CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023

Politieke Markt 12 december 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 202320.523 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023 De raad van de gemeente Steenwijkerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van <datum>; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: 1. Aanbeplanting: bomenrij die de weg of oprijlaan begeleid en versterkt; 2. Aanbieder: de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet; 3. Anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste plaats; 4. Archeologische verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waarden- en beleidskaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; 5. Bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente die wordt aangewezen op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; 6. Bedrijfsmatig: elk ander gebruik dan particulier gebruik en elke andere terbeschikkingstelling dan kosteloze terbeschikkingstelling door een privépersoon; 7. Bedrijfsmatige activiteit: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen activiteit die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht; 8.

Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 9. Bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning niet goed mogelijk is, zoals een steiger en een loopplank; 10. Bootbreedte: de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenkant van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de huis bij een schip met een huis van een ander materiaal; 11. Botenverhuurbedrijf: een onderneming of persoon, die zich bedrijfsmatig bezighoudt met het aan derden ter beschikking stellen van één of meer verhuurboten; 12. Branche-indeling: de indeling in artikelengroepen en het aantal vastgestelde vaste plaatsen per artikelengroep; 13. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; 14. Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal bedrijfsmatige activiteiten, met uitzondering van de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verbonden; 15. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland; 16.

Consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit; 17. Dagplaats: de standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste plaats is toegewezen dan wel ingenomen; 18. Dierenverblijf: dierenverblijf als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; 19. Dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; 20. Feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag; 21. Gebied met archeologische verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waarden; 22. Gebiedstype I: gebied (buitengebied) zoals aangegeven op de kaart behorende bij deze verordening; 23. Gebiedstype II: gebied (linten, buurtschappen, recreatieterreinen) zoals aangegeven op de kaart behorende bij deze verordening; 24. Gebiedstype III: (bebouwde kom, kernen) zoals aangegeven op de kaart behorende bij deze verordening; 25. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 eerste lid, van de Woningwet; 26. Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. Onroerende of roerende zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, 2.

terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; 27. Gemeentelijke archeologische waarden en beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische monumenten, archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven; 28. Gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen; 29. Gemeentelijke ligplaats: een ligplaats die geheel in eigendom is van de gemeente Steenwijkerland; 30. Geuremissiefactor: bij ministeriële regeling vastgestelde geuremissie per dierplaats, behorende bij een daartoe aangewezen diercategorie en huisvestingssysteem; 31. Geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt; 32. Gevoelige gebouwen: geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid Bkl; 33. Gevoelige terreinen: geluidgevoelige terrein als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 Bbl; 34. Hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; 35. Hemelwaterscheidingsgebied: gebied als bedoeld in artikel 2, waar alleen een openbaar vuilwaterriool aanwezig is; 36.

Hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie; 37. Houden van landbouwhuisdieren: exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het houden van pelsdieren; 38. Houtopstand: hakhout, een houtwal, een houtsingel of een of meer bomen; 39. Huisdier: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwdier; 40. Iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus; 41. Iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (buism.) C. Moreau; 42. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal bedrijfsmatige activiteiten, met uitzondering van de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 43. Instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder b, van de Telecommunicatiewet; 44. Inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden; 45.

Inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens; 46. Kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; 47. Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 48. Lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie; 49. Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren; 50. Levenspartner: de persoon met wie de vergunninghouder met het oogmerk op duurzaam samen te wonen een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring ingericht volgens door het college te stellen regels; 51.

Ligplaats: een gedeelte van het water, bestemd of geschikt om door een woonschip met bijbehorende voorzieningen permanent te worden ingenomen; 52. Ligplaatsenkaart: kaart, waarop de plaatsen zijn aangegeven waar woonschepen ligplaats mogen hebben; 53. Maatschappelijke organisaties: organisaties die het algemeen belang dienen, conform artikel 25h, lid 5 van de Mededingingswet, zoals scholen en verenigingen; 54. Markt: de door het college ingesteld warenmarkt; 55. Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college van burgemeester en wethouders; 56. Marktterrein: de gehele openbare of voor het publiek toegankelijke oppervlakte grond, die door het college is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; 57. Melding: het betreft een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard, waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is; 58. Milieubrengstation: daartoe op grond van artikel 17:3 aangewezen inzamelplaats; 59. Monumentencommissie: de op basis van artikel 15 van de Monumentenwet 1988 ingestelde commissie of zijn rechtsopvolger op basis van artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet; 60. Motorvaartuig: een door mechanische kracht, waaronder begrepen een elektromotor, voortbewogen vaartuig; 61. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 62.

Netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Onder netbeheerder wordt tevens verstaan een aanbieder; 63. Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; 64. Openbaar elektronisch communicatienetwerk: netwerk als bedoeld in artikel 1.1, onder h, van de Telecommunicatiewet; 65. Openbare gronden: openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet; 66. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; 67. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 68. Perceel zoals bedoeld in hoofdstuk 2, 12 en 21: een bebouwd perceel met erf en tuin; 69. Perceel zoals bedoeld in hoofdstuk 16: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan; 70. Plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; 71. Programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; 72.

(recreatie)woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot, dag- of nachtverblijf van een of meer personen; 73. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; 74. Rondvaartbedrijf: een onderneming of persoon, die zich bedrijfsmatig bezig houdt met het door middel van personeel of zelf uitvoeren van rondvaarten met één of meer rondvaartboten; 75. Rondvaartboot: een motorvaartuig, ingericht of geschikt voor het vervoer van één of meer personen, dat bedrijfsmatig wordt gebruikt voor het verzorgen van rondvaarten; 76. Rondvaarten: het bedrijfsmatig toeristisch (laten) varen met een rondvaartboot vanaf een plaats die gelegen is binnen de grenzen van de gemeente Steenwijkerland en waarbij passagiers lang bezienswaardigheden worden geleid; 77. Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Daaronder wordt niet verstaan: 1. Een vaste plaats op een jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; 2.

Een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 Algemene plaatselijke verordening gemeente Steenwijkerland; 78. Standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt, over het door hem te verkopen artikel een aansprekende uiteenzetting houdt en ten slotte tracht een aantal personen gelijktijdig tot aankoop van het artikel te bewegen; 79. Standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken; 80. Telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1, onder z van de Telecommunicatiewet; 81. Vaarwegen: elke voor het openbaar verkeer met vaartuigen openstaan water, met inbegrip van de daarbij behorende waterstaatswerken, binnen de grenzen van de gemeente Steenwijkerland; 82. Varen: de toestand van een vaartuig, wanneer bij het deelnemen aan het verkeer op de vaarwegen, niet ten anker of afgemeerd ligt noch is vast gevaren; 83. Vaste plaats: de standplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder; 84. Vellen: onder vellen wordt mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolg kunnen hebben; 85.

Verbrandingsmotor: een motor die gebruik maakt van gasvormige, vloeibare of vaste brandstoffen, een elektromotor daaronder niet begrepen; 86. Vergunning: een vergunning op grond van deze verordening of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 87. Vergunninghouder: degene aan wie door het college van burgemeester en wethouders vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats; 88. Verhuurboot: een motorvaartuig, bestemd, geschikt of ingericht om door één of meer personen te worden gebruikt ten behoeve van dagrecreatie, dat bedrijfsmatig beschikbaar wordt gesteld aan derden; 89. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagen, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; 90. Wachtlijst ten behoeve van een standplaats: de lijst van gegadigden voor een vaste plaats; 91. Wachtlijst ten behoeve van een ligplaats: de lijst met vermelding van bij de gemeente Steenwijkerland geregistreerde gegadigden voor een gemeentelijke ligplaats. 92. Water: alle wateren die, al dan niet met enige beperking, bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; 93.

Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; 94. Werkdagen: maandag tot en met zaterdag; 95. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard: categorieën van werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is, maar waarbij kan worden volstaan met een melding. 96. Winkel: dat wat daaronder wordt verstaan in de Winkeltijdenwet; 97. Wgv: Wet geurhinder en veehouderij, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 1:2 Beslistermijn Voor de artikelen in hoofdstuk 2 t/m 15 gelden, tenzij anders bepaald, de volgende beslistermijnen: 1. Het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. Artikel 1:3 Indiening aanvraag Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen in hoofdstuk 2 t/m 15 de volgende voorschriften voor de indiening van de aanvraag: 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.

Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen in hoofdstuk 2 t/m 15 de volgende voorschriften en beperkingen: 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Voor de artikelen in hoofdstuk 2 t/m 15 geldt dat de vergunning of ontheffing persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing Tenzij anders bepaald gelden voor de vergunningen en ontheffingen in hoofdstuk 2 t/m 15 de volgende regels: 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen Tenzij anders bepaald gelden voor de vergunningen en ontheffingen in hoofdstuk 2 t/m 15 de volgende termijnen: 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden Voor de artikelen in hoofdstuk 2 t/m 15 gelden de volgende regels: 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a.

de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu. Artikel 1:9 Lex silencio positivo van toepassing 1. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: a. artikel 2:1 (voorwerpen op of aan de weg); b. artikel 2:2 ((omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg); c. artikel 4:5 (houden van hinderlijke of schadelijke dieren); d. artikel 6:4 (overige geluidhinder); e. artikel 8:7 (bestrijding iepenziekte); f. artikel 10:1 (recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen); g. artikel 11:1 (parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke); h. artikel 11:2 (te koop aanbieden van voertuigen); i. artikel 11:4 (kampeermiddelen en andere voertuigen); j. artikel 11:5 (parkeren van reclamevoertuigen); k. artikel 11:6 (parkeren van grote voertuigen); l. artikel 11:9 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen); m. artikel 12:1 (standplaatsvergunning en weigeringsgronden); n. artikel 14:2 (beperking van verkeer in natuurgebieden); o. artikel 15:1 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken). 2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanvragen waarbij een Bibob advies bij Bureau Bibob wordt aangevraagd. 2. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan de weg 1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. een oudejaarshuisje betreft. 2. Het college kan in het belang van de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden en oudejaarshuisjes. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Steenwijkerland 2021; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 12:1 Verordening voor de fysieke leefomgeving; c. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 Algemene plaatselijke verordening Steenwijkerland 2021. 5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden in het omgevingsplan Steenwijkerland. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 2:3 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b.

het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. Aan het maken van een uitweg zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. de aanleg van de uitweg wordt, op kosten van de melder, door een door de gemeente goedgekeurd aannemers-/stratenmakersbedrijf of door werknemers van de gemeente Steenwijkerland uitgevoerd; b. kosten voor het eventueel verplaatsen van een trottoirkolk, een lichtmast e.d. of het kappen van een gemeentelijke boom, wordt bij de melder in rekening gebracht; c. indien de te maken uitweg zich boven een kabel- of leidingtracé bevindt, is het niet toegestaan gesloten verharding als beton of asfalt, of een puinverharding of puinfundering aan te brengen; d.

de melder dient te gedogen dat werkzaamheden aan kabels en leidingen van nutsbedrijven plaatsvinden, voor zover deze zijn gelegen in gemeente-eigendommen. 5. Het college kan nadere voorwaarden stellen aan de aanleg van een uitweg. 6. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 7. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 3. VEILIGHEID OP DE WEG Artikel 3:1 Hinderlijke bepaling of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 3:2 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 3:3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. 4. MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE Artikel 4:1 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 4:2 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 4:3 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 4:4 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een bedrijfsmatige activiteit, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven. 2.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 5. CONSUMENTENVUURWERK Artikel 5:1 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 5:2 Carbidschieten 1. Het is verboden carbidgas, een ander soort gas of (vloei)stof tot ontbranding dan wel ontploffing te brengen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op 31 december van 10.00 uur tot 20.00 uur, op door het college aangewezen locaties. 3. De melkbus of een daarop lijkend voorwerp, welke gebruikt wordt voor het carbidschieten mag een maximale inhoud van 50 liter hebben. 6. VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDSHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING Artikel 6:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 22.63 en 22.70 Omgevingsplan Steenwijkerland en artikel 6:3 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239 Omgevingsplan Steenwijkerland gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door een collectieve festiviteit, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.

Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 22.63 en 22.70 Omgevingsplan Steenwijkerland en artikel 6:3, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00.00 uur en op vrijdag, zaterdag en dagen waarop een algemeen erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. Artikel 6:2 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een bedrijfsmatige activiteit, met uitzondering van de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 22.63 en 22.70 Omgevingsplan Steenwijkerland artikel 6:3, niet van toepassing zijn, mits degene die deze bedrijfsmatige activiteit uitvoert, ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.

Het is een bedrijfsmatige activiteit, met uitzondering van de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, toegestaan om tijdens maximaal 10 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239 Omgevingsplan Steenwijkerland niet van toepassing is, mits degene die deze bedrijfsmatige activiteit, uitvoert ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van degene die een bedrijfsmatige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid, uitvoert een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de bedrijfsmatige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.

De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 22.63 en 22.70 Omgevingsplan Steenwijkerland en artikel 6:3, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00.00 uur en op vrijdag, zaterdag en dagen waarop een algemeen erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur en in de nacht van 31 december op 1 januari (oud en nieuw) uiterlijk om 04.00 uur beëindigd. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 6:3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 22.70 onder i Omgevingsplan Steenwijkerland is artikel 22.63 lid 1 en lid 3 Omgevingsplan Steenwijkerland van toepassing, met dien verstande dat: a.

de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, op een locatie waar het Omgevingsplan Steenwijkerland deze activiteiten toelaat, gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6:1 en 6:2. Artikel 6:4 Overige geluidhinder 1.

Het is verboden buiten een bedrijfsmatige activiteit, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening. 7. BODEM- WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel 7:1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. 8. HOUTOPSTANDEN Artikel 8:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; c.

fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld, indien de doorsnede van de te vellen houtopstand een kleinere diameter heeft dan 40 centimeter; f. houtopstand die gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand gelegen is op erven en in tuinen of een zelfstandige eenheid vormt die: i. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are (1000 m2); ii. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of op last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 8:1, tweede lid, onder f; h. houtopstand ten aanzien in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder vergunning van het college (aanlegvergunning); i. bomen die staan op percelen kleiner dan of gelijk aan 400 m² binnen de bebouwde kom ingevolge de Wegenverkeerswet 1994 en die niet staan in/op houtwallen; j. bomen voor zover niet reeds voornoemd onder a tot en met i, waarvan de stam gemeten met schors op een hoogte van 1,30 m. boven het maaiveld een kleinere stamomtrek dan 155 cm.

heeft en die niet staat in/op houtwallen, houtsingels, laanbeplantingen en/of bospercelen die tot deze afdeling behoren. Binnen de beschermde stads- en dorpsgezichten Blokzijl, Vollenhove, Giethoorn, Jonen en Dwarsgracht geldt dat de stam gemeten met schors op een hoogte van 1,30 m. boven het maaiveld een kleinere stamomtrek dan 100 cm. heeft en die niet staat in/op houtwallen of houtsingels, laanbeplantingen en of bospercelen die tot deze afdeling behoren; k. houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin van de Omgevingswet; l. periodiek afzetten van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang of een direct gevaar voor personen of goederen. Artikel 8:2 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; g. de vitaliteit van de houtopstand. 2. De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid worden uitgewerkt in nadere regels.

Deze nadere regels worden vastgesteld door het college. Artikel 8:3 Vervallen vergunning Een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden vervalt indien daarvan niet binnen drie jaren na bekendmaking gebruik is gemaakt. Artikel 8:4 Bijzondere vergunningsvoorschriften 1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3. Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat: a. de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat bezwaar of beroep is ingediend; b. beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening; c. beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan. Artikel 8:5 Herplant-/instandhoudingsplicht 1.

Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 8:6 Schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4:11, artikel 4:11e of artikel 4:11f, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 8:7 Bestrijding iepziekte 1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit verbod.

Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat er sprake is van een acuut gevaar van verspreiding van de iepziekte of de iepenspintkevers, dan kan door het bevoegd gezag gevorderd worden dat de hiertoe in aanmerking komende iepen meteen gekapt worden, zonder dat er rekening gehouden wordt met de in de aanschrijving vastgestelde termijn. 9. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 9:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een bedrijfsmatige activiteit, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.

Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 9:2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 10. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTEREINEN Artikel 10:1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is aangewezen. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik op een zogenaamd paalkampeerterrein. Een paalkampeerterrein is gelegen in een natuurgebied en op een nader door het college aangewezen locatie.

Op een paalkampeerterrein is het toegestaan maximaal 3 etmalen te overnachten, waarbij op enig moment op de betreffende locatie niet meer dan 3 kampeermiddelen voor eigen gebruik gelijktijdig aanwezig mogen zijn. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 10:2 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 10:1, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 10:1, vierde lid. 11. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD Artikel 11:1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 11:2 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 11:3 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 11:4 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Artikel 11:5 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 11:6 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Artikel 11:7 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 11:8 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.

Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Artikel 11:9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 11:10 Overlast van fiets of bromfiets 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 12.

STANDPLAATSEN Artikel 12:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. In aanvulling op artikel 1:8 kan een vergunning geweigerd worden als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Artikel 12:2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 12:3 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 12:1 lid 1 is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 12:1 derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 13. OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN Artikel 13:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale omgevingsverordening, een regeling van het waterschap Drents Overijsselse Delta of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 13:2 Ligplaats overige vaartuigen, niet zijnde woonschepen 1.

Het is verboden met een vaartuig, niet zijnde een woonschip, of met nader door het college genoemde vaartuigen, niet zijnde woonschepen, een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig, niet zijnde een woonschip, of voor nader door het college genoemde vaartuigen, niet zijnde woonschepen, beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig, niet zijnde een woonschip, op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van volksgezondheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen, niet zijnde woonschepen. 3. Het bepaalde in het tweede lid is eveneens van toepassing op het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig, niet zijnde een woonschip, bedoeld in het eerste lid voor zover het college van zijn bevoegdheid gebruik maakt om het verbod omschreven in het eerste lid te beperken tot nader genoemde vaartuigen, niet zijnde woonschepen. 4.

Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel 13:3 Aanwijzingen ligplaats 1. Onverminderd het krachtens het tweede en derde lid van artikel 13:2 lid 2 en 3 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, voorschriften stellen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de volksgezondheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 2. De rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale omgevingsverordening, de provinciale landschapsverordening of de waterschapsverordening. Artikel 13:4 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikelen 13:2 en 13:3 bepaalde. Artikel 13:5 Beschadigen van waterstaatswerken 1.

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de provinciale omgevingsverordening. 14. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN Artikel 14.1 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden. 3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 14:2 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/f9432bd2-c40d-47dc-92a5-c3f7762ebff7?agendaItemId=2ff18cc4-911f-4d11-b852-79c190686cea