmeringenstrook gelden bouwbeperkingen, daar is in de plannen rekening mee gehouden. In relatie tot de beoogde ontwikkeling wordt het volgende geconcludeerd: Het aspect externe veiligheid vormt in principe geen belemmering om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken en het bestemmingsplan te wijzigingen. Wel is de Veiligheidsregio Utrecht om advies te verzocht inzake de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid als gevolg van de ligging binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A2 en de spoorlijn Utrecht-Amsterdam. De Veiligheidsregio heeft een vooroverlegreactie gegeven, zie paragraaf 7.2 en de Nota Vooroverleg in bijlage 12. In de vooroverlegreactie van de veiligheidsregio is advies uitgebracht. Dit heeft geleid tot enkele aanvullingen en aanpassingen van de toelichting. Naar aanleiding van de reactie van de VRU is door de gemeente een notitie opgesteld, waarin voor het plangebied adviezen zijn gegeven hoe om te gaan met de verschillende veiligheidsrisico’s. Deze notitie is een opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting. Met de adviezen wordt in de verdere uitwerking rekening gehouden. Gelet op de aard van de functies die mogelijk worden gemaakt, ligt het voor de hand dat het groepsrisico te verantwoorden is, er is hoofdzakelijk sprake van functies met doelgroepen die zelfredzaam zijn.
Uitzondering daarop vormt mogelijk KansisGroen, waar mensen met een arbeidsbeperking komen te werken. In veel gevallen werken deze mensen echter niet op locatie zelf, maar in de buitendienst. Bij de inrichting van het gebied wordt rekening gehouden met de Handreiking Bluswater en Bereikbaarheid (uitgave 2019 van Brandweer Nederland) en wordt rekening gehouden met de uitgangspunten ten aanzien van de afstand tot bluswatervoorzieningen. In het kader van zelfredzaamheid speelt goede (crisis)communicatie richting de werknemers en bezoekers een belangrijke rol. Daarmee wordt de voorgenomen ontwikkeling inpasbaar geacht en het groepsrisico verantwoord geacht. 4.11.3 Conclusie Het plangebied ligt in invloedsgebieden van het groepsrisico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal. Uit de uitgevoerde groepsrisicoberekening volgt dat het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner is dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. Belangrijk is dat er in de planvorming voldoende aandacht is voor de bestrijdbaarheid van incidenten en de zelfredzaamheid van aanwezigen in het plangebied. Door hier voldoende aandacht aan te geven en de Veiligheidsregio Utrecht te betrekken, is aangenomen dat het groepsrisico verantwoordt is.
4.12
Besluit milieueffectrapportage
4.12.1 Wet en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r.. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.-toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. afbeelding 16 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van: • een directe m.e.r.-plicht of • een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of • een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
38/45
afbeelding 16: soorten milieueffectrapportage (bron: Aveco)
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie opgesteld (‘Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Afvalscheidingsstation Breukelen, Aveco de Bondt, 5 december 2023). De notitie is als bijlage 11 opgenomen. De aanmeldnotitie betreft de m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag (de gemeente Stichtse Vecht) kan besluiten of het mogelijk maken van de ontwikkeling al dan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure (waaronder het opstellen van een milieueffectrapportage). De voorgenomen ontwikkeling betreft onder andere een milieustraat.
Deze activiteit valt onder categorie D 18.1 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (“De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7.”). Hierdoor is op de voorbereiding van het bestemmingsplan het Besluit milieueffectrapportage van toepassing. De drempelwaarde (kolom 2) bij categorie D 18.1 wordt niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hieronder is de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. 4.12.3 Uitkomst van de m.e.r.-beoordeling De voorgenomen planontwikkeling leidt in beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Voor alle onderzochte aspecten geldt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Er is voor het bestemmingsplan geen milieueffectrapportage nodig.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
39/45
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
40/45
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf – Nutsvoorziening (artikel 3) Voor het terrein waar het afvalscheidingsstation, de gemeentewerf, KansisGroen, het circulair ambachtscentrum en het gronddepot komt is de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ opgenomen. Binnen het terrein is het mogelijk om bebouwing, bouwwerken, geen gebouwen zijnde te realiseren en verhardingen aan te brengen. Voor gebouwen geldt dat maximaal 70% van het bestemmingsvlak mag worden bebouwd. Ook geldt een maximum bouwhoogte van 12 meter voor gebouwen. Daarmee is ruimte geboden om de nieuwe functies in een gebouw met meerdere verdiepingen onder te brengen (gestapeld). Het terrein dient veilig te worden afgesloten buiten de openingstijden. Er zijn erf- en terreinafscheidingen toegestaan van maximaal 3 meter hoog. De gevels van de nieuwe bebouwing dienen de dominante kavelrichting te volgen. Hiervoor is in het bestemmingsplan een gevellijn opgenomen op de verbeelding en in de regels is opgenomen dat de voorgevel van het hoofdgebouw evenwijdig dient te staan aan deze gevellijn. Ook is een minimale afstand opgenomen ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen om zo de openheid van het gebied te bewaken.
Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 3.5.2. Hierin is vastgelegd dat de beplanting die in het groenplan is voorzien (zie paragraaf 2.2.2), dient te worden aangelegd en in stand moet worden gehouden. Daarmee is gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Groen (artikel 4) De groenblauwe landschapszone die aan de voorzijde (westzijde) van het afvalscheidingsstation dient te komen, heeft de bestemming ‘Groen’ gekregen. Hierbinnen komt ook het nieuwe water ten behoeve van de compensatieopgave. Binnen de bestemming zijn groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk. Zoals beschreven in paragraaf 2.2 is er een nieuwe bedrijfskavel voorzien ten zuiden van het nieuwe afvalscheidingsstation. De nieuwe bedrijfskavel zal aansluiten op de nieuwe ontsluitingsweg die in het plan voor het afvalscheidingsstation is opgenomen. In de landschapsstudie is één ontsluitingsweg opgenomen aan de zuidzijde van deze kavel. Er wordt nagedacht over een mogelijke tweede ontsluiting aan de noordzijde van de bedrijfskavel. Daarom is in dit bestemmingsplan voor het afvalscheidingsstation een regeling opgenomen om dit toe te voegen. Er is een functieaanduiding ‘weg’ opgenomen in de groenbestemming. Hier is het mogelijk om af te wijken van het toegestane gebruik om een ontsluitingsweg te realiseren.
Dit is enkel mogelijk ter hoogte van de aanduiding. Verkeer - Verblijfsgebied (artikel 5) De ontsluitingsweg vanaf het bestaande deel van het bedrijventerrein De Corridor en de twee toegangen naar het afvalscheidingsstation zijn geregeld met de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Hierbinnen vallen de nieuwe weg en de naastgelegen voet- en fietspaden. De bestemming is bewust iets breder gehouden, zodat in de verdere uitwerking naar de definitieve inrichting nog beperkte ontwerpwijzigingen mogelijk zijn. Binnen de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied is ook groen en water toegestaan. Leiding - Aandachtzone hoogspanningsverbinding (artikel 6) en Leiding - Hoogspanningsverbinding (artikel 7) Onder de hoogspanningsverbinding geldt een zone waar (hoogte)beperkingen gelden voor bouwwerken en voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Hiervoor is de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding (artikel 7) opgenomen. De dubbelbestemming is
Bestemmingsplan Afvalscheidingsstation Breukelen, Vastgesteld
41/45
opgenomen met het oog op het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsverbinding. Er mogen pas bepaalde werkzaamheden plaatsvinden of bouwwerken worden gebouwd nadat advies is ingewonnen van de netbeheerder. Aan weerzijden van de dubbelbestemming ligt een aandachtzone, waarvoor de dubbelbestemming Leiding - Aandachtzone hoogspanningsverbinding (artikel 6) is opgenomen. Deze zone is opgenomen om bij het gebruik van voertuigen met een werkhoogte van 10 meter of hoger (zoals hijskranen) in de nabijheid van de hoogspanningsverbinding uit voorzorg af te stemmen met de netbeheerder en om advies te vragen. Waarde – Archeologie 5 (artikel 8) Zoals in paragraaf 4.2 van deze toelichting is aangeven is in het bestemmingsplan een beschermingsregime opgenomen voor het gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde, te weten ‘Waarde – Archeologie 5’. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ geldt dat bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 10 hectare of groter, die dieper reiken dan 0,30 m beneden het maaiveld, er rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Zowel in de verbeelding als in de planregeling is dit tot uitdrukking gebracht.
Centraal uitgangspunt daarbij is dat de ingrepen pas mogelijk zijn, nadat op basis van voldoende onderzoek is aangetoond dat mogelijke archeologische waarden niet worden teniet gedaan en/of voldoende zeker worden gesteld. Waterstaat - Waterkering (artikel 9) Ter bescherming van de waterkering langs het kanaal is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitbepalingen en algemene bepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om: Anti-dubbeltelregel (artikel 10) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene bouwregels (artikel 11) In dit artikel zijn bouwregels opgenomen voor ondergrondse bouwwerken. Algemene gebruiksregels (artikel 12) Parkeernormen In artikel 12.1 zijn de regels opgenomen die gelden voor het parkeren. Er is hiervoor verwezen naar het meest actuele parkeerbeleid. Algemene aanduidingsregels (artikel 13) In artikel 12.1 zijn regels opgenomen die gelden binnen de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen’.