1a. Ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen.pdf
Tekst van het document
• •
De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwekking van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. Wanneer de gemeente zelf geen eigenaar is van de grond, worden ontwikkelaars gestimuleerd duurzame (NOM) ontwikkelingen te initiëren. De gemeente laat de ambitie zwaar wegen bij haar keuze voor een projectontwikkelaar. Afspraken hierover worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten.
Opties voor verduurzaming: • Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken. Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen. • Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. • Een collectieve bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden. Door een collectieve bodemwarmtepomp worden schaalvoordelen benut en kan gebruik worden gemaakt van zonnewarmte waardoor de warmtepomp alleen bij te onvoldoende zonne-energie zal functioneren. • Zonnecollector: Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen.
Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. • PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting. Planspecifiek In de bestaande situatie wordt op Oostwaard 9 energie reeds op een duurzame manier opgewekt. Om de boerderij te verwarmen wordt gebruik gemaakt van aardwarmte door middel van een warmtepomp. De verbouwde stal en de tussenschuur zullen verwarmd worden met luchtverwarming die aangesloten wordt op de bestaande warmtepomp. Op de deel (op de BGG) is dit niet mogelijk vanwege de maximale capaciteit van het aardwarmtesysteem en de in de stal behouden authentieke vloerelementen zoals gruppen, voergoten, waterdrinkbakjes, etc. Daarom wordt daar met hoogrendement houtkachels verwarmd. Als onderdeel van de verbouw voor de nieuwe activiteiten zullen de losstaande schuren geïsoleerd worden. Hierbij zal minimaal aan de huidige bouweisen voldaan worden. De gevels van de schuren die op het zuiden/zuidwesten gericht zijn zullen voorzien worden van grote glazen delen zodat er gebruik gemaakt kan worden van natuurlijke warmte. Tot slot zullen bij aanpassing van de schuur tot recreatie-appartementen daken van zonnepanelen voorzien worden.
Dit plan voldoet daarmee aan de ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zoals vastgelegd in de Woonvisie 2017-2022.
Pagina 46 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
5 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Het bestemmingsplan ‘Oostwaard 9’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het wijzigen van een woonbestemming naar gemengde bestemming, waarbij naast de functie wonen ook culturele activiteiten, horecavoorzieningen en verblijfsrecreatie mogelijk gemaakt worden. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het direct aangrenzende bestemmingsplan ter plaatse ‘Oud Zuilen en Op Buuren” en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels. Pagina 47 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
De bestemmingen In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Agrarisch met waarden De gronden met de bestemming agrarisch met waarden krijgen dezelfde bestemming en regels als opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Oud Zuilen en Op Buuren e.o’. De enige aanvulling op deze bestemming is, dat aangeduid is waar het parkeren voor de gemengde bestemming is toegestaan. Ten tweede is aangegeven waar het kleinschalig kamperen (conform het beleid van kamperen bij de boer) is toegestaan. Artikel 4 Gemengd De bestemming ‘Gemengd’ is opgenomen om de benoemde diverse activiteiten in het bestemmingsplan mogelijk te maken. Omdat het diverse activiteiten zijn zoals wonen, horeca, maatschappelijk en cultuur is Gemengd de meest geëigende bestemming. In de planregels is opgenomen dat de bestaande karakteristieke bebouwing gehandhaafd moet blijven. Er is een beperkte uitbreiding aan bijgebouwen toegestaan. Artikel 5 Groen De gronden langs de Vecht zijn bestemd als Groen. Deze bestemming is gekopieerd uit het vigerende bestemmingsplan Op Buuren Oud Zuilen e.o. Er zijn geen wijzigingen in de regels aangebracht. Artikel 6 Tuin - 1 In het plangebied zijn de gronden voor de bestaande bebouwing bestemd als Tuin - 1.
De regels voor Tuin – 1 zijn overeenkomstig de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Oud Zuilen en Op Buuren e.o’. Deze regels hebben als doel om de uitstraling van de karakteristieke boerderij te behouden. Zo zijn op deze gronden geen schuren en of hoge erfafscheidingen toegestaan. Artikel 7 Verkeer De doorgaande weg, de Oostwaard, langs de Vecht is bestemd als Verkeer. Deze bestemming is gekopieerd uit het vigerende bestemmingsplan Op Buuren Oud Zuilen e.o. Er zijn geen wijzigingen in de regels aangebracht. Artikel 8 Water In het plangebied zijn de bestaande watergangen met de bestemming ’Water’ opgenomen. De regels voor Water zijn overeenkomstig de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Oud Zuilen en Op Buuren e.o’. Artikel 9 Waarde – Archeologie 3 Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden waar mogelijk archeologische waarden in de grond zitten aangeduid met archeologische waarde. Door middel van deze dubbelbestemming blijven de eventueel aanwezige waarden in de ondergrond afdoende beschermd.
Pagina 48 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Artikel 10 Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen om in aanvulling op de enkelbestemming voldoende rekening te houden met de aspecten ten aanzien van waterstaatwerken en het daarbij behorende beheer van die waterstaatwerken dan wel het behoud van de aldaar aanwezige ecologische kwaliteit.
Pagina 49 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
6 Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Verslag inspraak en artikel 3.1.1 Bro overleg Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan organisaties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De provincie Utrecht heeft gereageerd met een aantal opmerkingen. Hieronder volgt een korte omschrijving en hoe de opmerkingen verwerkt zijn in het bestemmingsplan. Algemeen Het streven om de cultuurhistorische boerderij te behouden wordt door de provincie gewaardeerd. Bij de invulling van de voormalige machineschuur en schapenstal denkt de provincie graag mee. Bij de toekomstige (her)bouw van de schuur en stal zal er met de provincie overlegd worden. Parkeervoorziening De realisatie van de 8 parkeerplaatsen langs de inrit zorgt volgens de provincie voor verdichting van de openheid van het landschap. De provincie raadt aan om de parkeerplaatsen te clusteren op of aan het erf. In de parkeerparagraaf in het bestemmingsplan is beredeneerd dat parkeren op het erf niet mogelijk is vanwege ruimtegebrek. De mogelijkheid om een parkeerzone achter het erf aan te leggen is echter ook niet wenselijk, aangezien dat eveneens zorgt voor verstoring van het open landschap vanaf de Oostwaard gezien.
De voorgestelde parkeeroplossing langs de inrit met lindebomen wordt beredeneerd de minst verstorende oplossing te zijn. Kernrandzone In het bestemmingsplan werd expliciet verwezen naar het provinciale kernrandzonebeleid. De provincie achtte de toepassing van dit artikel uit de PRV niet op zijn plaats. De alinea over de kernrandzone is daarom verwijderd uit het bestemmingsplan.
Pagina 50 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
6.2.2 Verslag zienswijzen Het plan zal tevens gedurende de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage liggen, waarbij gelegenheid wordt geboden voor het indienen van zienswijzen.
Pagina 51 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
7 Bijlagen 1. Archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, RAAP Archeologisch Adviesbureau, drs. K. Wink & drs. A .Viersen, RAAP-rapport 3080, 21 januari 2016 2. Archeologische bureauonderzoek Oostwaard 9 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, Bureau voor Archeologie, A. de Boer, Rapport 327, 27 juni 2016 3. Advies Veiligheidsregio Utrecht – Oostwaard 9
Pagina 52 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen
Regels
bestemmingsplan “Oostwaard 9” Planstatus: ontwerp Plan identificatie: NL.IMRO.1904. BPOostwaard9MRS-OW01
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels .............................................................................................................................3 Artikel 1 Begrippen .........................................................................................................................3 Artikel 2 Wijze van meten ............................................................................................................. 13 2 Bestemmingsregels .......................................................................................................................15 Artikel 3 Agrarisch met waarden ................................................................................................... 15 Artikel 4 Gemengd ........................................................................................................................ 18 Artikel 5 Groen.............................................................................................................................. 20 Artikel 6 Tuin - 1 ............................................................................................................................ 22 Artikel 7 Verkeer ...........................................................................................................................
23 Artikel 8 Water.............................................................................................................................. 24 Artikel 9 Waarde - Archeologie 3 ................................................................................................... 25 Artikel 10 Waterstaat - Waterkering.............................................................................................. 28 3 Algemene regels ............................................................................................................................30 Artikel 11 Anti-dubbeltelregel ....................................................................................................... 30 Artikel 12 Algemene bouwregels ................................................................................................... 30 Artikel 13 Algemene gebruiksregels .............................................................................................. 31 Artikel 14 Algemene aanduidingsregels ......................................................................................... 31 Artikel 15 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................ 32 Artikel 16 Algemene wijzigingsregels.............................................................................................
33 Artikel 17 Overige regels ............................................................................................................... 33 4 Overgangs- en slotregels ...............................................................................................................34 Artikel 18 Overgangsrecht ............................................................................................................. 34 Artikel 19 Slotregel........................................................................................................................ 35
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen plan: het bestemmingsplan ‘Oostwaard 9' van de Gemeente Stichtse Vecht. bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1904.BPOostwaard9MRS-OW01 met de bijbehorende regels en bijlagen. aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. achtererf: de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevelrooilijn. achtergevelrooilijn: de denkbeeldige lijn in het verlengde van de achtergevel van het hoofdgebouw. afhankelijke woonruimte (i.v.m. mantelzorg): een onderdeel van het hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk bij een woning dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. afvalinzamelsysteem: geheel of gedeeltelijk onder peil gelegen bouwwerken/voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval, glas en dergelijke.
agrarisch beheer: het beheren en onderhouden van gronden, gericht op het voortbrengen van producten en behoud en herstel van het cultuurlandschap en natuurwaarden door middel van het telen van gewassen en/of het (hobbymatig) houden van dieren. Intensieve vormen van agrarische productie en (boom)kwekerijen zijn niet toegestaan. agrarisch bouwperceel: aaneengesloten terrein, waarbinnen bedrijfsgebouwen, bijgebouwen, bedrijfs-woning(en) met bijbehorend erf en tuin, andere bouwwerken zoals hooibergen, voersilo’s, kuilvoerplaten, mestopslag, erfverharding, parkeervoorzieningen en erfbeplanting zijn geconcentreerd; ambachtelijk en verzorgend bedrijf: een bedrijf voor de uitvoering van producerende en/of verzorgende ambachten, waar voor een belangrijk deel in handwerk goederen worden vervaardigd, verwerkt, bewerkt, geïnstalleerd of hersteld, voornamelijk direct ten behoeve van de uiteindelijke gebruiker en/of verbruiker.
3
ambulante handel: de verkoop en het te koop aanbieden, alsmede de uitstalling daarvan, van waren aan consumenten buiten vestigingen. Onder ambulante handel wordt mede verstaan (week)markten, standplaatsen buiten de markten en het venten. antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. archeologische waarde: de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden. architectonische waarde: de authentieke kenmerken in de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken welke eigen zijn aan een bepaalde kunsthistorische stijlperiode of een bouwvorm, welke karakteristiek is aan gebouwen uit een bepaalde streek, waarbij in hoofdzaak gelet wordt op onder meer de uitwendige hoofdvorm van een gebouw, bepaald door grondoppervlak, goothoogte, dakhelling, nokrichting en -hoogte en de gevelindeling. atelier: werkplaats van een beeldend kunstenaar, waarbij detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van ter plaatse vervaardigde producten is toegestaan. bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
bebouwingspercentage: de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel. In geval van meerdere eigenaren wordt het percentage naar rato van het oppervlak van het in eigendom zijnde perceel bepaald. bed and breakfast: een activiteit ondergeschikt aan een woning die gerund wordt door de eigenaren tevens bewoners van de betreffende woning, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van toeristisch nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is. bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. bedrijf aan huis: een bedrijf of het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat niet krachtens milieuregelgeving vergunnings- of meldingsplichtig is, waaronder een kappersbedrijf, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
Detailhandel, horeca, kinderdagverblijven, seksinrichtingen, prostitutie, koeriersbedrijven en (personen)transport vallen hier niet onder.
4
bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. bedrijfsvloeroppervlak: de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels, instellingen of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. begraafplaats: een locatie waar overledenen worden begraven dan wel worden bijgezet in een urnenmuur of urnenveld. beperkt kwetsbaar object: a. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, dienst- en bedrijfswoningen van derden, sporthallen, b. zwembaden en speeltuinen; c. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder c, vallen; d. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder d, vallen; e.
objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn; f. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval. beroep aan huis: een dienstverlenend beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel, horeca, kinderdagverblijven, seksinrichtingen, prostitutie, koeriersbedrijven en (personen)transport vallen hier niet onder.
beschermd monument: een onroerend monument, aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet als beschermd monument, en ingeschreven in het door het rijk bijgehouden rijksmonumentenregister. bestaande situatie: a. bij bebouwing: een legaal bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van de terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders bepaald;
5
b. bij gebruik: het legale gebruik dat bestaat op het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, danwel nadien kan worden gebruikt krachtens een verleende vergunning, tenzij in de regels anders bepaald. bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. bijbehorend bouwwerk: een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. bijzondere woonruimte: woonruimte waarin, al dan niet zelfstandige, woningen zijn opgenomen met gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een bejaardenhuis, woonzorg-complex of daarmee gelijk te stellen voorziening. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. bouwgrens: de grens van een bouwvlak. bouwlaag: een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder indien deze lager zijn dan 2,1 m en niet normaal beloopbaar zijn.
bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolgde de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond. cultuurhistorische waarde: de aan een (samenstel van) bouwwerk(en) of gebied toegekende waarde in verband met het beeld dat door het gebruik in de loop van de geschiedenis is ontstaan, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.
6
detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. dienstverlening/maatschappelijke dienstverlening: een (naar openingstijden grotendeels) met een winkel vergelijkbare onderneming die is gericht op het verlenen van diensten aan particulieren, zoals reisbureaus, kapsalons, banken en (para) medische dienstverlening zulks met uitzondering van horecaondernemingen en erotisch getinte horeca). educatieve en of culturele bijeenkomsten; Het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur, educatie en ontspanningen, waaronder begrepen: muziek- theatervoorstellingen, lezingen, dabatten cursussen, trainingen en daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde een algemeen openbare horecagelegenheid zoals een café. erf: een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover de bestemming deze inrichting niet verbiedt.
erotisch getinte vermaaksfunctie: een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal. evenement: een één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak zoals sportmanifestaties, concerten, bijeenkomsten, voorstellingen, thematische beurzen en markten. extensief recreatief medegebruik: een vorm van openluchtrecreatie waarbij vooral het landschap of bepaalde delen ervan sterk beleefd worden, waarbij weinig of geen gebouwde voorzieningen nodig zijn en waarbij tevens in het algemeen het aantal recreanten per oppervlakte-eenheid beperkt is, zoals wandelen, fietsen, vissen, picknicken, verpozen en natuur- en landschapsbeleving; onder extensieve recreatie wordt in ieder geval niet begrepen lawaaisporten. galerie: ruimte voor het exposeren en verkopen van kunstwerken. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. geluidsgevoelig object: woningen, alsmede gebouwen, terreinen en ruimten als bedoeld in de Wet geluidhinder. hoofdgebouw: een gebouw dat, gezien zijn bestemming, vorm of gebruik, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.
7
hoogtescheidingslijn: een op de verbeelding binnen een bouwvlak aangegeven lijn waarmee de scheiding tussen twee binnen dat bouwvlak aangegeven hoogteaanduidingen wordt weergegeven. horeca: een onderneming die in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. Hierbij wordt de volgende onderverdeling gehanteerd: •
•
• •
• •
Categorie 1: Overnachtingsmogelijkheden o A: Bed & Breakfasts o B: Hotel <10 kamers o C: Hotel >10 kamers Categorie 2: Daghoreca o A: Ondersteunende horeca o B: o.a. Lunchrooms Categorie 3: Fastfood: o cafetaria, grillroom etc Categorie 4: Avondhoreca o A: restaurant/ eetcafé o B: restaurant fastfood/ Wok Categorie 5: Avondhoreca o Café, bier- en wijnconcepten Categorie 6: Avondhoreca o discotheek, partycentrum
huishouden: persoon of groep personen die een huishouding voert, niet zijnde (bedrijfsmatige) kamerbewoning/kamerverhuur. huishouding: regeling van het huishouden, familieleven, huisgezin. kamerbewoning/kamerverhuur: het gebruik van een hoofdgebouw of met het hoofdgebouw verbonden bijbehorende bouwwerken door meer dan één zelfstandig huishouden. Kampeermiddelen: niet als een bouwwerk aan te merken vouwwagen, kampeerauto, caravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen zoals een yurt of tipitent, dat bestemd is voor tijdelijk recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. kantoor: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen / het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij afnemers niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord worden gestaan en geholpen. kap: een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk waarbij bij een horizontale projectie ten minste 50% van het gebouw wordt afgedekt met hellende dakvlakken.
8
karakteristiek: een onroerend monument, gebouw, bouwwerk of beplanting aangemerkt als karakteristiek vanwege de karakteristieke waarde in het straatbeeld, zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, en waarvan het behoud van belang is. kelder: een grotendeels ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorend bovengronds bouwwerk. kelderingang: een constructie die dient voor de toegang tot een kelder. kelderkoekoek: een uitgebouwde constructie van beperkte omvang aan de buitenzijde van de kelderwand die dient voor daglichttoetreding en/of ventilatie van de kelder. Als uitgebouwde bak wordt het ook wel een lichtkolk of vossengat genoemd, een lange doorgaande koekoek ook wel een wolfskuil. kwetsbaar object: a. woningen, niet zijnde woningen als bedoeld bij de definitie voor beperkt kwetsbare objecten; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object; 2.
complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. landschapswaarden: de aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch en/of geomorfologisch opzicht. landwinkel ondergeschikte detailhandel gericht op de verkoop van lokaal geproduceerde producten. ligplaats: een plaats voor het aanleggen van vaartuigen. maatschappelijke voorzieningen: culturele, educatieve, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, (buitenschoolse) kinderopvang, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.
9
mantelzorg: het anders dan bedrijfsmatig bieden van zorg aan een of meer leden van een huishouding, die hulpbehoevend is of zijn op het fysieke, psychische en/of sociale vlak. natuurwaarden: de aan een gebied eigen zijnde ecologische waarden. nevenactiviteit: een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat. normaal onderhoud, gebruik en beheer: een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt. nutsvoorzieningen: gebouwde dan wel ongebouwde voorzieningen ten behoeve van algemene nutsdoeleinden zoals de watervoorziening, afval, energievoorziening of het (tele)communicatie-verkeer. objecten met cultuurhistorische waarde: bebouwing met cultuurhistorische waarde waaronder naast het hoofdgebouw tevens de (aangebouwde) voormalige bedrijfsgedeelten vallen die, gelet op de oorspronkelijke functie en bouwwijze, een wezenlijk onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke (bedrijfs)bebouwing; hieronder vallen niet latere aan- of uitbouwen (erfbebouwing) zonder cultuurhistorische waarde. ondergeschikte functie: functie die ondergeschikt is aan de hoofdfunctie.
ondergeschikte detailhandel: detailhandel vanuit vestigingen/voorzieningen die als hoofdactiviteit geen detailhandel hebben en waarvan de detailhandelsfunctie in ruimtelijk, funtioneel en inkomenswervend aantoonbaar ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie. ondergeschikte horeca: horeca vanuit vestigingen/voorzieningen die als hoofdactiviteit geen horeca hebben en die in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie zoals een kantine bij een sportaccommodatie. overkapping: een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het gebruiksgenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren. perceelsgrens: een grenslijn tussen bouwpercelen onderling. perifere detailhandel: detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen en detailhandel in ABC-goederen (auto's, boten en caravans), tuincentra, bouwmarkten, detailhandel in grove bouwmaterialen, keukens en sanitair
10
alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling (en uit dien hoofde niet binnen de aangewezen winkelconcentratiegebieden gevestigd kunnen worden). prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding. recreatie: vrijetijdsbesteding die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, trimmen, fietsen, paardrijden, vissen, zwemmen, roeien, kanoën etc. recreatieappartement; een deel van een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun vaste hoofdverblijf elders hebben. Het permanent bewonen van het gebouw is niet toegestaan. seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
speelterrein: een terrein dat erop gericht is om in de openlucht speel- en recreatiemogelijkheden te bieden en waarop speelvoorzieningen kunnen worden geplaatst. speelvoorziening: een voorziening, die erop gericht is om in de openlucht speel- en recreatiemogelijkheden te bieden. standplaats: een plek in het openbaar gebied waar ambulante handelaren een dagdeel, dag en/of een aantal dagen per week waren kunnen verkopen. straatmeubilair: bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen, zoals: a. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken; b. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame (inclusief de reclame zelf); c. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van niet meer dan 50 m³ en een hoogte van niet meer dan 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen; d. (ondergrondse) afvalinzamelsystemen. steiger: een constructie langs of dwars op een oever die als aanlegplaats voor schepen dient. streefpeil: het reglementair vastgestelde waterpeil dat door de beherende instantie wordt nagestreefd.
11
terras: een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. voedselbos: een voedselbos is primair een natuurlijke, duurzame landbouwmethode gericht op eetbare productie. volumineuze detailhandel: detailhandel in goederen, die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, woning- en tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair. voorerf: de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn voor de voorgevelrooilijn. voorgevel: de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt. voorgevelrooilijn: Een naar de weg of het openbaar gebied gekeerde bouwgrens; bij percelen op de hoek van straten/paden geldt dat langs beide straten/paden een voorgevelrooilijn is gelegen. vrijstaand: bebouwing waarbij de gebouwen aan beide zijden niet tegen een al dan niet op een ander bouwperceel gelegen gebouw zijn gebouwd.
waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit., waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater. (kunst)werk: bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening. woning/wonen/wooneenheid: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. zijerf: de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn achter de voorgevelrooilijn en vóór de achtergevelrooilijn.
12
Artikel 2 Wijze van meten Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten: 1.
algemeen: bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.
2.
afstand: de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.
3.
bebouwde oppervlakte van een bouwperceel, bouwvlak of ander terrein: buitenwerks boven peil, met dien verstande, dat de grondoppervlakten van alle op een terrein gelegen bouwwerken worden opgeteld.
4.
bedrijfsvloeroppervlakte (bvo): binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten, worden opgeteld.
5.
bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
6.
bouwhoogte van een antenne-installatie: in geval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
7.
ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenneinstallatie.
8.
breedte van een bouwperceel: tussen de twee zijdelingse perceelsgrenzen, gemeten in de bebouwingsgrens of (rooi)lijn.
9.
breedte van een bouwwerk: buitenwerks en/of het hart van scheidingsmuren en evenwijdig aan de betreffende gevel.
10.
dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
11.
diepte van een bouwwerk: buitenwerks (en/of het hart van scheidingsmuren) en haaks op de betreffende gevel.
12.
goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat bij een lessenaarsdak het laagste punt van het dak als goothoogte wordt aangemerkt.
13
13.
hoogte van een windmolen: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windmolen.
14.
horizontale diepte van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.
15.
inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen.
16.
insteek van watergangen: vanaf de insteek die wordt gevormd door de snijlijn tussen het schuine talud van de oever en het maaiveld.
17.
oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
18.
oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
19.
peil: a. b.
c.
d. e.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het oorspronkelijke aansluitende terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw; indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land; voor een brug: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van het land- danwel bruggenhoofd.
20.
verticale diepte van een ondergronds bouwwerk: van het peil tot aan de bovenkant van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.
21.
Ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden stoepen, stoeptreden, trappen, funderingen, kelderkoekoeken, erkers, plinten, pilasters, kozijnen, gevel- en kroonlijsten, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt en overige ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.
14
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden veehouderijbedrijven of agrarisch beheer; b. met behoud en versterking en herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen zijnde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. c. verkoop van streekeigen producten als nevenfunctie; d. extensief recreatief medegebruik; e. hoogstamboomgaard; f. moestuin; g. tevens een voedselbos ter plaatse van de aanduiding ‘voedselbos’ h. tevens voor maximaal 15 kampeermiddelen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kamperen’. met daarbij behorende: l. erven; m. bouwwerken; n. groenvoorzieningen en water; o. kleinschalige recreatieve voorzieningen; p. overig functioneel met de bestemming verbonden voorzieningen;
3.2 Bouwregels Op de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend de volgende bouwwerken en of bouwwerken geen gebouwen zijnde gebouwd worden: a. erf- of terreinafscheidingen met een maximale hoogte van 1,5 meter; b. 1 schuilstal voor vee met een maximale oppervlakte van 25 m2 en een bouwhoogte van 2,5 meter; c. 1 opstal ten behoeve van het huisvesten van insecten (bijenkasten) met een maximaal oppervlakte van 10 m2 en een maximale bouwhoogte van 2,5 meter, waarbij geldt dat tenminste 30 meter afstand tot gevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering, aangehouden moet worden zoals.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Ten behoeven van de bouw van een paardenbak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 voor het bouwen van een paardenbak, met dien verstande dat: a. de paardenbak uitsluitend binnen het aangrenzende bouwvlak mag worden gerealiseerd dan wel deels buiten het bouwvlak indien dit aantoonbaar wegens gebrek aan ruimte op het bouwvlak of vanwege de geldende afstandsmaten tot woningen van derden noodzakelijk is; b. de oppervlakte van een paardenbak ten hoogste 800 m2 mag bedragen; c. per bouwvlak ten hoogste één paardenbak is toegestaan; d. het aantal eenhoevigen ten hoogste 5 mag bedragen (onbeperkt voor bedrijfsmatige activiteiten); e. de afstand van de paardenbak tot de woning of bedrijfsbebouwing op het eigen bouwvlak ten hoogste 50 m mag bedragen;
15
f.
de afstand tussen een paardenbak en een woning van derden ten minste 50 m moet bedragen tenzij deze afstand niet mogelijk is in welk geval de afstand ten minste 25 m bedraagt en door middel van te treffen maatregelen geen hinder is te verwachten voor omwonenden; g. er geen lichtmasten gerealiseerd mogen worden buiten het bouwvlak; h. de bouwhoogte van omheiningen niet meer dan 1,7 m mag bedragen; i. de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in artikel 3 lid 1 aanhef niet onevenredig worden aangetast.
3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Algemeen Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gelden in aanvulling op het gestelde in artikel 3 lid 1 de volgende regels: a. Het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens is niet toegestaan. b. de oppervlakte ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen bedraagt ten hoogste 25% van de agrarische gronden; c. buitenopslag anders dan ten behoeve van het krachtens de bestemming en aanduidingen toegestane gebruik en hoger dan 4 m is niet toegestaan; d. Ter plaatse de aanduiding voedselbos mag ten hoogste 40% van de gronden beplant worden met opgaande beplantingen. artikel 3 lid 6.1 is overeenkomstig van toepassing.
3.4.2 Ten behoeve van kleinschalig kamperen Kleinschalig kamperen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - extensieve recreatie' geldt dat: a. b. c. d.
het aantal kampeerplekken bij het gemengde bouwvlak niet meer dan 15 bedraagt; kleinschalig kamperen is uitsluitend toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober. de maximale oppervlakte van het kampeerterrein niet meer dan 1.500 m² bedraagt; de sanitaire en overige voorzieningen ten behoeve van de camping worden gerealiseerd binnen het gemengde bouwvlak waarbij het maximaal te bebouwen oppervlakte in het bouwvlak niet overschreden mag worden; e. de kampeermiddelen een niet-permanent karakter bezitten zoals tenten, toercaravans, campers; f. er geen permanente bewoning of huisvesting plaatsvindt; g. de afstand van kampeermiddelen tot geluidsgevoelige bestemmingen niet minder bedraagt dan 50 m; h. de kampeeractiviteiten niet noodzaken tot aanpassing of verharding van de openbare infrastructuur; i. het parkeren op eigen terrein wordt opgelost; j. cumulatie met andere kleinschalige kampeerterreinen en / of reguliere campings is niet toegestaan.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Afwijken ten behoeve van opgaande beplanting voedselbos Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 4.1 sub d ten behoeve van het percentage opgaande beplanting in het voedselbos met dien verstande dat: a. het percentage opgaande beplanting verhoogd mag worden tot maximaal 40%; b. aangetoond is dat de (agrarische) gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig worden aangetast;
16
c. aangetoond is dat landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in 'Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur' niet onevenredig worden aangetast; a. het bevoegd gezag wint, alvorens over de afwijking te beslissen, schriftelijk advies in bij een deskundige inzake natuur, landschap en cultuurhistorie met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder sub c wordt voldaan..
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning a. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen of verharden van (kavel)wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 3. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds; 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; 5. aanbrengen en/of verwijderen van opgaande beplanting.
3.6.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod a. Het verbod als bedoeld in artikel 3 lid 6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. binnen het bouwvlak plaatsvinden; 2. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
3.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 lid 6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in artikel 3 lid 1 sub b en niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
3.6.4 Advies a. Het bevoegd gezag kan uitsluitend vergunning verlenen als bedoeld in artikel 3 lid 6.1 na schriftelijk advies van een deskundige inzake de te beschermen waarden.
17
Artikel 4 Gemengd 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen ten behoeve van één wooneenheid; b. maatschappelijke doeleinden; c. agrarisch medegebruik ten behoeve van gebruik omliggende bestemming 'Agrarisch met waarden'; d. (kook-)cursussen, vergaderingen, seminars, yoga-, meditatieactiviteiten in één of meerdaagse bijeenkomsten inclusief ondersteunende horeca; e. educatieve en of culturele bijeenkomsten, zoals muziek-, theatervoorstellingen en of exposities inclusief ondersteunende horeca; f. horeca categorie 1A, 1B, 2A en 2B zoals bedoeld in artikel 1, waarbij geldt dat voor horeca categorie 1B maximaal 7 kamers en 3 recreatieappartementen zijn toegestaan; g. landwinkel; h. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de woning(en); i. evenementen met daarbij horende: j. tuinen en erven; k. (ontsluitings)wegen en paden; l. parkeervoorzieningen; m. groenvoorzieningen; n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; o. overige functioneel met de bestemming 'Gemengd' verbonden voorzieningen.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken; b. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goothoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan; d. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; e. Het maximum bouwvolume woning mag niet meer bedragen dan 800 m3 danwel maximaal het bouwvolume dat aanwezig was ten tijde van het ter inzage legging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan.
4.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak opgericht worden; b. bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd. c. de goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,30 m. d. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3,5 m. e. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogte 7 m.
18
f.
vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen te zijn voorzien van een meerzijdig hellende kap, met dien verstande dat een volledig plat dak is toegestaan indien het bijbehorende bouwwerk niet zichtbaar is vanaf het openbaar gebied; g. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken in de vorm van overkappingen bedraagt ten hoogste de maximaal toegestane goothoogte; h. het oppervlak van bijbehorende bouwwerken, inclusief de bijbehorende bouwwerken met de aanduiding karakteristiek, mag maximaal 450 m2 bedragen.
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1,5 m. b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m. c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
4.3 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming ‘Gemengd’ gelden in aanvulling op het gestelde in artikel 4.lid 1 de volgende regels: a. het aantal personen wat aanwezig mag zijn bij de onder 4.1.d genoemde activiteiten bedraagt maximaal 50; b. het aantal personen wat aanwezig mag zijn bij de onder 4.1.e. genoemde activiteiten bedraagt maximaal 120; c. er mogen maximaal 7 kamers voor 2 personen per kamer, en 3 recreatieappartementen voor maximal 4 personen per appartement, worden gebruikt ten behoeve van overnachtingen zoals bedoeld in artikel 4.1.f; d. ten aanziende van het gesteld in artikel 4 lid 1 sub f voor horeca categorie 2A geldt dat met ondersteunende horeca ten behoeve van de bestemming gemengd in ieder geval bedoeld wordt: ontbijten, lunches en (avond)maaltijden inclusief het schenken van alcoholische dranken; e. het oppervlak van de landwinkel mag maximaal 50 m2 bedragen. f. zelfstandige recreatieappartementen zijn niet toegestaan; g. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens is niet toegestaan;
4.4 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning andere horecacategorieën zoals opgenomen in artikel 1 toe te staan dan bepaald in artikel 4 lid 1 sub f, met dien verstande dat: a. aangetoond wordt dat de uitbreiding niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woonen leefklimaat in de omgeving; b. aangetoond wordt dat de aanvulling niet leidt tot een toename van bebouwd oppervlakte; c. aangetoond wordt dat de horeca uitbreiding niet leidt tot aantasting van de horecastructuur in de omgeving; d. aangetoond wordt dat de ontwikkeling, economisch, maatschappelijk en (milieu-)technisch uitvoerbaar is; e. voldaan wordt aan de parkeernormen binnen het bestemmingsplangebied zoals voorgeschreven in artikel 13 lid 1.
19
Artikel 5 Groen 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
groen; corridors; water; park en plantsoenen; in- en uitritten; extensief recreatief gebruik;
met de daarbij behorende: g. h. i. j. k. l.
speelvoorzieningen en speelvelden; kunstobjecten en straatmeubilair; nutsvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging, waaronder bergbezinkbassins; voet- en fietspaden; overige functioneel met de bestemming 'Groen' verbonden voorzieningen.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels: a. b. c. d. e. f.
de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8 m; de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m; de bouwhoogte van nutsvoorzieningen en gemalen bedraagt ten hoogste 3 m; de bouwhoogte van straatmeubilair bedraagt ten hoogste 3 m; de bouwhoogte van een toegangshek bedraagt ten hoogste 2,5 m de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
5.3 Specifieke gebruiksregels a. Onverminderd het bepaalde in artikel 5 lid 1 van deze regels is het in ieder geval verboden de gronden te gebruiken voor: 1. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; 2. het opslaan van gerede en ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; 3. het opslaan c.q. stallen van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan; 4. het opslaan of opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen. b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op: 1. het opslaan van stoffen die noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden en de daarbij behorende voorzieningen; 2. het tijdelijk opslaan van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de bestemming.
20
5.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het realiseren van parkeervoorzieningen, met dien verstande dat: a. de parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn in verband met de verkeersveiligheid; b. er sprake is van een ruimtelijke noodzaak in verband met parkeercongestie.
21
Artikel 6 Tuin - 1 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; b. (ontsluitings)wegen en paden; met daarbij horende: d. parkeervoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. overige functioneel met de bestemming 'Tuin - 1' verbonden voorzieningen.