ONTWERP Toelichting Leiweg 7 Steenwijkerwold.pdf
Tekst van het document
De stallen staan in de verkavelingsrichting en op het achtererf van het be- drijf. Het huidige bedrijf mist een landschappelijke kader, door een zorgvuldige land- schappelijke inpassing kan dit worden hersteld. Ten aanzien van detaillering en materi- aalgebruik wordt aangesloten bij de huidige situatie. Het plan is hiermee in lijn met de welstandsnota. De daadwerkelijke gebouwen en het kleur- en materiaalgebruik zal wor- den getoetst door de welstandscommissie in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouw. 3.5 Randvoorwaarden van het beleid Het planvoornemen tot vergroting van het bouwvlak past niet binnen de beheersverorde- ning. Het plan betreft een nieuwe ontwikkeling waar in de beheersverordening geen ruim- te voor is. Mede gezien het conserverende karakter. Het plan past onder voorwaarden wel binnen het provinciale en gemeentelijke beleid. Een belangrijke voorwaarde om medewer- king te verlenen is de kwaliteitsimpuls in de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en socia- le kwaliteit van het plan. Op de ruimtelijke kwaliteit van dit plan zal in het volgende hoofdstuk worden ingegaan. Het aspect duurzaamheid en sociale kwaliteit is besproken in paragraaf 3.2.4.
NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 32 Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische aspecten 4.1 Invloeden omgeving op het plangebied en vice versa De uitbreiding van dit agrarische bedrijf met intensieve veehouderij en akkerbouw activi- teiten heeft invloed op de omgeving. De omgeving bestaat uit agrarisch gebied met hoofd- zakelijk agrarische bedrijven en enkele woonbestemmingen (voormalige agrarische bedrij- ven). In dit hoofdstuk onderzoeken we de belangrijkste milieu hygiënische en planolo- gische effecten van de bedrijfsuitbreiding. 4.2 Milieueffectrapportgage Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikke ling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijk milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in ve rband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C -225/08).
Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r. - beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd ge zag of een m.e.r.-procedure moet worden opgestart. 4.2.1 Onderzoek Onderhavige ontwikkeling betreft een bouwvak vergroting voor om het bestaande bedrijf te kunnen verduurzamen en om te schakelen naar het 1 ster concept van de dierenbe- scherming. In de vergunde als in de gewenste situatie kunnen op het bedrijf 39.000 vlees- kalkoenen worden gehouden. De aanpassing van het bouwvlak betreft een wijziging en oprichting van een bedrijf voor in totaal minder dan 40.000 stuks pluimvee. Daarom is voor de bedrijfsaanpassing ingevolge het Besluit milieueffectrapportage van 1994 een plan-MER niet verplicht. Daarnaast gelden er geen andere redenen die het opstellen van een plan-MER noodzake- lijk maken. Zo is het plan gelegen op ruime afstand van Natura 2000-gebieden, waardoor areaalverlies, versnippering, verstoring en verandering van de waterhuishouding op voorhand zijn uit te sluiten. Voor wat betreft stikstofdepositie op de Natura 2000 geldt dat op 1 december 2015 een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wetnatuurbe- scherming is verleend met het kernmerk: 2015/0366276. In deze vergunning is gebruik ge- maakt van ontwikkelingsruimte in het kader van de Programmatische aanpak stikstof (PAS).
Voor dit programma is per Natura-2000 gebied een passende beoordeling gemaakt. Er is geen reden om voor dit project afzonderlijk nog een passende beoordeling te maken. 4.2.2 conclusie Aangezien er sprake is van een bedrijf met 39.000 stuks pluimvee (vleeskalkoenen) wordt de grens van categorie D.14 (40.000 stuks pluimvee) in bijlage 1 bij het Besluit-m.e.r. niet overschreden. Er is ook geen reden om een passende beoordeling op te stellen omdat dit ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 33 al is gedaan in het kader van de PAS. Er zal geen planMER worden opgesteld en geen uit- gebreide m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wel worden de milieugevolgen van de be- drijfsuitbreiding uitgebreid in beeld gebracht in de volgende paragrafen. 4.2 Flora en fauna De iniatiefnemers zijn voornemens een bestaand agrarisch bouwvlak te vergroten om de verdere ontwikkeling van het bedrijf te faciliteren. Daarvoor is een inrichtingsschets opge- steld zoals bijgevoegd in bijlage 3. Ter plaatse van de nieuwe stal H is een bestaande sloot gelegen, deze dient te worden gedempt om voldoende ruimte te krijgen voor het realiseren van de stal. Het vergroten van het bouwvlak is in het kader van de Wet natuurbescher- ming aan te duiden als een ‘handeling’, meer specifiek als ‘ruimtelijke inrichting of ont- wikkeling’.
Er is onderzoek gedaan naar de effecten op gebieden en op soorten. Hiervoor is onder andere door een ecoloog een veldbezoek afgelegd. In deze paragraaf presenteren wij de uitkomsten van de uitgevoerde (bureau)onderzoeken 4.2.1 Gebiedsbescherming Nationaal Natuurnetwerk (NNN) Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV) heeft in 1990 de Ecolo- gische Hoofdstructuur ( EHS) geïntroduceerd. De EHS bestaat uit een netwerk van na- tuurgebieden. Op initiatief van het Rijk is de afgelopen jaren nogmaals gekeken naar de doelstelling voor de EHS, met name het areaal nieuw te realisere n natuur is nogmaals goed tegen het licht gehouden. Ook is de naamgeving gewijzigd in Natuur Netwerk Ne- derland (NNN). Op 3 juli 2013 hebben Provinciale Staten de Actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld (PS/2013/412). Daarmee staat ook de herbegrenzing van de EHS vast. De EHS maakt on- derdeel uit van de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW). Met de ONW - gebieden buiten de EHS wordt ruimte gecreëerd voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties (bijvoorbeeld nieuwe landgoederen). De Zone Ondernemen met Natuur en Water is globaal begrensd. De EHS is op perceelsniveau begrensd. Zoals uit figuur 4-1 blijkt ligt het plangebied (rode pijl) niet in de EHS. De afstand tot het meest dichtbij gelegen gebied is 1,4 kilometer.
Effecten van de bouw- als gebruiksfase van het project kunnen dan ook worden uitgesloten. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 34 Figuur 4-1 Ligging van het plangebied nabij het NatuurNetwerk Nederland / EHS (Bron: Atlas van Overijssel) Nationale Landschappen Nederland kent twintig Nationale Landschappen. De Nationale Landschappen worden gekenmerkt door een bijzondere samenhang tussen landschapselementen als natuur, reli- ef, grondgebruik en bebouwing. Nationale Landschappen worden beschermd op grond van hun archeologisch of cultuurhistorisch waardevolle eigenschappen. In de provincie Overijssel liggen twee Nationale Landschappen, namelijk de IJsseldelta en Noordoost- Twente. Het bedrijf is niet gelegen in deze landschappen, effecten op deze Nationale land- schappen kunnen dan ook bij voorbaat worden uitgesloten. Natuurbeschermingswetgebieden Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan na- tuurbescherming. Daarom is in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die ge- richt is op gebiedsbescherming.
Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht, welke het wettelijk kader is voor; • het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de be- standdelen daarvan • ter uitvoering van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de in- standhouding van de natuurlijke habitats • de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206) • richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement: het behoud van de vogelstand • diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreig- de dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) maakt ook onderdeel uit van de Wet natuur- bescherming. De PAS steunt op twee pijlers om de doelen van Natura 2000-gebieden ze- ker te stellen, daling van stikstofdepositie en ecologische herstelmaatregelen. Een deel van 1,4 kilometer ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 35 de daling mag worden gebruikt voor nieuwe economische activiteiten. De volgende twee basisprincipes vormen de basis van de PAS: • Het blijvend laten dalen van de stikstofdepositie door het nemen van maatregelen aan de bron. • Het uitvoeren van herstelmaatregelen voor stikstofgevoelige natuur. Vrijwel elke veehouderij dient te beschikken over een vergunning Wet natuu rbescher- ming. Het bevoegd gezag hiervoor is de provincie waarin het bedrijf is gelegen.
Om de stikstofdepositie op de omliggende natuur te kunnen berekenen is sinds 1 juli 2015 het re- kenprogramma Aerius calculator beschikbaar. Op basis van de gegevens van de dierver- blijven, zoals het huisvestingssysteem, de ventilatie en het aantal dieren, wordt de stik- stofdepositie op de omliggende natuur bepaald. Het dichtstbijzijnde natuurbeschermingswetgebied is op ca. 1,4 kilometer afstand van het bedrijf gelegen en is aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Het betreft het natuurgebied Weerribben van 3.346 hectare. Het gebied Weerribben is een ten dele vergraven veengebied in de kop van Overijssel. Het bestaat uit uitgeveende trekgaten, onvergraven legakkers van wisselende breedte, grotere percelen niet -vergraven veen, ver- landend water, trilveen rietlanden, graslanden, ruigteterreinen en moerasbossen. Alle suc- cessiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Mede d oor de betrekkelijk late vervening weerspiegelen ze nog veel van de oorspronkelijke ge- biedsopbouw. Het huidige landschap met een karakteristiek patroon van petgaten en legakkers is ontstaan door het afgraven van veen voor de turfwinning (Synbiosys.alterra) .
Figuur 4-2 Uitsnede Aerius en afstand van het plangebied naar het Natura 2000 gebied Lieftinghsbroek (O = bedrijfslocatie) 1,4 kilometer 3,3 kilometer Weerribben Weerribben NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 36 Bepaalde habitattypen in het gebied Weerribben zijn gevoelig voor de vermestende en verzurende gevolgen van stikstofdepositie. Stikstofdepositie die deels afkomstig is van omliggende agrarische bedrijven. De kritische depositiewaarde van de habitattypen zijn overschreden in het gebied. Er is daarom in het kader van de Programmatische aanpak stikstof een vergunning aangevraagd bij de provincie Overijssel om ontwikkelruimte te mogen gebruiken voor de bedrijfsuitbreiding. In de gewenste situatie blijft de ammoniakemissie van het bedrijf gelijk op 26,52 ton NH3/jaar. Door het bouwen van een nieuwe stal en het verlengen van twee b estaande stal- len worden emissiepunten verlegd. Om te berekenen of dit effect heeft op de instandhou- dingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000 gebieden is een Aerius berekening ge- maakt van de gewenste situatie. Uit deze berekening blijkt dat de gewenste situatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie van 9,34 naar 10,10 mol/hectare/jaar) op het ge- bied Weerribben. Op andere omliggende gebieden is er ook sprake van een beperktere toename.
Op 7 juli 2015 is een aanvraag ingediend voor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Op 1 december 2015 is door de provincie Overijssel een ver- gunning verleend voor onbepaalde tijd voor de gewenste situatie (kenmerk 2015/0366276). Het programma aanpak stikstof 2015-2021 is passend beoordeeld. De passende beoorde- ling bestaat uit een generiek deel (bronmaatregelen, monitoring, etc.) en uit gebiedsanaly- ses. Voor elk Natura 2000-gebied, dat in het programma is opgenomen, is zo’n gebiedsana- lyse opgesteld. De gebiedsanalyses vormen de ecologische onderbouwing dat met het programma de stikstofgevoelige Natura 2000 doelstellingen (op termijn) gerealiseerd kun- nen worden. Bovendien blijkt hieruit dat dit samen kan gaan met ontwikkelingsruimte voor economische ontwikkelingen. In de gebiedsanalyses is verzekerd dat door de uitvoe- ring vaneen gebalanceerd en robuust pakket aan herstelmaatregelen, er in de 1e pro- gramma periode geen verslechtering optreedt van alle stikstofgevoelige habitattypen en habitats van soorten. Bij deze beoordeling is uitgegaan van de achtergrondwaarde van 2014. In deze achtergrondwaarde zijn alle voor de aanvang van het programma feitelijke emissies verdisconteerd, zoals blijkt uit de grootschalige concentratie en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN).
In het kader van de vergunningprocedure is ontwikkelingsruimte uit de PAS toegekend voor dit project. Significant negatieve effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoel- stelling van omliggende Natura 2000 zoals de Weerribben kunnen met de verleende ver- gunning worden uitgesloten. ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 37 Wet ammoniak en veehouderij Binnen de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen als voor verzuring gevoelig. Kwetsbare gebieden zijn voor een activiteit van belang wan- neer zij binnen 250 meter van de locatie zijn gelegen. De meest dichtbij gelegen Wav ge- bieden liggen aan de ten noorden en oosten van het plangebied zoals aangeduid met een blauwe cirkel in figuur 4-3. Het betreft ongeveer een afstand van 3,6 en 4,1 kilometer tot deze gebieden. De locatie aan de ligt ook niet binnen een zogenaamd buffergebied van 250 meter rondom de Wav gebieden. De Wet ammoniak en veehouderij staat gezien deze af- stand daarom niet in de weg voor de uitbreiding van het bouwvlak. 4.2.2 Soortbescherming Bij een ‘handeling’ brengt de WNb een aantal verplichtingen met zich mee ten aanzien van mogelijk aanwezige planten en dieren.
Zo rust bij de initiatiefnemer de wettelijke plicht om aan te tonen dat door de beoogde ‘handeling’ geen streng beschermde soorten worden verstoord, of om een ontheffing aan te vragen bij de provincie en te verkrijgen alvorens verstorende activiteiten mogen plaatsvinden. Om na te gaan of de ‘handeling’ een negatief effect heeft op eventueel aanwezige streng beschermde soorten, is een vooronderzoek in de vorm van een quickscan uitgevoerd door een ecologisch bureau. In opdracht van de gemeente is een QuickScan Flora en Fauna opgesteld door een gespeci- aliseerd ecologisch adviesbureau, zie bijlage 5. De QuickScan bestaat uit een veldonder- zoek en voorbereidende bureauonderzoeken. De ecoloog Albert Fopma van Fopma Na- tuurAdvies heeft op 25 april 2017 het plangebied geïnspecteerd. Er is gericht gezocht naar (sporen van) beschermde soorten. Het ecologisch bureau concludeert het volgende: Figuur 4-3 Wet ammoniak en veehouderij gebieden, O = plangebied (Atlas van Overijssel) 4,1 kilometer 3,6 kilometer NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 38 “Als de werkzaamheden conform de in paragraaf 5.1 gestelde voorwaarde worden uitge- voerd, dan kunnen effecten op broedvogels voorkomen worden en is er voor vogels geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is ook voor de overi- ge natuurwaarden geen ontheffing noodzakelijk” (Fopma Natuuradvies, 2017, p.18).
In paragraaf 5.1 van het ecologisch rapport is het volgende advies opgenomen: “Omdat geen ontheffingen worden verleend voor het verstoren van vogels en/of het vernielen van nesten wordt geadviseerd om het bouwrijk maken voor het broedseizoen (globale richtlijn 15 maart - 15 juli) uit te voeren of te beginnen na 15 juli. Voorkom het vestigen van broedvogels op het bouw- perceel door het plaatsen van wapperende zakken of enkele linten” (Fopma Natuuradvies, 2017, p.15). In paragraaf 5.2 van het ecologisch rapport is het volgende opgenomen: “Er zijn in de sloot geen amfibieën (incl. eieren en larven) of vissen aangetroffen. Ondanks dat adviseren wij wel om uit voorzorg eerst de nieuwe sloot te graven en het dempen in de richting van de blijvende sloot uit te voeren” (Fopma Natuuradvies, 2017, p.15). In de onderstaande tabel zijn de conclusies van de ecoloog opgenomen: Tabel 4-1 Uitkomsten Quick Scan Flora en Fauna Leiweg 7 ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 39 4.2.3 Conclusie Flora en Fauna Ter plaatste van het plangebied zijn geen soorten aanwezig zijn die in de weg staan voor het realiseren van het voornemen. Wel moet er rekening worden gehouden met diverse soorten bij het plannen van de bouwwerkzaamheden en bij het vergraven van de sloot, conform de adviezen van de ecoloog.
NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 40 4.3 Bodem, landschap, archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Bodem Door archeologische specialisten van KSP Ar- cheologie is een uitgebreide deskresearch uit- gevoerd naar de ondergrond van het plange- bied. Specifiek hebben zij gekeken naar het te vergroten bouwvlak en de aan te leggen com- penserende waterberging. In bijlage 4 is de rapportage van de deskresearch opgenomen. In bijlage 2 bij dit rapport is onderstaande bo- demkaart opgenomen. Hieruit blijkt dat de lo- catie is gelegen op een ondergrond van made- veengronden op zand (aVz) en deels op goor- eerdgronden (pZn21). Het plangebied is gelegen in een laagveenont- ginningsgebied waar het veen grotendeels is ontgonnen. Omdat de veenlaag in het gebied relatief dun is en plaatselijk zelfs afwezig, is op het Actueel Hoogte-bestand van Nederland (AHN) het onderliggende dekzandreliëf zichtbaar. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat het oorspronkelijke reliëf enigszins is gemaskeerd door de afdekking met veen. Op het AHN-kaartbeeld is te zien dat sprake is van een dekzandvlakte waarbinnen kleine dekzandkopjes en welvingen aanwezig zijn (Figuur 4-8). Binnen het onderzoeksgebied zijn op basis van het AHN geen zichtbare dekzandkopjes aanwezig. Ter plaatse van het huidige erf kan een dekzandkopje aanwezig zijn maar hier is het oorspronkelijke reliëf niet meer aanwezig vanwege de be- bouwing.
Het maaiveldniveau ter plaatse van het erf ligt ca. een halve meter hoger dan de omgeving op ca. 0,8 – 0,9 -NAP. Daarbuiten ligt het maaiveldniveau op gemiddeld 1,2 – 1,4 m -NAP. Ter plaatse van de dekzandkopjes ligt het maaiveld weer een halve meter ho- ger op ca. 0,8 – 0,9 m -NAP (KSP Archeologie). Figuur 4-5 Hoogtekaart plangebied met daarop aangegeven de dekzandkopjes Figuur 4-4 Bodem- kaart plangebied ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 41 Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelin- gen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging moet ten minste ver- kennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. De initiatiefnemer en zijn familie drijven deze inrichting vanaf de Tweede Wereldoorlog, de gronden ter plaatse van de bouwplannen zijn zover zij weten altijd in landbouwkundig gebruik geweest. Er is geen sprake geweest van een potentieel bodembedreigende activi- teit in het verleden zoals het plaatsen en gebruiken van een dieselolietank op deze locaties. Door het onderzoeksbureau KSP is onderzocht of er bodemverontreiniging te verwachten is op het perceel gezien het historische gebruik.
Zij concluderen hierover op pg 13 in het onderzoeksrapport zoals opgenomen in bijlage 4 het volgende: “Om het veenwinningsgebied weer in gebruik te kunnen nemen als landbouwgrond zijn polders aange-legd en is gebied drooggemalen. Het onderzoeksgebied ligt in de polder Halfweg (genoemd naar het ten zuidwesten gelegen buurtschap Halfweg) die in 1934 is gerealiseerd (CultGIS). Ver- volgens is de Leiweg aangelegd met een aantal boerderijen erlangs waaronder de boerderij in het on- derzoeksgebied (Figuur 9). De grote stallen zijn in het begin van de jaren ’70 gebouwd (bron: Basis- registratie Adressen en Gebouwen). Vermoedelijk heeft bij de bouw van het erf egalisatie plaatsge- vonden en is grond opgebracht (www.ahn.nl, zie Figuur 11). De laatste toevoegingen zijn twee kleinere schuren vlakbij het woonhuis uit de periode 2010 – 2013. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olie - tanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verlo- ren zijn gegaan (www.bodemloket.nl)” (KSP Archeologie, 2017). Op basis van artikel 8 tweede lid onder c van de Woningwet zijn gemeente verplichten om in de bouwverordening voorschriften op te nemen voor het tegengaan van bouwen op e en verontreinigde bodem.
De gemeentelijke bouwverordening (17 -4-2012) geeft een afwe- gingskader met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. In ar- tikel 2.4.1 van de bouwverordening is een verbodsbepaling opgenomen voor het bouwen op verontreinigde bodem. Hierin is bepaald dat op een bodem die zodanig is verontrei- nigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers niet mag worden gebouwd, voorzover dat betrekking heeft op een bouwwerk: a. Waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. Voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en c. a. Dat de grond raakt of b. Waarvan het bestaande, niet wederrechterlijke gebruik niet wordt ge- handhaafd. In de toelichting van artikel 2.4.1 in de gemeentelijke bouwverordening staat het volgende: “Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 42 Wat verstaan moet worden onder 'bo uwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend men- sen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Wo- ningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995 -1996, 24 809, nr. 3) nader omschrev en.
Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag . Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land - en tuin- bouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken wa arin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblij- ven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamhe- den, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen”. In onderhavig geval gaat het om het toevoegen van een stal, een loods en het verlengen van twee stallen in het kader van de akkerbouw/veehouderij tak op het bed rijf.
Binnen de- ze bebouwing zullen in de beoogde situatie geen mensen (werknemers) langer dan twee uren per dag werkzaam zijn. Er is onderzoek gedaan naar de vraag of er mogelijk aanlei- dingen zouden kunnen zijn om bodemverontreiniging ter plaatse van het te vergroten bouwvlak zijn te verwachten. Door KSP Archeologie wordt geconcludeerd dat er geen aanleidingen zijn om bodemverontreiniging te verwachten gezien het historische gebruik als akkerland/weidegrond. Hetgeen ook door de drijvers van de inrichting en hun kennis over het plangebied wordt bevestigd. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek door KSP Archeologie is een (verkennend) bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht in het kader van de bestemmingsplan procedu- re. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk zullen de plannen wederom worden getoetst aan de gemeentelijke bouwverordening. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan . 4.3.2 Landschap Overijssel bestaat voornamelijk uit een dekzandcomplex dat afloopt van oost naar west. Een paar noord-zuid georiënteerde stuwwallen doorsnijden het dekzand. Het is een van oudsher bij tijd en wijle heel nat landschap waar het water maar moeilijk uit weg kon. Hier heeft zich hoogveen ontwikkeld.
In het westen loopt dit landschapstype tot aan de kustlijn van de voormalige Zuiderzee, waar in de delta van IJssel, Vecht en Zwarte Water kleicom- plexen en laagveengebieden zijn ontstaan. De zoetwaterdelta met de laagveenmoerassen is (nationaal en internationaal gezien) het meest bijzondere deel in deze l aag en vraagt na- drukkelijk aandacht. Vanouds bestaat er in deze laag een sterke samenhang tussen het na- tuur- en watersysteem; het watersysteem maakt in essentie één grote beweging van de brongebieden (op de flanken van de stuwwallen), naar de beken en wete ringen (in de zandgebieden), naar Vecht en Zwarte Water en tenslotte naar de IJssel en de Randmeren. Dit proces heeft in Overijssel geleid tot een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Vervolgens heeft dit natuurlijke landschap plek en betekenis gekregen in ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 43 het menselijk occupatieproces. Het natuurlijk landschap vormt daarmee de basis voor het gehele grondgebied van de provincie. Vanaf de Bronstijd tot in de Middeleeuwen is het plangebied onderdeel van een uitge- strekt veengebied dat ongeschikt was voor bewoning. Vanaf de Late Middeleeuwen wordt het gebied ontgonnen. Het laagveengebied waar het plangebied in ligt, werd gebruikt als hooiland en veenwinningsgebied.
Uit historisch kaartmateriaal uit het einde van de 19e en begin 20e eeuw blijkt dat het onderzoeksgebied onderdeel is geweest van grootschalige veenwinning. Vanwege de ligging in het laagveengebied dat werd gebruikt als hooiland en voor de veenwinning worden in het onderzoeksgebied geen bewonings-resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht. Bovendien zal door de veenwinning grootschalige verstoring van het (archeologische) bodemarchief hebben plaatsgevonden. Om het veenwinningsgebied weer in gebruik te kunnen nemen als landbouwgrond, is het gebied in het begin van de 20e eeuw ingepolderd. Toen is ook de huidige boerderij binnen het onderzoeksgebied gebouwd (KSP Archeologie). NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 44 In onderstaande foto’s is het aanzicht van de huidige situatie opgenomen, hieruit blijkt dat het oorspronkelijke akkerbouwbedrijf goed landschappelijk is ingepast maar dat rond de later opgerichte pluimveestallen een landschappelijk kader ontbreekt.
Figuur 4-6 Aanzicht op het bedrijf vanaf de Leiweg, goed te zien is de dierenweide en de voorgevel van de pluimveestallen (Foto ge- nomen op: 6 juni 2016) Figuur 4-7 Aanzicht op het bedrijf vanaf het fietspad aan de zuidzijde van het Steenwijkerdiep, goed te zien is hoogopgaande beplanting rondom de bedrijfswoning en de drie pluimveestallen (Foto geno- men op: 6 juni 2016) Figuur 4-8 Aanzicht op het bedrijf vanaf het fietspad aan de zuidzij- de van het Steenwijkerdiep, goed te zien zijn met name de twee meest recente en hoogste pluim- veestallen (Foto genomen op: 6 ju- ni 2016) ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 45 In bijlage 3 is het uitgebreide landschappelijke inpassingsplan opgenomen. Hierin wordt ingegaan op de abiotische omstandigheden, het provinciale en gemeentelijke beleid en de wensen van de ondernemer gezien zijn bedrijfsvoering. Op basis hiervan wordt in het landschappelijke inpassingsplan gekomen tot de volgende inrichtingseisen: 1. De lucht voor de stallen komt via de zijgevels naar binnen. Om ziekteverspreiding te voorkomen zijn stroken beplanting langs de zijgevels van de stallen uitgesloten. 2. Het erf aan de Leiweg 7 wordt door anderen vooral beleefd op het fietspad langs het kanaal ten noorden van de locatie en vanaf de provinciale weg ten zu iden van de locatie.
De leiweg 7 is een bestemmingsweg en bovendien is het erf aan deze zijde ruim ingepast. 3. Het gaat om een vrij nat gebied met matig voedselrijke bodem. 4. Het huidige sortiment op het bedrijfskavel omvat: zomereik, paardenkastanje, elzen, essen, beuken. Op basis van deze inrichtingseisen voor de landschappelijke inpassing van het bedrijfska- vel is in overleg met de gemeente gekomen tot het voorstel voor de landschappelijke in- passing van het perceel: Figuur 4-9 Voorstel landschappelijke inpassing (bovenaanzicht), in licht groen zijn de twee nieuwe landschappelijke elementen weergegeven Aanplant bomenrij Aanplant 6 bomen Aanplant struweelzo- ne NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 46 4.3.3 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erf- goedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. In de vigerende beheersverordening is een zonering van het archeologiebeleid opgeno- men. Hieruit blijkt dat er ter plekke van de nieuw te bouwen stal er sprake is van een ‘ho- ge archeologische verwachtingswaarde’. Deze verwachtingswaarde is niet specifiek voor het plangebied maar in de gehele polder opgenomen. Hiervoor is in de regels bepaalt dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk is als er buiten de bebouwde kom een bouwwerk wordt opgericht groter dan 2.500 m2. Onderzoek In het kader van deze ruimtelijke procedure is in overleg met de gemeente besloten een uitgebreid archeologisch bureauonderzoek uit te laten voeren voor het plangebied. Door archeologen van KSP Archeologie is onderzoek gedaan om een meer gespecificeerde ar- cheologische verwachting voor het onderzoeksgebied te krijgen. De bevindingen van het archeologisch bureau zijn opgenomen in bijlage 4. In figuur 4-10 is het onderzoeksgebied weergegeven. Doordat er niet alleen gegraven wordt in het kader van de te realiseren ge- bouwen maar ook in het kader van het verleggen en verlengen van een sloot is ook de sloot opgenomen in het onderzoeksgebied.
In het overige deel van het plangebied van dit plan worden geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden opgericht en zijn er geen plannen voor andere graafwerkzaamheden. Samengevat zijn de bevindingen van de archeologen als volgt: “Naar aanleiding van de resultaten uit het bureau-onderzoek is de hoge archeologische verwachting op de gemeentelijke beleidskaart bijgesteld naar een lage verwachting. Op basis van de landschappelijke ligging in een dekzandvlakte waar ter plaatse van het onderzoeks - gebied geen hogere dekzandkopjes of -welvingen voorkomen, is aan het onderzoeksgebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neoli- thicum. Vanaf de Bronstijd tot in de Middeleeuwen is het plangebied onderdeel van een uitgestrekt veenge- bied dat ongeschikt was voor bewoning. Vanaf de Late Middeleeuwen wordt het gebied ontgonnen. Het laagveengebied waar het plangebied in ligt, werd gebruikt als hooiland en veenwinningsgebied. Uit historisch kaartmateriaal uit het einde van de 19e en begin 20e eeuw blijkt dat het onderzoeks- gebied onderdeel is geweest van grootschalige veenwinning. Vanwege de ligging in het laagveenge- bied dat werd gebruikt als hooiland en voor de veenwinning worden in het onderzoeksgebied geen bewonings-resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht.
Bovendien zal door de ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 47 veenwinning grootschalige verstoring van het (archeologische) bodemarchief hebben plaatsgevon- den. Om het veenwinningsgebied weer in gebruik te kunnen nemen als landbouwgrond, is het gebied in het begin van de 20e eeuw ingepolderd. Toen is ook de huidige boerderij binnen het onderzoeksge- bied gebouwd. Op grond van de lage archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied adviseert KSP Archeo- logie geen archeologisch vervolgonderzoek in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan en de voorgenomen (bouw)werkzaamheden in het onderzoeksgebied” (KSP Archeologie, 2017). Figuur 4-10 Onderzoeksgebied archeologisch bureauonderzoek Leiweg 7 (rood: onder- zoeksgebied) NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 48 Conclusie Archeologie Op basis van het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek blijkt dat ter plaatse van het onderzoeksgebied de archeologische verwachtingswaarde bijgesteld kan worden van ‘hoog’ naar ‘laag’. De regioarcheoloog heeft op 19 juni 2017 het volgende geconcludeerd over het uitgevoerde archeologisch bureau onderzoek: “Het advies van KSP Archeologie wordt overgenomen. Het plangebied wordt, op archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.
Moch- ten bij de civiele graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische resten aangetroffen worden, geldt, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10, een meldingsplicht bij het bevoegd gezag. Dit kan bij de ge- meente Steenwijkerland”. Ter plaatse van het onderzoeksgebied (bouwvlak en bestemming ‘groen’) wordt de arche- ologische verwachtingswaarde verwijderd van de verbeelding. 4.3.4 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cul- tuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landsc hap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De gemeente Steenwijk heeft geen specifiek vastgesteld cultuurhistorisch beleid waaruit blijkt dat er in het plangebied cultuurhistori- sche waarden kunnen worden verwacht. Uit de provinciale Cultuurhistorische waarden- kaart blijkt dat er geen specifieke cultuurhistorische waarden zijn in het plangebied, zie figuur 4-14. De boerderij is niet van een boerderijtype die is opgenomen op de cultuurhis- torische waardenkaart en is dan ook niet opgenomen als te beschermen monument. Te- vens is de locatie niet gelegen nabij een historische dorpskern en dus niet behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht zoals bedoeld in de Erfgoedwet.
Figuur 4-11 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Overijssel (datum: 15-5-2017)( = plangebied)
ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 49 Conclusie Cultuurhistorie Uit het uitgevoerde deskresearch is gebleken dat er geen specifiek cultuurhistorisch beleid is voor het gebied en het project dan ook geen gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarde van het plangebied. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 50 4.4 Water Op grond van artikel 12 uit het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Deze paragraaf doet verslag van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In ieder geval moet worden uiteengezet of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheer- der), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen”. Het kader voor de watertoets is het vigerend beleid, waaronder de Nota Ruimte, Vierde Nota waterhuishouding, Europese Kaderrichtlijn Water en Waterbeleid 21e eeuw. De wa- tertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. Een aantal relevante beleidsdocumenten wordt hierna kort besproken.
4.4.1 Rijksbeleid Water Nota Ruimte Ter bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast, ter veiligstelling van de zoetwatervoorraden, ter voorkoming van verdroging, en onnodige bodemdaling, watertekorten en verzilting en ter verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlak- tewater is water een van de structurerende principes bij de bestemming, de inrichting en het beheer van de ruimte. Dit betekent dat meer ruimte wordt geboden aan water en dat waterkwantiteit en -kwaliteit meer dan voorheen sturend zijn voor ontwikkeling en loca- tiekeuzen van grondgebruik. Hiermee wordt beoogd dat het watersysteem op orde wordt gebracht en gehouden, een goede ecologische (grond)waterkwaliteit wordt bereikt ( antici- peren op implementatie van de EU-Kaderrichtlijn Water) en de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Andere overheden (provincies, waterschappen en gemeenten) hanteren bij het ontwikkelen, uitwerken en toetsen van hun ruimtelijk beleid water als een s tructurerend principe.
De ruimtelijke uitwerking van deze hoofdlijn betekent het aanduiden van (zoek)gebieden voor extra ruimte voor water en/of het behouden en zo nodig aanpassen van het ruimte- gebruik met de volgende uitgangspunten: • Met het oog op vei ligheid tegen overstromingen wordt uitgegaan van het principe dat ruimte die reeds beschikbaar is voor water wordt behouden en waar nodig wordt extra ruimte gecreëerd. Dit vergt regionaal maatwerk, waarbij afhankelijk van de waterhuishoudkundige karakteris tieken van de betreffende wateren ver- schillende bepalingen gelden voor buitendijkse activiteiten. • Ter voorkoming van (grond)wateroverlast, ter beperking van wateraanvoer, ter ver- groting van de voorraadberging en ter vermindering van de verdroging wordt d e ruimte zodanig bestemd, ingericht en gebruikt dat water beter wordt vastgehou- den. Als dat niet voldoende is, worden maatregelen genomen om water te bergen. Hiervoor wordt het areaal oppervlaktewater, al of niet tijdelijk, vergroot en zo no- ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 51 dig het peilbeh eer aangepast. Pas in laatste instantie wordt zo nodig water af - of aangevoerd. Deze prioriteitsvolgorde (vasthouden - bergen - afvoeren) wordt aan- geduid als de “drietrapsstrategie waterkwantiteit”.
Dit betekent in principe dat: • per saldo het waterbergend vermogen per stroomgebied toeneemt; • geen bebouwing plaatsvindt in gebieden die door de provincies op termijn nodig worden geacht voor waterberging; • geen ruimtelijke besluiten worden genomen of peilverlaging plaatsvindt die direct of indirect leiden tot bodemdaling in gebieden met dikke laagveenpakketten; • onttrekking van het grondwater de natuurlijke aanvulling niet mag overstijgen; • peilverlaging in de beïnvloedingsgebieden van hydrologisch kwetsbare delen van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt voorkomen. • De ruimte wordt zodanig bestemd, ingericht en gebruikt dat geen vervuiling op- treedt naar het grond - en oppervlaktewater. Als dat niet voldoende is, worden zo mogelijk (aanvullende) maatregelen getroffen om schone en vuile waterstromen gescheiden te houden. Wanneer ook dat onvoldoende soelaas biedt, is zuiveren van de vuile waterstromen aan de orde. Deze prioriteitsvolgorde (voorkomen - schei- den - zuiveren) wordt aangeduid als de “drietrapsstrategie waterkwaliteit”. Dit be- tekent: verbetering va n de kwaliteit van (het diepe) grond - en oppervlakte water met name in grondwaterbeschermingsgebieden en in de beïnvloedingsgebieden van hydrologisch kwetsbare delen van de Ecologische Hoofdstructuur.
• De nadelige invloed op het watersysteem die wordt ver oorzaakt door een ruimtelij- ke ingreep, wordt waterneutraal of waterpositief gecompenseerd. Dit betekent voor nieuw stedelijk gebied en nieuwe infrastructuur een zodanige inrichting dat afwen- teling van problemen met (grond)waterkwaliteit of grondwaterkwanti teit op de omgeving wordt voorkomen. Bij de herstructurering van bestaand bebouwd ge- bied wordt deze afwenteling verminderd. • Waar mogelijk wordt ruimte voor water gevonden door de combinatie van water- beheer met andere functies om bij te dragen aan vergrot ing van de ruimtelijke kwa- liteit. Vierde Nota Waterhuishouding De Vierde Nota Waterhuishouding van december 1998 verwoordt het nationale beleid. Een van de speerpunten is een duurzaam stedelijk waterbeheer met als belangrijke ele- menten: • waterbesparende maatregelen in de woning; • het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering; • het infiltreren van regenwater in de bodem; • het bergen van regenwater in vijvers; - herwaardering van watersystemen bij de ruimtelijke inrichting van (nieuwe) woongebieden. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 52 Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op de toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatver- andering, bodemdaling en zeespiegelrijzing.
Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee princi- pes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: • vasthouden, bergen en afvoeren; • schoonhouden, scheiden en zuiveren. De trits “vasthouden, bergen en afvoeren” houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoon- houden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 4.4.2 Regionaal waterbeleid Het waterschap Drents overijsselse Delta heeft specifiek waterbeleid wat van invloed is op het waterschapsgebied. Het waterschapsbeleid wordt vastgelegd in de Keur en bijbeho- rende algemene regels. Omdat het waterschap recent is gefuseerd is er op het moment van schrijven nog geen nieuwe vastgestelde keur. De keur van het voormalige waterschap Reest en Wieden is in dit geval van toepassing. Hetzelfde geldt voor de algemene regels van dit waterschap. Een belangrijk startpunt van het toepassen van het waterschapsbeleid is de Legger.
In on- derstaande figuur is de legger van het waterschap opgenomen voor het plangebied. Hier- uit blijkt dat ten noorden en zuiden van het plangebied er primaire waterschapsgangen liggen. Er liggen geen secundaire watergangen binnen het plangebied. Figuur 4-12 Uitsnede legger waarin met rood het plangebied is geduid
In onderstaande figuur is de ligging van de locatie Leiweg 7 in het peilgebied VH36 opge- nomen. Dit is een peilgebied waarin het peil ligt op 2,6 meter onder NAP. Het maaiveldni- veau ter plaatse van het erf ligt ca. een halve meter hoger dan de omgeving op ca. 0,8 – 0,9 -NAP. Daarbuiten ligt het maaiveldniveau op gemiddeld 1,2 – 1,4 m -NAP. Figuur 4-13 Uitsnede kaart peilgebieden met rood aangegeven het plangebied (Water- schrap Drents Overijsselse Delta) Op 15 mei 2017 is een digitale watertoets uitgevoerd bij het Waterschap. Uit de toegezon- den gegevens van het waterschap blijkt dat er een normale procedure kan worden gevolg. Het waterschap heeft een watertoetsducument toegezonden op 15 juni 2017, zoals opge- nomen in bijlage 9. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen watervergunning hoeft te worden aangevraagd, er moet wel een compenserende waterberging worden ge- realiseerd gezien de toename van verhard oppervlak op het erf. In de digitale watertoets is per abuis gerekend met een overdekte uitloop van 7 meter breed, dit moet zijn 5,5 meter. Er is in de digitale watertoets dan ook meer verhard oppervlak 6.820 m2 aangegeven dan er in werkelijkheid bij komt.
In onderstaande opsomming is aangegeven hoeveel verhard oppervlakte er in de gewenste situatie werkelijk bij komt op het erf: Lengte | Breedte | Oppervlakte m2 Stal H | 105 | 35 | 3675 Stal G verlengen | 35 | 28 | 980 Stal A verlengen | 35 | 28 | 980 Wintertuin Stal G | 105 | 5,5 | 578 Loods J | 30 | 15 | 450 | + 6.663 53 ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 54 Op basis van de Keur is het noodzakelijk om een compenserende waterberging te realise- ren bij een vergroting van het verharde oppervlakte. Het doel is om versnelde afvoer van regenwater op het watersysteem te voorkomen. Hiervoor dient bij vergroting van het ver- harde oppervlakte de capaciteit van het watersysteem vergroot te worden. Om dit te reali- seren wordt een bestaande greppel verdiept om te functioneren als water bergende voor- ziening. Tevens wordt een bestaande sloot (geen waterschapssloot) verlegd om de nieuwe stal H te kunnen realiseren. De bestaande sloot wordt verlegd tot op 10 meter afstand van de nieuwe stal. Hierdoor kan de sloot van beide zijden worden onderhouden en tevens kan de stal, ook bij calami- teiten, goed bereikt worden. De te verleggen sloot wordt een op een teruggebracht.
In on- derstaande figuur is dit plan gevisualiseerd: Figuur 4-15 Uitsnede situatieschets bijlage 2 met daarop waterbergende voorziening Greppel verdiepen en verbreden: 136 meter Sloot verleggen en verbreden: 172 meter ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 55 De totale toename aan verhard oppervlak is 6.663 m2. Hiervan moet 10% procent worden gecompenseerd in de vorm van extra waterbergende voorzieningen , oftewel 666 m2. De bestaande, te verleggen sloot, en de te verdiepen greppel moeten daar om over een lengte van 136+172 = 308 meter. De greppel heeft nu geen watervoerende functie en maakt feite- lijk geen onderdeel uit van het watersysteem. Door het verdiepen en verbreden van de wa- tergang wordt dit wel een watervoerende sloot. Wij nemen in deze waterparagraaf deze greppel in zijn geheel mee als compenserende waterberging, omdat deze dus eerder geen onderdeel uitmaakte van het watersysteem. De greppel wordt over een lengte van 136 meter verdiept. De sloot wordt 3 meter breed (watervoerend pakket). In totaal heeft de sloot hiermee een waterbergend vermogen van 408 m2. De te verleggen sloot wordt over een lengte van 172 meter verlegd. De sloot heeft nu een watervoerend pakket van 1,5 meter en wordt met 1,5 meter verbreed. De verbre- ding 172x1,5 = 258 m2 extra waterbergend vermogen.
In totaal wordt hiermee het water- bergende vermogen bij het bedrijf aan de Leiweg 7 met 408 + 258 = 666 m 2 vergroot. De waterbergende voorziening wordt vastgelegd op de verbeelding en tevens worden in de regels maatregelen genomen die de realisatie en instandhouding verzekeren. 4.4.3 Watertoets De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met ruimte voor water en watervoorzieningen. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende ber- gingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. De watertoets is uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Op basis hiervan is gebleken dat voor dit plan de normale procedure moet worden doorlopen. Het plan is hiervoor voorgelegd aan het waterschap Drents Overijsselse Delta voor een water- advies (zie bijlage 9). Hieruit volgde een aantal aandachtspunten. Ten eerste dat er een compenserende waterberging dient te worden gerealiseerd van 10% van de toename aan verhard oppervlakte, dat hebben wij in de vorige paragraaf uitgelegd.
Ten tweede advi- seert het waterschap een ophoging van het bouwvlak tot 30 centimeter boven het straatni- veau. Op dit moment ligt er al een bouwvlak. Bij de bouw van de nieuwe stal H, de loods J en het verlengen van stallen A en G wordt aangesloten bij de bestaande hoogte van het bouwvlak. Hier wordt op dit moment geen wateroverlast ervaren door de initiatiefnemers. Ten derde wijst het waterschap op mogelijke piekafvoeren van afvalwater op het gemeen- telijke drukriool. Door het realiseren van opslagputten voor het afvalwater dat ontstaat door het schoonspuiten van stallen kunnen piekafvoeren worden voorkomen. De gemeen- te is voornemens het drukriool in capaciteit te vergroten aan de Leiweg 7. Tot die tijd zul- len piekbelastingen worden voorkomen door het opvangen en gelijkmatig lozen van het afvalwater op het gemeentelijke rioolsysteem. Het plangebied ligt niet buitendijks of in een keurzone van de waterkering. Het is daarom niet te verwachten dat het plan van invloed is op de veiligheid van een waterkering. Ook ligt het plangebied niet in een gebied van kwetsbaar water. Deze waterparagraaf is ge- toetst door het waterschap en akkoord bevonden. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 56 4.5 Woon- en leefmilieu In deze paragraaf beschrijven wij de uitkomsten van de onderzoeken op het gebied van de belangrijkste milieugevolgen van de vergroting van het bouwvlak.
Er wordt gekeken naar de effecten op het woon- en leefklimaat van omwonenden ten aanzien van geur, fijn stof, geluid en gezondheid. De milieugevolgen van ammoniak zijn al eerder aan bod gekomen in deze toelichting. 4.5.1 Geurhinder Het waarnemen en waarderen van geur verschilt per persoon. Naast het feit dat mensen het kunnen ervaren als hinderlijk, kan het waarnemen van een onaangename geur samen- hangen met klachten zoals depressie, verminderde kwaliteit van leven en moeheid (Op den Kamp, 2006). De hinder gaat dan vergezeld met stressgerelateerde lichamelijke ge- zondheidseffecten. Er is geen eenduidige relatie bekend tussen de hoogte van de geurbe- lasting en de mate van klachten die ontstaan. Ook kan een onaangename geur veroorzaken dat mensen niet graag thuis zijn of naar buiten willen gaan (Op den Kamp, 2006). Voor de mate van geurhinder geeft de Wet geurhinder en veehouderij geen waarden of bandbreed- ten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingska- der voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen.
Voor een niet-concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 2 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 8 ouE/m³ buiten de be- bouwde kom. Het plangebied is gelegen in het buitengebied buiten een concentratiege- bied. Voor gemeenten is het, door middel van het vaststellen van een geurverordening, mogelijk om af te wijken van wettelijke normen uit de Wgv. De gemeente Steenwijkerland heeft een geurverordening vastgesteld. Deze geurverordening heeft alleen betrekking op bedrijven waarvoor vaste afstanden gelden, daar is bij deze intensieve veehouderij geen sprake van. Dit maakt dat de norm uit de Wgv van 2 en 8 ouE/m³ van toepassing zijn. In bijlage 2 is een diertabel opgenomen van de vergunde en gewenste situatie. Hierin zijn de dieraantallen en stalsystemen per stal aangegeven en de belangrijkste emissienormen (geur, ammoniak en fijn stof). Conform de vigerende milieuvergunning is de geuremissie van het bedrijf 60.450 ou/sec. In de gewenste situatie blijft de totale geuremissie 60.450 ou/sec. Er is dus sprake een gelijkblijvende situatie ten opzichte van de vergunde situatie Er is voor de vergunde en de gewenste situatie een geurberekening met behulp van V - Stacks vergunningen uitgevoerd om de voorgrondbelasting geur op de geurgevoelige ob- jecten in de planomgeving in kaart te brengen.
ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 57 Voorgrondbelasting In onderstaande tabel zijn de uitkomsten van de vergunde als gewenste situatie na de ver- groting van het bouwvlak gevisualiseerd. In bijlage 7 zijn de berekeningen opgenomen zo- als deze zijn uitgevoerd met behulp van V-stacks. Dit is het wettelijk voorgeschreven in- strumentarium om geur te berekenen. Uit onderstaande tabel volgt dat ondanks de totale gelijkblijvende geuremissie (=uitstoot) er sprake is van een minieme verschuiving in geur- belasting op de omliggende geurgevoelige objecten. Op enkel plekken is sprake van een kleine toename en op andere plekken is sprake van een kleine afname. Er is onder meer een kleine toename (0,4 Ou) van de berekende geurbelasting op de woning aan de Steen- wijkerdiep-Zuid 4. In de gewenste situatie is hier een geurbelasting berekend van 3 Ou/m3 lucht. Feitelijk gaat de geurbelasting van 32,5% naar 37,5% van de toegestane geurbelas- ting van 8 Ou/m3 lucht. Dit effect wordt veroorzaakt doordat de emissiepunten worden verplaatst richting deze woning ten westen van het plangebied door het verlengen van be- staande stallen en het realiseren van een nieuwe stal. Op alle onderzochte geurgevoelige objecten wordt ruim onder de geurnorm gebleven uit de Wet geurhinder en veehouderij van 8 ou/m3 voor het buitengebied of 2 ou/m3 voor de bebouwde kom.
Tabel 2 Uitkomsten voorgrondgeurberekeningen vergunde en gewenste situatie Onderzoek achtergrondbelasting Met achtergrondbelasting wordt de cumulatieve geurhinder bedoelt die kan ontstaan als meerdere bedrijven geur uitstoten. In het kader van het woon- en leefklimaat van omwo- nenden is de cumulatieve geurhinder zeker zo belangrijk als de geurhinder die veroor- zaakt wordt door een individueel bedrijf (voorgrond). Met het rekenprogramma V-Stacks gebied is een berekening uitgevoerd om de achtergrondbelasting geur op de geurgevoeli- ge objecten in de planomgeving in kaart te brengen. Hierbij is voor zowel de vergunde als de gewenste situatie de achtergrondbelasting in beeld gebracht. Om deze berekeningen uit te voeren zijn de vergunde situaties en in behandeling zijnde vergunningen/meldingen van alle bedrijven (waar dieren worden gehouden met een geuremissie) in een omtrek van 2 kilometer betrokken in de berekening. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 58 In bijlage 7 zijn de resultaten van de geurverspreidingsberekeningen opgenomen. De uit- komsten hiervan wijken iets af van de voorgrondberekeningen door een ander wettelijke voorgeschreven invoersystematiek. In tabel 3 is een overzicht van de resultaten weerge- ven. In de eerste kolom is de achtergrondbelasting van geur zonder het bedrijf aan de Lei- weg 7 weergegeven.
In de kolom vergund is de huidige achtergrondbelasting inclusief het bedrijf aan de Leiweg 7 opgenomen. In de derde kolom is de achtergrondbelasting in de aangevraagde situatie opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat er sprake is van een be- perkte af- en toename van de cumulatieve geurbelasting op de omliggende locaties. De hoogste achtergrondbelasting wordt berekend op de locatie Leiweg 2 -2a, dit is echter geen geurgevoelig object want het betreft een bedrijfswoning bij een pluimveehouderij. Op ba- sis van de Wet geurhinder en veehouderij wordt de bedrijfswoning bij een veehouderij ge- toetst aan vaste afstanden. Deze afstand moet minimaal 50 meter zijn (artikel 3 lid 2 Wgv). In dit geval is de afstand van het bouwvlak tot deze bedrijfswoning ruim voldoende (>600 meter). De maatgevende woning op het aspect geurbelasting is de woning aan de Leiweg 5. Dit is de meest nabijgelegen geurgevoelig object. Hier is de bijdrage in de achtergrond- belasting van het bedrijf aan de Leiweg 7 vrij groot. Doordat de emissiepunten van het be- drijf verschuiven naar het westen en zuiden wordt de afstand van de emissiepunten tot de locatie aan de Leiweg 5 groter. Door de grotere afstand neemt de geur af van 5,72 naar 5,32 ou/m3 lucht. Zoals in tabel 2 is er ook in tabel 3 een toename van de geurbelasting weergegeven op de woning aan de Steenwijkerdiep-Zuid 4.
Dit komt zoals beschreven doordat de emissiepun- ten opschuiven in de richting van deze woning (ten westen van het plangebied). Hierdoor neemt de geurbelasting beperkt toe bij een gelijkblijvende emissie. Op andere woningen zorgt dit effect voor een beperkte afname. In totaal wordt de cumulatieve geurbelasting op deze woning 3,12 Ou/m3 lucht. Tabel 3 Uitkomsten achtergrondberekeningen geurhinder Leiweg 7 Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat is de voorgrondbe- lasting bepalend wanneer deze tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Hierbij wordt de vergelijking gemaakt tussen het leefklimaat in de huidige situatie en in de gewenste situatie. In onderstaande tabel zijn de bandbreedtes opgenomen die het RIVM hanteert om de milieukwaliteit te waarderen.
ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 59 Er is sprake van geurhinder, als iemand herhaaldelijk geur waarneemt, deze onaangenaam vindt, deze negatief is voor zijn welbehagen en hij er zich niet makkelijk aan kan onttrek- ken. Geurhinder wordt uitgedrukt als percentage. Een geurhinder van 25% betekent dat 25% van de inwoners aangeeft ‘soms of vaak last van geur van stallen van veehouderijen’ (Rijkswaterstaat, 2014). Het is belangrijk om deze geurhinderpercentages me t voorzichtig- heid te interpreteren, de percentages geven niet meer dan een indicatie. Milieukwaliteit | Geurgehinderden % Zeer goed | < 5 Goed | 5 – 10 Redelijk goed | 10 – 15 Matig | 15 – 20 Tamelijk slecht | 20 – 25 Slecht | 25 – 30 Zeer slecht | 30 – 35 Extreem slecht | 35 – 40 Tabel 4 RIVM Milieukwaliteitscriteria (Bijlage 7 Handreiking Wet geurhinder en vee- houderij, 1 mei 2007) Om te bepalen of voor de beoordeling van het leefklimaat de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting van een locatie bepalend is, zijn deze gegevens uiteen gezet en uit- komsten in tabel 5 naast elkaar gezet. In deze tabel zijn alle geur gevoelige locaties weer- geven waarvoor een voorgrondbelasting en achtergrondbelasting berekening is uitge- voerd.
Nr | Locatie | Achtergrond | Voorgrond | Voorgrond | Beoordeling belasting | belasting | 50% of meer | leefklimaat gewenst | gewenst | van achter- grond 6 | Leiweg 5 | 5,32 | 5,7 | Ja | Voorgrond 7 | Leiweg 2-2a | 10,29 | 1,9 | Ja | Voorgrond 8 | Oevers12 (industrie) | 1,40 | 0,9 | Ja | Voorgrond 9 | P.c. Hoofdstraat 1 | 1,07 | 0,7 | Ja | Voorgrond 10 | Steenw.diep-Zuid 4 | 3,12 | 3,0 | Ja | Voorgrond 11 | Steenw.diep-Noord 3 | 3,09 | 2,7 | Ja | Voorgrond 12 | A.F. Stroinkweg 4 | 0,80 | 0,8 | Ja | Voorgrond 13 | A.F. Stroinkweg 5a | 0,77 | 0,8 | Ja | Voorgrond 14 | Kanaaldijk 1 | 4,12 | 1,2 | Nee | Achtergrond 15 | Thijendijk 1 | 5,44 | 6,5 | Ja | Voorgrond 16 | Thijendijk 1a | 4,77 | 5,8 | Ja | Voorgrond 17 | Thijendijk 5 | 3,16 | 3,3 | Ja | Voorgrond 18 | Korte Venen 38a | 1,76 | 1,0 | Ja | Voorgrond 19 | Veenderij 2 | 1,29 | 0,9 | Ja | Voorgrond 20 | Veenderij 18 | 1,46 | 1,1 | Ja | Voorgrond Tabel 5 Samenvatting uitkomsten V-stacks voorgrondberekeningen en inventarisatie voorgrond- of achtergrond maatgevend voor woon- en leefklimaat Uit bovenstaande tabel blijkt dat op één woning: Kanaaldijk 1, de achtergrondbelasting bepalend is voor het leefklimaat. Op die woning is de berekende voorgrondbelasting min- der dan de helft van de achtergrondbelasting.