Nota wijzigingen APV 2019.pdf
Tekst van het document
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. d. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef onder d, dient een hond als bedoeld in het eer- ste lid voorzien te zijn van een door de be- voegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een micro- chip die met een chipreader afleesbaar is. tweede lid verplicht de hond voorzien te hou- den van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aan- hef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag ver- strekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader af- leesbaar is.
Artikel 2:60 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van over- last of schade aan de openbare gezondheid ver- boden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide die- ren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aan- wezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3. Het college kan de rechthebbende op een on- roerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de ge- meente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Nieuwe tekst Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aange- wezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwij- zingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven. 2. Het college kan de rechthebbende op een on- roerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als be- doeld in het eerste lid. 23 Artikel 2:62 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoe- vige dieren of varkens (vee) dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deug- delijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Nieuwe tekst Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoe- vige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatre- gelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 12, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Nieuwe tekst Afdeling 12. Bestrijding van heling van goe- deren Artikel 2:66 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:66 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wet- boek van Strafrecht. b. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Nieuwe tekst Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar ver- staan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Straf- recht. Artikel 2:67 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te hou- den van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de bur- gemeester gewaarmerkt register, en daarin on- verwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; Nieuwe tekst Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te hou- den van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester ge- waarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; 24 b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daar- onder begrepen - voor zover dat moge- lijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2:68 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend per- soon is verplicht: a. wanneer hij overeenkomstig het be- paalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wet- boek van Strafrecht, de burgemeester of een door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit die door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik is genomen; b.de burgemeester of een door deze aangewezen ambtenaar onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres en van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; d.
indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de bur- gemeester of een door deze aangewezen amb- tenaar; e. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een door deze aangewezen ambtenaar; Nieuwe tekst Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend per- soon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie da gen schriftelijk in kennis te stel- len: 1o. dat hij het beroep van han- delaar uitoefent met vermel- ding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn on- derneming behorende vesti- ging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoe fent; 4o. dat hij enig goed kan ver- krijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verlo- ren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aan vraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vesti- ging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderne- ming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
25 f. wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, on- derscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de burgemeester of een door deze aangewezen ambtenaar hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 13, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 13. Vuurwerk Nieuwe tekst Afdeling 13. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder consu- mentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, hou- dende nieuwe regels met betrekking tot consu- menten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerk- besluit) van toepassing is. Nieuwe tekst Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuur- werk verstaan hetgeen daaronder wordt ver- staan in het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:73 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te ge- bruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of over- last aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat ge- vaar, schade of overlast kan veroorzaken.
Nieuwe tekst Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te ge- bruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat ge- vaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. 26 Artikel 2:74 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelij- kende waar, al dan niet tegen betaling af te leve- ren, aan te bieden of te verwerven, daarbij be- hulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Nieuwe tekst Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een publiek toeganke- lijk gebouw post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan (vaar)we- gen in of op een vervoermiddel te bevinden of daarmee heen en weer of rond te varen/rijden, met het kennelijke doel om middelen als be- doeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen beta- ling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemidde- len. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 15, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veilig- heidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzegging Nieuwe tekst Afdeling 15. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 3:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c.
seksinrichting: de voor het publiek toeganke- lijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. On- der een seksinrichting worden in elk geval ver- staan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebe- drijf waaronder tevens begrepen een erotische- massagesalon, al dan niet in combinatie met el- kaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was Nieuwe tekst Artikel 3:1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prosti- tuee onder de aandacht van het publiek brengt; - beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; - bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek open- staande gebouwen en daarbij behorende er- ven als bedoeld in artikel 174 van de Ge- meentewet, de burgemeester; - escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitu- tie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; - exploitant: de natuurlijke persoon of de be- stuurder van een rechtspersoon of, voor zo-
ver van toepassing, de tot vertegenwoordi- 27 prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen be- voegde natuurlijke persoon of personen; f. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of es- cortbedrijf; g. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werk- zaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen nood- zakelijk is.
ging van die rechtspersoon bevoegde na- tuurlijk persoon, voor wiens rekening en ri- sico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele dien- sten; - prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele hande- lingen met een ander tegen betaling; - prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; - seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitu- tie of tot het verrichten van seksuele hande- lingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; - seksinrichting: voor het publiek toeganke- lijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; Artikel 3:11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aan- brengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, op- schriften, aankondigingen, gedrukte of geschre- ven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch- pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burge- meester aan de rechthebbende heeft bekendge- maakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbie- den of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aan- zien van het tentoonstellen, aanbieden of aan- brengen van goederen, opschriften, aankondi- gingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Nieuwe tekst Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aan- brengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, op- schriften, aankondigingen, gedrukte of geschre- ven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch- pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burge- meester aan de rechthebbende heeft bekendge- maakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbie- den of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, ge- drukte of geschreven stukken dan wel afbeeldin- gen, die dienen tot het openbaren van gedach- ten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 28 Het opschrift van hoofdstuk 4, afdeling 1, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting Nieuwe tekst Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhin- der en hinder door verlichting Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal in- richtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of acti- viteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aange- merkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen beho- rende bij de betreffende inrichting; g.
geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als ge- luidsgevoelige terreinen met uitzonde- ring van terreinen behorende bij de be- treffende inrichting; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Nieuwe tekst Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal in- richtingen is verbonden; - gevoelige gebouwen: hetgeen daar- onder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieube- heer; - gevoelige terreinen: hetgeen daaron- der wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - incidentele festiviteit: festiviteit of activi- teit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet mi- lieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het Nieuwe tekst Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activi- teitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gel- den niet voor door het college per kalenderjaar 29 college per kalenderjaar aan te wijzen collec- tieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlich- ting ten behoeve van sportbeoefening in de bui- tenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festivi- teiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aan- wijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalen- derjaar bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festi- viteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een fes- tiviteit terstond als collectieve festiviteit als be- doeld in het eerste lid aanwijzen. 6.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroor- zaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschou- wing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de arti- kelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en arti- kel 4:5 van deze verordening- op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00.00 uur en op vrij- dag, zaterdag en dagen waarop een algemeen erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlich- ting ten behoeve van sportbeoefening in de bui- tenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gel- den niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aan- wijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente. 4.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalen- derjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festi- viteit terstond als collectieve festiviteit als be- doeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroor- zaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschou- wing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra mu- ziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en arti- kel 4:5, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00.00 uur en op vrijdag, zaterdag en dagen waarop een algemeen erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festivitei- ten 1.
Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te hou- den waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toe- passing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft ge- steld. Nieuwe tekst Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar inci- dentele festiviteiten te houden waarbij de ge- luidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteiten- besluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 30 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 10 incidentele festiviteiten per kalen- derjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toe- passing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft ge- steld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waar- heid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toe- staat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroor- zaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van geluidge- voelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschou- wen gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de arti- kelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en arti- kel 4:5 van deze verordening - op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00.00 uur en op vrij- dag, zaterdag en dagen waarop een algemeen erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur en in de nacht van 31 december op 1 januari (oud en nieuw) uiterlijk om 04.00 uur beëindigd. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek van- wege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfs- duurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 9.
De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de in- richting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 10 dagen of dagdelen per kalender- jaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting lan- ger aan te houden ten behoeve van sportactivi- teiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toe- passing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is inge- leverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wan- neer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die rede- lijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroor- zaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschou- wing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activi- teitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00.00 uur en op vrijdag, zaterdag en dagen waarop een algemeen erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur en in de nacht van 31 december op 1 januari (oud en nieuw) uiterlijk om 04.00 uur beëindigd. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschou- wing gelaten. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de in- richting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 31 Artikel 4:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid on- der f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtin- gen is de onder e.
opgenomen tabel van toepas- sing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige ge- bouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toe- stemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluids- metingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige ter- reinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige ge- voelige gebouwen, voor zover het wo- ningen betreft, gelden in geluidsgevoe- lige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfs- duurcorrectie wordt toegepast. e. Tabel 1. Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefe- nen door muziekgezelschappen zoals 7.00- 19.00 uur 19.00- 23.00 uur 23.00- 7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige ge- bouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoe- lige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige ge- bouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoe- lige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Nieuwe tekst Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1.
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, on- der f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige ge- bouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toe- stemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluids- metingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige ter- reinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige ge- voelige gebouwen, voor zover het wo- ningen betreft, gelden in geluidsgevoe- lige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfs- ruimten als bedoeld in artikel 1.1, on- der d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfs- duurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel 3.
Voor de duur van 10 uur in de week is onver- sterkte muziek, vanwege het oefenen door mu- ziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- 7.00- 19.00 uur 19.00- 23.00 uur 23.00- 7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige ge- bouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoe- lige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige ge- bouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoe- lige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 32 orkesten, harmonie- en fanfaregezel- schappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 2. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is. en fanfaregezelschappen, in een inrichting ge- durende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombi- neerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte mu- ziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collec- tieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.
Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsappara- ten in werking te hebben of handelingen te ver- richten dat voor een omwonende of voor de om- geving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing ver- lenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuver- ordening. Nieuwe tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit mi- lieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Om- gevingsverordening Overijssel. Artikel 4:13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.
Het is verboden op door het college in het be- lang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare ge- zondheid aangewezen plaatsen, buiten een in- richting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voor- werpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronke- lijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; Nieuwe tekst Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het be- lang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare ge- zondheid aangewezen plaatsen, buiten een in- richting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voor- werpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronke- lijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; 33 c.
kampeermiddelen als bedoeld in arti- kel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daar- van geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verza- meling ingekuild gras, loof of pulp of in- gekuilde landbouwproducten, afbraak- materialen en oude metalen. 2. Het is verboden op een door het college aan- gewezen plaats een bepaald voorwerp of be- paalde stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere re- gels stellen. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zo- ver in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening. c. kampeermiddelen als bedoeld in arti- kel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of ver- huur of anderszins voor een commerci- eel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verza- meling ingekuild gras, loof of pulp of in- gekuilde landbouwproducten, afbraak- materialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere re- gels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverorde- ning Overijssel.
Artikel 4:15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke re- clame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak niet-bouwvergunningplichtige handelsre- clame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waar- door het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of strijdigheid ontstaat met redelijke eisen van wel- stand. Nieuwe tekst Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke re- clame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de om- geving. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbe- sluit milieubeheer. Artikel 4:17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel ge- bruikt wordt of kan worden gebruikt voor recrea- tief nachtverblijf.
Nieuwe tekst Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel ge- bruikt wordt of kan worden gebruikt voor recrea- tief nachtverblijf. 34 Artikel 4:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kam- peerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of ge- plaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de be- heersverordening, exploitatieplan of een voorbe- reidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik op een zo- genaamd paalkampeerterrein. Een paalkam- peerterrein is gelegen in een natuurgebied en op een nader door het college aangewezen locatie. Op een paalkampeerterrein is het toegestaan maximaal 3 etmalen te overnachten, waarbij op enig moment op de betreffende locatie niet meer dan 3 kampeermiddelen voor eigen gebruik ge- lijktijdig aanwezig mogen zijn. 4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of b. de bescherming van een stadsgezicht. Nieuwe tekst Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kam- peerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of ge- plaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de be- heersverordening, exploitatieplan of een voorbe- reidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik op een zo- genaamd paalkampeerterrein. Een paalkam- peerterrein is gelegen in een natuurgebied en op een nader door het college aangewezen locatie. Op een paalkampeerterrein is het toegestaan maximaal 3 etmalen te overnachten, waarbij op enig moment op de betreffende locatie niet meer dan 3 kampeermiddelen voor eigen gebruik ge- lijktijdig aanwezig mogen zijn. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b.
een stadsgezicht. Artikel 4:19 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in arti- kel 4:18, vierde lid. Nieuwe tekst Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid. Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst 35 Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 1, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 1. Parkeerexcessen Nieuwe tekst Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwa- gens en rolstoelen; b.
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, on- der ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Nieuwe tekst Artikel 5:1 (Vervallen) Artikel 5:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van auto- bedrijf e.d. 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik Nieuwe tekst Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en der- gelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b.
voertuigen voor persoonlijk gebruik 36 van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toe- behoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van het verbod ver- lenen. van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toe- behoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aan- gewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod ver- lenen.
Nieuwe tekst Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aan- gewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recrea- tie of anderszins voor andere dan verkeersdoel- einden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. Nieuwe tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voer- tuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recrea- tie of anderszins voor andere dan verkeersdoel- einden wordt gebruikt: a.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en on- der a. 37 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening Overijssel. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op si- tuaties waarin wordt voorzien door Omgevings- verordening Overijssel. Artikel 5:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daar- mee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van het verbod ontheffing ver- lenen. Nieuwe tekst Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daar- mee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbe- grip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aan- gewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel scha- delijk is voor het uiterlijk aanzien van de ge- meente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbe- grip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verde- ling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrij- dag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kam- peerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie ach- tereenvolgende dagen op de weg worden ge- plaatst of gehouden. 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verle- nen. Nieuwe tekst Artikel 5:8 Grote voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbe- grip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aan- gewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel scha- delijk is voor het uiterlijk aanzien van de ge- meente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbe- grip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel bui- tensporig is met het oog op de verdeling van be- schikbare parkeerruimte. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toe- passing op campers, kampeerauto’s, cara- vans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvol- gende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepas- sing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. 38 Artikel 5:9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemme- rende voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbe- grip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of an- der dagelijks gebruik bestemd gebouw op zoda- nige wijze dat daardoor het uitzicht van bewo- ners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinder- lijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoe- ren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse nood- zakelijk is. Nieuwe tekst Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbe- grip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of an- der dagelijks gebruik bestemd gebouw op zoda- nige wijze dat daardoor het uitzicht van bewo- ners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinder- lijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedu- rende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse nood- zakelijk is.
Artikel 5:10 komt te luiden: Bestaande tekst Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen [vervallen] Nieuwe tekst Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voer- tuigen die worden gebruikt voor werkzaam- heden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Artikel 5:11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werk- zaamheden door of vanwege de overheid; Nieuwe tekst Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van ge- meentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; 39 c.
op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van het verbod ontheffing ver- lenen. 4. Het is verboden op door het college aangewe- zen plaatsen met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in de berm. c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:14 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:14 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeente- wet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een stand- plaats als bedoeld in artikel 5:17. Nieuwe tekst Artikel 5:14 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeente- wet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een stand- plaats als bedoeld in artikel 5:17. Artikel 5:17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:17 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt verstaan onder stand- plaats: het vanaf een vaste plaats op een open- bare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeen- tewet; Nieuwe tekst Artikel 5:17 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder standplaats ver- staan het vanaf een vaste plaats op een open- bare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeen- tewet; 40 b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel 5:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weige- ringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te heb- ben.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan rede- lijke eisen van welstand; b.indien als gevolg van bijzondere omstandighe- den in de gemeente of in een deel van de ge- meente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een stand- plaats voor het verkopen van goederen een re- delijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; c.vanwege de strijd met een geldend bestem- mingsplan, beheersverordening of exploitatie- plan. Nieuwe tekst Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weige- ringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te heb- ben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, be- heersverordening, exploitatieplan of voorbe- reidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale be- perking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzake- lijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
Artikel 5:20 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onder- werp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Overijssel 2009.2. 2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Nieuwe tekst Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaats- werken of de Omgevingsverordening Overijssel. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwer- ken. Artikel 5:22 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:22 Begripsbepaling Nieuwe tekst Artikel 5:22 Definitie 41 1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffel- markt: een markt in een voor het publiek toegan- kelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een stand- plaats. 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24. 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder snuffel- markt verstaan een markt in een voor het pu- bliek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen. 2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel 5:23 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitslui- tend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Win- keltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning we- gens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening of exploitatieplan. Nieuwe tekst Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruim- ten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning we- gens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbe- reidingsbesluit.
Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 6, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 6. Openbaar water Nieuwe tekst Afdeling 6. Openbaar water en waterstaats- werken Artikel 5:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven open- baar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, Nieuwe tekst Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven open- baar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de 42 indien dit door zijn omvang of vormgeving, con- structie of plaats van bevestiging gevaar ople- vert voor de bruikbaarheid van het openbaar wa- ter of voor het doelmatig en veilig gebruik daar- van dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het open- baar water. bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig be- heer en onderhoud van het openbaar water. Artikel 5:32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:32 Crossterreinen 1.