CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

ONTWERP Toelichting Leiweg 7 Steenwijkerwold.pdf

Raadsvergadering 24 april 2018, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Leiweg 7 Steenwijkerwold'23.785 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Naast deze woning ligt een ander pluim- veebedrijf wat veel meer bijdraagt aan de achtergrondbelasting dan het bedrijf aan de Leiweg 7. Op de overige woningen is de voorgrondbelasting bepalend voor het beoorde- len van het woon- leefklimaat. 60 | NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 In tabel 6 is de beoordeling van het woon- en leefklimaat van de omliggende geurgevoeli- ge objecten inzichtelijk gemaakt op basis van de voorgrondbelasting. Uit tabel 6 blijkt dat er door onderhavig initiatief geen verandering van het woon- en leefklimaat optreedt op de onderzochte locaties in de omgeving1. De locatie aan de Leiweg 5 heeft in de huidige situatie een tamelijk slecht woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect geurhinder. De geurbelasting blijft in de aangevraagde situatie hetzelfde. Op de andere locaties met een ‘tamelijk slecht’ woon- en leefklimaat blijft de beoordeling ook gelijk, terwijl er feitelijk een verbetering optreedt. Nr. | Locatie | Vergund | Gewenst | Verschil | Leefklimaat | Leefklimaat Voorgrond | Voorgrond | vergund | gewenst 6 | Leiweg 5 | 5,7 | 5,7 | 0,0 | Tamelijk | Tamelijk slecht | slecht 7 | Leiweg 2-2a | 1,9 | 1,9 | 0,0 | Goed | Goed 8 | Oevers12 | 0,9 | 0,9 | 0,0 | Goed | Goed (industrie) 9 | P.c.

Hoofd- | 0,7 | 0,7 | 0,0 | Goed | Goed straat 1 10 | Steenw.diep- | 2,6 | 3,0 | 0,4 | Redelijk | Redelijk Zuid 4 | goed | goed 11 | Steenw.diep- | 2,6 | 2,7 | 0,1 | Redelijk | Redelijk Noord 3 | goed | goed 12 | A.F. | 0,9 | 0,8 | -0,1 | Goed | Goed Stroinkweg 4 13 | A.F. Stroinkweg | 0,8 | 0,8 | 0,0 | Goed | Goed 5a 14 | Kanaaldijk 1 | 1,2 | 1,2 | 0,0 | n.v.t. | n.v.t. 15 | Thijendijk 1 | 6,6 | 6,5 | -0,1 | Tamelijk | Tamelijk slecht | slecht 16 | Thijendijk 1a | 5,8 | 5,8 | 0,0 | Tamelijk | Tamelijk slecht | slecht 17 | Thijendijk 5 | 3,4 | 3,3 | -0,1 | Matig | Matig 18 | Korte Venen | 1,0 | 1,0 | 0,0 | Goed | Goed 38a 19 | Veenderij 2 | 0,8 | 0,9 | 0,1 | Goed | Goed Tabel 6 Samenvatting uitkomsten V-stacks voorgrondberekeningen en beoordeling woon- en leefklimaat 1 De toetsing van de Kanaaldijk 1 dient in onderhavige tabel buiten beschouwing gelaten te worden. Op deze woning is de achtergrondbelasting voor deze woning bepalend voor het woon- en leefklimaat. 61 ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) In tabel 7 is de woon- en leefklimaat van de omliggende geurgevoelige objecten inzichte- lijk gemaakt op basis van de achtergrondbelasting. Uit onderstaande tabel blijkt dat er sprake is van een beperkte toename van de geurbelasting.

Deze toename is dermate be- perkte dat het geen effect heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de locatie Ka- naaldijk 1. Het woon- en leefklimaat blijft binnen de bandbreedte van ‘redelijk goed’. Nr. | Locatie | Vergund | Gewenst | Verschil | Leefklimaat | Leefklimaat Achtergrond | Achtergrond | vergund | gewenst 14 | Kanaaldijk | 0,05 1 | 4,07 | 4,12 | Redelijk goed | Redelijk goed Tabel 7 Samenvatting uitkomsten V-stacks achtergrondberekening en beoordeling woon- en leefklimaat Conclusie Op basis van de uitgevoerde berekeningen van de voor- en achtergrondbelasting blijkt dat er in de aangevraagde situatie geen sprake is van een verslechteri | ng of verbetering van het woon- en leefklimaat. Er zijn minimale verschillen berekend in de geurbelasting op omlig- gende locaties. De toe- of afnames blijven binnen de wettelijke normen voor het buitenge- bied en binnen de bandbreedtes van het woon- en leefklimaat in de vergunde situatie. 62 | NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 4.5.2 Fijn stof In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid fijn stof, uitgedrukt in PM10 en PM2,5, die zich in de lucht bevindt.

De overige stoffen, die in de Wet Luchtkwaliteit genoemd worden stikstofdioxiden (NO2 en NOx), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6), zwaveldi- oxide (SO2) en lood (Pb), spelen in de landbouw en dermate kleine rol dat deze verwaar- loosbaar zijn. Fijn stof concentraties na uitbreiding Uit de diertabel in bijlage 2 blijkt dat er door het toepassen van reducerende maatregelen in de nieuwe stal H emissie van fijn stof af neemt van 3.354.000 gram/jaar naar 3.060.740 gr/jr. De fijn stofverspreiding wordt berekend met het verspreidingsmodel ISL3a 2017 en de uitkomsten van de vergunde als gewenste situatie berekeningen met betrekking tot fijn stof (PM10) zijn opgenomen in bijlage 8. Uit de berekeningen van de gewenste situatie (PM10) blijkt dat de wettelijke norm van 40 μg/m3 in de nieuwe situatie niet overschreden wordt, zie de uitkomsten van de berekening in onderstaande tabel 8. Ook de drempel- waarde (35 dagen) voor het gemiddeld aantal overschrijdingen van de grenswaarde wordt niet overschreden. De hoogste concentratie fijn stof (PM10) wordt berekend op de locatie Leiweg 5. Hier wordt in de gewenste situatie een concentratie fijn stof berekend van 19,85 microgram per m3 lucht.

Op alle getoetste objecten wordt een afname van de fijn stof (PM) concentratie berekend door het toepassen van emissiereducerende techniek in de nieuwe stal in de vorm van een warmtewisselaar die 31% van de fijn stof emissie reduceert. Te beschermen object | Vergunde Concentratie | Toekomstige Concentratie | Afname [microgram/m3] | [microgram/m3] | [microgram/m3] Leiweg 5 | 20,13 | 19,85 | -0,28 Leiweg 2 | 19,59 | 19,51 | -0,08 Leiweg ong. | 19,55 | 19,46 | -0,09 Oevers12 | 17,7 | 17,66 | -0,04 P.c. Hoofdstraat 1 | 17,69 | 17,65 | -0,04 Steenw.diep-Zuid 3 | 18,18 | 17,86 | -0,32 Steenw.diep-Zuid 4 | 17,8 | 17,68 | -0,12 Steenw.diep-Noord 2 | 18,02 | 17,78 | -0,24 Steenw.diep-Noord 2a | 17,83 | 17,69 | -0,14 Steenw.diep-Noord 3 | 17,76 | 17,64 | -0,12 A.F. Stroinkweg 4 | 17,29 | 17,26 | -0,03 A.F.

Stroinkweg 5a | 17,29 | 17,26 | -0,03 Kanaaldijk 1 | 17,48 | 17,44 | -0,04 Thijendijk 1 | 20,03 | 19,78 | -0,25 Thijendijk 1a | 18,18 | 17,96 | -0,22 Thijendijk 5 | 17,92 | 17,79 | -0,13 Korte Venen 38a | 17,7 | 17,66 | -0,04 Veenderij 2 | 17,47 | 17,43 | -0,04 Veenderij 18 | 17,72 | 17,67 | -0,05 Tabel 8 Uitkomsten fijn stof (PM10) onderzoek met behulp van ISL3a naar de vergunde en gewenste situatie aan de Leiweg 7 | 63 ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn daarom sinds 2008 grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen. Voor de jaarge- middelde PM2,5-concentratie geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3. Daarnaast bestaat voor 2020 een 'indicatieve grenswaarde' voor het jaargemiddelde van 20 µg/m3. Voor onderhavig plan is een berekening van de vergunde als toekomstige situatie voor fijn stof PM2,5 gemaakt, welke is opgenomen in bijlage 8 en waarvan de uitkomsten zijn sa- mengevat in onderstaande tabel. Met de berekening wordt aangetoond dat er in de ver- gunde als in gewenste situatie ruimschoots aan de gestelde norm van 25 µg/m3 wordt vol- daan.

Tevens wordt voldaan aan de indicatieve grenswaarde in 2020 van 20 µg/m3. Op alle getoetste punten is sprake van een afname van de concentratie fijn stof (PM2,5). Te beschermen object | Vergunde Concentratie | Toekomstige Concentratie | Afname [microgram/m3] | [microgram/m3] | [microgram/m3] Leiweg 5 | 11,06 | 10,95 | -0,11 Leiweg 2 | 10,81 | 10,78 | -0,03 Leiweg ong. | 10,79 | 10,76 | -0,03 Oevers12 | 10,24 | 10,22 | -0,02 P.c. Hoofdstraat 1 | 10,23 | 10,22 | -0,01 Steenw.diep-Zuid 3 | 10,58 | 10,45 | -0,13 Steenw.diep-Zuid 4 | 10,4 | 10,35 | -0,05 Steenw.diep-Noord 2 | 10,5 | 10,41 | -0,09 Steenw.diep-Noord 2a | 10,42 | 10,36 | -0,06 Steenw.diep-Noord 3 | 10,28 | 10,34 | 0,06 A.F. Stroinkweg 4 | 10,23 | 10,21 | -0,02 A.F. Stroinkweg 5a | 10,22 | 10,21 | -0,01 Kanaaldijk 1 | 10,33 | 10,31 | -0,02 Thijendijk 1 | 11,01 | 10,92 | -0,09 Thijendijk 1a | 10,59 | 10,51 | -0,08 Thijendijk 5 | 10,47 | 10,42 | -0,05 Korte Venen 38a | 10,24 | 10,23 | -0,01 Veenderij 2 | 10,28 | 10,27 | -0,01 Veenderij 18 | 10,25 | 10,23 | -0,02 Tabel 8 Uitkomsten fijn stof (PM2,5) onderzoek met behulp van ISL3a naar de gewenste situatie aan de Leiweg 7 Conclusie De fijn stof concentraties (PM 10 en PM 2,5) zijn berekend met behulp van het wettelijk voorgeschreven instrumentarium.

Hieruit blijkt dat er in de vergunde als gewenste situatie wordt voldaan aan alle wettelijke normen op het gebied van concentratie en overschrij- dingsdagen. Bovendien blijkt dat door het nemen van emissiereducerende maatregelen in de nieuwe stal er sprake is van een overall afname van de concentratie fijn stof. Dit bete- kent een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden in de gewenste situa- tie ten opzichte van de vergunde situatie. 64 | NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 65 4.5.3 Geluid In de Wet geluidhinder (WGH) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft echter het realiseren van een stal ten behoeve van het houden van pluimvee (kalkoenen), het verlengen van enkele stallen voor het houden van pluimvee en het bouwen van een loods. Deze bouwwerken kunnen niet aangemerkt wor- den als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Derhalve vormt het as- pect geluidhinder geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. Als gevolg van de nieuwbouw van de stal en het verlengen van bestaande stallen wijzigt het aantal geluidsbronnen en verkeersbewegingen.

Het gaat hier echter om vergelijkbare geluidsbronnen en bewegingen die reeds op het bedrijf aanwezig zijn c.q. plaatsvinden. Er is geen sprake van een toename in het aantal dieren. Dat betekent dat ook de transporten van dieren, voer, kadavers en mest niet toenemen. Er zal wel sprake zijn van wijziging van los- en laadplaatsen, deze verschuiven echter verder weg van de geluidsgevoelige objecten zoals de woning aan de Leiweg 5. Omdat de bewegingen verspreid over de week plaats- vinden en niet gelijktijdig met andere activiteiten, zal de invloed hiervan op de geluidbe- leving voor omwonenden nihil zijn. Bovendien liggen de buurwoningen op geruime af- stand (>250 meter). Middels voorschriften in de omgevingsvergunning zal zeker gesteld worden dat geldende geluidsnormen niet worden overschreden. 4.5.4 Gezondheid Een zoönose is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Voorbeelden van zoönosen zijn Bovine Spongiforme Encefalopathie (BSE) bij runderen en Q-koorts bij melkgeiten. Vogelgriep of Aviaire Influenza (AI) is een besmettelijke virus- ziekte die overdraagbaar is op pluimvee en een aantal andere vogelsoorten. In zeer zeld- zame gevallen kunnen mensen ook besmet raken met het vogelgriepvirus. Dit is het geval bij zeer nauw contact met besmette vogels of pluimvee. Deze mogelijkheid bestaat onder andere bij de vogelgriepvirusvariant H5N1.

Ook van andere vogelgriepvirusvarianten is bekend dat mensen er besmet van kunnen ra- ken. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vogelgriepvirusvariant H7N7. In 2003 heerste deze va- riant in Nederland. Ook hier was sprake van mensen die besmet raakten middels zeer nauw contact met besmet pluimvee verspreiding van AI kan plaatsvinden via direct con- tact tussen vogels of door blootstelling aan besmet materiaal zoals voer, mest en transport- kratten. Vooral verspreiding via trekvogels vormt een risico. Om de verspreiding van de ziekte te voorkomen kan, naast invoerbeperkingen van pluim- vee en pluimveeproducten afkomstig uit landen waar de ziekte heerst, door de overheid ook een afscherm- of ophokplicht voor pluimvee worden ingesteld. Pluimveehouders die- nen dan te voorkomen dat de dieren in contact kunnen komen met vogels of met mest van vogels in het wild. Deze afscherm- of ophokplicht betreft dan pluimveebedrijven waar kippen een buitenloop hebben, aangezien het risico van besmetting op deze bedrijven 7 keer hoger is dan wanneer de dieren binnen blijven. Gezondheidseffecten kunnen mogelijk veroorzaakt worden door micro -organismen die met fijn stof uit een dierverblijf worden verspreidt. Hoewel er nog meer onderzoek gedaan NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 66 kan worden is het noodzakelijk om bij de afweging van de risico’s rekening te houden met de aard van fijnstof.

Bij industrieel en verkeer fijn stof is het verspreidingsgebied veel gro- ter en ook zijn de gezondheidsrisico’s heel anders. Fijn stof uit de dierhouderij sla at vol- gens professor Dick Heederik van de Universiteit Utrecht vooral neer op een afstand van 50 tot 100 meter. Aangezien er in de directe omgeving van het bedrijf geen mensen wonen (het bedrijf bevindt zich in het buitengebied en de eerste woning van derd en bevindt zich op een afstand van meer dan 250 meter), is het risico dat mensen besmet raken gering. Momenteel kunnen er geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken worden gedaan over het infectierisico van omwonenden van veehouderijen, met uitzonderin g van Q- koorts. Het is aangetoond dat omwonenden van melkgeitenbedrijven met Q -koorts, een verhoogd risico hebben om deze infectieziekte te krijgen. Voor de overige zoönosen (infec- tieziekten die van dier op mens worden overgedragen) zijn onvoldoende gegeve ns be- schikbaar over het risico in relatie tot de afstand tot veehouderijen, het bedrijfstype en de bedrijfsgrootte. Wel is bekend dat veehouders, medewerkers op veehouderijen en dieren- artsen een verhoogd risico hebben om bepaalde zoönosen op te lopen. Dire ct contact met dieren is daarbij een risicofactor (RIVM, 2012) 2.

Maatregelen voor mogelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden Om de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden te voorkomen, gelden de volgende regels binnen de inrichting en worden verschillende maatregelen getroffen 3:  Derden kunnen het bedrijf op afspraak bezoeken;  Voorafgaand en na afloop van een bezoek gelden strenge hygiëne eisen, onder andere voor het gebruik van de hygiënesluis.  De stallen worden in de leegstandperiode gereinigd en ontsmet. Wanneer de stal weer droog is wordt er nieuw en schoon strooisel gebruikt.  Door toepassing van de warmtewisselaar wordt de emissie van fijn stof beperkt. Er is een verband tussen endotoxinen en de hoeveelheid fijnstof uit een dierenverblijf. Daarom is beperking van fijnstofemissie een goede maatregel om verspreiding van endotoxinen te voorkomen  Het nieuwe pluimveegebouw wordt op grotere afstand tot woningen ge- realiseerd.  Aan de pluimveestallen zal bij de luchtuitstroomventilatoren een stofkap zijn. Daardoor daalt het grovere stof in de directe omgeving van de stal neer.  De meest dichtbij gelegen burgerwoning betreft de woning aan Leiweg 5 op een afstand van 250 meter. Met de heersende windrichting, de geno- men maatregelen en deze afstand, kan worden gesteld dat endotoxinen in de buitenlucht geen nadelig effect zal hebben op de gezondheid van men- sen.

 Binnen een straal van 1 kilometer van het bedrijf, zijn een 7-tal agrarische bouwvlakken gelegen. Dit zijn hoofdzakelijk akkerbouwbedri jven. Hier- mee kan geconcludeerd worden dat een eventueel cumulatief effect op ge- 2 RIVM (2012), Infectierisico’s van de veehouderij voor omwonenden. Rapportnummer 609400004/ 2012. 3 RIVM (2016 ), Veehouderij en gezondheid omwonenden . Rapportnummer 2016-0058. ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 67 zondheid van mensen niet verwacht wordt op basis van het rapport Vee- houderij en Gezondheid Omwonenden. Conclusie omtrent gezondheid Uit het actuele wetenschappelijke onderzoek omtrent gezondheid in relatie tot pluimvee- houderij blijkt dat fijn stof in combinatie met endotoxinen tot mogelijke gezondheidseffec- ten kan leiden, zoals een verhoogde kans op longontsteking. Er worden in dit geval niet meer dieren gehouden dan vergund, de nieuwe stal en de uitbreiding van bestaande stal- len worden verder van woningen gerealiseerd en bovendien worden er emissiereduceren- de maatregelen getroffen op het gebied van fijn stof. Dergelijke gezondheidseffecten zijn daarom niet te verwachten en door het treffen van bedrijfsspecifieke maatregelen wordt voorkomen dat er in de toekomst sprake zou kunnen zijn van dergelijke effecten.

NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 68 4.6 Verkeer en parkeren Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de nieuw- bouw van de stal zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De bestaande erfverhar- ding zal uitgebreid worden aan de voorzijde van de nieuw te bouwen stal H. Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt op dit moment gebruik gemaakt van een inrit vanaf de Leiweg. Het betreft een gecombineerde bedrijfs- en privé inrit. In onderstaande foto’s zijn de erfverharding en bestaande inrit in beeld gebracht. Goed te zien in deze foto is dat er geparkeerd wordt op eigen grond en dat hiervoor voldoende ruimte aanwezig is. Het bedrijf wordt verlaten via de Leiweg. Deze weg loopt na het bedrijf dood en heeft al- leen een erfontsluitingsfunctie voor enkele agrarische bedrijven en woningen langs de Leiweg. De Leiweg sluit aan op de kanaalduik en vervolgens op de N333. Via deze pro- vinciale weg kan de A32 of A6 worden bereikt. Het bedrijf is goed te bereiken zonder kwetsbare dorpskommen zoals die van Steenwijk te doorsnijden. Aangezien er geen toename is van het aantal dieren is ook een toename van verkeersbe- wegingen niet te verwachten. Er zullen dezelfde verkeersbewegingen voor: voer, dieren en mesttransporten plaatsvinden als in de huidige vergunde situatie.

Gezien de toename van Figuur 4-16 Foto’s huidige situatie erfverharding en inrit Leiweg 7 (Linksboven: erfverharding voor stallen A en G, Rechtsboven: erfverharding tussen stal B en loodsen F en C, Linksonder: erfverharding achter bedrijfswoning, Rechtsonder: inrit langs bedrij fswoning)

ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 69 stalvloeroppervlakte kan het wel zijn dat bepaalde specialisten zoal s de dierenarts langer op het bedrijf zullen zijn, maar hiervoor is meer dan voldoende parkeerruimte op het be- drijf. Verkeerskundig leidt dit initiatief dus niet tot problemen. 4.7 Kabels en leidingen In bestemmingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, riool- persleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. In elk bestemmingsplangebied bevinden zich uiteraard ook ka- bels en leidingen voor distributie en huisaansluitingen, maar die worden niet in het plan opgenomen. In het plangebied bevinden zich geen leidingen die als zodanig zijn bestemd in het be- stemmingsplan of via de provinciale verordening. Denk hierbij aan rioolleidingen, gaslei- ding, waterleidingen. Voor aanvang van de bouw zal door de aannemer een zogenaamde ‘Klik’ melding worden gedaan om eventuele lokale leidingen in beeld te krijgen. 4.8 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport er- van.

Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veil igheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrij- dingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buis- leidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar on- afgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een on- geval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in con- touren.

Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriënta- tiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwik- keling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 70 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met ge- vaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter gewerkt aan nieuwe weten regelgeving te weten Wet Basis- net en Besluit transport gevaarlijke stoffen, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidin- gen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en on- derhoud aan de buisleidingen. In de omgeving van de planlocatie zijn geen stationaire dan wel mobiele risicobronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling, zie figuur 4 -17. Op een ki- lometer ten oosten van het plangebied is een bedrijventerrein gelegen met een inrichting die is aangeduid als risico. Tevens ligt hier een buisleiding voor transport van gas. Beide objecten zijn gezien de afstand tot het plangebied geen gevaar voor de bedrijfsactiviteiten op de Leiweg 7. Figuur 4-17 Risicokaart externe veiligheid ( O = bedrijfslocatie) 1 kilometer ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 71 Hoofdstuk 5 Juridische opzet 5.1 Toelichting De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het be- stemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels. Op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend.

Er wordt onderscheid gemaakt in (dubbel)bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. De op de verbeelding opgenomen be- stemmingen zijn in overeenstemming met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplan- nen (SVBP2012). Door deze standaarden wordt de kleur en de codering van de bestem- mingen bepaald. De bestemmingen zijn op het renvooi weergegeven in alfabetische volg- orde. Elke op de verbeelding weergegeven bestemming is gekoppeld aan een bestem- mingsregel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wij- ze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt en bebouwing mogen wor- den. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de verbeelding. Aandui- dingen in samenhang met de regels, geven duidelijkheid over datgene wat binnen een be- stemmingsvlak al dan niet is toegestaan.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • De 'Inleidende regels', bestaande uit een begrippenlijst en regels met betrekking tot de 'wijze van meten'; • De 'Bestemmingsregels', die in dit bestemmingsplan te onderscheiden zijn in regels voor 'gewone', rechtstreekse bestemmingen en dubbelbestemmingen; • De 'Algemene regels' die in principe betrekking hebben op alle bestemmingen die in het plangebied voorkomen; • De 'Overgangs- en slotregels' die bestaan uit het overgangsrecht (voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik dat van het bestemmingsplan afwijkt) en de na am waaronder het bestemmingsplan moet worden aangehaald. 5.2 Planregels De regels in dit bestemmingsplan zijn grotendeels overgenomen uit de vigerende beheers- verordening ‘Buitengebied Steenwijkerland 2014’. Aangezien het een kleiner plangebied betreft en er slechts een functie is voorzien (agrarisch) is het aantal regels beperkter dan in de beheersverordening. Dit heeft gevolgen voor de opgenomen begrippen in hoofdstuk 1, de niet relevante begrippen die verder niet terug komen in de regels zijn niet opgen omen in de regels bij dit bestemmingsplan. De bestaande begrippen, zoals opgenomen in het vi- gerende bestemmingsplan, zijn letterlijk overgenomen. Daar waar afgeweken is van de standaard begrippen zullen wij dit in de navolgende paragrafen bespreken.

In deze paragraaf wordt per bestemming en bijbehorende functieaanduidingen een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 72 5.2.1 Inleidende regels In de inleidende regels zijn de begrippen letterlijk opgenomen uit de beheersverordening Buitengebied 2014 voor zover van toepassing in dit plan. Er is één nieuw begrip opgeno- men: ‘toename van stikstofdepositie’. Dit begrip is opgenomen om de plansystematiek uit bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Berkelland toe te passen. Deze plansys- tematiek verzekerd dat er geen sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen van dit bestemmingsplan. Artikel 2 ‘wijze van meten’ is letterlijk overgenomen uit de beheersverordening Buitenge- bied 2014. 5.2.2 Planregels In hoofdstuk 2 van de regels zijn de bestemmingsregels opgenomen. Er zijn 4 bestemmin- gen van toepassing waarvan drie enkelbestemmingen: ‘Agrarisch’, Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ en ‘Groen’. Er is een dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze bestem- mingsregels zijn overgenomen uit de beheersverordening Buitengebied 2014. Agrarisch De bestemmingsomschrijving ‘Agrarisch’ in artikel 3.1 is ten opzichte van de beheersver- ordening een stuk beperkter. Het gaat hier om een bedrijf met akkerbouw en pluimvee. Het plangebied omvat ook de omliggende agrarische percelen.

Hier is de enkelbestem- ming ‘Agrarisch’ van toepassing. Een biomassa-vergistingsinstallatie of andere zaken die niet in de lijn der verwachting liggen zijn geschrapt uit de bestemmingsomschrijving om tot een zo simpel en leesbaar mogelijke plansystematiek te komen. Bouw- en gebruikregels inclusief binnenplanse afwijkingsmogelijkheden zijn wel een -op-een overgenomen uit de beheersverordening. Hetzelfde geldt voor de aanlegvergunningen stelsel uit artikel 3.6 ter bescherming van het landschap en de waterlopen in het gebied. Agrarisch – Agrarisch bedrijf Net zoals in de bestemmingsomschrijving van ‘Agrarisch’ is ook de bestemmingsom- schrijving in artikel 4.1 teruggebracht tot de werkelijke en gewenste situatie: een grondge- bonden agrarisch bedrijf met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Conform het huidige en gewenste gebruik als gemengd bedrijf met een akkerbouw- en een pluimveetak. Er is één bedrijfswoning bij het bedrijf toegestaan. In artikel 4.4 zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor het agrarische bedrijf aan de Leiweg 7. Er is in artikel 4.4.1 onder a een regel opgenomen waarin de toegestane dieraan- tallen en diersoort op het bedrijf aan de Leiweg 7 zijn opgenomen.

In artikel 4.4.1 onder b is opgenomen dat het wijzigen van het gebruik van gronden of gebouwen in de vorm van een verandering in het aantal of de soort te houden dieren, de teelt van gewassen of wijzi- gingen van stal- of huisvestingssysteem ten opzichte van de bestaande vergunde situatie , niet mag leiden tot een toename van stikstofemissie. Deze planregel moet in samenhang worden gelezen met de begripsbepaling uit artikel 1.30. Hierin is bepaald wat moet wor- den verstaan onder de bestaande situatie. Hiermee wordt voldaan aan de eis van artikel 2.7 Wet natuurbescherming dat bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening moet worden gehouden met de effecten van dat plan op de instandhoudingsdoelstellingen van ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 73 omliggende Natura 2000 gebieden. Er is in het kader van de vergunningverlening en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) een passende beoordeling gemaakt. Doordat dit plan niet meer stikstofemissie mogelijk maakt dan vergund en er ook geen andere redenen zijn om significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000 g ebieden te verwachten. Hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling gemaakt te worden voor dit plan.

Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen om in de regels de volgende zaken te borgen: de structureel aanwezig beplanting, de uitvoering en instandhouding van het erfbeplantings- plan (landschappelijk inpassingsplan) en de waterbergende voorzieningen. Op de ver- beelding is aangegeven waar deze drie zaken in het plangebied aanwezig zijn. De bouw - en gebruiksregels zijn overgenomen uit de beheersverordening Buitengebied 2014 en voorkomen dat deze drie elementen verdwijnen of niet worden gerealiseerd. Waarde – Archeologie 2 De regels omtrent archeologie zijn opgenomen in de enkelbestemming ‘Waarde – Archeo- logie 2’. De regels zijn letterlijk overgenomen uit de beheersverordening Buitengebied 2014. 5.2.3 Algemene regels De algemene regels zijn letterlijk overgenomen uit de beheersverordening Buitengebied 2014. Behalve daar waar in de beheersverordening is verwezen naar: ‘beheersverordening’ is nu het woord ‘bestemmingsplan’ opgenomen. Om zodoe nde te verwijzen naar dit plan en niet naar de beheersverordening. 5.2.4 Overgangsregel en slotregel De algemene regels zijn letterlijk overgenomen uit de beheersverordening Buitengebied 2014. Behalve daar waar in de beheersverordening is verwezen naar: ‘beheersverordening’ is nu het woord ‘bestemmingsplan’ opgenomen. Om zodoende te verwijzen naar dit plan en niet naar de beheersverordening.

5.3 Verbeelding De verbeelding is opgebouwd conform de actuele IMRO standaarden (2012). De verbeel- ding is digitaal raadpleegbaar. Er zijn conform de beheersverordening Buitengebied 2014 een aantal enkelbestemmingen opgenomen en er is een dubbelbestemming opgenomen. Het plan is opgesteld om te komen tot een vergroting van het agrarische bedrijf aan de Leiweg 7. Om dit te realiseren is de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ met bijbehorend bouwvlak en de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ vergroot van 1,33 naar 2,53 hectare. De bestaande erfbeplanting alsmede de nieuwe erfbeplanting, conform het landschappe- lijk inpassingsplan in bijlage 3 van deze toelichting en bijlage 1 bij de regels is aangegeven met een enkelbestemming ‘Groen’. In deze bestemming is tevens de waterbergende voor- ziening in de vorm van een sloot. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 74 Conform de beheersverordening Buitengebied 2014 is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen op de verbeelding. Ter plekke van de enkelbestemming ‘Agra- risch – Agrarisch bedrijf’ en de enkelbestemming ‘Groen’ is de dubbelbestemming niet langer opgenomen. De reden hiervoor is dat uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen reden is voor een archeologische verwachtingswaarde op deze gronden.

ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 75 Hoofdstuk 6 Financiële paragraaf 6.1 Economische haalbaarheid Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onder- zoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gronden waarop de ontwikkelingen plaatsvinden, zijn eigendom van de initiatiefne- mers. De realisatie heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van initi atiefnemers en kende derhalve geen financiële risico’s voor de gemeente. De kosten die verbonden zijn aan het doorlopen van de procedure worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Mogelijke planschadekosten zijn eveneens voor rekening van de ini- tiatiefnemer. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoer- baar is. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 76 Hoofdstuk 7 Inspraak en vooroverleg 7.1 Vooroverleg Het planvoornemen voorziet in het realiseren van het vergroten van het bo uwvlak van het agrarische bedrijf aan de Leiweg 7. Middels onderhavige toelichting is aangetoond dat het planvoornemen voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Middels onderhavig be- stemmingsplan wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt. In het kader van d e procedure voor deze bestemmingsplanwijziging zal dit plan ter inzage worden gelegd.

Eventuele zienswijzen kunnen tijdens de termijn van terinzagelegging worden ingediend. De initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de formele publicatie en terinzagelegging de omwonenden bezocht en de plannen met hen besproken. Het doel hiervan is het toelichten van de overwegingen om te komen tot de bedrijfsverplaatsing. Tevens zijn de belangen en eventuele opmerkingen van omwonenden bij de bedrijfsverplaatsing besproken. Omwo- nenden in een straal van 1 kilometer rond het bedrijf zijn gesproken. Het bestemmingsplan volgt de uniforme voorbereidingsprocedure zoals is neergelegd in artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de ondernemer reeds in een vroeg stadium overleg heeft gevoerd met de directe omgeving is in overleg met de gemeente de fase van voorontwerp overgeslagen. Wel is het plan in de concept fase toegezonden aan de reguliere overlegpartners. De reguliere overlegpartners die in het kader van vooroverleg bij het plan zijn betrokken zijn: • De provincie Overijssel • RUD IJsselland • Waterschap Drents Overijsselse Delta Al deze partijen zijn actief betrokken geweest omtrent de milieuaspecten (Omgevings- dienst), landschappelijke inpassing en positionering van de gebouwen (provincie) en de wateraspecten (Waterschap). Uiteraard heeft de provincie Overijssel het bestemmingsplan ook getoetst aan de provinciale verordening.

Bevindingen PM Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan een breed gedragen en haalbaar bestem- mingsplan. De reacties uit de zienswijzenperiode zullen voorzien van een beantwoording verwerkt worden in een zienswijzennota. ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 77 7.1 Overzicht procedure bestemmingsplan en inspraakmomenten De procedure ziet er samenvattend als volgt uit: Voorbereiding: • Uitvoeren externe onderzoeken; • Opstellen landschappelijk inpassingsplan; • Vooroverleg met gemeente; • vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, wa- terschap (watertoets). Ontwerp: • publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de Gemeente- raad; • Wettelijk vooroverleg met provincie afronden. Vaststelling bestemmingsplan: • Verwerken eventuele zienswijzen; • Vaststelling door de Gemeenteraad mogelijkheid reactieve aanwijzing (dat gedeelte waarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven treedt niet in werking) publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn. Inwerkingtreding: • na afloop van de beroepstermijn Beroep: • Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 7.2 Communicatie Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegd.

In die tijd heeft een ieder de gelegenheid zijn zienswijze in te dienen. Hierover zal tijdig worden gepubli- ceerd op de website van de gemeente Steenwijk, in de Staatscourant, op de Nationale web- site ruimtelijkeplannen.nl en in het huis-aan-huis blad waarin de gemeentelijke aankondi- gingen worden gedaan. Eventueel ingediende zienswijze worden samengevat en hier wordt op gereageerd. Indien noodzakelijk worden wijzigingen doorgevoerd in het vast te stellen bestemmingsplan. NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 78 Bijlagen ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 79 Bijlage 1: Situatieschets NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 80 Bijlage 2: Diertabel ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 81 Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 82 Bijlage 4: Archeologisch bureauonderzoek ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 83 Bijlage 5: Quick scan Wet natuurbescherming NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 84 Bijlage 6: Ammoniakberekening ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 85 Bijlage 7: Geurberekeningen NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 86 Bijlage 8: Fijn stof berekeningen ONTWERP bestemmingsplan Leiweg 7 Steenwijkerwold (11 augustus 2017) 87 Bijlage 9: Watertoets NL.IMRO.1708.SWWLeiweg7BP-ON01 88 Bijlage 10 Overzicht geïnformeerde omwonenden (dialoog)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/132b175c-1848-4c73-8698-0ec0c2c17f8a?agendaItemId=ba049fc2-1674-4201-ba15-d2cd9eb95170