CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Kuinre, Rondebroek 1_Toelichting

Politieke Markt 21 november 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Rondebroek 1 Kuinre18.638 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Doel van de Omgevingsvisie is de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente te vergroten door de omgevingskwaliteiten van de gemeente te behouden en te versterken. Deze ambitie is er niet een van verre horizonten, maar juist een van realisme en aansluiten bij de identiteit. In samenwerking tussen inwoners, ondernemers en overheid willen we de kansen be nutten die Steenwijkerland biedt. Agrarische ontwikkeling in harmonie met omgevingswaarden De ontwikkelingen van de agrarische sector zullen een stevig stempel drukken op het buitengebied. Het gaat om de ontwikkeling van grotere bedrijfsgebouwen, de beho efte aan meer ruimte voor verbreding en om de verandering van de erfinrichting, de inrichting van gebieden (verkaveling) en ontsluiting. Grootschaligheid kan botsen met landschappelijke en recreatieve waarden. Toch moet er ruimte zijn voor de ontwikkeling van de agrarische sector. We willen binnen de kaders van omgevingswaarden (geur, geluid, gezondheid, landschap) agrarische ontwikkelingen ruimte bieden. De verschillende landschapstypen hebben elk hun eigen draagvermogen. Dit draagvermogen bepaalt wat mogelijk is qua schaalvergroting. De mogelijkheid en de voorwaarden om door te groeien, worden gebiedsafhankelijk bepaald.

4.4.1.1 Toetsing aan de Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) Voorliggend plan gaat uit van de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Dit sluit aan bij de omgevingsvisie van Steenwijkerland mits de grootschaligheid niet botst met de landschappelijke en recreatieve waarden van de directe omgeving. Hiervoor is een KGO impuls en landschappelijke inpassingsplan opgesteld (bijlagen 1 en 2). Hierin is met het aanbrengen van beplanting rekening gehouden met de landschappelijke kenmerken van de NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 28 omgeving. Er is gekozen om de nieuwe schuur parallel aan de bestaande schuur in eenzelfde breedte en lengte aan de oostzijde van de Rondebroek te plaatsen, zo staan de stallen achter in één lijn haaks op de verkaveling, hierdoor wordt de bestaande structuur gewaarborgd. Geconcludeerd wordt dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling aansluit bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland. 4.4.2 Welstandsnota Steenwijkerland De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen.

Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal wels tandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen. Het uitgangspunt is dat het bouwplan een definitief positief welstandsadvies krijgt. Het plangebied ligt in het welstandsgebied ‘Stuwwallenlandschap van het land van Vollenhove’, in het deelgebied ‘Stuwwal met het Hoge land van Vollenhove’. In dit gebied zijn de oorspronkelijke boerderijen overheersend. Veel oorspronkelijke boerderijen en bijbehorende erven zijn ook nog gaaf in situering, hoofdvorm en gevelindeling. Er is een landschap met ve el waardevolle bebouwing ontstaan waaraan het historische karakter nog goed afleesbaar is. Het beleid is er dan ook op gericht het oorspronkelijke karakter van het gebied te handhaven en bij nieuwe ontwikkelingen voorzichtigheid te betrachten. De volgende welstandcriteria worden er gehanteerd voor plangebied: Situering 1. Bouwplannen aan of bij de oorspronkelijke boerderijen dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven. 2. De overige hoofdbebouwing dient in ieder geval op de weg te worden georiënteerd. Uitzonderingen hierop dienen afgestemd te worden op de plaatselijke situatie, bijvoorbeeld in besloten en golvend landschap met uitzicht. 3.

Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij met elkaar een samenhangend geheel vormen. Vormgeving 1. Bij bouwplannen aan of bij de oorspronkelijke boerderijen dienen de bebouwingskarakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven te worden behouden. Daarbij is in ieder geval relevant: het boerderijtype, de dakvorm en schaal en maat. 2. Bij de overige bebouwing zijn geringe afwijkingen van de karakteristieken op onderdelen acceptabel. 3. Uitbreidingen dienen ondergeschikt zijn aan het bestaande gebouw en dienen daar qua vormgeving mee te harmoniëren. 4. In de buurtschappen dient de bebouwing aan de randen met het buitengebied qua vormgeving aan te sluiten op de bebouwingskarakteristieken van het buitengebied. 5. De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam- en deuropeningen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn. 6. Bij uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij dient in ieder geval het onderscheid tussen woon en bedrijfsgedeelte herkenbaar te blijven. Detaillering, kleuren en materialen 1. Er dienen kleuren toegepast te worden conform de gebiedsbeschrijving. 2. Er dienen materialen te worden toegepast gelijk aan of aansluitend bij de in de gebiedsbeschrijving genoemd materialen.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 29 4.4.2.1 Toetsing aan Welstandsnota Steenwijkerland De in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de uitbreiding van stallen van een agrarisch bedrijf. De vormgeving van de gewenste stal en wintergartens sluit aan bij de omgeving. De stal heeft een eenvoudige hoofdvorm, met een gedekte kleurstelling. Er is gekozen om het gebouw in lijn met de strekking van het perceel te plaatsen, zodat een juiste breedte en lengte verhouding ontstaat. In het kader van de vergunningstraject zal het ontwerp door de welstand getoetst worden. 4.4.3 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Steenwijkerland en de Welstandsnota. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 30 HOOFDSTUK 5 PLANOLOGISCHE RANDVOORWAARDEN Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet - en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de voor het nieu w op te stellen bestemmingsplan relevante milieuaspecten. De resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid worden beschreven. Het betreffen de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage. 5.1 Geluid (Wet geluidhinder) 5.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregel en nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

5.1.2 Situatie plangebied Er wordt met de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling (realisatie van een stal en wintergartens) geen geluidsgevoelig object gerealiseerd. Nadere toetsing aan de a specten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. Ten opzichte van geluidemissie als gevolg van het voornemen wordt opgemerkt dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning een akoestisch rapport overlegd zal worden. Vol ledigheidshalve is deze rapportage ook bij deze toelichting gevoegd als bijlage 3. Uit de rekenresultaten blijkt dat voldaan wordt aan het de gestelde toetsingkaders. 5.1.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 31 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2.

als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder als 2 uur gehanteerd; 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 5.2.2 Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een pluimveestal en het aanbouwen van wintergartens aan bestaande stallen. Met de uitbreiding wordt een veerbetering vin het leefklimaat voor de dieren in de stal beoogd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee niet in het mogelijk maken van een gebouw welke bestemd is voor (nagenoeg) langdurig menselijk verblijf. Daarmee wordt voldaan aan de tweede uitzonderingsregel uit de voorgaande par agraaf en kan een bodemonderzoek dus achterwege blijven. Daarnaast hebben de gronden een agrarische gebiedsbestemming zonder bouwrechten. Er wordt dan ook niet verwacht dat bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden. De grond die eventueel vrijkomt bij de voorgenomen ontwikkeling zal niet worden afgevoerd maar binnen het plangebied worden herbruikt.

5.2.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 32 • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat het voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Wel moet gesteld worden dat bij het houden van dieren fijnstof vrijkomt. Door voorliggend initiatief is er sprake van een toename van fijnstofemissie. Een ISL3a berekening is uitgevoerd om deze toename in kaart te brengen, de volledige berekening is opgenomen in bijlage 4. Hieruit blijkt dat aan de grenswaarden van Wet milieubeheer wordt voldaan. Verder is in voorliggend geval geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan , er wordt voldaan aan de wettelijke normering. 5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet - en regelgeving op het gebied van externe veiligheid.

Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 33 • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit; • het Activiteitenbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en bepe rkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente Steenwijkerland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Steenwijkerland het ‘Meerjarenbeleidsplan Integrale Veiligheid 2019 – 2022’ opgesteld, dit is een aanvulling op het stuk ‘Extern veiligheidsbeleid gemeente Steenwijkerland 2015 -2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen me t het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. In het Meerjarenbeleidsplan Integrale Veiligheid zijn met name nieuwe doelen gesteld om hierop aan te vullen. Zo worden de ambities duidelijk uitgesproken in de vorm van bijvoorbeeld het op elkaar aansluiten van WhatsApp-Buurtpreventie en Burgernet, het ontwikkelen van een communicatiestrategie en de Inventarisatie van de jeugdketen.

5.4.3 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 34 Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Hoogspanningslijn Tennet Uit de inventarisatie blijkt dat op circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied een bovengrondse hoogspanningslijn met indicatieve magneetzone gelegen is. Dit betreft een hoogspanningslijn van 220 kV van netbeheerder TenneT. De indicatieve zone van een dergelijke lijn bedraagt 95 meter aan weerszijde, het projectgebied is hier op geruime afstand van gelegen. Propaan opslagtank Binnen het plangebied zelf is een propaan opslagtank aanwezig. Deze valt niet onder Bevi.

Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; 5.4.4 Conclusie Agrarische bedrijfsbebouwing valt niet aan te merken als kwetsbare object, de ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 35 5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zi jn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele r eeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelaste nde functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 36 Gezien de ligging van het plangebied in een overwegend agrarisch gebied, zonder al te veel functiemenging valt de omgeving aan te merken als ‘rustige woonwijk’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG - uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Het plangebied wordt gebruikt voor het fokken en houden van pluimvee . Voor dit gebruik geldt op basis van de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" de milieucategorie 4.1. Hierbij wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bep alend. Voor de externe werking van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitsluitend getoetst aan de richtafstanden van de overige milieuaspecten. Hierbij geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor de aspecten geluid en stof. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object betreft de (bestemming van de) (bedrijfs)woning aan de Rondebroek 2. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen deze bestemming en de beoogde stal(uitbreidingen) meer dan 50 meter, de afstand tot de singelgrens is namelijk circa 75 m eter. Hiermee wordt er van uitgegaan dat de voorgenomen ontwikkeling (ten aanzien van de aspecten geluid, stof en gevaar) geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omliggende woningen.

Hiervoor zijn ook onderzoeken uitgevoerd voor de aspecten geluid (bijlage 3) en stof (bijlage 4). Hieruit blijkt dat voldaan kan worden aan de wettelijke normering. Voor geur uit agrarische bedrijven wordt niet gekeken naar de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, maar daar is de Wet NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 37 geurhinder en veehouderij bepalend. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 5.9 van deze toelichting. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Met voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Initiatieven op basis van dit bestemmingsplan, zoals een nieuwe stal of het realiseren van wintergartens, ondervinden dan ook geen hinder van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd worden omliggende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. 5.5.4 Conclusie milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming.

Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier - en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds - en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1 Gebiedsbescherming 5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet Natuurbescherming beschermd. Kern van de Natura 2000 zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000 -gebied zijn geformuleerd. Een project of plan mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe w erking (bijv. door geluid, licht en stikstof-depositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000 -gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten.

Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Weerribben’ ligt op een afstand van circa 2,4 kilometer. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator. De stikstofonderzoeken voor de aanlegfase en de gebruiksfase voor beide de varianten met vleeskuikens & vleeskalkoenen en enkel vleeskuikens zijn opgenomen in bijlage 5. De conclusies worden hieronder kort uiteengezet. Conclusie stikstofonderzoek Geconcludeerd wordt dat voor de aanlegfase geen sprake is van een rekenresultaat hoger dan 0,00 NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 38 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Gezien de vergunde situatie en de beoogde situatie valt te concluderen dat er eveneens geen toename is van de depositie voor de gebruiksfase. Er is zelfs sprake van een afname van 161,5 kg/j NOx en 138,9 kg/j NH3 bij minst gunstige variant van binnen de wisselvergunning.

Er is geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000 -gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. 5.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet in het NNN. De dichtstbijzijnde gronden aangemerkt als NNN zijn gelegen op minimaal 600 meter afstand van het plangebied. Gelet op de afstand tot het gebied en de aard en omvang van de ontwikkeling binnen het plangebied worden geen negatieve effecten verwacht. Een verdere toetsing aan het NNN is niet aan de orde 5.6.2 Soortenbescherming 5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht.

Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.6.2.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten en tot een weinig geschikt leefgebied van beschermde dieren. De nieuwe stallen komen naast de bestaande vleeskuikenstal, dit betreft grasland ten behoeve van het aanwezige melkvee en/of bouwland t.b.v. de maïsteelt en wordt jaarlijks bewerkt. Hierdoor is geen sprake van bijzondere of speciale flora en fauna waar een ontheffing in het kader van de Wnb soortenbescherming nodig zou zijn. 5.6.3 Conclusie Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast worden geen negatieve effecten op beschermde soorten in het plangebied verwacht en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 39 5.7 Archeologie & Cultuurhistorie 5.7.1 Archeologie 5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het a rcheologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Steenwijkerland, vastgesteld op 22 januari 2008, hebben een aantal delen van de veehouderij een hoge verwachtingswaarde archeologie en zijn daarom ook dubbel bestemd met ‘Waarde – Archeologie 2’. Het betreft het bouwvlak aan de westzijde van de weg, de straat Rondebroek en een deel van de aan de oostzijde van de weg gelegen gronden. De realisatie van de nieuwe stal vindt grotendeels plaats in een zone met een lage archeologische verwachting. Daarnaast blijven in voorliggend geval de werkzaamheden waarbij de bodem wordt verstoord ruimschoots beneden het gestelde oppervlak van 2.500 m2 waarmee archeologisch onderzoek noodzakelijk zou zijn.

Archeologisch onderzoek kan in voorliggend geval dus achterwege gelaten worden. 5.7.2 Cultuurhistorie 5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en ge bieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich in de directe omgeving van, dan wel binnen het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Met voorliggende ontwikkeling worden daarmee geen negatieve invloeden op waardevolle cultuurhistorische elementen voorzien. 5.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 40 5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.8.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..

Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedee ltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.8.2 Beoordeling Voor deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.

De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. -beoordeling is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. 5.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een planMER noodzakelijk maakt. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 41 5.9 Geur 5.9.1 Algemeen 5.9.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één land sdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere dierca tegorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gele gen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.9.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activ iteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen.

Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten liggen op een gevel-tot-gevel afstand van meer dan 25 m en op meer dan 50 m van emissiepunt (ventilatoren) tot geurgevoelig object, waarmee wordt voldaan aan de daartoe gestelde minimale afstand. De gemeente Steenwijkerland hanteert voor geurbelasting de landelijke normen van de Wet geurhinder: • 8,0 OUE/m3/s lucht t.o.v. de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom; • 2,0 OUE/m3/s lucht t.o.v. de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 42 5.9.2 Situatie projectgebied Maximale geurbelasting Initiatiefnemer stoot het melkvee af en gaat zich volledig richten op het houden van vleeskuikens. Daarnaast wordt nog enig vrouwlijk jongvee aangehouden.

Initiatiefnemer wil als de mar kt dat vraagt kunnen schakelen tussen vleeskuikens en vleeskalkoenen en vraagt daarom een wisselvergunning aan. Binnen de inrichting worden stratks in totaal gehouden: 3. 139.000 st. vleeskuikens en 31 st. jongvee tot 2 jaar; 4. 114.000 st. vleeskuikens, 4.500 st. vleeskalkoenen met 32 st. jongvee. Voor vleeskuikens en vleeskalkoenen zijn emissiefactoren vastgesteld, voor vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet. De geuremissie voor vleeskuikens is 0,33 OU E/d/s en voor vleeskalkoenen 1,55 OU E/d/s. Cumulatieve geurhinder De achtergrondbelasting in V-Stacks gebied is doorgerekend op de te beschermen geurgevoelige objecten a.h.v. de emissie vanuit meerdere veehouderijen in een straal van 2 km rond de inrichting. Het gaat dan om de geuremissie vanuit veehouderijen met intensieve veehouderij, zoals: pluimvee, vleeskalveren, vleesstieren, schapen en varkens. De adressen en de vergunde dieraantallen en emissies zijn aangeleverd door • de Omgevingsdienst IJsselland (namens de gemeente Steenwijkerland) ; • de gemeente Noordoostpolder; • de gemeente Weststellingwerf. Bovengenoemde variant 1 brengt de hoogste achtergrond belasting teweeg en wordt hieronder kort uiteengezet, voor de volledige geurrapportage met berekeningen wordt verwezen naar bijlage 8.

Achtergrondbelasting bebouwde kom: Achtergrondbelasting buitengebied: Uit de berekening blijkt dat het oprichten van de pluimveestal tot een lagere achtergrond -belasting leidt. Het woon- en leefklimaat ter plekke van de woningen zal verbeteren. De cumulatieve hinder neemt af doordat een deel van het vee van het dorp af wordt geplaatst naar de overkant van de weg. In de omgeving heerst overigens een veel lagere achtergrondbelasting dan op grond van de NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 43 streefwaarde verantwoord wordt geacht. Het oprichten van de stal leidt niet tot een ho ge achtergrondbelasting. Opgemerkt wordt dat de woning aan de Rondebroek 2 niet is meegenomen in bovenstaande berekening, dit betreft een bedrijswoning behorende bij een andere veehouderij. Voor dergelijke woningen gelden enkel vaste afstanden (50 meter buiten de bebouwde kom) waaraan in voorliggend geval ruimschoots wordt voldaan. 5.9.3 Conclusie De Wet Geurhinder en veehouderijen vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. Tevens worden omliggende agrarsiche bedrijven niet bellemerd als gevolg van de ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 44 HOOFDSTUK 6 WATERPARAGRAAF 6.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden. 6.2 Beleid ten aanzien van de waterhuishouding 6.2.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch v erder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.2.2 Rijksbeleid Het rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationa al Waterplan (NWP) 2022- 2027. Het NWP is vastgesteld op 18 maart 2022. In het plan beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken met water met andere sectoren. 6.2.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.2.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel.

Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 45 resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerp rogramma 2022- 2027. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerprogramma. a. Het doelmatig realiseren van waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt; b. Het waterbeheer is in natte omstandigheden er op gericht om zoveel mogelijk schade en/of inkomstenderving als gevolg van wateroverlast te voorkomen of te beperk ten; c. In droge omstandigheden er op gericht zijn om de beschikbaarheid van zoetwater voor gebieds- en oppervlaktewaterfuncties zo lang mogelijk op peil te houden teneinde schade en/of opbrengstderving te voorkomen of te beperken; d. Zorgen voor een goede ecologische ,fysische en chemische waterkwaliteit passend bij de functie van het oppervlaktewater; e. Het zorgen voor schoon effluent voor een bijdrage aan de volksgezondheid en hergebruik van water; f. Het zorgen voor bescherming tegen hoog water; g.

Het beperken van de schade als gevolg van overstromingen; h. Het bijdragen aan een duurzame toekomst; i. Het versterken van de verbinding met de samenleving; j. Het uitvoeren van de taken tegen maatschappelijk verantwoorde kosten. 6.2.5 Gemeentelijk watertakenplan (2016-2021) Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016 -2021. Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat Daar is goed onderhoud voor nodig.

Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemee nte en waterschap dus van groot belang. Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijke plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijke (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijke projecten uit te voeren, wo rdt doelmatiger en efficiënter gewerkt. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 46 6.3 Watertoets 6.3.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op w ateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen.

Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2 Watertoets Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets, de ‘intaker’ hiervan is bijgevoegd als bijlage 9 in deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde “normale procedure” van toepassing is. De hierbij behorende ‘Standaard waterparagraaf’ is opgenomen in bijlage 9. Gezien het plangebied een B-watergang (schouwsloot) raakt en er sprake is van een planologische toename van verharding van 1.764 m2 heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta een uitgangspuntennotitie opgesteld, deze is bijgevoegd als bijlage 10 en tevens hierna uiteengezet.

6.3.2.1 Uitgangspuntennotitie Drents Overijsselse Delta Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. In de uitgangspuntennotitie zijn de volgende thema’s behandeld: watersysteem, waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, riolering, beheer en onderhoud. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Ondiepe Polders NW-Overijssel. Rond het plangebied liggen primaire watergangen 10052, 10053, W8831 en secondaire watergangen S5109, S4980, S5110, S5086 die in het beheer van het waterschap zijn. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP -1,42m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. Verder geldt voor het plangebied: • De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP -1,05 m. • De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit zeekleigronden. Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. • De maximale grondwaterstand ligt op 0-40 cm (GHG) onder het maaiveld.

• Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nabij het plangebied verwacht (bron: https://wdodelta.klimaatatlas.net/) NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 47 Uitgangspunten voor het plan op inrichtingsniveau Watersysteem • Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire A-watergang en/of secundaire B-watergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. o Primaire A-watergangen (>25 L/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): watergangen waar het waterschap verantwoordelijk is voor de inrichting en het onderhoud. o Secundaire B-watergangen (>10 L/s afvoer en <25 L/s gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): waterschap is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer, maar de grondgebruikers zijn verantwoordelijk voor het onderhoud (eigenaar is onderhoudsplichtig). In de B-watergangen is een bepaalde vorm van toezicht door het waterschap mogelijk (schouw).

• C-watergangen: hier zijn de grondgebruikers verantwoordelijk voor de inrichting en ze doen zelf het onderhoud. Er geldt geen onderhoudsverplichting en het waterschap houdt geen toezicht of onderhoud goed wordt uitgevoerd. Omgang met het uitgangspunt ‘Watersysteem’ De primaire watergang betreft de westelijke en zuidelijke grens van het plangebied. De beschermingszone van de watergang treedt tot binnen het plangebied. De beoogde wintergartens en uitbreidingen worden echter niet binnen deze beschermingszones geplaats maar elders binnen het plangebied. Er wordt geen water gedempt, verlegt of gegraven, de aanvraag van een Watervergunning hoeft dan ook niet te worden aangevraagd. De Aan- en afvoer van voldoende water, waterkwaliteit en ruimte voor water wordt gewaarborgd. Waterveiligheid Het plan ligt in een dijkringgebied. Als er gebouwd wordt in dijkringgebieden (gebieden met een risico op overstromingen) verplicht de provincie Overijssel in het bestemm ingsplan een overstromingsrisicoparagraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming minde slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft. Omgang met het uitgangspunt ‘Waterveiligheid’ Het plan ligt in een overstroombaar gebied dat normaal niet onder water staat, maar (tijdelijk) kan overstromen.

Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onde r het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR). In dit geval is er niet sprake van een toename van het aantal personen in het plangebied. Het gaat uitsluitend om de uitbreiding van agrarische pluimvee stallen. Gelet op vorenstaande kan een verdere verantwoording van het overstromingsrisico achterwege gelaten worden. Wateroverlast NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 48 Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast.

Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: • het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; • het gescheiden houden van hemelwater; • de capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; • de eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 1764 m 2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 176,4 m2 wordt aangelegd waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van een vertraagde afvoer anders infiltratiesituatie. Omgang met het uitgangspunt ‘Wateroverlast’ Hoewel de locatie van de beoogde ontwikkeling niet als kritisch aangemerkt kan worden door zijn ligging in het weiland, afgezonderd van de openbare weg middels bovengenoemde ‘C -watergang’. Kortstondige buien zullen naar alle waarschijnlijkheid hier dan ook niet leiden tot water -op-straat scenario’s. Verder wordt er rekening gehouden met de randvoorwaarden die de gemeente stelt.

Ook wordt gecompenseerd voor de toename van verharding middels een waterbergend oppervlak van circa 176,4 m2 waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Waterkwaliteit Kwaliteit afvoer hemelwater: Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Bij aanleg van bedrijventerreinen, wegen met een hoge verkeersbelasting, parkeerterreinen, marktpleinen, winkelstraten en tunnels dient de mogelijkheid voor lozing van hemelwater op open water met het waterschap te worden afgestemd. Verontreiniging • Microverontreiniging: Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. • Agrarische terrein: de inrichting van het agrarische terrein moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het watersysteem wordt voorkomen. Er wordt onder andere rekening gehouden met bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen.

• Schoonmaakmiddelen en waterkwaliteit: Alle toegelaten schoonmaakmiddelen zijn milieuvriendelijk, maar mogen niet zonder meer rechtstreeks in oppervlaktewater worden geloosd. Formeel is daar een vergunning op basis van Art. 6.2 lid 1 van de Waterwet (het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam) voor nodig. Een watervergunning wordt niet verleend wanneer een riolering in de buurt aanwezig is. De voorkeursvolgorde voor afvalwaterstromen is als volgt: NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 49 o Indien aanwezig moet de afvalwaterstoom van reinigingswater met schoonmaakmiddel op de riolering worden geloosd; o Het opvangen van het afvalwater en de afvoer per as naar een riolering; o Lozing op het oppervlaktewater en/of infiltratie in de bodem via een bodempassage. Omgang met het uitgangspunt ‘Waterkwaliteit’ Bovenstaande uitgangspunten worden allen in acht genomen bij voorliggend plan. Er worden geen oppervlakten gerealiseerd waarbij sprake zal zijn van licht vervuild hemelwater, enkel schoonhemelwater van de nieuw te bouwen stallen zal ter plaatse van het plangebied gerealiseerd worden. Verder worden geen uitloogbare materialen gebruikt worden die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. De inrichting van het agrarisch terrein houdt rekening met de ligging van de watergangen, deze zijn op voldoende afstand gepositioneerd.

Riolering Beleid en regelgeving Gemeentelijk rioleringsbeleid: de gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hemelwater worden op de perceelgrens gescheiden aangeboden. Tevens geld een bergingseis, behandeld in bovenstaande paragraaf ‘wateroverlast ’. Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater: Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu worden teruggebracht (afkoppelen). Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om daar waar mogelijk, het hemelwater oppervlakkig af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/fcd32bf3-a185-4bf6-bf7e-07b4080b1dbf?agendaItemId=9e93f951-504b-40f6-9904-cabb8faab3b5