Rapportage onderzoek kostprijzen en bekostiging GIs
Tekst van het document
• Receptionisten en telefonisten: Receptionisten en telefonisten nemen als onderdeel van hun reguliere werkzaamheden telefoontjes aan van jeugdigen, ouders en andere hulpverleners. De omvang en inzet van de hierboven genoemde functies verschillen per GI en zijn mede afhankelijk van de organisatie-inrichting van de GI’s. De inzet van de functies van gedragswetenschapper, teamsecretaresse en juridische advisering is voor alle GI’s zichtbaar in de data. De overige functies komen niet bij alle GI’s voor of zijn niet volledig zichtbaar in de data. Deze verschillen maken dat het niet mogelijk is om deze functies als separate functies op te nemen in de kostprijsberekening. De juristen komen wel bij alle GI’s voor. De totale populatie juristen bedraagt circa 35 fte op een totaal van 2.625 fte personeel voor maatregelen. Het aantal juristen ligt tussen de 1 en 6 fte per organisatie. De verhouding tussen het aantal juristen en de fte personeel voor maatregelen kent een grote spreiding over de GI’s (tussen de 40 en 171). Op basis hiervan lijkt het aantal juristen dat wordt ingezet meer een managementkeuze dan dat er een vaste verhouding bestaat met het personeel voor maatregelen.
Deze constatering in combinatie met de beperkte omvang van de juristen ten opzichte van het totaal aantal fte personeel voor maatregelen, is de jurist niet als separate functie toegevoegd in de kostprijsberekening, maar opgenomen bij overig en indirect personeel. De overige twee functies die bij alle GI’s voorkomen zijn de gedragswetenschappers en teamsecretaresses. De omvang van beide functies kent een relatie met de omvang van personeel voor maatregelen. De omvang van het aantal teamleiders in het primaire proces is afhankelijk van de omvang van personeel voor maatregelen De GI’s werken in teams per regio, gemeente of wijk. De teams worden aangestuurd door een teamleider. Enkele GI’s hebben de aansturing onderverdeeld in een meer operationele teamleider en een inhoudelijke teamleider (werkbegeleider). De omvang van deze functies is afhankelijk van de span of control van het aantal medewerkers dat een teamleider aanstuurt. De omvang van de functie teamleider is daardoor afhankelijk van het aantal fte personeel voor maatregelen. De span of control van gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders verschilt per GI De gemiddelde span of control van gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders verschilt per GI en is mede afhankelijk van keuzes in de organisatie- inrichting en de mate van ondersteuning van personeel voor maatregelen.
In het onderzoek is de span of control berekend op basis van het aantal fte personeel voor maatregelen, gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders die door de GI’s zijn toegewezen aan de uitvoering van OTS, Voogdij, reclasseringsmaatregelen en gezinsmanagement met een maatregel. De span of control van gedragswetenschappers De span of control van gedragswetenschappers is berekend op basis van alle GI’s en bedraagt ongewogen gemiddeld 13,3 en gewogen gemiddeld 13,7. De spreiding is met een CV-waarde van 19% relatief beperkt. B. De omvang van het aantal gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders is afhankelijk van de omvang van personeel voor maatregelen 25© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De span of control van teamsecretaresses De span of control komt op basis van het ongewogen gemiddelde uit op 12,8 en het gewogen gemiddelde op 11,4. De teamsecretaresses kennen met een CV-waarde van 36% een grotere spreiding dan gedragswetenschappers. Bij de berekening van de span of control van het teamsecretariaat is de WSG niet meegenomen. De WSG heeft het teamsecretariaat gecentraliseerd binnen de organisatie, waardoor deze niet apart zichtbaar is in de data.
De WSG heeft mondeling aangegeven dat de span of control van teamsecretaresses in lijn ligt met de bovenstaande resultaten. De span of control van teamleiders In het onderzoek staat de omvang van het aantal teamleiders gelijk aan het aantal teamleiders en werkbegeleiders. De ongewogen gemiddelde span of control komt uit op 17,6 ten opzichte van personeel voor maatregelen en gewogen op 16,6. De spreiding is met een CV-waarde van 25% relatief beperkt. In de berekening van de gemiddelde span of control van de teamleiders is Overijssel niet meegenomen omdat dit een uitschieter betreft. Daarbij voeren de teamleiders van Overijssel voor 40% van hun tijd ook andere managementtaken uit, zoals personeelszaken en het beheren van portefeuilles (contracteren, methodische ontwikkeling), waardoor de span of control van de teamleiders van Overijssel niet representatief is. De gemiddelde kosten van gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders De gemiddelde loonkosten van gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders zijn weergegeven in de tabel hieronder. De spreiding voor de drie functies is relatief beperkt en ontstaat bij de teamleiders voornamelijk door externe inhuur. De kosten van externe inhuur per fte zijn over het algemeen hoger dan de kosten van personeel dat in loondienst is. Ook valt op dat het ongewogen en gewogen gemiddelde met elkaar in lijn liggen.
De loonkosten zijn vervolgens verhoogd met de opslag voor overige personele kosten van 5,69% bij het ongewogen en 5,32% bij het gewogen gemiddelde om te komen tot de personeelskosten per functie en gedeeld door de span of control van de betreffende functie om te komen tot het bedrag dat onderdeel is van de kostprijs per fte voor de uitvoering van maatregelen. B. De inzet van gedragswetenschappers, teamsecretaresses en teamleiders is afhankelijk van de omvang personeel voor maatregelen Span of control Functie Ongewogen gemiddelde Gewogen gemiddelde Std. dev. CV-waarde Gedragswetenschapper 13,3 13,7 2,6 19% Teamsecretariaat 12,8 11,4 4,6 36% Teamleider 17,6 16,6 4,5 25% Kosten per fte (EUR) Functie Fte Ongewogen gemiddelde Gewogen gemiddeld Std. dev.
CV-waarde Gedragswetenschapper 191,6 88.162 87.098 3.850 4% Teamsecretariaat 175,1 54.500 53.294 5.708 10% Teamleider 154,4 102.732 102.367 12.373 12% Personeelskosten per functie gewogen (EUR) Functie Gewogen gemiddelde Span of control Totaal EUR Gedragswetenschapper 91.735 13,7 6.696 Teamsecretariaat 56.130 11,4 4.924 Teamleider 107.816 16,6 6.495 Totale kosten personeel gerelateerd aan personeel voor maatregel 18.115 Personeelskosten per functie ongewogen (EUR) Functie Ongewogen gemiddelde Span of control Totaal EUR Gedragswetenschapper 93.171 13,3 7.005 Teamsecretariaat 57.596 12,8 4.500 Teamleider 108.569 17,6 6.169 Totale kosten personeel gerelateerd aan personeel voor maatregel 17.674 26© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Het overige en indirecte personeel voert ook activiteiten uit in het primaire proces Het overige en indirecte personeel heeft betrekking op alle functies anders dan de functies die in de voorgaande pagina’s zijn aangemerkt als personeel voor maatregelen of personeel waarvan de omvang gerelateerd is aan personeel voor maatregelen.
Het overige en indirecte personeel heeft daardoor ook betrekking op functies als juristen en financiële medewerkers die werkzaamheden uitvoeren voor jeugdigen met een maatregel. De activiteiten van het overige en indirecte personeel zijn daardoor breder dan de overheadfuncties als HR, financiën, informatievoorziening, facilitair en management. De kosten van het overige en indirecte personeel en de materiële kosten zijn gezamenlijk beschouwd omdat de omvang van beiden door elkaar wordt beïnvloed In het onderzoek zijn de personeelskosten van het overige en indirecte personeel samengenomen met de materiële kosten. Materiële kosten zijn alle kosten anders dan de loonkosten, sociale premies en pensioenlasten. De inrichting van het overige en indirecte personeel en de uitgaven voor materieel zijn een managementkeuze waarbij er een uitwisseling plaats kan vinden tussen beide. Een voorbeeld daarvan is het outsourcen van de salarisadministratie. De kosten van outsourcing vallen onder de materiële kosten terwijl als een GI de salarisadministratie binnen de eigen organisatie houdt, de kosten onderdeel zijn van het overige en indirecte personeel. De omvang van de kosten voor overig en indirect personeel en materiële kosten lopen per individuele GI (soms sterk) uiteen.
Omdat de kosten in elkaar kunnen overlopen als gevolg van gemaakte keuzes en de spreiding van deze totalen relatief beperkt is, zijn ze samengenomen in de kostprijsberekening. De kosten van het overige en indirecte personeel en het materieel van de WSG zijn niet meegenomen in de berekening van het gemiddelde De WSG is onderdeel van een grote organisatie die ook andere zorgvormen aanbiedt, zoals pleegzorg en gezinshuiszorg. De kosten van de bedrijfsvoeringsfuncties die bij andere GI’s onderdeel zijn van het overige en indirecte personeel, zijn bij de WSG onderdeel van de materiële kosten. De kosten van het overige en indirecte personeel zijn daardoor niet representatief. Onderdeel van deze doorbelasting zijn de kosten van het teamsecretariaat dat binnen de WSG centraal is georganiseerd. Het meenemen van de doorbelaste kosten betekent dat het teamsecretariaat dubbel zou worden meegenomen in de kostprijsberekening. Daarnaast is de omvang van personeel voor maatregelen voor de jeugdbescherming, reclassering en het gezinsmanagement met een maatregel meer dan een factor 2 groter dan de op een na grootste GI, waardoor de WSG meer mogelijkheden heeft om schaalvoordelen te behalen en niet representatief is voor de overige GI’s. Om deze redenen is de WSG geen onderdeel van de berekening van het overige en indirect personeel en de materiële gemiddelde kosten.
De spreiding op de individuele kostenposten is hoog, maar op totaalniveau is de spreiding beperkt De kosten per individuele kostenpost zijn in de tabel hieronder uitgedrukt in de kosten per fte personeel voor maatregelen. De omvang van de kosten op de individuele posten verschilt sterk tussen de GI’s. Dit is ook zichtbaar in de CV-waarden die op onderdelen boven 100% uitkomen. De omvang van de kosten is deels het gevolg van een managementkeuze en hangt deels samen met de kenmerken van de GI. De huisvestingskosten zijn bijvoorbeeld mede afhankelijk van de locatie, de verhuurtermijn en de grootte van het oppervlak. Op totaalniveau is de spreiding (de CV-waarde) 19% en bedraagt de standaarddeviatie EUR 3.898 per fte personeel voor maatregelen. Indien overig en indirect personeel en de materiële kosten samen worden genomen, dan daalt de CV-waarde op het totaal naar 12%. Kosten per fte personeel voor maatregelen (EUR) Ongewogen gemiddelde Gewogen gemiddelde Std. dev. CV-waarde C. Overige en indirect personeel1 23.953 23.816 2.654 11% Huisvesting 6.486 6.713 1.605 25% Automatisering 7.822 7.955 1.885 24% Afschrijving 619 705 708 114% Apparaat 3.897 4.027 2.270 58% Overige kosten 1.599 1.716 2.763 173% Financiële baten en lasten / VPB 249 239 291 117% D. Totaal materiële kosten excl.
overige personeelskosten 20.672 21.355 3.898 19% Totaal materieel + indirect 44.625 45.171 5.313 12% C+D. De omvang van de overige en indirecte functies en materiële kosten verschillen sterk op de onderliggende componenten, maar op totaalniveau is de spreiding beperkt 1 Inclusief opslag overige personeelskosten 27© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De personeelskosten bestaan uit loonkosten en overige personeelskosten De loonkosten in de doorrekening hebben betrekking op het loon inclusief toeslagen, pensioenpremie en werkgeverslasten. Naast de loonkosten maakt een organisatie materiële kosten die betrekking hebben op het personeel, zoals reiskosten en opleidingskosten. Om inzicht te geven in de integrale personeelskosten van een fte personeel voor maatregelen zijn de overige personeelskosten in de kostprijsberekening toegevoegd op basis van een procentuele opslag op de kosten. De totale loonkosten van een GI bestaan uit de loonkosten van het personeel voor maatregelen, de loonkosten van de functies waarvan de omvang gerelateerd is aan het personeel voor maatregelen en het personeel dat in het onderzoek is aangemerkt als overig en indirect.
De totale overige personeelskosten per fte personeel voor maatregelen is vervolgens gedeeld door de totale loonkosten. De opslag op de loonkosten verschilt voor het ongewogen (5,68%) en gewogen gemiddelde (5,32%). De berekening van de toeslagen is weergegeven in de onderstaande tabellen. 2 7 D. De loonkosten zijn, om een inzicht te geven in de integrale personeelskosten van personeel voor maatregelen, als opslag toegevoegd Berekening opslag personeelskosten ongewogen gemiddelde (EUR) Component Prijs per fte Span of control Totaal Personeel voor maatregelen 74.917 74.917 Gedragswetenschapper 88.162 13,3 6.629 Teamsecratariaat 54.500 12,8 4.258 Teamleider 102.732 17,6 5.837 Overig en indirect 22.666 22.666 Totale loonkosten in kostprijs 114.307 Overige personeelskosten per directe fte 6.494 Opslag op personeelskosten bij het ongewogen gemiddelde 5,68% Berekening opslag personeelskosten gewogen gemiddelde (EUR) Component Prijs per fte Span of Control Totaal Personeel voor maatregelen 74.917 74.917 Gedragswetenschapper 87.098 13,7 6.358 Teamsecratariaat 53.294 11,4 4.675 Teamleider 102.367 16,6 6.167 Overig en indirect 22.612 22.612 Totale loonkosten in kostprijs 114.729 Overige personeelskosten per directe fte 6.107 Opslag op personeelskosten bij het gewogen gemiddelde 5,32% 28© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige
ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De pupilgebonden kosten hebben betrekking op kosten die een GI moet maken voor de jeugdige met jeugdbeschermingsmaatregel Pupilgebonden kosten zijn specifieke kosten die gemaakt worden voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel (OTS of Voogdij) die uit huis zijn geplaatst en in een residentiële voorziening of zelfstandig wonen. Het gaat om specifieke kosten die kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën1: 1. Algemene bijzondere kosten: Kosten van bijvoorbeeld schoolkeuzeadvies, naamswijziging, identiteitsbewijs, etc. 2. Ziektekosten: Hier gaat het met name om de vergoeding van de aanvullende zorgverzekering en eventuele ziektekosten die niet door de zorgverzekering worden gedekt. Ook de ziektekosten van illegale jeugdigen onder voogdij vallen onder deze kostenpost. 3. Kosten forensische diagnostiek: Hier gaat het om forensisch onderzoek dat de jeugdbescherming aanvraagt ten behoeve van een justitiële beslissing van een rechterlijke instantie. De hoogte van de pupilgebonden kosten is afhankelijk van de specifieke kenmerken van een jeugdige. Als de ouders in staat zijn om deze kosten te dragen, dan komen ze niet voor rekening van de GI’s.
In het verleden is er bijvoorbeeld voor de jeugdigen van de WSG een hoger tarief voor bijzondere pupilkosten gehanteerd omdat de zorg voor jeugdigen met een verstandelijke beperking hogere bijzondere kosten met zich mee zou brengen1. Ten aanzien van de vergoeding van forensische diagnostiek geven de GI’s aan dat de kosten voor deze onderzoeken enkele tienduizenden euro’s kunnen bedragen en worden opgelegd door de rechter. Een kleine wijziging in het aantal forensische diagnostische onderzoeken heeft een relatief groot effect op de totale pupilgebonden kosten die, met uitzondering van de WSG, tussen EUR 41.000 en EUR 1.100.000 per GI bedragen. Uit de opgevraagde data is niet te achterhalen wat de oorzaken voor deze verschillen per GI zijn. Het ligt voor de hand dat het aantal cliënten waarvoor de pupilkosten worden gemaakt hier de belangrijkste kostenveroorzaker zijn, maar dit is niet verder onderzocht. De GI’s geven daarnaast aan dat de kosten die gefinancierd moeten worden vanuit de pupilgebonden kosten per gemeente kunnen verschillen. Een voorbeeld daarvan is het zak- en kleedgeld. De resultaten van het onderzoek bieden geen basis om een landelijk gemiddelde vast te stellen De gemiddelde pupilkosten per maatregel bedragen EUR 220 per jaar, indien de WSG niet wordt meegenomen.
De onderliggende waarden kennen een grote spreiding en liggen tussen EUR 42 en EUR 365 per maatregel, zoals ook is weergegeven in de onderstaande grafiek. De grote spreiding komt ook terug in de CV- waarde, die relatief hoog is met 45%. De grote spreiding resulteert erin dat het niet mogelijk is om een landelijk gemiddelde te bepalen dat bruikbaar is als basis voor een landelijk tarief. Voor het bepalen van een tarief voor de pupilkosten is nader onderzoek noodzakelijk tussen de specifieke kenmerken van een jeugdige en de hoogte van de kosten. 2 8 E. De pupilgebonden kosten per maatregel kennen een grote spreiding waardoor het geen basis biedt voor een landelijk gemiddelde 1 VNG Factsheet Bijzondere kosten jeugdbescherming - 50 100 150 200 250 300 350 400 450 500 0 5 10 15 Kosten per maatregel GI Pupilgebonden kosten per maatregel Ongewogen gemiddelde Gewogen gemiddelde Hoogste Laagste Std. dev. CV-waarde Pupilgebonden kosten per maatregel (EUR) 220 235 365 42 99 45% 29© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden.
De gemiddelde kostprijs per fte personeel voor maatregelen bedraagt circa EUR 142.000 in 2022 In de voorgaande pagina’s is het ongewogen en gewogen gemiddelde berekend van de individuele kostprijscomponenten. Tezamen leiden deze componenten tot een kostprijs per fte direct personeel. De kostprijs voor het ongewogen en gewogen gemiddelde is weergegeven in de onderstaande tabellen. Het verschil tussen de kostprijs op basis van een ongewogen of gewogen gemiddelde is met EUR 715 of 0,50% van de totale kosten minimaal, waardoor een keuze voor een van beide een beperkte invloed heeft op de resultaten van het onderzoek. Voor het landelijk gemiddelde is het gewogen gemiddelde gehanteerd, zodat GI’s die meer maatregelen uitvoeren zwaarder meewegen in de bepaling van het gemiddelde. Het hanteren van het gewogen gemiddelde sluit aan bij het kostprijsonderzoek naar de ggz en fz, uitgevoerd in opdracht van de NZa¹. De kostprijs per fte personeel voor maatregelen komt op basis van het gewogen gemiddelde uit op circa EUR 142.000. De GI’s hanteren in de eigen kostprijsberekeningen andere kostendragers dan personeel voor maatregelen, wat resulteert in een hogere kostprijs per fte Uit de gesprekken met de GI’s komt naar voren dat de hoogte van de gemiddelde kostprijs afwijkt van door de GI’s zelf gehanteerde kostprijzen per fte. Deze afwijkingen kennen op hoofdlijnen twee oorzaken: 1.
Enkele GI’s hanteren enkel het aantal fte SKJ-gecertificeerde jeugdbeschermers als kostendrager. De overige functies die ook activiteiten uitvoeren die onder het KKPB vallen, tellen dan niet mee in het aantal fte. Het gevolg is dat de totale kosten van de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering door een kleiner aantal fte wordt gedeeld en de gemiddelde kostprijs stijgt. Het niet opnemen van alle fte die activiteiten uitvoeren die onder het KKPB vallen, leidt tot een mismatch tussen uren per type maatregel volgens het KKPB en de kostendrager omdat deze niet zelf alle tijd besteedt. Het gevolg is dat als meer werkzaamheden worden uitgevoerd door niet-SKJ geregistreerde jeugdbeschermers de kostprijs per fte SKJ geregistreerde jeugdbeschermer stijgt en het daadwerkelijke aantal uur dat de SKJ geregistreerde jeugdbeschermer besteedt afneemt. Dit terwijl de benodigde inzet SKJ geregistreerde jeugdbeschermer volgens het KKPB gelijk blijft waardoor de kostprijs per maatregel die gebaseerd is op de KKPB tijdsbesteding stijgt. 2. Enkele GI’s verlagen het aantal fte personeel voor maatregelen door bijvoorbeeld te corrigeren voor jeugdbeschermers in opleiding die geen volledige caseload hebben of voor een hoger dan gemiddeld ziekteverzuim.
Het gevolg is dat de totale kosten van de jeugdbescherming en jeugdreclassering worden gedeeld door een lager aantal fte, waardoor de gemiddelde kosten per fte hoger uitvallen. In het onderzoek is de verminderde beschikbaarheid van jeugdbeschermers in opleiding onderdeel van de berekening van het aantal uren dat personeel voor maatregelen beschikbaar is voor het uitvoeren van maatregelen. 2 9 F. De gemiddelde kostprijs per fte personeel voor maatregelen bedraagt EUR 142.000 in 2022 Gemiddelde kostprijs op basis van het ongewogen gemiddelde (EUR) Component Prijs per fte Span of control Totaal Personeel voor maatregelen 79.173 79.173 Gedragswetenschapper 93.171 13,3 7.005 Teamsecretariaat 57.596 12,8 4.500 Teamleider 108.569 17,6 6.169 Overig en indirect 23.953 23.953 Materiële kosten 20.674 20.674 Totale kostprijs per fte personeel voor maatregelen (ongewogen) 141.474 Gemiddelde kostprijs op basis van het gewogen gemiddelde (EUR) Component Prijs per fte Span of control Totaal Personeel voor maatregelen 78.904 78.904 Gedragswetenschapper 91.735 13,7 6.696 Teamsecretariaat 56.130 11,4 4.924 Teamleider 107.816 16,6 6.495 Overig en indirect 23.816 23.816 Materiële kosten 21.354 21.354 Totale kostprijs per fte personeel voor maatregelen (gewogen) 142.189 Verschil 715 ¹ Prijsonderzoek geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg 2020, SIRA en Cap Gemini 30© 2023 KPMG Advisory
N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De gemiddelde tijd die personeel voor maatregelen beschikbaar is voor maatregelen is een benadering op basis van de aangeleverde informatie Om de kostprijs per uur voor personeel voor maatregelen te bepalen, worden de kosten per fte personeel voor maatregelen gedeeld door het aantal uren dat een fte beschikbaar is voor het uitvoeren van maatregelen. Bij GI’s wordt niet met tijdregistratie gewerkt. De tijd per fte personeel voor maatregelen die beschikbaar is voor maatregelen is benaderd op basis van de informatie van GI’s en de cao Jeugdzorg. De raming is opgebouwd uit de volgende elementen: • Jaarlijkse contracturen: De cao Jeugdzorg kent een 36-urige werkweek. De contracturen bedragen in totaal 1.872 uur (36 uur per week x 52 weken). • Feestdagen: De feestdagen zijn opgenomen in de cao Jeugdzorg. Drie feestdagen vallen altijd op een doordeweekse dag (Tweede Paasdag, Hemelvaart en Tweede Pinksterdag), de overige vijf feestdagen (Eerste en Tweede Kerstdag, Nieuwjaarsdag, Koningsdag en Bevrijdingsdag) vallen vijf van de zeven dagen in de week op een werkdag.
Uitgaande van een werkdag van 7,2 uur (36 per week gedeeld door 5 dagen) bedraagt het gemiddeld aantal uren feestdagen 47 uur per jaar. • Ziekteverzuim: In het onderzoek is bij de GI’s het gemiddelde ziekteverzuim opgevraagd van de ‘personeel voor maatregelen’-functies over 2022. Door alleen het ziekteverzuim van het personeel voor maatregelen te hanteren, heeft het ziekteverzuim van andere medewerkers binnen de organisatie geen effect op het ziekteverzuim en daarmee de berekening van de beschikbare tijd van personeel voor maatregelen. Het ziekteverzuim in 2022 per GI is weergegeven in de grafiek rechts. In de grafiek is zichtbaar dat drie GI’s (Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA), Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR) en Jeugdbescherming Noord een afwijkend ziekteverzuim hebben en in de analyse als uitschieter zijn te bestempelen. Het gemiddelde ziekteverzuim zonder deze drie GI’s bedraagt 6,3% en met deze drie GI’s 7,5%. Deze 6,3% is in lijn met het gemiddelde ziekteverzuim in de jeugdzorg, dat van 2018 tot en met 2021 schommelt tussen 6,3% en 6,4%1. In 2022 is het ziekteverzuim in de jeugdzorg wel gestegen naar 7,2%. Deze 7,2% is in lijn met het ziekteverzuim van 7,5% inclusief deze drie GI’s. Voor de doorrekening is aangesloten bij het gecorrigeerde ziekteverzuim van 6,3% over 2022.
Het aantal uren ziekte wordt berekend op basis van het aantal uren dat een medewerker beschikbaar is voor werk. Dit is het aantal contracturen (1.872) minus de feestdagen (47) = 1.825 uur. 6,3% van 1.825 uur is 115 uur. • Het aantal verlofuren: Het aantal uren verlof bedraagt conform de cao Jeugdzorg 200 uur per jaar. • Het aantal uren bijzonder verlof: Medewerkers hebben conform de cao Jeugdzorg recht op bijzonder verlof voor bijvoorbeeld zorg, het overlijden van een naaste, een huwelijk, dienstjubilea of een verhuizing. Het aantal uren bijzonder verlof is berekend op basis van de gemiddelde opgave van de GI’s over 2022 en bedraagt 17 uur per fte per jaar. • Het aantal uren vitaliteitsverlof: Een medewerker ontvangt als hij korter dan tien jaar voor de AOW-leeftijd zit, een vitaliteitsbudget. Ook hebben medewerkers die voor 31 december 2014 in dienst zijn getreden recht op extra verlofuren. Het vitaliteitsverlof is berekend op basis van de gemiddelde opgave van de GI’s over 2022 en bedraagt 19 uur per fte per jaar. • Het aantal uren opleiding per jaar: De medewerkers personeel voor maatregelen volgen jaarlijks ook opleidingen om bijvoorbeeld hun SKJ-registratie te behouden. Het gemiddeld aantal uren opleiding per jaar is berekend op basis van de opgave van de GI’s en bedraagt 56 uur per jaar. 0% 2% 4% 6% 8% 10% 12% 14% 0 5 10 15 Units Units % ziekteverzuim 3 0 G.
De gemiddelde tijd die per fte beschikbaar is voor maatregelen is een benadering, omdat personeel voor maatregelen geen tijd registreert 1 CBS Statline 31© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. • Het aantal uren opleiding van nieuwe jeugdbeschermers per jaar: Nieuwe medewerkers volgen een opleiding voordat zij volledig inzetbaar zijn. Tot die tijd hebben zij een lagere caseload die stapsgewijs wordt opgebouwd. Het gemiddeld aantal uren dat nieuwe medewerkers op jaarbasis voor inwerken niet beschikbaar zijn voor maatregelen wordt naast opleidingstijd, ook hier opgenomen. De gemiddelde tijdsbesteding per fte bedraagt op basis van een opgave van de GI’s gemiddeld 88 uur per jaar. In de opgave zitten twee uitschieters aan de bovenkant (de WSG en Stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers (DJGB)) en één uitschieter aan de onderkant (JBRR). Indien deze drie GI’s niet worden meegenomen, dan komt het gemiddelde uit op 82 uur. Voor beide varianten dient opgemerkt te worden dat het percentage instroom sterk uiteenloopt en tussen 4% en 29% ligt van de totale populatie personeel voor maatregelen. De verschillen worden mede veroorzaakt door de uitstroom van direct personeel en de ontwikkeling van het aantal maatregelen.
• Het aantal uren interne overleggen: Het aantal uren dat gemiddeld per jaar wordt besteed aan interne overleggen die geen verband houden met de cliënten, teamuitjes en afhandeling van inspectieverzoeken, is berekend op basis van een opgave van de GI’s. De opgave van de GI’s is consistent gemaakt voor het aantal weken dat per jaar een medewerker aanwezig is: 52 weken minus feestdagen, verlof en ziekte (totaal 398 uur) en een werkweek van 36 uur per week is 41 weken per jaar. In de opgave van de GI’s is Samen Veilig een uitschieter. Indien deze niet wordt meegenomen, dan bedraagt het gemiddelde 76 uur per jaar. • Het aantal uren cliëntgebonden activiteiten die geen onderdeel zijn van het KKPB: Dit zijn activiteiten als intervisie, begeleiden/opleiden van nieuwe medewerkers, supervisie en voorlichting. De opgave van de GI’s is hierbij ook consistent gemaakt voor 41 weken aanwezigheid per jaar.
Het gemiddelde aantal uren per jaar is berekend op basis van de consistent gemaakte opgave van de GI’s – waarbij Jeugdbescherming West als uitschieter aan de bovenkant niet is meegenomen – en bedraagt gemiddeld 63 uur per jaar Het aantal contracturen per fte verminderd met de tijd voor onder andere verlof, ziekte, overleg, opleiding en andere activiteiten die geen onderdeel zijn van het KKPB, leidt tot een aantal van 1.197 uur per fte personeel voor maatregelen dat beschikbaar is voor maatregelen. 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 0 5 10 15 Instroom GI Percentage instroom t.o.v. het personeel voor maatregelen 3 1 G. De gemiddelde tijd die beschikbaar is voor maatregelen bedraagt 1.197 uur per fte Onderdeel Uren Contracturen op jaarbasis conform cao 1872 Feestdagen 47 Subtotaal werkdagen 1825 Ziekte-uren o.b.v.
een ziekteverzuim van 6,3% 115 Verlofuren cao 200 Gemiddeld aantal uren bijzonder verlof per fte conform cao 17 Gemiddeld aantal uren vitaliteitsverlof per fte conform cao 19 Subtotaal 351 Totaal beschikbaar 1474 Gemiddeld aantal uren opleiding (niet initieel) per jaar per fte 56 Gemiddeld aantal uren medewerker in initiële opleiding 82 Subtotaal 138 Gemiddeld aantal uren organisatie-overleggen per fte 76 Gemiddeld aantal uren aan cliëntgebonden activiteiten die geen onderdeel zijn van KKPB 63 Totaal indirecte uren 139 Totaal beschikbaar voor maatregelen in uren 1.197 32© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De gemiddelde kostprijs per uur bedraagt EUR 119 De gemiddelde kostprijs per fte personeel voor maatregelen is op pagina 27 berekend op EUR 142.000. Uitgaande van 1.197 directe uren per fte personeel voor maatregelen, bedraagt de gemiddelde uurprijs afgerond EUR 119. De uurprijs vermenigvuldigd met de tijdsbesteding volgens het KKPB leidt tot de gemiddelde kostprijzen. De gemiddelde kostprijzen zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
1 Exclusief pupilgebonden kosten De gemiddelde werklast in de jeugdbescherming bedraagt op basis van het onderzoek gemiddeld 12,7 jeugdigen per fte De gemiddelde tijdsbesteding voor OTS-maatregelen is in het KKPB geraamd op 102 uur per jaar en voor Voogdij op 78 uur per jaar. In 2022 was de verhouding tussen OTS en Voogdij 68,4% OTS en 31,6% op Voogdij (zie tabel pagina 33). De gemiddelde tijdsbesteding voor een jeugdbeschermingsmaatregel bedraagt op basis van deze verhouding 94,42 uur. De gemiddelde werklast bedraagt op basis van de 1.197 uur die een fte jaarlijkse beschikbaar heeft voor maatregelen, 12,72 jeugdigen per fte personeel voor maatregelen. Wanneer een medewerker uitsluitend OTS zou uitvoeren, is de gemiddelde caseload 11,7 jeugdigen per fte. Bij uitvoering van alleen Voogdij is de gemiddelde caseload 15,3 jeugdigen per fte. De uitvoering van de activiteiten die onder het KKPB vallen, kunnen door verschillende functies worden uitgevoerd waardoor de werklast voor de individuele medewerker of functie hoger kan liggen. Een aandachtspunt is dat de tijdsbesteding per maatregel in het KKPB is gebaseerd op een verhouding tussen complexe en niet-complexe casussen. Het is mogelijk dat voor de individuele GI’s deze verhouding anders ligt en een andere normtijd van toepassing is.
Het is aan de individuele GI om dit aan te tonen en hierover in gesprek te gaan met de opdrachtgevende gemeente. De gemiddelde werklast in de jeugdreclassering bedraagt op basis van het onderzoek 13,7 jeugdigen per fte De gemiddelde tijdsbesteding voor de jeugdreclassering is, vooruitlopend op het KKPB Jeugdbescherming, geraamd op 87,6 uur. De gemiddelde werklast bedraagt op basis van de 1.197 uur die een fte jaarlijkse beschikbaar heeft voor maatregelen, 13,7 jeugdigen per fte personeel voor maatregelen. De berekende werklast (workload) is een organisatiewerklast. De werklast voor individuele medewerkers is afhankelijk van individuele factoren en komt niet een op een overeen De berekende werklast heeft betrekking op een organisatiewerklast voor personeel voor maatregelen. Het personeel voor maatregelen is breder dan alleen de jeugdbeschermers, en omvat ook ondersteuners en jeugdbeschermers in opleiding. De werklast van de individuele medewerker wijkt hiervan af doordat de tijd die in mindering wordt gebracht op de contracturen is gebaseerd op het gemiddelde. Een individuele medewerker heeft een afwijkend ziekteverzuim, bijzonder en aanvullend verlof, wordt niet altijd initieel opgeleid of begeleidt geen nieuwe medewerkers waardoor de werklast op het niveau van de individuele medewerker afwijkt. Maatregel Uren vlgs.
KKPB Prijs per uur (EUR) Kostprijs maatregel (EUR)1 OTS 102,00 119 12.138 Voogdij 78,00 119 9.282 Reclassering 87,60 119 10.424 3 2 H. De kostprijzen per maatregel zijn gebaseerd op een gemiddelde integrale kostprijs1 per uur van EUR 119 1 1.197 uur die fte jaarlijks beschikbaar heeft voor maatregelen / 94,42 uur gemiddelde tijdsbesteding voor een jeugdbeschermer = 12,7 jeugdigen per fte personeel voor maatregelen 33Document Classification: KPMG Confidential© 2023 KPMG N.V., a Dutch limited liability company and a member firm of the KPMG global organization of independent member f irms affiliated with KPMG International Limited, a private English company limited by guarantee. All rights reserved. 07 Raming van de impact op de opbrensgten van de GI’s 34© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Om te ramen wat de gevolgen van het invoeren van landelijke tarieven voor de uitvoering van de maatregelen zouden zijn, wordt in dit hoofdstuk ingegaan op wat de geraamde opbrengsten zouden zijn als de berekende gemiddelde kostprijs zou zijn gebruikt als tarief voor alle GI’s in 2022.
Daarbij is het van belang om allereerst stil te staan bij het feit dat de kosten van een individuele GI kunnen afwijken van het berekende landelijk gemiddelde. Dat uit zich onder meer in de verschillen in kosten per fte voor de uitvoering voor maateregelen, die samen met het aantal uren per fte per jaar beschikbaar voor maatregelen en de normatieve uren per type maatregel uit het KKPB de kostprijs bepaalt. De maximale spreiding van de kostprijs per fte personeel voor maatregelen bedraagt 11,7% aan de onderkant en 8,0% aan de bovenkant De gerealiseerde kosten per fte voor maatregelen in 2022 per GI zijn berekend op basis van dezelfde methodiek als de gemiddelde kostprijzen. De kostprijzen per fte personeel voor maatregelen voor de individuele GI liggen tussen EUR 125.400 en EUR 153.400. Vier GI’s liggen boven het gemiddelde, vier GI’s rond het gemiddelde en vijf GI’s onder het gemiddelde. In het onderzoek is een aantal oorzaken (al dan niet in relatie tot elkaar) aangevoerd waardoor GI’s een hogere kostprijs per fte personeel voor maatregelen kunnen hebben: • Hogere overige en indirecte kosten als gevolg van de relatief kleine omvang van de organisatie: GI’s met een relatief kleine organisatie moeten de kosten van de bedrijfsvoering (met name indirect en materieel) dragen met een kleiner aantal fte personeel voor maatregelen, waardoor de gemiddelde kostprijs per fte hoger ligt.
• Een tekort aan personeel voor maatregelen: Een tekort aan personeel voor maatregelen ten opzichte van de (interne) caseloadnormen. Het tekort leidt ertoe dat een GI minder fte personeel voor maatregelen in dienst heeft dan gewenst. De totale kosten worden daardoor gedeeld door een lager aantal fte personeel voor maatregelen, waardoor de kostprijs per fte personeel voor maatregelen hoger ligt. • Externe inhuur: De inzet van externe inhuur om te voorkomen dat jeugdigen op de monitoringslijst (wachtlijst) worden geplaatst, om ziekteverzuim op te vangen of om de werkdruk te verlagen. De kosten van externe inhuur zijn hoger dan van het personeel voor maatregelen in loondienst (zie ook pagina 21), waardoor de kostprijs per fte personeel voor maatregelen hoger ligt. • Extra inzet van indirect personeel om het ziekteverzuim te verminderen: Het inzetten van extra ondersteuning op het gebied van HR en management om zo het ziekteverzuim te verlagen of laag te houden. Het gevolg is een toename van de kosten voor overig en indirect personeel, waardoor de kostprijs per fte personeel voor maatregelen hoger ligt. • Het nog moeten doorvoeren van een aanpassing van het overige en indirecte personeel en de materiële kosten: De daling van het aantal maatregelen leidt ertoe dat er minder middelen beschikbaar zijn voor de bedrijfsvoering.
Dit betekent dat de kosten voor bedrijfsvoering moeten worden verlaagd. De maatregelen om deze te verlagen waren in 2022 nog niet doorgevoerd, waardoor de kostprijs per fte personeel voor maatregelen hoger ligt. Aanvullend hebben GI’s een aantal oorzaken aangegeven waardoor hun kostprijs lager ligt in 2022: • Een hoge instroom van nieuw personeel voor maatregelen: Personeel dat instroomt dient eerst te worden opgeleid. De tijd voordat een instromer volledig inzetbaar is, is afhankelijk van het type instromer (nieuw, zij-instromer of overstapper). Instromers hebben daardoor voor een bepaalde periode een verlaagde caseload, waardoor een GI meer fte personeel voor maatregelen in dienst moet hebben om de maatregelen te kunnen uitvoeren. Dit betekent dat te verdelen kosten (met name indirecte en materiële kosten) worden gedeeld door een hoger aantal fte personeel voor maatregelen, waardoor de gemiddelde kostprijs per fte lager ligt. • Een hoog ziekteverzuim: GI’s kunnen ervoor kiezen om een hoog ziekteverzuim op te vangen door extra personeel voor maatregelen in te zetten. Het gevolg is dat de gemiddelde kostprijs per fte personeel voor maatregelen lager ligt doordat de te verdelen kosten (met name indirecte en materiële kosten) worden gedeeld door meer fte. • Het aanhouden van tijdelijke overcapaciteit: Het aantal maatregelen is in 2022 bij een aantal GI’s gedaald.
De daling van het aantal maatregelen leidt ertoe dat er minder personeel voor maatregelen benodigd is. In plaats van te krimpen in het personeel voor maatregelen, hebben GI’s ervoor gekozen om vooruitlopend op een verhoging van de tarieven, het personeel voor maatregelen aan te houden om te voorkomen dat personeel voor maatregelen in 2022 afvloeit en in 2023 weer moet worden geworven en opgeleid. Dit leidt tot een hoger aantal fte personeel voor maatregelen, waardoor de kostprijs per fte lager ligt. 3 4 De kosten van individuele GI’s wijken af van de berekende gemiddelde kostprijs 35© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De geraamde (extra) opbrengsten en (extra) personeel op basis van het KKPB liggen onder de verwachtingen van de projectgroep van het onderzoek Bij het bespreken van de tussentijdse resultaten van dit onderzoek bleek de verwachting bij de projectgroep dat de impact van de toepassing van de gemiddelde kostprijs als landelijk tarief hoger zou liggen. Daarbij was de gedachte dat de mutatie op de gemiddelde caseload van 20% op basis van het KKPB in relatie tot de normen onder de tarieven van voor de start van de Jeugdwet in 2015, een stijging van zo’n 25% van de opbrengsten zou moeten betekenen.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat verschillende GI’s sinds 2015 tariefsverhogingen hebben ontvangen om te werken met een lagere caseload. Bij nadere analyse van de gegevens bleken de totale kosten voor het uitvoeren van maatregelen hoger te liggen dan de opbrengsten voor het uitvoeren van de maatregelen. De GI’s hebben meer personeel ingezet in 2022, dan puur op basis van de bekostiging van de maatregelen en de onderliggende normen wordt verwacht. Met deze extra inzet is een deel van de caseloadverlaging die de landelijke tarieven beogen, in 2022 al deels ingezet. Zij het tegen aanvullende (gedeeltelijk incidentele) opbrengsten. De totale kosten van de uitvoering van maatregelen lagen in 2022 EUR 34,7 miljoen hoger dan de opbrengsten voor het uitvoeren van maatregelen De totale opbrengsten bedroegen in 2022 volgens de opgave van de GI’s EUR 405,6 miljoen (zie A in de tabel) waarvan EUR 336,71 miljoen betrekking had op tariefopbrengsten voor de uitvoering van maatregelen (zie B in de tabel). De GI’s hebben in het onderzoek aangegeven dat hun totale kosten in 2022 EUR 418,0 miljoen bedroegen (zie C in de tabel). Van deze totale kosten had EUR 371,4 miljoen betrekking op de uitvoering van de maatregelen (zie D in de tabel). Deze EUR 371,4 miljoen bestaat uit EUR 362,9 miljoen uitvoeringskosten en EUR 8,5 miljoen pupilgebonden kosten.
De overige kosten hadden betrekking op de inzet voor o.a. preventie JB of crisisinterventie2. De kosten voor de uitvoering van maatregelen liggen daarmee EUR 34,7 miljoen hoger dan de opbrengsten (zie E in de tabel). De benodigde stijging van de tarieven is in 2022 voor een bedrag van EUR 19,6 miljoen al gefinancierd door de gemeenten. Het verschil van EUR 34,7 miljoen tussen opbrengsten en kosten in 2022 voor de uitvoering van maatregelen is op hoofdlijnen als volgt gefinancierd: 1. Aanvullende bijdrages van gemeenten voor de verlaging van de caseload en andere middelen als het verminderen van wachtlijsten of het uitvoeren van preventieve activiteiten. Zo hebben gemeenten al in 2022 middelen naast het reguliere tarief beschikbaar gesteld voor de verlaging van de caseload, of zijn middelen ingezet ter verlaging van de wachtlijsten of proeftuinen. Ook zijn de middelen van eventuele positieve resultaten op bijvoorbeeld preventie ingezet ter dekking van de maatregelen. De bijdrage van de gemeenten voor de uitvoering van maatregelen is geraamd op EUR 19,6 miljoen 2. De GI’s hebben in 2022 circa EUR 12,4 miljoen verlies geleden (zie E ). Dit verlies is gefinancierd vanuit de eigen middelen van de GI’s (reserves). 3. JenV is in 2022 gestart met de eerste tranche van subsidies voor de verlaging van de caseload.
In de eerste tranche was EUR 10 miljoen beschikbaar waarvan EUR 2,7 miljoen in 2022 door de GI’s is ingezet. De kosten voor de uitvoering van maatregelen zijn in 2022 hoger dan de tariefopbrengsten voor maatregelen Kosten en opbrengsten 2022 x EUR 1 miljoen GI Totaal Uitvoering maatregelen Opbrengsten (o.b.v. tarieven excl. aanvullende opbrengsten) 405,6 336,7 Kosten 2022 418,0 371,4 Verschil opbrengsten en kosten 2022 -12,4 -34,7 Verklaring verschil opbrengsten en kosten uitvoering maatregelen x EUR 1 miljoen GI Totaal 1. Verschil te verklaren vanuit bijdragen van gemeenten middelen verlaging caseload en overige bijdragen 19,6 2. Verschil te verklaren vanuit verlies GI’s 2022 12,4 3. Verschil te verklaren vanuit caseload subsidies JenV 2,7 Totaal verschil tussen opbrengsten en kosten in 2022 34,7 A B A C D E F B C F E D 1Inclusief een dekking van EUR 8,5 miljoen voor de vergoeding van pupilgebonden kosten. 2De kosten en opbrengsten van Veilig Thuis vallen buiten scope van het onderzoek 36© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden.
De verwachte stijging van opbrengsten bij GI’s voor de uitvoering van maatregelen bedraagt EUR 72,5 miljoen ten opzichte van de gerealiseerde opbrengsten 2022 Het doel van de invoering van de het KKPB en het hanteren van een landelijk tarief voor maatregelen dat gebaseerd is op het KKPB, is het verlagen van de werkdruk en de caseload bij de GI’s. Om inzicht te krijgen in de impact van het hanteren van de gemiddelde kostprijs als tarief is een doorrekening gemaakt op landelijk niveau. De basis voor de doorrekening is: A. De tijdsbesteding conform het KKPB voor de jeugdbescherming en verhoging van de normtijd van jeugdreclassering met 20% conform de verhoging van OTS omdat het KKPB voor de jeugdreclassering nog niet beschikbaar is. B. De beschikbaarheid per fte voor het uitvoeren van maatregelen is 1.197 uur per jaar. C. De gemiddelde kostprijs per uur van EUR 119. D. Een gemiddeld aantal maatregelen in 2022 op basis van de begin- en de eindstand volgens CBS1. De verwachte opbrengsten zijn verhoogd met de pupilkosten over 2022 om te komen tot de verwachte totale opbrengsten van EUR 409,2 miljoen (zie 1 ). Dit is een stijging van EUR 72,5 miljoen (zie 2 ) ten opzichte van de gerealiseerde opbrengsten voor de uitvoering van maatregelen van EUR 336,7 miljoen (zie 3 ). Van deze EUR 72,5 miljoen wordt EUR 19,6 miljoen al gefinancierd door de gemeenten (zie vorige pagina).
Voor de uitvoering van de maatregelen is conform het KKPB is 2.813 fte benodigd (zie 4 ) 3 6 Toepassing van de gemiddelde kostprijs als tarief bij aantallen 2022 leidt tot EUR 409,2 miljoen aan opbrengsten voor de uitvoering van maatregelen 1Het aantal maatregelen volgens CBS is verhoogd met 325 OTS maatregelen. Deze verhoging is doorgevoerd omdat het daadwerkelijke gemiddelde van de GI hoger ligt omdat dit berekend wordt op basis van dag- of maandstanden. Een analyse van de gegevens van enkele GI’s laat zien dat het daadwerkelijke aantal OTS maatr egelen 25 hoger ligt per GI dan het gemiddelde op basis van de begin- en eindstand. 2De opbrengsten zijn inclusief een eventuele risico opslag van 2% die een deel van de GI’s ontvangt.
Maatregel Beginstand 2022 Eindstand 2022 Gemiddeld Norm KKPB in uren Totaal aantal uren Totaal aantal fte o.b.v 1.197 Kostprijs 2022 o.b.v EUR 119 per uur Geraamde opbrengst x 1 miljoen OTS 22.220 19.745 21.308 102,00 2.173.365 1.816 € 12.138 € 258,6 Voogdij 9.740 9.325 9.533 78,00 743.535 621 € 9.282 € 88,5 JR Regulier 4.840 4.800 4.820 87,60 422.232 353 € 10.424 € 50,2 JR ITB Harde Kern 115 130 123 186,60 22.859 19 € 22.205 € 2,7 JR ITB Criem 25 20 23 248,76 5.597 5 € 29.602 € 0,7 Totaal 36.940 34.020 35.805 3.367.588 2.813 € 400,7 Bij: Pupilkosten € 8,5 Totaal verwachte opbrengst uitvoering maatregelen € 409,2 Opbrengst maatregelen 2022 € 336,72 Stijging opbrengsten uitvoering maatregelen € 72,5 1 1 2 3 2 3 4 4 37© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. De extra benodigde capaciteit personeel voor maatregelen van 188 fte is lager dan op basis van de verlaging van de caseload zou worden verwacht, omdat GI’s in 2022 extra personeel hebben ingezet De benodigde inzet voor de uitvoering van maatregelen conform het KKPB bedraagt op basis van het aantal maatregelen in 2022 2.813 fte (zie 4 op de vorige pagina).
Dit is 188 fte (7,2%) meer dan na 2.625 fte die de GI’s conform hun eigen opgave hebben ingezet in 2022 voor de uitvoering van maatregelen. Deze 7,2% is lager dan verwachte verlaging van de caseload met circa 25% op basis van het KKPB. Dit verschil lijkt vooral het gevolg van de inzet van extra personeel, mogelijk gemaakt door de hiervoor beschreven extra middelen en de inzet van reserves. Daarbij is de 25% caseload verlaging gerekend over de normen onder de tarieven van voor 2015. Sinds 2015 zijn bij diverse GI’s al tariefsverhogingen doorgevoerd om de caseload te verlagen ten opzichte van de oude normen. Het gevolg is dat het startpunt aan bezetting van personeel dat maatregelen uitvoert waarover het effect van de 25% caseload verlaging moet worden berekend, onduidelijk is. Uitgaande van het verschil van EUR 34,7 miljoen van pagina 33, wordt geraamd dat er in 2022 245 tot 350 fte meer is ingezet dan verwacht op basis van tarieven De kosten van de GI’s lagen in 2022 EUR 34,7 miljoen hoger dan de opbrengsten. Voor EUR 34,7 miljoen is extra personeel ingezet om maatregelen uit te voeren. Op basis van dit bedrag is de extra inzet geraamd. De raming is gebaseerd op een bedrag per fte van EUR 100.000 tot 142.000.
EUR 142.000 als integrale kostprijs per fte uit dit onderzoek en EUR 100.000 omdat de kosten van ondersteunend, indirect personeel en overige kosten mogelijk niet volledig zijn meebewogen met de extra inzet van personeel voor maatregelen. Daarbij is de gedachte dat er vooral is ingezet op het versterken of vervangen van het uitvoerend personeel. Uitgaande van EUR 100.000 tot 142.000, is de verwachting dat er zo’n 245 tot 3501 fte extra is ingezet voor het uitvoeren van de maatregelen in 2022 ten opzicht van de bekostiging op basis van de tarieven. Deze 245 tot 350 plus de 188 fte die extra benodigd is voor de uitvoering op basis van de normering in het KKPB betekent dat in totaal 433 tot 538 fte extra ingezet als gevolg van de toepassing van het KKPB ten opzichte van de huidige tarieven en de onderliggende normen. 3 7 De GI’s hebben in 2022 tussen de 245 en 350 fte extra ingezet voor de uitvoering van maatregelen boven op de financiering vanuit de tarieven Raming normatieve inzet voor de uitvoering van maatregelen. Onderdeel FTE Extra inzet personeel voor maatregelen 2022 (nog te werven na 2022) 188 In 2022 extra ingezette capaciteit boven de financiering o.b.v. tarieven -/- 245 – 350 Extra (benodigde) inzet boven de huidige financiering o.b.v tarieven -/- 433 – 538 4 1EUR 34,7 / EUR 142.000 per fte = 245 fte en EUR 34,7 / EUR 100.000 per fte = ca.
350 fte 38Document Classification: KPMG Confidential© 2023 KPMG N.V., a Dutch limited liability company and a member firm of the KPMG global organization of independent member f irms affiliated with KPMG International Limited, a private English company limited by guarantee. All rights reserved. 08 Algemene conclusie 39© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen een drietal algemene conclusies worden getrokken. 1. De beschikbare informatie biedt een voldoende basis om representatieve kostprijs per maatregel te berekenen Op basis van de door de GI’s opgegeven informatie kan een (representatieve) kostprijs per uur worden berekend. De basis voor de kostprijs per uur wordt gevormd de gerealiseerde kosten conform de jaarrekening 2022 aan de hand waarvan de integrale kosten per fte voor de uitvoering van maatregelen is berekend en het aantal uur per jaar per fte dat beschikbaar is voor de uitvoering voor maatregelen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de opgaven van de pupilkosten dusdanig ver uit elkaar lagen, dat deze kosten buiten beschouwing zijn gelaten.
Op basis van de kostprijzen per maatregel kan bekostiging voor het grootste deel van het werk van GI’s (de uitvoering van maatregelen) worden vastgesteld. 2. De GI’s zetten in 2022 meer personeel in dan op basis van de bestaande normen verwacht wordt, waardoor in 2022 met een gemiddeld lagere caseload is gewerkt. Uit het onderzoek bleken de GI’s meer personeel in te zetten dan op basis van de bestaande normen en tarieven 2022 verwacht kan worden. De kosten voor de inzet op maatregelen ligt dan ook EUR 34,7 miljoen boven de opbrengsten voor alleen de uitvoering van de maatregelen. Deze extra inzet heeft als gevolg dat de feitelijke gerealiseerde gemiddelde caseload in 2022 lager lag dan de norm. De benodigde opbrengsten ter dekking van de extra inzet bestonden uit bijdragen voor caseloadverlaging, interne winst op andere dienstverlening, de inzet van eigen vermogen (verlies) en andere aanvullende bijdragen. 3. Een nadere analyse per GI is noodzakelijk om de effecten van de invoering van een landelijk tarief inzichtelijk te maken Het tarief dat GI’s, gemeenten en JenV voornemens zijn af te spreken in het convenant is een landelijk tarief. Een landelijk tarief sluit niet altijd aan bij de specifieke situatie van de GI. In het onderzoek komt bijvoorbeeld naar voren dat een aantal GI’s te maken heeft met een bovenmatig ziekteverzuim of verloop.
Om te borgen dat het gemiddelde ook aansluit bij de werkelijkheid is het van belang om de individuele GI te vergelijken met de componenten van het tarief en de onderliggende parameters om zicht te krijgen in eventuele verschillen. Indien noodzakelijk moeten aanvullende afspraken per GI worden gemaakt. Dit sluit aan bij het advies ten aanzien van de bekostiging van de GI’s, dat is opgenomen in het rapport over de bekostiging. De verwachte stijging van de opbrengsten voor de uitvoering van maatregelen op basis van het aantal maatregelen in 2022 en de tarieven is EUR 72,5 miljoen. Een deel van deze stijging wordt momenteel al door gemeenten gefinancierd omdat de gemeenten in 2022 extra middelen hebben verstrekt boven op de tarieven voor de verlaging van de caseload of wachtlijsten. Deze middelen kunnen naar verwachting opgaan in het landelijke tarief. Het is van belang om per GI inzichtelijk te maken welk deel van de opbrengsten opgaat in het landelijke tarief en welke deel niet om inzicht te krijgen in de impact voor de gemeenten. 3 9 Algemene conclusie Bijlagen 41© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden.
Organisatie Betrokkenen Ministerie van Justitie en Veiligheid Leonie Geerts Ministerie van Justitie en Veiligheid Andre Pont Ministerie van Justitie en Veiligheid Mindert Mulder Ministerie van Justitie en Veiligheid Christa Pronk Ministerie van Justitie en Veiligheid Inge Jongerius Ministerie van Justitie en Veiligheid John Poot Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Brigit de Kleer VNG Joram van Leeuwen VNG Lucia van den Brande VNG Arjen Jansen Gemeente Den Haag Jan Smid Jeugdbescherming West Joost van der Hulst Partners voor Jeugd Marielle Visbeen Leeuwarden Tjeerd Ypma Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden Annemiek Hartman SD Friesland Femke van der Iest 4 1 Bijlage 1 – Overzicht deelnemers projectgroep 42© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden.
Gecertificeerde Instelling Aanwezig Datum Bureau Jeugdzorg Limburg Lia Theodorou 03-05-2023 Leger des Heils (LJ&R) Lisa de With, Martine Roos 08-05-2023 Stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers (DJGB) Ge Scholten 09-05-2023 Regiecentrum Bescherming & Veiligheid Cor Langius, Stefan Visser 10-05-2023 Jeugdbescherming Gelderland Erik Groenen 10-05-2023 Jeugdbescherming Noord Okko Huisinga 11-05-2023 Jeugdbescherming West Nico Lammers 11-05-2023 Samen Veilig Midden-Nederland Albert Harinck 12-05-2023 Jeugdbescherming Rotterdam Rijmond (JBRR) Sylvia van Kleunen, Jurgen Venhoeven 12-05-2023 Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) Bert Krom, Roy van Nieuwenhuizen 15-05-2023 Jeugdbescherming Overijssel Ellen van Berghem 15-05-2023 Jeugdbescherming Brabant Janneke van Hulten Biemans, Leo van Kempen 17-05-2023 De William Schrikker Groep (WSG) Edwin Aaldering 17-05-2023 4 2 Bijlage 2 – Overzicht besprekingen dataformats Kostprijsonderzoek, landelijk tarief en bekostigingsvormen Gecertificeerde Instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering Deel 2: Bekostigingsvormen In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid — 30 augustus 2023 44© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Inhoudsopgave Pagina 1.
Inleiding 45 2. Achtergrond en overwegingen 48 3. Advies bekostigingsvorm GI’s 54 Bijlagen 60 1. Aanpak 2. Overzicht projectgroep De contactpersonen bij KPMG voor dit rapport zijn: Bob Adams Partner KPMG Advisory Tel:06 2241 9360 adams.bob@kpmg.nl Dirk Bakker Senior Manager KPMG Advisory Tel:06 2335 0321 bakker.dirk@kpmg.nl 45Document Classification: KPMG Confidential© 2023 KPMG N.V., a Dutch limited liability company and a member firm of the KPMG global organization of independent member f irms affiliated with KPMG International Limited, a private English company limited by guarantee. All rights reserved. 01 Inleiding 46© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Inleiding Een Gecertificeerde Instelling (GI) is een instelling die zich bezighoudt met kinderbeschermingsmaatregelen (jeugdbescherming en jeugdreclassering). De maatregelen jeugdbescherming (JB) en jeugdreclassering (JR) zijn ingrijpende maatregelen die door de rechter worden opgelegd. Deze maatregelen mogen alleen door GI’s uitgevoerd worden, omdat ze diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van het kind en zijn gezin. Een GI voldoet aan kwaliteitseisen die de overheid hieraan stelt. Landelijk zijn er veertien GI’s actief.
Aanleiding De huidige tarieven van JB- en JR-maatregelen zijn veelal gebaseerd op een brochure van de VNG/VWS/JenV (2014), aangevuld met verhogingen die voornamelijk regionaal bepaald zijn. De tarieven verschillen daardoor tussen regio’s en (samenwerkingsverbanden van) gemeenten. In de praktijk is er veel discussie over de bekostiging van GI’s, onder meer doordat sinds de decentralisatie in 2015 de complexiteit en juridisering zijn toegenomen. Het gevolg is dat de werkdruk van de jeugdbeschermers, in dienst van GI’s, als te hoog wordt ervaren waardoor de kwaliteit en continuïteit van GI’s in het geding komen. Het lukt daarbij de lokale partijen niet of onvoldoende om tot een adequate bekostiging te komen. Als eerste stap is het rapport Kwaliteitskader en prestatiebeschrijvingen jeugdbescherming (KKPB) opgesteld. Dit rapport bevat prestatiebeschrijvingen met urenbesteding (gemiddelde urennorm per maatregel) voor de jeugdbescherming. Een KKPB voor de jeugdreclassering volgt later in 2023. Het KKPB geeft de basis voor de (directe en indirecte) cliëntgebonden tijd van jeugdbeschermers. Het is daarmee een bouwsteen voor de bekostiging. Rijk, gemeenten en GI’s willen vervolgens bezien of het mogelijk is om te komen tot een vorm van landelijke tarieven voor regio’s en GI’s.
Na gezamenlijke besluitvorming door Rijk, VNG (namens gemeenten) en GI’s zouden deze tarieven kunnen ingaan in 2024, als daarvoor dekking wordt gevonden (dit laatste valt buiten de scope van deze opdracht). Uw vraag Rijk, gemeenten en GI’s willen bezien of het mogelijk is om te komen tot een vorm van landelijke tarieven voor regio’s en GI’s ten aanzien van JB en JR-maatregelen. Hierbij zijn twee onderzoeksopdrachten uitgezet die hebben geleid tot twee onderzoeksrapporten: 1. Een rapport dat zich focust op de kostprijsberekening. Het rapport vormt de basis voor het vaststellen van de componenten van een landelijk tarief. Het is een representatief rapport omdat de kosten van alle GI’s (behalve Nidos) onderdeel zijn van het onderzoek. In het rapport wordt een splitsing gemaakt tussen de kosten die toerekenbaar zijn aan drie wettelijke maatregelen (OTS, Voogdij en JR) en overige niet-wettelijke taken van GI’s. 2. Een rapport dat zich focust op mogelijke bekostigingsvormen. Dit rapport richt zich op deel 2 van het onderzoek, de bekostigingsvormen. Doelstelling onderzoek 2: Bekostigingsvormen De primaire doelstelling van dit onderzoek is te komen tot een advies ten aanzien van de te hanteren vorm van bekostiging van de GI’s.
De huidige vorm van volledige bekostiging op basis van een bedrag per maatregel per jaar vereist een volledige kostenelasticiteit van de GI’s waaraan niet kan worden voldaan. Bovendien is het lastig om kosten voor activiteiten die onvoldoende aan een individuele cliënt zijn toe te rekenen te bekostigen. Resultaat Het resultaat van dit deel van het onderzoek is een rapport met daarin de bevindingen uit de objectieve analyse van de onderzoeksresultaten. Dit rapport bevat criteria voor de te hanteren bekostiging, de beschouwde varianten en advies ten aanzien de bekostiging voor de GI’s. Dit resultaten bestaan uit: 1. Bevindingen van een objectieve analyse van de onderzoeksresultaten. 2. Een advies voor de te hanteren bekostigingsvorm. Inleiding (1/2) 47© 2023 KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Resultaat (vervolg) Hierbij kan worden gedacht aan de volgende vormen, in plaats van een bekostiging die 100% mee beweegt met het aantal maatregelen: • Variabel met bandbreedte • Gedeeltelijk vast • Vaste bekostiging In het onderzoek wordt bezien of de bekostiging kan aansluiten bij de bestaande inkoopvarianten: taakgericht, inspanningsgericht en outputgericht.