vast te stellen bestemmingsplan Stationsstraat 172 te Elsloo
Tekst van het document
Hoofdstuk 3
30
omdat er (vooralsnog) geen provinciale subsidie of middelen vanuit de rijksoverheid worden gebruikt en daarom niet opgevoerd op de lijst van plannen in Stein. Conclusie Het voorliggende initiatief betreft de herontwikkeling ten behoeve van woningbouw en draagt hiermee bij aan de opgave om extra woningen te realiseren. De ontwikkeling sluit hiermee aan bij het Limburgse bod prestatieafspraken wonen. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 18 nultredenwoningen binnen het prijssegment dat is gelegen tussen de betaalbaarheidsgrens van € 355.000 en de NHG van € 405.000,- (prijspeil NHG 2023, exclusief energiebesparende maatregelen). Woningen in het betaalbare segment zijn voor het initiatief helaas geen optie vanwege een moeilijke binnenstedelijke plek en gezien de kwaliteit van het bouwplan en de hoge bouwkosten. Voorgaande is afgestemd met gemeente Stein en deze ontwikkeling zal worden opgenomen in de definitieve versie van de Woonzorgvisie Stein 2023-2028 (zie paragraaf 3.4.3). Het plan maakt derhalve onderdeel uit van de plancapaciteit.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025 Op 26 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Stein de Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025 vastgesteld. De gemeente Stein ambieert in deze structuurvisie om in deze periode aan de ruimtelijke kwaliteit van haar gemeente te werken. De gemeente wil inspelen op de trends van vergrijzing en ontgroening door: Te investeren in de lokale economie en daarmee voldoende werkgelegenheid te behouden; Te investeren in de kwaliteit en leefbaarheid van de dorpen; Het buitengebied nog aantrekkelijker te maken voor de inwoners en bezoekers van Stein. Ambities Wonen Wat betreft het thema wonen en leefbaarheid stuurt de gemeente op een toekomstbestendige ontwikkeling van de kernen van Stein.
De gemeente hanteert de volgende criteria om daaraan invulling te geven: aandacht voor duurzaamheid van nieuw en bestaand vastgoed; flexibiliteit in functie en gebruiksmogelijkheden van nieuw en bestaand vastgoed; aandacht voor gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers; de juiste woning op de juiste locatie: focussen op de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat op die plaatsen waar goede condities voor een hoogwaardig woonklimaat op lange termijn aanwezig zijn; combinaties van voorzieningen stimuleren; ontmoetingsplekken stimuleren; vergroenen van de woonkernen; het goed zwaluwstaarten van de ontwikkelingen op het ruimtelijke fysieke domein en het sociaal maatschappelijke domein op basis van een integrale gebiedsgerichte aanpak.
Hoofdstuk 3
31
Naar verwachting zal het aantal ouderen en eenpersoonshuishoudens in de gemeente toenemen. De huidige planvoorraad is kwantitatief voldoende, maar de vraag is of zij ook voldoende voorziet in woningen voor deze doelgroepen. De planvoorraad bestaat namelijk voor een aanzienlijk deel uit particuliere kavels, waar moeilijk op is te sturen door de overheid. Conclusie De voorliggende ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van de juiste woningen op de juiste locatie. Wat betreft de locatie is sprake van een herstructureringslocatie in een bestaande woonwijk. Deze locatie is bij uitstek geschikt voor woningbouw. Daarnaast draagt de ontwikkeling van de levensloopbestendige woningen en appartementen bij aan het invullen van de behoefte aan woningen voor het toenemende aantal ouderen. Bovendien wordt de omgevingskwaliteit van het plangebied verbeterd, doordat toekomstige leegstand wordt voorkomen en wordt ingevuld met kwalitatief hoogwaardige woningbouw. Tevens is dit planvoornemen afgestemd in het BOWWM op 9 december 2021. Het initiatief is daarmee in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Omgevingsvisie Stein 2040 Op 16 november 2021 heeft de gemeente Stein de ontwerp Omgevingsvisie Stein 2040 ter inzage gelegd. Deze omgevingsvisie is vastgesteld op 22 februari 2022.
De Omgevingsvisie Stein 2040 is een strategische visie voor de fysieke leefomgeving in de gemeente voor de komende jaren. De Omgevingsvisie is een uitwerking van de strategische toekomstvisie 20182022 en geeft verder richting aan de gemeente die Stein wil zijn op het gebied van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is uit drie delen opgebouwd. Deel 1 geeft een algemene beschrijving van de Omgevingsvisie als verplicht instrument in het kader van de Omgevingswet. Ook wordt ingegaan op de hoofdlijnen uit de Nationale en Provinciale Omgevingsvisie (NOVI en POVI). In hoofdstuk 2 is het proces beschreven om te komen tot de Omgevingsvisie, wordt ingegaan op de monitoring en evaluatie en wordt de context van de GOVI beschreven. In deel 2 worden de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de gemeente Stein beschreven. Verder geeft deel 2 een beschrijving van de ambities en ontwikkelingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving aan de hand van vijf thema’s die zijn afgeleid van de strategische toekomstvisie 2018-2022. Het gaat dan om: Sociale en vitale wijken en kernen Een veilige, gezonde en groene leefomgeving Unieke omgevingskwaliteiten Een bereikbare en bedrijvige gemeente Energietransitie In deel 3 worden basisprincipes geformuleerd die leidend zijn bij het voeren van integraal beleid in het kader van de fysieke leefomgeving.
Daarnaast worden de eerder beschreven thematische uitgangspunten vertaald naar specifieke gebieden. Op deze wijze wordt een strategisch afwegingskader geformuleerd dat de basis vormt voor het maken van ruimtelijke keuzen zoals o.a. vastgelegd in het Omgevingsplan en de verdere uitwerking in programma’s. Wat betreft het thema sociale en vitale wijken en kernen is het uitgangspunt om de woonmilieus af te stemmen op de toekomstige (regionale) samenstelling van de bevolking. Binnen de gemeente zijn drie
Hoofdstuk 3
32
woonmilieus onderscheiden: de dorpslinten, landelijke kernen en stedelijke kernen. De kern Elsloo betreft een stedelijke kern. Het afstemmen van de woonmilieus op de toekomstige (regionale) samenstelling van de bevolking wordt in samenhang beschouwd met de opgaven die voortvloeien uit de energietransitie. Hierbij zet de gemeente in op duurzame en levensloopbestendige wijken, met oog voor de unieke kenmerken van een wijk of kern en het versterken van vitale stedelijke en landelijke centrumkernen. In de toekomst wil de gemeente de wijken en kernen zo inrichten om de gevolgen van hitte, droogte en wateroverlast goed op te kunnen vangen. Een van de middelen is het vergroenen van wijken en kernen. Er vindt een kwalitatieve en kwantitatieve transformatie van de woningvoorraad plaats. Hierbij werkt de gemeente Stein samen met de gemeenten Beek, Beekdaelen en Sittard-Geleen, op basis van de Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek (zie paragraaf 3.3.2). Conclusie De voorliggende ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een voormalig winkelpand naar woningbouw in de vorm van levensloopbestendige woningen en appartementen. Zoals in paragraaf 3.3.2 is beschreven, is deze ontwikkeling in overeenstemming met de Transformatievisie Westelijke Mijnstreek.
Daarnaast wordt opgemerkt dat de omgevingskwaliteit van de woonwijk wordt verbeterd doordat het verouderde winkelpand wordt gesloopt en de locatie wordt ingevuld met kwalitatief hoogwaardige woningen waar veel behoefte aan is. Het onbebouwde deel van het plangebied wordt grotendeels groen ingericht. Dit groen zorgt er enerzijds voor dat hemelwater kan worden opgevangen en vastgehouden en biedt anderzijds koeling tijdens warme perioden. Het plan past daarmee binnen de ontwerp Omgevingsvisie Stein 2040. 3.4.3 Woonzorgvisie Stein 2023-2028 In de woonzorgvisie wordt beschreven wat gemeente Stein voor ogen heeft op het gebied van wonen en op de zorg- en ondersteuningsbehoefte in relatie tot wonen. Tevens wordt aangegeven hoe de gemeente daar samen met bewoners, woningcorporaties, zorgaanbieders en andere partners aan wil gaan werken. Zo vormt de woonzorgvisie onder meer de basis voor prestatieafspraken met woningcorporaties, zorgaanbieders en huurdersorganisaties. Deze visie is vastgesteld in de raadsvergadering van 28 september 2023. De woonzorgvisie is een uitwerking van het thema wonen van de Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040 (vastgesteld in maart 2022). Daarnaast wordt de visie, samen met onder andere de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de beleidsregel “Ruim baan voor goede woningbouwplannen”, onderdeel van het huidige volkshuisvestelijk beleid.
Hierbij wordt ook rekening gehouden met het provinciaal woonbeleid en de nationale woon- en bouwagenda. Samen met partners wil de gemeente de komende jaren in gemeente Stein gaan werken aan een thuis voor iedereen. In de woonzorgvisie zijn eerst concrete analyses van de opgaven op het gebied van wonen, zorg en welzijn beschreven. Deze zijn vervolgens vertaald in ambities en keuzes, resulterend in een visie en aanpak. De woningvoorraad van Stein bestaat in totaal uit circa 11.810 woningen (CBS, 2022). Het merendeel hiervan is een eengezinskoopwoning (70%). Dit is ruim meer dan het aandeel in de regio Zuid-Limburg (52%). Daarentegen staan er in Stein juist relatief weinig meergezinswoningen (appartementen).
Hoofdstuk 3
33
Ook het aandeel huurwoningen is relatief laag, zowel in corporatie- als particulier bezit. Binnen de gemeente is er een groot aantal verpleegzorggeschikte woningen. Overschotten bevinden zich in de reguliere grondgebonden eengezinswoningen, zowel in goedkoper/kleiner als in het duurder/groter segment. Dit overschot hangt samen met de vergrijzing en ontgroening. Ongeacht het migratiescenario worden risico’s in het grondgebonden koopsegment gesignaleerd. Ongeacht het bovenstaand scenario is de vraag naar ruimere en duurdere nultredenwoningen groot en deze trend zet zich op gelijke wijze door tot 2040. De vraag komt van ouderen die nu nog in relatief grote grondgebonden woningen en niet veel woonruimte willen inleveren. Zij hebben doorgaans meer vermogen dan jonge huishoudens en/of overwaarde op hun huidige koopwoning. Conclusie Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 18 nultredenwoningen binnen het prijssegment dat is gelegen tussen de betaalbaarheidsgrens van € 355.000 en de NHG van € 405.000,- (prijspeil NHG 2023, exclusief energiebesparende maatregelen). Woningen in het betaalbare segment zijn voor het initiatief helaas geen optie vanwege een moeilijke binnenstedelijke plek en gezien de kwaliteit van het bouwplan en de hoge bouwkosten.
Voorgaande is afgestemd met gemeente Stein en deze ontwikkeling zal worden opgenomen in de definitieve versie van de Woonzorgvisie Stein 2023-2028. Het plan maakt derhalve onderdeel uit van de plancapaciteit.
Hoofdstuk 3
34
4.
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Geluid 4.1.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 4.2: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffings-
Artikel
waarde Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Hoofdstuk 4
35
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
Spoorweglawaai Wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming in de zone van een spoorweg via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan, omgevingsvergunning tot het afwijken van een bestemmingsplan (art. 2.12 lid 1 sub a onder 3° Wabo)) mogelijk wordt gemaakt geldt (via art. 107 Wgh) hoofdstuk vier van het Besluit geluidhinder. Bij deze besluiten moeten voor geluidsgevoelige bestemmingen de hoogst toelaatbare geluidsbelasting in acht genomen worden (art. 4.1 Bgh bij bestemmingsplan en art. 4.2 Bgh bij een omgevingsvergunning tot afwijken van het bestemmingsplan). Bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of een projectbesluit dat betrekking heeft op een zone langs een spoorweg moet een akoestisch onderzoek worden ingesteld naar: De geluidsbelasting die door woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen binnen de toekomstige zone vanwege de spoorweg zou worden ondervonden, zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken (art. 4.3 lid 1 onder a Bgh). De doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de spoorweg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de voorkeursgrenswaarden te boven zou gaan (art. 4.3 lid 1 onder b Bgh).
Als wordt overwogen hogere waarde vast te stellen heeft het akoestisch onderzoek ook betrekking op de doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te stellen hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. (art. 4.3 lid 2 Bgh). Wanneer er sprake is van hoofdspoorwegen aangegeven op een geluidplafondkaart moet in het akoestisch onderzoek uitgegaan worden van de brongegevens uit het geluidregister. In de andere gevallen zijn de brongegevens opvraagbaar bij de spoorwegbeheerder. Voor woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB en een hoogst toelaatbare geluidbelasting van 68 dB voor spoorweglawaai. Industrielawaai Bij het realiseren van een geluidsgevoelige bestemming in een zone van een gezoneerd industrieterrein is de Wgh van toepassing. De geluidbelasting van het gezoneerd bedrijventerrein op de gevel van de geluidsgevoelige bestemming moet in eerste instantie worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde. Voldoet de geluidsbelasting niet aan de voorkeursgrenswaarde, dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde. Dit afwijken wordt ook wel de hogere waarde procedure genoemd. Bij de toetsing op basis van de Wgh wordt uitgegaan van de geluidbelasting (behorende bij de vergunde activiteiten) van de bestaande bedrijven op het gezoneerde bedrijventerrein.
Bij bedrijventerreinen die nog lege percelen hebben of akoestisch nog niet vol zijn moet in de ruimtelijke afweging ook uitgegaan worden van de "planologische" geluidbelasting.
Hoofdstuk 4
36
4.1.2 Onderzoek Er is akoestisch onderzoek weg- en spoorverkeerslawaai5 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Wegverkeerslawaai Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de gevelbelasting ten hoogste 48 dB zal bedragen. De gevelbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het kader van de Wet geluidhinder worden ten aanzien van wegverkeerslawaai van de Stationsstraat bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Spoorweglawaai Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat plaatselijk optredende gevelbelastingen zijn bepaald die hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De gevelbelasting bedraagt maximaal 63 dB. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Het appartementengebouw bestaat uit 3 woonlagen met 4 appartementen per bouwlaag. Ter plaatse van appartement 1, 2, 3, 5, 6, 7, 9, 10 en 11 wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Bij de gemeente Stein dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde van 55 dB.
Het ontwerp van het appartementengebouw aanpassen stuit tegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Daar het baanvak deel uitmaakt van het hoofdspoornet zijn er praktisch geen mogelijkheden om de geluidsemissie van het spoor omlaag te brengen. Het treffen van overdrachtsmaatregelen middels het toepassen van een scherm of wal langs de spoorweg stuit tegen bezwaren van landschappelijke aard, mede om verbindingsfunctie van de groene strook langs het spoor zo goed mogelijk te laten functioneren. Omwille van bovenstaande redenen is het niet mogelijk om de geluidbelasting terug te brengen en zal door middel van gevelmaatregelen worden voldaan een de te stellen eisen. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. De gemeente Stein beschikt niet over een geluidbeleid, waardoor er geen aanvullende voorwaarden gelden met betrekking tot geluidluwe gevels en het woon- en leefklimaat in buitenruimten. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met zwaardere eisen die worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. In een separaat onderzoek dienen de geluidwerende maatregelen te worden bepaald waarmee aan de gestelde eisen van afdeling 3.1 van het bouwbesluit kan worden voldaan. Geadviseerd wordt om de gevelmaatregelen af te stemmen op de comforteis.
Industrielawaai Ten zuiden van het plangebied zijn gronden gelegen met de bestemming ‘Bedrijf’ en ter plaatse geldt de functieaanduiding ‘bedrijf tot én met milieucategorie 3.1. Voor dergelijke bedrijvigheid geldt een
5
K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen Weg- en railverkeerslawaai, Stationsstraat 170 Elsloo, rapportnummer: Rm210858aaA0, d.d. 28 juli 2023.
Hoofdstuk 4
37
richtafstand van 50 meter. De beoogde appartementen bevinden zich buiten deze richtafstand namelijk op circa 55 meter ten zuiden van het plangebied. Dit betekent dat een nader onderzoek naar industrielawaai niet is vereist. Daarnaast is het plangebied ook gelegen in de ‘geluidzone - industrie’. Conform de regels behorende bij deze aanduiding mogen binnen deze geluidzone geen geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd. Middels voorliggend plan worden echter wel nieuwe geluidgevoelige objecten (conform de Wet geluidhinder) mogelijk gemaakt. Uit de resultaten van de RUD Zuid-Limburg blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden ter plaatse van alle woningen en appartementen. De maximale gevelbelasting bedraagt 54 dB(A). Echter wordt de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) niet overschreden. Ten behoeve van het plan dient een hogere toelaatbare waarde te worden verleend. De procedure tot het verlenen van hogere waarden loopt tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde van 50 dB is bij een gezoneerd bedrijventerrein geen reële optie omdat de geluidbelasting wordt veroorzaakt door het totale terrein.
Daarnaast dient rekening te worden gehouden met zwaardere eisen die worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. In een separaat onderzoek dienen de geluidwerende maatregelen te worden bepaald waarmee aan de gestelde eisen van afdeling 3.1 van het bouwbesluit kan worden voldaan. Geadviseerd wordt om de gevelmaatregelen af te stemmen op de comforteis. 4.1.3 Invloed planvoornemen op omgeving De totale verkeersgeneratie van de nieuwe woningen ligt tussen 114 en 128 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. De voormalige winkel in het plangebied had daarnaast ook een verkeersgeneratie, die komt te vervallen als gevolg van de ontwikkeling. In het winkelpand was voorheen een meubelzaak gevestigd. Daarom wordt uitgegaan van de kencijfers voor de categorie ‘Woonwarenhuis/woonwinkel (overig)’. Uitgaande van de ligging in de rest van de bebouwde kom in een weinig stedelijke gemeente hebben dergelijke winkels een verkeersgeneratie van 8,5 tot 11,0 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m 2 bvo. Het winkelpand heeft een bvo van 1.210 m 2. De voormalige verkeersgeneratie van het pand ligt hiermee tussen 103 en 133 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie van de voormalige winkel is derhalve vergelijkbaar met die van de toekomstige woningen.
De (akoestische) invloed van het verkeer op de omgeving zal derhalve beperkt blijven en komt overeen met de huidige situatie. 4.1.4 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde vanwege de spoorweg MaastrichtBeek-Elsloo en het industrieterrein Chemelot zal worden overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Het treffen van maatregelen aan de spoorweg om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en civiele aard. Het treffen van maatregelen aan het gezoneerd bedrijventerrein is geen reële optie. In het kader van het spoorweglawaai en industrielawaai wordt een hogere waarde aangevraagd bij de gemeente Stein. Deze zal zijn verleend voor vaststelling van dit bestemmingsplan. In een separaat onderzoek dienen de geluidwerende maatregelen te worden bepaald waarmee aan de gestelde eisen
Hoofdstuk 4
38
van afdeling 3.1 van het bouwbesluit kan worden voldaan. Geadviseerd wordt om de gevelmaatregelen af te stemmen op de comforteis. Onder deze voorwaarde zorgt het aspect geluid niet voor belemmeringen.
4.2 Luchtkwaliteit 4.2.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.2.2 Onderzoek Op basis van de Regeling NIBM draagt een woningproject niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, indien sprake is van de ontwikkeling van minder dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, of de ontwikkeling van minder dan 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen met een gelijke verkeersverdeling. Aangezien het voorliggende project slechts 18 woningen omvat, is dit beduidend kleiner dan de genoemde ondergrenzen in het Regeling NIBM en draagt het project daardoor niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM is inzichtelijk gemaakt of er sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). De grenswaarden voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel evenals de gemeten waarden op de GCDN-kaarten (jaar 2020).
De gemeten waarden liggen ruimschoots lager dan de grenswaarden, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende is voor de beoogde woonfunctie. Stof PM10 PM2,5 NO2
Hoofdstuk 4
Grenswaarde 40 μg/m3 25 μg/m3 40 μg/m3
Gemeten waarde < 18 μg/m3 < 10 μg/m3 10-15 μg/m3
39
Op zo’n 280 meter ten oosten van het plangebied is de Steinderweg gelegen, waarlangs meetpunten zijn geplaatst voor de luchtkwaliteit. Via de NSL-monitoringstool kan worden nagegaan welke luchtkwaliteitswaarden er langs de weg worden gemeten. De NO2-waarde bedraagt minder dan 35 μg/m 3, de PM10-concentratie bedraagt minder dan 35 μg/m 3, het aantal PM10-overschrijdingsdagen bedraagt minder dan 35 dagen per jaar en de PM2,5-concentratie bedraagt minder dan 20 μg/m3. Hiermee wordt het beeld van de GCDN-kaarten bevestigd. 4.2.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is goed. Er is bij lange na geen sprake van een overschrijding of dreigende overschrijding van de grenswaarden. Ook classificeert het project op basis van de Regeling NIBM als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, aangezien het project kleiner is dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.3.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’6. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
6
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
40
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.3.2 Onderzoek De nieuw te bouwen woningen zijn milieugevoelige functies die beschermd dienen te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende bedrijven of instellingen. Anderzijds mogen die bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door de komst van de woningen. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Elsloo, in de nabijheid van o.a. een spoorlijn en een bedrijventerrein aan de overzijde van deze spoorlijn. Op basis hiervan kan de omgeving van het plangebied worden gekwalificeerd als een gemengd gebied. De richtafstanden uit de VNG publicatie kunnen derhalve met een afstandstrap worden verlaagd. Op circa 55 meter7 ten zuiden van het plangebied ligt een bedrijventerrein, waarop bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. De gronden zijn op dit moment in gebruik voor o.a. een metaalbewerkingsbedrijf en een autobedrijf. Voor bedrijven van milieucategorie 3.1 wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd ten opzichte van de gevoelige functies, op basis van de ligging in gemengd gebied. Aan deze afstand wordt voldaan.
Op circa 60 meter ten zuidoosten van het plangebied zijn op dit bedrijventerrein ook bedrijven van milieucategorie 3.2 toegestaan. In gemengd gebied wordt hiervoor een richtafstand van 50 meter geadviseerd, waaraan wordt voldaan. Op circa 125 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt eveneens een bedrijfsbestemming, waar volgens het geldende bestemmingsplan opslag mag plaatsvinden. Ter plaatse is een oldtimerstalling aanwezig. Deze activiteit valt in milieucategorie 2. Daarvoor wordt een richtafstand van 10 meter geadviseerd in gemengd gebied, waaraan ruimschoots wordt voldaan. Voor het overige zijn er in de omgeving geen milieubelastende functies aanwezig waarvan de hindercontour tot het plangebied reikt. In de nieuwe woningen zal dan ook sprake zijn van een goed woonen leefklimaat vanuit het aspect milieuzonering. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de huidige bestemming ‘Gemengd’ in het plangebied wordt vervangen door de bestemming 'Wonen', waarmee de hindercirkel van de huidige functie komt te vervallen. Voor de omliggende woningen leidt de beoogde ontwikkeling kortom tot een verbeterde situatie vanuit milieuzonering gezien. 4.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling aan de Stationsstraat 172 te Elsloo.
7
Gemeten vanuit de grens van het dichtstbijzijnde bouwvlak waar wonen mogelijk wordt gemaakt tot de bestemmingsgrens van de bedrijfsbestemming.
Hoofdstuk 4
41
4.4 Geur agrarisch 4.4.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.4.2 Conclusie De gemeente Stein heeft geen nader geurbeleid opgesteld en gaat derhalve uit van de normering uit de Wgv. Doordat in de nabijheid van het plangebied geen veehouderijen zijn gelegen is dit aspect verder niet van invloed op het planvoornemen.
4.5 Kabels en leidingen In het meest zuidoostelijke deel van het plangebied is een brandstofleiding gelegen. Het aspect externe veiligheid vanwege deze leiding wordt in paragraaf 4.6 behandeld. Ter plaatse van deze leiding en de planologische beschermingszone is geen woningbouw voorzien, maar deze gronden krijgen een bestemming ‘Groen’. Bovendien wordt de dubbelbestemming ‘Leiding’, die geldt ter bescherming van deze leiding, opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast is op circa 100 meter ten zuidoosten van het plangebied de bovengrondse hoogspanningsverbinding Graetheide - Limmel gelegen. Dit betreft een verbinding van 150 kV, die volgens de netkaart (zie onderstaande afbeelding) een indicatieve magneetzone heeft van 70 meter aan weerszijden vanuit het hart van de hoogspanningsverbinding. Binnen deze zone worden bij voorkeur geen gevoelige functies mogelijk gemaakt, zoals woningen. Aangezien het plangebied buiten deze indicatieve magneetveldzone is gelegen, vormt de hoogspanning geen belemmering voor de beoogde woningbouw. Op circa 30 meter ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van het spoor, bevinden zich twee hogedruk aardgastransportleidingen. De dichtstbijzijnde appartementen zijn op ca. 50 meter afstand van deze leidingen geprojecteerd.
Het aspect externe veiligheid vanwege deze leidingen wordt in paragraaf 4.6 behandeld. De planologische beschermingszone van deze leidingen ligt bij lange na niet over het plangebied en vormt daardoor geen belemmering.
Hoofdstuk 4
42
Voor het overige zijn er binnen en nabij het plangebied geen kabels of leidingen met een planologische beschermingszone aanwezig die van invloed zijn op het planvoornemen. Vanuit dit aspect bestaan er geen belemmeringen tegen het planinitiatief.
Figuur 11. Uitsnede netkaart hoogspanning met globale ligging plangebied (rood omcirkeld). Bron: https://geodata.rivm.nl/netkaart.html
4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen
Hoofdstuk 4
43
grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.6.2 Onderzoek Er is een quickscan externe veiligheid8 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Figuur 12. Uitsnede risicokaart met aanduiding. Bron: Atlas leefomgeving
8
Econsultancy, Rapportage onderzoek externe veiligheid Stationsstraat 170, Elsloo, rapportnummer: 21136.001, d.d. 7 augustus 2023
Hoofdstuk 4
44
Risicovolle inrichtingen Op circa 985 meter ten noorden van de grens van het plangebied ligt een LPG-tankstation (nr. 7 binnen figuur 12). Voor LPG tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. In de noordoostelijke richting, op circa 400 meter van de grens van het plangebied, is het terrein van Chemelot (nr. 8 binnen figuur 12) gelegen. De site Chemelot valt onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (BRZO 2015). Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 106/jaar en 10-8/jaar. Gezien de relatief beperkte toename van het aantal aanwezigen met de realisatie van het plan wordt geconcludeerd dat het plangebied geen relevante bijdrage levert aan het groepsrisico. Het plan ligt echter wel binnen het invloedsgebied van Chemelot. Maatgevend is het scenario van een ‘toxische wolk’. Andere risicovolle inrichtingen liggen op meer dan 1 kilometer van het plangebied en zijn niet relevant. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op circa 30 meter ten zuiden van de grens van het plangebied ligt hogedruk aardgastransportleiding Z-530-01 (nr.
4 binnen figuur 12) en op circa 300 meter ten oosten van de grens van het plangebied ligt hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 (nr. 5 binnen figuur 12). Dwars door het plangebied loopt een defensieleiding (nr. 6 binnen figuur 12). Dit betreft een buiten gebruik gestelde brandstofleiding en heeft een belemmeringenstrook van 5 meter. De dichtstbijzijnde woning ligt op circa 20 meter van de defensieleiding. Alle woningen liggen buiten de belemmeringenstrook van 5 meter van de leiding. Met betrekking tot de defensieleiding gelden er derhalve geen belemmeringen. Het plangebied ligt binnen de inventarisatieafstand van leiding Z-530-01. In de toekomstige situatie worden de woningen buiten de belemmeringenstrook van 4 meter gerealiseerd. Hieruit blijkt dat het plaatsgebonden risicocontour kleiner is dan 10-6/jaar. Met betrekking tot de belemmeringenstrook en de plaatsgebonden risicocontouren gelden er geen belemmeringen. Het maximaal aantal slachtoffers in de huidige situatie bedraagt 215 personen en neemt niet toe in de toekomstige situatie. Het groepsrisico bedraagt 0,143 x de oriëntatiewaarde in de huidige situatie en neem niet toe in de toekomstige situatie. Op grond van artikel 12 lid 3 onder b van het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit zal in paragraaf 4.6.3 worden uitgevoerd.
Transport gevaarlijke stoffen over wegen Op circa 630 meter ten oosten van de grens van het plangebied ligt rijksweg A2 (nr. 2 binnen figuur 12) en op circa 1,3 kilometer ten westen van de grens van het plangebied ligt de Maascorridor (nr. 3 binnen figuur 12). Via deze transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied bevindt zich op meer dan 200 meter van de overige transportroutes, maar bevindt zich wel binnen het invloedsgebied van de A2 voor de stoffen LT1 en LT2. Hiervoor dient tevens een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Binnen een afstand van 2,1 kilometer ligt de A76 ten noorden van de grens van het plangebied. Het grootste invloedsgebied bedraagt 880 meter vanwege stofcategorie LT2. Gezien de afstand gelden er geen belemmeringen.
Hoofdstuk 4
45
Tot slot zijn er routes die niet zijn aangewezen als een basisnetroute. Het transport van gevaarlijke stoffen vindt voornamelijk plaats over provinciale wegen. Het gaat voornamelijk om stofcategorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Omdat er binnen een straal van 355 meter geen provinciale wegen zijn gelegen, gelden er geen belemmeringen. Transport gevaarlijke stoffen over het water De invloedssfeer van vaarwegen die aangewezen zijn als basisnetroute reikt maximaal tot 1.070 meter en is afhankelijk van de getransporteerde stofcategorie (tabel 4-2 HART). Binnen deze zoekstraal zijn géén vaarwegen aanwezig die in de Regeling Basisnet aangewezen zijn als basisnetroute. Geconcludeerd wordt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van vaarwegen valt. Deze risicobron vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen over spoorwegen Risico's van spoorwegen die aangewezen zijn als basisnetroute (Regeling Basisnet) kunnen reiken van 35 meter tot meer dan 4.000 meter (tabel 4-2 HART). Dit is afhankelijk van de getransporteerde stofcategorie. Binnen deze afstand is de spoorlijn Lutterade-Visé (B) gesitueerd; de ruimtelijke scheiding tussen deze transportas en het plangebied betreft 15 tot 110 meter. Deze spoorlijn is in de Regeling Basisnet aangewezen als basisnetroute, zijnde Route 100, Lutterade - Visé (B).
Voor deze route blijkt ingevolge de Regeling Basisnet géén Plasbrandaandachtsgebied te gelden en is de PR10 -6 afstand 0 meter. De risicoplafonds zijn vastgesteld op basis van het transport van categorie A, 82 en C3 stoffen, zijnde respectievelijk brandbaar gas, toxisch gas en brandbare vloeistof. Conform label4-2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) reikt het invloedsgebied 1% letaal van de spoorlijn daarmee maximaal tot 995 meter. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied buiten de PR10-6 contour van de spoorlijn LutteradeVisé (B) ligt, maar binnen het invloedsgebied (de 1% letaalzone brand). De spoorlijn vormt daarmee geen harde belemmering voor de planvorming. Echter gelet op de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied dient op grond van artikel 7 van het Bevt, in de ruimtelijke onderbouwing het groepsrisico verantwoord te worden. Omdat het plangebied op minder dan 200 meter van de spoorlijn Lutterade-Visé (B) ligt, dient conform artikel B, lid 1 van het Bevt invulling te worden gegeven aan de verantwoordingsplicht waarbij tevens de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk gemaakt dient te worden. Met behulp van het rekenprogramma RBMII is een nader onderzoek ingesteld naar de risico’s.
4.6.3 Verantwoording groepsrisico In geval van een calamiteit bevindt het besluitgebied zich binnen letaliteitszones en/of in het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen. Voor de volgende scenario’s wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid: een fakkelbrand vanwege hogedruk aardgastransportleiding Z-530-01; een calamiteit met toxische stoffen (stofcategorie B2, LT1 en LT2) op het spoor, A2 of het industrieterrein Chemelot; een calamiteit met brandbare stoffen (stofcategorie A en C3) op het spoor. Op basis van artikel 12 lid 2 van het Bevb, artikel 9 van het Bevt en artikel 12 lid 3 van het Bevi dient de Veiligheidsregio Zuid-Limburg in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen.
Hoofdstuk 4
46
In de onderstaande tabel is een beknopte verantwoording weergegeven. Voor de volledige risicoberekeningen wordt verwezen naar de bijlagen.
Aspect
Verantwoording
Bestrijdbaarheid en
Buisleiding
bereikbaarheid
Omdat de kans op een calamiteit het grootst is gedurende de dagperiode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de buisleiding, zullen aanwezigen naar verwachting voldoende alert zijn om direct te kunnen handelen. Aanwezigen binnen het plangebied moeten vooraf worden geïnformeerd over aanstaande werkzaamheden aan de leiding en moeten worden gewezen op de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Spoor, rijksweg A2 en Chemelot In het geval van een calamiteit op het spoor, rijksweg A2 of op industrieterrein Chemelot is het plangebied voor hulpdiensten bereikbaar via de Stationsstraat. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen of secundaire brandhaarden blussen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: • op tijd ter plaatse te zijn; • voldoende opstelplaatsen te hebben; • voldoende blusmiddelen te hebben.
Zelfredzaamheid
Buisleiding Een deel van het appartementengebouw ligt in de 100% letaliteitszone van de gasleiding. Het gaat in totaal om negen appartementen die (deels) binnen deze zone liggen. De overige woningen en appartementen liggen in de 1% letaliteitszone. Het maatgevende scenario met betrekking tot hogedruk aardgastransportleidingen is een fakkelbrand. Buisleidingincidenten worden hoofdzakelijk veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden. De kans dat een fakkelbrand optreedt is klein, maar niet uit te sluiten. De voorkeur is om de afstand van het appartementencomplex ten opzichte van de buisleiding zo groot mogelijk te houden om de aanwezigheid van personen binnen de 100%-letaliteitszone zoveel mogelijk te beperken. Ondanks dat negen appartementen binnen de 100%-letaliteitszone liggen, kan het restrisico worden geaccepteerd. Het groepsrisico neem niet toe na de realisatie van het plan en er zijn geen belemmeringen met betrekking tot het plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Spoor Maatgevende scenario’s op het spoor zijn calamiteiten met een BLEVE. Het ontstaan van een koude BLEVE op het spoor is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Bij een koude en warme BLEVE dienen overlevenden de woning of het gebied te ontvluchten in verband met secundaire branden.
Hoofdstuk 4
47
Rijksweg A2 en industrieterrein Chemelot Maatgevende scenario’s op de rijksweg A2 en het industrieterrein Chemelot zijn calamiteiten met toxische gaswolken. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. De ventilatieopeningen moeten van de risicobron af worden gericht. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken.
4.6.4 Convenant versterking van de veiligheid rondom Chemelot De provincie Limburg, de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek, Stichting Chemelot, Chemelot Site Permit (CSP) en DSM hebben op 25 mei 2023 wederzijdse afspraken ondertekend over het versterken van de veiligheid rondom Chemelot. Met deze afspraken creëren de partijen een nog veiligere leefomgeving rondom de site Chemelot. Strengere normen dan wettelijk vereist De afspraken passen in de ambitie om de kwaliteit van de leefomgeving van Chemelot te verhogen. In de Strategische Gebiedsvisie Omgeving Chemelot ligt deze ambitie vast. Voor inwoners van de omliggende gemeenten wordt de kwaliteit van de leefomgeving versterkt. Dit gebeurt door bescherming tegen ongewone voorvallen, via afspraken over nieuwe ontwikkelingen binnen en buiten Chemelot. Partijen hebben vastgelegd dat de afspraken verder gaan dan wat qua wet- en regelgeving nodig is. Veiligheid zowel in bestaande situaties als voor nieuwe initiatieven Het convenant is zowel van toepassing op nieuwe initiatieven binnen en buiten Chemelot als op ingrijpende veranderingen aan bestaande installaties die een veranderend risicoprofiel met zich meebrengen. Zo wordt er bijvoorbeeld een pilot gestart om nieuwe initiatieven te beoordelen volgens het ‘concept’ van integrale veiligheid.
Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de externe veiligheid, maar worden ook andere veiligheidsaspecten in de afweging en besluitvorming betrokken alsook de economische meerwaarde. Een ander voorbeeld is de ontwikkeling van een afwegingsmethodiek van best beschikbare technieken gericht op veiligheid.. De omliggende gemeentes (Sittard-Geleen, Stein en Beek) stemmen de ruimtelijk-planologische ontwikkeling van het gebied rondom Chemelot af op de aanwezige risico’s. Het veiligheidsniveau in de bestaande situatie wordt vooral gewaarborgd met de door Chemelot in gang gezette acties en handelwijzen in het kader van haar eigen interne veiligheidsprogramma ‘Samen bewust veilig’.
Hoofdstuk 4
48
Afspraken hebben invloed op procedures Partijen hebben afgesproken dat eind 2025 de in het convenant genoemde verplichtingen zijn gerealiseerd. De afspraken worden de komende jaren gemonitord en zonodig bijgestuurd. In bestemmingsplannen, omgevingsplannen, vergunningsvoorschriften en contractuele afspraken worden de afspraken toegepast. In het convenant is per partij aangegeven welke maatregelen zij gaan treffen om de veiligheid op en rond Chemelot te versterken. Het convenant is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg en de colleges van Burgemeester en Wethouders van Sittard-Geleen, Stein en Beek en de directies van de Stichting Chemelot, CSP en DSM. 4.6.5 Advies Veiligheidsregio Zuid-Limburg Op basis van het onderzoek ten aanzien van externe veiligheid en de verantwoording van het groepsrisico is advies aan de Veiligheidsregio Zuid-Limburg gevraagd. Op 7 juni 2023 heeft de Veiligheidsregio advies uitgebracht. In dit advies zijn voor de verschillende scenario’s maatregelen omschreven. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen sterk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Hoewel het uitvoeren van maatregelen een positief effect zal hebben op de veiligheid, valt daarmee niet uit te sluiten dat zich een incident voor zal doen met slachtoffers op de planlocatie en de omgeving.
Het is aan het bevoegd gezag dit ‘restrisico’ expliciet te accepteren en in het besluit te verantwoorden binnen de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Bij de nadere uitwerking van de appartementen en woningen in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning zal door de ontwikkelaar zoveel mogelijk rekening worden gehouden met deze adviezen van de veiligheidsregio. 4.6.6 Conclusie Uit de kwantitatieve risicoanalyses volgt dat het groepsrisico als gevolg van de hogedruk aardgastransportleiding Z-530-01 hoger is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde, maar niet toeneemt, en voor de rijksweg A2 lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Voor het plan is derhalve een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Maatgevend scenario is een fakkelbrand door leidingfalen. De kans op leidingfalen is uiterst klein en doet zich in feite alleen voor wanneer op of rond de leiding werkzaamheden worden uitgevoerd. De kans op slachtoffers kan verder worden beperkt door bewoners vooraf te informeren over aanstaande werkzaamheden, de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Het voorschrijven van strikter toezicht tijdens werkzaamheden verkleint de kans op calamiteiten. Het restrisico kan worden geaccepteerd, omdat het groepsrisico onder de 0,1 x de oriëntatiewaarde ligt en er geen belemmeringen zijn met betrekking tot het plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar.
Maatgevende scenario’s op het spoor, rijksweg A2 en op het industrieterrein Chemelot zijn calamiteiten met een BLEVE en/of toxische gaswolken. De Veiligheidsregio Zuid-Limburg dient in de gelegenheid gesteld te worden om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van het spoor, rijksweg A2 en het industrieterrein Chemelot. Het advies kan als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd worden.
Hoofdstuk 4
49
Convenant versterking van de veiligheid rondom Chemelot Het bestemmingsplan is tijdens het vooroverleg voorgelegd aan zowel de Veiligheidsregio Zuid-Limburg als het RUD Zuid-Limburg. Zij hebben maatregelen voorgesteld zodat de externe veiligheid binnen het plangebied gewaarborgd blijft welke zullen worden toegepast. Daarnaast betreft het grootste gevaar van Chemelot het scenario van een ‘toxische wolk’. Hiervoor is een bestemmingsplanregel opgenomen waarbij de woningen snel afsluitbaar zijn waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de beoogde transformatie van de locatie aan de Stationsstraat 170-172 te Elsloo.
4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Hoofdstuk 4
50
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Hoofdstuk 4
51
4.7.2 Onderzoek Gebiedsbescherming – Wet natuurbescherming In de wijde omgeving rondom het plangebied zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen. Op ruim 1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt het Bunder- en Elslooërbos. Het Natura 2000-gebied Bunderbos en Elslooërbos is circa 190 hectare groot en omvat een reeks bossen op de steile, oostelijke helling van het Maasdal tussen Elsloo en Bunde, te weten het Hoge en Lage Bos bij Elsloo, het Geulderbos bij Geulle en het Armenbos en het Bunderbos bij Bunde. De noordelijke bossen bevatten talloze kalkrijke bronnen en beken en worden beschouwd als de mooiste bronbossen in ons land. Het gebied herbergt tevens het enige voorbeeld van kalktufbronnen in ons land. Met de effectenindicator is inzichtelijk gemaakt welke mogelijke effecten het project heeft op het gebied.
Van oppervlakteverlies en versnippering is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Van verontreiniging en verdroging is geen sprake doordat de woningen op duurzame wijze worden gebouwd en gasloos worden gerealiseerd. Gezien de afstand tot het gebied kan worden gesteld dat er ter plaatse geen sprake zal zijn van verstoring door geluid, licht of trilling, optische verstoring of mechanische effecten. Op ruim 1,5 kilometer ten westen van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Grensmaas. Binnen het rivierengebied neemt de Grensmaas, die in Limburg tussen Wessem en Maastricht de grens met België vormt, een bijzondere positie in omdat deze het karakter heeft van een heuvellandrivier. Anders dan het weidse landschap met brede uiterwaarden van rivieren als IJssel, Rijn, Waal en Benedenmaas wordt het landschap van de Grensmaas gekenmerkt door een smalle, diep ingesneden bedding, die als het ware ligt bekneld tussen hogere gronden van oudere oorsprong. De sterk meanderende en betrekkelijk ondiepe rivierloop is mede door de aanwezigheid van zand- en grindbanken onbevaarbaar; voor de scheepvaart is ten oosten van de Grensmaas het Julianakanaal gegraven. Ten zuiden