CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

nota beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Giethoorn 170807 anonieme digitale versie.pdf

Politieke Markt 3 oktober 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Giethoorn28.019 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Dat een hoveniersbedrijf een lichtere vorm van bedrijvigheid is dan het agrarische bedrijf, doet daar niets aan af. Voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op een bepaalde locatie geldt dat, ongeacht de actviteiten die in het verleden op deze locatie plaatsvonden, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving gewaarborgd moet blijven. Daar komt verder bij dat indiener 26 aangeeft dat het hoveniersbedrijf gebruik maakt van de op het perceel aanwezige veestal. Dit gebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 500 m2. Daarmee stelt indiener 26 de bedrijfsoppervlakte van (maximaal) 500 m2 van de VNG-milieuzonering gelijk aan oppervlakte van de bedrijfsbebouwing van het hoveniersbedrijf. Deze uitleg is echter te beperkt. Volgens de jurisprudentie moet voor het bedrijfsoppervlak worden uitgegaan van de oppervlakte van de gehele bedrijfsbestemming omdat bedrijfsactiviteiten binnen een bedrijfsbestemming (tot op zekere hoogte) ook buiten kunnen (en zullen) plaatsvinden, (RvS 10 februari 2010, 200903635/1/R2). De hele (agrarische bestemming) voor locatie Zuiderpad 3 is aanzienlijk groter dan 500 m2. Dat houdt voor het hoveniersbedrijf in dat volgens de VNG-milieuzondering moet worden uitgegaan van een richtafstand van minimaal 50 meter tot woningen van derden in plaats van een afstand van 30 meter.

Binnen deze richtstafstand van 50 meter van (beide bestemmingsvlakken van) het perceel Zuiderpad 5 bevinden zich behalve Zuiderpad 5 nog meeer woningen. Om de ruimtelijke haalbaarheid van de vestiging van een hoveniersbedrijf te kunnen beoordelen zal er ook ten aanzien van die woningen milieuonderzoek moeten worden verricht. Indien en voor zover het de bedoeling is van indiener 26 m om het hoveniersbedrijf daadwerkelijk te begrenzen tot een bedrijfsoppverlvakte van 500 m2 geldt dat uit zijn zienswijze verder niet kan worden afgeleid om welk gedeelte van het perceel Zuiderpad 3 het dan gaat, welke bebouwingsruimte daar (volgens indiener 26) bij hoort en hoe indiener het resterende deel van het perceel wil gaan gebruiken. Handhaving van het huidige bouwvlak zoals dat is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan sluit alsdan ruimtelijk in ieder geval niet meer goed aan op de omvang van het hoveniersbedrijf. Dit bouwvlak is namelijk veel groter dan voor de uitoefening van een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlakte van 500 m2 nodig is. Op grond van het voorgaande is de zienswijze van indiener geen onderbouwd, concreet verzoek op basis waarvan de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, vestiging hoveniersbedrijf (toch) kan worden meegenomen in dit ontwerpbestemmingsplan.

De ruimtelijke aanvaardbaarheid van het hoveniersbedrijf kan op basis van de zienswijze niet (goed) worden beoordeeld. Om over de vestiging van het hoveniersbedrijf een ruimtelijk oordeel te kunnen geven dient indiener zijn aanvraag/initiatief nader uit te werken. Voor zo’n uitgewerkt/aangepast iniatief kan op een later moment met toepassing van de genoemde binnenplanse wijzigingsregeling eventueel alsnog medewerking worden verleend. 4.26.2. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen. Op zich is een functieverandering van een agrarisch bedrijf naar een hovenierbedrijf op de locatie Zuiderpad 3 een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor gemeentelijke medewerking kan worden overwogen. Maar indiener 26 heeft met deze zienswijze niet aannemelijk gemaakt dat deze functieverandering in overeenstemming is met de VNG richtlijnen voor de milieuzonering. De zienswijze bevat verder ook geen gegevens op grond waarvan een (zorgvuldige) beoordeling van de ruimtelijke uitstraling op omgeving van de vestiging van het hoveniersbedrijf mogelijk is. Aldus gaat het hier niet om een 49 concreet, onderbouwd initiatief dat ruimtelijk aanvaardbaar is en op grond daarvan kan worden ingepast in de huidige bestemmingsplanprocedure.

Voor het kunnen toestaan van het hoveniersbedrijf zal een aparte bestemmingsplan- of vergunningsprocedure moeten worden doorlopen op basis van een door initiatiefnemer verder uitgewerkte en onderbouwde aanvraag. 4.27. Indiener 27 4.27.1. Mogelijkheid voor horeca Indiener 27 constateert (namens zijn cliënt) dat er voor het perceel Binnenpad 64 een mogelijkheid voor daghoreca is opgenomen. Client van indiener 27 kan zich daarmee niet verenigen. Volgens zijn cliënt verdraagt het bestemmen van een (ondergeschikte) horecagelegenheid zich niet met de conserverende opzet van het ontwerpbestemmingsplan. Op dit perceel heeft namelijk nooit een horecabestemming gezeten. Bovendien is door de gemeente eerder aan cliënt van indiener 27 aangegeven dat het opnemen van deze horeca-aanduiding een omissie is. Verder is cliënt van indiener 27 van mening dat het bestemming van een horecagelegenheid het beschermde dorpsgezicht in Giethoorn niet ten goede komt en dat dit zal leiden tot overlast. Client van indiener 27 voert aan dat de detailhandelsfunctie op het perceel Binnenpad 64 nu al tot overlast leidt omdat klanten van deze winkel hun boot afmeren in de Dorpsgracht waardoor de doorvaart wordt belemmerd. Dit is belemmert dan ook de bootverhuur van cliënt van indiener 27.

Reactie: Indiener 27 heeft over de gebruiksmogelijkheden van het pand Binnenpad 64 voor horecadoeleinden bij het eerste ontwerpbestemmingsplan Giethoorn ook al een zienswijze ingediend met soortgelijke argumenten. Voor de beantwoording van dit onderdeel van zijn zienswijze kan daarom in de eerste plaats worden verwezen naar de beantwoording van zijn eerdere zienswijze, zie paragraaf 4.21.3 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016. In aanvulling daarop nog het volgende. Op grond van het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening heeft het perceel Binnenpad 64 de bestemming ‘Winkels’, zie hieronder. 50 Percelen met de bestemming Winkels zijn bestemd voor de uitoefening van detailhandel. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij met een (omgevings)vergunning vrijstelling (een binnenplanse afwijking) verlenen voor het als nevenactiviteit bij de winkelfunctie uitoefenen een niet-omgevingshinderlijk horecabedrijf. Onder een niet-omgevingshinderlijk horecabedrijf wordt in het (huidige) bestemmingsplan verstaan: een horecabedrijf waarvan de uitoefening hoofdzakelijk is gericht op de verkoop van niet-alcoholhoudende dranken en/of de verkoop van spijzen voor de consumptie ter plekke en waarvan de openingstijden samenvallen met die van winkels (zie artikel 1, lid s.).

In het ontwerpbestemmingsplan heeft het perceel Binnenpad 66 in plaats van een winkelbestemming de bestemming Gemengd-1 gekregen (zie in dit verband ook de beantwoording bij 4.11.1.) met de aanduidingen detailhandel en ‘specifieke vorm van horeca- daghoreca’. Verder is voor dit perceel Binnenpad 64 inmiddels op 16 februari 2017 ook een omgevingsvergunning verleend voor de verkoop en productie van (consumptie)ijs als complementaire daghoreca bij de winkelfunctie. Daarbij wordt dan, anders dan tot nu toe, enige ruimte geboden om het verkochte ijs ter plaatse te nuttigen. Anders dan cliënt van indiener 27 lijkt te stellen leidt het ontwerpbestemmingsplan er niet toe dat er ter plaatse van Binnenpad 64 de realisering van een nieuw horecagelegenheid mogelijk wordt Zoals in de beantwoording van de eerste zienswijze ook is aangegeven kan en mag de horecafunctie (in dit geval de verkoop van ijs) uitsluitend in samenhang met en ondergeschikt aan de detailhandelsfunctie (de hoofdfunctie) worden uitgeoefend. Zelfstandige horeca-activiteiten zijn (ook) op grond van het nieuwe bestemmingsplan niet toegestaan. Het is verder ook niet zo dat het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van de gebruiksmogelijkheden voor (ondergeschikte) horeca (bij winkels) meer ruimte biedt dan wat op grond van het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening mogelijk is.

Zoals hiervoor is toegelicht, kan op grond van het huidige bestemmingsplan ondergeschikte horeca bij een winkelfunctie vrij eenvoudig met een binnenplanse afwijkingsvergunning worden toegestaan. De gebruiksregeling voor Binnenpad 64 in het nieuwe ontwerpbestemmingsplan sluit hierbij aan en gaat niet verder dan dat. De opmerking van indiener 27 dat het toestaan van een horecagelegenheid op deze locatie niet past bij de bedoeling van het nieuwe bestemmingsplan dat niet voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkeling treft dan ook geen doel, al vanwege het feit dat de gebruiksmogelijkheden in het nieuwe ontwerpbestemmingsplan op dit punt niet groter zijn dan het huidige juridisch-planologische kader. Ten aanzien van het beschermde dorpsgezicht van Giethoorn stelt indiener dat het bestemmen van een horecagelegenheid dit beschermde dorpsgezicht niet ten goede komt. Indiener wijst in dit verband op het gegeven dat er in de omgeving al drie horecagelegenheden aanwezig zijn. Het gaat 51 hier echter uitsluitend om het ondergeschikte gebruik voor horecadoeleinden bij een (bestaande) winkelfunctie waarbij dit horecagebruik slechts in combinatie met de detailhandelsactiviteiten mogen worden uitgeoefend. Deze gebruiksregeling voor horeca leidt op zichzelf niet tot nadelige gevolgen voor het beschermde dorpsgezicht van Giethoorn.

In het ontwerpbestemmingsplan zijn ten behoeve van complementaire daghoreca geen aanvullende of extra bouwmogelijkheden opgenomen en bovendien worden alle bouwactiviteiten die het ontwerpbestemmingsplan mogelijk maakt getoetst aan de te beschermen waarden van het beschermde dorpsgezicht. Voor wat betreft de door indiener aangevoerde vrees voor overlast geldt dat een complementaire daghoreca een zekere ruimtelijke uitstraling kan hebben op de (directe) omgeving. De enkele vrees voor hinder betekent echter nog niet dat er daadwerkelijk sprake zal zijn van een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat. In nu bij recht toegestane situatie heeft het perceel Binnenpad 64 al een zekere verkeers-/publieksaantrekkende werking als gevolg van de toegestane detailhandel. Met de (vergunde) complementaire daghoreca wordt beoogd om de bestaande bezoekers van Giethoorn, zoals passerende wandelaars en fietsers, in de gelegenheid te stellen een ijsje te kopen en dit ter plaatse op te eten.

Ten opzichte van de volgens het huidige bestemmingsplan al toegestane detailhandel op grond waarvan vergelijkbare effecten voor de omgeving mogelijk zijn en het gegeven dat de ijsverkoop alleen maar plaatsvindt in combinatie met de detailhandel (en dus ook niet buiten de openingstijden van de winkel is toegestaan), is niet aannemelijk dat de klandizie voor de ijsverkoop zal leiden tot extra, onaanvaardbare hinder voor de omgeving. De afstand tussen het woonperceel van indiener en (de voorgevel van )het pand Binnenpad 64 van waaruit het ijs zal worden verkocht bedraagt bovendien minimaal zo’n 15 meter, waarbij beide percelen van elkaar zijn gescheiden door de weg en de Dorpsgracht. Deze afstand is ruim voldoende om ontoelaatbare overlast voor indiener als gevolg van de complementaire daghoreca te voorkomen. Meer specifiek wordt door cliënt van indiener 27 in dit verband nog betoogd dat zijn botenverhuurbedrijf zal worden gehinderd door de complementaire daghoreca op het perceel Binnenpad 64. De doorvaart van de Dorpsgracht zal volgens hem namelijk worden belemmerd als gevolg van het afmeren in deze gracht in de nabijheid van zijn botenverhuur van vaartuigen waarvan de opvarenden een bezoek willen brengen aan deze horecavoorziening. De regeling van het scheepvaartverkeer en het vaargedrag valt echter niet onder de reikwijdte van de Wro en de daarop gebaseerde bestemmingsplannen.

Hiervoor geldt aparte (landelijke) regelgeving. De Dorpsgracht is een openbaar vaarwater waarvoor het Binnenvaart Politie Reglement (BPR) van toepassing is. Op grond van artikel 7.01 van het BPR moet een vaartuig zodanig ligplaats nemen, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd. Voor smal vaarwater, een engte (een engte is een plek in een nauw vaarwater waar twee schepen elkaar niet kunnen passeren), geldt ingevolge artikel 7.02 BPR dat daar of in de nabijheid daarvan geen ligplaats door een vaartuig mag worden ingenomen. Dit verbod geldt ingevolge deze bepaling indien door het afmeren of stilleggen van een vaartuig een engte zou ontstaan. Voor zover er al sprake zou zijn van de hinder door het afsluiting van de doorvaart van de Dorpsgracht door varende bezoekers van de ijsverkoopgelegenheid bij Binnenpad 64 geldt dat dit op grond van het BPR niet is toegestaan. Het komt alsdan aan op handhaving van de regelgeving. Bij de ruimtelijke afweging over het wel/of niet toestaan van een nieuwe activiteit door afwijking van of opname in het bestemmingsplan mag bij de beoordeling van de gevolgen daarvan voor de omgeving echter worden uitgegaan van normaal gedrag conform de geldende wet- en regelgeving. De door indiener veronderstelde problemen voor zijn bootverhuurbedrijf vormen aldus geen reden om de mogelijkheid van complementaire daghoreca bij Binnenpad 64 toch niet toe staan.

52 De verleende omgevingsvergunning voor de complementaire daghoreca voor Binnenpad 64 geeft wel aanleiding om de in het ontwerpbestemmingsplan voorziene functie-aanduiding voor deze activiteit aan te passen. In de aanduiding zal worden opgenomen dat de toegestane horeca- activiteit de productie en verkoop van consumptie-ijs betreft waarvan de totale oppervlakte inclusief terras maximaal 100 m2 bedraagt. Deze oppervlakte is beleidsmatig de maximaal toelaatbare oppervlakte voor complementaire daghoreca (zie artikel 13.6.3 van het ontwerpbestemmingsplan) en is bij de beslissing op bezwaar naar aanleiding van de tegen de omgevingsvergunning voor de complementaire daghoreca ook als voorwaarde aan deze vergunning verbonden. Deze voorwaarde wordt aldus ook in de bestemmingsomschrijving van artikel 13.1.1 van het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. 4.27.2. Ontbrekende en onjuiste aanduidingen/bestemming Volgens de cliënt van indiener 27 ligt de op verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen functieaanduiding voor rondvaart- en botenverhuur ter plaatse van de Dorpsgracht voor het perceel Binnenpad 111 aan de verkeerde kant. Deze aanduiding hoort volgens cliënt van indiener 27 aan deze zijde van Binnenpad 111 te liggen en niet, zoals nu in het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen, aan de zijde van Binnenpad 66.

Daarnaast bevindt zich achter het perceel Binnenpad 105 een insteekhaven waar boten afmeren. Op de verbeelding is deze insteekhaven niet weergegeven maar heeft het water de bestemming ‘Tuin’ gekregen (de aanduiding voor de bootverhuur is volgens cliënt van indiener 27 voor deze locatie wel correct opgenomen). Indiener 27 verzoekt namens zijn cliënt om deze haven de bestemming water te geven. Reactie: Volgens de in 2012 aan cliënt van indiener verleende vaarvergunning liggen de locaties waar de botenverhuur in de Dorpsgracht mag plaatsvinden voor de percelen Binnenpad 105 en 111, zie hieronder (de met de kleur geel aangeduide locaties). De locatie ter hoogte van Binnenpad 111 is inderdaad abusievelijk op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan voor het perceel aan de overkant Binnenpad 66 geprojecteerd. Dit is uiteraard niet de bedoeling. De verbeelding zal op dit punt worden aangepast door de betreffende aanduiding op de verbeelding te verplaatsen naar de locatie voor het perceel Binnenpad 105, conform de verleende vaarvergunning. 53 Met zijn opmerking over de insteekhaven doelt cliënt van indiener 27 op de insteekhaven die zich aan de achterzijde van het perceel Binnenpad 105 bevindt zoals globaal aangeduid met de rode omlijning op onderstaande luchtfoto. Deze locatie heeft op grond van het huidige bestemmingsplan c.q.

de beheersverordening de bestemming Tuinen., zie hieronder. In het ontwerpbestemmingsplan is deze tuinbestemming gehandhaafd, waarbij de aanwezigheid van water krachtens de regels van het ontwerpbestemmingsplan is toegestaan. De aanwezigheid van de insteekhaven van cliënt van indiener is dan ook in overeenstemming met deze bestemming Tuin nu deze is bedoeld voor eigen gebruik en/of het botenverhuurbedrijf van client van indiener 27 (dat eveneens past in het bestemmingsplan). De bestemming Water van het ontwerpbestemmingsplan is (dan ook) niet bedoeld als een bestemmingsregeling voor al het feitelijk in het plangebied aanwezige water. De bestemming Water met name bedoeld voor de grotere, voor een ieder toegankelijke wateroppervlakten. Water dat met een beperkte oppervlakte en/of water dat meer privé-doeleinden wordt gebruikt kan in het ontwerpbestemmingsplan ook in andere bestemming zijn gesitueerd zoals de bestemming Tuin. Omzetting van de voor de insteekhaven geldende Tuinbestemming naar de bestemming Water is dan ook niet nodig en zou voor cliënt van indiener 27 vooral neerkomen op een beperking in zijn gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de huidige regeling. 54 4.27.3. Bouwvlak voor schuur Op het perceel Binnenpad 101 is een schuur aanwezig die eigendom is van de cliënt van indiener 27. In deze schuur wonen de ouders van cliënt.

Deze schuur is niet op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen. Namens zijn cliënt verzoekt indiener 27 om dit alsnog met behulp van een bouwvlak te doen. Verder willen cliënt en zijn ouders deze schuur graag verplaatsen naar het perceel Binnenpad 111 en verzoekt om deze mogelijkheid in het bestemmingsplan op te nemen. Volgens cliënt leidt dit niet tot extra verstening aan het Binnenpad en past de verplaatsing van de schuur binnen de grenzen van het beschermde dorpsgezicht. Reactie: De betreffende schuur is in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen in de aanduiding bijgebouwen toegestaan en is een bijgebouw horende bij de woning Binnenpad 101, zie hieronder. Nu het hier zowel in het huidige bestemmingsplan als in het ontwerpbestemmingsplan gaat om een bijgebouw is toekenning van een bouwvlak niet nodig. Bouwvlakken worden om de hoofdbebouwing geprojecteerd. 4.27.4. Verplaatsing schuur Client van indiener geeft aan dat er ver achter op het perceel Binnenpad 101 nog een schuur staat. Client en zijn ouders willen deze schuur graag verplaatsen naar het perceel Binnenpad 111 en verzoekt om deze mogelijkheid in het bestemmingsplan op te nemen. Volgens cliënt leidt dit niet tot extra verstening en aan het Binnenpad en past de verplaatsing van de schuur binnen de grenzen van het beschermde dorpsgezicht.

Reactie: De locatie achter de woonbestemming voor Binnenpad 101 heeft in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie gekregen. Binnen het bouwvlak is daar één recreatiewoning toegestaan. Buiten het bouwvlak is geen bebouwing in de vorm van gebouwen mogelijk. Vrijstaande bijgebouwen bij recreatiewoningen zijn in het ontwerpbestemmingsplan aldus geen toegelaten bouwwerken. 55 Deze regeling in het ontwerpbestemmingsplan is in lijn met de huidige recreatieve bestemming (Zomerhuisjesterrein) van deze locatie op grond van de beheersverordening, zie hieronder. . De locatie Binnenpad 111 heeft in het ontwerpbestemmingsplan een woonbestemming. Nu hier gaat om verschillende functies (recreatie en wonen) ligt het om die reden al niet voor de hand om de bebouwingsmogelijkheden van beide functies met elkaar te gaan verrekenen. Daarnaast geldt dat binnen de woonbestemming voor Binnenpad 111 de bouw van een schuur als bijgebouw bij de woning is toegestaan. In het ontwerpbestemmingsplan is daarbij een duidelijke afweging gemaakt ten aanzien van de vraag hoeveel erfbebouwing binnen een woonbestemming mogelijk is.

Het creëren van een extra bouwmogelijkheid bovenop de binnen een woonbestemming toegestane bebouwingsruimte door “verplaatsing” van een bouwmogelijkheid van elders is ruimtelijke gezien niet wenselijk omdat op dat betreffende woonperceel dan wel een te grote bebouwingsmassa/verstening ontstaat of kan ontstaan. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet dan ook niet in dergelijke salderingsregelingen. Per saldo geldt in dit geval dat het weghalen van de schuur binnen de recreatieve bestemming op grond van het ontwerpbestemmingsplan mogelijk is en ook kan worden gezien als een ruimtelijke wenselijk ontwikkeling maar het herbouwen van deze schuur bij de woning Binnenpad 111 bovenop wat het ontwerpbestemmingsplan voor dit perceel aan bebouwing krachtens de beoogde woonbestemming mogelijk maakt, ruimtelijk niet aanvaardbaar is. 4.27.5. Rietoverkapping Cliënt van indiener 27 wil graag een overkapping op het perceel Binnenpad 111 realiseren ten behoeve van de opslag van riet in het kader van natuurbeheer. In het ontwerpbestemmingsplan is voor deze overkapping geen bouwvlak opgenomen. Namens zijn cliënt verzoekt indiener 27 om daarvoor alsnog een bouwvlak op te nemen. 56 Reactie: Indiener 27 geeft in zijn zienswijze geen maatvoering van de overkapping aan en maakt ook niet duidelijk waar deze overkapping op het perceel zou moeten worden gebouwd.

Een concrete ruimtelijke beoordeling van dit initiatief is daardoor niet goed mogelijk. Binnen de voor Binnenpad 111 geldende woonbestemmingsplan is de realisering van een beperkte overkapping mogelijk ten behoeve van het woongebruik. Indien cliënt van indiener een meer bedrijfsmatige opzet voor ogen staat, geldt dat een rietteeltbedrijf een bedrijfsmatige activiteit is die niet past binnen een woonbestemming. De vraag of een rietteeltbedrijf als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse mogelijk is, is een vraag die buiten het bestek van het ontwerpbestemmingsplan , dat is gericht op het creëren van een nieuwe passende planologische regeling voor de huidige situatie, valt. 4.27.6. Conclusie De zienswijze van cliënt van indiener geeft geen aanleiding om over te gaan tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan, met uitzondering van de aanduiding voor de bootverhuur in de Dorpsgracht ter hoogte van Binnenpad 66. De verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan zal op dit punt worden aangepast door deze aanduiding te verplaatsing naar de locatie voor het perceel Binnenpad 111 conform de vaarvergunning van 2012. Daarnaast zal met betrekking tot de complementaire daghoreca bij Binnenpad 64 een maximale omvang van 100 m2 worden opgenomen en zal worden vastgelegd dat het hier gaat om de productie en verkoop van consumptie-ijs. 4.28. Indiener 28 4.28.1.

Vergroten bouwvlak voor jachthavenbedrijf Indiener 28 geeft aan dat zijn cliënt de eigenaar is van de jachthaven aan de Jonenweg 1c. Zijn cliënt wil de huidige bedrijfshal graag vervangen door een nieuwe, grotere bedrijfshal in combinatie met een bedrijfswoning. Bedoeling van dit nieuwe pand is om de locatie onderhoudswerkzaamheden voor de in de haven liggende schepen beter te kunnen uitvoeren. Volgens indiener 28 is op grond van het huidige bestemmingsplan een bedrijfswoning ter plaatse (al) mogelijk. Voor deze ontwikkeling moet in het nieuwe bestemmingsplan een groter bouwvlak worden opgenomen. Met behulp van een schets heeft indiener 28 het beoogde bouwvlak in zijn zienswijze aangegeven, zie hieronder. 57 Het in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bouwvlak wordt daarmee in oostelijke richting uitgebreid en komt gedeeltelijk te liggen op de bestemming Tuin-1 naast de weg. Indiener 28 verzoekt in dit verband tevens om dit deel van deze tuinbestemming om te zetten naar een de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven’. Reactie: De herziening van het bestemmingsplan is gericht op het treffen van een actuele planologische regeling voor de huidige situatie. Dat wil zeggen dat alleen bestaande situaties (bestaande bestemmingen) worden vastgelegd.

In het ontwerpbestemmingsplan is op basis van de bestaande situatie voor de locatie Jonenweg 1c de bestemming Recreatie-Jachthaven opgenomen, zie hieronder. Voor het aanwezige bedrijfsgebouw is een bouwvlak opgenomen. De bouw van een bedrijfswoning is volgens deze bestemming op deze plek niet mogelijk. 58 Deze bestemming sluit aan bij de huidige bestemming van het geldende bestemmingsplan/de beheersverordening waarin voor deze locatie ook (al) de bestemming Jachthaven is opgenomen. In de huidige bestemmingsplanregeling is op deze plek echter niet voorzien in een bouwvlak of de mogelijkheid van een bedrijfswoning, zie hieronder. In het ontwerpbestemmingsplan is de huidige bestemmingsplanregeling voor de locatie Jonenweg 1c dus overgenomen, met de toevoeging dat voor het aanwezige bedrijfsgebouw nu wel een bouwvlak opgenomen. Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan/de beheersverordening regelt het ontwerpbestemmingsplan dus een inpassing van het bestaande bedrijfsgebouw. Nieuwe(re) ontwikkelingen worden, gezien de hiervoor genoemde bedoeling van dit plan, in principe niet in dit (nieuwe) bestemmingsplan opgenomen, tenzij sprake is van een concreet verzoek dat zodanig is onderbouwd dat dit op ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld.

De vraag van indiener komt ten opzichte van het nu opgenomen bouwvlak neer op een aanzienlijke vergroting van de bedrijfsbebouwing en de realisering van een nieuwe bedrijfswoning. In dit geval is sprake van een verzoek, dat niet is onderbouwd. Zo bevat de zienswijze geen informatie over de noodzaak voor de bedrijfswoning en geen toelichting op de omvang van de bedrijfsvoering in relatie tot de voorgestelde vergroting van het bouwvlak en de inpasbaarheid daarvan voor de omgeving. Vanwege het feit dat het verzoek niet is onderbouwd, kan het in dit stadium niet zorgvuldig worden beoordeeld. Met indiener 28 kan wel een overleg worden opgestart om te komen tot een onderbouwd verzoek (inclusief benodigde onderzoeken) dat als basis voor een ruimtelijke beoordeling kan dienen. Indien blijkt dat medewerking kan worden verleend, zijn er, buiten het bestemmingsplan om, mogelijkheden aanwezig op basis waarvan medewerking kan worden verleend. Deze zienswijze onder nummer 9 heeft ook betrekking op het perceel Jonenweg 1c. Deze zienswijze bevat een verzoek tot wijziging van de bestemming ‘Tuin-1’ in de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven’. Zie voor een reactie op dit verzoek, de reactie op zienswijze nummer 9. 4.28.2. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen.

De zienswijze komt neer op een verzoek of initiatief voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarvan de 59 ruimtelijke aanvaardbaarheid (nog ) niet vaststaat en ook nog niet kan worden vastgesteld. Indiener28 heeft de mogelijkheid om buiten deze bestemmingsplanprocedure om een onderbouwd verzoek in te dienen voor de vergroting van de bedrijfsruimte met bedrijfswoning. Als na beoordeling van dat verzoek blijkt dat deze ontwikkeling ruimtelijk passend is, kan daarvoor een aparte ruimtelijke (vergunnings)procedure voor worden gevolgd. 4.29. Indiener 29 4.29.1. Niet tijdig actualiseren bestemmingsplan Volgens indiener 29 heeft het gemeentebestuur de plicht om iedere 10 jaar het bestemmingsplan te actualiseren. Dat is voor Giethoorn naar de mening van indiener 29 sinds 1994 niet het geval. De gemeente heeft jegens indiener daarmee niet medewerkend opgesteld. Voor burgers zijn er veelal geen mogelijkheden aan hetgeen bijdraagt aan de woon- en gebruiksmogelijkheden voor hun opstallen. Reactie: In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is per 1 juli 2008 de verplichting opgenomen om een bestemmingsplan eens in de 10 jaar te herzien. De termijn van 10 jaar wordt gerekend vanaf het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Voor bestemmingsplannen die op het moment van inwerkingtreding al langer dan vijf jaar van kracht waren gold een aparte regeling op grond waarvan deze plannen uiterlijk in 2013 zouden moeten worden vervangen door een nieuw planologisch regime. Voor Giethoorn is invulling aan deze verplichting gegeven door het vaststellen van een beheersverordening op 18 juni 2013. Daarna is de actualisering van planologisch regime voor Giethoorn ter hand genomen door het opstellen van een nieuw digitaal bestemmingsplan voor deze kern. Het ontwerpbestemmingsplan vormt daar de uitkomst van. Los daarvan geldt dat het ruimtelijke beleid uiteindelijk bepaalt in hoeverre medewerking kan worden verleend aan nieuwe ruimtelijke initiatieven (in afwijking van het geldende bestemmingsplan.). In dat verband is door de gemeenteraad onder meer de Notitie facetbeleid vastgesteld. Deze notitie geldt ook voor Giethoorn. Aan nieuwe ruimtelijke initiatieven die passen in dat beleid is ook in Giethoorn de afgelopen periode medewerking verleend, vaak via de weg van een vrijstelling of omgevingsvergunning. 4.29.2. Oppervlakte botenhuis Naar het oordeel van indiener is de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen maximale oppervlakte van een botenhuis van 25 m2 te klein. In Giethoorn beschikken huishoudens vaak over meerdere vaartuigen.

De toegestane goot- en bouwhoogte van een botenhuis (respectievelijk 3,50 en 4,00 meter) acht indiener 29, gezien de beperkte doorvaarthoogte van de bruggen in Giethoorn, dan weer te hoog. Bewoners zijn volgens indiener gebaat bij botenhuizen met een grotere oppervlakte. Ook is bij de hoogtematen voor botenhuizen geen 0-peil aangegeven. Als wordt gerekend vanuit het oppervlaktewater moet volgens indiener 29 het NAP-peil worden toegevoegd. Verder is naar de mening van indiener 29 de beantwoording bij paragraaf 4.9.1 van de reactienota voor de zienswijzen van eerste ontwerpbestemmingsplan niet juist. De opmerking dat er in Giethoorn ruime mogelijkheden zijn voor het afmeren van boten is volgens indiener 29 niet juist. Er zijn volgens indiener 29 bij geen passende overkapte ligplaatsen in Giethoorn. Bovendien gaat de gemeente voorbij aan het feit dat het van oudsher gebruikelijk is dat de bewoners van 60 Giethoorn hun vaartuigen bij hun eigen woning afmeren. Indiener 29 wenste regeling met betrekking tot de maximale oppervlakte van botenhuizen verruimd te zien. Reactie: Op dit onderdeel van de zienswijze van indiener 29 is grotendeels al ingegaan bij de beantwoording van de zienswijzen over het eerdere ontwerpbestemmingsplan. Indiener 29 heeft toen al een soortgelijke zienswijze ingediend.

Voor de beantwoording van de opmerkingen van indiener 29 over de maximale oppervlakte van een botenhuis kan dus in de eerste plaats worden verwezen naar de reactie bij paragraaf 4.9.1 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016. De botenhuisregeling is een algemene regeling die voor alle percelen met dezelfde woonbestemming geldt en is bedoeld om in aanvulling op de reguliere bijgebouwenregeling, een overdekt onderkomen voor het afmeren van een (klein) recreatief vaartuig of vaartuigen, zoals die (ook) in Giethoorn vaak voorkomen, mogelijk te maken. Het enkele feit dat er in Giethoorn huishoudens zijn die over meerdere (grotere) boten beschikken, impliceert niet dat om die reden het bouwen van meerdere of grotere botenhuizen in het bestemmingsplan (maar) mogelijk moet worden gemaakt. Voor wat betreft de maatvoering van botenhuizen geldt dat volgens artikel 2 van het ontwerpbestemmingsplan moet worden gemeten vanaf het peil. Het peil is verder omschreven in artikel 1.121 van de bestemmingsplanregels. Aldus voorziet het ontwerpbestemmingsplan (ook) voor botenhuizen in een meetregeling. De bouwhoogte van een botenhuis hoeft verder niet exact op de brughoogte in Giethoorn te zijn afgestemd.

Met deze bouwhoogte van 4,00 meter is geborgd dat een botenhuis niet hoger kan zijn dan een regulier bijgebouw maar over het algemeen juist lager zal zijn en dus ruimtelijk een ondergeschikt bouwwerk is ten opzichte van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen. Met een bouwhoogte van 4,00 meter is het mogelijk om het botenhuis naast het afmeren van een vaartuig ook te gebruiken voor de opslag van bijhorende materialen en een vaartuig eventueel in en uit het water te hijsen. Indien de maximale hoogte van een botenhuis wordt verlaagd nemen de gebruiksmogelijkheden van dit bouwwerk af terwijl dat ruimtelijk niet nodig is. Met de door indiener 29 aangehaalde opmerking in 4.9.1 over de mogelijkheden van het afmeren van boten is niet (uitsluitend) gedoeld op overkapte mogelijkheden maar op de afmeermogelijkheden in het algemeen (dus ook in de buitenlucht). Die zijn er zeker en het ontwerpbestemmingsplan houdt hier ook rekening mee in die zin dat het afmeren van een vaartuig bij een woonperceel voor eigen gebruik past binnen de woonbestemming van het ontwerpbestemmingsplan. Dat bewoners hun (plezier)vaartuig bij eigen woning afmeren is het ontwerpbestemmingsplan dus onderkend. 4.29.3. Botenhuis - bijgebouw Volgens indiener 29 geldt dat botenhuizen die groter zijn van 25 m2 onder de bouwregeling van bijgebouwen vallen.

Indiener 29 acht deze regeling hoogst bijzonder en niet productief. Hij zou graag zien dat de gemeente toestaat om de oppervlakte van bijgebouwen en de maximale oppervlakte van een botenhuis te salderen. 61 Reactie: In het ontwerpbestemmingsplan is , mede om het behoud van de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit, het maximaal te realiseren aantal vierkante meters aan bijgebouwen in het bestemmingsplan gerelateerd aan de oppervlakte van het kadastrale perceel. Het is aan de eigenaar van een perceel, hoe met realisering van het aantal vierkante meters aan bijgebouwen wordt omgegaan. Het bestemmingsplan biedt hiervoor de ruimte. Het aantal vierkante meters voor bijgebouwen kan gebruikt worden voor vergroting van de woning of uitsluitend voor het bouwen van bijgebouwen (inclusief botenhuis groter dan 25 m²). Naast het maximale aantal vierkante meters voor bijgebouwen kan een botenhuis met een oppervlakte van 25 m² worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan bevat hierdoor een voldoende aantal vierkante meters voor realisering van bijgebouwen en is het niet nodig om in de regels van het bestemmingsplan een saldering met betrekking tot de oppervlakten van bijgebouwen op te nemen. 4.29.4. Hoofdgebouw – bijgebouw Volgens indiener 29 geldt voor veel woningen dat een deel van het hoofdgebouw reeds is aangemerkt als bijgebouw.

Daardoor lijkt de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen verruiming ten aanzien van de maximale oppervlakte van bijgebouwen van 50 m2 naar 100 m2 substantieel maar in de praktijk is dit veelal niet voldoende om aan noodzakelijke wensen te voldoen. De percelen in Giethoorn zijn in de optiek van indiener 29 veelal dusdanig groot dat het toestaan van grotere bijgebouwen niet als storend hoeft te worden ervaren. Bovendien zijn volgens indiener op bijna alle percelen aan de Beulakerweg bijgebouwen aanwezig die nooit zijn vergund waardoor er praktisch gezien veelal geen sprake is van uitbreiding. Reactie: Ook dit onderdeel van de zienswijze van indiener 29 is inhoudelijk grotendeels gelijk aan datgene wat indiener 29 al eerder bij zijn zienswijze tegen het eerste ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht. Ter beantwoording van dit onderdeel wordt daarom verwezen naar paragraaf 4.92. en 4.9.3 van de Reactienota zienswijze ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016. Een bijgebouw wordt in het ontwerpbestemmingsplan omschreven als een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Deze definitie is niet wezenlijk anders dan de omschrijving van een bijgebouw in het huidige bestemmingsplan van 1994 c.q. de beheersverordening. In het ontwerpbestemmingsplan zijn de bouwvlakken om de bestaande hoofdgebouwen geprojecteerd.

Achter de bouwvlakken liggen de bouwaanduidingen voor de bijgebouwen voor de bestaande en (eventueel) nieuwe bijgebouwen. Per saldo nemen de mogelijkheden voor de bouw van bijgebouwen in het ontwerpbestemmingsplan ten opzichte van de huidige planregeling (wel degelijk) toe. Nu is maximaal 50 m2 aan bijgebouwen toegestaan. In het ontwerpbestemmingsplan is, afhankelijk van de grootte van het bouwperceel, ter plaatse van de aanduiding voor bijgebouwen maximaal 100 m2 toegestaan. Daarnaast is met inachtneming van bepaalde randvoorwaarden op grond van vergunningsvrije bouwmogelijkheden het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor een perceel als dat van indiener 29 maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan, inclusief de bouwmogelijkheden van het (ontwerp)bestemmingsplan. Met deze oppervlakte aan bijgebouwen bij woningen zijn er (ruim) voldoende gebruiksmogelijkheden voor 62 een goede bewoning van de betreffende woningen, ook naar moderne maatstaven. Dat er feitelijk al woningen in Giethoorn zijn die voldoen aan dit ruimtelijk eindbeeld maakt dit niet anders.

Een verdere verruiming van de bebouwingsmogelijkheden voor bijgebouwen bij woningen wordt niet overwogen omdat de omvang aan bijgebouwen in verhouding moet staan tot het hoofdgebouw waarbij de bijgebouwen horen en het gelet op de ruimtelijke karakteristiek van Giethoorn wenselijk is dat de woonpercelen niet volledig met erfbebouwing kunnen worden vol gezet. 4.29.5. Afstand tot de perceelsgrens Indiener 29 vindt het bijzonder dat ook op grote percelen tot aan de perceelgrens bebouwing mag plaatsvinden terwijl groene buffers tussen particuliere opstellen en een provinciale weg voor de gemeente van essentieel belang lijken te zijn. Indiener 29 wil graag dat in het nieuwe bestemmingsplan wordt opgenomen dat bebouwing minstens 3 meter uit de erfgrens gevestigd dient te worden. Reactie: Ook voor dit onderdeel van de zienswijze van indiener kan worden verwezen naar de beantwoording van zijn eerdere zienswijze, zie paragraaf 4.9.4 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn uit 2016. In het bestemmingsplan wordt geen regeling opgenomen die voorschrijft dat bebouwing op een afstand van tenminste 3 meter van de perceelgrens moet worden gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de regeling in het privaatrecht voor wat betreft het burenrecht. Op grond van het privaatrecht, mag bebouwing tot op de perceelgrens worden gebouwd.

Daarmee wijkt het ontwerpbestemmingsplan overigens ook niet af van de huidige regeling in de beheersverordening. 4.29.6. Uitbreiden bebouwingsvlak Indiener 29 geeft aan dat geheel achter op zijn perceel vroeger een oude schuur aanwezig was. Deze schuur is in 2008 afgebroken. Indiener 29 wil graag dat het bebouwingsvlak verder naar achter wordt uitgebreid tot aan de perceelgrens met het achterliggende perceel (perceel 484) en ook op een deel van het perceel 486 wordt geprojecteerd. Indiener heeft bij zijn zienswijze een tekening gevoegd waarop deze uitbreiding staat aangegeven, zie hieronder. 63 Op dit perceel staan reeds opstallen die indiener 29 voornemens wil afbreken en wil vervangen door een grote schuur. Deze schuur wil indiener 29 bouwen achter het bestaande bijgebouw en haventje. Indiener 29 biedt aan om als deze uitbreiding in het bestemmingsplan wordt opgenomen substantiële kwaliteitsverbetering door te voeren met als doel de “groene buffer” tussen de bebouwing en de Nieuwe Beulakerweg te versterken. De schuur kan in dit verband ook worden gebruikt om opslag van bouwmateriaal en openhaardhout in een nette schuur op te slaan. Reactie: Ook dit onderdeel van de zienswijze heeft indiener 29 grotendeels al eerder in zijn eerste zienswijze aangevoerd.

Voor de beantwoording kan dus worden verwezen naar het antwoord dat al op zijn eerste zienswijze is gegeven, zie paragrafen en 4.9 3 en 4.9.6 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016. In het ontwerpbestemmingsplan is voor het perceel Beulakerweg 60 een bestemmingsvlak opgenomen dat is afgestemd op de feitelijke situatie. Zoals in paragraaf 4.4.1 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016 is aangegeven is dit bestemmingsvlak ten opzichte van de huidige bestemming van het huidige bestemmingsplan uit 1994 c.q. de beheersverordening aangepast/vergroot. Zoals in de genoemde paragrafen 4.9.3 en 4.9.6 van deze eerdere reactienota is toegelicht, is er geen aanleiding om, in het kader van deze bestemmingsplanprocedure, de voor Beulakerweg 60 in het ontwerpbestemmingsplan voorziene woonbestemming en bebouwingvlak verder te vergroten op de door indiener 29 voorgestelde wijze. Dit zou leiden tot meer erfbebouwing(smogelijkheden) bij deze woning dan het ruimtelijke uitgangspunt waar het ontwerpbestemmingsplan vanuit gaat. De argumenten die indiener 29 daarvoor aanvoert, namelijk vergroting van zijn woongenot in de vorm van een nieuwe grote schuur, bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

Bovendien doet deze vergroting afbreuk aan de groene overgangszone tussen de weg N334 en de achterliggende woonpercelen, zoals ook al is toegelicht in paragraaf 4.4.1 en 4.9.6 van de eerdere reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016. Uitgangspunt van het ontwerpbestemmingsplan is om deze “groene buffer” vrij te houden van bebouwing. Het argument dat er volgens indiener 29 binnen het groen gekleurde deel van de percelen 860 en 486 al bebouwing in de vorm van kleine opstallen, waaronder een geitenhok aanwezig is en er opslag van allerlei materialen plaatsvindt maakt dit anders. Deze bouwwerken en buitenopslag zijn qua ruimtelijke uitstraling op de omgeving niet vergelijkbaar met een grotere schuur (van niet nader aangeduide omvang). En deze bebouwing en opslag zijn verder (al) niet in overeenstemming met 64 het huidige bestemmingsplan van 1994 c.q. de beheersverordening. Op grond van de huidige bestemmingsplanregeling hebben deze perceelsgedeelten de bestemming Bos c.q beplantingsstrook, zie hieronder. Gronden met de bestemming Bos c.q. beplantingsstrook zijn bestemd voor (hoog-)opgaande, afschermende beplanting, alsmede voor het behoud en herstel van de landschappelijke waarden met daarbij behorende andere bouwwerken.

Binnen deze geldende bestemming Bos zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijn ten dienste van deze bestemming met een hoogte van 2,50 meter. Bebouwing die wordt gebruikt ten behoeve van woondoeleinden is binnen deze bestemming niet toegestaan. Het gebruik van gronden als stort- of opslagplaats voor al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen materialen, met uitzondering van opslag in het kader van het normale onderhoud, is op grond van artikel 37 van het huidige bestemmingsplan uit 1994 c.q. de beheersverordening (al) niet toegestaan. De aanwezigheid van deze opslag en bebouwing is daarmee geen ruimtelijke argument voor de bouw van een schuur (als een vervangend bouwwerk). Dat op het groen gearceerde gedeelte volgens indiener 29 geen enkele boom (meer) staat, is in het ontwerpbestemmingsplan ondervangen door de huidige bosbestemming te vervangen de bestemming Tuin waarvan de doelomschrijving qua beplanting ruimer is dan het doel van (hoog)opgaande afschermde beplanting. De afwezigheid van bomen impliceert in dat opzicht dan ook niet dat de bouw van nieuwe bijgebouwen bij een woning onvermijdelijk of aangewezen is. 4.29.7. Nieuw botenhuis Indiener 29 wenst verder op de perceelgrens tussen perceel 485 en 486 een nieuw botenhuis op te richten. Daar heeft 70 jaar lang een botenhuis gestaan.

Indiener 29 verzoekt daarom op aan deze locatie de bestemming ‘Water” toe te kennen. Reactie: Duidelijk is dat op de betreffende locatie nu geen botenhuis (meer) aanwezig is. Op grond van de huidige bestemmingsplanregeling heeft deze locatie geen waterbestemming. De locatie heeft in het huidige bestemmingsplan uit 1994 c.q. de beheersverordening de bestemming Bos c.q. beplatingsstrook (zie de uitsnede van de bestemmingsplankaart bij paragraaf 4.29.6). Binnen deze bestemming is de bouw van een gebouw als een botenhuis niet mogelijk. 65 In het ontwerpbestemmingsplan is (wel) een regeling voor de bouw van botenhuizen bij woningen opgenomen. Uitgangspunt is dat er per woning maximaal één botenhuis is toegestaan op het betreffende woonperceel. In het ontwerpbestemmingsplan heeft deze locatie, zoals bij paragraaf 4.29.6 is aangegeven, de bestemming Tuin-1 gekregen. Binnen deze bestemming is de aanwezigheid van water als onderdeel van het tuingebruik mogelijk. De bouw van een nieuw botenhuis is binnen deze tuinbestemming (ook) niet mogelijk. Het is niet de bedoeling van het ontwerpbestemmingsplan om voor dit gebied (meer) woonbebouwing mogelijk te maken (zie ook de vorige paragraaf). Conform de regeling in het geldende bestemmingsplan uit 1994 c.q.

de beheersverordening is de bestemming Water bedoeld voor de grotere wateroppervlakken zoals vaarten, sloten en grachten met een openbaar karakter waar het gebruik van het water niet alleen is voorbehouden aan de eigenaar of rechthebbende en niet voor privé-water dat onderdeel uitmaakt van of aansluit bij een woonperceel of tuin. Voor toekenning van de gevraagde waterbestemming bestaat aldus geen aanleiding. Dit temeer daar deze toekenning, gelet op de door indiener 29 geuite bouwwens, zou kunnen leiden tot de realisering van een botenhuis op een locatie waarvan het gezien de systematiek van het ontwerpbestemmingsplan niet de bedoeling is om daar een nieuw gebouw te realiseren. 4.29.8. Tuin – Tuin-1 Het is voor indiener 29 niet duidelijk voor welk deel van zijn perceel de bestemming ‘Tuin’ geldt en voor welk deel ‘Tuin-1’. Indiener 29 neemt daarom aan dat voor zijn perceel alleen de bestemming ‘Tuin’ van toepassing is. Reactie: Ter beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze van indiener 29 wordt verwezen naar de uitsnede van de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan zoals weergegeven bij paragraaf 4.29.6 Het deel van het perceel Beulakerweg 60 voor de woning (dus het deel tussen de Beulakerweg en de voorkant van de woning) heet de bestemming Tuin.

Het gebied achter de woning en achter de woonbestemming (dus de woonbestemming en de weg N242) heeft de bestemming Tuin-1. 4.29.9. Conclusie De zienswijze van indiener 29 geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.30. Indiener 30 4.30.1. Vergroten bestemmingsvlak bedrijf Indiener 30 exploiteert ter plaatse van het perceel Beulakerweg 129 een bedrijf gericht op o.a. grondverzet, stratenmakerij, tuinonderhoud, rioleringswerkzaamheden, transport over water etc. Een deel van het achterliggende land wordt door indiener 30 gebruikt voor de opslag van materiaal (grond, zand, stenen) en machines. Deze situatie is volgens indiener 30 in elk geval al 11 jaar aanwezig. Indiener 30 verzoekt om de bedrijfsbestemming c.q. het bouwvlak verder naar achter toe uit te breiden, gelijk aan de achtergrens van het plangebied voor de nieuwe basisschool. 66 Reactie: De herziening van het bestemmingsplan Giethoorn is gericht op het treffen van een actuele, uniforme planologische regeling voor de huidige situatie. Dat wil zeggen dat alleen bestaande situaties (bestaande bestemmingen) worden vastgelegd. Nieuwe ontwikkelingen worden in principe niet in het bestemmingsplan opgenomen, tenzij sprake is van een concreet verzoek dat zodanig is onderbouwd dat dit op ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld. In dit geval is geen sprake van een onderbouwd verzoek.

In de “Reactie nota inspraak en vooroverleg bestemmingsplan Giethoorn”, op basis van het voorontwerpbestemmingsplan, is aangegeven dat de gevraagde ontwikkeling niet in het bestemmingsplan zal worden overgenomen, maar dat een afweging zal worden gemaakt op basis van een afzonderlijk verzoek. Tot op heden is een dergelijk verzoek niet ingediend. Ook in de Reactienota zienswijze ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016 voor het eerste ontwerpbestemmingsplan is in die richting al op een soortgelijke zienswijze van indiener 30 ingegaan. In die nota is verder aangegeven dat de door indiener 30 voorgestelde vergroting van het bedrijventerrein vooralsnog niet in beeld is omdat op de huidige bedrijventerreinen nog voldoende bedrijfskavels beschikbaar zijn om de komende jaren in de behoefte aan bedrijfsgrond te voorzien. (zie paragraaf 4.24.1 van de reactienota 2016). Ruimtelijk is er dus geen aanleiding voor uitbreiding van dit Giethoornse bedrijventerrein. De opslag ten behoeve van het bedrijf vindt deels plaats op gronden met een bedrijfsbestemming en deels op gronden met een agrarische bestemming. Deze gronden mogen alleen agrarisch worden gebruikt. Het bedrijf van indiener 30 is echter geen agrarisch bedrijf.

Het gebruik van agrarische gronden voor opslagdoeleinden ten behoeve van het naastgelegen bedrijf is daardoor in strijd met het bestemmingsplan respectievelijk de geldende beheersverordening. Daarnaast is recentelijk door de gemeente geconstateerd dat er (voor dit bedrijf) zonder de vereiste omgevingsvergunning op deze agrarische grond een loods is gebouwd. Op gronden met deze agrarische bestemming is het bouwen van gebouwen echter niet toegestaan. In het ontwerpbestemmingsplan is de agrarische bestemming gehandhaafd. Er is geen aanleiding om de bedrijfsactiviteiten van indiener en de (daarvoor) gebouwde loods op te perceel door inpassing in het ontwerpbestemmingsplan te legaliseren. Zoals eerder aangegeven dit plan bedoeld als een planologische regeling voor bestaande, legale situaties. Het opstellen van een bestemmingsplan met deze strekking wil dus niet zeggen dat bestaande, strijdige situaties ook onverkort in het nieuwe plan (moeten) worden opgenomen. Dit kan alleen in beeld komen als via een concreet verzoek kan worden onderbouwd dat deze niet-legale functies ruimtelijk aanvaardbaar zijn. De zienswijze van indiener maakt dat echter niet aannemelijk.

Zoals hiervoor toegelicht, is er ruimtelijk geen aanleiding voor het vergroten van dit bedrijventerrein door toekenning van de bestemming bedrijventerrein op deze agrarische grond omdat niet vaststaat daar, gelet op de aanwezige voorraad beschikbare bedrijfskavels binnen de gemeente, een objectieve behoefte aan bestaat. Ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van indiener doet zich in dit verband als eerste de vraag voor in hoeverre voor deze activiteiten geen alternatieven bestaan in de vorm van beschikbare bedrijfskavels elders. Ruimtelijke uitgangspunt is en blijft dat deze open agrarische grond zijn open, landelijke karakter blijft houden. Het inpassen van de bedrijfsactiviteiten van indiener doet afbreuk aan dit uitgangspunt. Het enkele gegeven dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse volgens indiener al lange tijd (11 jaar) worden uitgeoefend, betekent 67 verder (nog) niet dat deze dat deze activiteiten daardoor ook ruimtelijk aanvaardbaar zijn en/of voor inpassing in het nieuwe bestemmingsplan in aanmerking komen. Dit temeer daar deze activiteiten in de loop van de tijd eerder lijken toe dan af te nemen.

De verwijzing van indiener 30 naar de realisering van een nieuwe basisschool is ook geen argument voor de inpassing van de bedrijfsactiviteiten die hij op deze agrarische grond uitvoert in het ontwerpbestemmingsplan omdat (a) voor deze nieuwe school als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een aparte bestemmingsplanprocedure wordt gevoerd (deze school is dus ook geen onderdeel van de herziening van het bestemmingsplan Giethoorn en (b) deze school een maatschappelijke functie betreft en aldus ruimtelijk dus niet vergelijkbaar is met de bedrijfsactiviteiten van indiener 30. 4.30.2. Conclusie De zienswijze van indiener 30 geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.31. Indiener 31 4.31.1. Gebruiksmogelijkheden voor horeca-activiteiten Indiener 31 maakt zich zorgen over de eventuele mogelijkheden voor (nieuwe) horeca-activiteiten op het perceel Zuiderpad 14. Reactie: Voor het perceel Zuiderpad 14 geldt een enkelbestemming ‘Wonen – Beschermd Dorpsgezicht’ met daarbij een aanduiding ‘-specifieke vorm van recreatie- rondvaart- en botenverhuur’. Deze aanduiding is overgenomen van het huidige bestemmingsplan/de beheersverordening. Verder is in deze nieuwe bestemming voorzien in een regeling om in afwijking van de bestemming bij de woning complementaire daghoreca toe te staan.

Er is een afwijkingsbepaling opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor complementaire daghoreca binnen de woonbestemming waar het gaat om ondergeschikte activiteiten tot maximaal 35 % van de toegestane bebouwde oppervlakte. Voor complementaire daghoreca geldt dat deze alleen ondergeschikt aan het wonen mag worden uitgevoerd. Het gaat dus uitsluitend om een nevenactiviteit bij de woonfunctie. Het wonen is en blijft de hoofdactiviteit. Bewoning is echter niet noodzakelijk ter uitvoering van de bedrijfsactiviteiten, zijnde rondvaart- en botenverhuur. Deze is namelijk niet als ondergeschikt aan het wonen in de doeleindenomschrijving van de woonbestemming opgenomen. Dat is op grond van de huidige bestemmingsregeling van de botenverhuur namelijk al geen vereiste. 4.31.2. Conclusie In het huidige bestemmingsplan / de beheersverordening. is zowel wonen als specifieke vorm van recreatie - rondvaart en botenverhuur - mogelijk. Dit betekent dat in feite niet direct gewoond hoeft te worden binnen de woonbestemming. Voor het uitvoeren van nevenactiviteiten ondergeschikt aan de woonbestemming, namelijk (complementaire daghoreca) geldt dat er wel op het perceel moet worden gewoond. Er worden voor het overige geen nieuwe horeca-activiteiten mogelijk gemaakt. 68 4.32. Indiener 32 4.32.1.

Aanduiding botenverhuur Volgens indiener 32 ontbreekt de aanduiding voor de botenverhuur en rondvaarboten ter plaatse van de locatie Noorderpad 5-7 gedeeltelijk. Volgens indiener 32 moeten alle sloten (met de kadastrale aanduidingen A117, A204 A206) rondom deze locatie inclusief de Dorpsgracht voor de percelen A117 en A204 worden voorzien van deze aanduiding. Hetzelfde geldt voor de percelen zelf waarbij de in het bestemmingsplan opgenomen agrarische bestemming (aan de zuidkant) moet worden aangepast ten behoeve van de bootverhuur Voor deze percelen moet volgens indiener 32 in het bestemmingsplan ook de (winter)berging van boten worden toegestaan aangezien deze percelen daar volgens indiener 32 vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw al voor worden gebruikt. Daarnaast is er op het perceel A117 bij de ingang vanaf de Kloostersteeg achter het pand Noorderpad 3 een kleine parkeerplaats aanwezig voor gasten van bootverhuur en appartementen. Indiener 32 wil dat ook deze parkeervoorziening wordt meegenomen in de bestemming ‘recreatie rondvaart en bootverhuur’. Hetzelfde geldt volgens indiener voor de delen van de percelen A117/A203/A206 waarvoor in het ontwerpbestemmingsplan. Tenslotte moet de bestaand e mogelijkheid van de ver huur van appartementen voor/in de woning Noorerpad 5-7 gehandhaafd blijven.

Reactie: Deze zienswijze van indiener komt gedeeltelijk overeen met de eerdere zienswijze van indiener tegen de eerste versie van het ontwerpbestemmingsplan zoals dat in 2015 ter inzage heeft gelegen. Zie paragraaf 4.2.1 en 4.2.2 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 2016. Het perceel Noorderpad 5-7 heeft op grond van het huidige bestemmingsplan Giethoorn c.q. de beheersverordening een woonbestemming. Bij deze woonbestemming zijn verder de aanduidingen appartementen toegestaan en recreatie rondvaart en bootverhuur opgenomen, zie hieronder. Hierbij past de kanttekening dat in de regels van het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening bij de woonbestemming de aanduiding appartementen toegestaan helemaal niet wordt vermeld. Volgende jurisprudentie heeft een aanduiding op de plankaart/verbeelding alleen (juridische) betekenis als deze aanduiding in de planregels wordt verklaard. Aan aanduidingen die niet in de regels zijn opgenomen, komt juridisch gezien dus geen betekenis toe (RvS, 10 augustus 2011, nr. 200905661/5/R1). Uit de toelichting van het huidige bestemmingsplan/de beheersverordening wordt duidelijk dat deze aanduiding is bedoeld om 69 (destijds al) bestaande situaties van woningen inpandige recreatie-appartementen in het bestemmingsplan vast te leggen. De voorwaarde daarbij is wel dat de reguliere hoofdbewoning blijft voortduren.

In het ontwerpbestemmingsplan is aan de locatie Noorderpad 5-7 de bestemming Wonen-1 toegekend. Met de nieuwe bestemming kan de huidige woonfunctie worden voortgezet, zie hieronder. De schuur waarvoor in 2016 een omgevingsvergunning is verleend, valt binnen de aanduiding voor de bijgebouwen. In het ontwerpbestemmingsplan is de in 2009 voor Noorderpad 5-7 verleende vaarvergunning voor de bootverhuur overgenomen door aanduiding van de betreffende, vergunde locaties voor de bootverhuur op de verbeelding. Zie ter illustratie hieronder een uitsnede van de bij deze vaarvergunning horende tekening, de gele arcering geeft aan waar de botenverhuur mag plaatsvinden. Maar de bettreffende bootverhuuraanduiding van het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening van de woonbestemming zelf is niet in ontwerpbestemmingsplan overgezet. 70 Het ontwerpbestemmingsplan zal op dit punt worden aangepast door deze aanduiding alsnog, in aanvulling op de aanduiding op basis van de vaarvergunning, op de verbeelding te zetten. Ruimere gebruiksmogelijkheden voor botenverhuur op of nabij Noorderpad 5-7 zijn er op grond van de huidige regelgeving niet en kunnen dus ook niet in het ontwerpbestemmingsplan worden ingepast. Over de recreatie-appartementen kan het volgende worden opgemerkt.

Hoewel de regeling in het huidige bestemmingsplan juridisch gezien niet geheel correct in elkaar zit, is duidelijk dat met het huidige bestemmingsplan bedoeld is om voor het/de op de locatie Noorderpad 5-7 aanwezige recreatie-appartement(en) een gebruiksregeling te treffen. Dit is destijds (in 1992) gebeurd naar aanleiding van een inspraakreactie van de toenmalige eigenaar van Noorderpad 5 op het voorontwerp van het huidige bestemmingsplan met het verzoek om voor het pand Noorderpad 5 een aanduiding ‘appartementen toegestaan ‘op te nemen. Er is daarom aanleiding om dit bestaande gebruik op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan voor Giethoorn. Anders dan indiener 32 veronderstelt, is in het ontwerpbestemmingsplan daartoe voor de locatie Noorderpad 5-7 wel degelijk voorzien in een aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – appartement’, zie hieronder. Op grond van die aanduiding kan het gebruik voor verblijfsrecreatie in een recreatie-appartement in/bij de woning (maximaal) in de omvang van destijds worden voortgezet. Uit de toeristische informatiegids Giethoorn 1993/1994 blijkt dat op de locatie Noorderpad 5-7 recreatieve overnachtingsmogelijkheden werden geboden voor maximaal 12 personen/gasten.

De aanduiding voor het recreatie-appartement in het ontwerpbestemmingsplan heeft een dusdanige omvang dat een dergelijk aantal slaapplaatsen in dit recreatieve nachtverblijf kan worden gerealiseerd. In het ontwerpbestemmingsplan is de begripsomschrijving van een (recreatie)-appartement verder geen maximum opgenomen ten aanzien van het aantal slaapplaatsen of het aantal kamers in het appartement. Wat betreft de buitenopslag van boten op de percelen A117/A204/A206 geldt dat deze opslag op grond van het huidige bestemmingsplan (al) niet is toegestaan. Deze percelen hebben nu een bestemming Woningen, Tuinen en Agrarisch gebied met landschappelijke waarde. De bestemmingsomschrijvingen van deze bestemmingen voorzien niet in de buitenopslag of winterstalling van boten van een botenverhuurbedrijf. Zoals hiervoor toegelicht, is binnen de bestemming woningen, voor zover aangeduid, de uitoefening van een rondvaart- c.q. botenverhuurbedrijf toegestaan, maar de bestemmingsomschrijving maakt duidelijk dat hier alleen gaat om het afmeren van vaartuigen en het bieden van parkeergelegenheid aan passagiers. Het gebruik als opslaglocatie (winterberging) voor de verhuurboten is geen onderdeel van deze 71 aanduiding.

In artikel 37 van het huidige bestemmingsplan wordt het gebruik van gronden als opslagplaats voor al dan niet aan gebruik onttrokken voorwerpen aangemerkt als gebruik dat in ieder geval strijdig is met het bestemmingsplan. De bestemming woningen voorziet in dit verband ook in een afwijkingsregeling voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning ten behoeve van de uitoefening van het rondvaart c.q. botenverhuurbedrijf. Deze afwijkingsregeling, die in het ontwerpbestemmingsplan is overgenomen, is onder meer bedoeld om de verhuurboten inpandig te kunnen opbergen in de periode dat er geen verhuur plaatsvindt. Indiener kan desgewenst van die inpandige opslagmogelijkheid gebruik maken en/of zijn boten op een andere locatie opslaan. Deze beleidslijn ten aanzien van buitenopslag is, aangezien er geen ruimtelijke argumenten voor een verruiming van de gebruiksmogelijkheden op dit punt, in het ontwerpbestemmingsplan doorgezet. Ook het ontwerpbestemmingsplan voorziet niet in deze opslagmogelijkheid voor verhuurboten op woonpercelen en/of agrarisch open gebied, ook niet na (de hiervoor genoemde) inpassing van de aanduiding voor de botenverhuur binnen de woonbestemming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/755b2e4c-2bae-4674-8cf4-26822b27d544?agendaItemId=c7f90ab7-438e-40f5-a1a3-177a0b1c54ac