CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Steenwijkerweg 235.pdf

Politieke Markt 14 april 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling locatie Steenwijkerweg 235 te Witte Paarden17.243 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie akoestisch onderzoek De geluidsbelasting ten gevolgde van wegverkeerslawaai van de Steenwijkerweg bedraagt ter plaatse van de te realiseren woningen hoogstens 61 dB. De voorkeurswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. In tabel 5 is weergegeven voor welke gevels de gevelbelasting hoger dan de voorkeurswaarde is. Bron- en overdrachtsmaatregelen om aan de voorkeurswaarde te voldoen kunnen rekenen op bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gelijktijdig met het bestemmingsplan dienen er dan ook hogere waarden te worden vastgesteld. In de onderstaande tabel 1 uit het onderzoeksrapport is weergeven welke hogere waarden verleend dienen te worden. Met een combinatie van gevelmaatregelen kan een binnen niveau va n 33 dB gerealiseerd worden. In onderstaande tabel 2 uit het onderzoeksrapport is per gevel weergegeven hoe hoog de gevelwering dient te zijn. Voor de overige wegen wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft het aspect wegverkeerslawaai ter plaatse van de te realiseren woningen.

Woning Gevel Verdieping Geluidsbelasting Steenwijkerweg Woning 1 (vrijstaande woning) Noordwest Begane grond 55 dB Eerste verdieping 56 dB Zuidwest Begane grond 60 dB Eerste verdieping 61 dB Zuidoost Begane grond 56 dB Eerste verdieping 56 dB Woning 2 (noordwestelijke dubbele woning) Noordwest Begane grond 55 dB Eerste verdieping 55 dB Zuidwest Begane grond 60 dB Eerste verdieping 60 dB Zuidoost Begane grond 55 dB Eerste verdieping 55 dB Woning 3 (zuidoostelijke dubbele woning) Noordwest Begane grond 54 dB Eerste verdieping 55 dB Zuidwest Begane grond 60 dB Eerste verdieping 60 dB Zuidoost Begane grond 54 dB Eerste verdieping 55 dB Tabel 1 Geluidsbelasting op gevels waar een hogere waarde voor benodigd is (Bron: BJZ.nu) NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 29 Woning Gevel Verdieping Geluidsbelasting Gevelwering Woning 1 (vrijstaande woning) Noordwest Begane grond 61 dB 28 dB Eerste verdieping 61 dB 28 dB Zuidwest Begane grond 65 dB 32 dB Eerste verdieping 66 dB 33 dB Zuidoost Begane grond 61 dB 28 dB Eerste verdieping 61 dB 28 dB Woning 2 (noordwestelijke dubbele woning) Noordwest Begane grond 60 dB 27 dB Eerste verdieping 60 dB 27 dB Zuidwest Begane grond 65 dB 32 dB Eerste verdieping 65 dB 32 dB Zuidoost Begane grond 60 dB 27 dB Eerste verdieping 60 dB 27 dB Woning 3 (zuidoostelijke dubbele woning) Noordwest Begane grond 59

dB 26 dB Eerste verdieping 60 dB 27 dB Zuidwest Begane grond 65 dB 32 dB Eerste verdieping 65 dB 32 dB Zuidoost Begane grond 59 dB 26 dB Eerste verdieping 60 dB 27 dB Tabel 2 Geluidsbelasting exclusief aftrek en benodigde gevelwering (Bron: BJZ.nu) 5.1.3 Conclusie Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Daarom dient er een hogere waarde worden aangevraagd. Wanneer de benodigde hogere waarde en de gevelmaatregelen worden uitgevoerd, is er sprake van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. 5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Grondslag B.V. heeft voor de locatie Steenwijkerweg 235 in Witte Paarden in 2018 een verkennend bodem-, asfalt- en fundatieonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt de resultaten van het uitgevoerde onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. 5.2.2 Situatie plangebied Voor de locatie Steenwijkerweg 235 is onderzoek gedaan naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, fundatie en het asfalt op het terrein.

Momenteel bevindt zich hier een leegstaand bedrijfspand met parkeervoorzieningen. Onder de asfaltverharding op het achterterrein bevindt zich het gemeentelijk riool. 5.2.3 Onderzoeksresultaten De onderzoeksresultaten vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor de herontwikkeling van de locatie voor woningbouw. Bij het geschikt maken hiervoor moet wel NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 30 rekening worden gehouden met de afvoer en verwerking van grond, asfalt, fundatiemateriaal en ondergrondse tanks. Een bodemonderzoek is een steekproef. Wanneer aan de westzijde wordt ontgraven, is het raadzaam te verifiëren in hoeverre ter plaatse nog sprake is van een restverontreiniging. Geadviseerd wordt deze werkzaamheden onder de aanwezigheid van een milieukund ig begeleider uit te laten voeren. Op basis van zintuiglijke waarnemingen en analyses kan dan zeker worden gesteld of de bouwpercelen al dan niet verontreinigd zijn. Het verdient aanbeveling deze graafwerkaamheden te combineren met de tankverwijdering en het nadien uitkeuren van de ontstane tankkuilen. Geadviseerd wordt om vrij te komen de grond binnen de perceelsgrenzen te hergebruiken.

Aanbevolen wordt zintuiglijke verontreinigde grond niet in toekomstige tuinen te hergebruiken Indien er voor wordt gekozen grond niet her te gebruiken, kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig conform het Besluit bodemkwaliteit. 5.2.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er vanuit milieu hygiënische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien de beoogde nieuwbouwlocatie s van het plangebied. Door de Omgevingsdienst IJsselland is wel om nader onderzoek gevraagd ten aanzien van de verdachte deellocaties en Pfas. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd nadat de sloop heeft plaats gevonden maar voordat de bouw van de nieuwe woningen gestart wordt. 5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luc htkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen.

Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 31  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen.

De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt gesteld dat het aantal verkeersbewegingen zal afnemen waardoor ook de luchtverontreiniging afneemt. 5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet - en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:  het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);  het Registratiebesluit externe veiligheid;  het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);  het Vuurwerkbesluit;  het Activiteitenbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht.

De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:  het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);  de Regeling basisnet; NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 32  de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtinge n en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Steenwijkerland externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Externe veiligheidsbeleid 2015 – 2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3 Situatie in en bij het plangebied 5.4.3.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 33  zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);  zich wel bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;  niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;  niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Opgemerkt wordt dat er een inrichting, gasleiding en een snelweg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd in de nabijheid van het plangebied aanwezig is.. De gasleiding N-500-10 betreft een leiding met een werkdruk van 40 bar en een diameter van 159 mm. De leiding heeft geen plaatsgebonden risicocontouren. In onderstaande tabel zijn de twee andere functies (tankstation en snelweg) uiteengezet met de bijbehorende risicocontouren voor het plaatsgebonden (PR) en groepsgebonden (GR) risico. De afstand tot het plangebied is eveneens weergegeven en of er een verantwoording benodigd is. Uit voorgaande inventarisatie volgt dat er een verantwoording van het groepsrisico nodig is voor BP Autorette Witte Paarden (tankstation met LPG).

5.4.3.2 Groepsrisico Voor de dichtstbijzijnde inrichting geldt een letaliteitsgrens van 150 meter. Hiermee ligt het plangebied binnen de letaliteitsgrens van het tankstation. De voorgenomen ontwikkeling ma akt geen extra verblijf van personen op bepaald tijdstip mogelijk, immers de horecafunctie ter plaatse vervalt met de daarbij behorende personen. Verwacht wordt dat de personendichtheid in een horecabedrijf van een dergelijke omvang de groter is dan in het geval van 5 woningen. Desondanks volgt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ hier na een onderbouwing/verantwoording van het groepsrisico ter plaatse. Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatiespecifieke als ontwikkelingsspecifieke aspecten die moeten worden onderbouwd. De volgende locatiespecifieke aspecten zijn daarbij van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd.  Opkomsttijd: De brandweer dient binnen acht minuten ter plaatse te zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen 8 minuten ter plaatse zijn;  Dekking waarschuwingsinstallatie. De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit systeem zal echter na 2020 verdwijnen.

Functie PR risicocontour (m) GR risicocontour (m) Afstand projectgebied (m) Verantwoording benodigd BP Autorette Witte Paarden Vulpunt (tankstation) 35 150 55 Ja BP Autorette Witte Paarden LPG afleverinstallatie (tankstation) 15 0 55 Nee BP Autorette Witte Paarden LPG reservoir (tankstation) 25 150 55 Nee Snelweg A32 0 74 400 Nee NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 34 Daarna zullen de aanwezige personen in bedreigd gebied worden gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handeling.  Nabijheid bluswatervoorziening. In de nabijheid zijn voldoende mogelijkheden. Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de volgende aspecten: bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten nader onderbouwd:  Bereikbaarheid: Huldiensten dienen bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken. De nieuwbouwwoningen zijn vanaf de N761 en via de Witte Paarden bereikbaar.

Er is tevens sprake van voldoende ruimte voor de huldiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren.  Ontvluchten van het gebied: De nieuwbouwwoningen beschikken over de benodigde vluchtroutes. De woonpercelen kunnen in diverse richtingen ontvlucht worden.  (Zelf)redzaamheid: (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel and eren, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevraag. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. In het voorliggend geval betreft vijf woningen. Van bewoners kan over algemeen worden verwacht dat deze (zelf)redzaam zijn. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in onevenredige toename van het groepsrisico ter plaatse. 5.4.3.3 Notitie externe veiligheid In verband met de ligging van het plangebied heeft AVIV een notitie externe veiligheid geschreven. De resultaten van dit onderzoek worden hierna weergegeven. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoeksrapportages welke zijn opgenomen i n bijlage 3 bij deze toelichting. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planlocatie. Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan de oriëntatiewaarde.

Door het planvoornemen neemt het groepsrisico af. Een verantwoording van het groepsrisico is vereist en het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Effectafstand De planlocatie ligt gedeeltelijk binnen de 60 m effectafstand en kan worden aangemerkt als (beperkt) kwetsbaar object. Het is daarom nodig aanvullende maatregelen te overwegen of anderzijds te motiveren waarom wordt afgeweken van deze effectafstand. 5.4.4 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet - en regelgeving ter zake van externe veiligheid. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 35 5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelas tende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante mil ieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, vol gt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, beho ren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

In de nabije omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woningen , daarom kan de omgeving worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 36 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG - uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijk e ordening.

Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggend e bedrijven aantast. In dit geval worden er een vijftal woningen gerealiseerd. Een dergelijke functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon - en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval worden de woningen binnen het plangebied aangemerkt als milieugevoelige functies. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een tankstation (met LPG) en een veehouderij. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden op basis van de VNG-uitgave bepalend, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige bedrijven. Daarom wordt hier het aspect ‘geur’ buiten beschouwing gelaten, in paragraaf 5.6 zal hier nader op in worden gegaan. De afstand tussen het gevoelige object (de nieuwbouw woningen) en in de nabije omgeving gelegen inrichtingen zijn getoetst aan de afstanden die genoemd zijn in de VNG -uitgave “Bedrijven en Milieuzonering”, met uitzondering van het aspect ‘geur’.

In onderstaande tabel worden de twee bedrijven met bijbehorende milieucategorie en richtafstand (op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’) en de afstand tot het pla ngebied beschreven. Adres Aard bedrijf Categorie en richtafstand Afstand tot plangebied Steenwijkerweg 242a Tankstation met LPG 3.1 / Circa 15 m NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 37 minder dan 1000 m3 /jr 30 m (geur / geluid) 50 m (gevaar) Witte Paarden 26a Grondgebonden agrarisch bedrijf 3.1 / 30 m (stof / geluid) Circa 125 m Het bouwvlak van het tankstation met LPG ligt op een afstand van circa 15 meter van het plangebied. De richtafstand van 50 meter voor het aspect gevaar wordt dan ook niet gehaald. Voor deze functie geldt echter dat de daadwerkelijke afstand tussen het vulpunt van LPG (waarvoor de risico -afstand geldt) op circa 55 meter afstand ligt. Gezien het feit dat er op een kortere afstand van het plangebied (de woning met nummer 242) reeds een gevoelige woning ligt, is het niet mogelijk om het tankstation met LPG op een kortere afstand tot onderhavig plangebied te bouwen. De afstand van 55 meter blijft dan ook behouden, waarmee er sprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Ten aanzien van het agrarisch bedrijf geldt dat de richtafstand wordt gehaald.

Gezien de afstand van de nieuwe woningen tot de omliggende milieubelastende functies wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woningen wordt voldaan aan de richtafstanden en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden de in de omgeving voorkomende (agrarische) bedrijven niet belemmerd door de in dit plan besloten ontwikkeling dan wel van de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven 5.5.4 Conclusie milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6 Geur 5.6.2 Wet Geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:  ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en  ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, b uiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. 5.6.3 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen.

NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 38 Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.4 Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Steenwijkerland met bijbehorende Gebiedsvisie Op 3 april 2014 is de Verordening Geurhinder en Veehouderij van de gemeente Steenwi jkerland in werking getreden. Deze verordening is van toepassing voor het gehele grondgebied van de gemeente Steenwijkerland.

In artikel 2 van deze verordening is in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij een andere minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland bepaald (In afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig objec t in het gebied als genoemd in artikel 2 van deze verordening in het gebied (buitengebied) 25 meter). 5.6.5 Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied is één veehouderij gevestigd. Het gaat hier om:  Witte Paarden 26a – Grondgebonden agrarisch bedrijf; Ten aanzien van de Witte Paarden 26a wordt ruimschoots voldaan aan de afstand, bepaalt in de Verordening Geurhinder en Veehouderij, van 25 meter (zie ook 5.5.3.3). Daarnaast is geen sprake van (verdere) belemmering van de omliggende agrarische bedrijven, dit temeer omdat reeds bestaande woonfuncties van derden dichter bij de omliggende agrarische bedrij f zijn gelegen en hierdoor maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden. 5.6.6 Conclusie Er wordt voldaan aan het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij. 5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming.

Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds - en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Door Natuurbank Overijssel is een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor de locatie Steenwijkerweg 235. Hieronder worden de onderzoeksresultaten ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming weergeven, het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 39 5.7.1 Gebiedsbescherming 5.7.1.1 Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds - en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescher ming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van minimaal 4 kilometer. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd welke opgenomen is in bijlage 5. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000 - gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Gronden die tot het NNN behoren liggen minimaal op 400 meter afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het NNN ten opzichte van het plangebied Steenwijkerweg 235 weergegeven. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling kunnen negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden uitgesloten. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 40 Afbeelding 5.2 Ligging van Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 gebieden ten opzichte van het plangebied (Bron: Provincie Overijssel) 5.7.2 Soortenbescherming 5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Natuurbank Overijssel heeft ter plaatse van het plangebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen.

In bijlage 4 van deze toelichting is het volledige onderzoeksrapportage opgenomen. 5.7.2.2 Situatie plangebied De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel -, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar er zijn aanwijzingen gevonden dat vogels in het dakvlak nestelen en dat sommige grondgebonden zoogdiersoorten er mogelijk een rust - en/of voortplantingsplaats bezetten. Vleermuizen en amfibieën bezetten er een (winter)rust - of voortplantingsplaats. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats.

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Vleermuizen of amfibieën bezetten er geen (winter)rust- of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een r ust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen niet aangetast. Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Mits bezette vogelnesten beschermd worden en er geen beschermde diersoorten verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 41 leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, wordt niet aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde diersoorten verwond of gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. 5.7.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 42 5.8 Archeologie & Cultuurhistorie 5.8.1 Archeologie 5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.

Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Onderzoeksresultaten archeologie plangebied Conform het verwachtingsmodel is een ophoogpakket van circa 80 -90 cm dik aangetroffen. Hierin zijn baksteenfragmentjes/puin, sintels en hout gezien. Qua datering betreft het materiaal uit de 19 e en 20 eeuw, een en ander conform het verwachtingsmodel. Dekzand is nergens aangetroffen en er resteert nog een dun laagje keizand zonder podzolprofiel. Aangenomen kan worden dat eventuele resten van vroegere bewoning op het keizand nagenoeg zijn verdwenen. Voor het gehele archeologisch onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6. 5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet.

Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 5.8.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Atlas Overijssel, in het plangebied en directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3 Conclusie Op basis van bovenstaande onderzoeksresultaten zijn er vanuit archeologie en cultuurhistorie ten aanzien van de beoogde ontwikkeling in het plangebied geen belemmeringen. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 43 5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art.

2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het k an namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings - of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r..

is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoorde ling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2 Situatie plangebied Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. -beoordeling is opgenomen in Bijlage 7. 5.9.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet M.E.R.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 44 HOOFDSTUK 6 WATERPARAGRAAF 6.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden. 6.2 Beleid ten aanzien van de waterhuishouding 6.2.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden.

Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald . 6.2.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016 - 2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.2.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDO) Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden.

Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 45 resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016 -2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan.  Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.  Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan.

 Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. 6.2.5 Gemeentelijk watertakenplan (2016-2021) Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016 -2021. Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat Daar is goed onderhoud voor nodig.

Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang. Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijke plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijke (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijke projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt. 6.3 Watertoets 6.3.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 46 Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen explici et en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2 Watertoets Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDO) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde “normale procedure” van toepassing is. Dit houdt in dat de ontwikkeling door het waterschap nader getoetst is. Per email (3 juli 2019) is door het waterschap laten weten dat de “korte procedure” gehanteerd diende te worden omdat er een beperkte invloed is op de waterhuishouding. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is hieronder opgenomen. 6.3.2.1 Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied In het gemeentelijk rioleringsplan (Watertakenplan Fluvius 2016-2021, Specificatie Steenwijkerland) is opgenomen dat voor particulier terrein primair de eigenaar verantwoordelijk is voor de afvoer van het hemelwater.

In het voorliggend plan wordt het schone hemelwater dat valt ter plaatse van het plangebied in de bodem geïnfiltreerd. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemengde stelsel naar de rioolwaterzuivering. In het plangebied is geen sprake van oppervlaktewater. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voorliggend initiatief aansluit bij het gemeentelijk rioleringsplan. 6.3.2.2 Standaard waterparagraaf korte procedure In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op Steenwijkerweg 235. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte.

Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT -riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 47 bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Het gebruik van uitlogende materialen Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden materialen die uitlogen en het oppervlaktewatersysteem kunnen verontreinigen niet gebruikt. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 48 HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE OPZET 7.1 Inleiding In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het bewuste plangebied door voor de gronden een bestemming aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. 7.2 Uitgangspunten In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de ver gelijkbaarheid van bestemmingsplannen.

Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Voor alle plannen die vanaf 1 juli 2013 in procedure gaan, is de RO Standaarden 2012 verplicht. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in sa menhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels. De opzet en invulling van de regels worden hieronder nader toegelicht. 7.3 Toelichting op de planregels 7.3.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

• Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 49 7.3.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); • Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; • Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming. In paragraaf 8.4 wordt de bestemming nader toegelicht. 7.3.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

 Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel worden regels gesteld omtrent ondergronds bouwen.  Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. • Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.  Overige regels (Artikel 11) In dit artikel wordt aangegeven dat de wettelijke regelingen waar in de regels wordt naar verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment vaststelling van dit plan. 7.3.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd . 7.4 Verantwoording van de bestemmingen Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied.

Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. NL.IMRO.1708.WPASteenwweg235BP-ON01 “Witte Paarden - Herontwikkeling Steenwijkerweg 235” 50 Tuin (Artikel 3) De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor uitsluitend tuinen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Parkeren is hier uitgesloten. Verkeer (Artikel 4) De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, parkeervoorzieningen, paden, wegen en straten. Met daar aan ondergeschikt o.a. groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Wonen - Buitengebied (Artikel 5) Op basis van het bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Wonen – Buitengebied’ op deze gronden is wonen toegestaan. Aan de hand van aanduidingen is bepaald waar de woningen en bijgebouwen mogelijk zijn. De regels zijn overeenkomstig het gemeentelijk handboek gehanteerd. Variabelen die in de standaardregels waren opgenomen (hoogtes, dakhelling etc.) zijn ingevuld op basis van de toekomstige situatie. Op de standaard van de gemeente zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd. Zo is de dak graden aangepast van maximaal 60 graden naar maximaal 70 graden om het ontwerp van de woning te kunnen realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/6dc90104-44e7-46ce-9209-3852e6a7d9c1?agendaItemId=66bc0aa7-8f34-488d-be1e-86c00d5b4e64