CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Politieke Markt 14 april 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Aanvraag tijdelijke omgevingsvergunning - Het realiseren van een zonnepark nabij Wanneperveen20.313 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afweging Het plangebied ligt niet op gronden met ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water of binnen het NNN. Lid 4 is dan ook niet van toepassing. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Coalitieakkoord 2018-2022 ‘Door verbinding naar resultaat’ In het coalitieakkoord heeft de coalitie doelen opgenomen die zij in de periode 2018 -2022 wil verwezenlijken. Daarbij zijn 5 programma’s en 10 prio riteiten vastgesteld. Eén van de programma’s betreft duurzaamheid. Steenwijkerland heeft daarbij een visie/droom om een duurzame ontwikkeling van woon- leef en werkomgeving te mogelijk te maken voor huidige en toekomstige generaties. Het zet daarbij in op een energie-neutrale gemeente en wil een voorbeeld worden op het gebied van Pagina 35 van 75 duurzaamheid. Daarbij worden ambitie en daadkracht getoond. Grootschalige opwekking van energie wordt mogelijk gemaakt door heldere kaders. Uitgangspunt is dat de lasten en lusten eerlijk worden verdeeld. Draagvlak en inpassing in de omgeving wegen daarbij zwaar. Prioriteit 4 betreft het aanjagen van de opwekking van duurzame energie. Daarbij heeft de gemeente de volgende ambitie: Ons streven is een energieneutraal Steenwijkerland. Daarvoor is het nodig om lokaal meer duurzame energie op te wekken. De insteek is om de energietransitie vast te pakken.

De markt is gretig als het gaat om zonneparken, maar kaders ontbreken vanuit gemeentelijk beleid. We willen de kaders regelen volgens het principe: ‘ja, mits het ruimtelijk past en de lusten en lasten eerlijk verdeeld zijn’. Dit zal leiden tot een aantal resultaten waaronder vastgestelde kaders voor grootschalige energieopwekking met daarin een goede verdeelsleutel tussen lusten en last en, zoals draagvlak, landschappelijke inpassing en financiële baten. Het plan voor het zonnepark past binnen het streven in het coalitieakkoord om tot een energie - neutrale gemeente te komen. Het is één van meerdere toekomstige projecten die hier een bijd rage aan leveren. Door middel van overleg met diverse stakeholders en het aanpassen van het plan op wensen/behoeften is draagvlak voor het plan gecreëerd. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de doelstelling van het coalitieakkoord. 3.4.2 “Ruimte voor zonnepanelen op (Steenwijker)land” Op 21 mei 2019 heeft de raad het beleid m.b.t. zonneparken aangenomen. De gemeente Steenwijkerland wil met haar beleid haar bijdrage leveren naar een energieneutraal Steenwijkerland. Dit beleid past in het programma Duurzaam, onderdeel van het Coalitieakkoord 2018-2022, waarin is opgenomen dat particulieren en bedrijven in staat worden gesteld om lokaal meer energie op te wekken.

De gemeente realiseert zich dat om haar doelstellingen op het gebied van duurzaamheid te realiseren het noodzakelijk is om naast de al bestaande mogelijkheid tot realisatie van zonnepanelen op dak, ruimte te bieden aan zonnepanelen op land. Met het stellen van een maximum voor de eerste fase, zijnde 406 TJ (staat gelijk aan 125 Ha) kan een start worden gemaakt met het verduurzamen/opwekken van duurzame energie en kan gebruik worden gemaakt van de huidige kansen (SDE+ subsidie). Onderdeel van het beleid is dat de lasten en de lusten voor de omgeving eerlijk worden verdeeld. Afweging De gemeente Steenwijkerland hanteert bij de uitvoering van het beleid de zogenaamde zonneladder. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan voor het opwekken van zonne-energie. Het initiatief valt hierbij in trede 3. Hieronder wordt een motivering gegeven voor het toepassen van de zonnelader. Trede 1: bestaand bebouwd gebied op daken dan wel in de groene omgeving op bestaande bouwvlakken Pagina 36 van 75 Niet alle daken zijn geschikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Voor de daken die wél geschikt zijn, zijn verschillende stimuleringsregelingen in het leven geroepen om eigenaren van panden te bewegen zonnepanelen te plaatsen op daken. • In de gemeente Steenwijkerland kan aanspraak worden gemaakt op het BNG Duurzaamheidsfonds.

Dit fonds verstrekt leningen aan ondernemers die een bijdrage aan onder andere de verduurzaming van het milieu (plaatsen van zonnepanelen). • Landelijk en dus ook in Steenwijkerland is de Energiebespaarlening van het Nationaal Energiebespaarfonds beschikbaar. Met deze lening kunnen energiebesparende maatregelen gefinancierd worden. Voor huishoudens die niet zelf over de financiële middelen beschikken om zonnepanelen te plaatsen, biedt deze lening uitkomst. • De gemeente Steenwijkerland biedt maatschappelijke organisaties de mogelijkheid een duurzaamheidslening af te sluiten voor duurzame projecten op het gebied van energiebesparing en/of opwekking van duurzame energie door middel van bijvoorbeeld zonnepanelen. • De provincie Overijssel biedt tevens een (zakelijke) stimuleringsregeling (geldlening) die gebruikt kan worden om een pand te verduurzamen. • PowerField zal, bij aanvang van de bouw van het zonnepark, ee n gezamenlijke inkoopactie opzetten om huishoudens e n bedrijven over de streep te trekken ook zonnepanelen te plaatsen. Door de schaalgrootte van het zonnepark heeft PowerField inkoopvoordeel bij het inkopen van zonnepanelen. Hierdoor kunnen ook derden uit de omgeving tegen een voordelig tarief zonnepanelen inkopen.

Ondanks dit scala aan mogelijkheden om te stimuleren dat zoveel mogelijk daken worden vol gelegd met zonnepanelen, is dit niet afdwingbaar door de gemeente of initiatiefnemer. In de praktijk wordt zeker een toename van zonnepanelen op daken gezien, maar zullen de landelijke en regionale doelen met betrekking tot CO² reductie en opwekking van duurzame energie niet worden gehaald door enkel in te zetten op trede 1 van de zonneladder. Overigens wordt het dakoppervlak van de bestaande agrarische ops tallen belegd met zonnepanelen. Daarnaast maakt een kortingsactie op zonnepanelen deel uit van het aanbod aan financiële participatie. Met dit aanbod hoopt PowerField meer huiseigenaren over de streep te trekken zonnepanelen te plaatsen op hun eigen dak. O p deze wijze hoopt PowerField meer huiseigenaren te enthousiasmeren om zonnepanelen op hun eigen dak te plaatsen. Trede 2: in bestaand bebouwd gebied op bedrijventerreinen en braakliggende gronden Binnen de gemeente Steenwijkerland zijn er woonwerk -kavels en woonkavels te koop in Ossenzijl, Oldemarkt, Willemsoord, Steenwijk, Scheerwolde, Giethoorn Noord, Blokzijl, Vollenhove, Sint Jansklooster en Heetveld. Deze kavels zijn bedoeld voor het bouwen van een woning of bedrijfspand. De gehanteerde grondprijzen maken een financieel haalbare business-case niet mogelijk.

Daarnaast is de vraag naar deze kavels de afgelopen jaren toegenomen waardoor deze kavels benut zullen worden voor het eigenlijke doel, niet zijnde het plaatsen van zonnepanelen t.b.v. het opwekken van duurzame energie. Pagina 37 van 75 Binnen de gemeente Steenwijkerland zijn meerdere bedrijventerreinen gelegen. Een groot gedeelte van deze bedrijventerreinen is reeds volledig benut. Het plaatsen van een zonnepark is hier praktisch niet mogelijk. Binnen een aantal bedrijventerreinen zijn niet alle kavels benut. Ook voor deze terreinen geldt echter dat de gehanteerde grondprijzen een financieel haalbare business -case niet mogelijk maken. Daarnaast is de vraag naar deze kavels de afgelopen jaren toegenomen waardoor deze kavels benut zullen worden voor het eigenlijke doel, niet zijnde het plaatsen van zonnepanelen t.b.v. het opwekken van duurzame energie. Trede 3: aanvullend in de groene omgeving, niet zijnde natuur. Omdat de opgave van 125 hectare niet enkel binnen trede 1 en 2 kunnen worden gerealiseer d, kan worden gekeken naar trede drie. Voor deze trede zijn nadere regels opgenomen in het beleid , die hieronder worden toegelicht.

De inpasbaarheid van zonnevelden op land Bij de beoordeling van initiatieven voor zonnevelden (opstellingen van zonnepanelen op land (en de eventuele watervlakken hierbinnen)) maken we onderscheid in de WAAR - en de HOE -vraag: WAAR het past en HOE het uitgevoerd kan worden. WAAR het past Voor het beantwoorden van de WA AR-vraag maken we gebruik van de kaart ‘Ruimte voor zonnepanelen op (Steenwijker)land’. Zie hiervoor kaart 1 en bijbehorende legenda in onderstaande figuur. Figuur 14: Weergave beleid zonneparken

Pagina 38 van 75 Strekking van het beleid: In dit gebied is ruimte voor opstellingen van zonnepanelen op land, mits de mogelijkheden om dakvlak(ken) of ruimte binnen bouwvlak(ken) te benutten voor zonnepanelen worden meegenomen; daarbij worden ook de mogelijkheden om werk met werk te maken onderzocht (denk bijvoorbeeld aan asbest eraf, zon er op). Toelichting (waarom?): • We willen zuinig en zorgvuldig omgaan met het agrarisch gebied. • De Groene Omgeving is ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaa t voor wonen en werken en voor de regionale economie (denk aan toerisme – werkgelegenheid). Het zonnepark is gelegen binnen gebied 5, overig gebied, zie onderstaande figuur. Hierbinnen zijn zonneparken toegestaan. Op het dak van het aanwezige agrarische bedrijf zullen ook zonnepanelen worden geplaatst. Met dit initiatief wordt dus voldaan aan de eis om naast het plaatsen van zonnepanelen op gronden, in dat geval ook de beschikbare ruimte binnen het bouwvlak (dakvlak) zo optimaal mogelijk te benutten. Figuur 15: Het plangebied is gelegen in gebied 5, overig gebied HOE het uitgevoerd kan worden De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij de vraag HOE een initiatief ingepast kan worden.

Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een gebied of landschapstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of landschapstype. Bij het opstellen van het inrichtingsplan is gekeken naar de gebiedskenmerken. T evens is het inrichtingsplan opgesteld met de input van de provincie, het waterschap en andere belanghebbenden. Er zijn diverse maatregelen genomen om de impact op het landschap en ecologie te beperken. Er wordt

Pagina 39 van 75 permanente en tijdelijke natuur aangelegd om het zonnepark landschappelijk in te passen en natuurwaarden te verbeteren. Lokale lasten en lusten in balans door een lokale afdracht De gemeente Steenwijkerland vindt het belangrijk dat een deel van de baten, vanwege de maatschappelijke impact, voor het gebied beschikbaar komt. Hierbij wordt een afdracht gevraagd. De berekening van deze afdracht is als volgt: Nominaal DC Vermogen van de installatie (in Megawattpiek) x max. € 1.000, - per jaar (gedurende de periode van 15 jaar). Het nominaal DC Vermogen van de installatie wordt berekend door het aantal panelen te vermenigvuldigen met het nominaal vermogen in Wp per paneel. 100% van de afdracht dient met het omliggende ge bied (zeg maar de belanghebbenden rondom het initiatief) worden ingezet met als doel zo breed mogelijk draagvlak verkrijgen voor het plan. Een calculatie met een bijbehorend plan waaruit blijkt hoe deze middelen lokaal worden ingezet dient onderdeel te zijn van de vergunningaanvraag. PowerField zal omwonenden op de volgende wijzen laten meeprofiteren van de realisatie: 1. Dorpszonnepark 2. Zonnepanelen tegen inkoopprijs Ad. 1 Dorpszonnepark PowerField wil zich inzetten om de baten voor de gehele duur van de ver gunning, 25 jaar, ten goede laten komen van de lokale gemeenschap.

Dit is dus langer dan de 15 jaar zoals opgenomen in het gemeentelijk beleid. PowerField wil daarom een gedeelte van het zonnepark als dorpszonnepark turnkey opleveren aan de lokale gemeenschap en waarvan de revenuen ten goede komen aan de inwoners van Wanneperveen om de directe omgeving van het plangebied. De grootte van het zonnepark zal gelijk overeenkomen met het gemiddelde huidige elektriciteitsverbruik van de permanent in Wanneperveen woonachtig zijnde huishoudens (dus bijvoorbeeld geen vakantiewoningen). Alle huishoudens die permanent woonachtig zijn binnen postcodegebied 7946 en aan de Zomerdijk op het bedrijventerrein van Meppel, zullen eigenaar worden van dit zonnepar k. Binnen postcodegebied 7946 zijn 765 huishoudens woonachtig (bron www.cbs.nl), zie onderstaande figuur. Figuur 16 Aantal huishoudens in Wanneperveen (bron CBS.nl)

Pagina 40 van 75 In totaal betekent dit dat circa 775 huishoudens eigenaar zullen worden van het zonnepark. Vervolgens zijn er twee keuzes: • Gebruik maken van de SDE++ regeling. • Gebruik maken van de Regeling Verlaagd Tarief (voorheen postcoderoosregeling). In overleg met een te kiezen bestuur van het zonnepark zal worden bekeken voor welke van de twee mogelijkheden wordt gekozen. Uitgangspunt is het gebruik maken van de SDE++ regeling. Samen met de aandeelhouders kan jaarlijks worden besloten waaraan opbrengsten van het zonnepark worden besteed: geheel ten goede aan de individuele huishoudens of ook een gedeelte aan algemene maatschappelijke zaken. PowerField stelt voor om het gedeelte van de afdracht als eigen vermogen te investeren in het dorpszonnepark. Het voordeel van deze opzet is dat geen enkele inwoner van Wanneperveen daadwerkelijk hoeft te investeren in het zonnepark. De revenuen komen echter wel bij de lokale gemeenschap terecht. En dat voor 25 jaar. Daarnaast wordt de afdracht niet in 15 opvolgende jaren gedaan, maar wordt dit naar voren in de tijd gehaald waardoor vanaf de start van de exploitatie de opbrengsten ten goede komen van de gemeenschap. Financieel gezien is dit voor de lokale gemeenschap interessanter dan wann eer dit wordt uitgesmeerd over 15 jaar.

De algehele ontwikkeling en realisatie van het zonnepark neemt PowerField kosteloos voor haar rekening. Dit betreft de planontwikkeling (vergunningen, inrichtingsplan, onderzoeken), het verzorgen van de subsidieaan vraag en ten slotte bouw van het zonnepark. Na oplevering zal het zonnepark turnkey worden overgedragen. Ad. 2 Zonnepanelen tegen inkoopprijs Het dorpszonnepark betreft een initiatief waarbij de revenuen maximaal terecht komen bij de lokale bevolking. Het is gebaseerd op de afdracht zoals vastgelegd in het beleid van de gemeente. Boven op de verplichte afdracht zal PowerField een extra actie opstarten: zonnepanelen tegen inkoopprijs. Op het moment van de bouw van het zonnepark, zal een groot aantal zo nnepanelen benodigd zijn. Door deze schaalgrootte is het mogelijk zonnepanelen tegen scherp tarief in te kopen. PowerField wil omwonenden van het zonnepark en inwoners van het dorp Wanneperveen mee laten liften op dit inkoopvoordeel. Omdat PowerField ook de lokale werkgelegenheid wil stimuleren zal de installatie van de zonnepanelen zelf zoveel mogelijk worden gedaan met lokale installateurs. Pagina 41 van 75 Figuur 17 Gebied Wanneperveen dat in aanmerking komt voor de inkoopactie Figuur 18 Gebied van Meppel dat in aanmerking komt voor de inkoopactie

Pagina 42 van 75 4. Omgevingsaspecten 4.1 Archeologie Wettelijk kader Voor ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. De Monumentenwet en haar opvolger, de Erfgoedwet, regelen hoe met archeologische vindplaatsen en zichtbare monumenten moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken. De Erfgoed wet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Afweging In de Beheersveror dening Buitengebied Steenwijkerland 2014 is voor een gedeelte van het projectgebied de bestemming Archeologie 2 opgenomen. Binnen deze bestemming dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd bij: • Bouwwerken groter dan 2.500 m² • Werkzaamheden die dieper gaan dan 50cm beneden maaiveld en een grotere oppervlakte dan 2.500 m² beslaan.

Voor de bouw van het zonnepark zelf zijn geen grootschalige bodemingrepen aan de orde; de zonnepanelen worden op stellages (palen) gerealiseerd. Daarnaast worden enkele bouwwerken zoals omvormers, een opslagcontainer en een onderstation geplaatst , maar deze worden niet binnen de bestemming archeologie 2 geplaatst. Ook worden op geringe diepte enkele sleuven gegraven voor het in de grond leggen van de kabels. Langs de Nieuwendijk wordt een natuurvriendelijke oever gegraven maar deze oppervlakte hiervan overschrijdt de 2.500 m² niet. Vanwege de geringe bodemingrepen is een archeologisch onderzoek dan ook niet aan de orde voor deze locatie. Figuur 19 Archeologische verwachtingswaarde

Pagina 43 van 75 4.2 Bodem Wettelijk kader Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het projectgebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moe t zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het projectgebied voor de voorgenomen functie. Afweging Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Daarnaast zijn bij de aanleg geen grootschalige bodemingrepen aan de orde. Er wordt geen grond van het terrein afgevoerd en er wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Ter plaatse van het projectgebied is op grond van het informatie van de provincie ( https://overijssel.omgevingsrapportage.nl) geen sprake van historisch bekende activiteiten, onderzoeken en/of saneringen. Ge let op het huidige agrarische gebruik worden ook geen ernstige verontreinigingen verwacht. Het milieuaspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. Figuur 20 Omgevingsrapportage plangebied

Pagina 44 van 75 4.3 Cultuurhistorie Wettelijk kader Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Afweging Het gebied heeft geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Ten behoeve van het project is een inpassingsplan opgesteld waarmee het zonnepark op landschappelijk wordt ingepast. Omdat met dit inpassingsplan wordt gezorgd voor een goede inpassing van het project in het gebied en er in projectgebied en de omgeving daarvan geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn, vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het onderhavige projectvoornemen. 4.4 Ecologie Wettelijk kader Voor het projectgebied is de volgende wet - en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betr eft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.

In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000 -gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000- gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor provincie Overijssel uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening. Afweging: Om te onderzoeken of het zonnepark negatieve gevolgen heeft in het kader van de Wet Natuurbescherming, is een natuurtoets uitgevoerd (opgenomen in bijlage 3 A). Hieronder wordt volstaan met de conclusies. Pagina 45 van 75 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 -gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij het Natura 2000-gebied De Wieden, kan een negatief effect niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. het programma Aerius Calculator, omdat de uitkomst van dit programma houdbaar is in een juridische procedure (in paragraaf Luchtkwaliteit zijn de uitkomsten van het AERIUS-berekening opgenomen). Soortenbescherming Het plangebied vormt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdier-, amfibieën-, vleermuis -, vis - en vogelsoorten. Deze soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er jaarlijks vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust - en voortplantingsplaats, planten beschermde vissen zich voort en bezetten amfibieën er een (winter)rust- en voortplantingsplaats. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor b eschermde ongewervelden en reptielen. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied omdat potentieel geschikte verblijfplaatsen ontbreken.

In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. W erkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden of er dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed. Voor de am fibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste rustplaats in het plangebied bezetten of die mogelijk gedood worden als gevolg van de voorgenomen activiteiten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen va n vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor de (mogelijk) in het plangebied voorkomende beschermde vissen. Echter, door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden beschermde vissen niet negatief beïnvloed. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied voorkomende vogel-, en grondgebonden zoogdiersoorten, leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie Pagina 46 van 75 Het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerd agrarisch cultuurland (grasland) en voor een klein deel uit open water met oever en een houtsingel met onder begroeiing van brandnetel en andere ruigte. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd, maar wel als potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten beschouwd. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten 1 geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. Mits bezette vogelnesten niet beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming.

Er hoeft gee n nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet - en regelgeving voor beschermde soorten. Een negatief effect op het Natura 2000 -gebied De Wieden, kan op basis van deze Quickscan natuurwaardenonderzoek, niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren. Op basis van de uitkomst van dat onderzoek kunnen de wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming vastgesteld worden. Toetsing effect op Natura 2000-gebied De Wieden Om te onderzoeken of er effecten zijn op het Natura 2000 -gebied De Wieden is een toetsing uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 3B. Hieronder wordt volstaan met de conclusies. Conclusie De voorgenomen realisatie van een zonnepark o p een agrarisch perceel in Wanneperveen leidt niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000 -gebied De Wieden of voor andere nabijgelegen Natura 2000 -gebieden. Tijdens de aanlegfase kan tijdelijk enige verstoring optreden, maar omdat werk zaamheden voornamelijk handmatig en met een beperkte inzet van materieel worden uitgevoerd zal van een significante verstoring van kwalificerende vogelsoorten geen sprake zijn.

Er is geen sprake van hydrologische effecten (verdroging) of van stikstofeffect en op daarvoor gevoelige kwalificerende habitats of leefgebieden van kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000 - gebieden. Het zonnepark wordt gerealiseerd op een agrarisch perceel, dat geschikt foerageergebied bevat voor enkele kwalificerende vogels oorten van het Natura 2000 -gebied De Wieden. Geconcludeerd wordt dat een zeer beperkt verlies aan potentieel foerageergebied er op Pagina 47 van 75 zichzelf niet aan in de weg staat dat de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten (grauwe gans, kolgans en kleine zwaa n) gehaald kunnen worden. De draagkracht van omliggend kernfoerageergebied in de polders Giethoorn, Mastenbroek, Blankenham en de Barsbekerbinnenpolder wordt niet aangetast en hier blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig om de instandhoudingsdoe lstellingen te kunnen halen. Dat de doelaantallen zoals opgenomen in de instandhoudingsdoelstellingen momenteel voor kolgans en kleine zwaan niet worden gehaald heeft volgens het Natura 2000 - beheerplan voor De Wieden andere niet -gebiedsgerichte oorzaken. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan met zekerheid niet leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000 -gebieden.

Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is daarom ook niet noodzakelijk In paragraaf 4.9 wordt ingegaan op het aspect luchtkwaliteit en worden tevens de uitkomsten van de Aerius-berekening toegelicht. 4.5 Elektromagnetische straling Wettelijk kader Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (μT). De GGD-en adviseren om ook bi j ander bronnen van ELF -EM velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Afweging Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 ìT komt. Gezien de relatief grote afstand (ruim 100 meter) van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde burgerwoningen gebeurt dat hier niet. 4.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen.

Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Pagina 48 van 75 Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geef t de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergev en met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Afweging Het voorgenomen plan ligt niet in het invloedsgebied van een risicobedrijf. Daarnaast is het zonnepark zelf geen voor externe veiligheid relevante inrichting. Toetsing aan het BEVI is daarom niet noodzakelijk. Ten zuiden van het zonnepark ligt op ongeveer 90 meter de Zomerdijk N375. Dit is een door de gemeente vastgestelde route waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. Het toetsingskader voor de daaruit voortvloeiende risico’s betreft het Besluit externe veiligheid transportroutes. Dit besluit bepaalt dat binnen een zone van 200 meter vanaf de weg het 10-6 plaatsgebonden risicoco9ntour (PR) en groepsrisico (GR) wordt onderzocht bij ruimtelijke planvorming.

Omdat binnen het zonnepark geen mensen verblijven is een verdere toetsing aan de wet- en regelgeving voor externe veiligheid voor de transportroute niet zinvol. Aan de zuidzijde van het zonnepark ligt een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie met nummer N- 500-09 (zie onderstaande figuur). Het betreft een leiding met een diameter van 7 inch en een druk van 40 bar. Voor een dergelijke leiding geldt een inv loedsgebied van 75 meter. Ter hoogte van het zonnepark ligt langs de leiding echter geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6). Omdat de ontwikkeling binnen het invloedsgebied is gelegen moet op grond van artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buis leidingen het groepsrisico worden verantwoord. Zoals hierboven al is aangegeven verblijven geen mensen binnen het zonnepark, waardoor verdere toetsing van de risico’s niet zinvol is. Pagina 49 van 75 Figuur 21 Uitsnede risicokaart met het projectgebied en ten zuiden er van de gasleiding (bron: risicokaart.nl). Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het zonnepark. 4.7 Geluid Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones. In geval van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing binnen deze zones moet akoestisch onderzoek plaatsvinden. Een zonnepark is geen geluidgevoelig object.

Akoestisch onderzoek is in dit kader (Wgh) dan ook niet noodzakelijk. Een zonnepark wordt aangemerkt als een inrichting in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Er moet worden voldaan aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter plaatse wordt een onderstation (transformatorstation) gerealiseerd. Voor de geluidhinder die geproduceerd wordt door deze transformatorstations wordt gebruik gemaakt van de uitgave “bedrijven en milieuzonering” van de VNG. Omdat in de Staat van Inrichtingen/Activiteitenlijst geen omschrijving van een zonnepa rk voorkomt, kan aansluiting gezocht worden bij de omschrijving van elektriciteitsbedrijven, waar immers ook transformatoren en omvormers aanwezig zijn. Afweging Voor de omvormers is de vergelijking gemaakt met de activiteit “elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA” die wel genoemd is in de VNG publicatie. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 m eter opgenomen (dit is tevens de grootste afstand voor deze activiteit in deze tabel). De kleinste afstand tussen een woning en omvormer zal meer dan 200 meter zijn en valt daarmee ruim buiten de richtafstand van 30 meter. Voor het transformator- en verdeelstation (onderstation) wordt de activiteit “elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA” aangehouden.

De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 50 m.

Pagina 50 van 75 Het zonnepark wordt incidenteel bezocht ten behoeve van beheer en onderhoud. Op voorhand kan derhalve worden geconstateerd dat deze inrichting geen relevante geluidsbelasting veroorzaakt. Ook is het zonnepark geen geluidgevoelig object. Een geluidsonderzoek is derhalve niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het zonnepark. Er moet worden voldaan aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Akoestisch onderzoek is in dit kader dan ook niet noodzakelijk. 4.8 Ladder duurzame verstedelijking Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aa n de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening.

Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen besc hikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Afweging 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald do or de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Het projectvoornemen bestaat uit het realiseren van een zonnepark van ongeveer 46,9 hectare. Hiervan wordt een aantal hectare gebruikt voor de landschappelijk inpassing en de rest van het gebied voor het zonnepark. Gelet op de omvang van het zonnepark is het project aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Pagina 51 van 75 2.

Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het projectgebied is onderdeel van het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Volgens het geldende planologische regime geldt een agrarische bestemming. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan wordt met het onderhavig project een andere functie mogelijk gemaakt. Er is aldus sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor duurzame energie overstijgt dit het scha alniveau van de gemeentegrens en gaat het om doelstellingen op provinciaal en rijksniveau. 4.

Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? De gemeente Steenwijkerland heeft in de concept RES West Overijssel - Naar een opgewekt West Overijssel - het doel gesteld in 2030 jaarlijks 171 GWH duurzaam op te wekken. Windenergie maakt hier geen onderdeel van uit waardoor de energie opgewekt zal worden met zonne-energie. De gemeente heeft de verwachting dat in totaal 59 GWh opgewekt kan worden door middel van zonne- energie op daken. Om de doelstelling van 171 GWh te halen, zal 113 GWh per jaar opgewekt worden door middel van zonneparken. Dit komt overeen met ongeveer 125 hectare zonneparken. Pagina 52 van 75 Figuur 22 Doelstellingen 2030 concept RES West Overijssel per gemeente Zoals hiervoor al staat vermeld, moet de behoefte aan de nieuwe ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, worden beschreven. Om aan de duurzaamheidsdoelstellingen te kunnen v oldoen zullen zonneparken in Steenwijkerland noodzakelijk zijn. Dit zonnepark draagt daar aan bij. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In artikel 1.1.1, onder h, van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd.

Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. De gronden waar het zonnepark is geprojecteerd hebben op grond van het bestemmingsplan een agrarische bestemming en kunnen ook als zodanig worden gebruikt. De gronden in de omgeving zijn in hoofdzaak ook agrarisch in gebruik. Uit jurisprudentie volgt dat de ligging, het gebruik en de bestemming van het perceel, getoetst aan de definitie uit het Bro, maken dat het perceel in het kader van de Ladder niet kan worden beschouwd als bestaand stedelijk gebied. Het stedelijk gebied in de omgeving (binnen de provinciegrenzen) bestaat uit kleinschalige dorpskernen. De mogelijkheden om binnen die dorpen in de behoefte aan grootschalige zonneparken te voorzien door benutting v an beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, zijn niet aanwezig. Een zonnepark van deze omvang levert schaalvoordelen waardoor kosten per MWp dalen. Dit geeft de mogelijkheid om met minder SDE++ het zonnepark te bouwen wat de haalbaarheid vergroot.

Inzetten op grootschaligheid geeft meer ruimte om iets terug te doen voor de omgeving. Grootschaligheid biedt

Pagina 53 van 75 kansen op het gebied van innovatie . Voor het zonnepark op de beoogde locatie wordt een inpassingsplan opgesteld waarmee een verantwoorde landschappelijke inpassing wordt geborgd. Verder kan het perceel na beëindiging van het zonnepark weer in oorspronkelijke staat worden teruggebracht en agrarisch worden gebruikt. De aanleg van het zonnepark buiten bestaand stedelijk gebied is in dit geval dan ook te verantwoord. Conclusie Uit het bovenstaande is gebleken dat de voorgestane ontwikkeling voldoet aan de vijf voorwaarden die in het kader van toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking relevant zijn. Het initiatief is dan ook in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Mocht op basis van de jurisprudentie (ECLI:NL: RVS:2016:709.) alsnog blijken dat de toetsing aan de Ladder niet nodig zou zijn, dan is uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening alsnog het boven verrichtte onderzoek noodzakelijk, dan wel wenselijk. 4.9 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwali teit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB -nibm. In de AMvB- nibm is vastgelegd dat een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Afweging Het project betreft de realisatie van een zonnepark. Tijdens de aanleg zal er tijdelijk sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de exploitatiefase ligt het aantal verkeersbewegingen onder dat van het huidige agrarische gebruik. Tenslotte zal er tijdens de ontmantelingsfase opnieuw een tijdelijke verhoging zijn.

Tijdens alle dri e de fasen is het aantal verkeersbewegingen dermate gering dat het project niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit met 3% en kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Pagina 54 van 75 In relatie tot luchtkwaliteit is tevens een uitspraak gedaan door Raad van State inzake stikstofdepositie de PAS. Middels een AERIUS -berekening is bekeken of er gevolgen zijn voor de omliggende Natura2000-gebieden. Dit bl ijkt het geval te zijn in het geval conventionele dieselm otoren worden gebruikt. Deze zijn echter niet per se noodzakelijk; steeds meer apparatuur zoals graafmachines, minikranen en bobcats zijn elektrisch aangedreven. Voor het project is een AERIUS -berekening uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 4. Het resultaat van de berekeningen luidt: er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, nodig voor het gebruik van het zonnepark, in de “worst-case”-benadering geen nadelig effecten hebben op de instandhoudings-doelstellingen van de omliggende beschermde Natura-2000 gebieden. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten vormt daarmee geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan. In onderhavig project wordt zowel duurz ame energie en natuur gerealiseerd.

Bovendien zal het zonnepark tijdens de exploitatiefase géén stikstof uitstoten. Bekeken over de gehele periode zal de stikstofdepositie van het zonnepark vele malen lager zijn dan bij het huidige agrarische gebruik. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het milieuaspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit projectvoornemen. 4.10 M.e.r.-(beoordelings)plicht Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) zijn in de bijlage onderdeel C en D activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een mil ieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Onderdeel D betreft een lijst met daarin opgenomen activiteiten die m.e.r. - beoordelingsplichtig zijn. De gehanteerde drempelwaarden op de D -lijst vormen echter geen uitsluitingsdrempel. Op 1 april 2011 is het B esluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage'. De drempelwaarden zijn als het ware indicatief.

Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehoren de drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG -richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r. - (beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r. -beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r. - Pagina 55 van 75 beoordeling moet geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Afweging Op grond van onderdeel D, onder 9, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zouden landinrichtingsprojecten formeel m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, indien de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw. Het project maakt een functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. Voor landinrichtingsprojecten (D9) geldt een grenswaarde van 125 hectare.

Het project blijft met een bruto omvang van in totaal 43,6 hectare onder de drempelwaarde, zoals die is opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het plan is dan ook formeel niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Al een aantal jaren speelt de vraag of een zonnepark al dan niet moet worden begrepen onder de activiteitencategorie in het Besluit m.e.r. die onder de m.e.r. (beoordelings)plicht valt. In ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770, oordeelt de Afdeling over een met toepassing van de kruimelgevallenregeling verstrekte omgevingsvergunning voor het zonnepark Rouveen. D at park behelst ongeveer 22.500 zonnepanelen en enkele trafostations. De Afdeling vond dat een zonnepark geen landinrichtingsproject (op grond van D9), geen stedelijk ontwikkelingsproject (op grond van D11.2) en evenmin een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (op grond van D22.1). De motivering van de afdeling was hierbij als volgt: • De voorgestelde tijdelijke functiewijziging heeft onvoldoende substantieel karakter om aangemerkt te kunnen worden als een l andinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit mer. • Bij een stadsproject wordt gedacht aan een verstening of urbanisering van het gebied. Het realiseren van het onderhavige zonnepark kan niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen.

• Een zonnepark is geen thermische (verbrandings)installatie. In een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de oprichting van het hier voorgenomen zonnepark niet m.e.r.- beoordelingsplichtig is en geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling nodig is. Daarmee zijn het onderzoek en de werkzaamheden behorend bij het opst ellen van de aanmeldnotitie zijnde de vormvrije m.e.r. - beoordeling voor deze uitbreiding van het zonnepark overbodig geworden. Los van de vraag of een (vormvrije of formele) m.e.r. -beoordeling nodig is, is het in het kader van de besluitvorming (is er spr ake van een goede ruimtelijke ordening) noodzakelijk om een aantal onderzoeken uit te voeren waarbij ook de milieuaspecten vroegtijdig en volwaardig in de besluitvorming wordt ingebracht. De invloed van het project op het milieu heeft een volwaardige plek gekregen bij alle hierboven behandelde omgevingsaspecten. Bij ieder omgevingsaspect is onderzocht wat de invloed is op het milieu. De aanleg van het zonnepark is niet onomkeerbaar en van een relatief geringe omvang.

In bijlage 5 staat voor de volledigheid ter toelichting een beschrijving van Pagina 56 van 75 de kenmerken, plaats en kenmerken van het potentiële effect van het project (dit betreft geen aanmeldingsnotitie). 4.11 Milieuzonering Wettelijk kader Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, moet met deze aspecten rekening worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan men beoordelen me t behulp van de methodiek van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschil lende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse typen bedrijven en een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben uitdrukkelijk niet het karakter van een norm of een richtlijn. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen.

Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: • binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; • concrete milieu -informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; • de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij a ndere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; • afdoende milieu hygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. Afweging In het projectgebied is sprake van e en agrarische functie. Het project maakt geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk die een grotere bescherming dan ten opzichte van die functie noodzakelijk maken. Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG -brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor d e enigszins vergelijkbare functie 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorbedrijven' geldt voor bedrijven tot 200 MVA een grootste richtafstand van 100 m, voor het aspect geluid. De afstand van de grens van het zonnepark tot de gevels van de dichtstbijzijnde woningen bedraagt meer dan 100 m. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het project. 4.12 Verkeer en lichtreflectie Parkeren Het zonnepark wordt ontsloten via de Kooiweg en Zomerdijk.

Na opening wordt het park incidenteel bezocht in het kader van beheer en onderhoud en er is daarom geen spraken van een Pagina 57 van 75 verkeersaantrekkende werking . Het uitgangspunt is dat een ontwikkeling voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Dit is mogelijk op de interne onderhoudspaden. Reflectie Van lichtreflectie is geen sprake. De panelen worden maximaal 1,8 meter hoog (boven maaiveld) en worden geplaatst onder een hoek van +/- 15°. De panelen worden aan het zicht onttrokken door de landschappelijke inpassing. Hierdoor zal er geen reflecti e zijn naar de omgeving van het park. Daarnaast geldt dat op 21 juni de zon op zijn hoogst staat en dan een instralingshoek heeft van 61,2°. Voor reflectie geldt voor gladde oppervlaktes, zoals zonnepanelen, dat de hoek van inval gelijk is aan de hoek van uitval. Omdat de panelen op het zuiden zijn gericht en de zon nooit vanuit het noorden zal invallen zal de reflectie nooit naar beneden zijn gericht. Het volgende voorbeeld (met een hellingshoek van 15°) illustreert dit; de hoek van inval op het paneel is 61,2° – 15° = 46,2° ten opzichte van het zonnepaneel. De hoek van uitval is dan ook 46,2° ten opzichte van het zonnepaneel. Hieruit blijkt dat de reflectie omhoog is gericht.

Figuur 23 Illustratie lichtreflectie Daarnaast wordt het zonnepark landschappelijk ingepast door middel van groenstroken en natuurvriendelijke oevers die schittering voorkomen. 4.13 Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets verplicht bij gemeentelijke bestemmingsplannen en projectbesluiten. De watertoets is een procesinstrument, waarbij het waterschap en de initiatiefnemer (gemeente) onderlinge afstemming zoeken. 4.13.1 Watertoetsproces Het Waterschap Drents Overijsselse De lta is geïnformeerd over het plan met het invullen van de digitale watertoets. Het watertoetsresultaat betreft de ‘normale procedure'. Om die reden is het plan informeel afgestemd met het waterschap. Het waterschap heeft daarnaast een uitgangspuntennotitie toegestuurd, waarbij de uitgangspunten voor het plan op inrichtingsniveau dienen te worden verwerkt in het inrichtingsplan en ruimtelijke onderbouwing.

Pagina 58 van 75 Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Meppelerdiep. Rond en in het plangebied liggen A WATERGANGEN en B WATERGANGEN die in het beheer van het waterschap zijn. Bij uw initiatief is sprake van ontwikkeling in twee peilgebieden. VH25 heeft een maximumpeil van NAP -1,3m, VH24 heeft een maximumpeil van NAP -1,5m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. Figuur 24 Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rondom het plangebied • De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP – 0,4m. • De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit veengronden. • De maximale grondwaterstand ligt op 20cm (GHG) onder het maaiveld. • Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nab ij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta). Onderstaand heeft het waterschap uitgangspunten opgenomen voor het plan op inrichtingsniveau. Per maatregel is beschreven op welke wijze hieraan invulling is gegeven. Donkerblauwe ononderbroken lijn: A watergang Lichtblauwe stippellijn: B watergang Rode dunne lijn: peilvak scheiding tussen VH25 en VH24 Bruine lijn ten westen van plangebied: overige kering

Pagina 59 van 75 Watersysteem Aan- en afvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water. • Watergangen: Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire A -watergang en/of secundaire B-watergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods - en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. o Primaire A-watergangen (>25 L/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): watergangen waar het waterschap verantwoordelijk is voor de inrichting en het onderhoud. o Secundaire B-watergangen (>10 L/s afvoer en <25 L/s gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): waterschap is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer, maar de grondgebruikers zijn verantwoordelijk voor het onderhoud (eigenaar is onderhoudsplichtig). In de B -watergangen is een bepaalde vorm van toezicht door het waterschap mogelijk (schouw). • C-watergangen: hier zijn de grondgebruikers verantwoordelijk voor de inrichting en ze doen zelf het onderhoud.

Er geldt geen onderhoudsverplichting en het waterschap houdt geen toez icht of onderhoud goed wordt uitgevoerd. Wijzigingen aan het watersysteem • Dempen of graven wateren: Voor het dempen, verleggen of graven van wateren (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Voor het dempen van watergangen (of greppels dieper dan 40 cm) dient gecompenseerd te worden. Vooroverleg voor het aanvragen van een vergunning wordt geadviseerd. Het waterschap neemt nieuwe primaire A -watergangen in beheer en onderhoud, nadat is vastgesteld of deze nieuwe watergangen voldoen aan de daarvoor geldende criteria1. Afweging Bij het inrichtingsplan is rekening gehouden met de beschermingszone van de A- en B-watergangen in en rond het gebied. Binnen deze zones worden geen werkzaamheden uitgevoerd. In het watergebiedsplan is daarnaast opgenomen dat d e primaire watergangen binnen het plangebied gedeeltelijk zullen worden verbreed. Na overleg met het waterschap is de toekomstige verbreding verwerkt in het inrichtingsplan. Zo is in het inrichtingsplan de huidige insteek/profiel en toekomstig profiel te z ien. Het kunnen uitvoeren van beheer en onderhoud is bij de waterschapswatergangen gewaarborgd door een obstakelvrije beheerstrook van 5 meter breed op te nemen.

Er worden geen 1 Hierover vindt nadere afstemming plaats met het waterschap Pagina 60 van 75 watergangen gedempt. Wel worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Deze zijn vergunningsplichtig en daarom wordt hiertoe een watervergunning aangevraagd. Waterveiligheid Beschermen van inwoners tegen overstromingen van binnendijkse gebieden. Waarborgen van het veiligheidsniveau van dijken en beperken van gevolgen overstromingen door een water robuuste inrichting. • Waterkeringen: In het plan ligt een overige kering. Met betrekking tot waterkeringen hanteert het waterschap een kernzone en verschillende beschermingszones. o De functie en stabiliteit van deze waterkering moet te allen tijde worden gegarandeerd. Binnen de Keur worden eisen gesteld met betrekking tot werkzaamheden binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone van de waterkering is een Watervergunning op grond van de Keur noodzakelijk. Overstromingsrisico • Overstromingsrisicoparagraaf: Het plan ligt in een dijkringgebied. Als er gebouwd wordt in dijkringgebieden (gebieden met een risico op overstromingen) verplicht de provincie Overijssel in het bestemmingsplan een overstromingsrisicoparagraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming minder slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft.

Afweging Het plangebied ligt voor een klein gedeelte in een beschermingszone van een waterkering. Er worden echter geen werkzaamheden uitgevoerd of beplanting of bouwwerken aangebracht die de kunnen zorgen voor instabiliteit van deze waterkering. Voor het kunnen realiseren van het zonnepark binnen de beschermingszone, zal een separate watervergunning worden aangevraagd. Daarnaast is achter aan deze paragraaf 4.13 Water, een overstromingsrisicoparagraaf opgenomen. Waterkwaliteit Het watersyste em wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Afvoer hemelwater • Kwaliteit afvoer hemelwater: Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afg evoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Bij aanleg van bedrijventerreinen, wegen met een hoge verkeersbelasting, parkeerterreinen, marktpleinen, Pagina 61 van 75 winkelstraten en tunnels dient de mogelijkheid voor lozing van hemelwater op open water m et het waterschap te worden afgestemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/a6b66bb8-0f81-4cd2-ac94-8f440b616320?agendaItemId=783e278c-9754-4f70-9324-3951ac27fedc