Toelichting Brouwerij de Fontein d.d. 03-06-2021.pdf
Tekst van het document
28
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. In z’n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijze tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘groenfonds’. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen. De herinrichting van het plangebied valt onder het toepassingsbereik van het Limburgs Kwaliteitsmenu, vanwege de situering buiten de rode contour van Stein. Het uitbreiden van de horecabestemming kan niet worden geschaard onder een specifieke module van het LKM. Dientengevolge is maatwerk aan de orde, waartoe ten behoeve van de herinrichting diverse nieuwe aanplant zal worden gerealiseerd. Voorliggend project is voorgelegd aan de Stichting Kwaliteitscommissie Limburg.
Deze commissie heeft middels brief d.d. 14 november 2019 positief geadviseerd. Het advies van de Stichting Kwaliteitscommissie Limburg is bijgevoegd als bijlage 2. 4.2.5
Conclusie provinciaal beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het geldende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling. De ter plekke van onderhavige projectlocatie van toepassing zijnde provinciale zoneringen ‘Bronsgroene landschapszone’ en ‘Buitengebied’ impliceren geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. De ladder voor duurzame verstedelijking is in casu niet van toepassing. Het provinciaal beleid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig project.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025 De raad van de gemeente Stein heeft op 15 september 2011 de strategische toekomstvisie ‘Het Stein van morgen’ 2011-2021 van de gemeente Stein vastgesteld. Met de vaststelling van deze visie heeft de raad zich gecommitteerd om een koers voor het ruimtelijk beleid uit te zetten voor de komende 10 jaar. De ambities uit de strategische toekomstvisie vragen om een ruimtelijke (door)vertaling. In een structuurvisie geeft de gemeente de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen en het door de gemeente te voeren beleid aan. De structuurvisie gaat ook in op de wijze waarop de gemeente van plan is de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. Recreatie en toerisme binnen de gemeente Stein wordt met name gekenmerkt door extensieve recreatiemogelijkheden en kleinschaligere dagrecreatieve voorzieningen. Deze voorzieningen zijn allen gelegen aan de randen van de stedelijke omgeving met dagrecreatieve voorzieningen. De
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
29
M171731.004/ASE
gemeente Stein wordt ook gekenmerkt door de historische kernen. Het landelijke gebied en Rivierpark Maasvallei wordt met name benut voor extensief recreatief medegebruik, bijvoorbeeld wandel- en fietsroutes. De locatie is gelegen langs de recreatieve routes tussen de historische kern Stein en Rivierpark Maasvallei. Stein investeert in het versterken en verbreden van het economisch profiel door een beter gebruik van de toeristisch recreatieve potenties rondom natuur, landschap, cultuur en cultuurhistorie, door: onder andere de economische speerpunten als het Midden- en Klein Bedrijf en recreatie en toerisme aan te wijzen. Tevens moeten de vrijetijdseconomie en recreatie en toerisme als een nieuwe economische motor zien. De rol van de gemeente moet in deze ontwikkelingen ondernemend en faciliterend zijn. Voorliggende aanvraag voorziet in het verruimen van de horecabestemming en het verruimen van de activiteiten bij de bestaande horeca-gelegenheid, om daarmee het bedrijf toekomstbestendig te kunnen exploiteren. Daarmee ontstaat ook binnen het recreatief netwerk een sterk bedrijf met voorzieningen ten dienste aan de recreant. Gelet op bovenstaande is het voornemen niet strijdig met de Ruimtelijke Structuurvisie Stein 20152025.
4.3.2
Strategische Toekomstvisie 2018-2022 De Strategische Toekomstvisie 2018-2022 geeft richting aan de koers van de gemeente Stein en vormt de basis voor de kerntakendiscussie. Het betreft een dynamisch document. Het is belangrijk om continu de externe omgeving te monitoren op veranderingen die van invloed zijn op de strategische ambities van de gemeente. Verandersignalen moeten goed worden opgevangen en geïnterpreteerd om tijdig te kunnen bijsturen. De missie van de gemeente Stein is als volgt geformuleerd: “een eigenzinnige woongemeente in de Zuid-Limburgse Maasvallei waar het mogelijk is dorps te wonen in een verstedelijkt gebied met kwalitatief hoogwaardige voorzieningen en ruimte voor ondernemerschap en particulier initiatief’’ Drie kernwaarden vormen de ruggengraat van de strategische toekomstvisie 2018-2022. Deze kernwaarden vormen in onderlinge samenhang het DNA, de identiteit van de gemeente Stein. Ze beschrijven hoe wordt toegewerkt naar de gemeente die we samen willen zijn en vormen de bouwstenen van onze missie. Kernwaarde 1 Sociale en vitale kernen Sociale en vitale kernen worden voor een belangrijk deel gevormd door de identiteit van de kern en de inwoners en ondernemers. Het is belangrijk om bewust en trots te zijn op de eigen identiteit en kwaliteiten en dit ook te etaleren. Dit neemt niet weg dat de gemeente de samenwerking tussen de kernen wil stimuleren.
Samenwerking is in de toekomst van groot belang om de kracht van Stein te behouden.
30
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
Kernwaarde 2 Een duurzame leefomgeving met unieke waarden Stein heeft unieke omgevingswaarden. Enerzijds vanwege de gunstige geografische ligging en anderzijds door de aanwezigheid van hoogwaardige voorzieningen. Door de cultuurhistorische waarden, de ligging aan de Grensmaas en diverse groene verbindingen is tevens sprake van landelijk wonen binnen een groter verstedelijkt gebied. Een duurzame leefomgeving met unieke waarden hangt ook samen met een goede bereikbaarheid van de gemeente Stein. Daarnaast zorgt bedrijvigheid voor werkgelegenheid in de directe nabijheid. Kernwaarde 3 Een bereikbare en bedrijvige gemeente Door de goede geografische ligging in de Euregio aan diverse snelwegen, de aanwezigheid van een haven, de nabijheid van de Chemelot Campus en een vliegveld, en een sterk MKB, heeft Stein een gunstig economisch klimaat. Om dit klimaat verder te versterken is het van belang om juist die kansen te benutten die aansluiten bij de economische identiteit van onze gemeente en de economische diversiteit bevorderen. Vrijetijdseconomie, recreatie en toerisme worden gezien als belangrijke sectoren die een bijdrage leveren aan de economische diversiteit en versterking van de lokale economie binnen de gemeente. De gemeente Stein kiest voor een heldere toeristische profilering met een aantal speerpunten.
Onder de noemer van ‘Stein Stil Genieten’, wil de gemeente zich de komende jaren gericht profileren als de Poort tot de Maasvallei en dé Maasgemeente met een rijke cultuurhistorie met een focus op bijbehorende evenementen. De focus ligt op het extra aantrekken van dagjesmensen die gebruik maken van de lokale horeca, de musea en de plaatselijke middenstand, waardoor het voorzieningenniveau ook voor onze inwoners in stand blijft. Door de ontwikkeling van het rivierenpark Maasvallei, het steeds drukker worden van het Heuvelland en het gezamenlijk verder ontwikkelen van het toerisme binnen de regio Westelijke Mijnstreek, wordt vrijetijdseconomie een steeds belangrijkere factor binnen de economische pijler. Vrijetijdseconomie en recreatie zien wij als een nieuwe pijler voor de verdere ontwikkeling van onze lokale economie. Daarnaast leveren de sectoren toerisme en recreatie een belangrijke bijdrage aan de versterking van de economisch diversiteit binnen onze gemeente.
4.3.3
Toeristisch Actieplan Stein Stichting VVV Zuid-Limburg heeft in samenwerking met betrokken ondernemers, inwoners en vertegenwoordigers van de gemeente Stein een toeristisch actieplan opgesteld. Stein heeft de ambitie om zich in 2020 duurzaam te hebben geprofileerd als groene gemeente in de Maasvallei waar het goed recreëren is. Door verbindingen te leggen tussen waterrecreatie, natuurrecreatie, cultuurhistorie / musea, wandelen en fietsen met horeca ontstaan ‘cross overs’ die nieuwe kansen bieden. Onder andere Rivierpark Maasvallei, Grensmaas en internationale maasfietsroutes worden als speerpunten gezien. Op basis van 10 principes van een duurzame bestemming is een strategie bepaald. De voorgenomen ontwikkeling van brouwerij De Fontein past binnen de ambities van het toeristisch actieplan. De 10 principes gaan bijvoorbeeld in op het belang om gedurende 12 maanden een onderscheidend toeristisch-recreatief aanbod te hebben. Tevens dient de productie en het gebruik van streekproducten, vooral vanuit het perspectief van de ambacht, te worden gestimuleerd. In het toeristisch actieplan wordt het belang van lokale (horeca)ondernemers onderschreven, evenals het uitdragen van het verleden via bijvoorbeeld monumenten.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
31
M171731.004/ASE
4.3.4
Algemene Plaatselijke verordening gemeente Stein De Algemene Plaatselijke Verordening, oftewel APV, bevat regelgeving die in de gemeente Stein geldt. De APV gaat in op regelgeving rondom openbare orde en veiligheid. In de APV is onder andere de sluitingstijd van horecabedrijven vastgelegd: Artikel 2:20 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven op: maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 2. De burgemeester kan bij bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 3. Het in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. 4. In afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod is het de exploitant van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven in de nacht van 31 december op 1 januari, gedurende Koningsnacht en tijdens carnavals- en kermisdagen op maandag en dinsdag tussen 03.00 uur en 07.00 uur, Aswoensdag en ten aanzien van de kermisdagen alleen voor die kern van de gemeente, waar de kermis wordt gehouden en alwaar de inrichting is gelegen. 5.
Het is de exploitant als bedoeld in het eerste lid verboden op de bij zijn/haar horecabedrijf behorende buiten- en /of binnenterras(sen) aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur ‘s avonds en 10.00 In de planregels van voorliggend bestemmingsplan is een sluitingstijd van 01.00 uur opgenomen, ondanks dat de APV een ruimere regeling kent.
4.3.5
Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
32
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
5
Milieutechnische aspecten Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
5.1
Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een planologische functiewijziging met als gevolg dat het is vereist om de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plekke van onderhavige planontwikkeling te beoordelen. Ten opzichte van de vigerende bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’, ‘Tuin’ en ‘Wonen’ wordt immers voorzien in een ‘gevoeligere bestemming’, te weten de bestemming ‘Horeca’. Derhalve dient een verkennend bodemonderzoek te worden verricht.
5.1.1
Verricht verkennend bodemonderzoek Het verkennende bodem- en asbestonderzoek is verricht door Aelmans ECO B.V.. De rapportage van dit verrichte onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3. - bovengrond De bovengrond is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 1, 2 en 3. Uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters 1 (bovengrond toekomstige parkeerplaats) en 3 (uitbreiding bebouwing) blijkt dat analytisch geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 2 blijkt dat diverse concentraties zware metalen en PAK de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. De ter plekke aangetroffen overschrijdingen zijn van dien aard dat deze bodemlaag als licht verontreinigd bestempeld moet worden. Deze overschrijdingen vormen voor de beoogde herinrichting van onderhavig perceel geen belemmeringen. - ondergrond Voorts is de ondergrond analytisch onderzocht door middel van een tweetal grondmengmonsters. Uit de analyseresultaten van deze grondmengmonsters blijkt dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. - grondwater Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt dat behoudens enkele marginale
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
33
M171731.004/ASE
overschrijdingen, geen noemenswaardige overschrijdingen worden aangetroffen. De aangetroffen licht verhoogde concentraties vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen. - asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek kan de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden bevestigd. De hypothese “onverdacht” wordt op basis van de onderzoeksresultaten niet bevestigd, doch de analytisch bevindingen liggen in de lijn van een het eerder in 2005 uitgevoerd bodemonderzoek. Voor wat betreft de onderzoekslocatie zijn er geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. In het verkennende bodem- en asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat ondanks de verhoogde concentraties in zowel de bovengrond en het grondwater deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen vormen voor de beoogde herinichting van onderhavig perceel en de hiermee samenhangende bouwplannen. Derhalve bestaat voor de onderzoekslocatie geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek.
Vanwege de diversiteit in de bodemlagen (leemgrond en menggranulaat) dient initiatiefnemer er wel rekening mee te houden dat deze bodemlagen niet vermengd worden en na ontgraving in dezelfde hoedanigheid worden herschikt. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.2
Geluid In deze paragraaf wordt ingegaan op het aspect geluid van externe komaf. In dit kader kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai.
5.2.1
Geluidgevoelige objecten en terreinen In het kader van de Wet geluidhinder worden navolgende objecten beschermd tegen geluid: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.
Een ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ is conform artikel 1 van de Wet geluidhinder aangewezen in het Besluit geluidhinder (Bgh). Als ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ zijn in artikel 1.2 Bgh aangewezen: onderwijsgebouwen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen;
34
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven.
Een ‘geluidsgevoelig terrein’ is conform artikel 1 Wet geluidhinder aangewezen in het Besluit geluidhinder (Bgh). Als ‘geluidsgevoelig terrein’ zijn in artikel 1.2 Bgh aangewezen: woonwagenstandplaatsen; ligplaatsen voor woonschepen.
Strikt genomen is – op basis van vorenstaande (limitatieve) lijst – geen sprake van het realiseren van een (nieuw) geluidgevoelig object/gebouw/terrein. Echter, in specifieke situaties zullen – blijkens jurisprudentie – in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook andere functies moeten worden beschouwd. In principe kan ‘elke situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven’ als geluidgevoelig beschouwd worden. Dit betekent niet meteen dat deze situaties grondig beschouwd dienen te worden of een hoog beschermingsniveau tegen geluid verdienen. Het geeft wel aan dat de motivering ‘een functie is niet geluidgevoelig’ een te magere motivering is. Nu voorliggende planontwikkeling voorziet in het planologisch-juridisch regelen van een horecavoorziening met bijbehorende terrasfunctie – en zodoende gesproken zou kunnen worden van ‘een situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven’ – wordt hiernavolgend voor onderhavige planontwikkeling, vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, nader ingegaan op het aspect geluid (van externe komaf).
5.2.2
Indicatie geluidkwaliteit RIVM Het RIVM heeft een geluidkaart ontwikkeld, via welke een indicatie kan worden verkregen van de geluidkwaliteit op een bepaalde locatie. Deze geluidkwaliteit is gebaseerd op een indeling in klassen van 5 dB van de totale gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer, railverkeer, luchtvaart, windturbines en industrie. De indicatie van geluidkwaliteit heeft betrekking op de situatie buitenshuis. Hoewel de kwaliteitsindicatie van het RIVM niet kan worden gebruikt in het kader van normtoetsing, is deze ten behoeve van voorliggende planontwikkeling weliswaar goed bruikbaar om (indicatief) inzicht te verkrijgen in de geluidkwaliteit ter plekke van het plangebied. Dit met name om te kunnen beoordelen of het gebruik van de buitenruimte voor de beoogde terrasfunctie vanuit het oogpunt van geluid (van externe komaf) als acceptabel kan worden beschouwd. In navolgende figuur is voor een aantal locaties ter plekke van het plangebied op basis van de geluidkaart van het RIVM een indicatie van de geluidkwaliteit beschouwd.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
35
M171731.004/ASE
36
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
Indicatie geluidkwaliteit conform geluidkaart RIVM op diverse locaties ter plekke van het plangebied
Gelet op de geluidkaart van het RIVM is indicatief de geluidkwaliteit van de buitenruimte ter plekke van onderhavig plangebied alwaar mensen kunnen verblijven (het buitenterras) in z’n algemeenheid redelijk tot goed te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.2.3
Conclusie geluid Voorliggende planontwikkeling leidt niet tot het realiseren van een (nieuw) geluidgevoelig object en/of terrein. Vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is desalniettemin in voorliggende paragraaf een uiteenzetting gegeven van de geluidbelasting ter plekke van onderhavig plangebied. Daaruit is gebleken dat de geluidkwaliteit van de buitenruimte als ‘redelijk’ tot ‘goed’ kan worden betiteld. In dit kader is tevens van belang dat de gasten, die de horecagelegenheid bezoeken, in hun afwegingen daarbij tevens de aantrekkelijkheid van de locatie (en daarmee tevens eventuele geluidoverlast) in ogenschouw zullen nemen. Is sprake van een te hoge – voor gasten onacceptabele – geluidhinder, zullen deze geen gebruik maken van de horecafaciliteiten ter plekke. De praktijk in de afgelopen jaren heeft echter uitgewezen dat de ter plekke van onderhavig plangebied feitelijk geëxploiteerde horecagelegenheid een lokale én regionale aantrekkingskracht heeft. Eventuele hinder door geluid van externe komaf lijkt daarmee voor de gasten geen belemmerende werking te hebben ter plekke van onderhavige locatie. Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
37
M171731.004/ASE
5.3
Milieuzonering
5.3.1
Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
5.3.2
Activiteitenbesluit Voor horecabedrijven – waarvan bij voorliggende planontwikkeling ter plekke van onderhavige plangebied sprake is – gelden de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Het gaat hierbij dan voornamelijk om bepalingen om hinder voor de omgeving te beperken of te voorkomen. Het Activiteitenbesluit stelt voor horeca voornamelijk eisen aan geluid, lucht en afvalwater. Die zijn nader uitgewerkt in de Activiteitenregeling milieubeheer. Onderhavige bedrijfsactiviteiten dienen derhalve te voldoen aan deze eisen voortvloeiende uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer, waartoe – losstaand van, en na afronding van, het ruimtelijke traject – een melding moet worden ingediend.
5.3.3
Richtafstanden Losstaand van de wettelijke vereisten waaraan de activiteiten ter plekke van voorliggend plangebied zullen moeten voldoen, wordt hiernavolgend ingegaan op de diverse hinderaspecten op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). Bij het al dan niet toelaten van (nieuwe) bedrijfsactiviteiten dienen deze qua omvang en aard te passen binnen de omgeving. Daarbij mag geen onevenredige milieuhinder optreden waardoor het woon- en leefklimaat in de directe (woon)omgeving wordt aangetast. In de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) worden richtafstanden genoemd die in beginsel in acht moeten worden genomen tussen milieubelastende bedrijfsactiviteiten en woningen. De afstanden hebben betrekking op geur, stof, geluid en gevaar. Verder is voor de onderhavige bedrijfsactiviteit voor de aspecten verkeersaantrekkende werking, visuele hinder, bodemverontreiniging en luchtverontreiniging aangegeven of sprake is van een specifiek aandachtspunt (‘indices’). Bij de richtafstanden per bedrijfstype zijn in de VNG-brochure navolgende uitgangspunten gehanteerd:
38
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
Het betreft ‘gemiddelde’ nieuwe bedrijven met voor nieuwe bedrijven gangbare voorzieningen binnen het gedefinieerde bedrijfstype; Het betreft woningen in een rustige woonwijk met weinig verkeer. Voor voorliggende planontwikkeling zijn navolgende bedrijfsactiviteiten met bijbehorende richtafstanden en indices van toepassing:
10 C
10
10
1
2
P
1
0
0
10 C
10
10
1
2
P
1
10
0
30 C
0
30
2
1 G
1
LUCHT
VERKEER
0
BODEM
CATEGORIE
10
VISUEEL
GROOTSTE AFSTAND
1102 t/m 1104
GEVAAR
Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.
INDICES
GELUID
561
563
AFSTANDEN IN METERS
STOF
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008
Café’s, bars
Vervaardiging van wijn/cider e.d.
Tabel met richtafstanden en indices conform VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009)
De ter plekke van onderhavig plangebied planologisch-juridisch vast te leggen bedrijfsactiviteiten betreffen activiteiten in de (milieu)categorieën 1 (horeca en terras) en 2 (brouwerij). Het exploiteren van een bierbrouwerij behoort op basis van de VNG-milieuzoneringslijst tot categorie 4.2. Bij de categorie ‘bierbrouwerijen’ wordt uitgegaan van het exploiteren van een grootschalige, industriële brouwerij. Brouwerij de Fontein kan echter worden aangemaakt als een kleinschalige/ambachtelijke brouwerij. In de VNG-milieuzoneringslijst wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen kleinschalige dan wel grootschalige bierbrouwerijen. Aangezien de activiteiten van Brouwerij de Fontein kleinschalig van aard zijn, wordt de categorie ‘bierbrouwerijen’ niet passend geacht voor de ter plekke gebezigde activiteiten. Het kleinschalig en ambachtelijk bier brouwen komt overeen met de in de VNG-milieuzoneringslijst genoemde activiteiten 'vervaardiging van wijn, cider, e.d.' die in categorie 2 vallen. De te beschouwen hinderaspecten zijn geur, gevaar en geluid. Ook bij andere kleinschalige bierbrouwerijen in Nederland wordt eveneens ervan uitgegaan dat deze behoren tot milieucategorie 2. Ter illustratie kan worden gewezen op Brouwerij Dampegheest in Limmen en Pimpelmeesch in Chaam. Geur Vanwege de keukenfunctie dient een richtafstand van 10 meter te worden aangehouden.
De bestaande kortste afstand tussen de horecagelegenheid en de gevel van het meest nabij gelegen gevoelige object (woning Ondergenhousweg 13a) bedraagt 8,4 meter. Aan de richtafstand van 10 meter voor wat betreft het aspect geur wordt niet voldaan.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
39
M171731.004/ASE
Op basis van Activiteitenregeling (artikel 3.103, lid 1) worden voor ‘bedrijfsmatige voedselbereiding’ geurvoorschriften vastgelegd. Deze voorschriften dienen om geurhinder te voorkomen of deze tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Geur is uitputtend geregeld. In feite zijn voor wat betreft het voorkomen van geurhinder voor een horecabedrijf twee keuzen: een afvoerpijp 2 meter bovendaks binnen 25 meter; een doelmatige ontgeuringsinstallatie. Indien de afstand van 25 meter niet wordt gehaald, zal initiatiefnemer een doelmatige ontgeuringsinstallatie installeren. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van het Activiteitenbesluit. Gevaar Naast het aspect geur dient op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) met betrekking tot het aspect gevaar een richtafstand van 10 meter in acht te worden genomen. Deze afstand dient in acht te worden genomen indien binnen een inrichting sprake is van de opslag van gevaarlijke (ontplofbare) stoffen (zoals gas, propaan e.d.). Van een dergelijke opslag is geen sprake ter plekke van onderhavig plangebied. Geluid Voor wat betreft het aspect geluid dient een richtafstand van 10 meter voor de horeca-activiteiten en 30 meter voor de brouwerij in acht te worden genomen. Voor de activiteiten is de letter C van ‘continue’ toegevoegd aan deze richtafstand.
Dit betekent dat de meeste bedrijven binnen deze bedrijfstype continue dag en nacht in bedrijf zijn, waarvan in casu geen sprake is en wat ook op basis van de planregels niet mogelijk is. Geluid afkomstig van de ter plekke van onderhavig plangebied gebezigde horeca-activiteiten zijn tweeledig. Enerzijds kan sprake zijn van geluidhinder vanwege de bezoekers (stemgeluid) en eventueel ten gehoor gebrachte muziek. Anderzijds kan geluidhinder ontstaan vanwege de verkeersbewegingen (personenauto’s) van en naar de parkeerplaatsen ter plekke van het plangebied (zowel geluid van dichtslaande deuren als eventuele indirecte geluidhinder). Geluid afkomstig van de brouwerij is van de koelinstallatie ten behoeve van het brouwproces. Teneinde het aspect geluid adequaat te kunnen beoordelen is door bureau Kragten in januari 2020 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is het inzichtelijk maken van de geluidimmissie (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus) op basis van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige bestemmingen. Daarnaast maakt het akoestisch onderzoek de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking inzichtelijk. De rapportage van het akoestisch onderzoek is bijgevoegd als bijlage 4.
- langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Het bronvermogen van de koelinstallatie ten behoeve van de brouwerij is bepaald conform methode II.2 uit de HMRI. Bijlage 2 bij deze rapportage geeft de bronvermogenbepaling. Het bronvermogen bedraagt 86 dB(A). Uitgangspunt is echter dat de geluidproductie van deze bron minimaal 10 dB
40
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
wordt gereduceerd, waardoor het bronvermogen ten hoogste 76 dB(A). Het is ook mogelijk dat deze installatie inpandig wordt geplaatst of wordt vervangen. In het laatste geval dient een bronvermogen van 76 dB(A) gewaarborgd te zijn. Voor de bedrijfsduur is uitgegaan van 75% elke etmaalperiode. De koelbehoefte is afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Voor de meeste dagen betekent de bedrijfsduur een worst case benadering. Aangezien het geluid van de koelinstallatie en continu karakter heeft, produceert deze bron geen relevant maximaal geluidniveau. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het muziekgeluid van het brauhaus, de wintertuin en het Molenhuis in de dag-, avond- en nachtperiode een bijdrage heeft van ten hoogste 21 dB(A) op de locatie Ondergenhousweg 13a. Voor de dag- en avondperiode geldt dat deze geluidbelasting circa 20 dB minder bedraagt dan de geluidimmissie vanwege de inrichting en daarmee geen relevante bijdrage aan de geluidimmissie heeft. Bovendien gaat het geluid vanuit de wintertuin op in het heersende omgevingsgeluid ter plaatse dat onder meer wordt veroorzaakt door het wegverkeer op de autosnelweg A76. Hierdoor is geen sprake van enige vorm van waarneembaarheid (en dus van mogelijke hinder).
Voor de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode wordt wel rekening gehouden met de mogelijke herkenbaarheid van het mechanische muziekgeluid tijdens de trouwceremonies. Daarnaast wordt rekening gehouden met de mogelijke herkenbaarheid van muziekgeluid vanuit het brauhaus in de nachtperiode. In het akoestisch onderzoek wordt aangegeven dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de omliggende woningen ten hoogste 45, 39 en 35 dB(A) bedraagt. De richtwaarden van 45, 40 en 35 dB(A) conform de VNG-publicatie worden hiermee gerespecteerd. Daarnaast wordt de geluidnormering conform het Activiteitenbesluit gerespecteerd. - maximale geluidsniveaus Voorts blijkt uit het akoestisch onderzoek dat het maximale geluidniveau ten hoogste 65, 58 en 58 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode bedraagt. De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door vrachtwagens (alleen dagperiode), door personenauto’s en het menselijk stemgeluid op het buitenterrein. De maximale geluidsniveaus respecteren de richtwaarden uit de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. - verkeersaantrekkende werking Daarnaast wordt in onderhavig akoestisch onderzoek ingegaan op de verkeersaantrekkende werking die onderhavige ontwikkeling tot gevolg heeft.
De berekende geluidbelasting (etmaalwaarde) bedraagt ten hoogste 49 dB(A), waarmee wordt voldaan aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie en de voorkeursgrenswaarde uit de Circulaire. Uit het verrichte akoestische onderzoek is gebleken dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau voldoen aan het gestelde toetsingscriterium conform de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). De geluidnormering uit het Activiteitenbesluit wordt eveneens gerespecteerd. Ook de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking voldoet aan de normstelling. Vanuit dat oogpunt is bij voorliggende planontwikkeling sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
41
M171731.004/ASE
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1
Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
5.4.2
Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. De beoogde wijziging van gebruik is aanzienlijk kleinschaliger van aard en heeft derhalve geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit.
Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.655 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
42
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
Van een dergelijk aantal verkeersbewegingen is vanwege onderhavige planontwikkeling geenszins sprake. 5.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit gevoelige bestemmingen is op onderhavig bouwplan niet van toepassing.
5.4.4
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig project mag worden aangenomen dat dit NIBM is. Het realiseren van een ‘brasserie’ en een ‘brauhaus’, het uitbreiden van de bestaande horecabestemming, alsmede de ontwikkelingen ter plekke van de Ondergenhousweg 15 en 15a, hebben geen onaanvaardbare invloed op de luchtkwaliteit.
5.5
Externe veiligheid In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.
5.5.1
Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
43
M171731.004/ASE
grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Verantwoording van het groepsrisico Voor bepaalde situaties geldt op basis van het beleid een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In het Bevi, de Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes) en het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen) zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen.
De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Voor buisleidingen geldt dat de verantwoording van het groepsrisico van toepassing is binnen de 1%letaliteitsafstand van de buisleiding. Als de ruimtelijke ontwikkeling buiten de 100%-letaliteitsafstand plaatsvindt of buiten de 10-8 plaatsgebonden risicocontour voor toxische stoffen, of het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of met minder dan 10% toeneemt, kan een aantal onderdelen van de verantwoording achterwege worden gelaten. In dat geval richt de focus zich hoofdzakelijk op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid. Conform het Bevt dient een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde verantwoord te worden.
5.5.2
(Beperkt) kwetsbare objecten Ten behoeve van de beoordeling van de mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen.
44
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
Uitsnede Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied
Risicovolle inrichtingen (Bevi) Binnen een straal van 1.000 m van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Wel bevind zich op een afstand van 2.500 meter het bedrijventerrein Chemelot. Uit de gegevens van de Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site / Westelijke Mijnstreek en de Structuurvisie SittardGeleen blijkt dat het plangebied buiten de groepsrisco-relevante omgeving ligt, echter wel binnen de grens van het invloedsgebied. Hierdoor gelden geen beperkingen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de verantwoording van het groepsrisico volstaan algemene aandachtspunten zoals de zelfredzaamheid van de doelgroep, de bereikbaarheid bij calamiteiten en de mogelijkheden om van de bron af te vluchten. De zelfredzaamheid van de gasten/bezoekers is in casu goed. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Het plangebied is zo ingericht dat het mogelijk is van een eventuele risicobron af te vluchten, bijvoorbeeld via de Ondergenhousweg of de Molendijk. Transportroutes (Bevt) Binnen een straal van circa 1.000 meter is sprake van de ligging van een waterweg en een snelweg. Transport over waterwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan.
Uit het Basisnet water blijkt dat voor de gehele Maascorridor (ter plekke het Julianakanaal) een PR10-6 risicocontour geldt van 0 meter. De PR10-6 risicocontour reikt derhalve niet tot aan het plangebied. De Maascorridor ligt op 240 m van het plangebied. Het maximale invloedsgebied ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over waterwegen bedraagt 1.070 meter. Derhalve reikt het invloedsgebied van deze waterweg wel tot de planlocatie met als gevolg dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
45
M171731.004/ASE
Transport over wegen Het plangebied is gelegen op een afstand van 500 meter van de A76. Uit de vervoersgegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A76 (wegvak L62) de stofcategorie GF3 wordt vervoerd. De toxische vloeistoffen bepalen in dit geval de begrenzing van het invloedsgebied. Uit tabel 4-2 van de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) volgt dat de grens van het invloedsgebied als gevolg van transport van GF3 560 meter bedraagt. Hiermee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A76. Aangezien het plangebied niet binnen 200 meter is gelegen van de A76, maar wel binnen het invloedsgebied, volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen (Bevb) Binnen een straal van 1.000 m rond het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. 5.5.3
Conclusie externe veiligheid Op basis van vorenstaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat als gevolg van onderhavige ontwikkeling er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid ontstaan. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen.
46
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
6
Overige ruimtelijke aspecten Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
6.1
Archeologie
6.1.1
Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Monumentenwet 1988, hoofdstuk vijf ‘Archeologische monumentenzorg’). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten.
6.1.2
Archeologische verwachtingswaarden De gemeente Stein beschikt over een archeologische beleidskaart. De archeologische verwachtingswaarden zijn vertaald in het ter plekke van onderhavig projectgebied vigerende bestemmingsplan middels de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor gronden met de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 1’ dient archeologisch onderzoek te worden verricht bij bodemverstoring dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld én meer dan 250 m2. Voor gronden met de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’ dient archeologisch onderzoek te worden verricht bij bodemverstoring dieper dan 40 centimeter benden maaiveld én meer dan 2.500 m2. Onderhavig voornemen heeft onder meer betrekking op het verrichten van fysieke (bodem)ingrepen voor de realisatie van een nieuw ‘brauhaus’. Aan de ondergrens voor het niet hoeven te verrichten van een archeologisch onderzoek wordt niet voldaan waardoor ArcheoPro op 7 januari 2019 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek heeft uitgevoerd. De rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage 5. In het archeologisch onderzoek wordt aangegeven dat voor onderhavig plangebied vanwege de
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
47
M171731.004/ASE
specifieke landschappelijke situering in een gradiëntzone met waterbronnen in de nabijheid en de bekende historie van het gebied een hoge archeologische verwachting voor alle perioden vanaf het laat-paleolithicum geldt. Bijzondere aandacht geldt voor bouwresten uit de periode van de middeleeuwen en nieuwe tijd vanaf de 14e eeuw die met name kunnen samenhangen met het vroegere watermolencomplex. Op basis van de bevindingen van het bureauonderzoek en het booronderzoek, in relatie tot de voorgenomen herinrichtingsmaatregelen, wordt voorgesteld enkel ter plaatse van de geplande horecanieuwbouw (boorlocaties 1 en 2) een archeologische vervolgonderzoek uit te voeren naar eventuele bouwresten onder de vastgestelde ophogingslaag. Dit vervolgonderzoek kan vanwege de beperkte omvang van de ingreep eventueel plaatsvinden in de vorm van een begeleiding van het aanleggen van funderingen en kelders. Ter plaatse van de overige drie ingreeplocaties (uitbreiding brouwerij, waterpartij en molenvijver) wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Ter plaatse van de uitbreiding brouwerij is enkel sprake van jong colluvium zonder bodemvorming. De waterpartij in de tuin wordt slechts tot circa 40 cm –mv aangelegd waardoor deze ingreep niet tot beneden de vastgestelde ophogingslaag reikt. Ingeval van een ingreep dieper dan 60 cm –mv dient hier wel vervolgonderzoek te worden uitgevoerd.
Op de plek van de vroegere molenvijver (boring 5) is sprake van een relatief jonge opvulling zonder archeologische waarde. Geadviseerd wordt om de nieuwe vijver niet dieper dan 1 m –mv (ca. 43,1 m +NAP) aan te leggen teneinde de mogelijke oorspronkelijke bodem te sparen. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. In de praktijk dienen meldingen gedaan te worden bij de gemeente Stein die verantwoordelijk is voor het archeologische beleid. Gelet op het feit dat in het archeologisch onderzoek wordt geadviseerd om ter plekke van het nieuw te bouwen ‘brauhaus’ een vervolgonderzoek uit te voeren, bestaat aanleiding om ter plekke van deze gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ te handhaven. Voor de resterende gronden worden de archeologische dubbelbestemmingen niet overgenomen, omdat uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek blijkt dat het stellen van regels met betrekking tot archeologische waarden niet nodig is.
6.1.3
Cultuurhistorie De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft de bebouwing op de locatie Ondergenhousweg 15 aangeduid als Rijksmonument. Gezamenlijk vormen de alhier aanwezige gebouwen een cultuurhistorisch ensemble, welke worden gelinkt aan Kasteel Stein. Kasteel Stein is aan de zuidzijde van onderhavige locatie gelegen. De locatie Ondergenhousweg 15 te Stein omvat drie Rijksmonumentale gebouwen, deze zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bekend onder de volgende kenmerken: 34833 en 525964. De gebouwen met kenmerk 34833 omvatten een voormalige, oude watermolen en een bijbehorende schuur. Gevelstenen vermelden de jaartallen 1729 en 1785. De gebouwen zijn van baksteen, ten dele met speklagen.
48
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
De monumentale bebouwing met als kenmerk 525964 dateert van rond 1900 en was oorspronkelijk in gebruik als een agrarische schuur. Het betreft een rode, bakstenen schuur op rechthoekige plattegrond gedekt met zadeldak met grijze, oud-Hollandse dakpannen. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’ geldt ter plekke van het molenhuis en het proeflokaal de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – monument’. De gemeente Stein heeft op 21 maart 2019 het ‘Erfgoedbeleid 2019’ vastgesteld. Dit beleid heeft betrekking op de aspecten nederzettingsstructuren, gebouwen, klein gebouwd erfgoed, groen- en landschap, infrastructuur en archeologie. Het planvoornemen voorziet onder andere in de nieuwbouw van een brauhaus. Om de uitbreiding op een logische manier te positioneren is gekeken naar het brouwproces van bier en het gebruik van het terrein. Om de bebouwing goed te verankeren in de omgeving wordt de nieuwbouw gekoppeld aan de beoogde gaard en de beek. Dit gebeurt omdat de ingrediënten van het bier komen uit de gaard en vroeger kwam het water van een brouwerij uit de beek. Met een eigen hopveld, de fruitgaard en de kruidentuin kan een groot deel van de ingrediënten uit de eigen gaard komen. Door de plaatsing van de nieuwbouw komt het terras centraler op het terrein te liggen en krijgt het een betere verbinding met zowel de nieuwe bebouwing als de tuin en de gaard.
Het molenhuis verandert van een woonfunctie naar een (lichte) horecafunctie. Dit is gunstig, omdat het monument op deze wijze voor een grotere groep mensen toegankelijk wordt dan enkel voor bewoners. Gelet op het vorenstaande zijn de beoogde ontwikkelingen in overeenstemming met de monumentale waarden van het ensemble. Het cultuurhistorisch erfgoed wordt dan ook niet aangetast door de beoogde ontwikkeling. Daarnaast kan worden gewezen op de nota ‘Het Groene Erfgoed’ welke als bijlage 5 aan het ‘Erfgoedbeleid 2019’ is gehecht. In deze nota worden de cultuurhistorische waarden van het groene erfgoed in de gemeente Stein nader belicht. Op basis van onderstaande figuur is onderhavig plangebied gelegen binnen de zone ‘landschapsgebied > 1850’. Aangezien onderhavige locatie is gelegen binnen de zone ‘landschapsgebied’ is door Ecoplanning een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 9. De resultaten van de quickscan flora en fauna geven aan dat het beoogde planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor flora en fauna.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
49
M171731.004/ASE
Kaart cultuurhistorische inventarisatie landschappelijk groen erfgoed
6.1.4
Conclusie archeologie & cultuurhistorie Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormen de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen voor voorliggende ontwikkeling.
6.2
Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
6.3
Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
6.3.1
Verkeersstructuur In de CROW-publicatie 317 zijn voor diverse functies (bijvoorbeeld woningen, diverse bedrijvigheid e.d.) kencijfers voor verkeersgeneratie en parkeerbehoefte opgenomen. Voor een café, bar, cafetaria zijn géén kengetallen opgenomen. Het aantal verkeersbewegingen is erg afhankelijk van het beoogde horeca-concept en het verwachte aantal bezoekers. In samenspraak met de initiatiefnemer is een piek-dag berekening gemaakt van het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage 6. Hierbij is als uitgangspunt genomen een volledige bezetting van alle gebouwen. Uit de berekening volgt dat in de worst-case situatie sprake is van 150 verkeersbewegingen per etmaal. Hiervan zijn 84 bewegingen in
50
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
de dagperiode 33 bewegingen in de avondperiode en 33 bewegingen in de nachtperiode. In opdracht van de gemeente Stein zijn verkeerstellingen uitgevoerd op de Molendijk en de Ondergenhousweg. Deze telling dateert van 21 tot 28 augustus 2019 en is uitgevoerd met een tellus, waarbij het verkeer in 2 richtingen is gemeten. Uit de verkeerstelling volgt dat op het traject Molendijk Ondergenhousweg tussen de 184 en 276 motorvoertuigen per etmaal rijden. Een deel van de gemeten verkeersbewegingen is al van bezoekers van brouwerij De Fontein. Op het type wegen rondom Brouwerij de Fontein (allen erftoegangswegen) is een verkeersintensiteit van minder dan 500 gemiddelde dagelijkse voertuigbewegingen (GDV) na realisatie van de plannen als zeer laag aan te merken. Dit omdat de indicatieve etmaalintensiteiten op een erftoegangsweg 3000 tot 6000 bewegingen bedraagt. Het verkeersbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling is met 150 verkeersbewegingen dermate beperkt, dat deze probleemloos via de bestaande wegen (Ondergenhousweg en Molendijk) kan worden afgewikkeld. Het aspect verkeer vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig voornemen. Door middel van een goede bewegwijzering naar de parkeervoorzieningen kan worden voorkomen dat sprake is van extra zoekverkeer. Het aspect verkeer vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig voornemen.
6.3.2
Parkeren In de feitelijke, vergunde situatie is reeds sprake van een brouwerij-horecabedrijf met op eigen terrein 19 parkeerplaatsen (dit aantal is gebaseerd op de tijdelijke omgevingsvergunning). Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is aansluiting gezocht bij de geldende Nota Parkeerbeleid van de gemeente Stein. De Nota Parkeerbeleid is op 9 november 2006 door de gemeenteraad van de gemeente Stein vastgesteld. Bij de vaststelling van de daarin opgenomen parkeernomen is aangesloten bij de aanbevelingen in de ASVV, "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", van het CROW. Op 25 juni 2013 heeft de raad besloten de Nota parkeerbeleid te bestendigen. Met de Nota parkeerbeleid geeft de gemeente Stein haar visie met betrekking tot het parkeren voor de komende jaren weer. De nota geeft de gemeente instrumenten om gemelde subjectieve klachten nader te onderzoeken en te beoordelen, te bepalen hoeveel parkeerplaatsen er bij nieuwbouwplannen dienen te worden gerealiseerd en waar die worden gerealiseerd. Ook geeft de nota duidelijkheid over huidige en toekomstige problemen en hoe daar mee om te gaan. Het proeflokaal, het molenhuis en het brauhaus (begane grond) worden voor wat betreft parkeerbehoefte geschaard onder de categorie ‘Café’.
De horeca-activiteiten vertonen gelijkenissen met een café, omdat het accent ligt op het aanbieden van alcoholische drank en kleine etenswaren. Dit in tegenstelling tot een restaurant, waar men langer verblijft en waarop derhalve een zwaardere parkeernorm van toepassing is. De parkeernorm van de gemeente Stein gaat voor de functie ‘café’ uit van 6,25 parkeerplaats per 100 m² bruto vloeroppervlak (bvo).
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
51
M171731.004/ASE
Voor de brouwerij moet worden aangesloten bij de parkeernorm voor ‘industrie, werkplaats’. De parkeernorm van de gemeente Stein gaat voor de functie ‘industrie, werkplaats’ uit van 2,6 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Voor de kelder van het brauhaus moet worden aangesloten bij de parkeernorm voor ‘loodsen, groothandel’. De parkeernorm van de gemeente Stein gaat voor de functie ‘loodsen, groothandel’ uit van 0,8 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Ten behoeve van de brouwerij en horeca is een (inpandige) kantoorruimte aanwezig. Voor een kantoor zonder baliefunctie geldt een parkeernorm van 0,55 parkeerplaats per fte. Gelet op het feit dat onderhavig bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de horecagelegenheid is het aannemelijk dat ter plekke van onderhavig plangebied twee volwaardige kantoorplekken aanwezig zijn (administratie en financiën). Een optelsom van de benodigde parkeerplaatsen leert dat in totaal 51,3 parkeerplaatsen nodig zijn. De wijze waarop het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen is berekend, is in onderstaande figuren inzichtelijk gemaakt.
52
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M171731.004/ASE
Bij het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen is echter geen rekening gehouden met dubbelgebruik. Vanuit oogpunt van zuinig ruimtegebruik en efficiency is het gewenst dat parkeerplaatsen waar mogelijk dubbel worden gebruikt. Omdat bijvoorbeeld de werkzaamheden in de brouwerij vanwege de personele bezetting niet samenvallen met de drukke perioden en dagdelen voor de horeca-activiteiten, is dubbelgebruik van parkeerplaatsen goed mogelijk. Vandaar dat in totaal 44 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Ter plekke van de bestaande parkeerplaats zijn reeds 16 parkeerplaatsen aanwezig. In het weiland direct ten noorden van Brouwerij de Fontein worden nog 28 parkeerplaatsen gerealiseerd. Tot slot kan worden gewezen op het feit dat direct grenzend aan de hoek Ondergenhousweg-Molendijk vier parkeerplaatsen aanwezig zijn welke uitsluitend worden gebruikt door medewerkers van Brouwerij de Fontein. Deze parkeerplaatsen zijn uiterlijk tot maximaal 23:00 uur in gebruik. In onderstaande afbeelding is de situering van de 44 parkeerplaatsen inzichtelijk gemaakt.
Bestemmingsplan Ondergenhousweg 15 en 15a te Stein Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
53
M171731.004/ASE
Situering beoogde parkeerplaatsen
6.4
Waterhuishouding
6.4.1
Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).