Rapport Roof en Rechtsherstel Joods (on)roerend goed Steenwijkerland.pdf
Tekst van het document
Daarom ontving Logtmeijer hem vrijwel dagelijks in zijn eigen woning, waar hij De Leeuw ‘afleiding gaf’ en hem hielp met het ‘te gelde maken van het grootste deel van zijn voorraad en inventaris van zijn manufacturenzaak’. Ook bezocht Logtmeijer De Leeuw geregeld tijdens diens tewerkstelling in kamp Conrad bij Rouveen en voorzag hij hem van wat extra voedsel. Door deze hulp was er een ‘hechte band’ ontstaan tussen het gezin Logtmeijer en het echtpaar De Leeuw, vertelde Logtmeijer. Die band was zelfs zodanig dat De Leeuw Logtmeijer ‘had willen bevoordelen’ met het genoemde bedrag, waartoe bijdroeg dat De Leeuw zelf geen kinderen had, en hij op ‘minder goede voet’ stond met zijn broer Maurits de Leeuw. Volgens Sanders was hierbij echter geen rekening gehouden met het feit dat Sebilla de Leeuw-Schaap nog een broer en schoonzus had, die woonden in Vriezenveen en met wie de verhouding ‘uit- stekend’ was. Zij zouden volgens Sanders de rechtmatige erfgenamen zijn, waarop hij eiste dat de koopovereenkomst van Logtmeijer ongedaan werd gemaakt, met daarbij een verrekening van alle bijbehorende kosten en opbrengsten.
Hoewel de rechtbank vond dat een beloning van ruim 8.000 gulden voor de door Logtmeijer ‘geleverde diensten’ inderdaad buitensporig hoog was, was zij er wel van overtuigd dat De Leeuw de keuze niet in een ‘plotselinge opwelling onder dreiging van deportatie’ had gemaakt, maar dat sprake was van een ‘ruim van tevoren opgevat voornemen’. Zij stelde daarom op 26 juni 1950 Logtmeijer in het gelijk, waardoor zijn aankoop van De Leeuws woning aan de Gasthuisstraat in de boeken bleef staan.45 Over het algemeen bevonden de oorspronkelijke Joodse eigenaren zich bij een min- nelijke schikking in een nadelige positie. Ze keerden vaak berooid terug uit de onderduik of uit de kampen en hadden soms nauwelijks een dak boven hun hoofd. Bij thuiskomst was hun woning soms een chaos en vaak nog bewoond door NSB’ers, evacués of andere oorlogsbewo- ners, die niet altijd meteen plaats wilden maken of hiertoe niet in staat waren. Ondertussen kon een procedure voor rechtsherstel soms jaren duren. Jaap en Moop Slager uit Steenwijk wilden niet zo lang wachten en keerden direct na de bevrijding terug naar hun ouderlijk huis aan de Noordersingel 21, waar ze eigenhandig oorlogskoper Jacob Knol uit hun huis zetten.
Dit leverde hen een reprimande van de politie op, zo noteerde Jaap Slager in 1996 in zijn oorlogsmemoires: ‘De volgende dag, het is ongelooflijk maar voor 100% waar, komt de politie aan de deur met de mededeling: “Dat had U niet mogen doen, die mensen eruit sturen!”46 In het geval van de Steenwijker Izak Gokkes, die met zijn familie een kledingwinkel en woninginrichtingszaak aan de Markt runde, duurde het twee à drie maanden voordat hij weer in zijn woning kon.47 Niet alle 26 onteigende Joodse panden waren tijdens de oorlog door de NGV of de ANBO verkocht. In zo’n geval hoefde de oorspronkelijke eigenaar na de bevrijding geen minnelijke schikking te treffen, maar regelde het NBI de teruggaaf als beheerder van de vroegere Duitse roofinstellingen.48 Inboedel Intussen bleek het voor Joodse eigenaren niet altijd eenvoudig om de opgeslagen meubels en inboedel terug te krijgen. Net als tijdens de oorlog was de gemeente verantwoordelijk voor de opslag, maar nu niet meer in opdracht van de Duitse bezetter. In de periode na de bevrijding ging dat er nogal chaotisch aan toe. Teruggekeerde Joodse inwoners kregen de gelegenheid om uit de opslagplaatsen spullen op te halen die ze nodig hadden, maar er werd nauwelijks gecontroleerd wie naar binnen ging en van wie de eigendommen daadwerkelijk waren. Boven- dien waren niet meer alle spullen aanwezig.
Een groot aantal meubels was aan het einde van de oorlog vanuit de opslagplaatsen per schip vanuit Steenwijk weggevoerd. Jaren later informeerde het kerkbestuur van de Joodse gemeente nog bij de gemeente Steenwijk of zij wist waar deze spullen waren gebleven, maar toenmalig burgemeester Voetelink moest daarop het antwoord schuldig blijven.49 Jaap Slager vond zijn inboedel na de bevrijding op verschillende plekken terug: ‘Die hebben hier opgeslagen gestaan. Eerst geloof ik ook een gedeelte in de Joodse kerk en in de Pasman fabrieken. En ik heb ook nog meubels teruggevonden aan de Tromp Meesters- straat, want die werden ook weggegeven aan mensen die geëvacueerd waren. Op een gegeven moment zie ik in de Tromp Meestersstraat onze schemerlamp staan. En aan de Tukseweg in de Witte Raaf vond ik nog behoorlijk wat meubilair. Ik toogde van de zolder twee stoelen naar beneden en ging daarna weer naar boven. Ik kom daarna weer beneden: was er één stoel al verdwenen. Die heb ik nooit meer teruggekregen. Er werd gestolen als raven. Onder de handen gapten ze je het weg.’50 Volgens Jacob Adler gaf de opslagruimte een droevig beeld: ‘Tafels, stoe- len, buffetten en kasten met daarin nog de persoonlijke bezittingen. Foto’s, boeken en gebeden- boeken lagen verspreid over de grond.
Het oogde als de begraafplaats van de eens zo bloeiende plaatselijke Joodse gemeenschap.’51 De nog aanwezige inboedel was verre van compleet. Sarah Slager keerde met haar moe- der Elisabeth Slager-Boutelje als een van de laatste overlevende Joodse inwoners in Steenwijk te- rug. Zowel hun huis aan de Tuttelstraat 11 als het winkelpand van haar familie aan de Oosterstraat 71 waren bewoond door anderen, waarna ze werden opgevangen door mensen uit de buurt. ‘On- dertussen had burgemeester Goeman Borgesius ervoor gezorgd dat het pand aan de Oosterstraat vrij kwam, zodat wij dat konden betrekken’, vertelde Slager. ‘In een opslagruimte waar meubelen van verdwenen Joden waren bewaard, kon mijn moeder nog een paar schamele meubels mee- nemen, want het beste en meeste was al door anderen opgehaald.’52 Sommige Joodse inwoners hadden voorafgaand aan hun deportatie spullen ondergebracht bij vrienden, buren of bekenden. Maar ook daarvan werd niet alles teruggegeven, zoals de familie Van der Horst ondervond: ‘Er waren mensen geweest, die dingen van ons in bewaring hadden genomen, en daar kregen we een heleboel van terug.
Maar ook een heleboel niet’, aldus dochter Käthy van der Horst.53 Sarah Slager en haar moeder hadden een soortgelijke ervaring: ‘De bewoners van Tuttelstraat 11 wezen mijn moeder de deur en de “goede vrienden” die zich hadden ontfermd over de vleugel, het servies- goed, tafelzilver, de boeken en het huisraad bleken niet bereid iets terug te geven.’54 Zo konden Joodse overlevenden door hun kille ontvangst bij terugkomst vaak maar moeilijk de draad weer oppakken. De rommelige opslag en teruggave van door de bezetter in ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 27 beslag genomen Joodse inboedels hielp hierbij niet. De controle hierop door de gemeente liet te wensen over, mogelijk mede vanuit financiële overwegingen. Burgemeester Goeman Borgesius vroeg op 17 augustus 1945 aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) waar hij de ‘aanzienlijke onkosten’ die de gemeente tijdens de oorlogsjaren voor de bewaring en opslag van Joodse meubelen had gemaakt kon declareren. Wellicht twijfelde Goeman Borgesius of er vanuit de landelijke overheid hiervoor een regeling zou komen, want hij achtte het nodig de VNG te wijzen op een schrijven van het ministerie van Binnenlandse Zaken uit oktober 1943 waarin gemeenten werd gevraagd om een opgave in te sturen van de gemaakte onkosten bij het op transport stellen van Joden.
De VNG antwoordde op 4 september dat een restitutie voor de bewaring en opslag van meubilair van Joodse eigenaren op het ministerie nog onderwerp van gesprek was. Over de vergelijking met de onkosten van het op transport stellen hield ze wijselijk haar mond.55 Joodse Steenwijkers hebben na de oorlog geprobeerd de schade die ze leden door de verdwijning van hun meubelen te verhalen op de Schade Enquête Commissie (SEC) , een overheidsinstantie die was belast met de uitvoering van landelijke materiële oorlogsschade-re- gelingen. De Rijksontvanger van Steenwijk was ook directeur van de regionale of lokale afdeling van de SEC. Hij weigerde aanvankelijk het beroep vanuit de Joodse gemeenschap te accepteren, wat mede te maken zou hebben gehad met gebeurtenissen bij het ophalen van Joodse eigen- dommen uit de opslagplaatsen. Hein de Groot schreef als secretaris van de Joodse gemeente daarover dat ‘de teruggekomen joden, toen zij in de gelegenheid gesteld waren om hun kaartjes te hangen aan de eigendommen waarvan zij meenden dat deze aan hen toekwam, dingen ge- beurd zijn, waarover ik maar wil zwijgen. Het was treurig.’ Ook hier lijkt het erop dat er gebrekkig toezicht was en dat spullen en voorwerpen soms ten onrechte werden toegeëigend.
Na protest van De Groot bij de minister van Financiën konden Joodse Steenwijkers toch een beroep doen op de SEC en zijn er schadevergoedingen uitgekeerd, al waren ze volgens De Groot minimaal.56 Zuiderstraat 18, Blokzijl Zoals vermeld bleef de gemeente Steenwijk buiten beeld bij de gememoreerde zaken van rechtsherstel. De gemeente Blokzijl kreeg wel te maken met de naoorlogse procedures van rechtsherstel. Op 2 oktober 1945 was gemeenteontvanger Gerrit Krijn Rosendaal door het NBI aangesteld als bewindvoerder over de nalatenschappen van Soes Manus de Horst en Mozes de Horst. Nadat Rosendaal vanwege een andere baan verhuisde naar Den Haag werd burgemees- ter Van den Berg bewindvoerder van de beide nalatenschappen. Na de bevrijding hadden zich aanvankelijk meerdere kandidaten als bewindvoerder bij het NBI aangeboden. Zo liet nota- ris Van Kluyve uit Vollenhove weten dat Soes Manus de Horst hem voor zijn deportatie had gevraagd zijn belangen te behartigen. Om die reden en op verzoek van Andries van der Sluis, de zwager van De Horst, meldde Van Kluyve op 5 oktober dat hij wel bewindvoerder wilde worden. Mocht Van Kluyve niet in aanmerking komen, dan wilde Van der Sluis zelf de bewindvoering wel op zich nemen. Op 16 december 1946 vroeg nabestaande Israël de Horst of hij bewindvoerder kon worden van de nalatenschappen van zijn oom (Mozes) en neef (Soes Manus) .
Het NBI ant- woordde dat er met Rosendaal al een bewindvoerder was aangesteld, en dat ze geen reden zag om dit te veranderen. In november 1947 deed Israël de Horst opnieuw een verzoek deze taak op zich te mogen nemen, nadat hij had gehoord dat Rosendaal geen bewindvoerder meer was. 28 Het NBI antwoordde dat ze met de aanstelling van burgemeester Van den Berg inmiddels een opvolger had gevonden en dat het wederom geen reden tot wijziging daarvan zag. Volgens het Beheersinstituut was het ‘niet altijd in het belang van de erfgenamen, het bewind in handen te geven van een familielid’. Voor De Horst was de weigering ‘onbegrijpelijk’. Juist als directe fami- lie had hij de bewindvoering graag zelf gedaan. Daarna vroeg hij meerdere malen om inlich- tingen over het beheer en de inboedel, en klaagde hij dat de nabestaanden door Van den Berg slecht op de hoogte gehouden werden.57 Voor de meeste bezittingen van de familie De Horst vond in 1948 en 1949 via de reguliere weg rechtsherstel plaats, maar bij de afhandeling van de eigendomsrechten van het pakhuis van Mozes de Horst aan de Zuiderstraat 318 (later nr. 18) zijn een paar opvallende zaken te zien. Het pand was tijdens de oorlog via de ANBO gekocht door Freerk Bonne Harkema, die het kort daarna met winst doorverkocht aan Evert Scholte uit Lemmer.
Vanwege de weigering van Scholte en de nabestaanden van de in 1947 overleden Harkema om aan het rechtsherstel mee te werken sleepte deze procedure zich voort tot 1955. Intussen wilde de gemeente Blokzijl, zodra het rechtsherstel was afgehandeld, het betreffende perceel aan de Zuiderstraat graag kopen als onderdeel van een plan voor de bouw van vijf nieuwe woningen. Ook de erven De Horst waren bereid om hieraan mee te werken. In eerste instantie was het de bedoeling van de gemeente om op het Boffers- weidje aan het Slingerpad vijf woningen te bouwen, maar om verschillende redenen zou de bouw van deze woningen aan de Zuiderstraat veel goedkoper uitvallen. Er was bovendien haast bij. De gemeente Blokzijl had van de Provinciale Directie van de Wederopbouw en Volkshuisvesting voor 1948 vijf woningen toegewezen gekregen om te mogen bouwen. In tijden van woningnood na de oorlog wilde het gemeentebestuur deze mogelijkheid niet voorbij laten gaan.58 Op 19 oktober 1948 nam de gemeenteraad het besluit om het perceel aan de Zuider- straat voor 400 gulden aan te kopen. De aankoop werd goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Overijssel. Kort daarna liet burgemeester Van den Berg het pakhuis afbreken en werd er een nieuwe woning op het perceel gebouwd. Op dat moment was hij dus zowel bewindvoerder van de nalatenschap van Mozes de Horst als burgemeester van de gemeente Blokzijl.
Op 27 juni 1955 deed de Raad voor Rechtsherstel uitspraak in de rechtsherstelprocedure en werden de erven De Horst hersteld in hun eigendom. Burgemeester Van den Berg was in de tussentijd echter overleden en zijn bewindvoering beëindigd, met als gevolg dat aan de overeenkomst tot ver- koop geen uitvoering werd gegeven. Het perceel aan de Zuiderstraat bleef zodoende eigendom van de erven De Horst, terwijl de gemeente Blokzijl er al in 1950 een woning op had gebouwd en die verhuurde. Deze situatie duurde voort tot 1964 toen boedelnotaris A.M. Benders uit Am- sterdam in opdracht van de erven De Horst het perceel openbaar wilde laten verkopen. Omdat niet alle erfgenamen bekend waren, was hiervoor een besluit van de rechtbank nodig. Benders wees burgemeester Pier Anne Nawijn op deze zaak, die daarna namens de gemeente Blokzijl aan Benders vroeg om alsnog uitvoering te geven aan de jaren geleden voorgenomen verkoop aan de gemeente. Benders was hiertoe bereid, maar men moest wachten totdat het NBI een bewindvoerder had aangesteld die deze transactie zou kunnen uitvoeren. Dit is waarschijnlijk nooit gebeurd. In de gegevens van het kadaster staan de erven De Horst in ieder geval tot 1975 nog als eigenaar van het perceel aan de Zuiderstraat genoteerd, terwijl de gemeente Blokzijl de woning al die jaren verhuurde.
59 De gemeente Blokzijl was op 1 januari 1973 al opgegaan in de gemeente Brederwiede. Deze gemeente ontstond uit een fusie tussen de gemeenten Vollenhove, Blokzijl, Giethoorn en ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 29 Wanneperveen. Op 7 mei 1974 verkocht de gemeente Brederwiede het woningbestand uit zijn rechtsvoorgangers aan de ‘Woningstichting Brederwiede’, waaronder het pand aan de Zuider- straat 18. Deze woningstichting was de voorloper van de huidige eigenaar, de stichting Wetland Wonen. Bij het opmaken van de concept-akte in 1974 merkte notaris Van Dam uit Emmeloord op dat het perceel aan de Zuiderstraat 18 (A1241) niet op de gemeentelijke legger stond. In de definitieve akte werd daarom genoteerd dat dit perceel over zou gaan ‘na verkrijging door overdragende partij’, in dit geval de gemeente Brederwiede. Waarschijnlijk is dit nooit gebeurd. Toen stichting Wetland Wonen in 2014 de woning aan de Zuiderstraat wilde verkopen, ontdekte zij dat het perceel niet op haar naam stond. Haar voorganger, de Woningstichting Brederwie- de, had het huis vanaf de overdracht in 1974 echter wel verhuurd, in feite dus zonder dat het formeel haar eigendom was. Stichting Wetland Wonen probeerde deze situatie op 10 december 2014 op te lossen door een verklaring van verjaring op te laten stellen bij notaris Van der Galiën in Steenwijk.
Volgens opgave van het kadaster was het perceel Zuiderstraat 18 op dat moment eigendom van meerdere personen, waarbij van diverse personen het aandeel van eigendom niet bekend was. Het merendeel van hen zou zijn overleden en de rechthebbenden zouden niet meer op te sporen zijn, aldus Wetland Wonen. Ook verklaarde zij dat de woningstichting het perceel al meer dan twintig jaar onafgebroken had verhuurd en de zakelijke lasten voor het perceel had betaald, waardoor het recht op bezit van de juridische eigenaren zou zijn verjaard. Die hadden tot dan toe bovendien nooit actie ondernomen om het bezit van de woningstich- ting te beëindigen. Wetland Wonen wilde daarop in de openbare registers laten inschrijven dat zij zelf door verjaring eigenaar was geworden van de woning aan de Zuiderstraat 18. Notaris Van der Galiën achtte dit voldoende bewezen, waarna de akte werd gepasseerd.60 De aanname dat er geen rechthebbenden op te sporen zouden zijn lijkt echter niet te kloppen. Rechtstreekse nabestaanden van de op 19 november 1975 overleden Israël de Horst zijn nog in leven.61 Of deze nabestaanden ook daadwerkelijk rechthebbenden waren is onbekend. Of er nog meer nabe- staanden of rechthebbenden in leven zijn is ook onbekend, maar niet onwaarschijnlijk. Op de kadastrale legger uit 1975 staan, naast de eerdergenoemde Israël de Horst, elf mede-eigenaren vermeld.
De kans is groot dat er van hen eveneens nog nabestaanden zijn. In de praktijk had de gemeente Blokzijl het perceel aan de Zuiderstraat dus al in gebruik vanaf 1949, toen het pakhuis werd gesloopt en er een jaar later een nieuwe woning op werd gebouwd. Op dat moment was de grond officieel nog eigendom van oorlogskoper Evert Scholte, en nadat de rechtsherstelprocedure in 1955 was afgerond van de erven De Horst. De dubbele pet die burgemeester Van den Berg op had als bewindvoerder van de nalatenschap van De Horst enerzijds, en die van officiële vertegenwoordiger van de gemeente Blokzijl die belang had bij het perceel anderzijds, roept vragen op. Het is niet bekend of de erfgenamen van De Horst omstreeks 1950 de gemeente al toestemming hadden gegeven voor het gebruik van de grond. In de archieven hebben we geen stukken aangetroffen die hierop wijzen, maar daarin zijn we ook geen protesten of bezwaarschriften van de erven De Horst tegen de bouw van de woning of het gebruik van het perceel door de gemeente tegengekomen. In 1961 correspon- deerden burgemeester Nawijn en Israël de Horst zelfs nog over de verkoop aan de gemeente van de stoep die hoorde bij het perceel aan de Zuiderstraat 318. Notaris Benders liet weten dat ook deze verkoop niet kon plaatsvinden voordat alle erfgenamen bekend waren.
De al wel bekende erven De Horst hadden ‘er geen bezwaar tegen dat u reeds thans in feite over de door u verlangde stroken grond beschikt’, meldde Benders.62 Ondanks de aanvankelijke onvrede bij 30 Israël de Horst over de bewindvoering van burgemeester Van den Berg, lijkt het contact over de bij het perceel behorende stoep normaal te zijn verlopen. Opmerkelijk is wel dat nadien de verkoop van het gehele perceel nooit heeft plaatsgevonden, en dat pas in 2014 de stichting Wetland Wonen door middel van een verklaring van verjaring formeel eigenaar is geworden. Woningnood De haast die de gemeente Blokzijl in 1948 had bij de aankoop van het perceel aan de Zuider- straat en de daaropvolgende woningbouw had onder meer te maken met het heersende gebrek aan woonruimte. Al vanaf de bevrijding was er in het hele land een enorme schaarste op de woningmarkt. Tijdens de oorlog waren veel woningen verwoest en gold er een bouwverbod. Tegelijkertijd groeide de bevolking na 1945 snel. Er werd jong en veel getrouwd, en er werden veel kinderen geboren. Om de grote vraag naar woonruimte enigszins te coördineren voerde de overheid in 1947 de Woonruimtewet in. Deze wet verbood het in gebruik nemen van woon- ruimte zonder vergunning van het college van B en W.
De gemeenteraad moest een verordening vaststellen over de gronden voor weigering en afgeven van woonvergunningen en het college van B en W kreeg de mogelijkheid om woonruimte te vorderen nadat een speciale commis- sie daarover advies had uitgebracht. Wanneer deze commissie eenstemmig tot een vordering adviseerde, was er geen beroep mogelijk tegen de vordering. Was de commissie verdeeld, dan kon men binnen tien dagen bezwaar maken bij Gedeputeerde Staten. Degene voor wie de woonruimte was gevorderd, moest een vergoeding betalen aan diegene van wie gevorderd was, waarbij aansluiting gezocht moest worden bij de huurprijzen. Dat hield in dat niet het eigendom van de woonruimte werd gevorderd, maar alleen het gebruik.63 De gemeenteraad van Steenwijk stelde voor haar gemeente de plaatselijke verorde- ning vast op 23 december 1947. In negen artikelen formuleerde men de voorwaarden waaronder mocht worden overgegaan tot het verlenen of weigeren van een woonvergunning.
In het licht van dit onderzoek is vooral artikel drie interessant: ‘Bij de aanvraag moet (…) een verklaring worden overlegd, dat de eigenaar of, in geval van inwoning, de hoofdbewoner van de woning bij eventuele verlening van de vergunning bereid is de in de aanvraag vermelde woongelegenheid ter beschik- king van de aanvrager te stellen.’ De woonruimteadviescommissie die in 1947 in Steenwijk werd samengesteld, bestond uit fabrikant H. Rijkmans, graanhandelaar H. Rook, grossier P.G. Peereboom, timmerman M. de Vos en ‘waschindustrieel’ J.H. Spitzen. De administrateur van de woningdistri- butie die in dienst was van de gemeente, was belast met het secretariaat van de commissie.64 De woningnood in Steenwijk was hoog. Burgemeester Goeman Borgesius had in de raadsvergadering van 14 juni 1946 al laten weten dat de behoefte aan woonruimte zo groot was geworden dat hij voortaan gebruik zou maken van zijn recht tot vordering van woonruimte. Op 30 september 1946 liet hij zich ontvallen dat de vordering van woonruimte ‘een bron van onaangenaamheden’ was. Honderden verzoeken om woonruimte waren binnengekomen en inkwartiering bracht ‘groote moeilijkheden’ met zich mee.
Hoewel hij zich bij de vorderingen zou laten adviseren door een commissie, bleef bij hem echter de beslissing, benadrukte Goeman Borgesius.65 Joodse school, Steenwijk De woonruimteadviescommissie moest zo snel mogelijk aan de slag en liet op 15 september 1947 haar oog o.a. vallen op de Joodse school aan de Gasthuisstraat 46. Op 25 november schreef secretaris Hein de Groot van de Israëlitische Gemeente Steenwijk aan de commissie dat de ker- ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 31 kenraad zich daarbij maar moest neerleggen, maar dat ze voor het bepalen van de huur meende ‘u enige aanwijzingen te moeten geven’. De Joodse gemeente wilde namelijk wel godsdienston- derwijs geven, waarvoor op maandagmiddag dan een ander zaaltje gehuurd moest worden. Dit zou vijf gulden per week kosten. ‘Gezien de woningnood die er heerst voelen wij dat voor die paar uur per week geen ruimte leeg kan staan, maar wel menen wij dat wij als huur mogen bedingen minstens de kosten die wij nodig hebben om deze lessen te kunnen geven’, aldus De Groot.66 Hij hoopte dat de commissie daar rekening mee wilde houden. Ruim een week later werd duidelijk voor wie de woonruimte in de Joodse school werd gevorderd. Het bleek te gaan om Cornelis Witziers met vrouw en dochter. Als NSB-lid en aannemer had hij tijdens de oorlog een fortuin verdiend met de aanleg van verdedigingswerken voor de Duitse Wehrmacht, o.a.
bij vliegveld Havelte. Met de winst kocht hij tijdens de oorlog twee woningen van Joodse eigenaren in Steenwijk (waaronder nota bene de woning van Hein de Groot aan de Meppelerweg 2a waarin Witziers zelf ging wonen) , twee in Meppel en één in Amsterdam. Na de bevrijding was Witziers vermogen verbeurdverklaard en was hij veroordeeld tot twee jaar internering. Toen hij halverwege 1947 weer vrijkwam, zocht hij woonruimte in Steenwijk. Het college van B en W, onder de teruggekeerde burgemeester Goeman Borgesius, verleende hem een woonvergunning voor de Joodse school. Kennelijk had de woonruimtead- viescommissie hierin positief en eenstemmig geadviseerd, waarna men tot vordering over was gegaan. Onduidelijk is of door dit advies artikel drie van de plaatselijke verordening buiten wer- king was gesteld. Als dit niet het geval was, had vooraf namelijk de Joodse gemeente toestem- ming moeten geven. Maar die was nergens van op de hoogte. In de bevolkingsadministratie staat Witziers vanaf 5 december ingeschreven op het adres Gasthuisstraat 46. Nog diezelfde dag stuurde Hein de Groot zijn in de inleiding van dit onderzoeksrapport vermelde hartenkreet naar het landelijke Israëlitisch Kerkgenootschap in Amsterdam. De verontwaardiging bij de Joodse gemeente van Steenwijk was groot.
‘Wij hebben aan de woningcommissie schriftelijk verzocht met ons in overleg te treden over huur en wie er eventueel in komt, maar niets hebben wij daarover gehoord en plotseling werden wij voor een fait accompli gesteld. Plotseling kwamen wij tot de ontdekking dat de gemeente erin aan het timmeren ging en hoorden wij dat die NSB’er erin komt. Wij hebben daarna de school afgesloten met een hangslot en daarop is de burgemeester bij de voorzitter gekomen en heeft hem medegedeeld dat de woning aan deze NSB’er is toegewezen en dat dit niet meer gewijzigd werd.’67 Dat de gemeente Steenwijk een vergunning verleende voor de plaatsing van uitgere- kend Cornelis Witziers in een pand van de Joodse gemeente, was wel heel pijnlijk. Over de huur die de Joodse gemeente voor de gevorderde woonruimte zou ontvangen, bleef het bijna vier maanden stil. Pas in maart 1948 ontving de kerkenraad bericht van het ge- meentebestuur dat met ingang van 19 september 1947 de Joodse school was gehuurd voor drie gulden per week. Dit bedrag was minder dan de vijf gulden die de kerkenraad had voorgesteld om uit de kosten te komen voor de huur van een vervangend zaaltje voor het geven van gods- dienstonderwijs.
‘Na ampele bespreking zullen wij ons moeten neerleggen bij dit besluit van de gemeente Steenwijk’, noteerde Hein de Groot gelaten in de notulen.68 De Joodse gemeente had ondertussen de grootste moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Omdat de helft van de Joodse gemeenschap de oorlog niet had overleefd, waren de inkomsten behoorlijk teruggelopen. Men had tijdens de oorlog de huurinkomsten van de ei- gendommen gemist, omdat die waren geïnd door de ANBO (de kerkenraad probeerde die terug 32 te krijgen) . Bovendien was er een aanmaning binnengekomen van de familie Tromp Meesters om de rente over de jaren 1940-1947 te betalen, tot een bedrag van 500 gulden, voor een bij die familie al eerder belegde hypotheek van 2.600 gulden voor de Joodse school. De kerkenraad probeerde deze lening zo snel mogelijk af te lossen en wilde daarvoor haar pand Gasthuisstraat 22 verkopen, dat was verhuurd aan melkventer Wicher de Wit. Deze voorgenomen verkoop leverde een langdurig conflict op met het landelijke Israëlitische Kerkbestuur in Amsterdam. Het bezit van gebouwen als de synagoge, panden in de Gasthuisstraat en de Joodse begraafplaats kostte het nodige onderhoud, wat de Joodse gemeente eigenlijk niet meer op kon brengen. Voor de Joodse begraafplaats probeerde men een overeenkomst met de gemeente Steenwijk te sluiten, die dan het eeuwigdurend onderhoud daarvan op zich zou nemen.
Een paar jaar later werd een deel van de opbrengst van de verkoop van de synagoge gebruikt om het onderhoud bij de gemeente af te kopen. Wel wilde men de Joodse school ‘aan ons houden’ en ondernam het kerkbestuur begin januari 1949 een nieuwe poging om ‘de NSB’er eruit te krijgen’, zodat het ondergedeelte weer kon worden ingericht als school- en vergaderlokaal.69 Mogelijk speelde ook mee dat burgemeester Goeman Borgesius op 1 juni 1948 nu echt met pensioen was gegaan, en dat men hoopte bij zijn opvolger Jan Voetelink meer voet aan de grond te krijgen. Op 10 januari 1949 schreef Hein de Groot een brief aan burgemeester Voetelink met de vraag of de Joodse gemeente weer de beschikking kon krijgen over de Joodse school, zodat er daar weer godsdienstonderwijs gegeven kon worden, en huwelijksinzegeningen en bijzondere kerk- diensten konden plaatsvinden (de synagoge was niet meer in gebruik) .70 Met andere woorden: de kerkenraad wilde Witziers uit het pand hebben. De Groots oproep werd kennelijk in goede orde ontvangen, want vijf dagen later noteerde het college van B en W in haar notitieboekje: ‘Indien mogelijk bevorderen dat voor Witziers een andere gelegenheid wordt gevonden’.71 Voetelink leek de grieven van de Joodse gemeente te begrijpen, maar het is onduidelijk of er ook daadwerkelijk actie is ondernomen. De archieven geven over deze zaak niets meer prijs.
Als het gemeentebe- stuur al pogingen heeft gedaan om Witziers in een andere woning te plaatsen, hadden ze in ieder geval geen effect. In de bevolkingsadministratie staat Witziers tot aan zijn overlijden op 27 oktober 1950 geregistreerd op het woonadres Gasthuisstraat 46. Enkele maanden daarna, op 28 december, verlieten zijn vrouw en dochter Steenwijk en verhuisden ze naar Amsterdam. Over deze ruim drie jaar dat het gezin Witziers in de Joodse school woonde, heeft het wel de huur van drie gulden per week betaald, zo vinden we terug in het kasboek van de Joodse gemeente.72 De huurbetalingen nemen echter niet weg dat de plaatsing van een veroordeelde NSB’er en collaborateur als Cornelis Witziers, die tijdens de oorlog o.a. in Steenwijk Joods onroerend goed had opgekocht en woonde in het huis van secretaris Hein de Groot, in een gebouw dat eigendom was van de Joodse gemeente, een pijnlijke geschiedenis is. Zowel de houding van burgemeester Goeman Borgesius als die van de woonruimteadviescommissie in deze kwestie is kil en zakelijk te noemen en getuigde van weinig medeleven en begrip voor wat de Joodse Steenwijkers tijdens de oorlog was overkomen. Dat past in het landelijke beeld van na de bevrijding waarbij in het hele land geen speciale aandacht was voor Joodse teruggekeerden of voor het bijzondere Joodse slachtofferschap.
In de eerste naoorlogse jaren hadden de oorlogsschade, bouw en herstel van woningen en nijpende problemen bij de huisvesting de hoogste prioriteit. Desondanks had het gemeentebestuur van Steenwijk zich in deze kwestie meer empathisch en begripvol op kunnen stellen. Burgemeester Voetelink leek iets meer notie te hebben van deze pijnlijke zaak, hoe klein de aanwijzing daarvoor ook is, maar het bracht uiteindelijk geen verandering in de situatie. ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 33 Bevindingen Na de bevrijding stond de overheid voor de enorme taak van de wederopbouw van het geplun- derde en zwaar getroffen Nederland. Het economische leven moest worden hervat, de over- heidsfinanciën moesten op orde worden gebracht en ‘foute’ Nederlanders moesten worden berecht. Joodse overlevenden keerden terug uit de onderduik of uit de kampen, en probeerden hun leven zo goed en zo kwaad als dat ging weer op te pakken. Daarbij stuitten ze nogal eens op kille formaliteit, onbuigzaamheid en een flinke portie bureaucratie. Er was geen speciale aandacht voor wat hen was overkomen. Burgers hadden het druk met hun dagelijkse zorgen en probeerden te vergeten wat ze in de afgelopen periode hadden meegemaakt. Men wilde vooruitkijken. Tegen deze achtergrond keerden ook Joodse overlevenden terug naar Steen- wijk, waar de ontvangst eveneens niet altijd even makkelijk was.
De politie bleek maar weinig behulpzaam bij de terugkeer naar hun eigen woonruimte of nam het juist op voor de mensen die onrechtmatig in hun woning verbleven, al zijn er ook voorbeelden van Joodse overlevenden die wel relatief snel hun eigen huis weer konden betrekken. De gemeente, die verantwoordelijk was geweest voor de opslag van de Joodse inboedels, gaf wel de gelegenheid om uit de opslag- ruimtes de benodigde meubels op te halen, maar dat verliep chaotisch en de inboedel was vaak verre van compleet. Er was onvoldoende toezicht, waardoor ook na de bevrijding veel spullen verdwenen of werden gestolen. Het Comité voor Joodsche belangen in Steenwijk probeerde overlevenden waarschijnlijk waar mogelijk te helpen, maar over hun activiteiten is verder wei- nig bekend. Na verloop van tijd konden Joodse overlevenden en nabestaanden een aanvraag doen voor officiële teruggave van hun bezittingen in het kader van rechtsherstel. De meeste aanmel- dingen hiervoor werden vanuit de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland gedaan in de zomer en het najaar van 1946. Daarna ging een soms jarenlange procedure van start, waar- bij uiteindelijk voor vrijwel alle onrechtmatige oorlogsaankopen in Steenwijk en Blokzijl rechts- herstel plaatsvond, met uitzondering van het pand aan de Gasthuisstraat 35/37 in Steenwijk.
Bij de verrekening van de huurinkomsten met de vaste lasten en belastingen, kwamen deze laatste posten vrijwel allemaal voor rekening van de oorspronkelijke Joodse eigenaar. De gemeenten speelden verder geen rol in de rechtsherstelprocedures. De na de oorlog heersende woningnood zorgde er in de gemeenten Blokzijl en Steen- wijk voor dat er eveneens werd gekeken naar panden van Joodse eigenaren. In Blokzijl was burgemeester Van den Berg bewindvoerder van de nalatenschap van de overleden Mozes de Horst, terwijl hij als officiële vertegenwoordiger van de gemeente eveneens belanghebben- de was voor het perceel dat De Horst bezat aan de Zuiderstraat. Deze dubbele pet bleek in de praktijk problematisch. Hoewel de correspondentie over deze kwestie met de erven De Horst na een stroeve start uiteindelijk soepel lijkt te zijn verlopen, waren zij door het snelle handelen van de gemeente eind jaren veertig wel voor een voldongen feit geplaatst. Ruim voordat de procedure van rechtsherstel was afgerond, had de gemeente een woning laten bouwen op het perceel dat formeel nog niet haar eigendom was. Het oplossen van de woningnood ging hier voor een zorgvuldige afhandeling van de rechtsherstelprocedure. De voorgenomen aankoop die de gemeente van het perceel aan de Zuiderstraat zou doen, werd vanwege het vroegtijdige overlijden van burgemeester Van den Berg niet uitgevoerd.
In 1964 werd de gemeente op deze onvolkomenheid gewezen en ondernam ze een poging om dit recht te zetten, maar omdat niet alle rechthebbenden van de erven De Horst bekend waren, is dit niet gebeurd. Toen in 1974 het 34 woningbezit van de toen inmiddels voormalige gemeente Blokzijl werd overgedragen aan de Woningstichting Brederwiede bleek het betreffende perceel nog steeds niet op de gemeente- lijke legger te staan. De formele overdacht van het perceel aan de Zuiderstraat zou pas plaats vinden ‘na verkrijging door de overdragende partij’, in dit geval de gemeente Brederwiede. Dat dit nooit is gebeurd is onzorgvuldig te noemen. Om die reden duurde de situatie uiteindelijk voort tot 2014, toen de stichting Wetland Wonen via een akte van verjaring formeel eigenaar werd. De aanname dat er bij deze overdracht geen rechthebbenden op te sporen zouden zijn lijkt niet te kloppen. Onderzoek wees uit dat er nog steeds nabestaanden in leven zijn. Met die wetenschap is het aanbevolen dat de gemeente en de stichting Wetland Wonen de juistheid van deze overdracht in 2014 nogmaals tegen het licht houden. In Steenwijk liet de gemeente zich bij de vordering van de Joodse school aan de Gast- huisstraat 46 als woning voor NSB’er Cornelis Witziers van een kille en weinig begripvolle kant zien.
Ook na protest vanuit de Joodse gemeente deelde de gemeente bij monde van burge- meester Goeman Borgesius mee dat de situatie niet zou worden veranderd. Bovendien werd een huurprijs vastgesteld waardoor de Joodse gemeente extra kosten moest maken om toch het door haar gewenste godsdienstonderwijs te kunnen blijven geven. Onder burgemeester Voetelink liet de gemeente iets meer begrip zien, al kwam er daardoor geen daadwerkelijke verandering in de situatie. Pas het overlijden van Witziers in 1950 zorgde ervoor dat er aan de bewoning van het gezin Witziers een einde kwam. De gemeente had zich in dit geval anders kunnen opstellen. De Joodse gemeente was aanvankelijk zeker bereid mee te werken aan de verhuur van haar Joodse school, maar niet aan een NSB’er als Witziers. De pijnlijke situatie die daarmee ontstond, had voorkomen kunnen worden door iemand anders in deze woning te plaatsen. ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 35 36 Belasting- en erfpachtheffingen 6 D e gemeente Steenwijk stond er na de oorlog, net als veel andere gemeenten in Nederland, financieel slecht voor. De oorlog had zijn tol geëist, waardoor de begrotingstekorten waren toegenomen, de prijzen waren gestegen, bedrijfswin- sten waren verdampt, er verhoogde kosten gemaakt waren voor de reorganisatie van politie en brandweer, en tegelijkertijd de uitkeringen uit het gemeentefonds waren gedaald.
In 1947 bedroeg het tekort op de begroting 250.000 gulden. Het besturen van de gemeente Steenwijk was na de oorlog volgens burgemeester Goeman Borgesius te verge- lijken met een motorvoertuig. Dat voertuig was er in de bezettingstijd niet beter op geworden, bewoog zich ‘al piepende en krakende’ voort en kwam ‘ondanks vrij rijkelijk brandstoffenge- bruik’ slechts langzaam vooruit, maar de burgemeester was blij dat het reed. Zijn ideaal was echter een ‘zuinig loopende wagen, die snel en krachtig voorwaarts gaat’. Een lichtpunt hierbij was, volgens Goeman Borgesius, dat de landelijke overheid in woord en daad meewerkte aan de terugkeer van de gemeentelijke financiële zelfstandigheid. Dat was nodig ook, want Steenwijk behoorde tot de groep van ‘noodlijdende gemeenten’.73 Na de bevrijding was het op orde brengen van de overheids- en gemeentefinanciën één van de grootste prioriteiten. Sommige gemeenten (Amsterdam, Den Haag, Leeuwarden) gingen hierin zo ver dat ze Joodse huiseigenaren naheffingen stuurden van tijdens de oorlog niet betaalde belastingen en erfpachten. Omdat in het bewaard gebleven kasboek van de Ne- derlands Israëlitische Gemeente van Steenwijk ook aanwijzingen zijn gevonden voor dergelijke betalingen, is in het kader van dit onderzoek besloten specifiek naar de inning van belastingen en erfpachten te kijken.
Hiervoor nemen we alleen de gemeente Steenwijk in beschouwing, omdat binnen de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland alleen in deze gemeente Joodse overlevenden na de oorlog terugkeerden en dus voor eventuele achterstallige heffingen in aanmerking kwamen. Grondbelasting De meeste belastingen werden halverwege de twintigste eeuw geheven door de landelijke overheid en niet door gemeenten. In 1929 was het Gemeentefonds ingevoerd, waaruit gemeen- ten volgens vaste criteria een jaarlijkse bijdrage ontvingen voor de uitvoering van haar taken. ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 37 Het eigen belastinggebied beperkte zich tot de heffing van straatbelasting, vermakelijkheidsbe- lasting en een aantal kleinere belastingen. De gemeente had ook de taak om grondbelasting te heffen, maar omdat dit een rijksbelasting was, werden deze opbrengsten ook weer afgedragen. In het strafdossier van oorlogskoper Jacob Knol, die in 1943 het pand aan de Noor- dersingel 21 kocht dat eigendom was van Joseph Slager, zit een verklaring van de oorspronkelijk eigenaar Eva Slager-van Praagh (vrouw van Joseph Slager) . Hierin zegt ze: ‘Dezer dagen zal mijn zoon naar Rechtsherstel schrijven, om de koop van Knol met de bezetter ongedaan te maken. Het is mij nog niet bekend of wij door deze handeling financieel nadeel zullen hebben.
Wij hebben nu wel een aanslagbiljet van de grondbelasting gekregen over het jaar 1943, groot 51,53 gulden.’ Knol verklaarde daarop de grondbelasting betaald te hebben over 1944-1945. ‘Indien nog belasting over die jaren, dat de woning van mij was, betaald moet worden, zal ik zulks wel betalen.’74 Kort na de verklaring van Slager schreef haar man Joseph Slager een brief aan het NBI dat hij de grondbelasting over 1943 inmiddels had betaald, en vroeg hij op welke manier dit door hem van Knol teruggevorderd kon worden. Kennelijk heeft die vordering ook daadwer- kelijk plaatsgevonden, want in een brief aan het NBI van notaris Volkers op 22 november 1947 staat dat Knol in totaal drie jaar grondbelasting heeft betaald, à 51,53 gulden per jaar. Waar- schijnlijk gaat dit om de jaren 1943, 1944 en 1945. Meteen na de bevrijding had Slager Knol al uit zijn huis gezet, en woonde hij dus niet meer in de woning aan de Noordersingel.75 In het kasboek van de Joodse gemeente Steenwijk staat op 10 juli 1946 eveneens een betaling van de grondbelasting van 48,48 gulden over het jaar 1944. Over het jaar 1945 had de Joodse gemeente op 13 september 1945 al eenzelfde bedrag voor de grondbelasting betaald.
Hoewel we in andere archieven dergelijke aanslagen of betalingen niet tegengekomen, geeft dit aan dat de gemeente Steenwijk na de bevrijding kennelijk ‘achterstallige’ grondbelastingen over de periode van de oorlog heeft geïnd. Er zijn geen specifieke aanwijzingen gevonden dat Joodse Steenwijkers tegen deze als onredelijk ervaren vorm van belastingheffing protesteerden. De in 1945 in Amsterdam opgerichte Joodse Commissie voor Herstel deed dit wel, en met resultaat. Op 6 september 1946 verklaarde het ministerie van Financiën dat het invorderen van grondbe- lasting over die tijdvakken ‘over welke de belaste goederen onder beheer waren gesteld en de eigenaar het genot en de vruchten heeft gemist’ niet gerijmd kon worden met ‘de billijkheid en derhalve achterwege moet worden gelaten’. Openstaande posten van de grondbelasting moes- ten na verloop van tijd als oninbaar worden afgeschreven, aldus het ministerie.76 Na deze datum hebben we geen inningen van grondbelasting door de gemeente Steenwijk teruggevonden. De gemeente volgde hierin de aanwijzingen van de landelijke overheid. Straatbelasting In 1941 voerde de gemeente Steenwijk de heffing van de straatbelasting in. Volgens de toe- lichting van het college van B en W was deze belasting een ‘billijke bijdrage in de kosten voor aanleg en onderhoud van land- of waterwegen, voor hunne verlichting en voor afvoer van water en vuil’.
De straatbelasting was een reguliere gemeentelijke belasting die ten laste kwam van de ‘genothebbenden’ van de percelen, zodat o.a. ook erfpachters belastingplichtig waren.77 De grootboeken van de inkomsten en uitgaven van de gemeente Steenwijk zijn in het gemeente- archief bewaard gebleven. In deze boeken staat in de eerste naoorlogse jaren een speciale post met achterstallige inkomsten uit de oorlogsjaren 1941-1945. Hierin staan geen betalingen van straatbelasting door Joodse inwoners over deze periode genoteerd. In het kasboek van de Jood- se gemeente wordt op 16 augustus 1946 wel een betaling van de straatbelasting over het jaar 1945 vermeld, maar niet over de jaren daarvoor.78 Het is goed mogelijk dat dat de straatbelasting al was betaald door oorlogskopers of de ANBO voor de jaren dat zij eigenaar of beheerder van de betreffende panden waren. Vaak werden de heffingen voor de straatbelasting na de oorlog verrekend in de procedures van beheer of rechtsherstel, waardoor ze uiteindelijk toch voor rekening van de oorspronkelijke Joodse eigenaren kwamen.
Maar zoals we eerder al vermelden gingen deze procedures buiten de gemeente om en waren het landelijke regels en instanties die de toon bepaalden.79 Erfpacht, recht van opstal, grondrenten en roggepacht In de gegevens van het Kadaster staan voor het onroerend goed van Joodse eigenaren in Steen- wijk en Blokzijl verschillende vormen van eigendom vermeld. Vaak was een pand in volledig eigendom, maar er zijn ook voorbeelden van een erfpachtrelatie met de gemeente Steenwijk als grondeigenaar, of een gebruiker die het recht van opstal op een bepaald perceel had. Waar we in dit rapport over Joodse eigenaren spraken, hebben we dit onderscheid tot dusver niet ge- maakt omdat het in de praktijk weinig uitmaakte in de procedures van roof en rechtsherstel. Als het gaat om achterstallige inningen is het wel van belang om specifiek naar het recht van opstal en het recht van erfpacht te kijken. In Steenwijk was het bij het begin van de oorlog al geruime tijd gebruikelijk om gemeentegronden in opstal of erfpacht af te staan. Sinds 1919 waren voor de erfpacht alge- mene erfpachtvoorwaarden van toepassing, die onder meer bepaalden dat de duur van het erfpachtrecht onbepaald was. De erfpachters konden zich zo feitelijk eigenaar van de gronden voelen. Een enkele keer had de gemeente een stuk grond of een bouwterrein via de verkoop uitgegeven, maar erfpacht was jarenlang de standaard.
In 1941 waren de geraamde inkomsten uit erfpacht op de gemeentebegroting 23.000 gulden. In de gegevens die we uit verschillen- de bronnen hebben verzameld om de Joodse eigendommen in kaart te brengen vonden voor Steenwijk we tien voorbeelden van erfpacht en twee voorbeelden van recht van opstal.80 In de hiervoor genoemde grootboeken van inkomsten werden de inkomsten uit erf- pacht en recht van opstal eveneens bijgehouden. In het overzicht van achterstallige inkomsten uit de oorlogsjaren 1941-1945 vinden we van zowel Joodse als niet-Joodse inwoners enkele be- talingen van erfpachtcanon en van het recht van opstal terug over de jaren 1942, 1943, 1944 en 1945. De grootboeken vermelden van de betalingsplichtigen alleen de achternaam, voorletter en het betaalde bedrag, maar geen adres over welk perceel de erfpachtcanon of het opstalrecht is geïnd. Dat maakt het lastig om de gegevens goed te interpreteren. De betalingen die we van M. Kan terugvinden zouden over het adres Gasthuisstraat 34 kunnen gaan. Dat is het enige perceel waarin Kan in de eigendomsgegevens van het kadaster staat vermeld als mede-eigenaar van het erfpachtrecht op de gemeente Steenwijk. Dit pand werd in 1943 gekocht door oorlogskoper Thomas de Vries en keerde in 1948 door middel van rechtsherstel weer terug bij de oorspron- kelijke eigenaren.
In het overzicht staan ook betalingen van erfpachtcanon en opstalrecht door de firma H. Kan en Zn, maar ook hier is het niet bekend om welke percelen dit gaat. Als derde en laatste Joodse betaler van erfpachtcanon staan de erven Reindorp-Stokvis vermeld. Waar- schijnlijk gaat dit om het adres Noordersingel 23. Na de deportatie van Abraham en Emma Reindorp-Stokvis betrok de Duitse Wehrmacht dit pand, om vervolgens onder beheer van de ANBO te blijven. De ANBO of de NGV heeft mogelijk nagelaten om de erfpachtcanon te betalen, 38 waardoor de erven Reindorp-Stokvis met een naheffing te maken kregen. Maar dergelijke beta- lingen staan weer niet vermeld voor andere panden die onder beheer van de ANBO en de NGV zijn gebleven.81 In het kasboek van de Joodse gemeente staan eveneens betalingen van erfpachtca- non vermeld over de jaren 1942, 1943, 1944 en 1945, van in totaal 22,40 gulden. Deze betaling werd gedaan op 29 juli 1946 en wijst op een naheffing van een tijdens de oorlog opengeble- ven rekening. Maar deze betaling vonden we niet terug in de gemeentelijke administratie, en is bovendien ook lastig te koppelen aan een locatie.
De enige plek waar de Joodse gemeente een eigendomsrelatie met de gemeente Steenwijk had was het recht van opstal op de plek van de synagoge aan de Gasthuisstraat.82 In een bewaard gebleven en na de oorlog samengesteld register van erfpacht over het jaar 1945 staan eveneens geen betalingen door de Joodse ge- meente. Opvallend is dat in dit register met een vinkje werd bijgehouden wie de erfpachtcanon wel en wie niet betaald had. Achter sommige Joodse erfpachters staat geen vinkje, maar een doorverwijzing naar een familielid, bewindvoerder of andere gemachtigde. Zo werd er bij de tijdens de oorlog vermoorde Emma Reindorp-Stokvis doorverwezen naar notaris Volkers, en bij de eveneens vermoorde Mozes, Marianna en Margarita de Groot naar hun broer Hein de Groot. Of er door hen ook daadwerkelijk is betaald is onbekend. Achter de betalingen staat geen vinkje, maar we hebben ook geen andere gegevens kunnen achterhalen.83 Overige betalingen die in het overzicht van achterstallige inkomsten uit de periode 1941-1945 vermeld staan betreffen grondrenten over de jaren 1942, 1943 en 1944. Deze bedragen variëren tussen de vijftig cent en twee gulden en worden gedaan door de Joodse gemeente, erven van de weduwe Slager, Maurits Heiman van Someren en de familie Isaac Slager. Het is onbekend over welke percelen deze grondrente gaat.
Het ging hierbij niet om grote bedragen, maar kennelijk werden er door de gemeente wel openstaande bedragen geïnd. De gemeente Vollenhove deed een zelfde poging in het geval van een roggepacht die de Joodse gemeente aan hen verschuldigd was. Hier was eveneens een klein bedrag mee gemoeid, maar vanwege de oorlogsomstandigheden bleek inning niet mogelijk. Of deze bedragen na de oorlog wel zijn betaald is niet meer te achterhalen.84 Wanneer we alles op rij zetten blijft het beeld over de achterstallige betalingen van erfpachtcanon, recht van opstal, grondrenten en roggepacht diffuus. Dat er enkele betalingen hebben plaatsgevonden staat vast, maar met de beschikbare informatie is het lastig om die aan een bepaalde plek te relateren of er een zekere lijn in te ontwaren. De gemeente Steenwijk heeft naheffingen verstuurd, maar de achterliggende redenen hiervoor, de schaal, en in welk ge- val men hier wel of niet toe overging blijft onduidelijk. Dit geldt ook voor de roggepacht van de gemeente Vollenhove. Een mogelijkheid is dat in overige situaties van erfpacht of opstalrecht de verschuldigde canon doorbetaald werd door de oorlogskoper en werd verrekend in de proce- dure voor rechtsherstel, terwijl dit bij de voorbeelden van de achterstallige betalingen mogelijk niet het geval is geweest. Maar ook dat valt met de beperkte informatie die beschikbaar is niet met zekerheid te zeggen.
Bevindingen Na de oorlog behoorde de gemeente Steenwijk tot de categorie van ‘noodlijdende’ gemeenten in Nederland. De gemeentefinanciën zagen er niet rooskleurig uit en er was sprake van een groot begrotingstekort. Steenwijk was daarin zeker niet uniek. Door het hele land likten over- ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 39 40 heden de wonden van de oorlog. Het op orde brengen van de overheidsfinanciën had dan ook hoge prioriteit. Andere onderzoeken naar roof en rechtsherstel van Joods onroerend goed toon- den soms aan dat gemeentes binnen dit streven overgingen tot naheffingen van achterstallige belastingen, erfpachten of rechten van opstal, zoals in Den Haag en Leeuwarden. De gemeente Amsterdam ging zelfs zo ver dat ze ook nog boetes uitdeelde aan Joodse overlevenden die tijdens de oorlog niet op tijd hun erfpachtcanon hadden betaald.85 De derde onderzoeksvraag binnen dit onderzoek spitste zich in de praktijk grotendeels toe op de gemeente Steenwijk en in mindere mate op de gemeente Vollenhove. De gemeen- te Steenwijk heeft na de bevrijding inderdaad belastingen, erfpachtcanon, opstalrechten en grondrenten geïnd over de oorlogsperiode. Bij de belastingen ging het met name om de inning van grondbelasting, wat geen lokale maar een rijksbelasting was.
De aanslag die Joseph en Eva Slager-van Praagh ontvingen, en de naoorlogse betaling door de Joodse gemeente over het jaar 1944 doet vermoeden dat niet alleen zij, maar iedereen die de grondbelasting niet had be- taald een dergelijke aanslag ontving. We zijn geen uitzonderingen, kwijtscheldingen of speciale regelingen tegengekomen voor Joodse overlevenden van de oorlog. Nadat het ministerie van Fi- nanciën had verklaard de invordering van de achterstallig grondbelasting ‘niet billijk’ te vinden, kwamen dergelijke inningen in Steenwijk niet meer voor. De gemeente volgde hierin de lijn van de landelijke overheid. Voor de straatbelasting staan in de geraadpleegde bronnen geen specifieke betalingen van Joodse overlevenden, behalve een vermelding in het kasboek van de Joodse gemeente over het jaar 1945. Het is mogelijk dat de straatbelasting tijdens de oorlog doorbetaald was door de oorlogskopers of de ANBO. Deze bedragen werden verrekend in de procedures van rechtsher- stel. In dat geval kwamen deze kosten over de oorlogsjaren alsnog voor rekening van de Joodse overlevenden. Deze procedure ging buiten de gemeente om. Bij de achterstallige invordering van erfpacht, opstalrechten en grondrenten blijft het beeld diffuus. In een aantal gevallen hebben er betalingen plaatsgevonden, maar het is ondui- delijk op welke schaal en wanneer de gemeente wel of niet tot naheffingen overging.
Er is geen eenduidig beeld te ontwaren. Ook zijn er voor de erfpacht, opstalrechten en grondrenten geen uitzonderingen, kwijtscheldingen of speciale regelingen voor Joodse overlevenden gevonden. ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 41 Conclusies I n dit onderzoek is geprobeerd om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de ont- eigening en teruggave van Joods (on) roerend goed, inboedels en bedrijven in de rechts- voorgangers van de gemeente Steenwijkerland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoek heeft zich met name toegespitst op de gemeenten Steenwijk, Blokzijl en iets mindere mate Steenwijkerwold en Vollenhove (met slechts enkele Joodse inwoners) . Omdat in de verschillende hoofdstukken de bevindingen over die betreffende onderwerpen al ruim aan de orde zijn gekomen, volstaan we hier met een puntsgewijze beantwoording van de onderzoeksvragen: 1. Welke betrokkenheid hebben de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijker- land als publiekrechtelijk rechtspersoon gehad bij de onteigening van onroerende goederen, inboedel en bedrijven van Joodse inwoners door de Duitse bezetter tijdens WOII? Uit het onderzoek blijkt dat de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland tijdens de oorlog geen aankopen hebben gedaan van woningen van Joodse eigenaren.
Wel huurde NSB-burgemeester De Lang van Steenwijk op persoonlijke titel een woning van een particuliere oorlogskoper. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gemeente Steenwijk een ambtswo- ning voor De Lang huurde. De rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland hebben, voor zover zij Joodse inwoners hadden, wel het door de bezetter in werking gezette proces van onteigening, roof en verkoop gefaciliteerd in de vorm van verschaffing van informatie en ontruiming en opslag van de inboedel van woningen en bedrijven. De gemeentediensten en politie assisteerden bij de onteigening en ontruiming van Joodse panden. Daarmee voldeed de gemeente aan de door de Duitsers opgelegde verplichtingen. Er moet wel onderscheid gemaakt worden tussen de burge- meesters tijdens de eerste oorlogsjaren, en de aanstelling van NSB-burgemeester De Lang op 13 juli 1942. Vanaf dat moment stelde hij gemeenteapparaat van Steenwijk volop in dienst van de Duitse bezetter. 42 De gemeenten stelden zich in de persoon van hun burgemeesters tegenover hun Joodse inwo- ners over het algemeen formeel en zakelijk op, en deden geen extra (zichtbare) inspanningen om de anti-Joodse maatregelen te verzachten of te verhinderen. Waarnemend burgemeester Hagemeijer trad in de zaak van Isaac Casoetto zelfs al te proactief op, met voor Casoetto uitein- delijk fatale gevolgen.
Het voorval illustreert dat de Joodse inwoners tijdens de oorlog van hun gemeentebestuur weinig bescherming hadden te verwachten. 2. Welke betrokkenheid is er geweest na 1945 van de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland als publieksrechtelijk rechtspersoon bij de onteigende onroerende goederen, inboedel en bedrijven van Joodse inwoners en hoe is er met deze eigendommen omgegaan? Uit het onderzoek blijkt dat in de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland, net als in de rest van Nederland, weinig aandacht was voor de specifieke problemen van Joodse overlevenden van de oorlog. De gemeenten waren niet betrokken bij het rechtsherstel, wat volgens landelijke wetgeving was geregeld. Wel is duidelijk dat, met uitzondering van één adres, bij vrijwel alle tijdens de oorlog verkochte Joodse panden rechtsherstel heeft plaatsgevonden volgens de daarvoor geëigende procedure. Soms kon het jaren duren voordat het rechtsherstel was afgerond. De gemeenten Steenwijk en Blokzijl stelden zich na de oorlog formeel en zakelijk op richting haar Joodse inwoners en nabestaanden. Er zijn geen voorbeelden bekend dat ze op eigen initiatief moeite deden om zicht te krijgen op het lot van haar Joodse inwoners.
De opslag en teruggave van Joods meubilair en huisraad verliep onder verantwoordelijkheid van de gemeente rommelig en onder te weinig toezicht, waardoor een deel van de goederen was verdwenen of werd ontvreemd. Gemeenten gaven meer prioriteit aan het oplossen van in hun ogen urgentere problemen als de heersende woningnood. In Steenwijk leverde die houding een uiterst pijnlijke plaatsing van een voormalig NSB-lid en oorlogskoper in een pand van de Joodse gemeente op, waarbij de gemeente zich anders had kunnen opstellen. In Blokzijl zorgde die houding wat betreft het perceel Zuiderstraat 18 voor een voldongen feit in het nadeel van de erven De Horst. De gemeente handelde in deze kwestie op meerdere momenten onzorgvuldig, zodat deze situatie in ieder geval tot 2014 voortduurde. In dat jaar stelde notaris Van der Galiën, in opdracht van de stichting Wetland Wonen, een akte van verjaring op om het perceel op naam van de woningstichting over te schrijven. Hierbij is het de vraag of er voldoende is gedaan om eventuele rechthebbenden van het perceel aan de Zuiderstraat te achterhalen. In het kader van dit onderzoek zijn rechtstreekse nabestaanden van de erven De Horst in beeld gekomen, die men in 2014 niet heeft gevonden. Om die reden is het aanbevolen dat de gemeente en de stichting Wetland Wonen de juistheid van deze verjaringsakte nog eens tegen het licht houden. 3.
Is er na 1945 binnen de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland sprake geweest van inning van lokale belastingen, erfpachtcanon en andersoortige vorderingen over de oorlogsperiode bij Joodse eigenaren, hun erfgenamen of hun bewindvoerders en hoe is hiermee omgegaan? ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 43 Uit het onderzoek blijkt dat in de gemeente Steenwijk inderdaad inning van belastingen, erfpachtcanon, opstalrechten en grondrenten heeft plaatsgevonden. Wat betreft de grondbe- lasting volgde de gemeente de lijn van de landelijke overheid. Gemeentebelastingen werden vaak meegenomen in de minnelijke schikkingen tussen de oorlogskopers en oorspronkelijke eigenaren. Hierdoor kwamen ze na de oorlog alsnog voor rekening van de Joodse eigenaren, maar dit ging buiten de gemeente om. Uit de geraadpleegde bronnen komt niet naar voren dat de gemeente Steenwijk actief achterstallige straatbelasting van Joodse woningeigenaren inde. Het beeld van de geïnde erfpacht blijft op basis van het beschikbare bronmateriaal onover- zichtelijk. In sommige gevallen hebben er betalingen plaatsgevonden, maar de achterliggende beweegredenen van de gemeente om wel of niet tot inning over te gaan blijft onduidelijk, evenals de schaal waarop dit gebeurde.
Voor zover we uit de bronnen konden afleiden werd er bij de inning van belastingen, erfpacht en opstalrecht geen onderscheid gemaakt tussen Joden en niet-Joden en waren er op individuele basis geen uitzonderingen. Bij een onderwerp als roof en rechtsherstel van Joods onroerend goed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog wordt soms snel met een hedendaagse blik naar de gebeurtenissen van destijds gekeken wordt. Terwijl het juist van belang is om de ontwikkelingen in de juiste historische context te plaatsen. Vandaag de dag is het bijzondere slachtofferschap van de Joodse bevolking evident, maar tijdens en na de oorlog keek men hier anders naar. Er was geen groot gedeeld besef dat Joodse burgers op een andere manier slachtoffer waren dan andere gedupeerden, en er was destijds ook geen algemeen gedragen sentiment voor het Joodse erfgoed. De overheid wilde bij de herstelwetgeving na de oorlog bewust geen onderscheid maken tussen Joodse en niet-Joodse burgers. Tijdens de oorlog hadden de Duitsers dit wel gedaan. Maar juist daar- door werd er na de oorlog aan voorbij gegaan dat Joodse overlevenden in een andere situatie terugkeerden. Vaak waren ze berooid, omdat hun vermogen en bezittingen door de bezetter was afgepakt, en speelden de traumatische ervaringen van de Holocaust hen parten, wat hen in de procedures van rechtsherstel in een nadelige positie bracht.
Om die reden pakte het principe dat niemand bevoordeeld of benadeeld mocht worden voor Joodse overlevenden vaak nadelig uit, bijvoorbeeld wanneer er vermogen nodig was om een minnelijke schikking te kunnen tref- fen met de oorlogskoper, terwijl de enige manier om dit vermogen te vergaren de verkoop van het betreffende pand bleek. Alles bijeengenomen kunnen we concluderen dat de houding van de rechtsvoor- gangers van de gemeente Steenwijkerland over het algemeen vergelijkbaar was met die van gemeenten in de rest van Nederland. De gemeentebesturen ondersteunden niet proactief bij anti-Joodse maatregelen, uitzonderingen daargelaten, maar ze protesteerden ook niet tegen de uitvoering ervan. Bij de formeel uitgevoerde beslissingen en maatregelen tijdens en na de bezetting was tegelijkertijd weinig begrip en empathie voor de specifieke Joodse situatie te vin- den. In dit kader springt de plaatsing tussen 1947 en 1950 van NSB’er en oorlogskoper Cornelis Witziers door de gemeente Steenwijk in een pand van de Joodse gemeente eruit. Het optreden van de gemeente getuigde van een totale ongevoeligheid voor wat dit voor de Joodse gemeen- te betekende. Ook in die tijd had men dat kunnen aanvoelen en het morele kompas zwaarder kunnen laten wegen dan de letter van de wet.