nota beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Giethoorn 170807 anonieme digitale versie.pdf
Tekst van het document
Het door indiener bepleitte onderscheid tussen museum/winkel en opslaggebouw door te variëren in bouwhoogte en/of positionering van de opslagfunctie is binnen de opzet van het ontwerpbestemmingsplan ook denkbaar. De zienswijze van indiener 11 geeft op grond van het bovenstaande aanleiding om in het ontwerpbestemmingsplan voor het perceel Binnenpad 115 aan te passen door een aanduiding detailhandel op te nemen en de bouwregels voor bijgebouwen te wijzigen conform de bestaande bouwmogelijkheden van de beheersverordening voor de bouw van bijgebouwen bij winkels. De door indiener gewenste mogelijkheid voor de bouw van een bijgebouw van maximaal 150 m2 blijft daardoor, onder randvoorwaarden, mogelijk. 4.11.2. Handhaven branche gerichte winkelfunctie Volgens indiener ontbreekt in de bestemming Gemengd van het ontwerpbestemmingsplan de mogelijkheid van branchegerichte detailhandel die (in zijn optiek) inherent is aan de musea zoals die in Giethoorn zijn gevestigd waaronder het museum van de cliënt van indiener. Op grond van de huidige beheersverordening geldt voor Binnenpad 115 een winkelbestemming die detailhandel wel mogelijk maakt. Indiener hecht er aan dat in het nieuwe bestemmingsplan de bestaande (gebruiks)mogelijkheden niet verder worden ingeperkt.
Indiener vraagt daarom om in de bestemming Gemengd van het nieuwe bestemmingsplan ook een aan de branche gerelateerde verkoopmogelijkheid c.q. winkelfunctie op te nemen zoals ook in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen. Reactie: Tegen ondergeschikte en inherente detailhandel bij een museumfunctie (het museumwinkeltje waar bezoekers van het museum producten kunnen aanschaffen die direct verband houden met de museale tentoonstelling) bestaat ruimtelijk geen bezwaar. In het ontwerpbestemmingsplan is deze vorm van detailhandel al mogelijk gemaakt bij culturele voorzieningen (waartoe ook een museum behoort. zie artikel 1.56 van het ontwerpbestemmingsplan) .Zoals bij 4.11.1 zullen de detailhandelsactiviteiten van indiener met een aanduiding detailhandel worden ingepast in het nieuwe bestemmingsplan. Omdat een museum in het bestemmingsplan dus (al) valt onder de definitie van een culturele voorziening is een aparte aanduiding museum voor de locatie 24 Binnenpad 115 bij nadere beschouwing niet nodig en ook niet logisch. Deze aanduiding zal bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarom worden verwijderd. 4.11.3.
Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen voor wat betreft de mogelijkheid van detailhandel door middel van een aanduiding op de verbeelding en de verruiming van de bouwmogelijkheden voor een bijgebouw ten dienste van deze detailhandel museumfunctie. De aparte functieaanduiding museum is gelet op de bestemmingsomschrijving van artikel 13.1.1. niet meer dan een (verwarrende) doublure en kan worden verwijderd. 4.12. Indiener 12 4.12.1. Handhaven woonbestemming Indiener 12 kan zich niet verenigen met de in het ontwerpbestemmingsplan voor de locatie Beulakerweg 23 opgenomen bedrijfsbestemming. Naar de mening van indiener moet voor deze locatie om verschillende redenen , o.a. het eerder door het gemeentebestuur ingezette handhavingstraject en de ligging ten opzichte van het Natura 2000 gebied, de thans krachtens de beheersverordening voor deze locatie geldende woonbestemming worden gehandhaafd. Reactie: Indiener 12 heeft ook over het eerste ontwerpbestemmingsplan in 2015 al een zienswijze ingediend over de voor Beulakerweg 23 voorziene bestemming. Ter beantwoording van zijn zienswijze tegen het nieuwe (tweede) ontwerpbestemmingplan wordt in eerste instantie verwezen naar de beantwoording van zijn eerste zienswijze (zie de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn, 2016, paragraaf 4.1.1). In aanvulling daarop het volgende.
In het ontwerpbestemmingsplan is voor de locatie Beulakerweg 23 een bestemming “Bedrijf” toegekend. Binnen deze bestemming zijn (lichte) bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toegestaan (naast al bestaande bedrijvigheid). Voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten van (maximaal) milieucategorie 2 op dit perceel is een aparte omgevingsvergunning aanvraag ingediend. Deze omgevingsvergunning is inmiddels verleend en daarmee is het gebruik van de locatie Beulakerweg 23 voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Deze vergunde situatie is (nu) het bestaande legale gebruik van deze locatie. Juridisch uitgangspunt is dat het bestaande gebruik in een nieuw bestemmingsplan positief wordt bestemd. Slechts in uitzonderlijke situaties kan hiervan worden afgeweken. Dat houdt in dat de positieve bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe of andere bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. In een dergelijk geval moet bovendien in beginsel aannemelijk zijn dat concreet zicht op beëindiging van het bestaande gebruik bestaat (dat gebruik valt alsdan onder het overgangsrecht en dat is bedoeld als een tijdelijke regeling). Een dergelijke uitzondering doet zich hier niet voor.
De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bedrijfsbestemming maakt ruimtelijk geen zwaardere bedrijfsactiviteitenmogelijk dan op grond van de verleende omgevingsvergunning is toegestaan. De ingediende zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan is inhoudelijk vergelijkbaar met de zienswijze die door indiener 25 tegen de ontwerpvergunning is ingediend. Uit de eerste zienswijze bevat aldus geen nieuwe inzichten op grond waarvan aannemelijk is dat toekenning van de beoogde bedrijfsbestemming geen goede ruimtelijke ordening (meer) is. In de voor de omgevingsvergunning opgestelde ruimtelijke onderbouwing is in dit verband toegelicht dat de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteiten strookt met het gemeentelijke ruimtelijke beleid en voor de omgeving, waaronder het woon- en leefklimaat van indiener, geen ontoelaatbare nadelige gevolgen heeft. In die zin weegt het handhaven van de huidige, volgens de beheersverordening geldende woonbestemming zoals indiener 12 wenst niet zwaarder dan het huidige legale gebruik zoals dat volgens de verleende omgevingsvergunning en de doorvertaling daarvan in het nieuwe (ontwerp)bestemmingsplan mogelijk is. Bovendien is het ook niet zo dat duidelijk is dat de bedrijfsactiviteiten slechts van tijdelijke aard zijn, de betreffende omgevingsvergunning is voor onbepaalde tijd verleend. 4.12.2.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.13. Indiener 13 4.13.1. Verkeerd ingetekende kadastrale situatie Volgens indiener 13 wordt de kadastrale situatie met betrekking tot de percelen Meester J.J. Hofstraat 19 en 25 niet goed op de verbeelding weergegeven. De zuidelijke eigendomsgrens van deze percelen ligt niet halverwege de achter de woningen gesitueerde waterloop maar tot over deze waterloop. Indiener verzoekt om op de verbeelding de juiste kadastrale begrenzing aan te geven. Reactie: Het bestemmingsplan regelt het bestuursrechtelijke gebruik van het perceel niet het privaatrechtelijk eigendom. Met het opstellen van het ontwerp bestemmingsplan Giethoorn komen de aanwezige waarden, in dit geval slotenpatroon, terug op de verbeelding. Ook in het huidige Bestemmingsplan Giethoorn – Ds. T.O. Hylkemaweg e.o. is dit slotenpatroon ook opgenomen. Een kadastrale begrenzing is verder niet op de verbeelding ingetekend. Als overigens op de website ruimtelijke plannen in het menu ondergrond de optie Topografie perceelgrenzen wordt aangeklikt valt te zien dat de kadastrale situatie klopt met wat indiener in zijn zienswijze over de kadastrale begrenzing aangeeft, zie ter illustratie onderstaande afbeelding. 26 4.13.2. Vergroting bouwblok Volgens indiener zijn de aan de woningen Meester J.J.
Hofstraat 19 en 25 gebouwde garages (bijgebouwen) buiten het bouwvlak gehouden terwijl de bijgebouwen van de huisnummers 21 en 23 wel binnen bouwvlak zijn geprojecteerd. Het gevolg daarvan is dat de garages c.q. aangebouwde woninguitbreidingen van huisnummers 19 en 25 meetellen voor het maximale toegestane oppervlak aan bijgebouwen buiten het bouwvlak terwijl dezelfde garages bij huisnummers 21 en 23 niet meetellen. Volgens indiener leidt dit tot een onacceptabele rechtsongelijkheid tussen in principe dezelfde woningen. Indiener verzoek daarom de bouwvlakken voor huisnummers 19 en 25 zodanig aan te passen dat de grenzen van deze bouwvlakken samenvallen met de buitengevels van de gebouwde woningen met aangebouwde bijgebouwen. Reactie: Als eerste moet worden geconstateerd dat de woningen Meester J.J. Hofstraat 19 en 25 hoekwoningen zijn, terwijl het bij huisnummers 21 en 23 gaat om zogenaamde geschakelde tussenwoningen, zie hieronder. Stedenbouwkundig zijn nrs. 19 en 25 dus niet helemaal gelijk aan de huisnummers 21 en 23. Beide laatste woningen hebben in tegenstelling tot nrs. 19 en 25 (dus) geen zijerf dat grenst aan de openbare ruimte. In het huidige bestemmingsplan Ds. T.O. Hylkemaweg, zoals thans opgenomen in de beheersverordening voor Giethoorn, is het bouwvlak van de bestemming Woningen om de zijgevels van de bestaande woningen nrs. 19 en 25 (het hoofgebouw) gelegd.
In het deel van de bestemmingsvlakken tussen zijgevels en de perceelgrens kunnen qua gebouwen nog aan-, uit- en bijgebouwen bij de woningen worden gerealiseerd (hier bevinden zich feitelijk ook de garages van nrs. 19 en 25), zie de rechter afbeelding hieronder . In het ontwerpbestemmingsplan is dit bouwvlak voor nrs. 19 /m 25 overgenomen. Het bouwvlak van het nieuwe bestemmingsplan is dus precies gelijk aan dat van het oude plan. Wel moet geconstateerd wordt dat in het ontwerpbestemmingsplan voor dit blok abusievelijk de bouwaanduiding bijgebouwen ontbreekt 9zie in dit verband ook de reactie bij zienswijze nr. 10).Deze bouwaanduiding zal alsnog worden opgenomen conform het bestemmingsplan Ds. T.O. Hylkemaweg waarbij het achtererf ook een aanduiding bijgebouwen krijgt. De toegekend rode contour vormt de bouwaanduiding bijgebouw (zie afb. links). Indieners krijgen daarbij voor hun achtererf dezelfde bouwmogelijkheden als de bewoners van nrs. 21 en 23. Daarnaast behouden zij de mogelijkheid van het bouwen van bijgebouwen op hun zijerf. De bebouwingsregeling voor bijgebouwen is in dit verband verder uniform en gerelateerd aan de omvang het bouwperceel. Dat de bijgebouwen binnen het bouwvlak bij nrs 21 en 23 niet meetellen 27 voor de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen is overigens op grond van het huidige bestemmingsplan c.q.
de beheersverordening ook al het geval (artikel 4, lid, 2 onderdeel d van het bestemmingsplan Ds. T.O. Hylkemaweg). Van een rechtsongelijke behandeling in het ontwerpbestemmingsplan door een verschil in het bepalen van de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op de woonpercelen van indieners en de percelen nrs. 21 en 23 is ten opzichte van de bestaande mogelijkheden van bijgebouwenregeling in het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening dan ook geen sprake. 4.13.3. Handhaven bestemming tuin Indiener 13 geeft aan de zienswijze van indiener 10 te onderschrijven. Reactie: Zie de beantwoording van zienswijze nr. 10, bij paragraaf 4.10.1 4.13.4. Conclusie Deze zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan voor wat betreft het op de verbeelding aanbrengen van een bouwaanduiding voor bijgebouwen op de hiervoor beschreven wijze. Voor het overige geeft de zienwijze geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.14. Indiener 14 4.14.1. Noodgebouw Volgens indiener staat achter woning Binnenpad 137 (op de verbeelding) een noodgebouw ingetekend op grond die eigendom is van indiener. Indiener verzoekt om dit noodgebouw van de verbeelding te verwijderen zodat daar geen rechten aan kunnen worden ontleend.
Reactie: Het betreffende (nood)gebouw is opgericht binnen het bestaande bouwvlak zoals in de verbeelding van de beheersverordening Giethoorn is opgenomen en kon op basis hiervan worden gerealiseerd (zie afbeelding hieronder rechts). Het ontwerpbestemmingsplan is een vertaling van deze bestaande rechten (zie hieronder, de linker afbeelding). Juridisch uitgangspunt is dat het bestaande gebruik in een nieuw bestemmingsplan positief wordt bestemd. Slechts in uitzonderlijke situaties kan hiervan worden afgeweken. Dat houdt in dat de positieve bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe of andere bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. In een dergelijk geval moet bovendien in beginsel aannemelijk zijn dat concreet zicht op beëindiging van het bestaande gebruik bestaat (dat gebruik valt alsdan onder het overgangsrecht en dat is bedoeld als een tijdelijke regeling).Daarbij zou het wegbestemmen van bestaande rechten (plan)schade veroorzaken.
De zienswijze van indiener 14 bevat geen aanknopingspunten voor de afweging dat het handhaven van de huidige bedrijfsbestemming geen goede ruimtelijke ordening meer is en dat meer gewicht moet worden gehecht aan andere (ruimtelijk relevante) belangen moet worden gehecht Het argument van indiener 14 met betrekking tot de eigendomssituatie is, wat daar ook 28 van zij, ruimtelijk onvoldoende reden om dit bestaande bouwvlak van de verbeelding te verwijderen en het gebruik van het gebouw onder het overgangsrecht te brengen. Indien indiener 14 het gebruik van het noodgebouw niet (langer) wil toestaan, dient hij dat via de privaatrechtelijke weg, in zijn hoedanigheid van eigenaar, te bewerkstelligen. Gelet hierop is er geen aanleiding de verbeelding op dit punt aan te passen. 4.14.2. botenverhuur Op grond van de huidige vaarverordening verhuurt indiener elektroboten aan de gasten die verblijven op het verblijfsrecreatieterrein van indiener. Indiener geeft aan begrepen te hebben dat er een nieuwe vaarverordening wordt opgesteld. Naar aanleiding daarvan verzoekt indiener om deze (nu toegestane) verhuuractiviteit vast te leggen in het nieuwe bestemmingsplan Giethoorn. Reactie: Het verblijfsrecreatieterrein van indiener 14 valt buiten de grenzen van dit ontwerpbestemmingsplan.
Voor dit terrein is, in het kader van de actualisatie van het bestemmingsplanbestand, eerder een apart, nieuw bestemmingsplan vastgesteld (in 2013). Het ontwerpbestemmingsplan heeft niet tot doel wijzigingen aan te brengen in de verblijfsrecreatieve bestemmingen van de verblijfsrecreatieterreinen in Giethoorn waarvoor dit in 2013 vastgestelde bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen Giethoorn geldt. Nu dit onderdeel van de zienswijze betrekking heeft op een locatie die buiten de grenzen van het ontwerpbestemmingsplan valt, is er om die reden al geen aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen. Verder is het zo dat de aanduiding voor de botenverhuur op de verbeelding van in het ontwerpbestemmingsplan alleen is opgenomen voor de locaties waarvoor een vaarvergunning is afgegeven die in water liggen (en ook als water zijn bestemd) en de locaties waarvoor op grond van het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening al een aanduiding voor botenverhuur is opgenomen. 4.14.3. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
29 4.15. Indiener 15 4.15.1. Wijzigen bestemming wonen naar centrumveroorzieningen Indiener 15 merkt op dat aan het perceel Ds. T.O. Hylkemaweg 8 een woonbestemming is toegekend waarbij voor het bijgebouw (aan de Ketstraat 1) met een aanduiding een zeilmakerij is toegestaan. In het verleden was op dit perceel echter een schoenenwinkel gevestigd in het huidige woonhuis. Volgens indiener is de bestemming in 2006 (kennelijk) gewijzigd zonder dat die kenbaar is gemaakt aan de eigenaren van het perceel. Gezien deze voorgeschiedenis en het toenemende toerisme in Giethoorn verzoekt indiener om toekenning van een centrumbestemming op zijn perceel. Daardoor kan (ten opzichte van een woonbestemming) beter worden ingespeeld op toeristische behoeften waarmee een beter economisch rendement kan worden behaald. Voor zover een zeilmakerij niet past binnen deze centrumbestemming, verzoekt indiener om de aanduiding voor de zeilmakerij binnen de centrumbestemming te handhaven. Reactie: Bij het opstellen van het bestemmingsplan voor Ds. T.O. Hylkemaweg is gekeken naar de feitelijke aanwezigheid van de diverse functies in het gebied en op basis daarvan zijn bestemmingen toegekend (zie hieronder linker afbeelding het afkomstig uit het bestemmingsplan Ds. T.O. Hylkemaweg e.o.).
Met de nu voorliggende actualisatie van de bestemmingsplannen van Giethoorn is er voor gekozen om de huidige bestemmingen integraal over te nemen uit huidige bestemmingsplan Ds. T.O. Hylkemaweg. Dit is ook in lijn met het door de gemeenteraad vastgestelde facetbeleid van 2011 waarin is aangegeven dat voormalige detailhandelslocaties die niet meer voor die functie in gebruik zijn, worden voorzien van een andere passende bestemming. De aanwezige zeilmakerij is met een aparte aanduiding ‘bedrijf- zeilmakerij’ opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan conform de huidige bestemmingsregeling, zie hieronder (zie hierboven, rechter afbeelding, het betreft het vierkant met het onderbroken streepje). Nieuwe ontwikkelingen, in dit geval het toestaan van een winkel ,vraagt een afzonderlijke afweging. Hiervoor kan te allen tijde een onderbouwd verzoek voor worden ingediend, waarna een integrale afweging kan plaatsvinden. De zienswijze van indiener 15 bevat geen concreet
30 ruimtelijk initiatief voor een nieuwe winkel. Deze zienswijze verwijst alleen naar het verleden maar bevat geen motivatie voor een nieuw bestemming. 4.15.2. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.16. Indiener 16 4.16.1. Botenverhuur niet goed opgenomen op de verbeelding Indiener 16 is het niet eens met op de verbeelding rondom hun perceel Binnenpad 66 opgenomen aanduidingen voor de mogelijkheid van de verhuur van rondvaarboten. Het gaat om de waterkant/berm voor zijn woonhuis en het voetpad naast zijn perceel ter plaatse van de zijsloot. Naar de mening van indiener 16 is de juridische basis daarvoor, de verleende vaarvergunning, niet (meer) aanwezig omdat deze vaarvergunning ten onrechte is afgegeven. Indiener verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank van 2013. Reactie: Deze zienswijze heeft een relatie met zienswijze nr . 27, het betreft dezelfde botenverhuur. Indiener 16 heeft wat betreft de aanduidingen voor botenverhuur gelijk als het gaat om de locatie voor Binnenpad 66. Deze is niet juist op de verbeelding overgenomen. De juiste (onherroepelijke) vaarvergunning zal worden opgenomen op de plankaart. Zie de bijgevoegde afbeelding uit de vergunning. Zie in dit verband ook de beantwoording bij paragraaf 4.27.2 4.16.2.
Recht op een ligplaats Indiener 16 geeft aan vanouds gevestigde rechten te hebben in de zijsloot op het pad naast zijn woonhuis. Dit betreft het innemen van een ligplaats voor een boot (punter) en een recht van overpad van en naar deze ligplaats. De bootverhuur mag geen afbreuk doen aan de uitoefening van deze rechten. Reactie: Het bestemmingsplan regelt niet de privaatrechtelijke afspraken die de indiener 16 heeft met de eigenaar van de sloot of de privaatrechtelijke aanspraken die indiener16 ten aanzien deze sloot en het pad naast deze sloot kan laten gelden. In het bestemmingsplan wordt (alleen) bestuursrechtelijk geregeld voor welke ruimtelijke doeleinden een bouwwerk of perceel mag worden gebruikt en welke bebouwing daarbij is toegestaan. In het bestemmingsplan worden de bestuursrechtelijk rechten opgenomen. De aangewezen ligplaatsen voor de botenverhuur zijn via de vaarvergunning aangewezen, deze rechten zijn overgenomen op de verbeelding. Dat laat onverlet dat de botenverhuur door de betreffende exploitant kan worden uitgeoefend met inachtneming van (bestaande) privaatrechtelijke rechten en (eventuele) beperkingen.
31 4.16.3. Conclusie De zienswijze, geeft voor wat betreft de aanduiding van de ligplaatsen voor verhuurboten aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zie in dit verband paragraaf 4.27.2. Voor het overige geeft de zienswijzegeen aanleiding tot een aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.17. Indiener 17 4.17.1. Bouw erker De cliënt van indiener 17 heeft het voornemen om aan de woning Jonenweg 10 in Giethoorn een erker c.q. aanbouw te bouwen. Deze erker moet aan de bestaande zuidgevel (links voor aan de woning) worden gebouwd. Volgens indiener 17 is de bouw van deze erker wel toegestaan op grond van het huidige bestemmingsplan Giethoorn – Tussengebied maar kan dit bouwwerk op grond van het ontwerpbestemmingsplan niet worden gerealiseerd. Dit komt volgens indiener omdat het deel van het bouwperceel waarop bijgebouwen mogen worden gebouwd op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan is gewijzigd. Indiener 17 verzoekt om de bestaande bouwrechten voor dit perceel in het nieuwe bestemmingsplan te handhaven zodat cliënt de door hem gewenste uitbreiding van de woning kan realiseren. Reactie: Zoals op onderstaande weergaves is te zien, valt het bouwplan (links) aan de Jonenweg 10 in Giethoorn in het bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan Giethoorn – Tussengebied (rechts). Hiermee zijn er uitbreidingsmogelijkheden direct achter de voorgevel.
Volgens het huidige bestemmingsplan geldt dat bijgebouwen 4 meter achter de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd, waarvan met een binnenplanse afwijkingsregeling kan worden afgeweken tot het bouwen direct achter de voorgevelrooilijn. Op onderstaande figuur is aangegeven hoe het bouwvlak in het ontwerp bestemmingsplan Giethoorn over het perceel is gelegd. Voor het perceel aan de Jonenweg 10 ligt deze strak om het hoofdgebouw en geldt er een bijgebouwenvlak (aangegeven met stippellijn), 3 meter achter de voorgevelrooilijn. Hier is geen binnenplanse afwijkingsregeling voor het bouwen van een bijgebouw buiten dit bijgebouwenvlak in opgenomen. 32 Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het wenselijk ruimte te bieden aan de bouw van bijgebouwen buiten het bijgebouwenvlak en dus direct achter de voorgevelrooilijn, aangezien deze in deze omgeving al in het straatbeeld aanwezig zijn. Dit kan vanuit stedenbouwkundig oogpunt dan ook voor de woningen aan de Cornelisgracht 3 t/m 19 en de Jonenweg 4 t/m 12, 14 en 16 Giethoorn worden gelijk getrokken. Door voor de genoemde percelen in het ontwerpbestemmingsplan Giethoorn het bijgebouwenvlak op deze wijze aan te passen, zijn de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen weer in lijn met de mogelijkheden die met een binnenplanse afwijking golden in het voorheen geldende bestemmingsplan Giethoorn-Tussengebied. 4.17.2.
Conclusie De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Het bouwvlak voor de woning aan de Jonenweg 10 zal worden aangepast, waarbij het bijgebouwenvlak direct begint achter de voorgevel van de woning. Om dit stedenbouwkundig gelijk te stellen voor alle woningen in het woningblok, zal dit ook gebeuren voor de woningen aan de Cornelisgracht 3 t/m 19 en de Jonenweg 4 t/m 12, 14 en 16 te Giethoorn. 4.18. Indiener 18 4.18.1. Aanduiding parkeerterrein Indiener 18 geeft aan tevreden te zijn over afhandeling van zijn eerdere zienswijze over het eerste ontwerpbestemmingsplan 2015. Hij verwijst naar de aan hem bij brief van 19 januari 2017 toegezonden zienswijzennota waarin staat dat het ontwerpbestemmingsplan naar aanleiding van zijn (eerste) zienswijze zal worden aangepast door de ontbrekende aanduiding parkeerterrein alsnog op te nemen (zienswijze nr. 7). Reactie: Indiener 18 heeft (ook) met een zienswijze gereageerd op het vorige, eerste ontwerpbestemmingsplan. Strekking van die zienswijze was om een parkeerfunctie op een bepaalde strook grond te handhaven. Deze zienswijze is overgenomen en (inderdaad) verwerkt in het nieuwe (tweede) ontwerpbestemmingsplan.
Zie in dit verband de beantwoording van de 33 eerdere zienswijze van indiener zoals opgenomen in pargraaf 4.7.1 van de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Giethoorn van 6 december 2016). 4.18.2. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.19. Indiener 19 4.19.1. Uitsterfregeling voor (particuliere) bewoning bedrijfswoning Indiener 19 merkt op dat de gemeente naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de Raad van State aan hem heeft toegezegd om in het ontwerpbestemmingsplan een uitsterfregeling op te nemen voor de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning Binnenpad 47a. Deze bedrijfswoning hoor planologisch bij het achterliggende recreatieterrein maar wordt in de praktijk bewoont door indiener zonder dat er een relatie is met de exploitatie van dit recreatieterrein. In de regels van het ontwerpbestemmingsplan is weliswaar voorzien in de betreffende uitsterfregeling (artikel 20.5.3 van de bestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie) maar op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan is dit perceel niet opgenomen. Reactie: De opmerking van indiener 19 is terecht.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 30 januari 2013, 201204367/1/R1 is het inderdaad de bedoeling om voor het gebruik van de bedrijfswoning Binnenpad 47a als reguliere woning een zogenaamde uitsterfregeling in het bestemmingsplan op te nemen. Deze regeling strekt er toe om de particuliere bewoning van deze bedrijfswoning in afwijking van de recreatieve bestemming toe te staan zo lang dit gebruikt duurt (zodra en indien dit woongebruik eindigt, mag het pand weer uitsluitend wordt gebruikt als bedrijfswoning ten behoeve van het verblijfsrecreatieterrein). In de regels van het ontwerpbestemmingsplan is inderdaad voorzien in deze uitsterfconstructie, maar de bedrijfswoning Binnenpad 47a is op de verbeelding abusievelijk buiten de grenzen van het ontwerpbestemmingsplan gehouden. De verbeelding zal op dit punt moeten worden aangepast door aanpassing van de plangrenzen en het toekennen van de bestemming Verblijfsrecreatie aan de locatie Binnenpad 47a met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie –wonen’. 4.19.2. Conclusie De zienswijze van indiener 19 geeft aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan ten behoeve van de locatie Binnenpad 47a aan te passen door toekenning van de bestemming Verblijfsrecreatie met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie –wonen’. 4.20. Indiener 20 4.20.1.
Bouw luifel naast erker Indiener 20 verwijst naar zijn eerder ingediende zienswijze. Client van indiener wil aan de voorgevel van de woning Kerkweg 18 boven de voordeur een luifel plaatsen naast de erker waarbij beide bouwwerken zich gezamenlijk uitstrekken over de hele woning. Het is indiener 20 onduidelijk of dit bouwplan in het nieuwe ontwerpbestemmingsplan nu is toegestaan. 34 Reactie: In reactie op deze zienswijze kan worden verwezen naar paragraaf 4.11.1 van de eerdere reactienota Zienswijzen bestemmingsplan Giethoorn. In de bouwregels van de bestemming Tuin is een mogelijkheid opgenomen voor de bouw van een erker en een luifel. Voorwaarde is onder meer dat de breedte per bouwwerk niet meer bedraagt dan 50 % van de breedte van de voorgevel van de woning. Deze bouwvoorwaarde geldt echter per bouwwerk. Daarmee is het volgens de regels van het ontwerpbestemmingsplan dus toegestaan om naast een erker een luifel te plaatsen op de door indiener 20 beoogde wijze. 4.20.2. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. De boogde bouwactiviteit is (al) in overeenstemming met dit plan. 4.21. Indiener 21 4.21.1. Aanpassen voorgeschreven nokrichting Indiener 21 geeft aan dat zijn cliënt van plan is om op het perceel Kerkweg 46c een rietschuur te bouwen.
Het op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bouwvlak biedt daar voor volgens indiener 21 ook de ruimte voor. Maar de nieuwe rietschuur komt haaks op de bestaande rietschuur te staan. Dat brengt met zich mee dat ook de kap van de nieuwe rietschuur haaks op de kap van de bestaande rietschuur komt te staan. Dat strookt echter niet met de geldende dubbelbestemming Middenbuurt-Zuidzijde op grond waarvan de nokrichting van een nieuw gebouw gelijk moet zijn aan de nokrichting van het bestaande hoofdgebouw. Dit is volgens indiener 21 (in dit geval) echter niet mogelijk. Het is volgens indiener 21 voor zijn cliënt alleen werkbaar als beide gebouwen als een gebouw kunnen functioneren. Het realiseren van niet aan elkaar verbonden gebouwen is geen optie. Indiener 21 verzoekt daarom om de bouwregels voor dit perceel zo aan te passen dat het mogelijk is om de kap van de nieuwe rietschuur haaks op de bestaande rietschuur te plaatsen. Reactie: Voor het perceel geldt een enkelbestemming ‘bedrijf’ met een dubbelbestemming ‘Waarde- Middenbuurt Zuidzijde’. Voor het laatste geldt dat er een bepaling in de regels is opgenomen voor nokrichting en kapvorm in overeenstemming met de weergave op de kappenkaart beschermd dorpsgezicht Giethoorn. Er ligt een cultuurhistorische overweging aan deze regels voor o.a.
de nokrichting ten grondslag inclusief een gebiedsindeling en de gebouwen en percelen waarvoor deze geldt. Er is echter onder artikel 34.4 een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de regels zoals die gelden voor de gronden in het gebied met de ‘Waarde - Middenbuurt Zuidzijde’. Met die afwijking behoort een afwijkende nokrichting, zoals indiener 21 beoogt, tot de mogelijkheden, mits wordt voldaan aan de in artikel 34.4.1 van het bestemmingsplan gestelde voorschriften (advies ingewonnen bij monumentencommissie, geen aantasting cultuurhistorische waarden en stedenbouwkundig aanvaardbaar). 35 4.21.2. Conclusie De zienswijze van indiener 21 geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.22. Indiener 22 4.22.1. Nieuw initiatief parkeren en bouw woning Indiener 22 geeft namens zijn cliënt aan dat de omgeving achter de woningen Molenweg 39 en 41 een rommelige aanblik heeft als gevolg van onverzorgde parkeerplaatsen en oudere garageboxen. Client wil de mogelijkheid bieden om nieuwe open parkeerplaatsen met nieuwe garageboxen zoveel mogelijk op de aanwezige terreinen te centreren inclusief de bouw van een nieuwe woning. Een aantal oudere garageboxen kan dan op termijn verdwijnen. Volgens indiener 22 betekent dit een impuls voor het hele gebied en zal de parkeerproblematiek van aanwonenden aan de Molenweg ook grotendeels worden opgelost.
Reactie: In het ontwerpbestemmingsplan is voor deze locatie de huidige situatie opgenomen, zierde afbeelding hieronder. Het gaat om verkeersbestemming met daar aangrenzende garageboxen. Het ontwerpbestemmingsplan is een bestemmingsplan dat is gericht op het treffen van een actuele, uniforme planologische regeling voor de bestaande situatie. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet dan ook niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals de bouw van een nieuwe woning op locatie waarvoor tot dusver (op grond van het huidige bestemmingsplan c.q. de beheersverordening) geen woonbebouwing mogelijk is. Voor Giethoorn geldt als ruimtelijk beleid dat nieuwe woonbestemmingen niet versnipperd in of achter de bestaande bebouwingslinten gebouwd worden geprojecteerd maar dat de bouw van nieuwe woningen geconcentreerd wordt op daarvoor beschikbare woningbouwlocaties, zie ook de reactie bij paragraaf 4.4.1. Het gegeven dat het achterliggende terrein, in de optiek van indiener 22, rommelig is, vormt nog geen aanleiding om van dit beleid af te wijken. Indiener22 geeft op een tekening bij zijn zienswijze aan welke garageboxen op termijn zouden worden verwijderd en waar de nieuw te bouwen woning moet komen te staan. Maar uit de tekst van zijn zienswijze en deze tekening blijkt verder niet om hoeveel nieuwe parkeerplaatsen/garageboxen het gaat en hoe de landschappelijke inpassing er uit komt te zien.
Daardoor kan niet worden beoordeeld in hoeverre de door de indiener 22 36 aangevoerde verbeteringen zich daadwerkelijk zullen voordoen. Van een concreet, onderbouwd initiatief dat meegenomen kan worden in de huidige bestemmingsplanherziening is dus geen sprake. 4.22.2. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen. 4.23. Indiener 23 4.23.1. Wijzigen bestemmingsvlakken Indiener 23 geeft aan dat in het bestemmingsvlak ‘Tuin-1”dat volgens de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan achter de woonbestemming van hun woning Beulakerweg 83 is geprojecteerd een aanlegplaats/haventje voor privé- vaartuigen is gesitueerd. Bij deze aanlegplaats wil indiener te zijner tijd graag een botenhuis realiseren. Indiener 23 verzoekt daarom om de woonbestemming met de aanduiding voor bijgebouwen naar het oosten uit te breiden. In ruil daarvoor kan wat indiener 23 betreft bij het perceel van indiener 23 langs de oever van de Thijsengracht een strook van 2-3 meter breed met de bestemming ‘Tuin 1’worden opgenomen. Op die manier wordt ‘geel’ met ‘groen’ uitgeruild. Ook wordt voorkomen dat er in de toekomst een bijgebouw direct langs de Thijssengracht wordt gebouwd. Reactie: Het bestemmingsvlak van het ontwerpbestemmingsplan (zie hieronder, rechter afbeelding) sluit aan bij het bestemmingsvlak van het huidige bestemmingsplan c.q.
de beheersverordening (zie hieronder linkerafbeelding). Het voorstel van indiener 23 is om de woonbestemming (met bebouwingsmogelijkheden voor bijgebouwen) aanzienlijk in oostelijke richting te verlengen op gronden waarvoor in het ontwerpbestemmingsplan (ook conform de huidige bestemmingsregeling) de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is opgenomen. Daarbij worden langs de waterkanten van het woonperceel twee smalle stroken met de bestemming Tuin-1 geprojecteerd. In de afbeelding hieronder is het voorstel van indiener 23 grafisch weergegeven. Vanuit planologisch opzicht is het voorstel om een deel van het bijgebouwenvlak te ruilen met een Tuin 1 bestemming, zoals hierboven omschreven, wenselijk. De zienswijze geeft op dit punt aanleiding de verbeelding aan te passen zoals hieronder in de afbeelding is weergegeven.
37 De aanlegplaats c.q. het privé-haventje valt binnen het agrarisch bestemde gebiedsbestemming. Strikt genomen is de aanwezigheid hiervan niet in overeenstemming met de huidige agrarische bestemming en de in het ontwerpbestemmingsplan voorziene agrarische bestemming. De graven van een haven is op grond van deze bestemmingen alleen maar toegestaan als daar een aanleg- of omgevingsvergunning voor is verleend. Bovendien is aanlegplaats c.q. het privé-haventje geen verband met agrarische activiteiten en is dus ook qua gebruik geen activiteit die binnen deze agrarische bestemming is toegestaan. Voor deze activiteit is in afwijking van het bestemmingsplan (tot dusver) geen vergunning of ruimtelijke toestemming verleend De feitelijke aanwezigheid van deze haven-/aanlegvoorziening is dus op zichzelf geen argument voor het aanpassen van het bestemmingsvlak op de door indiener 23 voorgestelde wijze. Verlenging van het bestemmingsvlak van de woning Beulakerweg 83 in oostelijke richting leidt tot een aantasting van het achterliggende agrarische gebied met landschappelijke waarde omdat de woonbebouwing dan dieper in dat gebied kan worden gesitueerd. Uitgangspunt van het ontwerpbestemmingsplan is om dit open agrarisch gebied zoveel mogelijk te behouden. Dat betekent dat ten aanzien van grote(ere) aanpassingen van de bestemmingsvlakken voor woonfuncties terughoudend wordt omgegaan.
Als medewerking zou worden verleend aan het voorstel van indiener 23 leidt dat bovendien tot een situatie waarbij er voor de woning een zeer langgerekt bijgebouwenvlak ontstaat. De ruimtelijke connectie of samenhang van het botenhuis met de woning is alsdan niet (goed) meer aanwezig. Daarbij komt bij dat de realisering van aan aanlegplaats of haventje met botenhuis in principe ook goed realiseerbaar is binnen het huidige bestemmingsvlak. Voor wat betreft het idee/voorstel om bij wijze van ruilt langs het water twee smalle tuinbestemmingen op te nemen waar dan niet mag worden bebouwd, geldt dat de bereidheid van indiener 23 om niet direct langs de waterkant te bouwen op zich kan worden gewaardeerd. Maar in het plangebied bevinden zich in het huidige bestemmingsplan c.q.de beheersverordening echter op meerdere plekken wel woonbestemmingen die direct grenzen aan de bestemming water, waardoor de bouw van bijgebouwen of hoofdgebouwen in de directe nabijheid van water mogelijk is. Deze situaties zijn als bestaande situaties overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. In zoverre is het voorkomen van dergelijke bebouwing dan ook geen ruimtelijk uitgangspunt of doel van het ontwerpbestemmingsplan dat door het overnemen van het voorstel van indiener 23 naderbij wordt gebracht of verstrekt.
Aldus heeft de door indiener 23 voorgestelde uitruil tussen ‘geel’ en ‘groen’ ruimtelijk geen grote meerwaarde. Dit onderdeel van de zienswijze van indiener 23 bevat in feite een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De herziening van het bestemmingsplan Giethoorn is gerichtop het treffen van een 38 actuele, uniforme regeling voor de bestaande situatie. Dat wil zeggen dat alleen bestaande situaties (bestaande bestemmingen) worden vastgelegd. Nieuwe ontwikkelingen worden alleen meegenomen als sprake is van een concreet verzoek dat zodanig is onderbouwd dat dit op ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld. De argumenten die indiener 23 in zijn zienswijze voor de vergroting van het woonbestemmingsvlak in combinatie met de twee tuinbestemmingen staven, zoals hiervoor is toegelicht, echter niet dat deze vergroting ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarmee is er nu geen aanleiding om in het kader van de huidige bestemmingsprocedure over te gaan tot de door indiener 23 beoogde aanpassing van de bestemmingsregeling voor Beulakerpad 83. Als indiener deze aanpassing toch gerealiseerd wil zien heeft hij de mogelijkheid om op een later moment een beter onderbouwd verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan in te dienen waarvan wel aannemelijk wordt gemaakt dat deze aanpassing ruimtelijk aanvaarbaar en inpasbaar is. 4.23.2.
Toekennen bestemming water Volgens indiener 23 zijn in het ontwerpbestemmingsplan binnen het gebied begrensd door de Beulakerweg (aan de westzijde), de Kloosterstee (aan de noordzijde), de Molenweg (aan de oostzijde) en de Thijssengracht (aan de zuidzijde) diverse vaarwegen niet bestemd met de bestemming ‘Water’ terwijl dat in de omgeving van dat gebied wel is gebeurd. Het gaat hier volgens indiener om vaarwegen die (a) gebruikt worden om bestaande percelen (woningen en bedrijven) per vaartuig te kunnen bereiken en (b) historisch gezien al geruime tijd aanwezig zijn. Indiener verzoekt om (ook) aan deze vaarwegen de bestemming wat er toe te kennen. Reactie: Terecht maakt indiener 23 hier de opmerking gemaakt dat de waterstructuur (zowel in de beheersverordening als) in het ontwerpbestemmingsplan niet nadrukkelijk is vertaald in de verbeelding terwijl dit vanuit de cultuurhistorie wel van belang is. Daarnaast zijn deze waterstructuren feitelijk aanwezig en als zodanig in gebruik. De zienswijze geeft op dit punt aanleiding de verbeelding aan te passen door binnen genoemd gebied, zie onderstaande afbeelding, de feitelijke watergangen te voorzien van een waterbestemming. De met rode omlijning aangegeven watergangen zullen een waterbestemming krijgen. 39 4.23.3.
Bestemming ‘Tuin versus ‘Tuin-1’ Volgens indiener 23 is binnen de bestemming Tuin onder bepaalde voorwaarden een botenhuis toegestaan. In de bestemming Tuin-1 is dat echter niet mogelijk. Tot zover is dit naar de mening van indiener 23 wel helder. Maar de bestemming Tuin is in het ontwerpbestemmingsplan in veel gevallen opgenomen voor de (woon)bebouwing terwijl de bestemming Tuin-1 achter de (woon)bebouwing is gesitueerd. Dit leidt er volgens indiener 23 toe dat botenhuizen wel aan de voorkant van een perceel mogen staan maar niet aan de achterzijde. Indiener 23 vindt dat merkwaardig. Reactie: Vóór de woonbebouwing en binnen de bestemming Tuin is het inderdaad mogelijk een botenhuis te realiseren. Vooraarde daarbij is wel dat het botenhuis aan (bevaarbaar) water wordt gebouwd. De bijgebouwenvlakken behorende bij de woonbestemming zijn behoorlijk ruim waardoor er voldoende ruimte is voor het realiseren van een botenhuis binnen de woonbestemming. De Tuin 1 bestemming zorgt ervoor dat bepaalde gebieden waar geen bebouwing wenselijk is ook inderdaad onbebouwd blijven. Het doel van de Tuin 1 bestemming is om het open karakter van de achtererfgebieden te behouden omdat dit vanuit ruimtelijk oogpunt van groot belang is. Hierdoor ontstaat er een natuurlijk overgangsgebied tussen de bebouwing en het agrarische gebied.
Op dit punt geeft de zienswijze geen aanleiding tot aanpassing van de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan. 40 4.23.4. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan voor wat betreft het toekennen van de bestemming water aan de diverse watergangen in het bij 4.23.2 is aangegeven. Voor het overige geeft de zienswijze geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4.24. Indiener 24 4.24.1. Wijzigen bouwvlak ten behoeve van bouw werkschuur Indiener 24 verzoekt om het voor het perceel Binnenpad 97 opgenomen bouwvlak in oostelijke richting uit te breiden op de gronden die eigendom zijn van indiener zodat voor indiener 24 de mogelijkheid ontstaat om binnen dit vergrote bouwvlak een werkschuur te bouwen. Dit ten behoeve van het gebruik en onderhoud van de grond. Indiener heeft zijn verzoek toegelicht met onderstaande situatieschets Reactie: Indiener 24 is eigenaar van het perceel gemeente Brederwiede, sectie B nummer 1313 en het oostelijk daarvan gelegen perceel nummer 1348.
Het bestemmingsvlak wonen ten behoeve van de woning Binnenpad 97 valt samen met de westelijke kadastrale grens van het perceel nummer 1313 (perceel nummer 1313 grenst hier aan nummer 1329) Anders dan indiener 24 in zijn zienswijze veronderstelt loopt dit bestemmingsvlak met de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden niet door tot (een gedeelte van) zijn perceel nummer 1313. (zie onderstaande afbeeldingen; links het ontwerpbestemmingsplan en rechts de kadastrale situatie, de afbeelding daar weer onder is een combinatie van de bestemmingen van het ontwerpbestemmingsplan en de kadastrale situatie).
41 Het is niet de bedoeling om de woonfunctie/het bouwvlak van Binnenpad 97 naar het perceel van indiener 24 uit te breiden. De kaart bij bestemmingsplan Giethoorn 1994 en de beheersverordening bevestigen dat dit perceel die functie van oudsher ook niet kent (zie de afbeeldingen hieronder). Het gaat hier om een bestemmingsvlak voor een woonfunctie (op het adres Binnenpad 97), terwijl de door indiener beoogde werkschuur, volgen zijn zienswijze, verband houdt met het onderhoud van het achterliggende (agrarische perceel) en feitelijk dus geen relatie heeft met de woonfunctie op Binnenpad 97. De werkschuur zal met andere woorden dus niet worden gebruikt ten behoeve van de woonfunctie op dit adres. Het is ruimtelijk niet wenselijk om gebouwen voor verschillende functies en waarvan op voorhand duidelijk is dat zij geen verband met elkaar(zullen) houden in hetzelfde bestemmings- of bouwvlak onder te brengen.
42 Het volledige perceel (van indiener 24) heeft de bestemming agrarisch met waarde. Op gronden met deze bestemming is geen bebouwing in de vorm van gebouwen toegestaan. Dit mede in verband met het ruimtelijke belang van het open houden van dit gebied. Dit betekent dat het op dit perceel niet mogelijk is om op basis van het bestemmingsplan een (werk)schuur te bouwen. Een dergelijk verzoek kan eventueel door middel een bestemmingsplanherzieningsprocedure worden aangevraagd. Deze aanvraag dient dan echter wel te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De zienswijze van indiener bevat een dergelijke onderbouwing echter niet. 4.24.2. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan in de door indiener 24 gewenste richting aan te passen. 4.25. Indiener 25 4.25.1. Inpassing recreatieappartementen Indiener 25 geeft aan dat op zijn perceel Binnenpad 28 sinds 1992 twee vrijstaande recreatieappartementen aanwezig zijn. Deze appartementen zijn sindsdien onafgebroken voor verblijfsrecreatie gebruikt. Indiener 25 verzoekt daarom deze twee appartementen met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie-appartement’ op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan op te nemen.
Indiener 25 verwijst in dit verband naar de gemeentelijke brief van 11 juni 2015 waarin wordt aangegeven dat deze aanduidingen zouden worden toegevoegd aan de voor Binnenpad 28 voorziene woonbestemming. Ook de vergunde Bed & Breakfast wil indiener 25 graag zien ingepast in het nieuwe bestemmingsplan. Reactie: De locatie Binnenpad 28 heeft op grond van het huidige bestemmingsplan Giethoorn c.q. de beheersverordening de bestemming Wonen, zie hieronder. Binnen deze bestemming is een woonfunctie toegestaan. Verblijfsrecreatieve activiteiten zijn niet mogelijk, met uitzondering van een binnenplanse afwijkingsregeling: a) ten behoeve van recreatieve bewoning door middel van één recreatie-appartement in een gedeelte van een woning, en 43 b) ten behoeve van het gebruik als zomerhuis van een vrijstaand bijgebouw per woning waarbij de oppervlakte van dit bijgebouw groter moet zijn dan 100 m2 en de voor het gebruik als zomerhuis aan te wenden oppervlakte maximaal 80 m2 bedraagt. Beide afwijkingsmogelijkheden hebben in het huidige bestemmingsplan/de beheersverordening een exclusief karakter: voor a) kan alleen maar een omgevingsvergunning worden verleend als b) zich nog niet op het perceel voordoet, en omgekeerd.
In ontwerpbestemmingsplan is de woonfunctie voor dit perceel gehandhaafd door toekenning van de bestemming Wonen-1, zie hieronder: Binnen de bestemming Wonen-1 bestaat de mogelijkheid van het verlenen van een omgevingsvergunning voor verblijfsrecreatie in de vorm van een bed & breakfast als nevenfunctie bij de woning. Aan indiener is in 2013 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren en exploiteren van een (inpandige) bed & breakfast voor 10 gasten aan de achterzijde van de woning (dit betrof de verbouw van een feitelijk al bestaande bed & breakfast). Voor de aanwezigheid van de wee recreatie-appartementen, volgens indiener beiden geschikt voor recreatief nachtverblijf door vier personen, in de vrijstaande bijgebouwen op het achtererf van de woning Binnenpad 28 is tot dusver echter geen (omgevings)vergunning of ruimtelijke toestemming verleend. Binnen de ruimtelijke kaders van zowel de huidige beheersverordening als het ontwerpbestemmingsplan kunnen deze twee recreatieappartementen in de bijgebouwen niet (alsnog) worden vergund of gelegaliseerd. De aanwezigheid van de twee recreatie-appartementen strookt niet met de beheersverordening omdat de beheersverordening maar 1 recreatie- appartement in een bijgebouw kan toestaan en dan alleen als er nog geen andere recreatie functie in de woning aanwezig is, zoals hier wel het geval is.
Het ontwerpbestemmingsplan bevat voor deze situatie ook geen oplossing. Want in de in 2011 door de gemeenteraad vastgestelde notitie Facetbeleid is aangegeven dat het niet wenselijk is om de mogelijkheid van het (huidige) bestemmingsplan Giethoorn voor het gebruik van een (vrijstaand) bijgebouw als vakantiehuisjes of recreatie-appartement voort te zetten het nieuwe bestemmingsplan. Reden hiervoor is onder meer dat bij het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als vakantiewoning of recreatie-appartement het risico bestaat dat zij na verloop van tijd (via verkoop af anderszins) qua gebruik worden afgesplitst van de (oorspronkelijke)woning en er feitelijk nieuwe hoofdbebouwing ontstaat. Een dergelijke versnippering van woonpercelen is ruimtelijk niet gewenst. De mogelijkheid om via een binnenplanse afwijking recreatieve verblijfsfuncties in vrijstaande bijgebouwen bij woningen toe te staan is daarom niet meer opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, alleen de bestaande legale situaties zijn met een aparte gebruiksaanduiding ingepast. Het ruimtelijke beleid is er voortaan op gericht om recreatieve nevenfuncties bij woningen toe te staan in het hoofdgebouw en daarbij 44 horende aangebouwde bijgebouwen en niet (meer) in vrijstaande bijgebouwen. Binnen dit beleid geldt een maximum van 10 recreatieve slaapplaatsen per woning.
Beleidsmatig is er dus geen mogelijkheid om de twee recreatie-appartementen op het achtererf bij de woning van indiener in te passen in het nieuwe bestemmingsplan voor Giethoorn. Zowel de locatie als de omvang van de verblijfsrecreatie op het perceel van indiener wijken af van wat er op grond van het facetbeleid mogelijk is. De aan indiener verzonden brief van 11 juni 2015, waarin als gemeentelijk standpunt opgenomen deze inpassing wel mogelijk zou zijn, maakt dit niet anders. Want in die brief is ook duidelijk aangeven dat dit standpunt slechts een voorlopig standpunt is en dat bij de behandeling van de zienswijzen tot een andere opstelling kan worden gekomen. Bovendien is bij het innemen van het voorlopige standpunt niet onderkend dat dit niet strookt met door de gemeenteraad vastgestelde facetbeleid. Indiener 25 geeft verder aan dat het gebruik van de bijgebouwen als recreatieappartement al onafgebroken vanaf 1992 plaatsvindt. Op grond van het in het overgangsrecht van het huidige, in 1996 in werking getreden bestemmingsplan Giethoorn (artikel 37, onderdeel E) mag het gebruik van gronden van opstallen in afwijking van bestemmingsplan zoals aanwezig op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan worden voortgezet.
Indiener heeft bij zijn zienswijze de nodige informatie verstrekt over het gebruik recreatie-appartementen in de vorm van gegevens over de betaling van toeristenbelasting voor deze appartementen en verklaring van buurtbewoners. Uit deze gegevens blijkt dat dit gebruik al lange tijd plaatsvindt. De informatie van de toeristenbelasting gaat terug tot 2001 (eerdere gegevens zijn niet beschikbaar) en de verklaringen van de buren/omwonenden geven aan dat recreatieappartementen al voor 1994 aanwezig waren. Indiener heeft verder een exemplaar van de “Toeristische Informatiegids Giethoorn 1993-1994” overlegd waaruit blijkt dat er in die periode op Binnenpad 28 al recreatief nachtverblijf met 20 slaapplaatsen werd aangeboden. Bovendien blijkt uit het gemeentelijke milieudossier dat er op 20 februari 1993 voor Binnenpad 28 een milieumelding is gedaan in het kader van het Besluit Horecabedrijven milieubeheer voor logies Mol/Groenewegen. Volgens deze melding is op deze locatie is sprake van logies met ontbijt (3 gastenverblijven) en verhuur van fluisterboten. Dit betreft (dus) de Bed & Breakfast en de recreatie-appartementen/vakantiehuisjes. Op 20 november 2013 is een nieuw milieumelding gedaan in het kader van het Activiteitenbesluit in verband met de hiervoor genoemde verbouw van de Bed & Breakfast.
Uit het gemeentelijke milieuarchief blijkt dus dat er sinds 1993 ter plaatse van Binnenpad 28 een bedrijfsvoering plaatsvindt in de vorm van het aanbieden van recreatief nachtverblijf in drie eenheden. Gelet op het feit dat milieumelding altijd is blijven gelden, er geen informatie is van gemeentelijke controles op basis van deze melding waaruit zou blijken dat de bedrijfsvoering niet (meer) aanwezig was en de door indiener 25 bij zijn zienswijze verstrekte informatie over de door hem uitgeoefende verblijfsrecreatieve bedrijfsvoering is voldoende aannemelijk dat het gebruik van de twee bijgebouwen op het perceel Binnenpad 28 als recreatieappartement valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan Giethoorn 1994. Van gegevens of omstandigheden die wijzen op het tegendeel is niet gebleken. Als het ontwerpbestemmingsplan in zijn huidige vorm wordt vastgesteld wordt dit bestaande recreatieve gebruik opnieuw, voor de tweede keer, onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan gebracht. Op grond van de jurisprudentie is dit alleen maar mogelijk als aannemelijk kan worden gemaakt dat dit gebruik binnen de nieuwe planperiode van 10 jaar wordt beëindigd. Een dergelijk voornemen heeft indiener niet kenbaar gemaakt. Vanuit de kant van het 45 gemeentebestuur is er ook geen zich op het nemen van maatregelen die leiden tot beëindiging van dit gebruik.
Nu zowel een beleidsmatige inpassing van de twee recreatie-appartementen in de bijgebouwen in het nieuwe bestemmingsplan als een voortzetting van dit gebruik onder het overgangsrecht niet mogelijk is, resteert de mogelijkheid van het treffen van een zogenaamde uitsterfregeling voor deze recreatie-appartementen. Dit houdt in dat voor het perceel Binnenpad 28 de reguliere woonbestemming van toepassing blijft waarbij het bestaande gebruik van de twee bijgebouwen als recreatieappartement met een aparte aanduiding op de verbeelding en in de regels wordt opgenomen. Op grond van die specifieke aanduiding mag het gebruik van elk van deze bijgebouwen als recreatie-appartement zolang dat duurt in zijn huidige vorm worden voortgezet. Zodra en indien dit gebruik van een of beide bijgebouwen wordt beëindigd/gestaakt, komt deze recreatieve gebruiksmogelijkheid echter te vervallen. Alsdan mag het bijgebouw of mogen de bijgebouwen uitsluitend weer als een normaal bijgebouw worden gebruikt. Met deze uitsterfregeling wordt enerzijds recht gedaan aan de belangen van indiener en geldt er voor hem een duidelijke gebruiksregeling voor door hem ontplooide verblijfsrecreatieve activiteiten, maar blijft het anderzijds mogelijk dat de gebruikssituatie van het perceel Binnenpad 28 op termijn toegroeit naar een gebruik dat meer aansluit bij een reguliere woonbestemming.
Voor wat betreft de vergunde Bed & Breakfast geldt dat in het ontwerpbestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsregeling is opgenomen op grond waarvan dergelijke functies als nevenactiviteit bij woningen kunnen worden toegestaan. Een omgevingsvergunning die al voor een Bed & Breakfast bij een woning is verleend wordt in de bestemmignsplanregels gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning die krachtens deze binnenplanse afwijkingsregeling voor een dergelijke functie kan worden verleend. Aldus is verzekerd dat de Bed & Breakfast van indiener (ook) in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan. Het treffen van een nadere aanduiding voor de Bed & Breakfast is daarom niet nodig. 4.25.2. Aanpassen aanduiding voor bootverhuur Indiener 25 geeft aan dat de op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen aanduiding voor de verhuur van boten bij de locatie Binnenpad 22-24 niet meer juist is. Op zijn verzoek is zijn vaarvergunning bij besluit van 2 september 2009 voor deze locatie ingetrokken. Indiener 25 verzoekt derhalve om deze aanduiding voor botenverhuur te verwijderen, conform onderstaand kaartje zoals dat bij zijn zienswijze is gevoegd. Het gaat om de met rode kruizen aangegeven aanduiding voor botenverhuur. 46 Reactie: Dit onderdeel van de zienswijze van indiener kan worden ingewilligd.
In 2009 is de vergunning voor de bootverhuur voor deze locatie inderdaad ingetrokken. Voor op de verbeelding voor deze locatie handhaven van een aanduiding voor bootverhuur en de exploitatie van rondvaarboten bestaat daarom geen aanleiding meer. Deze aanduiding zal van de verbeelding worden gehaald. 4.25.3. Conclusie Het opnemen van een aanduiding voor de twee recreatieappartementen in de bijgebouwen op het perceel Binnenpad 28 zoals indiener in zijn zienswijze aangeeft en waardoor deze twee appartementen volledig bij recht in het nieuwe bestemmingsplan worden ingepast, is niet mogelijk. In plaats daarvan kan voor deze twee appartementen omdat ze onder overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan vallen wel een uitsterfregeling worden opgenomen. Het ontwerpbestemmingsplan zal op dit punt als zodanig worden aangepast. Voor wat betreft de vergunde Bed & Breakfast geldt dat het opnemen van een aparte aanduiding niet nodig is. Voor dergelijke functies bij woningen geldt in het bestemmingsplan een afwijkingsregeling. Vergunningen/toestemmingen die in het verleden voor Bed & Breakfast worden verleend, zoals bij indiener het geval is, worden in het bestemmingsplan gelijk gesteld aan een omgevingsvergunning voor een Bed & Breakfast die volgens deze binnenplanse afwijkingsregeling kan worden verleend.
De opmerking van indiener 25 dat er voor de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen mogelijkheid voor botenverhuur bij Binnenpad 22-24 inmiddels geen vaarvergunning meer geldt, geeft aanleiding om deze aanduiding van de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan te verwijderen. 4.26. Indiener 26 4.26.1. Wijzigen agrarische bestemming voor hoveniersbedrijf Indiener 26 geeft aan dat het perceel Zuiderpad 3 in het ontwerpbestemmingsplan een agrarische bestemming heeft gekregen. Dit perceel wordt echter niet meer agrarisch gebruikt. In plaats daarvan wordt de voormalige veestalling gebruikt voor een hoveniersbedrijf van degene die ook op dit perceel woonachtig is. Het materieel en de machines van dit bedrijf worden opgeslagen in de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing. Indiener 26 verzoekt daarom om aan het perceel de bestemming ‘Bedrijf-Hoveniersbedrijf’ toe te kennen. Indiener 26 voert daartoe aan dat het gaat om inpassing van bestaand feitelijk gebruik en er sprake is van lichte bedrijvigheid die qua milieucategorie lichter is dan agrarische bedrijvigheid. Ook wordt volgens indiener voldaan aan de milieuzonering. Reactie: De herziening van het bestemmingsplan Giethoorn is gericht op het treffen van een actuele, uniforme regeling voor de bestaande situatie. Dat wil zeggen dat alleen bestaande situaties (bestaande bestemmingen) worden vastgelegd.
Nieuwe ontwikkelingen worden in principe niet in het bestemmingsplan opgenomen, tenzij sprake is van een concreet verzoek dat zodanig is onderbouwd dat dit op ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld. In dit geval is geen sprake van een onderbouwd verzoek. 47 Het perceel van indiener heeft in het ontwerpbestemmingsplan een agrarische bestemming overeenkomstig het voorgaande gebruik, zie hieronder. Op grond van de (huidige) agrarische bestemming is het vestigen/uitoefenen van een hoveniersbedrijf niet mogelijk. De gemeente Steenwijkerland heeft beleid opgesteld ten behoeve van het wijzigen van de agrarische functie van VAB-locaties (Vrijkomende Agrarische Bedrijfsbebouwing). Daarin is onder andere opgenomen dat overtollige voormalige agrarische bebouwing zal worden gesloopt en worden een aantal andere ruimtelijke randvoorwaarden gesteld ten aanzien van het vestigen van nieuwe functies op (voormalige) agrarisch percelen. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet daarom op zich wel via een binnenplanse wijziging in de mogelijkheid van een functiewijziging van de functie agrarisch naar de functie bedrijf maar deze functiewijziging dient wel expliciet te worden aangevraagd. De zienswijze van indiener 26 strekt er echter toe om het perceel Zuiderpad 3, zonder toepassing van deze wijgigingsprocdure, nu meteen bij recht te bestemmen met de bestemming bedrijf-hoveniersbedrijf. .
Op zichzelf is de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een hoveniersbedrijf op basis van het gemeentelijke beleid mogelijk, maar dan moet wel vaststaan het het initiatief ruimtelijk inpasbaar is. Zoals indiener 26 aangeeft geldt voor een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak van maximaal 500 m2 volgens de VNG richtlijnen voor de milieuzonering een richtafstand van minimaal 30 meter tot een woning van een derde. Deze afstand moet worden gemeten vanaf de grens van het betreffende bestemmingsvlak tot aan de dichtstbijzijden gevel van de woning. Het perceel Zuiderpad 3 bestaat planologisch uit twee bij elkaar horende agrarische bestemmingsvlakken met elk een bouwvlak. Anders dan indiener 26 naar voren brengt, kunnen deze bestemmingsvlakken niet zonder meer worden omgezet in een bedrijfsbestemming voor het hoveniersbedrijf omdat het zuidelijke bestemmingsvlak op een aanzienlijke kortere afstand dan 30 meter van de dichstbijzijnde woning op Zuiderpad 5 is gesitueerd. Met andere woorden, zonder nader milieuonderzoek naar de (mogelijke) (geluids)hinder voor de omgeving is niet aannemelijk 48 dat een volledige wijziging van de bestemming van Zuiderpad 3, zoals door indiener 26 wordt voogesteld, van agrarisch naar een hoveniersbedrijf ruimtelijk aanvaardbaar en inpasbaar is.