Toelichting - Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen.pdf
Tekst van het document
Voor wat betreft de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem hoeven er vanuit milieu hygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van het perceel en bestaan er geen bezwaren tegen de eventuele toekomstige nieuwbouw op het perceel. Ter volledigheid wordt nog wel gewezen op de restverontreiniging met zware metalen en PAK langs een deel van de zuidelijke en oostelijke erfgrens, ter plaatse van de voormalige saneringslocatie. Hiervoor wordt verwezen naar het evaluatierapport van de bodemsanering. Verkennend asbestonderzoek in bodem (NEN-5707) In één van de 9 inspectiegaten is een asbesthoudend stukje plaatmateriaal aangetroffen. In de fijne gezeefde fractie van de grond is geen asbest aangetoond. Omgerekend naar de hoeveelheid geïnspecteerd materiaal uit inspectiegat 8 is er ter plaatse van inspectiegat 8 sprake van een gehalte van 66,8 mg/kg.d.s. Uitgegaan wordt echter van één onderzoekslocatie (gehele perceel) waarin de gehele toplaag een zwakke tot plaatselijk matige bijmenging met puin is aangetroffen. Hiervoor wordt het (gemiddeld) gehalte aan asbest gesteld op 7,4 mg/kg.d.s. Het aangetroffen asbest betreft chrysotiel asbest in hechtgebonden vorm (minst gevaarlijke soort). Het (gemiddelde) gehalte ligt ruim beneden de Interventiewaarde en hergebruiksnorm van 100 mg/kg.d.s. als ook beneden de Tussenwaarde voor nader bodemonderzoek(= 50 mg/kg.d.s.).
Aanvullend/nader onderzoek naar asbest in de bodem wordt derhalve niet nodig geacht. Uit risicobeoordelingen is gebleken dat bij gehalten aan asbest in bodem beneden 100 mg/kg.d.s. het milieu hygiënisch risico nihil is, ook bij bewerking van de grond. Ook voor wat betreft het uitgevoerde asbestonderzoek in de bodem hoeven er vanui t milieu hygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van het perceel en bestaan er geen bezwaren tegen de eventuele toekomstige nieuwbouw op het perceel. Opgemerkt wordt wel dat een verontreiniging met asbest vaak plaatselijk wor dt aangetroffen en vrijwel nooit homogeen is verdeeld. Het is aldus niet geheel uit te sluiten dat op een bepaald punt (spot) op het perceel een hoger gehalte aan asbest kan worden aangetroffen/ meerdere stukjes plaatmateriaal. 5.2.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er vanuit milieu hygiënische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien van de nieuwe functie van het plangebied: Wonen met tuinen. 5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkw aliteit.
In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 27 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemminge n’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat het voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Verder is in voorliggend geval geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet - en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 28 diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit; • het Activiteitenbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht.
De regels v an het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente Steenwijkerland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Steenwijkerland externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Externe veiligheidsbeleid 2015 – 2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan.
De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en omgeving weergegeven. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 29 Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Op enige afstand van het plangebied is een LPG station gevestigd. Het LPG station heeft als grootste risicoafstand 35 meter en voor de groepsrisico 150 meter. Gezien de afstand van het plangebied (circa 240 meter) tot het LPG station wordt gesteld dat ruim voldaan wordt aan de richtafstanden.
Uit de inventarisatie blijkt verder dan ook dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.4 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet - en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en d at ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 30 Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) t oelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
5.5.2 Gebiedstypen Naast ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’ is er een derde categorie: ‘gebieden met functiemenging’. Hier kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gelegen zijn of worden gesitueerd. In deze gebieden is het niet goed mogelijk om functiescheiding toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan stads- en wijkcentra, horecaconcentraties en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om meer levendigheid tot stand te brengen. De richtafstandenlijst is voor gebi eden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden heeft de VNG een "Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging". Hierin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen, die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. A: activiteiten die zo weinig milieubelastend voor de omgeving zijn, dat ze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eise n uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor voldoende.
B: activiteiten in gemengd gebied met een zodanige milieubelasting voor de omgeving, dat ze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats moete n vinden. C: activiteiten die door hun verkeer aantrekkende werking op een goede ontsluiting op de hoofdinfrastructuur zijn aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden samengevat de volgende randvoorwaarden: • het gaat om kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijvigheid; • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen overdag plaats; • activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; • activiteiten met een hoge vervoersintensiteit moeten beschikken over een goede aan sluiting op de hoofdinfrastructuur. 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen In voorliggend geval ligt het plangebied in het centrumgebied van Oldemarkt. Het plangebied wordt daarmee geclassificeerd als ‘functiemengingsgebied’. Er kan dan ook niet met richtafstanden worden gewerkt. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 31 VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden.
Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggend e bedrijven aantast. In dit geval worden er een viertal woningen gerealiseerd. Een dergelijke functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon - en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande func ties in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In de nabije omgeving bevinden zich horeca, een supermarkt, detailhandel en andere centrumfuncties. Dergelijke functies vallen in categorie A en B. De activiteiten zijn zo weinig milieubelastend voor de omgeving dat ze in geval van categorie A aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd.
De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor voldoende. Bij categorie B activiteiten geldt dat ze bouwkundig afgescheiden van plaats moeten vinden. Het bouwplan voorziet in vier woningen welke bouwkundig zijn afgescheiden van omliggende functies. Hiermee is geen sprake van hinder ter plaatse van de nieuwe woningen. Omgekeerd worden omliggende bedrijven ook niet aangetast in bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden , omdat dichtbijgelegen milieugevoelige functies in alle gevallen maatgevend zijn voor de mogelijkheden van omliggende bedrijven. Opgemerkt wordt dat ten aanzien van de supermarkt het geluidseffect van winkelwagens niet aan de orde is omdat het parkeerterrein aan de achterzijde van de winkel ligt. 5.5.4 Conclusie milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvo erbaarheid van dit plan. 5.6 Geur 5.6.2 Wet Geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.
Voor de andere diercategorieë n is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 32 Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een ge urgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten b uiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. 5.6.3 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten.
Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beo ordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.4 Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Steenwijkerland met bijbehorende Gebiedsvisie Op 3 april 2014 is de Verordening Geurhinder en Veehouderij van de gemeente Steenwijkerland in werking getreden. Deze verordening is van toepassing voor het gehele grondgebied van de gemeente Steenwijkerland.
In artikel 4 van deze verordening is in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij een andere minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in de bebouwde kom en kernen van de gemeente Steenwijkerland bepaald (In afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 4 van deze verordeni ng in het gebied (bebouwde kom, kernen) 25 meter). 5.6.5 Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. 5.6.6 Conclusie Er wordt voldaan aan het bepaalde in de Verordening en de Wet geurhinder en veehouderij. 5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 33 het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit va n de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds - en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.1 Gebiedsbescherming 5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa.
Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet Natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5. 2 is de ligging van het plangebied (blauwe ster) weergegeven ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebieden. Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Provincie Overijssel) Het plangebied (blauwe ster) is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer. ter. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd welke opgenomen is in bijlage 4. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdeposit ie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.
In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 34 - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied (blauwe ster) maakt geen onderdeel uit van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN zijn gelegen op meer dan 2 kilometer afstand van het plangebied (Bestaande natuur NNN, land) (zie afbeelding 5.3). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingsverordening Overijssel. Afbeelding 5.3 Ligging van Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (Bron: Provincie Overijssel) 5.7.2 Soortenbescherming 5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht.
Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.2.2 Situatie plangebied In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied sprake van een braakliggend terrein. Het terrein is bouwrijp en van een waardevolle groenstructuur is geen sprake. Gelet hierop wordt de ecologische waarde van het plangebied zeer laag tot nihil ingeschat en wordt nader onderzoek naar voorkomende beschermde flora en fauna niet noodzakelijk geacht. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 35 Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 5.7.3 Conclusie Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast worden geen negatieve effecten op beschermde soorten in het plangebied verwacht en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
5.8 Archeologie & Cultuurhistorie Zoals benoemd is in paragraaf 2.1 is het plangebied gelegen binnen de historische context van het dorp Oldemarkt aan de Hoofdstraat. De Hoofdstraat is een belangrijke ruimtelijke structuurdrager van het plangebied. Het hart van het dorp wordt nog altijd gevormd door de historische dorpskern die is gesitueerd rond het Marktplein en de Hoofdstraat. De kern van Oldemarkt wordt gevormd door vrijwel aaneengesloten lintbebouwing langs de Hoofdstraat en een aantal dwarsstraten. Het straatprofiel is over het algemeen smal. De meeste panden zijn in de rooilijn gelegen. De bebouwing in de kern is overwegend kleinschalig. De individueel vormgegeven woonhuizen zijn opgetrokken over één tot twee bouwlagen met een zadeldak met wolfseind of met topgevel, maar andere kapvormen in langs - en dwarsrichting komen ook voor. De gevelopeningen zijn verticaal. Op de begane grond langs de Hoofdstraat zijn enkele winkels gevestigd met uitgebroken puien, waardoor het oorspronkelijke beeld verstoord is. Langs de dwarsstraten komen behalve woonhuizen ook ‘stadsboerderijtjes’ en kleine ambachtelijke bedrijfjes voor. Deze zijn herkenbaar aan de schuren en de bedrijfsdeuren aan de straatzijde. Ter plaatse van de twee kerken zijn openingen aanwezig in de stedelijke wand. Bij de Nederlands Hervormde kerk ligt een pleinvormige ruimte met hoge bomen.
Het Veerhuis staat in de as aan het einde van het lint e n markeert het begin van het Mallegat en het einde van de Hoofdstraat. De bebouwing langs de dwarsstraten van de Hoofdstraat is lager met meer tussenruimtes. Afbeelding 5.4 Topografische kaarten van het plangebied en omgeving circa 1850, 1900 en 1950 (Bron: Toptijdreis.nl) 5.8.1 Archeologie 5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 36 5.8.1.2 Situatie plangebied Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied een onbekende archeologische verwachting. Het vastgestelde beleid voor dergelijke g ebieden is dat bij ontwikkelingen groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm is archeologisch onderzoek verplicht. In afbeelding 5.5 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart opgenomen met daarbij ter plaatse van de rode ster het plangebied.
Afbeelding 5.5 Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart (Bron: gemeente Steenwijkerland) Op het perceel was een smederij gevestigd. In 1873 is door Jan Smit het verzoek ingediend bij de gemeente voor de oprichting van een grofsmederij in zijn woning (arc hiefstuk 1747 archief gemeente Steenwijkerland). In 1963 is de schuur bij Hoofdstraat 6 gewijzigd in een smederij met onder andere een magazijn en een rijwielwerkplaats. Ook was op het erf een brandstofopslag (historisch onderzoek). Door dit alles waren de percelen vervuild. De percelen aan de Hoofdstraat 6-8 zijn gesaneerd. Voorafgaand aan de sanering is een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de bodem tot circa 1,5 m –mv geroerd is. Er zijn kolengruis en puinresten aangetroffen. Daarnaast was er sprake van een sterke verontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie. Door de uitgevoerde bodemsanering is de bodem al sterk geroerd. Door de archeoloog van de gemeente Steenwijkerland is beoordeeld dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is . Dit vanwege het feit dat door de uitgevoerde bodemsanering de bodem al dusdanig geroerd is. De kans op het aantreffen van archeologische waarden in situ nihil is. Mocht onverwachts toch wat aangetroffen worden geldt, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5 .11, een meldingsplicht bij de minister (www.cultureelerfgoed.nl).
NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 37 5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Ee n deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 5.8.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich, op basis van de Atlas leefomgeving, in het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Daarnaast is er in het bestemmingsplan Oldemarkt geen specifieke aanduiding in het plangebied opgenomen waarmee monumenten en/of karakteristieke panden ter plaatse worden beschermd.
Met de aanwezige dubbelbestemming Cultuurhistorie Oldemarkt wordt wel de aanwezige patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden beschermd. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een gemeentelijk monument (Hoofdstraat 25). Met de voorliggende ontwikkeling vindt er geen wijziging of afbreuk aan het gemeentelijk monument plaats. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
• Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 38 bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings - of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeelte lijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving.
Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2 Situatie plangebied 5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2 kilometer afstand van het plangebied. Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval gaat het om de ontwikkeling van een viertal woningen, waarbij het aantal verkeersbewegingen minder zal bedragen dan het huidige aantal verkeersbewegingen. Voor de uitgevoerde Aerius -berekening wordt verwezen naar paragraaf 5.7.1.1 waar aangetoond is dat er geen sprake is van een stikstofdepositie m et significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in direc te eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r.
Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r- beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D -lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 39 Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit vergeleken met de omvang van ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking m et de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet M.E.R.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 40 HOOFDSTUK 6 WATERPARAGRAAF 6.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden.
6.2 Beleid ten aanzien van de waterhuishouding 6.2.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewate r, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.2.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016 - 2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.2.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te vold oen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 41 resultaten van deze samenwerking.
De opzet en grote delen van dit W aterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016 -2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. • Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water i n de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. • Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. 6.2.5 Gemeentelijk watertakenplan (2016-2021) Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta).
Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016 -2021. Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor ee n goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang. Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijke plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijke (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd.
Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riol ering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijke projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt. 6.3 Watertoets 6.3.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbehee r 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 42 worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.3.2 Watertoets Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde “normale procedure” van toepassing is. Dit houdt in dat de ontwikkeling door het waterschap nader getoetst is. Per email (30 oktober 2019) is door het waterschap aangegeven dat de “korte procedure” gehanteerd dient te worden, omdat er een beperkte invloed is op de waterhuishouding. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is hieronder opgenomen en in bijlage 5. 6.3.2.1 Standaard waterparagraaf korte procedure In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op Hoofdstraat 6-8. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen spra ke van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte aangehouden van minimaal 80 centimeter.
Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen houden wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil aan (as van de weg). Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infi ltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT -riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Vuilwaterafvoer Er wordt een nieuwe vuilwaterafvoer aangelegd. Deze zal worden aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel.
NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 43 Het gebruik van uitlogende materialen Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden materialen die uitlogen en het oppervlaktewatersysteem kunnen verontreinigen niet gebruikt. 6.3.2.2 Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied In het gemeentelijk rioleringsplan (Watertakenplan Fluvius 2016-2021, Specificatie Steenwijkerland) is opgenomen dat voor particulier terrein primair de eigenaar verantwoordelijk is voor de afvoer van het hemelwater. In het voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van een gescheiden rioolsysteem waarbij het hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt. Dit sluit aan bij het gemeentelijk rioleringsplan. Uit de watertoets blijkt dat er geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie is met het voorliggend plan. In het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. 6.4 Overstromingsrisico In de omgevingsverordening (2.14.3) heeft de provincie Overijssel aangegeven dat voor gebieden met het risico op overstroming een onderbouwing in het bestemmingsplan moet worden opgenomen in de vorm van een overstromingsrisicoparagraaf. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen minder snel en ondiep onderlopende gebieden en snel diep onderlopende gebieden.
Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen deze dijkring kunnen alleen voorzien in het realiseren van grootschalige ontwikkelingen als er in het bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd. De overstromingsrisicoparagraaf moet inzicht bieden in: • de risico's bij een overstroming; • de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen dan wel te beperken. 6.4.1.1 Situatie plangebied Volgens de risicokaart ligt het plangebied in een gebied waar geen kans bestaat op overstromingen. In onderstaande afbeelding 6.1 is een kaartfragment opgenomen, het plangebied is met de blauwe ster aangeduid. Geconcludeerd wordt dat er op basis van de risicokaart geen kans bestaat op een overstroming. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 44 Afbeelding 6.1 Overstromingsrisico plangebied (bron: Risicokaart) NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 45 HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE OPZET 7.1 Inleiding In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het bewuste plangebied door voor de gronden een bestemming aan te wijzen.
Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. 7.2 Uitgangspunten In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Voor alle plannen die vanaf 1 juli 2013 in procedure gaan, is de RO Standaarden 2012 verplicht. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels. De opzet en invulling van de regels worden hieronder nader toegelicht. 7.3 Toelichting op de planregels 7.3.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. • Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 46 7.3.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen.
De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); • Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; • Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming. In paragraaf 8.4 wordt de bestemming nader toegelicht. 7.3.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. • Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden regels gesteld omtrent ondergronds bouwen. • Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
• Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. • Algemene procedureregels (Artikel 10) In dit artikel worden procedureregels ten aanzien van het stellen van een nadere eis beschreven. • Overige regels (Artikel 11) In dit artikel wordt aangegeven dat de wettelijke regelingen waar in de regels wordt naar verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment vaststelling van dit plan. 7.3.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd . 7.4 Verantwoording van de bestemmingen Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw - en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.
NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 47 Centrum - 1 (Artikel 3) Het plangebied heeft de bestemming ‘Centrum - 1’, op deze gronden zijn centrumfuncties toegestaan waaronder ook wonen. Aan de hand van aanduidingen is bepaald waar de woningen en bijgebouwen mogelijk zijn. De regels zijn overeenkomstig het gemeentelijk handboek gehanteerd. Variabelen die in de standaardregels waren opgenomen (hoogtes, dakhelling et c.) zijn ingevuld op basis van de toekomstige situatie. Waarde – Archeologie 2 (Artikel 4) De gronden met de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologisc he waarden. Waarde – Cultuurhistorie Oldemarkt (Artikel 5) De voor 'Waarde - Cultuurhistorie Oldemarkt' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden.
NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 48 HOOFDSTUK 8 FINANCIËLE PARAGRAAF Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Steenwijkerland. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 49 HOOFDSTUK 9 INSPRAAK, VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN 9.1 Vooroverleg 9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2 Provincie Overijssel Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 van de Bro heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. De provincie Overijssel heeft van dez e mogelijkheid gebruik gemaakt en een zogenoemde ‘Uitzonderingslijst Vooroverleg Ruimtelijke Plannen’ opgesteld. Voor plannen in de groene omgeving/buitengebied is in deze lijst A, lid 1 (Woningbouw) opgenomen: Plannen/projectbesluiten voor woningbouw met minder dan 7 woningen met bijbehorende voorzieningen als wegen en groen in lijn met de provincie gemaakte woonafspraken. Zoals blijkt uit het vorenstaande voldoet de nieuwbouw van 3 woningen, waar dit bestemmingsplan in voorziet, aan hetgeen hierboven is beschreven. Derhalve wordt het plan in het kader van vooroverleg niet voorgelegd aan de provincie Overijssel. 9.1.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
9.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of in spraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Er zal een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd worden voor een periode van zes weken. 9.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage geleg en. NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 50 BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 51 Bijlage 1 Planontwerp NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 52 Bijlage 2 Akoestisch onderzoek NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 53 Bijlage 3 Bodemonderzoek NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 54 Bijlage 4 Aerius-berekening NL.IMRO.1708.ODMHoofdstr6en8BP-VA01 “Oldemarkt – Hoofdstraat 6-8” 55 Bijlage 5 Standaard waterparagraaf
November 2019 Status: Definitief Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hoofdstraat 6-8 Oldemarkt Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hoofdstraat 6-8 Oldemarkt Definitief BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 2 AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI HOOFDSTRAAT 6-8 OLDEMARKT Auteur: T. Zomerdijk Opdrachtgever Bouwbedrijf Scheenstra B.V. Status: Definitief Datum: November 2019 Projectnummer 2019-202
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hoofdstraat 6-8 Oldemarkt Definitief BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 3 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 HOOFDSTUK 2 WETTELIJK KADER ......................................................................... 5 2.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 5 2.2 ZONE LANGS WEGEN .................................................................................................................................... 5 2.3 GRENSWAARDEN ......................................................................................................................................... 5 2.4 BEREKENEN GELUIDSBELASTING ...................................................................................................................... 6 2.5 GEMEENTELIJK GELUIDSBELEID........................................................................................................................ 6 HOOFDSTUK 3 UITGANGSPUNTEN ........................................................................ 7 3.1 SITUATIE PROJECTGEBIED ...............................................................................................................................