Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023
Tekst van het document
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 15. VUURVERBOD Artikel 15:1 Verbod afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een bedrijfsmatige activiteit, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 15:2 Verbod op het gebruik van wensballonnen 1. Het is verboden zogenoemde wensballonnen door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten. 2. Onder een wensballon wordt mede verstaan elk voorwerp dat door middel van open vuur opstijgt en zonder sturing wegdrijft. 16. AFVALSTOFFEN Artikel 16:1 Aanwijzing van de inzameldienst 1. NV ROVA Gemeenten is als inzameldienst belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Het college kan nadere regels stellen over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 16:2 Regulering van andere inzamelaars 1. Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. Daartoe is aangewezen door het college en/of door de inzameldienst. b. Bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of c. Verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2. Het college kan aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, voorschriften verbinden en beperkingen stellen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 16:3 Aanwijzing van milieubrengstation Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde inzamelplaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 16:4 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: 1. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 16:2, eerste lid; 2. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 16:2, eerste lid; of 3. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 16:3. Artikel 16:5 Gescheiden afvalinzameling 1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2. In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: a. Biogeen-afval (voorheen GFT); b. Flessenglas; c. Restafval; d. Papier en Karton; e. Plastic, Metalen en Drankenkartons (PMD); f. Textiel; g. Klein Chemisch Afval (KCA); 3.
In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen dienen afzonderlijk te worden aangeboden conform artikel 16:6 lid 2: a. Asbest; b. Autobanden; c. Bouw- en sloopafval; d. Dakleer; e. Elektrische apparaten; f. Vlakglas; g. Gips; h. Grof huishoudelijk afval; i. Grof tuinafval; j. Grond; k. Harde kunststoffen; l. Huisdierkadavers; m. Matrassen; n. Metalen; o. Vloerbedekking; p. Piepschuim (EPS); q. Puin; r. A-/B-hout (onbehandeld of geverfd, gelakt of verlijmd hout); s. C-hout (geïmpregneerd hout). 4. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede en derde lid, of fracties daarvan, achterwege laten. Artikel 16:6 Gescheiden aanbieding 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 16:5 lid 3, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 16:3. 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor geen gescheiden inzameling geldt als bedoeld in artikel 16:5 anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, genoemd in artikel 16:5, derde lid. 3. Het college kan nadere regels stellen.
Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 16:7 Tijdstip aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 16:8 Wijze en plaats van aanbieding 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 16:7, buiten een perceel te laten staan. 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 16:9 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 16:1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening Gemeentelijke reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan.
Artikel 16:10 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 16:9 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 16:3, achter te laten. Artikel 16:11 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 16:9 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in Artikel 16:10 inhouden. 3. Maatschappelijke organisaties kunnen worden vrijgesteld van het verbod om bepaalde bedrijfsafvalstoffen, in aard, omvang en samenstelling gelijkwaardig aan huishoudelijke grondstoffen, aan te bieden aan de inzameldienst. 4. Het college wijst de maatschappelijke organisaties aan die conform lid 3 in aanmerking komen voor vrijstelling van het verbod om afvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst. Artikel 16:12 Dumpingsverbod 1.
Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een bedrijfsmatige activiteit, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 16:13 Zwerfafval in de openbare ruimte 1.
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel 16:14 Zwerfafval rondom activiteiten 1. Als op een locatie waar het Omgevingsplan Steenwijkerland activiteiten toelaat waar eet- of drinkwaren worden verkocht en die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt de exploitant zorg voor de aanwezigheid in of nabij de locatie van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.
De exploitant verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen, die kennelijk van de activiteit afkomstig zijn, zowel binnen de locatie van de activiteit alsook binnen een straal van ten minste 25 meter van die locatie. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Omgevingsplan Steenwijkerland. Artikel 16:15 Afval en verontreiniging op de weg 4. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 5. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 16:16 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een bedrijfsmatige activiteit, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met hoofdstuk 16 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 16:17 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een locatie als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Artikel 16:18 Verbod voor niet-inwoners om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden Het is aan personen, die geen woon- of verblijfplaats in de gemeente Steenwijkerland hebben, verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden of achter te laten in de gemeente Steenwijkerland. 17. MARKT Artikel 17:1 Inrichting van de markt 1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal standplaatsen; b. de afmetingen van de standplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste plaats en als standwerkerplaats. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen (branches); en b. een maximumaantal standplaatsen per branche. Artikel 17:2 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening. Artikel 17:3 Voorschriften en beperkingen 1. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.
Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen. Artikel 17:4 Vergunning voor innemen standplaats Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel 17:5 Toewijzing standplaatsen Een standplaats wordt toegewezen als vaste plaats, dagplaats of standwerkerplaats. Artikel 17:6 De vergunningaanvraag Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. Artikel 17:7 Intrekking vergunning 1. De vergunning voor het innemen van een vaste plaats wordt ingetrokken: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 17:13 de vergunning wordt overgeschreven. 2. Het college kan een vergunning intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 17:6 genoemde vereisten voor het toewijzen van een standplaats. 3.
Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 17:13 is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste plaats op dezelfde markt, wordt deze vergunning ingetrokken. Artikel 17:8 Inhoud vergunning Indien een vaste plaats kan worden toegewezen, verleent het college een vergunning waarin in ieder geval is bepaald: 1. de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder; 2. een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste plaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan; 3. de verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken; 4. de artikelen (branche) die de vergunninghouder mag verhandelen; 5. de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is verleend en zijn volgnummer op de anciënniteitslijst. Artikel 17:9 Inschrijving op de anciënniteitslijst Vergunninghouders van vaste plaatsen worden met vermelding van en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een vaste plaats is toegewezen, op een doorlopend te nummeren lijst ingeschreven. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld welke artikelen de vergunninghouder mag verhandelen. Artikel 17:10 Inschrijving op de wachtlijst 1. Het college schrijft de aanvrager in op de wachtlijst, indien: a.
de aanvrager voldoet aan het bepaalde in artikel 17:3, maar aan hem geen vaste plaats kan worden toegewezen; en b. de aanvrager heeft aangegeven dat hij op de wachtlijst wil worden geplaatst. 2. Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval: a. de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de aanvrager; b. de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen; c. de artikelen (branche) die de aanvrager wil verhandelen; d. de verkoopmaterialen die de aanvrager wil gebruiken. 3. Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van inschrijving op de wachtlijst. 4. De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien deze door de ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari schriftelijk wordt verlengd. Artikel 17:11 Doorhalen van inschrijving op wachtlijst De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald: 1. indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1 januari heeft verlengd; 2. op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene; 3. bij overlijden van de ingeschrevene; 4. wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste plaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere omstandigheden niet aanvaardt; 5. indien niet meer aan de vereisten van artikel 17:3 wordt voldaan.
Artikel 17:12 Volgorde toewijzing vaste plaatsen Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste plaats meer aanvragers in aanmerking komen, wordt de plaats achtereenvolgens toegewezen aan: 1. de vergunninghouder van een vaste plaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van standplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anciënniteitslijst; 2. degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven in volgorde van inschrijving op deze lijst. Artikel 17:13 Overschrijving vergunning 1. In geval van overlijden dan wel blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vergunning voor de vaste plaats worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner van de vergunninghouder. 2. Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind ouder dan 15 van de vergunninghouder of medewerker van de vergunninghouder vergunning voor de vaste plaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst v an het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede -eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst.
Voor de medewerker geldt aanvullend dat bij notariële akte aang etoond moet kunnen worden dat de onderneming in diens eigendom is overgegaan en dat de marktplaats geen economische factor in de overname is. 3. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder dan wel nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. 4. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel 17:14 Toewijzing dagplaats 1. Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een vergunning door het college op het moment dat de standplaats niet als vaste plaats wordt ingenomen. 2. De dagplaats wordt toegewezen overeenkomstig de plaats op de wachtlijst van de gegadigden die zich daarvoor op de dag zelf vóór 8.30 uur aanmelden bij de marktmeester. Artikel 17:15 Toewijzing standwerkersplaats 1. Het college wijst een standwerkersplaats toe door middel van loting. 2. Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te nemen aan de loting voor een standwerkersplaats zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen. 3. Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting.
Artikel 17:16 Persoonlijk innemen standplaats 1. Een standplaats mag uitsluitend door de vergunninghouder persoonlijk. Hij mag de standplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven. 2. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon, zijnde gezinsleden ouder dan 15 of door bij de vergunninghouder in dienst zijnde personeel. Bewijsst ukken inzake de dienstbetrekking moeten desgevraagd aan de marktmeester worden overgelegd. 3. De vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan. 4. De standwerker mag zich alleen doen bijstaan door degene die hij overeenkomstig artikel 17:15, derde lid bij de marktmeester heeft aangemeld. Artikel 17:17 Aantal keren innemen standplaats De vergunninghouder van een vaste plaats neemt ten minste eenmaal per twee weken en ten minste tienmaal per dertien weken zijn plaats op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 17:19 en 17:20. Artikel 17:18 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1. De vergunninghouder van een vaste plaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste plaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. 2.
De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de betreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college. 3. Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte overlegt de vergunninghouder als bewijs van ziekte iedere drie maanden een geneeskundige verklaring aan het college, tenzij het college hiervan ontheffing heeft verleend. Artikel 17:19 Ontheffing en vervanging 1. In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste plaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de plaats op de markt in te nemen. 2. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon. Artikel 17:20 Legitimatie en identiteit vergunninghouder 1. Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen, dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen dat hij de vergunninghouder is. 2. De vergunninghouder dient bij zijn standplaats duidelijk zichtbaar zijn naam en bedrijfsnaam aan te geven. Artikel 17:21 Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer goederen 1.
Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan 2 uur voor aanvang en meer dan 1,5 uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel goederen aan of af te voeren. 2. De vergunninghouder is verplicht zijn standplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan van deze verplichting ontheffing verlenen. 3. Indien de vergunninghouder zijn vaste plaats niet uiterlijk om 8.30 uur heeft ingenomen, wordt de betreffende plaats voor die dag als dagplaats aangemerkt. 4. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing indien de vergunninghouder de marktmeester vóór dit tijdstip, onder opgave van een geldige reden die hem belet tijdig aanwezig te zijn, heeft verzocht de plaats vrij te houden. Artikel 17:22 Parkeren marktvoertuigen Het is verboden rij- en voertuigen, waarmee goederen of waren ter markt worden of zijn aangevoerd, op de markt aanwezig te hebben op een andere plaats dan die welke door het college is aangewezen. Artikel 17:23 Verboden Het is de vergunninghouder verboden: 1. op het marktterrein op andere dan voor de markt bestemde tijd goederen of waren te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren; 2. de marktkraam op zijn standplaats tijdens de markt af te breken of te verplaatsen; 3.
marktartikelen, kisten of ander verpakkingsmateriaal buiten de toegewezen standplaats te plaatsen; 4. een uitstalling voor de kraam te hebben; 5. marktartikelen aan kleppen of luifels te bevestigen. Artikel 17:24 Verzorging standplaats De vergunninghouder dient: 1. ervoor te zorgen dat zijn standplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt; 2. voordat hij het marktterrein verlaat zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan schoon achter te laten; 3. zelf zorg te dragen voor de inzameling en afvoer van zijn emballage en afval. Artikel 17:25 Afvalbakken De vergunninghouder aan wie vergunning is verleend geringe eet - en drinkwaren voor consumptie gereed te maken en te verkopen, dient aan de voorzijde van zijn standplaats voldoende afvalbakken te plaatsen. Artikel 17:26 Elektriciteit Het is de vergunninghouder zonder ontheffing van ons college verboden op zijn standplaats: 1. gebruik te maken van andere dan elektrische verlichting; 2. elektriciteit te betrekken van een ander dan degene die door het college voor het leveren daarvan is aangewezen of om zelf hierin te voorzien. Artikel 17:27 Geluidsapparatuur 1. Het is verboden op de standplaats gebruik te maken van luidsprekers, versterkers en andere middelen ter versterking van geluid. 2.
Het aanwezig hebben van radio’s, cd-spelers en overige geluidsapparatuur op de standplaats, voor een ander doel dan verkoop, is evenmin toegestaan. 3. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden, onder door hem te stellen voorwaarden. Artikel 17:28 Kook-, bak- en verwarmingsapparatuur 1. Het is de vergunninghouder verboden verwarmingsinstoestellen en/of bak- en kookinstallaties te gebruiken. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen onder door hem te stellen voorwaarden. Artikel 17:29 Voertuigen op marktterrein Behoudens het bepaalde in artikelen 17:21 en 17:22 is het verboden om zich op marktdagen met een voertuig op het marktterrein te bevinden of een voertuig op het marktterrein aanwezig te hebben. Artikel 17:30 Intrekking vergunning en schorsing Het college kan een vergunning voor een vaste plaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of degene die hem bijstaat: 1. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; 2. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; 3. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
Artikel 17:31 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, gelegen binnen een periode van twee jaar na de bekendmaking van het besluit tot uitsluiting, indien deze: 1. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; 2. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; 3. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats. 4. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 17:32 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college, indien het dit noodzakelijk acht, een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen, indien hij: 1. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; 2. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; 3. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats. 18. GEURHINDER Artikel 18:1 Andere waarde voor de afstand in gebiedstype I Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 6, van de Wgv.
In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hier om de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelige object: - voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype I geldt een minimale afstand van 25 meter. Artikel 18:2 Andere waarde voor de afstand in gebiedstype II Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 6, van de Wgv. In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hier om de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelige object: - voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype II geldt een minimale afstand van 50 meter. Indien een emissiepunt in de bestaande situatie (vigerende milieuvergunning/milieumelding) op kortere afstand van een geurgevoelig object is gelegen, geldt die kortere afstand als norm op dat geurgevoelige gebouw, met een minimum van 25 meter. Artikel 18:3 Andere waarde voor de afstand in gebiedstype III Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 6, van de Wgv.
In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hier om de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelig object: - Voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype III geldt een minimale afstand van 100 meter. Artikel 18:4 Bijzondere regeling voor gebiedstype III (m.u.v. het gebied Steenwijk) Er van uitgaande dat aannemelijk wordt gemaakt dat de geurbelasting voor omwonenden niet toeneemt, kan een minimale afstand van 50 meter worden toegestaan in die gevallen waarin: 1. sprake is van een bestaande veehouderij. 2. de veehouderij de uitbreiding realiseert in afwaartse richting van de geurgevoelige gebouwen; waarbij afwaarts inhoudt dat het meest nabijgelegen emissiepunt van de uitbreiding op grotere afstand dan bestaand wordt gerealiseerd. 3. de minimale afstand tussen een geurgevoelig gebouw en het meest nabijgelegen emissiepunt van de veehouderij 50 meter of meer bedraagt. 4. er binnen de veehouderij ten hoogste het volgende aantal dieren aanwezig is: a. 200 stuks melkrundvee (excl. Vrouwelijk jongvee tot 2 jr.), of b. 340 stuks vrouwelijk jongvee, of c. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkrundvee, en/of d. 50 paarden; e. 50 landbouwhuisdieren, anders dan hierboven genoemd onder a t/m d. 19.
KABELS EN LEIDINGEN Artikel 19:1 Vereiste van instemming of vergunning 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2. In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard en kan aan de uitvoering van deze werkzaamheden voorschriften en beperkingen verbinden als bedoeld in artikel 19:4. 3. Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4. Werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk of niet gewenst is, dienen onverwijld te worden gemeld aan de burgemeester. Ingeval gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar zich verzet tegen de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden kan de burgemeester besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden.
Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak. 6. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel 19:2 De aanvraag en de melding 1. Een aanvraag wordt ingediend bij het college. 2. De aanvrager levert op verzoek van het college de resultaten van het overleg tussen de aanvrager en de andere grondeigenaren of grondbeheerders aan, indien het college dit noodzakelijk acht voor de besluitvorming. 3. Een melding wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan. 4. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Artikel 19:3 Beslistermijnen 1. Het college beslist op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.
Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 3. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn van ten hoogste acht weken waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 4. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling. Artikel 19:4 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden 1. Het college kan aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van: a. de veiligheid, waaronder verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen; d. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; e.
de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en van beplantingen; f. het uiterlijk aanzien van de omgeving; 2. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald. 3. De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 4. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen. Artikel 19:5 Wijziging en intrekking 1. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a. de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen; b. de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; c. het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; d. de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft; e.
na het verlenen van het instemmingsbesluit of de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van het instemmingsbesluit of de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan het verleende instemmingsbesluit of de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen. 2. Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a. de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; b. dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 3. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. 4. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen. 5. Het college trekt het instemmingsbesluit of de vergunning in indien de houder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer daarvan te willen maken. 6.
Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder. Artikel 19:6 Medegebruik van voorzieningen 1. Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande, hetzij door andere aanbieders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is. 3. Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, dient de aanbieder een alternatief tracé te kiezen. Ook kan het college een alternatief tracé aanwijzen. Artikel 19:7 Verplichtingen netbeheerder 1. Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder het college onverwijld schriftelijk van deze wijziging in kennis. 2. De netbeheerder levert op verzoek van het college informatie over een kabel of leiding. 3.
Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een kennisgeving te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Artikel 19:8 Zorgplicht netbeheerder De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen. Artikel 19:9 Verontreiniging, gevaar en hinder 1. De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan het college en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. 2. Het college kan de netbeheerder opdragen een milieutechnisch onderzoek dan wel een onderzoek naar mogelijk gevaar of hinder uit te voeren, indien een redelijk vermoeden bestaat van verontreiniging, gevaar of hinder, ontstaan bij de aanleg of de exploitatie van kabels en leidingen. 3. Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen. Artikel 19:10 Overleg en afstemming tijdens planvorming 1. De gemeente initieert en faciliteert nader overleg tussen alle betrokken partijen over alle projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek, doch tenminste eenmaal per jaar plaats. 2.
Het college initieert in de planfase van een door of vanwege de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerder(s) ten einde de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van kabels en leidingen te analyseren. De gemeente doet per bedoeld project een voorstel ten aanzien van het aantal overleggen en de regelmaat daarvan. 3. Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de wijze van overleg en afstemming als bedoeld in de voorgaande leden. Artikel 19:11 Nadeelcompensatie 1. Het college kent een netbeheerder, niet zijnde aanbieder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in artikel 19:5, eerste lid, onder e, of artikel 19:5, tweede lid, onder b, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. 2. Het college stelt een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19:12 Herstraat- en degeneratiekosten 1. Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening. 2. Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat. 3. Het college stelt nadere regels vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. 20. ERFGOED Artikel 20:1 Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 20:2 De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende of roerende zaak of terrein aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Een aanvraag als bedoeld in lid 1 moet door de aanvrager onderbouwd worden met foto’s en bouw- en cultuurhistorische informatie. 3. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van advies achterwege blijven. 4.
Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 5. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van het Bal, de Erfgoedwet of de voorgangers daarvan. Artikel 20:3 Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt, tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 20:6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 20:9 tot en met 20:13 van overeenkomstige toepassing. Artikel 20:4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16 weken na de adviesaanvraag. Artikel 20:5 Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 20:2, eerste lid, wordt meegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeiser. Artikel 20:6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1.
Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 20:7 Wijzigingen van de aanwijzing 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 20:2, derde en vierde lid, alsmede de artikelen 20:3, 20:4 en 20:5 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel 20:8 Intrekken van de aanwijzing 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 20:2, derde lid, en artikel 20:4 van overeenkomstige toepassing. 2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 3. De intrekking van de aanwijzing wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Artikel 20:9 Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. 2.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a. een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 3. Het is verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college een roerend monument te verplaatsen buiten de ruimte, de wateren of het terrein waar het monument thuishoort, anders dan tijdelijk. 4. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in lid 1 en lid 2, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 5. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel 20:10 De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in 20:9 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend. Artikel 20:11 Afhandeling aanvraag en termijnen van advies 1.
Het bevoegd gezag legt de ontvankelijke aanvraag ter inzage en doet op de gebruikelijke wijze kennisgeving van de ter inzage legging. Daarbij wordt de mogelijkheid vermeld dat belanghebbenden binnen twee weken hun zienswijze naar voren kunnen brengen bij het bevoegd gezag. 2. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument voor advies naar de monumentencommissie. 3. Binnen 3 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 20:12 Aan een vergunning te verbinden voorschriften Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden of de aan een vergunning verbonden voorschriften wijzigen in het belang van de monumentenzorg. Artikel 20:13 Weigeringsgronden De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 20:14 Intrekken van de vergunning 1. De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; c.
gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; d. de vergunninghouder daar om heeft verzocht. Artikel 20:15 Vergunning voor beschermd monument 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de monumentencommissie. 2. De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift. Artikel 20:16 Tegemoetkoming in schade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: 1. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 20:9 te verlenen; 2. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 20:9; 3. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 20:9, vierde lid. 21. AFVOER HEMEL- EN GRONDWATER Artikel 21:1 Lozingsverbod hemel- en grondwater 1. In het hemelwaterscheidingsgebied, opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening, is het verboden hemelwater of grondwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool. 2.
Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod, als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van hemelwater of grondwater kan worden gevergd. Artikel 21:2 Termijn De lozing van hemelwater en grondwater op het openbaar vuilwaterriool wordt beëindigd binnen één jaar nadat het verbod, bedoeld in artikel 21:1, op een perceel van toepassing is geworden. Artikel 21:3 Werkingsgebied 1. Het college kan het hemelwaterscheidingsgebied, bedoeld in artikel 21:1, wijzigen. 2. Het college houdt bij het wijzigen van het hemelwaterscheidingsgebied rekening met het gemeentelijk rioleringsplan. 22. RONDVAART- EN VERHUURBOTEN Artikel 22:1 Verbod uitoefening rondvaart- en/of botenverhuurbedrijf zonder vergunning Het is verboden om zonder vergunning van het college een rondvaart- en/of botenverhuurbedrijf uit te oefenen, teneinde met rondvaart- en/of verhuurboten vaarwegen te bevaren of te laten bevaren vanaf een plaats die is gelegen binnen de grenzen van de gemeente Steenwijkerland. Artikel 22:2 Weigeringsgronden vergunning uitoefening rondvaartbedrijf en/of botenverhuurbedrijf 1. De in artikel 22:1, eerste lid, bedoelde vergunning wordt geweigerd, indien het verhuren van boten dan wel het uitoefenen van een rondvaartbedrijf in strijd is met het omgevingsplan. 2.
De in artikel 22:1, eerste lid bedoelde vergunning wordt geweigerd indien de onderneming niet beschikt over eigen grond dan wel eigen water waarop de boten geplaatst dan wel afgemeerd kunnen worden. 3. De in artikel 22:1, eerste lid, bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien de vrijheid of de veiligheid van het verkeer te water of te land, door het innemen van een ligplaats of het uitoefenen van een rondvaartbedrijf en of verhuurbedrijf, in gevaar kan worden gebracht. 4. Van het bepaalde in het tweede lid kan door het College ontheffing worden verleend. 5. Een vergunning verleend aan een onderneming volgens de bestemming recreatie – verblijfsrecreatie of aan een exploitant van een Bed and Breakfast geldt slechts voor terbeschikkingstelling aan de eigen gasten van de onderneming respectievelijk de exploitant. Artikel 22:3 Verbod tot gebruik verhuurboten en rondvaartboten voortbewogen door middel van een verbrandingsmotor 1. Het is verboden om met een verhuurboot of een rondvaartboot vanaf een plaats binnen de grenzen van de gemeente Steenwijkerland te varen of te laten varen op vaarwegen in de gemeente Steenwijkerland, indien voor de voortbeweging gebruik wordt gemaakt van mechanische kracht in de vorm van een verbrandingsmotor. 2. Het College kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 22:4 Kentekenplicht 1.
De rondvaart- en verhuurboten moeten zijn voorzien van een door of namens het college afgegeven kenteken. 2. Kentekens moeten zodanig bevestigd zijn aan weerszijden van de boeg van het vaartuig dat zij vanaf de wal goed zichtbaar en leesbaar zijn. 3. Het kenteken blijft eigendom van de gemeente en dient aldaar te worden ingeleverd, zodra het niet meer als zodanig wordt gebruikt. 4. Het is verboden enig teken of middel aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het ingevolge lid 2 gevoerde kenteken te bemoeilijken. Artikel 22:5 Verbod op innemen van ligplaats 1. Het is voor rondvaartboten en verhuurboten verboden om ligplaats in te nemen in het openbaar vaarwater van de Dorpsgracht, Jan Hozengracht Jan Bolsvaart, Smitsvaart en de Cornelisgracht, zoals weergegeven op de kaart in de bijlage 2. 2. Het College kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van inpassing van bestaande situaties, waarvoor ze voor 1 juli 2020 schriftelijk toestemming heeft gegeven. Artikel 22:6 Intrekken of wijzigen van vergunningen of ontheffingen 1. Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd, indien: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.
op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist; c. de aan de ontheffing verbonden dan wel van deze verordening deel uitmakende voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. de houder niet de nodige zorgvuldigheid in acht neemt, waardoor schade aan de omgeving dreigt; e. de houder dit verzoekt. Artikel 22:7 Register Er is een online te raadplegen register ingesteld van vergunninghouders op grond van hoofdstuk 22 van deze verordening. 23. WINKELTIJDEN Artikel 23:1 (Algemene) vrijstelling Voor de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Winkeltijdenwet vervatte verboden geldt een algemene vrijstelling met de beperking dat winkels op zondagen en op eerste Kerstdag geopend mogen zijn van 12.00 uur tot 20.00 uur en op overige feestdagen van 09.00 uur tot 20.00 uur. Artikel 23:2 Individuele ontheffingen 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in artikel 2, eerste lid, sub c, en artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet vervatte verboden. 2. De ontheffing kan worden geweigerd als de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel op basis van de individuele ontheffing.
Artikel 23:3 Beslistermijn 1. Het college beschikt op een aanvraag om ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2. Zij kunnen hun beschikking voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel 23:4 Intrekken of wijzigen ontheffing Het college kan een ontheffing intrekken of wijzigen als: 1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; 2. verandering van omstandigheden of inzichten dit naar hun oordeel noodzakelijk maken in het belang van de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist; 3. de exploitatie van de winkel op basis van de ontheffing gevaar oplevert voor het woon- en leefklimaat ter plaatse; 4. aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; 5. de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. 24. WOONSCHEPEN Artikel 24: 1 Wijze van meten De maten in dit hoofdstuk worden uitwendig gemeten daar waar zij het grootst zijn. Ondergeschikte bouwdelen zoals lichtkoepels en antennes worden niet meegerekend. Artikel 24:2 Verboden ligplaatsen Het is verboden om binnen de gemeente met een woonschip een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen, buiten de op grond van artikel 24:3, eerste lid, aangewezen gedeelten van het water.
Artikel 24:3 Woonschepen in aanbouw of reparatie Het verbod van artikel 24:1 is niet van toepassing op woonschepen die in aanbouw of in reparatie zijn, zolang zij zich op of aan een scheepswerf dan wel in of bij een locatie deze activiteit is toegestaan. Artikel 24:4 Aangewezen ligplaatsen op ligplaatsenkaart 1. De plaatsen waar woonschepen ligplaats mogen hebben, zijn aangewezen op de ligplaatsenkaart, die als bijlage 3 bij deze verordening is opgenomen. 2. Het college is bevoegd tot het wijzigen van de ligplaatsenkaart om deze in overeenstemming te brengen met een planologische regeling die na het van kracht worden van deze verordening in werking is getreden. Artikel 24:5 Ligplaatsvergunning 1. Op de op grond van artikel 24:3, eerste lid, aangewezen plaatsen mag een woonschip ligplaats innemen en hebben, mits de eigenaar van het woonschip beschikt over een ligplaatsvergunning van het college. 2. Het college beslist over een aanvraag van een ligplaatsvergunning binnen acht weken na de dag, waarop de aanvraag in behandeling is genomen. 3. Een ligplaatsvergunning wordt geweigerd indien: a. de aanvraag betrekking heeft op een locatie die niet op de ligplaatsenkaart is aangegeven; b. voor de ligplaats al vergunning is verleend; c. het woonschip de afmetingen voor woonschepen overschrijdt als aangegeven omgevingsplan.
Indien in het omgevingsplan geen afmetingen voor woonschepen zijn opgenomen, gelden als maximale afmetingen: lengte: 15 meter; breedte: 4 meter; hoogte: 3 meter boven de waterlijn; d. het woonschip belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land; e. het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; f. het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid, in slechte staat van onderhoud verkeert of ernstige constructieve gebreken heeft; g. het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen; h. de aanvraag niet in overeenstemming is met de door het college gestelde nadere regels op het gebied van de bijbehorende voorzieningen; i. de aanvrager niet kan aantonen overeenstemming te hebben met de eigenaar van de ligplaats inzake de huur dan wel koop van de ligplaats. 4. De ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip. Daarnaast vermeldt de ligplaatsvergunning in ieder geval: a. de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats; b. de bijbehorende voorzieningen bij het woonschip; c. de kenmerken van het woonschip; d. het gebruik van de ruimte rondom het woonschip; e. de toegestane voorzieningen op de wal; f. de aanwezigheid van een bijboot. 5.
Het college kan een ligplaatsvergunning voor bepaalde termijn verlenen. Artikel 24:6 Wachtlijst ligplaatsvergunning 1. Indien de aanvraag om een ligplaatsvergunning wordt geweigerd omdat de gewenste gemeentelijke ligplaats aan een ander is toegewezen, wordt de naam van de aanvrager op zijn verzoek op een door het college aan te houden wachtlijst geplaatst. 2. In aanvulling op hetgeen is bepaald in het eerste lid worden op de wachtlijst tevens de namen van personen geplaatst die schriftelijk bij het college hun belangstelling voor een gemeentelijke ligplaats kenbaar hebben gemaakt. 3. De volgorde van vermelding op de wachtlijst wordt bepaald door het moment, gelegen na de datum van het van kracht worden van deze verordening, waarop de aanvraag om een ligplaatsvergunning of een schrijven in de zin van het tweede lid door het college is ontvangen. 4. Indien een gemeentelijke ligplaats vrijkomt, stelt het college de op de wachtlijst geplaatste gegadigden, te beginnen met de hoogst geplaatste, in de gelegenheid een nieuwe aanvraag van een ligplaatsvergunning in te dienen. In deze gevallen kan de ligplaatsvergunning slechts worden geweigerd op grond van de omstandigheden, vermeld in artikel 24:4, derde lid, onder c tot en met i. 5.
Indien een gegadigde welke is aangeschreven in de zin van het vierde lid, de hem aangeboden ligplaats niet wenst in te nemen, dient deze binnen zes weken na het aanbod hiervan schriftelijk mededeling aan het college te doen. 6. Een mededeling genoemd in het vijfde lid kan tweemaal worden gedaan. Indien een aanbod in de zin van het vierde lid een derde maal wordt geweigerd, wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt. 7. Indien een nieuwe aanvraag in de zin van het vierde lid of een schriftelijke weigering in de zin van het vijfde lid niet binnen zes weken na de datum van verzending van het in het vierde lid bedoeld schrijven is ontvangen, wordt aangenomen dat geen prijs meer op de ligplaatsvergunning wordt gesteld en wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt. Artikel 24:7 Overdragen ligplaatsvergunning De vergunninghouder kan de ligplaatsvergunning overdragen aan een rechtverkrijgende. Artikel 24:8 Wijziging ligplaatsvergunning 1. Indien wijziging van de ligplaatsvergunning noodzakelijk is, dient de vergunninghouder vooraf bij het college een aanvraag tot wijziging van de ligplaatsvergunning in. 2. Op een aanvraag tot wijziging van een ligplaatsvergunning is het bepaalde in artikel 24:4, tweede en derde lid, onder c tot en met i, van toepassing.