CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1a. Ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen.pdf

Commissie Fysiek Domein 5 januari 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a.: Starten ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen.29.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen en overkappingen Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van: a. erkers of toegangsportalen aan de voor- of zijgevel van een hoofdgebouw, waarvoor de volgende bouwregels gelden: 1. De bouw van een erker of toegangsportaal mag niet ten koste gaan van parkeerplaatsen op eigen erf. 2. De breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de desbetreffende voor- of zijgevel van het hoofdgebouw. 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,30 m. 4. De horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,25 m.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1,5 m. b. Voor de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gelden de volgende bouwregels: 1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2 m. c. Voor de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals pergola's, gelden de volgende bouwregels: 1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2,5 m. d. In afwijking van het bepaalde onder a tot en met c gelden ter plaatse van de aanduiding 'erf' de volgende bouwregels: 1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m. 2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals pergola's, bedraagt ten hoogste 2,5 m.

6.3 Specifieke gebruiksregels Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden ten behoeve van opslag van materialen en goederen.

22

Artikel 7 Verkeer 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; c. water; d. duikers en (kunst)werken; e. oeververbindingen (bruggen); f. terrassen; g. in- en uitritten; h. geluidwerende voorzieningen; i. standplaatsen; j. reclameborden; met de daarbij horende: n. o. p. q. r.

kunstobjecten en straatmeubilair; nutsvoorzieningen; lichtmasten; waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging, waaronder bergbezinkbassins; overige functioneel met de bestemming ‘Verkeer’ verbonden voorzieningen, zoals lichtmasten.

7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bouwregels: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd waarvoor geldt dat: 1. de bouwhoogte van gebouwen ten hoogste 3 m mag bedragen; 2. de oppervlakte van gebouwen ten hoogste 15 m² mag bedragen.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 8 meter. b. de bouwhoogte van straatmeubilair, reclameborden en speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m. c. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 10 m. d. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m. e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

23

Artikel 8 Water 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en waterlopen; b. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging, waaronder bergbezinkbassins; c. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde de slotenpatronen en de bijbehorende oevers, waaronder de aanwezige dakpanbeschoeiingen; d. steigers aan de oever van een tuin en/of erf van een woning; e. extensief recreatief medegebruik; met de daarbij horende: g. voorzieningen waaronder sluizen, bruggen, dammen, oeverbeschoeiingen en duikers; h. overige functioneel met de bestemming 'Water' verbonden voorzieningen.

8.2 Bouwregels 8.2.1 Gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels: a. de bouwhoogte van bruggen bedraagt ten hoogste 5 m. b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

24

Artikel 9 Waarde - Archeologie 3 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden.

9.2 Bouwregels 9.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 mogen geen bouwwerken worden gebouwd;

9.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 9 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 9 lid 1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; c. een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 500 m2 bedraagt. d. een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd. e. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.

9.3 Afwijken van de bouwregels 9.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 9 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 9 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; b. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

9.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 9 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

25

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b. het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van drainage; g. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j.

het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.

9.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het in artikel 9 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c. die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 500 m2; d. die een oppervlakte beslaan van meer dan 500 m2 maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3m beneden het maaiveld wordt geroerd; e. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; f. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2. 2 is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

9.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. In afwijking van het bepaalde in artikel 9 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 9 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 9 lid 4.2 sub c.

26

c.

Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 9 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 9 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

9.4.4 Voorschriften bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

27

Artikel 10 Waterstaat - Waterkering 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone.

10.2 Bouwregels a. Ten behoeve van de in artikel 10 lid 1 bedoelde bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 3 m worden gerealiseerd. b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Bij die belangenafweging wordt goedkeuring gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mogen gebouwd worden conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen.

10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden op de in artikel 10 lid 1 bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van burgemeester en wethouders: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; d. het omzetten van grasland in bouwland; e. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van bos of boomgaard; g. verlagen van het waterpeil; h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; i. het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen; j. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; k. het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen; l. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; m.

het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; n. alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.

10.3.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering; b. andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.

28

10.3.3 Toelaatbaarheid Het bepaalde in artikel 10 lid 3.1 is slechts toelaatbaar, indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering.

10.3.4 Voorwaarden Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning zoals bedoeld in artikel 10 lid 3.1 na schriftelijk goedkeuring van de beheerder van de waterkering.

29

3 Algemene regels Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels 12.1 Bestaande afwijkende maatvoering a. In die gevallen dat de bestaande goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan. b. In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

12.2 Ondergrondse bouwwerken a. Ondergrondse bouwwerken mogen worden gerealiseerd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en binnen de direct omringende gronden, waar de bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht, enkel onder de gebouwen die daar zijn of worden opgericht, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen zijn toegestaan. Indien onder de bestemming is aangegeven dat ondergronds bouwen niet is toegestaan, mag niet ondergronds worden gebouwd. b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in het bepaalde onder a ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. De verticale diepte van kelders bedraagt maximaal 3,5 m beneden peil. 2. Een kelder mag, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, niet minder dan 0,10 m onder het aansluitende afgewerkte terrein zijn gelegen. 3. De afstand tot de perceelgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m. 4. Kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel zijn toegestaan. 5.

Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, tellen mee in de oppervlakteregeling voor bijgebouwen. 6. Bergbezinkbasins zijn toegestaan op alle gronden binnen het plangebied.

12.3 Overschrijding bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bouwgrenzen, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen met niet meer dan 50 cm; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de voorgevelrooilijn niet meer dan 20 cm bedraagt;

30

c. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame met niet meer dan 50 cm; d. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, galerijen en luifels, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 50 cm overschrijden; e. balkons, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1 m overschrijden; f. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; g. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevelrooilijn met meer dan 1 m overschrijden; h. vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, voor zover deze binnen een bouwvlak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 3 m wordt overschreden; i. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, voor zover deze niet hoger zijn dan 3 m en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste bouwlaag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst; j. bergbezinkbassins (dan wel andere waterstaatkundige werken) ten behoeve van de opvang van water (waaronder rioolwater) en afvalinzamelsystemen zowel boven- als ondergronds.

12.4 Voorwaardelijke verplichting Het is niet toegestaan bebouwing aanwezig in de bestaande situatie te slopen dan wel te verbouwen zodanig dat schade aan beschermde soorten ontstaat, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Alvorens over te gaan tot sloop dan wel verbouw dient een ecologisch onderzoek naar potentieel aanwezig beschermde soorten uitgevoerd te worden als onderdeel van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels 13.1 Parkeren a. In het geval van nieuwbouw of functiewijziging waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen, waarbij ten minste het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd conform de parkeernormen zoals opgenomen in de bijlage 'Parkeernormen'. b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a, indien: 1. aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd; of 2. op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels 14.1 Karakteristiek Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de gronden en gebouwen tevens bestemd voor de bescherming en instandhouding van karakteristieke bouwwerken.

14.1.1 Woningsplitsing Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de bestemmingsregels en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' het toevoegen van één extra woning per bouwperceel binnen de bestaande bebouwing toestaan, mits: a. b. c. d.

in het betreffende pand ingevolge de planregels al één of meer woningen zijn toegestaan; dit noodzakelijk is voor het behoud van het gebouw; voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

31

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; f. de karakteristieke waarden van de bebouwing niet worden aangetast; g. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.

14.1.2 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen. b. Geen omgevingsvergunning is nodig voor sloopwerkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag; 4. plaatsvinden bij bouwwerken die tengevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt slechts verleend indien geen onevenredige schade plaatsvindt van de karakteristieke waarden van de bebouwing; d. In afwijking van het bepaalde onder c kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub c of d, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.

14.2 Geluidzone - Industrie Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone industrie' ligt de rond het industrieterrein gelegen zone als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder buiten welke zone de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50dB(A) niet te boven mag gaan.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels 15.1 Afwijkingen a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor: 1. het oprichten van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van maximaal 75 m3 en een goothoogte van maximaal 4 m; 2. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met niet meer dan 15%; 3. overschrijdingen van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover dat van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover dat noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag niet meer dan 15% worden vergroot; 4. de bouw van reclameobjecten met inbegrip van aankondigingborden, reclamemasten, gevel- en lichtreclames en gebouwenaanduidingen tot een bouwhoogte van maximaal 12 m met dien verstande dat de reclameborden geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke situatie en de beeldkwaliteit ter plaatse; 5.

het oprichten van masten en antenneinstallaties ten behoeve van (tele)communicatiedoeleinden tot een bouwhoogte van maximaal 40 m waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, met bestaande of nieuw op te richten bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied; 6. het afwijken van parkeernormen zoals opgenomen in deze regels, indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de eis tot realisatie van parkeerplaatsen conform de voorgeschreven parkeernorm onder de voorwaarde dat met behulp van de

32

parkeerdrukmeting wordt aangetoond dat de parkeerbehoefte van gezamenlijke functies in de omgeving te allen tijde kan worden afgewikkeld op de al aanwezige of geplande beschikbare parkeergelegenheid; 7. het gebruik van uitsluitend hoofdgebouwen voor kamerbewoning/-verhuur, mits: i. er sprake is van langdurige leegstand (langer dan 3 maanden); ii. het gebruik voor kamerbewoning/-verhuur geen ontwrichting van de ruimtelijke omgeving en daardoor overlast tot gevolg heeft; iii. het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; iv. de tijdelijkheid van de kamerbewoning/-verhuur moet aantoonbaar zijn. b. Afwijking als bedoeld onder a wordt niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de als gevolg van de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. c. De afwijkingsbevoegdheden mogen niet cumulatief worden gebruikt samen met afwijkingsmogelijkheden uit de afzonderlijke bestemmingen uit hoofdstuk 2 of ten opzichte van een eerder verleende afwijking.

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels 16.1 Algemene wijziging Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.

16.2 Wijziging Staat van Bedrijfsactiviteit Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen in die zin dat de categorie-indeling van bedrijven kan worden gewijzigd, indien en voor zover een wijziging van de milieubelasting van het desbetreffende type bedrijf daartoe aanleiding geeft.

16.3 Wijziging bestemming Waarde - Archeologie 3 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 17 Overige regels 17.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerp van het bestemmingsplan.

33

4 Overgangs- en slotregels Artikel 18 Overgangsrecht 18.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10 %. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

34

Artikel 19 Slotregel Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Oostwaard 9 te Maarssen

35

(p)

(p)

WR-A3

AW

AW WS-WK (sa-vsb)

WA

G WA

(p)

Plangebied (sr-kk)

Oostwaard 9

GD

Enkelbestemmingen

[ka]

[ka]

AW

Agrarisch met waarden

GD

Gemengd

G

Groen

T-1

Tuin - 1

V

Verkeer

WA

Water

V

[ka] 3 10

T-1

AW

Dubbelbestemmingen

WA

WR-A3

Waarde - Archeologie 3

WS-WK

Waterstaat - Waterkering

Gebiedsaanduidingen geluidzone - industrie

Functieaanduidingen parkeerterrein

(p) (sa-vsb)

specifieke vorm van agrarisch - voedselbos

(sr-kk)

specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kamperen

Bouwvlakken bouwvlak

G

Bouwaanduidingen [ka]

WA

karakteristiek

Maatvoeringen 3 10

maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)

Verklaring topografische en kadastrale gegevens

datum

20-05-2020

schaal

1 : 1000

formaat

A1

bestemmingsplan

project nr.

-

Oostwaard 9

1/1

planid : NL.IMRO.

blad

gemeente

Stichtse Vecht

lannen-makers experts in ruimtelijke ordening, stedenbouw en landschap

planstatus :

ontwerp

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1438/documents/30870