CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1a. Ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen.pdf

Commissie Fysiek Domein 5 januari 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a.: Starten ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen.29.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Architectonische uitwerking • de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en afwisselend en • per ensemble in samenhang • de voorgevel is representatief • elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot • elkaar en de gevel als geheel plaatsen • kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren Pagina 25 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

• • • •

ramen zijn bij voorkeur staand of (verticaal) onderverdeeld bedrijfsgebouwen eenvoudig en zorgvuldig detailleren zeer grote lengtes door middel van geleding van de wand doorbreken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume

Materiaal en kleur • materialen en kleuren zijn traditioneel en terughoudend • gevels van woongebouwen bij voorkeur uitvoeren in baksteen of een vergelijkbaar steenachtig materiaal of in een lichte tint pleisteren • hellende daken van woningen dekken met pannen of riet • grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur • kleuren harmoniëren met de omgeving • aan- en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op hoofdmassa en aan de voorkant traditioneel uitvoeren of bijgebouwen in gepotdekselde planken Daarnaast zijn de Welstandscriteria Erfgoed uit de Welstandsnota Stichtse Vecht 2013 van toepassing. Hierin zijn uitgangspunten opgenomen voor bouwplannen binnen de invloedssfeer van monumenten en beeldbepalende panden. Hoofdlijn is dat het bouwplan hieraan geen afbreuk mag doen. Daartoe zal de welstandscommissie het plan toetsen aan de volgende criteria: • • • •

het bouwplan dient zich te voegen in zijn omgeving en de historische context zoveel mogelijk te respecteren, Het monument niet visueel of fysiek afsluiten van zijn omgeving Het bouwplan mag geen afbreuk doen aan de omgeving door onzorgvuldige detaillering, armoedig materiaalgebruik of contrasterende kleuren Het bouwplan mag niet in strijd zijn met de in de redengevende beschrijving van het monument genoemde visuele waarden.

Planspecifiek Zoals in paragraaf 2.2 ‘Recente ontwikkeling in plangebied’ is aangegeven zijn de stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten van het ontwerp uitvoerig onderzocht en afgestemd. Daarnaast vindt de ontwikkeling van beoogde gebouwen hoofdzakelijk plaats binnen de bestaande gebouwen en het boerenerf.

Pagina 26 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.

Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben ze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn. Een planmer is wettelijk verplicht wanneer: • Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)mer noodzakelijk is; • Een bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (dan is een passende beoordeling noodzakelijk).

Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een project-mer of besluit-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). Ingeval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij. Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan valt in categorie D11.2 “Stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn: Tabel 1. Categorie D11.2 met getalsmatige grenzen.

(Bron: bijlage D van Besluit milieueffectrapportage) D 11.2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Pagina 27 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Dit betekent dat er sprake is van een vormvrije mer beoordeling. Voor voorliggend plan kan op basis van de in hoofdstuk 2 beschrijving van het plan en hoofdstuk 4 de milieutechnische uitvoerbaarheid voldoende inzicht gegeven worden in de milieugevolgen van het plan zoals bedoeld in de criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. Geoordeeld wordt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek De huidige bestemming van de gebouwen (inclusief ruim 1.000 m2 thans deels leegstaande bedrijfsgebouwen) op de locatie is wonen.

De omliggende gronden zijn bestemd als Agrarisch met waarden. In de directe omgeving liggen woningen sportvelden en intensieve infrastructuur (de noordelijke rondweg van Utrecht). Het gebied kan gezien worden als gemengd stedelijk gebied zoals bedoeld in de richtlijn bedrijven en milieuzonering. Dit houdt in dat de aan te houden richtafstanden met één trede verlaagd mogen worden. Ruimtes met bijbehorende activiteiten op woonerf (t.p.v. gemengde bestemming) De afstand tot de woonfunctie van derden vanaf het woonerf bedraagt ca. 80 meter naar de woningen aan de zuidwestzijde en ca. 60 meter ten opzichte van de woonboten aan de overzijde van de Vecht.. De activiteiten in voorliggend principeverzoek betreffen vergader-/seminarruimte, yoga/trainingsruimte, logiesfunctie, muziek en theateroptreden, landwinkel, extensieve veehouderij en agrarisch beheer ten behoeve van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. - De activiteit vergader-/seminarruimte betreft in essentie een kantoorfunctie. Dit is een functie die direct te combineren is met de woonfunctie. - De activiteit yogaruimte is op basis van de richtlijnen voor Bedrijven en Milieuzonering in te delen als sportschool. Een sportschool kent een milieucategorie van 2 en daarmee een aan te houden afstand van 30 meter tot milieugevoelige bestemmingen.

- Een logiesfunctie valt onder hotels en pensions met een milieucategorie 1. Hiervoor moet een afstand van 10 meter aangehouden worden tot gevoelige bestemmingen. - Een muziek- en theateroptreden kan in twee groepen ingedeeld worden, van schouwburg en of muziekschool. Beiden hebben een milieucategorie van 2 met een aan te houden afstand van 30 meter. - De landwinkel is een specifieke vorm van detailhandel. Detailhandel kent een aan te houden richtafstand van 10 meter. - Extensief agrarisch gebruik, waaronder het houden van dieren incl. de schapenstal en machineschuur heeft als zijnde een extensieve veehouderij een aan te houden afstand van 100 meter. Wat in gemengd stedelijk gebied met één trede verlaagd kan worden naar 50 meter. Pagina 28 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Voor het woonerf, de gemengde bestemming, wordt dus voldaan met de maximaal aan te houden afstand van 50 meter aan de richtlijnen van Bedrijven en Milieuzonering. Kleinschalig kampeerterrein (kamperen bij de boer) (t.p.v. agrarisch met waarden bestemming) De afstand tot de woonfunctie van derden vanaf het kampeerterrein bedraagt ca. 50 meter. Een kampeerterrein kent een milieucategorie van 3.1 en daarmee een richtafstand van 50 meter. Het gebied is echter aan te merken als gemengd vanwege de nabij liggende sportvelden, manegevoorziening en autoweg. Dit betekent dat de richtafstanden aangehouden kunnen worden van een niveau lager, namelijk 30 meter. Het kampeerterrein voldoet daarmee aan de minimale richtafstand van 30m tot gevoelige functies. Bijenstal en schuilstal (t.p.v. agrarisch met waarden bestemming) De beoogde schuilstal en bijenstal zijn reeds toegestaan vanwege de toegekende agrarische functie van het perceel. Een opstal ten behoeve van het huisvesten van insecten (bijenkasten) heeft een afstand van 30 meter tot gevoelige bestemmingen. Het gebied is aan te merken als gemengd gebied, waardoor de richtafstanden van een niveau lager aangehouden kunnen worden, namelijk 10 meter. De bijenstal voldoet aan de minimale richtafstand van 10m tot gevoelige functies. Het houden of fokken van graasdieren heeft een afstand van 50 meter tot gevoelige bestemmingen.

Wanneer het niveau lager aangehouden wordt vanwege gemengd gebied, kan 30 meter als minimale richtafstand aangehouden worden tot gevoelige functies. De schuilstal voldoet aan de minimale richtafstand van 30m. Aangezien voldaan wordt aan de minimale richtafstanden tot gevoelige functies vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor onderhavig plan.

Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Onderhavig plan ligt binnen de onderzoekszone van de N404, de N230 en Oostwaard. Het plan omvat echter geen geluidgevoelige bestemmingen. Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. In het principe-verzoek is reeds beoordeeld of er akoestisch onderzoek nodig is voor (industrie)lawaai vanuit de recreatieve locatie Oostwaard 9 naar de omgeving. De afstanden tot omliggende gevoelige bestemmingen, ca 85 meter of meer, zijn dermate groot dan geen onderzoek nodig is.

Ecologie Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Pagina 29 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.4.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd.

Planspecifiek Voorliggend plan houdt enkel inpandige verbouwing in en geen volledige sloop van bebouwing. Ook worden er geen bosschages verwijderd of bomen gekapt. Het plan houdt dan ook geen nadelige effecten voor beschermde soorten en of gebieden in. Bij de verbouwing van de stal en bijgebouwen, die op termijn uitgevoerd zullen worden, kunnen echter effecten optreden voor gebouwbewonende soorten. Dit treed enkel op wanneer verbouwing plaatsvindt aan spouwmuren en of aan de buitenzijde van dakconstructies. Omdat het nog niet bekend is wanneer deze werkzaamheden uitgevoerd gaan worden, is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels dat soortenonderzoek nodig is als motivering bij de omgevingsvergunning voor het bouwen wanneer deze werkzaamheden daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden. Het heeft ook geen zin om nu onderzoek uit te voeren voor de werkzaamheden die naar alle waarschijnlijkheid pas na drie jaar uitgevoerd zullen worden. Het ecologisch onderzoek zal dan ook niet meer recent genoeg zijn. 4.4.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State

Pagina 30 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2020). Planspecifiek Voorliggend plan houdt de inpandige verbouwing van de stal in en geen volledige sloop van bebouwing. Bij de interne verbouwing zal gebruik gemaakt worden van elektrisch (hand)gereedschap. De verbouwing van de stal heeft daarmee geen stikstofuitstoot en effect op nabijgelegen natuurgebieden. Wanneer in de toekomst verbouwingen of sloopwerkzaamheden uitgevoerd worden aan de stal of de bijgebouwen zal dan in het kader van de omgevingsvergunning of melding aangetoond moeten worden dat geen nadelige effecten voor beschermde gebieden op zal treden.

Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft een wijziging van het gebruik. Het gebruik wijzigt echter niet naar een functie met een hogere milieukwaliteitseis aan de bodem dan voor wonen wat het huidige gebruik is. Er is dan ook geen bodemonderzoek nodig voor het plan.

Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 2. Tabel grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.

Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2)

Grenswaarde

jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar 200 µg / m³ worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 50 µg / m³ keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³

Geldig sinds 2015

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011 Sinds 2015 Pagina 31

Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Voorliggend plan houdt de functiewijziging en verbouw van bestaande gebouwen in. Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. De gehele ontwikkeling blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek naar de gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is het geoloket van de provincie Utrecht geraadpleegd. In onderstaande afbeeldingen is de verdeling van de luchtkwaliteit over het perceel te zien. 2018

2030

NOx

PM10

PM2,5

In onderstaande tabel zijn de verschillende concentraties voor luchtkwaliteit per jaargemiddelde weergegeven. Daarbij zijn de wettelijke grenswaarden en advieswaarden weergegeven. Pagina 32 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Tabel 3. Concentraties luchtkwaliteit jaargemiddelde voor 2018 en 2030. Stikstof (NOx)

Fijnstof PM10

Fijnstof PM2,5

Jaar 2018 EU-grenswaarde

3

20-26 μg/m <40 μg/m3

3

20-21 μg/m <40 μg/m3

12,5-13,0 μg/m3 <25 μg/m3

Jaar 2030 WHO-advieswaarde

14-18 μg/m3 <40 μg/m3

17-19 μg/m3 <20 μg/m3

10,0-11,0 μg/m3 <10 μg/m3

De concentraties van het jaargemiddelde 2018 blijven op basis van de gegevens uit het geoloket onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De concentraties van het jaargemiddelde 2030 blijven voor stikstof en fijnstof PM10 onder de advieswaarde. De concentratie van fijnstof 2,5 ligt in 2030 net iets boven de advieswaarden van het WHO, met name langs de snelweg. Echter, in de toekomst zal het voedselbos langs de rand van het perceel gegroeid zijn, waardoor het aannemelijk is dat er meer fijnstof weggevangen zal worden dan nu voorzien wordt. De leefkwaliteit is hiermee ook in de toekomst gewaarborgd. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.

Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).

Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een Pagina 33 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval (generiek) Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid (generiek) Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten.

Pagina 34 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Planspecifiek Om te beoordelen of er externe veiligheidsrisico’s zijn is risicokaart.nl geraadpleegd. Er zijn geen buisleidingen, transportroutes en of inrichtingen in de directe omgeving die een belemmering vormen voor dit plan.

Figuur 19. Uitsnede Risicokaart. (Bron: Ipo))

Gevaarlijke transportroute over water (Amsterdam-Rijnkanaal) Het plangebied is wel gelegen in het effectgebied van het Amsterdam-Rijnkanaal. De nieuwe bestemming in dit plangebied ligt op ca. 450 meter vanaf de waterkant van het Amsterdam-Rijnkanaal. Bij het onderdeel over zelfredzaamheid op de volgende pagina wordt nader ingegaan op het groepsrisico. Gevaarlijke transportroutes via de weg (N230 en lokale wegen) Voor de gemeentelijke en provinciale wegen die aansluiten op de autoweg N230 is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. De route loopt niet door het plangebied. Ook is het plangebied niet gelegen in het invloedsgebied (1%-letaliteitscontour) van deze risicobron. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van het laden of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden met het oog op een veilige leefomgeving. Het is hierdoor mogelijk dat er langs het plangebied transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt van de niet-routeplichtige stoffen (zoals benzine) en routeplichtige stoffen (zoals propaan) maar de frequentie daarvan is door het lokale karakter van het transport) dermate laag dat daardoor geen risico’s ontstaan die ruimtelijk relevant zijn.

Bevi-inrichtingen en overige veiligheidsrisico’s Er zijn geen Bevi-inrichtingen of bedrijven met een “overig veiligheidsrisico” in de directe omgeving. Evenmin zijn er propaantanks bekend bij de Omgevingsdienst Midden Utrecht nabij het plangebied.

Pagina 35 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Figuur 20. Handelsperspectief BLEVE. (Bron: Veiligheidsregio)

Zelfredzaamheid Gezien het maatgevende scenario (koude BLEVE) is het aspect zelfredzaamheid een kritisch punt. Een koude BLEVE kondigt zich, in tegenstelling van een warme BLEVE niet aan en dit maakt dat mensen weinig tot geen tijd hebben om zich tijdens het voordoen van de explosie zich in veiligheid te brengen / te vluchten. Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand / vuurbal, onder dekking van objecten zoals muren). Als er schuilmogelijkheden zijn, is voor personen dekking zoeken of een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief. Voor personen binnen, dichtbij de bron (daar waar gebouwen ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief binnenblijven. Dit laatste geldt met name voor het plangebied. De 1%-letaliteitscontour bij het voordoen van een koude BLEVE op het Amsterdam-Rijnkanaal ligt op 85 tot 510 meter, gemeten vanuit de waterkant. Het plangebied is gelegen op ongeveer 450 meter. Het plangebied is dus gelegen in de 1%-letaliteitscontour. Ligging in de 1% letaliteitscontour houdt in dat bij het voordoen van gesteld scenario (BLEVE) naar verwachting 1% van de personen die zich buiten bevinden tijdens het voordoen zal komen te overlijden.

In bijlage 3 ‘Advies Veiligheidsregio Utrecht – Oostwaard 9’ is beschreven op welke afstanden vanaf het Amsterdam-Rijnkanaal in zijn algemeenheid effecten optreden en het potentieel aantal slachtoffers daarbij. Voor voorliggend plan geldt dat tussen het kanaal en het plangebied meerdere rijen bebouwing met zadeldaken en bosschages staan en ook de Vecht stroomt waardoor het risico voor slachtoffers en of gewonden op een afstand van 450 meter nog verder afneemt ten opzichte van de standaard berekening. Daarnaast is op het terrein ook voldoende gelegenheid om te schuilen voor alle personen die op het terrein aanwezig kunnen zijn. Gezien de aard en omvang van het plan en de ligging ten opzichte van de risicobron (op de rand van de 1% letaliteitscontour) en met inachtneming van de omgeving is de verwachting dat 10% van de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Op grond van artikel 8 lid 2 sub b Bevt kan in dit geval worden volstaan met de verantwoording van het groepsrisico waar enkel wordt Pagina 36 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

ingegaan op de aspecten 'bestrijdbaarheid' en 'zelfredzaamheid'. Deze paragraaf over zelfredzaamheid en de volgende over bestrijdbaarheid zijn daar de concrete uitwerking van. Bestrijdbaarheid De brandweer zou zich bij het voordoen van een BLEVE met name richten op het redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers. Tevens zal het bron- en effectgebied worden bepaald. Ook zullen ontstane branden in de omgeving worden geblust en behoort veiligstellen van het bron- en effectgebied tot de taken. Bestrijding van een incident op het land Aan land (tevens van toepassing op plangebied) geldt dat de operationele slagkracht en reactiesnelheid van de brandweer is geregeld in het vigerende dekkingsplan van de Veiligheidsregio Utrecht (Veiligheidszorg op Maat, vastgesteld in juni 2014 door het algemeen bestuur VRU). De brandweer zal er ongeveer 12 tot 13 minuten over doen voordat de eerste eenheid in het plangebied is gearriveerd. Bestrijding van een incident op het water Ten aanzien van incidenten op het water beschikt de VRU over de volgende capaciteit op de hoofd transsportassen. Naast de boten heeft de VRU de beschikking over 7 duikteams en 2 oppervlakte reddingteams. Voor incidenten op het Amsterdam Rijnkanaal kan de VRU ook gebruik maken van de blusboot van de omliggende Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (Dordrecht).

De opkomsttijd betreft echter meer dan 2 uur nabij het plangebied. Elektromagnetische straling (is niet specifiek onderdeel van het aspect externe veiligheid) Er zijn in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. De dichtstbijzijnde hoogspanningsmast loopt parallel aan de A2 ten westen van Maarssen. Uit de gegevens van de website https://www.antennebureau.nl/onderwerpen/algemeen/antenneregister blijkt dat in de omgeving van het plangebied evenmin zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. De dichtstbijzijnde zendmast voor mobiele telefonie bevindt zich in de wijk Opbuuren aan de Amsterdamse straatweg. Geconcludeerd kan worden dat het aspect Externe Veiligheid, gelet op de genoemde scenario's en met inachtneming van voorgestelde maatregelen, geen knelpunt zijn voor het plan.

Archeologie en cultuurhistorie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Monumentenwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed grotendeels bij de gemeente. Sinds 1 september 2007 kent Nederland de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Als instrument om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische beleidskaart laten ontwikkelen. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld die in de bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd.

Pagina 37 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Archeologische monumenten en AMK-terreinen De waardering van archeologische monumenten is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in overleg met de provincies toegekend. Waardering van de terreinen heeft plaatsgevonden aan de hand van een aantal criteria zoals kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. Op basis hiervan zijn drie waarderingscategorieën onderscheiden: 1. Terrein van zeer hoge archeologische waarde (beschermd): dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de genoemde criteria zijn aan gewezen als behoudenswaardig. Bescherming hiervan kan plaatsvinden ex artikel 6 (of 4) van de Monumentenwet; 2. Terrein van zeer hoge en hoge archeologische waarde: dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de genoemde criteria zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren lager dan de beschermde rijksmonumenten. In een aantal gevallen kon de exacte kwaliteit en omvang van een monument niet worden bepaald. Onder andere de oude dorpskernen behoren tot deze categorie; 3. Terrein van archeologische waarde: dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de genoemde criteria zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren lager dan de hierboven genoemde categorieën. (ontleend aan Sloos 2009).

Planspecifiek Zoals in paragraven 2.1 en 3.2.2 en 3.3.4 al werd benoemd heeft Oostwaard een lange en rijke historie. Het was van oorsprong een kloosteruithof van de Sint Stevensabdij. De agrarische grond bij de boerderij heeft een nog bestaand eeuwenoud blokverkavelingspatroon. Ook de gebouwen op het woonerf dragen nog kenmerken van de oude boerenhistorie. De boerderij is in het beeldkwaliteitsplan van de Vecht geïdentificeerd als een ‘boerenkorrel’ kenmerkend voor het Vechtgebied. Het gebouwenensemble op het erf is dan ook als karakteristiek benoemd en daarmee tot beschermd zicht verklaard. In de archeologische beleidskaart Stichtse Vecht staat over Oostwaard: Onderzoek op locatie Oostwaard 9 in Maarssen, heeft inzicht gegeven in een eeuwenlange bewoningsgeschiedenis. Uit de resultaten van het gecombineerde bouwhistorisch en archeologisch onderzoek komt duidelijk een beeld naar voren van een bijzondere en complexe vindplaats (Wink & Viersen 2016). De oudste waargenomen opgaande delen van het gebouw gaan terug tot in de 13e eeuw. Mogelijk betreft het een representatief gebouw dat deel heeft uitgemaakt van een uithof van een klooster. Dat er zelfs sprake kan zijn van bewoning vanaf de Late Prehistorie wordt duidelijk uit de aanwezigheid van een vegetatiehorizont in de top van de oeverafzettingen van de Vecht.

Deze lijkt deels opgenomen te zijn in een cultuurlaag waarvan de datering echter niet duidelijk is. Mogelijk beslaat de bewoningsgeschiedenis van de locatie Oostwaard dus een periode van meer dan 2000 jaar en een bewoningscontinuïteit van meer dan acht eeuwen. Een deel van het plangebied behoort tot een terrein met een hoge waarde (AMK-terrein), zie onderstaande afbeelding. Het terrein rondom het boerenerf, voortuin en boomgaard is dus een monument van oudheidkundige betekenis die daarom is aangemerkt als behoudenswaardig. Het terrein heeft verder geen beschermde status.

Pagina 38 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Figuur 21. Overzicht AMK-terrein op terrein van Voedselbos Oostwaard. (Bron: cultureelerfgoed.nl)

Na de aanleg van het voedselbos zijn in 2016 twee archeologische onderzoeken uitgevoerd die de hoge archeologische waarde van Oostwaard bevestigen. Het betreft een archeologische waarneming en bouwhistorische onderzoek ‘Middeleeuws Oostwerde onder de vloer’ van K. Wink en A. Viersen (21 januari 2016) en een archeologisch bureauonderzoek van de gemeente Stichtse Vecht van A. de Boer (17 juni 2016). De aanbevelingen van het bouwhistorische onderzoek (zie bijlage 1) zijn hieronder weergegeven: De locatie van de huidige boerderij en een groot deel van het omringende terrein heeft op de Archeologische Monumentkaart een status als terrein van hoge archeologische waarde. Deze status is met het uitgevoerde onderzoek meer dan bevestigd. Gezien de grote hoeveelheid funderingsresten en de intactheid van het middeleeuwse ‘loopvlak’ met de daarin aanwezige en nog niet ontdekte grondsporen vormt de vindplaats een uitermate rijk archeologisch bodemarchief. Het nu uitgevoerde onderzoek heeft meer licht geworpen op de historische ontwikkeling van deze bijzondere locatie. Dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden, is mede te danken aan de inzet van de huidige bewoners van het pand en de vrijwilligers van de AWN. Het bijzondere archeologische en bouwhistorische karakter van de vindplaats vraagt echter om een vollediger onderzoek.

Gezien de bijzondere omstandigheden van dit onderzoek omvat het advies ten aanzien van vervolgonderzoek dan ook meerdere aspecten. Ten eerste wordt aanbevolen om in de toekomst geen aanvullende bodemingrepen binnen het AMK-terrein (inclusief inpandig) uit te voeren, zodat de (verwachte) archeologische resten in de bodem behouden kunnen blijven. Mocht dit niet mogelijk of wenselijk blijken, dan wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Ten aanzien van toekomstige bodemverstoringen onder de begane grond (inpandig) wordt geadviseerd het te verstoren deel vlakdekkend te onderzoeken door middel van een archeologische opgraving en bouwhistorische analyse. De archeologische resten worden in dat geval ex situ behouden. Voorafgaand aan een dergelijke opgraving dient conform de KNA een Programma van Eisen te worden opgesteld door een senior archeoloog. Het PvE moet worden goedgekeurd door de bevoegde overheid. Bij de beoogde ontwikkelingen vinden er geen aanvullende (inpandige) bodemingrepen plaats binnen het AMK-terrein. De (verwachte) archeologische resten in de bodem blijven behouden. De aanbevelingen van het onderzoek worden hiermee gerespecteerd.

Pagina 39 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Verder wordt in het onderzoek aanbevolen om een synthetiserend onderzoek uit te voeren om de resultaten van het onderzoek in een breder kader te kunnen plaatsen. “Voor de ontsluiting van de vele gegevens zal een dergelijk onderzoek van grote waarde zijn.” Dit onderzoek is dus belangrijk om de historische waarde van Oostwaard te onderzoeken en is niet van direct belang voor bouwkundige ingrepen. Daarnaast wordt aanbevolen om buiten de boerderij een geofysisch onderzoek uit te laten voeren, los van de ruimtelijke ontwikkelingen. “Voor de juiste interpretatie van de thans nog bestaande restanten van het middeleeuwse gebouw is het noodzakelijk om de omvang en de aard van de bebouwing van het gehele complex te kennen. Juist omdat er weinig bekend is over de omvang en het functioneren van uithofcomplexen zijn het huidige gebouw en de archeologische context van zeer grote waarde als informatiebron.” Ook voor dit onderzoek geldt dat het geen directe belang heeft voor de ruimtelijke ontwikkelingen in voorliggend plan. De algemene aanbevelingen voor eventueel vervolgonderzoek luiden als volgt: - Ten aanzien van de vraag hoe groot het gebouw oorspronkelijk is geweest, is nader archeologisch onderzoek wenselijk. Zo is het de vraag hoe ver het gebouw zich naar het westen toe heeft uitgestrekt.

Aan de noordzijde is het onduidelijk waarom de voorgevel ter plaatse van de kelder ongeveer 1 meter dik is, terwijl de andere wanden van de kelder aanzienlijk dunner zijn. Ontpleistering van de voorgevel en archeologisch onderzoek buiten het gebouw zou hierin meer duidelijkheid kunnen verschaffen. - Tijdens de bouwhistorische waarneming zijn op meerdere plaatsen binnen het gebouw sporen aangetroffen van een brandlaag die zeer waarschijnlijk ouder is dan de brand van 1922. Tijdens de waarneming kon niet worden vastgesteld hoe deze brandlaag zich verhoudt met het metselwerk. Nader archeologisch onderzoek kan hierin meer duidelijkheid verschaffen. Hierbij is het wellicht ook mogelijk om de brandlaag te dateren. Aanbevolen wordt om een 14C-datering van het houtskoolmonster te laten uitvoeren om een scherpere datering van de oudste bouwfasen te achterhalen. - Indien er bouwkundige werkzaamheden aan de boerderij worden uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld het ontpleisteren, die het genoemde metselwerk raken, verdient het aanbeveling deze op bouwhistorisch gebied te begeleiden, zodat er geen gegevens ongezien verloren zullen gaan. In voorliggend plan vinden er bouwkundige werkzaamheden aan de boerderij plaats. Het onderzoek beveelt aan om de werkzaamheden op bouwhistorisch gebied te begeleiden voor het verkrijgen van historische gegevens.

Deze aanbeveling dient te worde meegenomen bij het verlenen van een bouwvergunning voor de inpandige verbouwing van de stal/boerderij. Verder is er na de aanleg van het voedselbos in het voorjaar van 2016 een archeologisch onderzoek uitgevoerd om de impact van de ingrepen in kaart te brengen. De conclusie en het advies van het archeologische onderzoek (zie bijlage 2) luiden als volgt: Het plangebied ligt in de ArcheoRegio het 'Utrechts-Gelders rivierengebied'. In de ondergrond liggen oever- en beddingafzettingen van de Vecht. Deze afzettingen zijn gevormd in de Late Bronstijd. Oorspronkelijke ligt de top van de oeverafzettingen ligt naar schatting op ongeveer 0,5 m NAP. In de Nieuwe tijd is ongeveer 0,5 m (netto) afgegraven in een groot deel van het plangebied door de baksteenindustrie. Eén deel van het plangebied, het grasland ten zuidwesten van de boerderij is hoger gelegen en is vermoedelijk niet vergraven. Dit terrein ligt, evenals het erf van Oostwaard 9 ongeveer op 1,5 m NAP en is opgehoogd. De ophooglaag houdt waarschijnlijk verband met de aanwezigheid van het versterkte huis Oostwaard uit de Late Middeleeuwen. De bodemingrepen [voor de aanleg van het voedselbos, red.] bestonden uit de aanleg van een poel aan de noordoostzijde, de aanleg van een poel in centrale deel bij de bocht in een sloot en realisatie van

Pagina 40 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

groen (voedselbos) langs de randen van het perceel. Naast deze ingrepen zijn twee gedempte sloten opnieuw uitgegraven. Tot slot is de realisatie van een moestuin met heg voorzien. Waarschijnlijk zijn geen archeologische waarden verstoord: (A) De reeds gerealiseerde graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in de reeds afgegraven weilanden. Daarnaast zijn twee gedempte sloten weer uitgegraven. Het is onwaarschijnlijk dat hierdoor behoudenswaardige resten zijn verstoord. (B) De aanleg van het voedselbos vond deels plaats op een (nieuwe) aarden wal, grotendeels in het gebied dat reeds is afgegraven. Het voedselbos is ook aangelegd in het gebied waar mogelijk wel archeologische resten aanwezig zijn. Echter, omdat het kleine stekken betreft die met een handboor zijn geplaatst, is de verstoring van eventuele archeologische waarden gering. Wel kan door wortelgroei in de toekomst schade optreden. Over de relatie tussen wortelgroei en onherstelbare schade aan archeologie zijn echter geen gegevens bekend. De moestuin is nog niet aangelegd. Advies: Bureau voor Archeologie adviseert geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Op basis van het reeds uitgevoerde archeologische onderzoek is er geen vervolgonderzoek nodig voor de (wijziging) van activiteiten die plaatsvinden in het voedselbos.

Toetsing beoogde ontwikkelingen Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van culturele activiteiten op de locatie. Ten behoeve van deze nieuwe activiteiten en het bestaande voedselbos zullen er ook horeca- en (verblijf)recreatieve voorzieningen gerealiseerd worden. Deze voorzieningen worden voornamelijk gerealiseerd door inpandige verbouwingen op het boerenerf. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer in de ondergrond archeologische waarden verwacht worden én de planontwikkeling aantasting van deze waarden in zal houden. In voorliggend plan zal geen nieuwe bebouwing komen op het erf en zullen er geen inpandige bodemingrepen plaatsvinden. Een aanvullend archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De inpandige verbouwing van de stal brengt ook geen externe wijzigingen met zich mee. De cultuurhistorische waarden van het gebouwenensemble op het erf blijven daarmee bewaard. De beschermde karakteristieke waarden van de boerderij worden niet aantast. Op termijn worden echter ook een verbouwing van de stal en bijgebouwen voorzien. Deze gebouwen zullen door de bouwinspectie gekeurd moeten worden of verbouw dan wel sloop aan de orde is. Hiervoor zullen aparte vergunningen aangevraagd worden en bijbehorende onderzoeken voor de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden uitgevoerd moeten worden.

Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte Pagina 41 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water.

Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het beleid van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vastgelegd in het waterbeheerplan. In dit plan zijn beleid en wetgeving van hogere overheden en van AGV zelf (onder andere Visie AGV) nader uitgewerkt. Hoofddoel van het plan is "het mogelijk maken van een veilig, ruim, ecologisch gezond en daardoor veerkrachtig watersysteem, dat geschikt is voor aan- en afvoer en berging van water, natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid.

Om de watersysteemdoelen te bereiken is een optimaal beheer en een goed functioneren van de afvalwaterketen essentieel." Binnen dit hoofddoel zijn de volgende thema's van belang: • Bescherming tegen overstromingen; in Breukelen is met name de veiligheid achter de primaire waterkeringen van het Amsterdam-Rijnkanaal van belang. • Peilbeheer: zo veel mogelijk afgestemd op functie. AGV heeft geen invloed op het peil in het Amsterdam-Rijnkanaal, wat weer van invloed is op het peil van de Vecht. • Waterberging en afvoercapaciteit op orde. In stedelijke waterplannen meer aandacht geven aan kleinschalige waterberging. • Grondwater: AGV streeft op termijn naar uitvoering van de stedelijke grondwaterzorg in opdracht van gemeenten in het gehele beheergebied. • Ecologische en chemische toestand. • Bevaarbaarheid en recreatief gebruik. • Inzameling afvalwater: Bij herinrichting regenwater zo veel mogelijk afkoppelen van het rioolstelsel.

Pagina 42 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

• •

Duurzame behandeling van afvalwater. Aanpak van emissies uit de afvalwaterketen.

Planspecifiek Onderhavig plan houdt extra verharding voor parkeren in. Het waterschap vereist dat wanneer het oppervlakte van verharding in een plangebied aanzienlijk toeneemt, als compensatie 10% van de extra verharding daarnaast als open water gerealiseerd wordt. De toename van verharding in voorliggend plan voorziet echter in open verharding voor parkeren dat op omliggende gronden loost. Het regenwater infiltreert direct in de omliggende gronden. Als onderdeel van de werkzaamheden voor het bestemmingsplan wordt het plan ter beoordeling toegezonden aan het waterschap.

Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Onderstaand de beoogde activiteiten met de vereiste parkeernormen. De parkeernormen zijn gebaseerd, voor zover van toepassing, op het gemeentelijke Verkeers- en Vervoersplan: -

Vergaderzaal/seminar/trainingen: 50 personen waarvan 60% met auto (overige fiets en of carpoolen) Yoga/meditatie: Buitengebied 6,0 – 7,0 pp per 100 m2 Logiefunctie: Buiten bebouwde kom 4,4 – 4,6 pp per 10 kamers. Landwinkel (weinig autoverkeer met name per fiets) Muziek-/huiskamerconcerten, theatervoorstellingen, exposities: maximaal 100 personen waarvan 35% met de auto (overige fiets of carpoolen)

De parkeerbehoefte komt hiermee op: - Vergader/seminar 50 x 60% = 30 pp - Yogaruimte 1,26 x 6,5 = 8,2 pp - Logiesfunctie 0,7 x 4,5 = 3,2 pp - Muziekconcerten – exposities 120 x 35% met de auto = 42 pp N.b. Van de autobezoekers van de concerten en de exposities mag aangenomen worden dat een deel gezamenlijk met de auto komt. Hiervoor is aangehouden dat 1,5 persoon gezamenlijk met de auto reist. Muziekconcerten – exposities 120 x 35% = 42 / 1,5 = 28 pp Zoals aangegeven in de tekst zal gezien de aard van de verschillende activiteiten de maximale bezetting nooit meer dan circa 50 of 120 personen bedragen. Het is namelijk niet mogelijk om de yoga, seminars, overnachtingsmogelijkheden en (huiskamer)concerten e.d. gelijktijdig te laten plaatsvinden. De hoogste parkeerdruk vindt plaats tijdens vergaderingen/seminars. Daarmee is de bezetting tijdens de vergaderingen/seminars maatgevend. De maximale parkeerdruk komt daarmee op 30 pp.

Pagina 43 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Figuur 22. Overzicht parkeervoorziening (groene zone) en ontsluitingsroute (blauwe route).

In bovenstaande afbeelding is weergegeven waar de parkeerbehoefte opgelost wordt. Het overgrote deel van de parkeerbehoefte wordt gerealiseerd aan de noordkant van het perceel. Deze parkeerplaatsen liggen achter het voedselbos, zodat ze niet zichtbaar zijn vanaf de Oostwaard. Deze parkeerplaatsen zullen gebruikt worden tijdens evenementen. Dichterbij het erf liggen nog enkele parkeerplaatsen voor klein gebruik. Op het erf is er geen ruimte om (naast de bestaande privéplaatsen) parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast is het niet wenselijk om een parkeerveld aan te leggen in het weidelandschap of in de voortuin, vanwege de grote zichtbare verstoring van het open weidelandschap. De reële mogelijkheden bestaan uit een parkeerzone langs de oprit/lindelaan of achter het erf ter plaatse van de beoogde moestuin. In onderstaande afbeelding is het zicht vanaf de Oostwaard te zien, waarbij zowel de lindelaan als de moestuin achter het erf zichtbaar is. In beide gevallen zorgt een parkeerplaats op deze locaties voor enige verstoring van het landschap. Gekozen is om de parkeerplaatsen langs de oprijlaan te positioneren, tussen de lindebomen. De lindebomen zijn alreeds een opgaand element in het landschap en verhullen daarmee enigszins de aanwezigheid van geparkeerde auto’s. Op deze manier wordt het uitzicht op het open landschap zoveel mogelijk in stand gehouden.

Daarnaast wordt er aangesloten op de bestaande verharding en ontsluiting. Het verplaatsen van de parkeerplaatsen zal door nieuwe verharding tot veel grotere nadelige effecten leiden op landschap, cultuurhistorie en waterhuishouding.

Pagina 44 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

Figuur 23. Zicht vanaf de Oostwaard op de lindelaan. In de verte is de tunnelkas van de moestuin zichtbaar, die achter het erf ligt. Een parkeerzone is mogelijk langs de lindelaan of achter het erf ter plaatse van de moestuin.

Bij de oostelijke inrit van Oostwaard 9 is ruimte voor 8 gestoken parkeerplaatsen. Aan de noordkant achter het voedselbos is er in totaal ca. 180m (ca. 90+90m) ruimte voor parkeerplaatsen door middel van gestoken parkeren. Dit betekent dat er ruimte is voor circa 78 parkeerplaatsen met een breedte van 2,5m. In totaal is er dus ruimte voor ongeveer (78+8=) 86 parkeerplaatsen. Dat is een ruime overcapaciteit. Gezien bovenstaande toelichting is het aspect verkeer en parkeren afdoende geregeld in voorliggend plan. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

Duurzaamheid Provinciaal beleid De provincie stelt in de provinciale verordening: Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Wij hebben de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2 -reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn: • het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; • de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; • energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen. Woonvisie 2017-2022 • In de Woonvisie betekent duurzaamheid aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting van de woning (energiebesparing), zowel tijdens het bouwproces als daarna. Pagina 45 Bestemmingsplan Oostwaard 9 Maarssen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1438/documents/30870