CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 B&W nota BC Fase 2/Bijlage 3 RVS BC Fase 2 EindrapportLarideDefinitief

Beeldvormende bijeenkomst 28 januari 2026, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Business case "Ruimtelijke situatie De Maaskei Urmond"/Fase 220.442 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

07-4 Pleinscenario Samenwerken in kindcentrum Op deze locatie is een brede ruimtelijke ontwikkeling aan de orde en de inpassing van het kindcentrum kan een basis vormen voor de transformatie van het centrumgebied van de kern. Overige versterkende maatschappelijke ontwikkelingen kunnen daarop worden aangesloten, zonder beperkingen. De intentie om te komen tot een verbinding van maatschappelijke functies aan een centraal ontmoetingsplein leidt tot aantrekkelijke samenwerkingskansen met andere relevante partners (educatie, sociaal-maatschappelijk, zorg, cultuur, bedrijvigheid). Voor sport en bewegingsonderwijs wordt gebruik gemaakt van de bestaande sportzaal (loopafstand ca. 1.400 m.). Het kindcentrum wordt voorzien van een speellokaal voor het indoor-bewegen van de jongste kinderen (2-6 jaar). Bij de inrichting van de accommodatie en de buitenruimte kan rekening worden gehouden met beweegmogelijkheden, mee te nemen in het ontwerp. Als aan het plein organisaties zijn gevestigd die actief zijn op het gebied van sport, bewegen en gezondheid biedt dat aanvullend kansen tot samenwerking.

Toekomstbestendigheid Bij nieuwbouw ligt het vanwege de ruimtelijke en maatschappelijke consequenties van deze keuze voor de langere termijn voor de hand om te kiezen voor realisatie van een pand met een lange levensduur en binnen dit concept aandacht te geven aan de moderne eisen met betrekking tot flexibiliteit, duurzaamheid en circulariteit. Daarbij is dan wel rekening te houden met het reserveren van voldoende ruimte voor een eventuele latere uitbreiding, die eventueel in een meer flexibele bouwvorm (door inzet van modulaire principes) ingevuld kan worden. Bij nieuwbouw kan flexibiliteit in het ontwerp en in de keuze voor een bouwwijze (bijvoorbeeld modulair) optimaal toegepast worden om toekomstige groei of krimp van leerlingaantallen op te vangen. De combinatie aan het plein kan ertoe bijdragen dat afzonderlijke functies worden versterkt. Realisatie van een gebouw, waarbij onderdelen later bij veranderende omstandigheden kunnen worden omgezet naar andere functies, kan met het oog op de centrale ligging en andere aanwezige functies (wonen en bedrijvigheid) de toekomstvastheid verder versterken.

30

Bijdrage aan leefbaarheid Toevoeging van een kindcentrum aan het pleinscenario versterkt het ontmoetingsconcept en draagt daardoor bij aan de maatschappelijke relevantie van deze plek. Het draagt substantieel bij aan de doelstellingen uit de Transformatie-agenda (levendig dorpshart, stimuleren van ontmoeting). De samenhang met andere functies, activiteiten en de omgeving (plein) is van meerwaarde en synergiekansen zijn te onderzoeken. Ruimtelijke inpassing De inpassing maakt onderdeel uit van het gebiedsplan. Er kan in beginsel voldoende ruimte worden gemaakt voor realisatie van een kindcentrum volgens het indicatieve ruimteprogramma, alsook de inpasbaarheid en flexibele mogelijkheden van aanvullende of (toekomstige) ruimtevragen zoals sport, ontmoeting, zorg of welzijn. Dit is via een programma van eisen te bezien in het ontwerp. Voor realisatie in het pleinscenario is planwijziging aan de orde en is verwerving van eigendommen door de gemeente nodig. Daartoe moet het nu voorliggende masterplan worden gedetailleerd, dit behelst een complexe opgave vanwege de noodzakelijke beleidsmatige ontwikkeling, stedenbouwkundige procedures, de samenwerking met maatschappelijke partners (onder andere de woningstichting) en de directe belangen van betrokken zoals de huurders (van woningen) en particuliere vastgoedeigenaren.

Nb.: bij een keuze voor dit scenario ligt het expliciet beslissen over het meenemen van een nieuwe sportzaal vanwege de leeftijd van de bestaande voor de hand. Het is, gezien de centrale functie van de nieuwe ontwikkeling, niet verstandig om ruimte te reserveren zonder expliciet besluit voor verplaatsing. Ruimtelijk (omgeving) De centrale ligging maakt dat het kindcentrum op een goed vindbare en herkenbare plek komt te liggen, met ook een goede bereikbaarheid per fiets, auto en te voet. Ligging aan de (hoofd)verkeersader Mauritslaan draagt bij aan de goede bereikbaarheid. Bij de gebiedsinrichting wordt aandacht gevraagd voor veiligheid en doorstroming van verkeer. Voldoende parkeergelegenheid is eveneens in het ontwerp op te nemen. De gebiedsontwikkeling maakt het mogelijk om het kindcentrum optimaal in te passen in de omgeving (fysiek en functioneel). Het centrum wordt onderdeel van een centrale ontmoetingsplek in het dorp samen met andere (maatschappelijke en commerciële) functies. Er ontstaat een levendige omgeving. De combinatie van functies kan ook tot overlast leiden (bv. horeca/winkels en kindcentrum). Financieel Naast reguliere bouwkosten die verband houden met de realisatie van een school, is in dit pleinscenario verwerving en herbestemming van eigendommen aan de orde. Deze maken onderdeel uit van de brede gebiedsontwikkeling van het masterplan.

Daarbij komen in een grondexploitatie (GREX) ook de overige grondwaarden, kosten en opbrengsten, die gemoeid zijn met de inrichting van het gebied aan de orde. Voor wat betreft de dienstverlening zijn synergievoordelen te behalen door combinaties met andere functies, zowel in investering

31

als in exploitatie. Daar staan saneringskosten tegenover van bestaande voorzieningen, zoals het gemeenschapshuis. Dit scenario kan leiden tot een significante vertraging in het realisatietraject van de nieuwe school. Dit maakt een forse inspanning nodig om de huidige school overeind te houden. Om de veiligheid van leerlingen en onderwijzers te garanderen bij een langere realisatietermijn zijn uitgaven nodig vanwege binnenklimaat en groot onderhoud. Daar is op voorhand geen calculatie van te maken: er moet een gedetailleerd, sober plan worden voorgelegd, dat is aangesloten op de resterende gebruiksduur. Verder wordt momenteel in goed overleg tussen gemeente en Kindante een tijdelijke oplossing gezocht voor het ruimtetekort en ook deze maatregelen zullen gecontinueerd moeten worden tot aan de ingebruikname van het nieuwe kindcentrum. Nb.: de gemeente heeft voor de Transformatie ingeschreven op meerdere subsidietrajecten. De realisatie van een IKC in het pleinscenario kan leiden tot een grotere kans op het verwerven van externe bijdragen. Duurzaamheid De mogelijkheid bestaat om duurzaam en circulair te bouwen op basis van de ambities zoals beschreven in het IHP en de expliciete wens van gemeente en schoolbestuur. Bij nieuwbouw is een passende exploitatie te verwezenlijken.

Risico’s Bij de doorontwikkeling van het pleinscenario kan, als gekozen wordt voor een optimale ruimtelijke inpassing van de school in het gebied, een lange realisatietermijn aan de orde zijn. Andere ontwikkelingen, zoals het realiseren van voldoende ruimte voor wonen, welzijn, verblijf en verkeer kunnen dan op de ligging van de school afgestemd worden. Vanwege de betrokkenheid van een veelheid aan partners is het risico reëel dat realisatie van de school daardoor vertraging oploopt. Dat is in discrepantie met de wens van gemeenteraad en schoolbestuur om juist snelheid te maken. Daarom moeten beheersmaatregelen worden genomen en is een toegewijd besluitvormingstraject van groot belang. Vanwege de verwachte doorlooptijd kan het noodzakelijk zijn om ter overbrugging gebouwelijke maatregelen te treffen in het bestaande gebouw. Deze behelzen (1) het op orde brengen van de omvang van de school om recht te doen aan het huidige en verwachte aantal leerlingen en (2) maatregelen in het bestaande gebouw gericht op de nieuwe eindtermijn van het gebouw (comfort en veiligheid). Het transitietraject heeft grote impact op inwoners van en met name de direct betrokkenen: huurders, bedrijven, zorgpartners, verenigingsleven. Een groot aantal mensen zal hinder ondervinden in verband met gedwongen herhuisvesting en overlast tijdens de bouw, met risico’s voor draagvlak.

Aandacht voor inwonerparticipatie en communicatie wordt hier belangrijk geacht. Nieuwbouw zal in principe gasloos worden uitgevoerd. Het kindcentrum zal daarbij in eerste instantie een kleinverbruikaansluiting (3x80A) nodig hebben. Dit gaat gepaard met lange wachttijden (> 1 jaar) en dat betekent in dit scenario dat de risico’s ten aanzien van de

32

energievoorziening beperkt zijn in relatie tot de doorlooptijd van het gehele inpassingstraject. Nb.: Aandachtpunt is dat voor de locatie Sportcomplex door de Omgevingsdienst Zuid Limburg op hoofdlijnen onderzocht is in hoeverre geluid en externe veiligheid een risico kunnen vormen voor realisatie (zie 7.2 voor de overwegingen). Daarbij is aan de orde gekomen in hoeverre deze thema’s ook op deze plek zouden kunnen spelen. Daarbij is vastgesteld dat voor het pleinscenario, die (meer) in de bebouwde omgeving ligt, een grotere bescherming en vrijheidsgraad aan de orde is. Dat laat echter onverlet dat voor de volledigheid ook deze locatie nader onderzocht moet worden.

07-5 Pleinscenario - Kloosterlocatie Als alternatieve optie en ter versnelling in dit scenario is gekeken naar de mogelijkheid om een substantieel deel van het bestaande kloostercomplex in te zetten (door herbestemming en renovatie) ten behoeve van de ontwikkeling van de school. Daarvoor is een QuickScan en inhoudelijke analyse van het complex gemaakt. Via een QuickScan is de kwaliteit van het gebouw beoordeeld: bouwkundige staat, installaties & binnenklimaat, flexibiliteit, uitstraling & belevingswaarde en omgevingsperspectief. Het element “onderwijskundig perspectief” is niet beoordeeld omdat het niet een bestaand onderwijsgebouw betreft. Het klooster is onderdeel van de Van der Valk hotelzone aan de rand van Urmond. Dit complex bestaat naast het hotel en een parkeervoorziening uit een businesscenter. Dit BC is bereikbaar vanuit de parkeerplaats en ook vanuit het plein (en maakt onderdeel uit van het pleinscenario). Het onderzochte deel van het complex bestaat uit drie onderdelen: het nieuwe gebouwdeel aan de parkeerplaats, een ouder beeldbepalende deel aan het plein (uit 1950) en een recenter gebouwdeel van drie verdiepingen aan de Slagboomweg. Bij de inspectie van het gebouw zijn de volgende vaststellingen gedaan: - Het Businesscenter heeft een hoge bezettingsgraad.

Veel kleine bedrijven huren (flexibel) delen van het complex en hebben huurtermijnen voor de korte en middellange termijn afgesproken (1 maand tot ongeveer 2 jaar). Om een substantieel deel van het gebouw beschikbaar te maken zal Van der Valk een deel van deze contracten moeten beëindigen en uit het gesprek bleek dat voor het beëindigen van huurcontracten voor de middellange termijn dit ongeveer 1,5 jaar in beslag zal nemen.

33

-

Het moderne deel aan de parkeerplaats (blauw in onderstaand plaatje) en het oudere deel aan het Plein (paars ingekleurd) zijn niet geschikt. Dit deel (gebouwen 1, 2, 3 en 4) is te klein voor een inpassing van de school. Beide delen van de accommodatie zijn niet geschikt te maken doordat ze niet verbonden zijn aan of veilig te verbinden zijn met een buitengebied van voldoende omvang.

Analyse Slagboomweg. Het gebouw is over het algemeen van goede kwaliteit, is uitstekend (zakelijk) onderhouden en vertoont geen (zichtbare) constructieve gebreken. Daken zijn niet/nauwelijks geïsoleerd en zouden bij functiewijziging verbeterd moeten worden. De gevel heeft een matige isolatiegraad, terwijl de kozijnen grotendeels vernieuwd zijn en voldoen aan hedendaagse maatstaven. Op de plekken waar dit nog niet gebeurd is, is vervanging ingepland. De huidige indeling van het gebouw, interieur en afwerking zijn niet geschikt voor primair onderwijs. Om het gebouw inzetbaar te maken is een volledige aanpassing aan de orde. Ook op het gebied van installaties zijn belangrijke aanpassingen in het gebouw nodig om te laten voldoen aan voorwaarden voor modern onderwijs: Frisse Scholen (uitgangspunt klasse B): ventilatie, thermisch comfort winter, thermisch comfort zomer en visueel. Op al deze onderdelen worden de specifieke eisen voor onderwijs in het gebouw niet gehaald: aanpassingen in de schil en de installaties zijn daarom onvermijdelijk. Elektra is (zakelijk) up-to-date en is van goed niveau. Het gebouw heeft, vanwege zijn huidige constructie, beperkingen in de aanpasbaarheid en flexibiliteit: de constructie is gebaseerd op een (vaste) kolommenstructuur, die afwijkt van wat in onderwijs gebruikelijk is.

De kolommenstructuur gaat namelijk uit van een centrale gang met aan weerszijden kantoorruimtes met beperkte diepte. Zowel gang als kantoorruimtes zijn erg krap en niet geschikt om in huidige opzet in te zetten als onderwijsruimte. Aanpassing van het gebouw zal/kan ertoe leiden dat constructieve elementen zichtbaar blijven en (soms) onderwijs en flexibel meervoudig ruimtegebruik verhinderen. Het zal daardoor een lastige opgave zijn om de binnenruimte aan te passen aan veranderende behoeften vanuit onderwijsinhoud (pedagogische visie). Gebruiksperspectief Het (gele) gebouwdeel is in beginsel groot genoeg: de gevraagde 1.500 m2 bvo zijn in relatie tot de maat van 1876 m2 bvo beschikbaar. Kanttekening is dat het niet gebruikelijk is om primair onderwijs in drie verdiepingen te realiseren. Om dat in deze situatie te voorkomen kan gebruik worden gemaakt van het aanliggende “rode” gebouw. Dat leidt aan de Slagboomweg tot leegstand, die moeilijk zakelijk te exploiteren is. Ook is op voorhand

34

significant ruimteverlies te verwachten omdat het gebouw slecht aansluit bij de ruimtelijke wensen vanuit het gewenste onderwijsconcept (verbinden jongste jeugd met peuteropvang). Inpassing van de school in het klooster zal vanwege de opbouw van het gebouw leiden tot een weinig flexibele oplossing. Gedeeld gebruik van ruimtes en het voorbereiden van latere uitbreiding vanwege maatschappelijke veranderingen in het onderwijsaanbod zijn moeilijk te realiseren. Er zal een (relatief) vaste ruimtelijke indeling van het schoolgebouw ontstaan. Dit wijkt af van de uitdrukkelijke wens om flexibiliteit en toekomstvastheid conceptueel in te passen. Omgevingsperspectief Realisatie van de school in het businesscenter stelt voorwaarden aan de omgeving. Op het gebied van bereikbaarheid, veiligheid en invulling van de buitenruimte zullen in de PvE-fase fundamentele keuzes aan de orde komen. Een IKC stelt vanuit de wet hoge eisen aan de buitenruimte, die moet goed bereikbaar zijn en de onderbouw van de school en specifiek de peuteropvang en kinderopvang van de kindpartner worden geacht direct contact met buiten te hebben. Aanvullend is veiligheid van kinderen een belangrijk item. Vanwege de verbinding met het (restant van het) businesscenter zijn in het programma van eisen belangrijke randvoorwaarden in te bouwen om de beschermde schoolomgeving te bewaken.

Daarbij kan gedacht worden aan de afscherming van looproutes, omheining van delen van het terrein en toegangsbewaking. Tenslotte is ook de toegankelijkheid voor ouders en kinderen (via veilig snel en langzaam verkeer) een aandachtpunt in relatie tot de verkeerstromen van en naar het businesscenter. Gebouwanalyse Om te kunnen voldoen aan de algemeen aanvaarde kwaliteitseisen voor scholen (Frisse Scholen klasse B) en energiegebruik (Energieneutraal volgens Routekaart Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed) moet het gebouw fors worden aangepakt. Verder moet de indeling van het gebouw op de schop, waarbij een isolerende gebouwschil (vloeren, gevels en daken) aandacht behoeft. Ook zijn nieuwe werktuigbouwkundige installaties en een nieuwe binnen-afwerking toe te voegen. Gezien de staat van het gebouw is in voorliggend geval rekening te houden met een met een renovatiebudget, waarbij per bestaande vierkante meter ongeveer 70% van de nieuwbouwkosten moet worden geïnvesteerd om een gebouw met een levensduur van 40 jaar te laten ontstaan. Volgens de laatste update (2024) van het Kwaliteitskader Huisvesting ligt het prijsniveau voor nieuwbouw tussen de 3.705 €/m² BVO en 3.761 €/m² BVO. Te verwachten is dat het renovatiebudget per m2 bvo ongeveer € 2.650. Om te voldoen aan de normatieve voorwaarden moet rekening worden gehouden met een fors inpassingsverlies van tot 30%.

Daardoor zal een (in omvang) gebouw ontstaan dat een substantiële overmaat heeft en dat daardoor ook duurder in exploitatie zal zijn. Het totale investeringsbedrag zal bij gebruik van dit gebouw vergelijkbaar zijn met (vervangende) nieuwbouw.

35

Aanvullend is er rekening mee te houden dat het gebouw door de huidige eigenaar vrij moeten worden gemaakt. De gemeente moet het relevante deel kopen na overeenstemming met Van der Valk. Daarbij zal compensatie van het omzetverlies aan de orde zijn. De aanschafkosten van het gebouw zijn toe te voegen aan de aanpassingskosten. De herinrichting van het gebied om recht te kunnen doen aan de voorwaarden van goed onderwijs (buitenruimte, veiligheid, toegankelijkheid voor verkeer) zal op deze locatie substantieel duurder zijn dan in een nieuwbouwomgeving en deze kosten komen voor rekening van de gemeente. Conclusie en Advies In het kader van gemeentelijk beleid om relevante historische gebouwen vanwege duurzaamheid en herkenbaarheid in te zetten voor openbare functies was de mogelijkheid om het kloostergebouw in te zetten een interessante optie. Bij een keuze voor het pleinscenario zou het een versnellende werking kunnen hebben. Gezien de kosten en de te bereiken onderwijskwaliteit is de renovatie van het kloostergebouw geen goede keuze. Op basis van de analyse is vastgesteld dat het niet voor de hand ligt om deze optie verder te wegen. .

36

08 Bouwen voor de (Urmondse) toekomst Gemeente en Kindante hebben de afspraak om bij de realisatie van OBS De Maaskei oog te hebben voor moderne bouwmethodes. Daarvoor zijn meerdere (goede) aanleidingen. In de eerste plaats stelt de ontwikkeling rondom duurzaamheid hogere eisen aan de kwaliteit van gebouwen en met name met betrekking tot installaties ten behoeve van binnenklimaat. Door de landelijke overheid worden daarvoor innovatieprogramma’s ingericht. Daarnaast is er inherente onzekerheid met betrekking tot de ontwikkeling en de omvang van de school. En tenslotte heeft ook de te kiezen locatie invloed op de wijze, waarop de voorziening zal gaan bijdragen aan de maatschappelijke ontwikkelingen van het gebied. 08-1

Duurzaamheid

De aandacht voor duurzaamheid neemt toe. In de nabije toekomst hebben twee vraagstukken een grote impact op ons leven. Uitputting van natuurlijke hulpbronnen De mens gebruikt meer hulpbronnen dan de aarde kan opbrengen. Indien de wereldbevolking op dezelfde manier leeft als wij in Nederland leven, zou de aarde 3,1 keer zo groot moeten zijn om de belasting te dragen. De bevolking zal de komende jaren sterk blijven groeien en het is noodzakelijk om het gebruik van fossiele hulpbronnen aan te passen. Dit zal direct effect hebben op ons leven, werken en de bebouwde omgeving.

De nationale overheid zet stevig in op een overstap naar een volledig circulaire economie. Enkelvoudig, destructief gebruik van materialen moet plaats maken voor andere vormen van productie en gebruik. Grotere delen van onze industriële en agrarische activiteiten gaan bestaan uit onderhoud, vernieuwing of hergebruik, waardoor producten een langere levensduur krijgen. De druk op de aarde kan daardoor substantieel teruggebracht worden tot een duurzaam en draagbaar niveau. De wijze van leven en werken zal daardoor fundamenteel veranderen.

37

Klimaatverandering In het Klimaatakkoord van Parijs hebben partijen afgesproken de uitstoot van broeikasgassen drastisch te reduceren. Voor 2050 moet de uitstoot met 95% ten opzichte van het jaar 1990 zijn teruggebracht. Nederland wil tot 2030 de uitstoot met 55% terugdringen door het implementeren en steeds verder doorontwikkelen van een fors maatregelenpakket in ontwikkeling voor transitie naar vernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind, water en aardwarmte. Het energiegebruik is te verlagen door de energievraag voor maatschappelijke gebouwen te beperken. De Nederlandse overheid en haar partners maken daar in convenanten samenwerkingsafspraken over. Sectorale Routekaart Onderwijs PO-raad, VO-raad en VNG hebben samen een plan voor de verduurzaming van schoolgebouwen vastgesteld. Daarin beschrijven zij hun aanpak om ervoor te zorgen dat in 2050 alle scholen kwalitatief goed zijn, een gezond binnenklimaat hebben en minimaal CO 2arm en aardgasvrij zijn. Belangrijke beleidsintentie is om op investerings- en vervangingsmomenten zoveel mogelijk verduurzamen richting de eindnorm (ENG en Frisse Scholen klasse B) om efficiëntie en impact van maatregelen te vergroten. Daarbij is het huidige wettelijk minimum (BENG en Frisse Scholen klasse C) onvoldoende om de klimaatdoelen te halen. Wet/akkoord

Duurzaamheidsdoelstelling(en)

Investeringsagenda VNG, Unie van Waterschappen, IPO

Label A en volledig duurzame inkoop

2025

Energieneutraal nieuwbouw en renovatie circulair

2040

50% minder gebruik van grondstoffen Een economie zonder afval, ofwel volledig circulair

2050

49% minder CO2-uitstoot dan in 1990

2030

CO2-arm (95% CO2-reductie t.o.v. 1990) en aardgasvrij

2050

55% minder broeikasuitstoot dan in 1990

2030

Klimaatneutraal in 2050

2050

Grondstoffenakkoord

Klimaatakkoord en Klimaatwet

Europese Klimaatwet (Fit for 55)

Activiteitenbesluit milieubeheer

Plicht tot energiebesparing en CO2-reductie voor bedrijven en instellingen als terugverdientijd < 5 jaar

Streefdatum

< 5 jaar

Nieuwbouw vanaf 2030 ‘emissievrij’. Europese Commissie EPBD III-richtlijnen

Uiterlijk in 2027 energielabel F, 2030 energielabel E en in 2033 energielabel C voor bestaand maatschappelijk vastgoed

2030

Circulariteit Hergebruik van materialen wordt een belangrijk aandachtpunt. De opgave om bij nieuwbouw, renovatie en bedrijfsvoering zoveel mogelijk en in ieder geval in toenemende mate gebruik te maken van bestaande materialen krijgt een wettelijke basis. De huidige ambitie is dat in 2030 bij nieuwbouw van maatschappelijke gebouwen voor 30% gebruik moet worden gemaakt van circulaire materialen. In 2040 moet nieuwbouw en renovatie van een school volledig circulair plaatsvinden. Ook in de exploitatie en in onderhoud wordt

38

continuering van gebruik (door renovatie) en hergebruik van materialen een belangrijke afweging. Dat leidt tot een nieuw perspectief op zorgplicht. Voorzieningen zullen (ook wettelijk) gaan verschuiven van (vervangende) nieuwbouw naar hergebruik en renovatie van bestaande gebouwen. Ook bij OBS De Maaskei is in voorliggend onderzoek opnieuw en gedetailleerd gekeken naar de mogelijkheden om het bestaande gebouw aan te passen. Daarbij is gebleken dat dit, gezien de complexe opbouw van het bestaande gebouw en de ruimtevraag op de langere termijn geen haalbare oplossing is. Toch is het belangrijk om bij de keuze voor een oplossing in (vervangende) nieuwbouw tot een goede weging te komen tussen de verschillende duurzaamheidsopgaven, zodat er balans in het eindresultaat blijft. 08-2

Naar een toekomstvast en flexibel gebouw

In voorliggend onderzoek zijn in grote lijnen drie variaties aan de orde gekomen ten aanzien van de omvang van de school. Deze zijn relevant voor de keuze op welke wijze de nieuwe voorziening wordt gerealiseerd: Variatie 1: de omvang van de school - De geprognosticeerde leerlingenontwikkeling laat een (relatief kleine) variatie zien voor de basisschool in Urmond. Dat leidt tot een tijdelijke piek gedurende de komende 15 jaren. - Op termijn kunnen ten noorden van de kern nieuwe woningbouwontwikkelingen ontstaan. In de gebiedsontwikkeling van Bramert Noord is daarvoor een eerste aanzet gegeven. De aanvullende kansen na de eerste fase zijn buiten de scope van de leerlingenprognoses gebleven vanwege de onzekerheid of de plannen uiteindelijk tot ontplooiing komen. Dat laat echter onverlet dat op termijn een extra toestroom van leerlingen kan ontstaan. - Eerder is vastgesteld dat de continuïteit van de basisschool in Berg op de langere termijn aandacht verdient. Naar aanleiding van eerder onderzoek is daar substantieel in de instandhouding van het gebouw geïnvesteerd. Nieuwbouw van de school in Urmond kan echter ook invloed hebben op de leerlingenaantallen daar.

Bovenstaand geformuleerde aanleiding om rekening te houden met variaties in de toekomst verdient tegelijkertijd ook een belangrijke nuancering: vanuit het perspectief van onderwijshuisvesting is het ondenkbaar dat in de kern Urmond op enig moment geen primair onderwijs gewenst of beschikbaar is. Deze woonkern ligt op een belangrijke toegangsroute naar de snelwegen en daarmee naar de rest van Limburg en Nederland. Een school in Urmond zal altijd een verbindingspositie innemen voor het gebied aan de andere zijde van het kanaal. Ook in eerdere onderzoeken is vastgesteld dat De Maaskei op lange termijn een relevante voorziening zal blijven. Variatie 2: de omvang van het aanbod aan kinddiensten De relevantie en het aanbod (omvang) van aanvullende kinddiensten zal gedurende de komende jaren een ontwikkeling doormaken. Door het rijk wordt nagedacht over het versterken van de positie van kinderopvang als maatschappelijke voorziening. Dit zal de momenteel al zichtbare toename van de vraag naar verschillende opvangvormen

39

versterken. In Urmond rapporteren de betrokken partners wachtlijsten. Hoe deze ontwikkeling zal uitpakken is niet te voorzien maar het is belangrijk om conceptueel rekening te houden met de kans dat het aanbod aan kinddiensten gedurende de komende jaren moet worden aangepast aan wijzigende omstandigheden. Variatie 3: Maatschappelijke Voorzieningen Binnen het onderzoek zijn verschillende locaties aan de orde met per locatie een zeer verschillend kansenpatroon. Deze zijn in de weging van de locaties in detail beschreven. Met name in het pleinscenario is er een kans om een centrale voorziening voor de kern te realiseren. Zo’n publieke voorziening zal gedurende de looptijd van inhoud en van kleur blijven veranderen, afhankelijk van de ontwikkeling van de samenleving en de bevolkingssamenstelling. Het is daarbij van belang dat een toekomstvast gebouw ontstaat, dat over de tijd snel, eenvoudig en tegen beperkte kosten aan wijzigende omstandigheden kan worden aangepast. 08-3

Ruimtelijke afwegingen

In voorliggend onderzoek zijn voor OBS De Maaskei meerdere locaties in beeld gebracht en beoordeeld. Deze hebben, zo is beschreven, heel verschillende ruimtelijke karakteristieken en ook verschillende voor- en nadelen. Deze vormen (inhoudelijk, ruimtelijk en financieel) een basis voor de keuze van een voorkeurslocatie. Ze kunnen aanleiding geven voor het wegen van verschillende opties voor het feitelijk realiseren van een nieuwe school. Onderstaand zijn deze benoemd. Vervangende locatie huidige school Bij realisatie op de huidige plek wordt een daarvoor eerder helder afgebakend gebied midden in de kern opnieuw ingevuld. Deze locatie is omgeven door woningen en deze zijn in particulier eigendom. De ontwikkeling van een vervangende school vraagt aanpassingen in de infrastructuur om een aantal van de bestaande vraagstukken rondom bereikbaarheid en parkeren opnieuw te beantwoorden. De langjarige continuïteit van de te realiseren oplossing kan daarbij een belangrijke overweging zijn, omdat die aan moet sluiten bij de bestaande gebiedsstructuur. Bij de bouw van de school kan daarom overwogen worden om over de scope van de huidige regelgeving met betrekking tot afschrijvingstermijnen heen te kijken door een gebouw met een lange termijnperspectief (70 jaar of langer) te realiseren, in ieder geval voor de vaste basis van de onderwijsvraag.

Pleinscenario Indien gekozen wordt voor realisatie binnen het pleinscenario, wordt de nieuwe school onderdeel van de maatschappelijke infrastructuur van ontmoeten, cultuur, welzijn en zorg. De voorziening wordt een verbindend element binnen de gemeenschap. De gebiedsontwikkeling van het transformatieplan wordt afgestemd op een optimale aanpassing aan het schoolgebouw: woningen en het stratenpatroon zullen daarop worden aangepast. Dat heeft een structureel karakter op de lange termijn. De langjarige continuïteit van de te realiseren oplossing kan daarbij een belangrijke overweging zijn. Bij de bouw van de school kan overwogen worden om over de scope van de huidige regelgeving met betrekking tot afschrijvingstermijnen heen te kijken door een gebouw met een lange

40

termijnperspectief (70 jaar of langer) te realiseren, in ieder geval voor de vaste basis van de onderwijsvraag. Locatie Sportvelden en Bramert Noord Deze beide locaties hebben een meer open karakter. Ze bieden enerzijds voldoende ruimte voor een schooloplossing voor de korte termijn. Ze laten ook voldoende mogelijkheden om uiteindelijk op de langere termijn voor andere, op flexibiliteit gerichte oplossingen te kiezen. Een ontwikkeling om het woningbestand of een veranderde relatie met de school in Berg kan aanleiding zijn voor een verandering in het aanbod. Dat kan vorm krijgen in het aanvullen van de school naar de dan geldende ruimtebehoefte. Het kan ook aanleiding zijn om de locatie ten principale te heroverwegen. Bij een keuze voor deze beide plekken ligt het voor de hand om flexibiliteit een belangrijke eigenschap van de gekozen bouwmethode te maken. 08-4

Realisatie en aanbesteding

Vanuit de wet is de taakverdeling met betrekking tot enerzijds de realisatie en anderzijds de exploitatie en instandhouding van een nieuwe school gereguleerd. In essentie is daarbij vastgelegd dat een schoolbestuur zijn eigen school realiseert en dat de gemeente vanuit haar begroting investeringsmiddelen beschikbaar stelt volgens de eigen gemeentelijke verordening voor onderwijshuisvesting. Voor de gemeente is zorgplicht een meetpunt. Schoolbestuur wordt eigenaar van het gebouw en krijgt daar (voor onderwijs en voor exploitatie en instandhouding van het gebouw) een bijdrage voor. Beide partijen worden onvoldoende gefinancierd voor de steeds verder stijgende kosten en wettelijke voorwaarden. De afgelopen jaren zijn ontwikkelingen aan de orde, die deze taakverdeling beïnvloeden. Onderstaand zijn drie belangrijke vraagstukken beschreven: 1. De gewenste en noodzakelijke verduurzaming van bestaande gebouwen (en de overheidsverantwoordelijkheid daarin) en ook de inhoudelijke veranderingen in onderwijs stellen de formele taakverdeling tussen gemeenten en schoolbesturen onder druk. Steeds vaker krijgt een gemeente ook een rol in de verduurzaming en kwalitatieve verbetering van gebouwen en daarover worden in nieuwe IHP’s vaak samenwerkingsafspraken gemaakt.

Dat leidt tot een verschuiving van de eerder gescheiden verantwoordelijkheden naar samenwerking bij keuzes, die de instandhouding en de lange termijn raken. 2. De maatschappelijke wens om kindvoorzieningen voor de jongste jeugd te reguleren en (inhoudelijk) dichter bij de school te brengen, leidt tot vraagstukken met betrekking tot de interne afstemming van dienstverlening en (dus) van de inrichting van gebouwen. Ook de financiering van gebouwen is daarbij een thema: er is een wettelijke voorwaarde dat gemeenten individuele kindpartners niet mogen bevoordelen: kindpartners, die gebruik maken van gemeentelijke gebouwen moeten daarom tenminste de kapitaallasten aan de gemeente betalen. 3. Vaak worden schoolgebouwen een centrale voorziening in een gemeenschap. Naast onderwijs en opvang krijgen ook welzijn, zorg en sport een plek in multifunctionele gebouwen. Dat leidt tot complexe vraagstukken rondom instandhouding en beheer.

41

In praktische zin kan realisatie in deze veranderende omstandigheden niet meer los worden gezien van instandhouding van een gebouw en van vraagstukken rondom de exploitatie op de middellange en zelfs langere termijn. Van gemeente, schoolbestuur en andere maatschappelijke partners vraagt dit om vanuit gezamenlijk belang. Daarbij is het belangrijk om informatie en belangen te delen door (TCO) als leidraad te hanteren. Nb.: in “total cost of ownership” (TCO) maken partijen samen financiële en technische keuzes. Daarbij wordt niet alleen wordt gekeken naar de investeringen maar ook naar de consequenties op de middellange en lange termijn. Door transparant kennis en informatie over alle kosten en opbrengsten van een gebouw te delen en de verantwoordelijkheid voor de continuïteit steeds samen te dragen, kunnen zakelijke beslissingen worden genomen, die op de langere termijn de gemeenschappelijke belangen ondersteunen. 08-5

Regulier Realiseren

De meer traditionele opvatting met betrekking tot aanbesteding gaat uit van duidelijk gescheiden verantwoordelijkheden (regie, bestek een bouwteam in bovenstaand plaatje) en sluit in beginsel goed aan bij de oorspronkelijke wettelijke taakverdeling. Daarbij is in de praktijk al een beweging te zien van regietrajecten (met duidelijk gescheiden realisatiefasen) naar meer geïntegreerde werkvormen, waarbij in bouwteamverband werkzaamheden (ontwerp, voorbereiding en realisatie) op basis van gebundelde expertise uitgevoerd. In voorliggende casus in Urmond is deze traditionele werkwijze op voorhand niet goed passend. Ze geeft geen goed antwoord op de in Urmond beschreven opgave: - De (relatieve) onzekerheid rondom de omvang van de school op de middellange termijn; - Het ontwikkelvraagstuk rondom kinddiensten en sport; - De potentiële impact van de school op de brede maatschappelijke dienstverlening in de het centrum van de kern; - De mogelijke inbedding in een grootschalige gebiedsontwikkeling met de wens daar steeds flexibel op te kunnen reageren.

42

Om bovenstaande redenen is een traditionele vorm van aanbesteding en realisatie in Urmond af te raden. Intentie moet zijn om te streven naar een bredere aanpak, die de samenwerking tussen partners en het lange termijnperspectief versterkt. 08-6

Alternatief 1: Modulair Bouwen

Eerder hebben gemeente en schoolbestuur Kindante overwogen om voor nieuwbouw van OBS De Maaskei in Urmond in te zetten op een modulair bouwconcept. Beoogd werd om invulling te geven aan de complexe opgave en op een duurzame wijze de gewenste flexibiliteit in de omvang van de school in te passen in een toekomstvaste oplossing. Deze moderne aanpak stelt eisen aan het realisatietraject. Modulair bouwen, een vorm van prefab bouwen, verschilt van traditioneel bouwen. De modules van het uiteindelijke gebouw worden in een fabriek vervaardigd (vaak inclusief vloeren, wanden, dak- en gevelafwerking) en daarna op de bouwplaats gemonteerd. Door te kiezen voor een gestandaardiseerd bouwsysteem met vaste eenheden kunnen gebouwen snel worden opgebouwd, waardoor het bouwproces efficiënter en sneller kan verlopen. Later kunnen deze gebouwen ook eenvoudig worden aangepast, gedemonteerd en hergebruikt. Om modulair te kunnen bouwen maken aannemers graag gebruik van vaste ketenpartners voor ontwerp alsook voor installaties en afbouwcomponenten. In de praktijk verenigen ontwerpende en uitvoerende partijen zich in één consortium, dat ontwerp en realisatie via een geïntegreerd contracteringsmodel in opdracht neemt. De meest aangewezen contractvorm is in dit geval Design & Construct.

Het contract wordt gebaseerd op de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen (in het kort : UAV-GC 2005). De opdrachtsom voor OBS De Maaskei is kleiner dan het Europese drempelbedrag van €5.538.000 excl. BTW, waardoor dit contract via een nationale procedure kan worden aanbesteed. Voor de hand ligt om vanwege eventuele latere aanpassing door verwachte variaties in de omvang van de school te overwegen om ook gebouwonderhoud en -exploitatie bij dit consortium onder te brengen. Op die manier kunnen betrokken bouwpartners gezamenlijk sturen op de totale levenscycluskosten van het gebouw (TCO-benadering). Bij modulaire bouw zijn de volgende aspecten goed belegd: - Voldoende ontwerpvrijheid; Nb. Deze is minder groot dan bij traditioneel bouwen

-

Hoge bereikbare gebouwkwaliteit (in relatie tot ENG, Frisse Scholen) Flexibel: eenvoudig aanpasbaar, uit te breiden en zelfs verplaatsbaar; Kortere bouwtijd dan traditioneel bouwen;

43

-

Minder CO2-uitstoot tijdens de bouw, minder bouwafval; Circulariteit is haalbaar (losmaakbaarheid) Relatief hoge inzetbaarheid van non-virgin (hergebruikte) en biobased materialen haalbaar (tot ongeveer 50%); Niet duurder dan traditioneel bouwen; Restwaarde bij einde levensduur (tenminste de hergebruikswaarde van materialen);

Tegelijkertijd zijn zaken nog onduidelijk: - Financiële consequenties op de langere termijn (Netto Contante Waarde); - Regelgeving van gemeenten rondom administratieve voorwaarden; - Risico’s door continuïteit van consortiumpartners, in geval ook onderhoud en exploitatie wordt ondergebracht bij het consortium; 08-7

Alternatief 2: Duurzaam door continuïteit

Naast de in de vorige paragraaf beschreven ontwikkeling naar standaardisatie via modulaire bouw is er een trend naar duurzaamheid en circulariteit door een keuze voor het realiseren van voorzieningen voor de langere termijn. Op diverse plekken worden gebouwen ontwikkeld, die in hun kern beogen om langjarig beschikbaar te blijven. Daarbij wordt gekozen voor duurzame kwaliteit en materiaalgebruik, die inzet op langjarig gebruik voor een periode van 70 jaar of langer. Voor de ontwikkeling van een moderne, flexibele en duurzame voorziening in het hart van de gemeenschap kan worden gekozen voor de realisatie van een gebouw voor de langere termijn. Aan de basis ligt dan de continuïteit van het realiseren van een kernvoorziening voor onderwijs voor de langere termijn op grond van de observatie dat de leerlingenontwikkeling in Urmond ook een stabiel element heeft. Tegelijkertijd blijft de noodzaak om flexibel te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden overeind. Schoolbestuur kan die verantwoordelijkheid niet alleen dragen maar moet daarin een zekere basis hebben in de samenwerking met gemeente en andere partners. Uitgangspunt voor een voorziening voor de langere termijn is dat een gebouw uit zes verschillende ‘lagen’ bestaat met elk een eigen levenscyclus. Per laag kan een “eigen” keuze worden gemaakt met betrekking tot de duurzaamheid. Dit worden de “Layers of Brand” genoemd.

Doordachte keuzes van te gebruiken materialen en van detaillering kunnen ertoe leiden dat specifieke materialen met verschillende cycli steeds op de best mogelijke en duurzame manier worden aangewend in het gebouw. En waar materialen met een verschillende levensduur bij elkaar komen, dienen ze zo vormgegeven te worden, dat demontage en vervanging op een efficiënte wijze kan

44

gebeuren. Natte aansluitingen worden zoveel mogelijk voorkomen, evenals instorten van voorzieningen: kitten, lijmen en schuimen maken plaats voor schroef, klik- en boutverbindingen. Door deze wijze van bouwen wordt bevorderd dat belangrijke onderdelen van het gebouw langjarig (boven de nu gebruikelijke afschrijvingstermijnen uit) kunnen worden gebruikt. Binnen deze lagen kan dan steeds worden gekozen voor materialen, die de geldende regelgeving rondom circulariteit en klimaatneutraliteit zo goed mogelijk dient. Ook in deze aanpak is het van belang om tot een bredere samenwerking te komen. Daarbij zijn naast de realisatie ook het inpassen van mogelijkheden voor toekomstige aanpassingen en flexibiliteit met betrekking tot de capaciteit van het gebouw relevant. Voor de hand ligt om vanwege eventuele latere aanpassing door verwachte variaties in de omvang van de school te overwegen om ook gebouwonderhoud en -exploitatie bij dit consortium onder te brengen. Op die manier kunnen betrokken bouwpartners gezamenlijk sturen op de totale levenscycluskosten van het gebouw (TCO-benadering).

Bij deze vorm van bouw, zijn de volgende aspecten goed belegd: - Voldoende ontwerpvrijheid; - Hoge bereikbare gebouwkwaliteit (ook met betrekking tot duurzaamheidsvraagstukken) - Flexibel: binnen de vaste duurzame constructie (-laag) is een goed aan de veranderende wensen aanpasbaar gebouw te realiseren. Nb.: Voor eventuele latere uitbreidingsvraagstukken en tijdelijkheid zal een andere vorm gekozen (moeten) worden; - Optimale circulariteit door een mengvorm van materialen per laag; - Relatief hoge inzetbaarheid van non-virgin (hergebruikte) en biobased materialen haalbaar (tot ongeveer 50%), per laag af te stemmen op de doorlooptijd; - In eerste aanleg duurder dan traditioneel bouwen met de kanttekening dat de jaarlijkse lasten lager (kunnen) liggen door de langere afschrijvingstermijn van de constructielaag; - Restwaarde bij einde levensduur (tenminste de hergebruikswaarde van materialen); Tegelijkertijd zijn zaken nog onduidelijk: - Financiële consequenties op de langere termijn (Netto Contante Waarde); - Regelgeving van gemeenten rondom administratieve voorwaarden; 08-8

Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting

In 2024 heeft het Ministerie van OCW samen met PO-raad, VO-raad en de VNG vanuit het Nationaal Groeifonds een investeringsbudget voor het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting toegewezen gekregen van bijna 500 miljoen euro. Doel van dit

45

programma is om moderne schoolgebouwen te ontwikkelen die de volgende eigenschappen hebben: gezond binnenklimaat, flexibel, inclusief en klimaatneutraal. Intentie van het innovatieprogramma is dat via zogenaamde ‘leerlabs’ in drie verschillende thema’s, standaarden, werkwijzen en bouwtechnische oplossingen worden ontwikkeld op het gebied van onder andere functionaliteit, bouw- en installatieconcepten en processen. Eén focuspunt is het ontwikkelen van een standaard voor geüniformeerde, modulaire scholenbouwsystemen op basis van een parametrisch basisontwerp. Ook de keuze voor een meer gelaagde aanpak kan onderdeel zijn van de voorgestelde aanpak en kan subsidiabel zijn. De voorwaarden waar een project aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor deelname aan het programma, worden momenteel uitgewerkt en de regeling wordt nog in 2024 gepubliceerd. De precieze aanpak van de subsidieverstrekking is nog onderwerp van studie. Gedurende 2025 zal dit worden uitgewerkt in voortdurend gesprek door Ruimte OK met de sector (gemeenten en schoolbesturen). Wat wel al duidelijk is, is dat de leerlabs ontwikkelkracht en samenwerking moeten realiseren. Daarom wordt ervoor gekozen om aanvragen alleen in teamverband aan te pakken. In een leerlab moeten verschillende schoolbesturen en/of gemeenten betrokken zijn om de uitstralende werking van de verzamelde kennis te maximaliseren.

Nb.: Één van de voorwaarden voor deelname is de technische staat van het gebouw. Hierbij wordt gekeken naar de NEN2767 en een conditiescore van 3 of slechter. Daarnaast moet het gebouw een Energielabel van C of slechter hebben.

46

09 Conclusie en advies Gevraagd is een objectief oordeel ten aanzien van vijf mogelijke scenario’s. Deze betreffen de renovatie en uitbreiding van de bestaande school. Daarvan is in hoofdstuk 5 op grond van een quickscan van het gebouw en een financiële analyse op hoofdlijnen van de te nemen maatregelen vastgesteld dat dat geen verstandige maatregel is. Dat is een herbevestiging van de eerdere conclusie in het Integrale huisvestingsplan door ICS consultants. Daarna zijn de verschillende scenario’s voor vervangende nieuwbouw onderzocht om te komen tot een nieuw kindcentrum in Urmond. De locaties zijn objectief beoordeeld aan de hand van de toetsingscriteria, die bestuurlijk zijn vastgesteld en die zijn beschreven in hoofdstuk 2 van dit rapport. De beschrijvende analyses zijn te vinden in hoofdstuk 7. In bijlage 2 zijn de gedetailleerde scores opgenomen waarin kleurcodes de beoordelingen weergeven. In onderstaande tabel is het scoreblad in gecomprimeerde vorm weergegeven. Daarmee is in één oogopslag zichtbaar hoe de verschillende kansen en risico’s zich ten opzichte van elkaar verhouden. School

Pleinscenario - nieuwbouw

Sportcomplex

Bramert Noord

Samenwerken in kindcentrum Toekomstbestendigheid Bijdrage aan leefbaarheid Ruimtelijke inpassing Ruimtelijk (omgeving) Financieel Duurzaamheid Risico’s

Toelichting op de kleurcodes: Uitstekend; optimaal kansrijk Goed: positieve mogelijkheden en kansen zijn aanwezig Neutraal: geen/nauwelijks belemmeringen aanwezig/ risico geen of zeer gering Matig negatief: belemmeringen aanwezig van beperkende aard / risico matig Zeer negatief: belemmeringen aanwezig van zwaarwegende aard / risico hoog

09-1

Bevindingen

De onderzochte locaties bieden in ruimtelijk-technisch opzicht voldoende mogelijkheden om tot vervangende nieuwbouw te komen. Er zijn op voorhand geen factoren vastgesteld, die zondermeer een ‘no-go’ vormen. Er zijn wel evidente verschillen tussen de scenario’s. Hierna zijn deze uitgewerkt tot een advies.

47

Bramert Noord Deze locatie ligt dicht bij de kern Berg en heeft mogelijk impact op de leerlingenaantallen en de continuïteit van kindcentrum De Avonturijn. De realisatie is procedureel en inhoudelijk verbonden met de invulling van het gebiedsplan en de haalbaarheid hiervan is onzeker: het moment waarop het ter hand wordt genomen kan nog jaren duren. De planvorming, die de ruimte voor de school definieert en de bereikbaarheid regelt zal tijd in beslag nemen. Mocht de wijk uiteindelijk niet worden gerealiseerd dan ontstaat een IKC als stand-alone locatie aan de rand van het dorp en dat is een onwenselijke situatie. Tenslotte is ook de onzekerheid met betrekking tot de contouren van Chemelot een risicofactor. Advies RO groep: Een keuze voor deze locatie is af te raden omdat (1) de locatie slechts beperkte maatschappelijke toegevoegde waarde heeft en (2) er sprake is van een hoog risicoprofiel is door de aanwezigheid van Chemelot. Sportcomplex De locatie bij de sportvelden scoort op de meeste inhoudelijke onderdelen goed tot uitstekend: ze biedt goede kansen voor samenwerking en deze ontwikkeling kan de leefbaarheid en toekomstbestendigheid van voorzieningen vergroten. Er zijn ruimtelijk kansen, het terrein is goed bereikbaar en er kan een goede aansluiting bij de dorpskern tot stand worden gebracht. Financieel voordelig is dat tijdelijke huisvesting kan worden voorkomen.

De locatie is in gemeentelijk eigendom en (gemeentelijke) planprocedures worden als weinig risicovol ingeschat en er is voldoende ruimte voor flexibiliteit bij toekomstige ontwikkelingen of ruimtelijke aanvullingen. Tegelijkertijd geeft de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in berekeningen en eerste analyses aan dat de nabijheid van Chemelot en de A2 een hoge geluidsbelasting veroorzaakt. Omdat het een onderwijsfunctie betreft is ook de externe veiligheid een aandachtpunt. De maatschappelijke consequenties vragen een goede evaluatie door gemeente en schoolbestuur. Aanvullend aandachtpunt is dat realisatie op deze locatie niet alleen door gemeentebestuur aan lokale regelgeving zal worden getoetst. Ook externe partijen zullen de ontwikkeling beoordelen en die zullen aanvullend kijken naar de mogelijke consequenties voor de continuïteit voor Chemelot. Pleinscenario Dit scenario heeft grote maatschappelijke waarde. Het past binnen en kan zelfs een centraal element worden in de Transformatie-agenda voor Urmond. Het zou leiden tot de gewenste centrale verbindende maatschappelijke voorziening, die bijdraagt aan de gemeenschapsontwikkeling. Een kindcentrum op deze locatie krijgt inbedding op een relevante plek en kan profiteren van functies en activiteiten in de nabijheid. Op inhoudelijk en stedenbouwkundig vlak liggen er grote kansen voor een aansluiting bij de woningbouwopgave.

Het pleinscenario heeft als nadeel dat realisatie complex is en veel (bestuurlijke) aandacht, toewijding en continuïteit vraagt. De opgave kent veel spelers met verschillende maatschappelijke, economische en financiële belangen. De belangrijke partijen werken al samen in de transformatieopgave van het gebied. Met name de woningstichting moet rekening houden met de positie van haar (soms kwetsbare) bewoners. Keuze voor dit

48

scenario leidt daardoor mogelijk tot (1) een opgave voor de langere termijn, waarbij (2) ook risico’s aan de orde zijn. Huidige schoollocatie Dit is een geschikte plek voor vervangende nieuwbouw. Er is al sprake van een passende eigendomssituatie en bestemming. De locatie scoort in brede zin goed, zonder echte uitschieters naar boven of beneden. De locatie is bekend en kent weinig risico’s. Tegelijkertijd biedt de plek weinig toegevoegde waarde voor de leefbaarheid van de gemeenschap als geheel: het betreft een solitaire ontwikkeling zonder echte verbinding met de dorpskern. De latere of gelijktijdige toevoeging van een nieuwe sportzaal op deze plek is niet inpasbaar. Bijkomend aandachtpunt en belangrijk verschilmakend element is dat het noodzakelijk is dat gedurende de sloop- en bouwfase voor de school tijdelijke huisvesting moet worden gerealiseerd. Dat zal de bijkomende kosten aanzienlijk verhogen. 09-2

Advies locatie

Voor de hand ligt dat partners een keuze maken tussen drie scenario’s: de sportvelden, het pleinscenario en vervangende nieuwbouw op de huidige locatie. De afwegingen daarbij zijn van een zeer verschillende orde. Daarbij is aan te tekenen dat de exacte consequenties nog niet gedetailleerd in beeld zijn gebracht. Dit viel buiten de scoop van de locatiestudie. Onder andere de volgende aandachtpunten zijn nog te adresseren: - De doorlooptijd van de planontwikkeling van zowel het pleinscenario, de sportvelden als de huidige locatie kunnen substantieel van elkaar verschillen en dus ook de daaraan gerelateerde realisatietermijn van de nieuwe school. Daarbij lijkt ook nog optimalisatie binnen de verschillende scenario’s mogelijk.

- De wenselijkheid van het toevoegen van een sportzaal; - De (financiële en bestuurlijke) ruimte voor en wenselijkheid van aanvullende voorzieningen in het pleinscenario, zoals benoemd in voorliggende rapportage; - Bestuurlijk commitment om de school in het pleinscenario te realiseren en met voorrang aan te pakken; - De (financiële) inspanning om gedurende de realisatietijd van het pleinscenario de andere school in stand te houden (sterk afhankelijk van de uiteindelijke realisatietermijn); - De beschikbaarheid van locaties voor tijdelijke huisvesting van de school gedurende de realisatiefase en de kosten, die daarmee zijn gemoeid; Aanpak: Het ligt voor de hand ligt om voor de overgebleven scenario’s in hun samenhang snel en voortvarend aanvullend onderzoek te doen naar de nog onbekende aspecten, zodat een goed zicht ontstaan op de consequenties. Dat moet nog in dit voorjaar leiden tot een definitieve locatiekeuze. Besliskader: Ingebruikname IKC De Maaskei in zomervakantie 2029 Voor het vervolgonderzoek moet de realisatietermijn een bepalende factor zijn. Gemeente (-raad), schoolbestuur en kindpartner hebben samen besloten dat het wenselijk is om het IHP-traject voor OBS De Maaskei te vervroegen om antwoord te bieden op de kwaliteits- en capaciteitsissues van de school. Daarom is het belangrijk om bij het vervolgonderzoek in de

49

aanpak ingebruikname in de zomer van 2029 als meetpunt te hanteren. Als deze termijn substantieel overschreden wordt, dan valt een scenario af. 09-3

Advies aanbesteding

In hoofdstuk 8 is beschreven op welke wijze de realisatie van de school op een moderne wijze kan worden aangepakt en welke consequenties dit heeft. Gekeken is naar de wenselijkheid om in Urmond een flexibel, duurzaam gebouw in te richten dat meer dan in het verleden (en de wet) over tijd een gedeelde verantwoordelijkheid is van gemeente, schoolbestuur en eventuele andere maatschappelijke partners samen. Het ligt vanuit het concept voor de hand dat gemeente en schoolbestuur in exploitatie en instandhouding de belangen delen. Daarbij kunnen de principes van total cost of ownership (TCO) zoals beschreven in paragraaf 8.5 waardevol zijn. Daarbij past de principekeuze om voor IKC De Maaskei in Urmond niet te werken volgens een traditionele aanbestedingsstructuur. Gemeente en schoolbestuur hebben er eerder over gesproken om te realiseren volgens de beginselen van “modulair bouwen”. Deze werkwijze heeft voordelen ten opzichte van traditionele bouw in de realisatietermijn en de belasting (daardoor) voor de omgeving. Door toepassing van standaardisatie kan het gebouw bij wijzigende omstandigheden snel worden aangepast, vergroot, verkleind of zelfs verplaatst. Door de mogelijkheid van hergebruik van delen van het gebouw voldoet deze werkwijze aan de hoogste duurzaamheidseisen.

Tegelijkertijd is een trend in scholenbouw om in tegenstelling tot de (meer) op flexibiliteit, vervangbaarheid en hergebruik van bouwcompartimenten gerichte aanpak van modulair bouwen juist te kiezen voor een voorziening voor de langere termijn (exploitatietermijn van 70 jaar of meer). Daarbij wordt gekozen voor realisatie van een hoogwaardig gebouw dat in zijn fundament voldoende kwaliteit heeft. Alle onderdelen in het gebouw staan los van dit fundamentele deel en kunnen snel, eenvoudig en tegen relatief lage kosten worden vervangen, aangepast en gemoderniseerd met als doel om steeds een modern en passend gebouw te hebben. Ook deze aanpak voldoet aan de hoogste duurzaamheidseisen. Vaststelling Een keuze om voor IKC De Maaskei te kiezen voor een moderne aanpak voor aanbesteding en realisatie betekent dat er een afwijkende structuur ontstaat, waarbij veel nog onbekend is, zowel bij lokale partners als bij potentiële bouwpartners. Ook in regelgeving (technisch, juridisch, financieel-administratief) zijn veel aspecten nog te onderzoeken.

Daarom heeft het rijk een innovatieprogramma in voorbereiding, dat als doel heeft om samen met gemeenten en schoolbesturen in de praktijk de belangrijke openstaande vragen te beantwoorden, die ook voor De Maaskei aan de orde zijn: - Welke praktische mogelijkheden zijn er of kunnen ontstaan om de financiële consequenties van een op TCO gebaseerde werkwijze in de administratie van de verschillende partijen te verwerken; - Op welke wijze kunnen partijen op lange termijn blijven verbinden aan eerder gemaakte afspraken en hoe kunnen risico’s in kaart worden gebracht en in overeenkomsten worden verwerkt; - Welke mogelijkheden zijn er om, over de grenzen van de wettelijke beperkingen heen, financiële bijdragen te leveren (vanuit schoolbestuur in de investering en vanuit

50

gemeente in de instandhouding) om recht te blijven doen aan een op TCO gerichte aanpak; Advies: Het ligt voor de hand ligt om, toegespitst op de te kiezen locatie, snel en voortvarend aanvullend onderzoek te doen naar de nog onbekende aspecten in de meer moderne wijze van scholenrealisatie. Daarbij ligt het voor de hand om waar mogelijk coördinatie te zoeken met het innovatieprogramma en het programmabureau van Ruimte OK. Intentie moet zijn om parallel aan de definitieve locatiekeuze ook een gespecificeerde (per locatie) aanbestedingsbeslissing te kunnen nemen, waarbij bij voorkeur in het innovatieprogramma geparticipeerd wordt, als dat in besluitvormingstermijnen mogelijk blijkt. Nb.: Te verwachten is dat in het innovatieprogramma ook vervolgtranches aan de orde zullen zijn. In ieder geval is het mogelijk om mee te liften in de kennis, die in de leerlabs worden ontwikkeld. 09-4

Inspraak van omwonenden

Het slagen van de verschillende scenario’s en de te realiseren realisatietermijn is mede afhankelijk van draagvlak. In de nieuwe regelgeving van het omgevingsplan is het betrekken van omwonenden ook formeel, in de wet vastgelegd onderdeel van het proces. Ook gemeentelijk, door de raad vastgesteld, participatiebeleid legt inspraakmogelijkheden dwingend vast. Het is belangrijk om omwonenden en belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium bij de planvorming te betrekken. Daarbij zijn de trajecten complex. Vooral het pleinscenario vraagt samenwerking met veel verschillende partners, ook buiten de primaire kring van het IKC. Het is belangrijk dat deze partijen al vroeg in het proces betrokken worden en daarvoor kan een intentieovereenkomst met alle betrokken partijen een goed instrument zijn.

51

Bijlage 1 Ruimteprogramma Het globaal ruimtelijk Programma van Eisen is samengesteld op basis van (wettelijke) normen en eisen, zoals de VNG-modelverordening onderwijshuisvesting, het kwaliteitskader kinderopvang en CROW-richtlijnen. 1. Ruimtebehoefte onderwijs Aantal leerlingen Basisschool permanent Basisschool tijdelijk

Ruimtebehoefte in m2 bvo (genormeerd)

204

1.226

27

136

Specificatie

Normatief (200+ 5,03 x ll. Normatief 5,03 x ll.

2. Ruimtebehoefte opvang POV en KDV elk 1 groepsruimte à 70 m2 bvo (3,5 m2 per kind nvo) met nevenruimten zoals slaapkamers en sanitair. Voor de BSO wordt uitgegaan van volledig medegebruik van ruimten voor onderwijs of POV. Facilitaire ruimten eveneens zo veel mogelijk in gedeeld gebruik met onderwijs. Volgens opgave MIK Spelenderwijs. Basisvariant Soort opvang

Aantal kindplaatsen

Ruimtebehoefte in m2 bvo

Specificatie

POV

16

90

O.b.v. aannames (1 groepsruimte 3,5 m2/kind)

BSO

22-24

-

Volledig medegebruik

Facilitair

10

Grotendeels medegebruik

TOTAAL

100

Varianten met aanvullend KDV Soort opvang KDV 1 groep KDV 2 groepen KDV 3 groepen

Aantal kindplaatsen

Ruimtebehoefte in m2 bvo

Specificatie

16

104

Optioneel, o.b.v.. aannames (1 groepsruimte 3,5 m2/kind)

32

218

Optioneel, ov. aannames (1 groepsruimte 3,5 m2/kind)

48

319

Optioneel, o.b.v.. aannames (1 groepsruimte 3,5 m2/kind)

52

3. Ruimtebehoefte terrein Terrein Speelterrein onderwijs verhard

Aantal

Oppervlakte m2

200-400 ll.

600

230 ll.

460

Speelterrein onverhard Berging en container

25

Speelterrein POV

16 kp.

48

Speelterrein KDV

48 kp.

144

-

-

Speelterrein BSO in medegebruik Subtotaal speelterrein

1.277

4. Ruimtebehoefte parkeren Uitgangspunt: gemeente Stein, omgevingsadressendichtheid 500 per km2, weinig stedelijk. Volgens CROW normen. Auto- en fietsparkeren: Kencijfers CROW

Behoefte in aantal

Oppervlakte

Ruimtebehoefte

Onderwijs (230 ll / 9 gr)

0,8 parkeerplaats per groep

7

25 m²

175 m²

POV/KDV (419 m2 )

1 pp. per 100 m² bvo

4

25 m²

100 m²

Fietsparkeren leerlingen (230 ll)

4,3 plek per 10 leerlingen

11 99

0,8 m²

80 m²

Fietsparkeren personeel onderwijs en opvang (230 ll + 64 kp)

0,4 plek per 10 kinderen

12

0,8 m²

10 m²

SUBTOTAAL AUTOPARKEREN

SUBTOTAAL FIETSPARKEREN

275 m²

111

90 m²

TOTAAL

365 m2

Kiss & ride: % met auto

Factor parkeerduur

Reductiefactor aant. kinderen / auto

Aant. parkeerplekken

Ruimtebehoefte

Aantal kinderen groep 1 t/m 3

86

40

0,5

0,75

13

325 m²

Aantal kinderen groep 4 t/m 8

144

30

0,25

0,85

9

225 m²

Aantal kinderen pov en kdv

64

50

0,25

0,75

6

150m²

28

700 m²

TOTAAL

5. Ruimteprogramma kindcentrum Het globale ruimteprogramma is inzichtelijk gemaakt. Het gaat om minimale (genormeerde) afmetingen. Er is geen rekening gehouden met toevoeging van andere functies of extra (multifunctionele) ruimten aan het kindcentrum. Voor kinderopvang is uitgegaan van maximaal gewenst aanbod. Voor de BSO is het uitgangspunt dat dit waar mogelijk in medegebruik van ruimten in de school plaatsvindt. Voor peuteropvang is gerekend met gedeeld gebruik van bv. sanitair in de school. Synergievoordelen zijn in de PvE-fase te onderzoeken.

53

6. Samenvatting ruimtevraag Functie

Oppervlakte/footprint m2 bvo

TOTAAL m2 cumulatief

Kindcentrum footprint

950

Buitenterrein spelen en fietsenstalling

1.277

2.227

Parkeren plus Kiss and Ride

1.065

3.292

Sportzaal (optioneel)

1.040

4.332

54

Bijlage 2 Scoreblad afwegingskader

55

Businesscase ruimtelijke situatie De Maaskei Urmond Scoreblad Versie 21-01-2025 Huidige school (Middenveld 1)

Pleinscenario - nieuwbouw

Sportcomplex (Swentiboldlaan 43)

Bramert Noord

Kansen voor visie kindontwikkeling onderwijs/opvang o.b.v. IHP (w.o. doorgaande leerlijnen) Duurzame samenwerkingspartners en kansen voor geïntegreerd aanbod

- Kansen zijn aanwezig

- Kansen zijn aanwezig

- Kansen zijn aanwezig

- Kansen zijn aanwezig

- Samenwerking onderwijs en opvang kan optimaal verwezenlijkt worden - In de directe nabijheid zijn er geen andere relevante samenwerkingspartners. Samenwerking is mogelijk maar vanwege een fysieke afstand minder vanzelfsprekend

- Samenwerking onderwijs en opvang kan optimaal verwezenlijkt worden - Kansrijk vanwege verbinding van maatschappelijke functies en samenwerking met andere relevante partners (educatie, zorg, cultuur, sociaal-maatschappelijk, bedrijvigheid)

- Samenwerking onderwijs en opvang kan optimaal verwezenlijkt worden - Kansen op verbinding met andere (maatschappelijke) functies in de buurt

- Samenwerking onderwijs en opvang kan optimaal verwezenlijkt worden - In de directe nabijheid zijn er geen andere relevante samenwerkingspartners. Samenwerking is mogelijk maar vanwege een fysieke afstand minder vanzelfsprekend

Kansen voor bevorderen van gezondheid en bewegen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=293d4597-0fbb-4730-aac0-45e8f66d4975