CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Roof en Rechtsherstel Joods (on)roerend goed Steenwijkerland.pdf

Raadsvergadering 14 februari 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Onderzoek inzake de rol van rechtsvoorgangers Steenwijkerland inzake onteigening Joodse eigendommen tijdens en na WOII24.351 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Martin van der Linde ‘Wij zitten hier met een moeilijk geval’ Roof en rechtsherstel van Joods (on) roerend goed in de gemeente Steenwijkerland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog Onderzoeksrapport

‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ Roof en rechtsherstel van Joods (on) roerend goed in de gemeente Steenwijkerland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog Martin van der Linde Overijsselacademie

Inhoud Inleiding 06 1. Joodse gemeenschap in de Kop van Overijssel 08 2. Gemeentebesturen tijdens de oorlog 10 3. Anti-Joodse maatregelen 12 4. Onteigening en roof van Joodse bezittingen tijdens de oorlog 15 5. Rechtsherstel na de oorlog 23 6. Belasting- en erfpachtheffingen 36 Conclusies 41 Noten 44 Bronnen & literatuur 48 Bijlage: Joods onroerend goed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog 50 ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ Inleiding ‘W ij zitten hier met een moeilijk geval. De v.m. joodse school is op 15 september door de Woningcommissie gevorderd voor woonruimte. Dit op zichzelf is tot daaraantoe, maar nu hebben zij dat pand toegewezen aan een rasechte NSB’er en daar kunnen wij ons niet mede verenigen. Dat strookt o.i. tegen alle menselijkheid en piëteit in, waarbij dan ook nog komt dat dit alles zonder ons medeweten gebeurd is.’ Dit schrijft secretaris Hein de Groot van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Steenwijk op 5 december 1947 aan het lande- lijke Israëlitisch Kerkgenootschap in Amsterdam. In zijn brief vraag hij om advies over hoe de Joodse gemeente van Steenwijk met deze kwestie om moet gaan.

Het antwoord is onbekend, maar duidelijk is wel dat NSB’er Cornelis Witziers, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Steenwijk twee Joodse panden kocht, na de oorlog zo’n twee jaar in de Joodse school in de Gasthuisstraat heeft gewoond.1 De vondst van deze brief was voor nazaten van Joodse Steenwijkers de aanleiding om bij het bestuur van de gemeente Steenwijkerland te vragen hoe er in deze ge- meente tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is omge- gaan met het Joods (on) roerend goed. Meer dan veertig gemeenten in Nederland hebben al zo’n onderzoek in gang gezet. Aanleiding is een uitzending over dit onder- werp van het KRO-programma Pointer op 27 mei 2020. Sommige onderzoeken zijn inmiddels afgerond, anderen lopen nog. Hoewel de uitkomsten per gemeente behoor- lijk verschillen, blijkt in het algemeen een vaak kille en za- kelijke houding van de gemeenten, waarbij geen rekening gehouden werd met de verschrikkingen die de overle- vende Joden hadden moeten ondergaan. Zo werden er na de bevrijding soms naheffingen gedaan voor achterstal- lige belastingen en erfpacht uit de periode 1940-1945, of kostte het Joodse overlevenden na de oorlog veel moeite om in hun eigen woning terug te keren, omdat het pand inmiddels door iemand anders werd bewoond. Ook de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijker- land hadden Joodse inwoners.

De vraag is hoe deze voor- gangers zijn omgegaan met het Joods (on) roerend goed in en na de Tweede Wereldoorlog. Nabestaanden van de Joodse gemeenschap van Steenwijk hebben behoefte aan een antwoord op deze vraag. Ze willen graag weten wat er daadwerkelijk is gebeurd, mede vanuit een gevoel van ‘rechtvaardiging en afhechting’. Op verzoek van de gemeente Steenwijkerland heeft de stichting Overijssel- academie een onderzoek naar deze kwestie uitgevoerd. Op basis van een vooronderzoek en in overleg met de 6 ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ gemeente en nazaten van Joodse Steenwijkers zijn vooraf drie onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Welke betrokkenheid hebben de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland als publiekrechtelijk rechtspersoon gehad bij de onteigening van onroerende goederen, inboedel en bedrijven van Joodse inwoners door de Duit- se bezetter tijdens WOII? 2. Welke betrokkenheid is er geweest na 1945 van de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland als publieksrechtelijk rechtsper- soon bij de onteigende onroerende goederen, inboedel en bedrijven van Joodse inwoners en hoe is er met deze eigendommen omgegaan? 3.

Is er na 1945 in de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland sprake geweest van inning van lokale belastingen, erfpachtcanon en andersoortige vorderingen over de oorlogsperio- de bij Joodse eigenaren, hun erfgenamen of hun bewindvoerders en hoe is hiermee omgegaan? De bevindingen van het onderzoek zijn te lezen in navol- gend onderzoeksrapport. In de eerste drie hoofdstukken wordt de historische context beschreven waarbinnen de roof en het rechtsherstel van Joodse bezittingen plaats- vond. In hoofdstuk vier, vijf en zes gaat het specifiek over de drie verschillende onderzoeksvragen en worden de bevindingen op rij gezet. We sluiten daarna af met een conclusie. Martin van der Linde Publiekshistoricus stichting Overijsselacademie 13 december 2022 7 Joodse gemeenschap in de Kop van Overijssel 1 H et grondgebied van de huidige gemeente Steenwijkerland bestond aan het begin van de Tweede Wereldoorlog uit tien verschillende gemeenten, te weten: Kuinre, Blankenham, Blokzijl, Oldemarkt, Giethoorn, Steenwijkerwold, Steenwijk, Wanneperveen, Stad Vollenhove en Ambt Vollenhove. Op 1 februari 1942 werden de laatste twee gemeenten samengevoegd tot de gemeente Vollenhove.

Deze gemeenten vormden samen tijdens de oorlog de rechtsvoorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland, die op 1 januari 2001 is ontstaan uit een fusie van de toenmalige gemeenten Brederwiede, Steenwijk en IJsselham. Verreweg de grootste Joodse gemeenschap in de Kop van Overijssel bevond zich in Steenwijk. De eerste vermelding van een Joodse Steenwijker in het Burgerboek stamt uit het jaar 1695. In de achttiende eeuw ontstond er geleidelijk een Joodse gemeenschap, die in de negentiende eeuw verder groeide tot meer dan tweehonderd leden. In 1869 werd er aan de Gasthuispoort een synagoge gebouwd, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nog in gebruik was. In de oorlog woonden ongeveer honderdtwintig mensen van (gedeeltelijk) Joodse afkomst langere of kortere tijd in Steenwijk. Twintig van hen hadden één of twee Joodse grootouders. Joodse Steenwijkers vormden samen een kerkelijke gemeente met een eigen Joodse school en diverse genootschappen en verenigingen voor o.a. het begrafeniswezen, zorg voor het interieur van de synagoge en Tora-studie. Van de ruim honderd Joodse Steenwijkers met vier Joodse grootouders werd de helft slachtoffer van de nazi’s.2 In Steenwijkerwold woonden zes perso- nen van volledig- of gedeeltelijke Joodse afkomst van wie er één door de Duitsers werd omge- bracht.3 Blokzijl telde in 1940 acht Joodse inwoners.

Ook zij stonden in een lange traditie van Joodse aanwezigheid. De eerste Joodse inwoners hadden zich in 1748 in Blokzijl gevestigd. In de eerste helft van de negentiende eeuw woonden er in Blokzijl en omgeving ruim negentig Joodse personen. Ook Kuinre en Vollenhove telden in die periode Joodse gezinnen. Samen met Blokzijl vormden ze één Joodse gemeenschap, met een Joods ritueel badhuis in Blokzijl en een 8 ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ Joodse gemeenschap in de Kop van Overijssel synagoge aan de Zuiderstraat. Vanaf eind negentiende, begin twintigste eeuw liep het aantal Joodse inwoners van Blokzijl terug. Aan het einde van de jaren twintig verkeerde de synagoge in slechte staat en werd het gebouw afgebroken. Formeel vormden de acht overgebleven Joodse inwoners aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog nog een kerkelijke gemeente, waarbij alle gemeenteleden uit dezelfde familie kwamen. Niemand van de Joodse gemeenschap in Blokzijl zou de oorlog overleven.4 In Vollenhove woonde in 1940 één Joods gezin bestaande uit drie personen, van wie slechts één gezinslid de oorlog zou overleven.5 Tenslotte telde de gemeente Oldemarkt in de eerste oorlogsjaren twee mannen van gedeeltelijk Joodse afkomst en de gemeente Giethoorn één man van gedeeltelijk Joodse afkomst en Duitse nationaliteit.

Hun aanwezigheid leidden we af uit de statistiek die in 1942 is opgemaakt naar aanleiding van de op 10 januari 1941 door Rijkscommissaris Seyss-Inquart inge- stelde verplichte registratie van Joodse inwoners bij het bevolkingsregister.6 Ondanks diverse naspeuringen is het niet gelukt om de identiteit en het woonadres van deze personen te achter- halen, waardoor zij voor de rest van het onderzoek buiten beschouwing blijven. De overige gemeenten hadden tijdens de Tweede Wereldoorlog, voor zover we konden achterhalen, geen Joodse inwoners en blijven dus eveneens buiten beschouwing. 9 Gemeentebesturen tijdens de oorlog 2 H et zwaartepunt van dit onderzoek ligt in de voormalige gemeente Steenwijk, omdat daar de grootste Joodse gemeenschap woonde. De andere gemeenten die Joodse inwoners huisvestten en die om die reden in het onderzoek zijn meegeno- men, zijn Steenwijkerwold, Blokzijl en Vollenhove. De gemeente Steenwijk telde voor de Duitse inval ongeveer 8.000 inwoners. Het inwonertal van de omliggende gemeente Steenwijkerwold was destijds ongeveer 7.000. De gemeente Blokzijl had ongeveer 1.000 inwoners en de gemeente Vollenhove (Stad en Ambt) ongeveer 4.000 inwoners.7 Tijdens de bezetting hing de houding van gemeenten in Nederland in sterke mate af van het handelen van de burgemeester.

In de zomer van 1941 ontbonden de Duitsers de gemeentera- den en werden de colleges van burgemeester en wethouders op een zijspoor gezet. De verant- woordelijkheid voor het gemeentelijke beleid kwam op de schouders van de burgemeester te rusten, waarbij de wethouders in de meeste gevallen aanbleven als adviseur. Een uitzondering hierop vormde de Steenwijker wethouder Hendrik de Vroome, die ‘om principiële redenen’ per 1 september 1941 ontslag nam. Vanaf 7 december 1915 was Arius Hendrik Goeman Borgesius burgemeester van Steen- wijk. Tijdens de oorlog bleef hij in functie totdat hij in december 1941 te maken kreeg met een aanslag op een kostganger van NSB-kringleider Pieter Klaas Pit in het kringhuis van de Natio- naal-Socialistische Beweging (NSB) aan de Meppelerweg. De Commissaris van Overijssel, jhr. Egon L.M.Th.J. von Bönninghausen, verweet Goeman Borgesius niet in staat te zijn de orde te handhaven en drong erop aan dat hij vervroegd met pensioen zou gaan, wat Goeman Borgesius aanvaardde. Hij bleef tot januari 1942 als burgemeester functioneren, waarna zijn ontslag for- meel volgde op 4 juni 1942.

In 1943 nam hij op verzoek van de Joodse gemeente van Steenwijk de kas in bewaring, die hij na de bevrijding weer terug zou geven.8 Gemeentesecretaris Rigte Adolf Hagemeijer nam het burgemeesterschap waar vanaf 19 januari 1942 tot aan zijn terugtre- den vanwege ziekte op 26 mei 1942. Vanaf dat moment was François Marinus van Panthaleon baron Van Eck waarnemend burgemeester van Steenwijk tot 13 juli 1942. Dit combineerde hij met het burgemeesterschap van de gemeente Steenwijkerwold, in welke functie hij in 1939 was begonnen en waarin hij tot februari 1944 aanbleef. Het burgemeesterschap van Steenwijk werd vanaf 13 juli 1942 tot januari 1943 waargenomen door NSB’er Johannes Pieter de Lang, die daar- 10 ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ na tot aan het einde van de oorlog burgemeester van Steenwijk zou blijven. Als NSB’er voerde hij de opdrachten van de Duitse bezetter nauwgezet uit. Na de bevrijding keerde Goeman Bor- gesius terug als burgemeester. Dit zou hij tot aan zijn pensionering op 1 juni 1948 blijven, waarna hij werd opgevolgd door Jan Voetelink. Ook Van Panthaleon van Eck keerde na de bevrijding terug als burgemeester van Steenwijkerwold, wat hij tot 1962 is gebleven.9 In de gemeente Blokzijl was vanaf maart 1939 Willem Hendrikus van den Berg burge- meester.

Van den Berg bleef tijdens de oorlog aan als burgemeester en moest in 1954 vanwege ziekte zijn ambt neerleggen. Het burgemeesterschap werd daarna enkele maanden waargeno- men door de Wanneperveense burgemeester Geert Pastoor, om vervolgens te worden ingevuld door Pier Anne Nawijn die tot 1968 burgemeester van Blokzijl zou blijven. De gemeenten Stad- en Ambt-Vollenhove waren bij het begin van de oorlog weliswaar twee verschillende gemeenten, maar deelden al vanaf 1844 dezelfde burgemeester. In 1940 was dit Frederik Reinhard Crommelin, die vanaf 1942 ook burgemeester van de nieuwe fusie- gemeente Vollenhove werd. Crommelin bleef tot 1944 in functie, waarna Vollenhove met A.C. van Driel tot aan het einde van de oorlog een NSB-burgemeester kreeg. Na de bevrijding keerde Crommelin terug om tot 1950 burgemeester van Vollenhove te blijven. 11 Anti-Joodse maatregelen3 N et als elders in Nederland kregen de Joodse inwoners in de Kop van Overijssel te maken met de anti-Joodse maatregelen van de Duitsers. Met allerlei regels wer- den zij al snel geïsoleerd en verdreven uit het openbare leven. Op 5 oktober 1940 liet de Duitse bezetter de zogeheten Ariërverklaring uitgaan, waarbij alle ambte- naren moesten verklaren niet van Joodse afkomst te zijn.

Het Joodse bestuurslid van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in Steenwijk, Emma Reindorp-Stokvis, en bestuurslid Hendrik de Vroome, die met een Joodse vrouw getrouwd was, legden in verband hiermee hun bestuursfunctie neer. Vanwege de omstandigheden trad ook bestuurslid Marien van Stapele af. De rest van het bestuur bleef aan.10 De Ariërverklaring werd op 21 november 1940 gevolgd door de bepaling dat alle Joodse ambtenaren, onderwijsgevenden en ander Joods overheidspersoneel ontslagen moesten wor- den. Voor Steenwijk betekende dit dat vijf Joodse inwoners hun baan kwijtraakten: onderwijzers Mozes de Groot van School B en Mozes van Zuiden van de Rijks HBS, kleuterleidster Ginette de Lange van de gemeentelijke Fröbelschool, postkantoormedewerker Meijer Asser de Lange en de directrice van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek Julia de Vries. De Vries ontving dit bericht van de Steenwijker burgemeester Goeman Borgesius, die eveneens voorzitter van het biblio- theekbestuur was, ‘haar dankend voor de werkzaamheden jarenlang verricht’. Door het verlies van haar baan, raakte De Vries in financiële moeilijkheden. Het bestuur van de bibliotheek wilde haar slechts een wachtgelduitkering van de helft van haar salaris uitkeren, maar De Vries drong aan op zestig procent conform de gebruikelijke wachtgeldregeling. Een ruimere compensa- tie lieten de financiën van de bibliotheek niet toe.

Er ontstond een slepende kwestie over de hoogte van de vergoeding, waarbij het bestuur op een gegeven moment opmerkte: ‘Het belang van de leeszaal gaat boven dat van mej. De Vries’. Door de omstandigheden gedwongen moest De Vries in mei 1941 haar huis in de Willem de Zwijgerstraat verlaten. Ze trok in bij mevrouw Warmolts, bestuurslid van de leeszaal, die haar onderdak aanbood in haar huis aan de Noor- dersingel 13. Evenals alle Joden werd De Vries de toegang tot de leeszaal ontzegd.11 Een volgende maatregel was de verordening van 10 januari 1941 (VO 6/1941) waarbij ‘alle personen van geheel of gedeeltelijke Joodsen bloede’ zich moesten laten registreren bij het bevolkingsregister van de gemeente waar ze stonden ingeschreven. Bij de aanmelding maakten de Duitsers onderscheid tussen ‘voljoden’ (met drie of vier Joodse grootouders) , ‘halfjoden’ 12 ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ (met twee Joodse grootouders) en ‘kwartjoden’ (met één Joodse grootouder) . Bij de registra- tie moesten de Joodse burgers één gulden aan legeskosten betalen, waarvan de helft in de gemeentekas werd gestort. Vrijwel alle gemeenten in Nederland werkten aan deze maatregel mee. Op die manier kreeg de Duitse bezetter de beschikking over een overzicht van de gehele Joodse bevolking, compleet met geboortedata, beroepen en adressen.

Voor Steenwijk zijn de aanmeldlijsten bewaard gebleven in het gemeentearchief. Bijna alle Joodse inwoners uit de Kop van Overijssel gaven gehoor aan de oproep. Vanuit Steenwijk werden 109 personen van geheel of gedeeltelijk Joodse afkomst aangemeld, vanuit Steenwijkerwold zes, vanuit Blokzijl acht, van- uit Vollenhove drie, vanuit Oldemarkt twee en vanuit Giethoorn één.12 Daarna volgde de ene maatregel op de andere om de Joodse inwoners van de rest van de bevolking verder te isoleren. Illustratief voor de fuik waarin zij zaten, is een brief die de Joodse onderwijzer Levie Drukker op 26 juni 1941 aan burgemeester Goeman Borgesius stuurde. In deze noodkreet vraagt Drukker aan de burgemeester zijn invloed bij de Duitse bezetter aan te wenden om voor hem een uitzondering te maken voor het vestigingsverbod voor Joden in Gelderland, zodat hij bij zijn verloofde in Arnhem kon gaan wonen. Drukker was een geboren en getogen Steenwijker en woonde daar totdat hij voor zijn baan in juni 1940 naar Jubbega was verhuisd. In zijn brief legt hij nauwgezet uit hoe hij in financiële moeilijkheden was geko- men, nadat hij als Joodse onderwijzer in overheidsdienst in november 1940 was ontslagen en daarna naar Deventer was verhuisd. Hij was niet meer in staat zijn pensiongeld te betalen en samenwonen met zijn verloofde zag hij nog als enige mogelijke oplossing.

Goeman Borgesius reageerde drie dagen later slechts kortaf met de mededeling dat Drukker zich met zijn vraag tot de burgemeester van Deventer moest wenden.13 Na verloop van tijd bleek dat niet iedereen de registratie juist had ingevuld. Schoenma- ker Isaac Madiewski had opgegeven één Joodse grootouder te hebben, maar na onderzoek van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters bleken dit er twee te zijn. Madiewski weigerde een verbeterde versie van het aanmeldformulier in te vullen en te ondertekenen, waarna waarne- mend burgemeester Hagemeijer hem moest dwingen alsnog zijn handtekening te zetten. De zaak sleepte zich voort, zodat op een gegeven moment burgemeester Van Panthaleon van Eck ermee te maken kreeg. De Rijksinspectie raadde hem aan de ondertekening ‘door bemiddeling van de politie’ af te dwingen. Of dit ook daadwerkelijk op deze manier is gebeurd, is onduidelijk. 13 Madiewski zette uiteindelijk op 10 juli 1942 zijn handtekening. De opvolger van Van Panthaleon van Eck, NSB-burgemeester De Lang, liet de Rijksinspectie op 13 juli weten dat de zaak was afge- handeld. Madiewski overleefde de oorlog.14 Een andere zaak waarbij de burgemeesters van Steenwijk optraden ter vervulling van de meldingsplicht ging om Isaac Casoetto, die was getrouwd met een niet-joodse vrouw die in 1931 was overleden.

Casoetto had zich in de dertiger jaren samen met zijn zoon Ephraïm aangesloten bij de Vrij-Evangelische gemeente van Steenwijk. Vanwege dit lidmaatschap en zijn huwelijk had Casoetto zich niet aangemeld. Maar waarnemend burgemeester Hagemeijer schreef op 16 april 1942 aan de Rijksinspectie dat hij in het bevolkingsregister van de gemeente Steenwijk had ontdekt dat Casoetto bij zijn vestiging in Steenwijk in 1917 vanuit Amsterdam ingeschreven stond bij het Portugees-Israëlitische kerkgenootschap en dat hij op jonge leeftijd was opgenomen in het Portugees-Israëlitische Weeshuis in Amsterdam. Met die wetenschap vond Hagemeijer dat Casoetto en zijn zoon zich alsnog aan moesten melden. Hij vroeg aan de Rijksinspectie toestemming om dit alsnog te regelen en kreeg hierop een akkoord. Onderzoek van de Rijksinspectie wees vervolgens uit dat Casoetto vier Joodse grootouders had en daarom als ‘voljood’ geregistreerd moest worden. Vanwege Hagemeijers ziekte was ook deze zaak bij zijn opvolger, burgemeester Van Panthaleon van Eck, terecht gekomen, die op 12 juni 1942 liet weten dat het persoonsbewijs van Casoetto inmiddels van een ‘J’ was voorzien. Casoetto werd op 22 oktober 1942 in Auschwitz vermoord. Zijn zoon overleefde de oorlog.15 Nadat de Joodse bevolking was geïsoleerd, gingen de Duitsers over tot deportatie.

Vanaf maart 1942 moesten Joodse mannen tussen de 16 en 65 jaar zich laten keuren om te- werkgesteld te worden in een werkkamp. 27 Joodse mannen uit Steenwijk kregen de oproep om zich te melden in Kamp Conrad bij Rouveen. Tien van hen doken onder. Zeventien mannen vertrokken naar het werkkamp, waarvan er zeven later kans zagen te ontkomen. Begin oktober 1942 werden de meeste Joodse inwoners in de Kop van Overijssel die niet waren ondergedoken, weggevoerd naar kamp Westerbork. De mannen die in kamp Conrad zaten moesten lopend naar het treinstation in Meppel en gingen van daaruit op transport naar Westerbork. Onder hen waren tien mannen uit Steenwijk. Twee van hen hadden nog een echtgenote in Steenwijk, die onder de term ‘gezinshereniging’ ook naar Westerbork gingen. Begin april 1943 volgde de Duitse oproep dat alle nog in Overijssel woonachtige Joden zich naar Kamp Vught moesten begeven. Hierop werden dertien Joodse inwoners van Steenwijk uit hun huizen gehaald en op transport gesteld. Op 10 april 1943 werd vrijwel de hele Kop van Overijssel officieel ‘Judenfrei’ verklaard, met uitzondering van vier gemengd gehuwde Joden in Steenwijk.16 14 Onteigening en roof van Joodse bezittingen tijdens de oorlog 4 T ijdens de bezetting werd veel van het Joodse (on) roerend goed en andere bezit- tingen door de Duitsers onteigend en doorverkocht.

Hiervoor trad op 11 augustus 1941 de verordening 154/1941 ‘betreffende het joodsche grondbezit’ in werking, waarin de liquidatie van Joods onroerend goed en hypotheken werd geregeld. Jo- den werden verplicht om hun grondbezit, inclusief alle aan de grond gerelateerde rechten zoals erfpacht, opstal, verhuren en hypotheken, aan te melden bij de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) . Voor dit vastgoed stelde de NGV beheerders aan, zoals de door de NSB’ers geleide organisatie Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO) . Per pand benoemden zij een beheerder die de huur inde, zorgde voor onderhoud en andere praktische zaken regelde. Woningen Door deportatie van de Joodse eigenaren kwamen vanaf 1942 veel panden leeg te staan. Op 8 december 1942 ontvingen alle burgemeesters in Overijssel van waarnemend commissaris Jos E. Vogt van de provincie een instructie over hoe ze met dergelijke woningen om moesten gaan. Dit document geeft goed weer wat de gebruikelijke procedure was bij de huizen die door Joden bewoond waren geweest: De burgemeester moest een woning laten ontruimen en de inven- taris laten opslaan, voordat deze in aanmerking kwam voor verhuur, liet Vogt weten. De wonin- gen mochten ‘op principieele gronden’ niet mét inventarissen verhuurd worden.

Wanneer de inboedel van verschillende woningen gezamenlijk opgeslagen werd, moesten hiervan zowel in het Nederlands als in het Duits lijsten worden gemaakt en naar de commissaris worden opgestuurd. De verhuur van door Joden gehuurde, aan niet-Joden toebehorende woningen, was een privaatrechtelijke aangelegenheid waar de gemeente zich niet mee hoefde te bemoeien, aldus Vogt. Onbewoonde woningen van Joodse eigenaren mochten, nadat ze op last van de burgemeester waren ontruimd, door de NGV ‘aan derden in gebruik worden gegeven’ (verhuurd of verkocht) . De zogeheten Beauftragte moest hier wel eerst goedkeuring voor geven.17 De huur- of verkoopopbrengsten van deze woningen moesten op een collectieve rekening worden gestort van de roofbank Lippmann, Rosenthal en Co. aan de Sarphatistraat in Amsterdam, ook wel bekend als Liro.18 Van het geld werden onder meer de kampen Westerbork en Vught en deportaties naar andere kampen betaald.

‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 15 Als burgemeester van Steenwijk kreeg NSB’er Johannes Pieter de Lang van de Duitse bezetter de opdracht om lijsten samen te stellen van woningen waarop stond vermeld wie de bewoners waren, uit hoeveel vertrekken de woning bestond, wie de eigenaar was en of deze eigenaar ‘Joods’ of een ‘Ariër’ was, wie de sleutel bezat en wie de nieuwe bewoner was nadat de oor- spronkelijke eigenaren waren gedeporteerd of ondergedoken. In de periode 17 augustus 1942 tot 6 september 1943 maakte De Lang verschillende van zulke lijsten, die hij toestuurde aan zowel de commissaris als de Beauftragte voor Overijssel. De lijsten geven een nauwgezet overzicht van wat er met de leegstaande woningen van een aantal Joodse inwoners uit Steenwijk gebeurde. Zo werden huurwoningen van niet-Joodse eigenaren na het vertrek van de Joodse bewoners vrij snel opnieuw bewoond door niet-Joden. Een voorbeeld hiervan is het huis aan de Gracht- straat 4 (na de oorlog afgebroken) dat eigendom was van de weduwe J. Bakker uit Peperga. Zij verhuurde de woning aan Eduard de Leeuw, die eind juli 1942 met andere Joodse mannen uit Steenwijk naar kamp Conrad bij Rouveen was gestuurd en op 3 oktober werd overgebracht naar Westerbork. Van daaruit moest hij op 19 oktober 1942 op transport naar Auschwitz, waar hij op 22 oktober werd vermoord.

Op diezelfde dag noteerde in Steenwijk politieagent M. Dragstra de inboedel van De Leeuw, die vervolgens werd opgeslagen in de Joodse School aan de Gast- huisstraat 46. Kort daarna verhuurde de eigenaresse de woning weer opnieuw aan een andere bewoner.19 Inboedel In het archief van de gemeente Steenwijk zijn inventarislijsten van 25 ontruimde woningen van Joodse eigenaren bewaard gebleven. Burgemeester De Lang liet de inboedel opslaan op verschillende locaties in de stad, waaronder in de synagoge aan de Gasthuisstraat 56, de daar- naast gelegen Joodse school, de sigarenfabriek N.V. de Tabaksplant aan de Neerwoldstraat en de Pasman-fabrieken aan de Eesveenseweg. Ook werden sommige meubels rechtstreeks naar een andere ontruimde woning van Joodse eigenaren verplaatst, waarin nieuwe bewoners (veel- al NSB’ers) inmiddels hun intrek hadden genomen. Het kwam regelmatig voor dat zij zich de spullen toe-eigenden en meenamen bij een volgende verhuizing of wanneer ze na de bevrijding uit het huis werden gezet. Op die manier raakten veel Joodse eigenaren delen van hun inboe- del kwijt. Na de slag om Arnhem in september 1944 herbergde Steenwijk veel evacués die o.a. werden ondergebracht in openbare gebouwen en in woningen van Joodse eigenaren.

Zij kregen meubelen en huisraad, wat eigendom was van Joodse Steenwijkers, in bruikleen, met als gevolg dat er eveneens spullen zoekraakten of bij vertrek werden meegenomen.20 Verkoop Woningen van Joodse eigenaren kwamen na ontruiming onder beheer te staan van de NGV. Het archief van het Kadaster bij Collectie Overijssel in Zwolle bevat een lijst die het Kadaster bijhield van de in beslag en onder beheer genomen onroerende goederen van Joodse eigenaren in het arrondissement Zwolle. Op deze lijst staan 36 percelen genoemd uit Steenwijk en Blokzijl, met daarbij aantekeningen over het beheer. Sommige panden waren volledig eigendom, maar het kwam in de gemeente Steenwijk ook voor dat de gemeente de eigenaar van de grond was en dat de bewoners het recht op erfpacht of het recht op opstal bezaten. Deze rechten waren ver- handelbaar.21 De NGV probeerde de Joodse panden zo snel mogelijk te verhuren of te verkopen. Dit gebeurde vaak via tussenpersonen, makelaars of de ANBO. Bij verkoop registreerde de NGV 16 de afgeronde transacties in de zogeheten Verkaufsbücher (of Vastgoedboeken) , waarvan er zeventien (van in totaal achttien) bewaard zijn gebleven in het Nationaal Archief in Den Haag. In deze boeken staan 22 panden genoemd uit Steenwijk en twee panden uit Blokzijl, die even- eens genoteerd staan op de lijst in het archief van het Kadaster.

Uiteindelijk zijn er in Steenwijk achttien panden verkocht, en twee in Blokzijl. Vier adressen in Steenwijk worden wel in de Ver- kaufsbücher genoemd, maar met zeer beperkte of onvolledige informatie.22 Van deze adressen vinden we in de gegevens van het Kadaster geen verkoop tijdens de oorlog terug. Vermoedelijk zijn deze transacties afgeblazen, al blijven de redenen hiervoor onbekend. Bij de adressen waar wel het huis is verkocht, staan verschillende gegevens vermeld, o.a. de oorspronkelijke eigenaar, de oorlogskoper, de beheerders, de bij de verkoop betrokken notarissen en de prijs (die vaak ver onder de marktwaarde lag) .23 Al vrij snel na de eerste deportaties vonden in Steenwijk de eerste transacties plaats. Transportondernemer en landwachtcommandant Thomas de Vries uit Grootegast kocht op 23 november 1942 voor 8.000 gulden via de ANBO twee woningen aan de Tukseweg 106 en 108 die eigendom waren van Marianna, Mozes en Margarita de Groot. In januari 1943 wisselden nog eens twee woningen van eigenaar: koopman Willem van der Struik uit Steenwijk kocht via de ANBO voor 3.100 gulden de woning aan de Molenstraat 26 die eigendom was van de zussen Bertha en Veronica Slager, en de Steenwijker caféhouder Klaas Bouwknecht kocht via de ANBO voor 4.200 gulden de woning aan de Gasthuislaan 46 die eigendom was van Abraham de Leeuw.

De verkoop van onteigende panden in Steenwijk en Blokzijl ging daarna gestaag verder. In de periode maart tot en met november 1943 deed de NGV vijftien woningen van Joodse eigenaren van de hand. Sommige oorlogskopers gingen na de koop zelf in het nieuwe huis wonen om zo hun eigen woonsituatie te verbeteren, zoals oorlogskoper Jacob Knol na de oorlog verklaarde. Hij had op 9 maart 1943 voor 4.600 gulden via de ANBO het huis aan de Noordersin- gel 21 gekocht, dat eigendom was van Joseph Slager.24 Andere oorlogskopers probeerden uit de verhuur of het doorverkopen van de woning winst te behalen. Zo kocht Freerk Bonne Harkema, groepsleider van de NSB in Blokzijl, op 8 juli 1943 via de ANBO voor 200 gulden het pand aan de Zuiderstraat 318 in Blokzijl, dat eigendom was van Mozes de Horst. Hij verkocht het een paar maanden later voor 400 gulden door aan een zekere Evert Scholte uit Lemmer. Mozes de Horst was intussen al op 14 mei 1943 vermoord in Sobibor. Het zwaartepunt van de verkoop van de panden lag in 1943. Naarmate de oorlog vorderde waren kopers en hypotheekverstrekkers minder geneigd hun vingers te branden aan onteigend Joods vastgoed. Op 15 februari 1944 vond in Steenwijk de laatste transactie van de oorlog plaats door limonadefabrikant Johannes Bouma uit Wolvega. Hij kocht via de ANBO voor 6.500 gulden het pand aan de Markt 32, dat eigendom was van Joseph Salomon Gokkes.

Gokkes had in oktober 1942 met zijn broer Marcus weten te ontsnappen uit kamp Westerbork en bracht de oorlog in de onderduik door. Nadat zijn inboedel op een lijst was opgemaakt, werden de meubelen opgeslagen in de fabriek van de NV De Tabaksplant en nam de Duitse Wehrmacht intrek in de woning. In de loop van 1944 verliet de Wehrmacht de woning en verkocht de NGV het pand via de ANBO aan Bouma.25 Zo lang een pand niet werd verkocht, bleef het onder beheer van de NGV of de ANBO. Die verhuurde de woning om er toch inkomsten uit te verkrijgen. Een opvallend voorbeeld hier- van is de woning aan de J.H. Tromp Meestersstraat 8 in Steenwijk, die eveneens eigendom was ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 17 van de zussen Bertha en Veronika Slager. Op 17 oktober 1942 hadden zij zich ‘op eigen verzoek’ laten opnemen in de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. De precieze achtergrond van deze opname is niet helemaal duidelijk, maar het kon niet voorkomen dat de zussen in handen van de bezetter vielen. De Duitsers haalden Het Apeldoornsche Bosch in de nacht van 20 op 21 januari 1943 leeg en zetten alle patiënten op transport naar Auschwitz, waar Bertha en Veronika Slager vier dagen later werden vermoord.26 Achttien dagen nadat de zussen Slager naar Het Apeldoornsche Bosch waren vertrokken, werd hun huis ontruimd.

Een politiea- gent noteerde hun inboedel op een lijst, waarna de spullen werden opgeslagen in de synagoge. De ANBO verhuurde het huis vervolgens vanaf 25 november 1942 aan NSB-burgemeester De Lang, die er tot het einde van de oorlog zou blijven wonen. Op een gegeven moment kwam de woning toch in de verkoop. Het was niet De Lang die het huis kocht, maar de al eerdergenoem- de oorlogskoper Klaas Bouwknecht. Op 9 maart 1943 betaalde hij de ANBO 7.250 gulden voor de woning. Burgemeester De Lang bleef huurder, maar huurde nu van Bouwknecht in plaats van de ANBO. In de procedure voor rechtsherstel na de oorlog gaf Bouwknecht op dat hij na aftrek van alle lasten en onderhoudskosten vanaf 9 maart 1943 in totaal 299,67 gulden aan huur had ontvangen. Of dit bedrag helemaal klopt is onduidelijk. In het dossier over Bouwknecht van het Nederlands Beheersinstituut (NBI) staat als huurinkomsten van het huis aan de Tromp Mees- tersstraat alleen al over de periode mei tot december 1944 een bedrag van 340 gulden vermeld. In de financiële administratie van de gemeente Steenwijk staan geen huurbetalingen voor het huis aan de Tromp Meestersstraat 8 vermeld.

De Lang huurde de woning op persoonlijke titel, in plaats van dat de gemeente een officiële ambtswoning voor haar burgemeester huurde.27 Het moge duidelijk zijn dat al deze transacties en verhuringen plaatsvonden tegen de wil van de oorspronkelijke Joodse eigenaren, die bovendien niets van de verkoop- of huurop- brengsten terugzagen. Zij waren gedeporteerd, vermoord of zaten in de onderduik, terwijl ze intussen werden beroofd van al hun bezittingen. Bedrijven De onteigening en liquidatie van Joodse bedrijven ging eveneens meteen na het begin van de Duitse bezetting van start. Al op 22 oktober 1940 moesten alle Joodse ondernemingen zich aanmelden bij de Wirtschaftsprüfstelle (Wsp) , met een opgave van het vermogen van hun onderneming. Op 12 maart 1941 werd besloten dat kleine Joodse bedrijven geliquideerd zouden worden en grote of economisch belangrijke Joodse ondernemingen voortgezet zouden worden door een zogeheten Verwalter (administrateur) . Het beheer van de grote bedrijven gebeurde door de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU) , terwijl de liquidatie van de bedrijven bij de hand werd gevat door de Duitse organisatie Omnia Treuhandgesellschaft.

Deze organisatie stelde op haar beurt curatoren (Sachbearbeiter) aan; veelal Nederlanders die de liquidatie zelfstandig uitvoerden, maar die zich moesten houden aan de richtlijnen van het hoofdkantoor. Zij werkten vanuit Sachbearbeiterbureaus in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Zwolle, Meppel, Enschede, Hengelo, Groningen, Leeuwarden en Den Bosch. Wanneer bedrijfspanden door de Joodse eigenaren verlaten waren, was de burgemeester ver- plicht ze zo snel mogelijk te laten verzegelen en dit aan de Omnia door te geven. De bedrijfsin- ventaris moest vervolgens strikt gescheiden worden van het privémeubilair en door de politie op een afzonderlijke locatie opgesloten en verzegeld worden. De gemaakte kosten zouden worden vergoed uit de opbrengsten van de Joodse eigendommen, liet Omnia-beauftragte Fried- 18 rich Besier op 20 november 1942 vanuit zijn standplaats Meppel aan burgemeester De Lang van Steenwijk weten.28 Een paar maanden daarvoor, op 27 juni 1942, had waarnemend burgemeester Van Pan- thaleon van Eck van commissaris Von Bönninghausen al de opdracht gekregen om binnen drie dagen een lijst van Joodse bedrijven in zijn gemeente op te sturen, voor zover dit kleinhandel als levensmiddelen en groenten, etc. betrof. Van Panthaleon van Eck speelde die opdracht door aan zijn politie-inspecteur Uiltje Bergsma, die de burgemeester nog diezelfde dag een lijst met Joodse zaken stuurde.

Bergsma merkte daarbij op dat naar zijn overtuiging er niet één viel onder de door Von Bönninghausen vermelde criteria. In het archief van de gemeente Steenwijk zijn twee lijsten met bedrijven bewaard gebleven. Eén wat uitgebreidere lijst met daarop zeventien bedrijven, en een iets kortere lijst met dertien bedrijven. Op de eerste lijst zijn de lompen- en metalenhandel van Meijer Kan, de exportslagerij van Joseph Slager, de manufacturenhandel van Matthijs van Goor, de exportslagerij van Marcus Slager en de specerijenhandel van Frits Polak doorgestreept. Kennelijk vielen zij inderdaad niet onder de voorwaarden van kleinhandel. Van in ieder geval de specerijenhandel van Polak is bekend dat deze zaak niet werd geliquideerd, maar door de Duitsers werd voortgezet door een Verwalter. Op de ingekorte lijst met dertien bedrijven zijn eveneens nog een paar bedrijven doorgestreept, waardoor uiteindelijk tien zaken overbleven. Deze lijst stuurde burgemeester Van Panthaleon van Eck op 29 juni 1942 door naar commissaris Von Bönninghausen. Het is niet geheel duidelijk of deze lijsten gebruikt werden voor de liquidatieprocedures die de Omnia startte.

Veel bedrijfs- en vermogensgegevens had de Duitse bezetter al verzameld bij de verplichte aanmelding in 1940 en sommige zaken waren al in het voorjaar van 1942 geliquideerd.29 In het archief van de Omnia, dat bewaard is gebleven bij het NIOD, zitten zeven dossiers van Joodse bedrijven uit Steenwijk en één dossier van een bedrijf uit Blokzijl. Bij de liquidaties werd eerst een inschatting gemaakt van de waarde van de inventaris en andere bezittingen van de bedrijven. Vervolgens probeerde de Omnia-curator dit te gelde te maken. Zo werd de waarde van winkelinventaris van de slagerij van Simon Slager aan de Scholestraat 15 geschat op 1.100 gulden. De inboedel werd verkocht aan een zekere J.B. Nacken uit Almelo. Nacken schreef op 19 februari 1944 in een brief dat hij bij de firma Slager was geweest om de inventaris te bezich- tigen en dat dit gebeurde ‘onder toezicht van een gemeentebeambte’. Daarna stuurde Nacken zijn zoon en een knecht om de inventaris op te halen en te vervoeren, eerst per vrachtwagen, daarna per boot: ‘Ook bij hun was politietoezicht aanwezig’, schrijft Nacken. Directe aanleiding van zijn brief was een verdwenen vleesmolen uit de slagerij van Siegfried de Leeuw aan de Oosterstraat 30. Nacken had de inboedel van deze zaak eveneens gekocht, maar de vleesmolen was bij het ophalen van de spullen niet meer aanwezig. Bij de liquidatie ging de Omnia grondig te werk.

De curator nam zelfs de openstaande vorderingen mee van de Joodse eigenaren bij hun klanten, o.a. in het geval van de manufacturenzaken van Saartje Slager-Zeehandelaar en Abra- ham de Leeuw uit Steenwijk, en van Soes Manus de Horst uit Blokzijl. De klanten kregen van de curator een aanmaning om hun openstaande rekeningen te betalen, zodat die inkomsten bij het totale bedrijfsvermogen opgeteld konden worden. Nadat de ondernemingen waren ontmanteld, droeg de curator het bijbehorende onroerend goed over aan de NGV, met de opdracht het pand te verkopen. Eventueel openstaande hypotheken werden met de opbrengsten van de verkoop afgelost, waarna de curator het restbedrag stortte op de rekening van de Liro-bank.30 Op deze manier werden de kleinere Joodse bedrijven in Steenwijk en Blokzijl geliquideerd. De ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 19 grotere ondernemingen, zoals de firma Polak uit Steenwijk, draaiden tijdens de oorlog door onder een Verwalter, al betekende dit niet dat deze bedrijven ongeschonden uit de oorlog kwa- men. Zo bleken in het geval van Polak de machinerie en een in maart 1941 voor 7.800 gulden nieuw gekochte Pontiac personenauto ontvreemd. Deze auto was in het magazijn verstopt, maar toen de Verwalter hem ontdekte verkocht hij hem voor eigen gewin aan een NSB’er in Zaandam.

Na de bevrijding lukte het directeur Frits Polak de auto weer op te sporen en toege- wezen te krijgen, maar hij moest toen wel 3.100 gulden toebetalen.31 De laatste Verwalter was Gertrud Wolniewicz, die samen met haar man Wilhelm Wolniewicz woonde in de bij de firma horende villa Zonnehoek aan de J.H. Tromp Meestersstraat 2 in Steenwijk. Toen het echtpaar na Dolle Dinsdag (5 september 1944) naar Duitsland was gevlucht, had Wolniewicz als zekerheids- stelling voor zijn achtergelaten meubelen 20.000 gulden op laten nemen uit de bedrijfskas, evenals 2.375 gulden aan reisgeld. Later heeft het echtpaar haar meubels uit Zonnehoek op laten halen, maar zonder de zekerheidsstelling van 20.000 gulden terug te betalen. Het leegro- ven van Joodse bedrijven, zoals de firma Polak, veroorzaakte grote financiële schade aan Joodse bedrijven.

Na de oorlog was Frits Polak genoodzaakt villa Zonnehoek te verkopen en de op- brengst daarvan in zijn bedrijf te stoppen.32 Bevindingen Door de woninglijsten die tijdens de oorlog zijn opgesteld door de Steenwijker burgemeester De Lang, de lijst van het kadaster en de gegevens uit de Verkaufsbücher te combineren met relevante literatuur en gegevens over de Joodse gemeenschappen in de Kop van Overijssel33, hebben we voor elk bekend pand van Joodse eigenaren in de rechtsvoorgangers van de ge- meente Steenwijkerland de eigendomsgeschiedenis tijdens en na de bezettingstijd geprobeerd te reconstrueren. Ook hebben we oproepen geplaatst in de nieuwsbrief van de Joodse begraaf- plaats Steenwijk, de Steenwijker Courant en het Nieuw Israëlitisch Weekblad om nabestaanden van Joodse inwoners uit de Kop van Overijssel die niet bij ons in beeld waren, op de hoogte te stellen van het onderzoek en hen uit te nodigen informatie te delen uit overlevering of uit een (familie) archief. Hierop hebben we verschillende reacties ontvangen, die vooral behulpzaam zijn geweest bij de reconstructie van de context waarin de onteigening en roof van Joodse bezit- tingen heeft plaatsgevonden. Door deze samenvoeging van bronnen hebben we de kans dat we (on) roerende goederen van Joodse eigenaren of andersoortige informatie over het hoofd zien zoveel mogelijk beperkt.

In het kadaster hebben we vervolgens gezocht naar de achtereenvol- gende eigenaren aan het begin, tijdens en na de oorlog. Ook hebben we in de woningkaarten in de bevolkingsadministratie van de gemeenten Steenwijk, Steenwijkerwold, Blokzijl en Vollen- hove gekeken naar de achtereenvolgende bewoners, om op die manier eveneens te reconstru- eren wie er wanneer in o.a. niet-verkochte panden van Joodse eigenaren en huurhuizen heeft gewoond. Op deze manier is het in vrijwel alle gevallen gelukt om een reconstructie van de eigendoms- en bewoningsgeschiedenis van het Joods onroerend goed in de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland te maken. Hoewel voor sommige panden de beschikbare informatie onvolledig was om een compleet beeld te krijgen, geeft de verzamelde informatie een goed overzicht van de Joodse eigendommen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Deze informatie is als bijlage bij dit onderzoeksrapport toegevoegd. In het overzicht en op basis van het hiervoor beschreven onderzoek vallen een aantal zaken op: 20 Bij geen van de woningen komt de gemeente Steenwijk, Steenwijkerwold, Blokzijl of Vollenhove tijdens de oorlog in beeld als koper van Joods onroerend goed uit eerste, tweede of derde hand. Ook de namen van de voor de oorlog aangestelde burgemeesters, de waarnemend burgemees- ters of hun NSB-opvolgers komen niet als eigenaar voor.

Wanneer het betreffende onroerend goed verkocht werd, gebeurde dit aan particulieren, veelal NSB’ers, of andere opportunisten die dachten of probeerden financieel voordeel uit de aankoop van Joods (on) roerend goed te halen. Buiten de in de Verkaufsbücher vermelde transacties hebben we in dit onderzoek geen andere verdachte koopovereenkomsten gevonden. NSB-burgemeester De Lang van Steenwijk komt vanaf 25 november 1942 tot aan 1 oktober 1946 wel voor als bewoner van het huis J.H. Tromp Meestersstraat 8 in Steenwijk. In de praktijk zal hij hier niet tot in 1946 hebben gewoond, maar was hij vanaf de bevrijding geïnter- neerd. De woning aan de Tromp Meestersstraat was eigendom van de Joodse zussen Bertha en Veronica Slager, maar werd op 9 maart 1943 voor 7.250 gulden verkocht aan NSB’er en caféhou- der Klaas Bouwknecht. De Lang betaalde eerst huur aan de ANBO en later aan Bouwknecht. In de financiële administratie van de gemeente Steenwijk staan geen huurbetalingen voor deze woning vermeld. De huur door burgemeester De Lang was een particuliere aangelegenheid.34 In het beschikbare bronmateriaal wijst niets erop dat de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland tijdens de Tweede Wereldoorlog geprobeerd hebben direct voordeel te behalen uit het vrijgekomen onroerend goed van haar Joodse inwoners.

Wel was er sprake van een faciliterende rol bij de uitvoering van de Duitse maatregelen om de Joodse inwoners te isoleren en te verwijderen uit de samenleving. Voorbeelden hiervan zijn de ambtelijke, zakelijke en ogenschijnlijk soms al te ijverige houding van de Steenwijker (waarnemend) burgemeesters Goeman Borgesius, Hagemeijer en Van Panthaleon van Eck ten opzichte van Joodse inwoners als Julia de Vries, Levi Drukker, Isaac Madiewski en Isaac Casoetto. Vooral deze laatste kwestie is opvallend, omdat waarnemend burgemeester Hagemeijer hier op eigen initiatief een al dan niet bewuste onvolkomenheid in de registratie van Joodse personen meldde aan de Duitse bezetter, met voor Casoetto uiteindelijk fatale gevolgen. In zowel de zaken van Madiewski en Casoetto was het waarnemend burgemeester Van Panthaleon van Eck die de kwesties uiteindelijk ‘afwikkelde’, terwijl hij op verzoek van commissaris Von Bönninghausen eveneens informatie verschafte over de in de gemeente Steenwijk aanwezige kleinere Joodse bedrijven. Enerzijds moeten we dit handelen beoordelen in het licht van de lastige spagaat waarin burgemeesters in oorlogstijd zaten. Als ze aanbleven, waren ze gedwongen uitvoering te geven aan de Duit- se maatregelen. Maar als ze aftraden, zou hun plaats waarschijnlijk worden ingenomen door een NSB’er, wat de situatie naar verwachting alleen nog maar zou verergeren.

Anderzijds wijst het handelen van de Steenwijker burgemeesters niet op pogingen vanuit de gemeente om de doorgang van anti-Joodse maatregelen tegen te werken of te verhinderen. In dat licht bezien hadden de Joodse inwoners weinig steun van hun gemeentebestuur te verwachten. Hierbij moet worden opgemerkt dat burgemeester Goeman Borgesius kennelijk wel het vertrouwen genoot van de Joodse gemeente, gezien het feit dat Meijer Asser de Lange hem in 1943 tot aan het einde van de oorlog de kas van het kerkbestuur van de Joodse gemeente in bewaring gaf. Goeman Borgesius was op dat moment overigens niet meer in functie. Vanaf het moment (13 juli 1942) dat Steenwijk in de persoon van Johannes Pieter de Lang een NSB-burgemeester kreeg, verergerde de situatie inderdaad. De Lang werkte actief mee aan de uitvoering van de anti-Joodse bezitsverordeningen. Hij voorzag de Duitse bezetter van ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 21 informatie en lijsten over woningen van Joodse eigenaren, die vervolgens werden geroofd en gedwongen verkocht. Ook zorgde De Lang voor de ontruiming van woningen en bedrijven, liet hij de politie inventarislijsten aanleggen en zorgde hij voor opslag van de inboedel.

De meubels en het huisraad van Joodse eigenaren werd vervolgens in bruikleen gegeven aan zowel NSB’ers als evacués die tijdelijk in Steenwijk verbleven, met als gevolg dat veel spullen kwijtraakten of werden gestolen. Zowel het beheer en de verkoop van Joodse woningen, als de liquidatie van Joodse bedrijven ging via de NGV en de Omnia, en dus buiten De Lang en het gemeenteapparaat om, al hield de politie wel toezicht wanneer de Omnia de inboedel van een bepaald bedrijf had verkocht. De Lang was uitstekend op de hoogte van wat er met het Joodse onroerend goed in zijn gemeente gebeurde, getuige ook het feit dat hij al binnen net iets meer dan maand na het vertrek van de Joodse zussen Bertha en Veronica Slager naar Het Apeldoornsche Bosch zelf in hun huis aan de J.H. Tromp Meestersstraat 8 ging wonen. Over het handelen van de burgemeesters van de gemeenten Steenwijkerwold, Blokzijl en Vollenhove bij de onteigening en roof van Joodse bezittingen tijdens de Tweede Wereldoor- log valt, vanwege een gebrek aan informatie, minder te zeggen. Vanuit Steenwijkerwold is Her- man de Groot weggevoerd en vermoord, maar over zijn woning hebben we geen eigendomsge- gevens kunnen achterhalen. Vanuit Vollenhove zijn de Joodse mannen David en Simon de Levie gedeporteerd en vermoord, terwijl hun moeder Froukje de Levie-Simons in de onderduik de oorlog overleefde.

Zij woonden in de Visscherstraat in een huurwoning, die na hun verdwijning werd verhuurd aan niet-Joden. Na de oorlog woonde Froukje de Levie in Hoogeveen, Groningen en Den Haag. Vanuit Blokzijl werden twee Joodse families, bestaande uit acht personen weggevoerd en vermoord. Burgemeester Van den Berg bleef de hele oorlog in functie en moest de steeds verder gaande Duitse maatregelen uitvoeren. Bij hun deportatie werd de familie van Soes Ma- nus De Horst mogelijk opgehaald door de plaatselijke politie, al zou die hen vooraf ook hebben gewaarschuwd. Na het vertrek van het gezin De Horst verzegelde de burgemeester hun woning aan de Kerkstraat en werd het pand leeggehaald. Door wie is onduidelijk, maar in lijn met de instructies van commissaris Vogt is dit waarschijnlijk eveneens in opdracht van de burgemees- ter gebeurd. Een aantal spullen en het meubilair werden in een schuur op het perceel opgesla- gen.35 De manufacturenzaak van Soes Manus de Horst werd geliquideerd door de Omnia. In het betreffende Omnia-dossier bij het NIOD lezen we dat burgemeester Van den Berg in oktober 1943 uit de inboedel van De Horst een naaimachine en een kast met glazen ter beschikking stelde aan een boerengezin uit Ambt-Vollenhove, van wie de boerderij vanwege lidmaatschap van de NSB in brand zou zijn gestoken.

Ook zou de Duitse Wehrmacht twee deurmatten hebben meegenomen.36 De deportatie van Mozes de Horst en zijn gezin vond enkele maanden later in april en mei 1943 plaats, maar over deze verdere gang van zaken is vrijwel niets bekend. Wel is duidelijk dat de panden van Mozes de Horst in de Zuiderstraat door de ANBO in 1943 zijn verkocht aan particuliere oorlogskopers. Volgens een naoorlogse verklaring van Evert Scholte, die het pakhuis aan de Zuiderstraat 318 kocht van oorlogskoper Freerk Bonne Harkema, had hij burgemeester Van den Berg om toestemming gevraagd het bouwvallige pand op te mogen knappen en bewoonbaar te maken. Van den Berg stemde hier mee in, aldus Scholte.37 Verder komen we tijdens de oorlog geen betrokkenheid van de gemeente Blokzijl tegen. 22 Rechtsherstel na de oorlog 5 N a de oorlog was in de Kop van Overijssel alleen in Steenwijk nog een kleine Joodse gemeenschap over. Ongeveer de helft van de Joodse Steenwijkers wist de oorlog te overleven, meestal in de onderduik. De synagoge en het interieur daarvan waren in de oorlog behouden gebleven, ondanks het feit dat het ge- bouw als opslagruimte voor de inboedel van Joodse woningen was gebruikt. Op 20 mei 1945 kwamen de teruggekeerde leden van de Joodse kerkelijke gemeente onder voor- zitterschap van Mozes van Zuiden weer voor het eerst bij elkaar.

Zij besloten om een ‘Comité voor Joodsche belangen’ op te richten, waarvan Van Zuiden, Jacob Adler, Meijer Kan, Siegfried de Leeuw en Marcus Gokkes de leden vormden. Over de activiteiten van dit comité is weinig bekend. Het vormde waarschijnlijk de verbinding met het landelijke Centraal Comité voor Joodsche Belangen, dat al in het najaar van 1944 in het bevrijde Eindhoven was opgericht. Ook hielp het bij de registratie van Joodse kinderen en volwassenen die terugkeerden uit de kampen en onderduik. Mozes van Zuiden organiseerde ‘op bepaalde uren en plaats’ een soort spreekuur om vragen en inlichtingen over Joodse zaken ‘te beantwoorden en te behartigen’. Hoe vaak en tot wanneer hij deze zittingen heeft gehouden, en welke onderwerpen daar ter sprake kwamen, is niet bekend.38 Na verloop van tijd werd duidelijk dat de Joodse gemeente door de oorlog en door het vertrek van Joodse Steenwijkers na de oorlog te klein was geworden om een synagoge en een voorganger te kunnen bekostigen. De laatste huwelijksinzegening in de synagoge vond plaats in 1947. In 1951 verkocht de Joodse gemeente het gebouw aan Hendrik en Moos de Vroome, die het verbouwden tot garage. Uiteindelijk werd het pand in 1984 gesloopt. De Joodse gemeente van Steenwijk werd op 7 juni 1964 opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd.

De Joodse gemeente van Blokzijl was al in 1947 formeel opgeheven.39 Geen enkel lid van die gemeenschap had de oorlog overleefd. Rechtsherstel Mogelijk heeft het Comité voor Joodsche belangen in Steenwijk de teruggekeerde Joodse inwoners gewezen op de mogelijkheid om rechtsherstel voor hun geroofde bezittingen aan te vragen, of hield ze de invoering van de naoorlogse herstelwetgeving voor hen nauwlettend in de gaten. In 1942 was de Nederlandse regering in Londen al met de voorbereidingen hiervan ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 23 begonnen, wat op 9 augustus 1945 leidde tot de oprichting van de Raad voor het Rechtsherstel (RvR) . Uitgangspunt van het overheidsbeleid was dat getroffenen alles moesten terugkrijgen wat hun tijdens de oorlog wederrechtelijk was ontnomen.40 Voor de bezittingen van tijdens de oorlog vermoorde Joden stelde de regering via het NBI beheerders aan die hun nalatenschap- pen regelden en, vaak op verzoek van nabestaanden, rechtsherstel aanvroegen. Soms gebeurde het dat een (verre) verwant als erfgenaam werd aangemerkt, maar dat diegene niet wist dat zijn familie in het bezit was geweest van een woning. In zo’n geval kon de oorlogskoper met de aankoop wegkomen, helemaal als hij geen bekende collaborateur of veroordeelde NSB’er was.

Binnen de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland zijn we dergelijke gevallen niet tegengekomen.41 Joodse overlevenden moesten, om hun bezittingen terug te krijgen, zelf een aanvraag voor een procedure van rechtsherstel indienen. Voor zowel woningen als bezittingen van door de Duitsers geliquideerde Joodse bedrijven gold dezelfde procedure. Uit landelijk onderzoek en studies voor andere gemeenten is bekend dat rechtsherstel in veruit de meeste gevallen heeft plaatsgevonden. Bij de meeste teruggaven kwam een minnelijke schikking tot stand, waarbij de koop nietig werd verklaard. Oorlogskopers en oorspronkelijke eigenaren of nabestaanden gin- gen met elkaar om tafel om er onderling uit te komen. Onder begeleiding van een notaris-be- middelaar werd een rekensom gemaakt waarbij de kosten die de oorlogskoper had gemaakt sinds het moment van koop werden afgezet tegen de inkomsten die hij had verkregen uit de woning. Kosten die werden meegenomen varieerden van onderhoudsuitgaven, renovaties, verzekeringen, energierekeningen en betaalde belastingen, terwijl de baten vaak bestonden uit huurinkomsten. Ook werd gekeken of er nog een hypotheek op het betreffende onroerend goed rustte, en of deze door de oorlogskoper was afgelost. De kosten voor de procedure van rechts- herstel kwamen bijna altijd voor rekening van de oorlogskoper.

De procedures van rechtsherstel vielen onder de verantwoordelijkheid van de lan- delijke overheid. Gemeenten waren hierbij niet betrokken, tenzij ze tijdens de oorlog Joods vastgoed hadden gekocht. In dat geval werd een gemeente zelf onderdeel van de procedure van rechtsherstel. In het vorige hoofdstuk toonden we aan dat dit in de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland niet aan de orde was. Wel heeft er met uitzondering van één geval, waarop we later terugkomen, voor alle transacties van Joods vastgoed in ons onderzoeks gebied rechtsherstel plaatsgevonden. De meeste oorspronkelijke eigenaren of hun nabestaanden kregen hun eigendom terug. Schikkingen Het is interessant om te kijken hoe het rechtsherstel in de praktijk in z’n werk ging, bijvoorbeeld bij het huis aan de Meppelerweg 2a in Steenwijk. Hier woonde de Joodse vertegenwoordiger Hein de Groot, die de oorlog in de onderduik zou overleven. Op 8 juli 1943 verkocht de ANBO in opdracht van de NGV zijn woning voor 7.750 gulden aan aannemer en NSB-lid Cornelis Witziers. Na de bevrijding vroeg De Groot op 13 juni 1946 rechtsherstel aan. Onder begeleiding van no- taris-bemiddelaar Lubbertus Volkers uit Steenwijk gingen beide partijen op 9 september 1947 met elkaar om tafel om tot een minnelijke schikking te komen.

Voor de periode dat Witziers tijdens de oorlog in het huis woonde, werd in totaal 810 gulden huur gerekend. Na aftrek van de door Witziers betaalde vaste lasten en onderhoudskosten bleef er een bedrag van 335,84 gulden over, dat Witziers aan De Groot moest vergoeden. De Groot betaalde achteraf dus zelf 24 de bedragen voor de lasten en het onderhoud over de periode dat hij ondergedoken zat. In de rechtsherstelprocedure was dit de gangbare praktijk. De gemeente speelde hierin verder geen rol. Voor het aankoopbedrag van 7.750 gulden hield Witziers een vordering bij de NGV. Of hij dit bedrag uiteindelijk ook heeft teruggekregen, is niet bekend. Met de ondertekening van de schik- king werd de koop ongedaan gemaakt en vond er dus rechtsherstel plaats. De kosten voor deze procedure kwamen voor rekening van Witziers.42 Het merendeel van de minnelijke schikkingen werd opgesteld volgens de hiervoor beschreven wijze. Toch gebeurde het soms dat de oorspronkelijke Joodse eigenaren of hun na- bestaanden er financieel meer bij in schoten, zoals in het geval van Clara van der Horst-Nihom. Zij was op 28 mei 1943 met haar drie kinderen Betty, Joseph en Margreet in Sobibor vermoord. Na de bevrijding werd haar broer Salomon Nihom aangesteld als bewindvoerder over haar na- latenschap. Hij vroeg in juni 1946 rechtsherstel aan voor haar huis aan de Markt 10 in Steenwijk.

Oorlogskoper Reinder Berger had deze woning op 15 november 1943 via de ANBO van de NGV voor 8.750 gulden gekocht, waarvan hij 5.700 gulden gebruikte om de hypotheek af te lossen die bij de Arnhemse Hypotheekbank voor Nederland op het pand rustte. Bij de minnelijke schikking kwamen de partijen overeen om de partij Nihom in haar eigendomsrechten te herstellen, maar daarvoor moest Nihom nog wel aan Berger een bedrag van 6.389,75 gulden, inclusief rente vanaf 1943, (na verrekening van huur en vaste lasten) betalen. Berger had bij zijn aankoop immers de hypotheek afgelost. Uit de nalatenschap van Nihom was dit geld niet zomaar beschikbaar, zodat de nabestaanden gedwongen waren de woning aan de Markt te verkopen. Dit gebeurde in 1950 aan Joseph Salomon Gokkes. Hoewel er dus rechtsherstel plaats had gevonden, waren de nabe- staanden van Nihom het huis aan de Markt 10 alsnog kwijt.43 Het proces van rechtsherstel ging vaak gepaard met veel bureaucratische omhaal, wat veel tijd kostte, en frustraties en financiële schade opleverde. In sommige gevallen weigerde de oorlogskoper zelfs helemaal om mee te werken, zoals fruithandelaar Willem van der Struik uit Steenwijk. Hij had op 25 januari 1943 via de ANBO voor 3.100 gulden het pand aan de Molen- straat 26 gekocht, dat eigendom was van de zussen Bertha en Veronica Slager.

Om deze aankoop te financieren leende Van der Struik 1.600 gulden bij de al eerdergenoemde Klaas Bouwknecht, die zelf ook woningen die Joods eigendom waren had gekocht. Op 21 augustus 1946 vroeg de bewindvoerder van de zussen Slager rechtsherstel aan. Na de bevrijding was Van der Struik in het huis blijven wonen, tegen betaling van 5,25 gulden huur per week aan de nalatenschap van de zussen Slager. In de procedure van rechtsherstel werd geprobeerd om de koop ongedaan te maken, maar daarvoor moest Van der Struik eerst het door hem van Bouwknecht geleende bedrag aflossen. Van der Struik liet weten dat hij dit geld niet had en werd op een gegeven mo- ment zelfs failliet verklaard (wat later weer werd opgeheven) . Ook reageerde Van der Struik niet meer op berichten en aanmaningen. Zelfs zijn eigen raadsman G. Benthem kon hem bijna niet bereiken en verzuchtte op een gegeven moment: ‘Ik weet werkelijk niet hoe ik deze man bij de jas moet krijgen.’ Het hele proces duurde zo lang, dat de afdeling Onroerende Goederen van de Raad voor Rechtsherstel uiteindelijk op 23 juli 1953 besloot tot ontbinding van de oorlogskoop.

De partij Slager werd alsnog in haar eigendomsrechten hersteld, maar daar was bijna acht jaar overheen gegaan.44 ‘ Wij zitten hier met een moeilijk geval’ 25 Rechterlijke uitspraak De enige zaak waarin uiteindelijk geen minnelijke schikking en rechtsherstel plaatsvond, maar waarvoor een rechterlijke uitspraak van de Raad voor Rechtsherstel kwam, betrof het pand van Abraham de Leeuw aan de Gasthuisstraat 35/37. De Leeuw en zijn vrouw Sebilla de Leeuw- Schaap waren op 12 oktober 1942 in Auschwitz vermoord. Hun woning was op 15 maart 1943 voor 8.500 gulden via de ANBO gekocht door buurman Pieter Logtmeijer. Op 26 februari 1947 vroeg de bewindvoerder over de nalatenschap van De Leeuw, mr. David Sanders, rechtsherstel aan, maar het lukte de partijen niet om tot een minnelijke schikking te komen. In de daaropvol- gende rechtszaken en hoger beroepen vertelde Logtmeijer dat zijn aankoop van de woning met De Leeuw was afgesproken, en dat hij voorafgaand aan diens deportatie zelfs een bedrag van 8.650 gulden hiervoor van De Leeuw had ontvangen. Dit bedrag zou een tegenprestatie zijn van aan De Leeuw ‘geleverde diensten’, aldus Logtmeijer. De Leeuw was in de eerste oorlogsjaren zeer angstig voor wat hem als Joodse man te wachten stond en durfde bijna niet in zijn eigen huis te verblijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/622f6cfa-d921-43ee-884a-de464f159b18?agendaItemId=1f5e189b-1e0e-4059-8179-942505f2bc4f