CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Kuinre, Rondebroek 1_Toelichting

Politieke Markt 21 november 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Rondebroek 1 Kuinre18.638 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Kuinre, Rondebroek 1 ID plan: NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 Datum: Status: ontwerp Auteur:

Kuinre, Rondebroek 1 bestemmingsplan Kuinre, Rondebroek 1 Inhoudsopgave Toelichting 3 2 Inhoudsopgave (ontwerp) bestemmingsplan Kuinre, Rondebroek 1 Toelichting Toelichting (ontwerp) 3 Bestemmingsplan "Kuinre, Rondebroek 1" ID plan: Kuinre, Rondebroek 1 datum: April 2023 status: Concept auteur: BJZ.nu Vastgesteld door de raad dd. de griffier, de voorzitter,

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 2 TOELICHTING NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 3 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ........................................................................... 4 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 1.2 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 4 1.4 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 5 1.5 PLANOLOGISCHE REGIME ............................................................................................................................... 5 1.6 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ............................................................... 9 2.1 HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED ....................................................................................................................... 9 HOOFDSTUK 3 GEWENSTE SITUATIE .........................................................

12 3.1 PLANBESCHRIJVING .................................................................................................................................... 12 3.2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ...................................................................................................................... 13 3.3 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 15 4.1 PLANOLOGISCHE KADERS ............................................................................................................................. 16 4.2 RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 16 4.3 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 18 4.4 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................................................. 27 HOOFDSTUK 5 PLANOLOGISCHE RANDVOORWAARDEN ........................... 30 5.1 GELUID (WET GELUIDHINDER) ......................................................................................................................

30 5.2 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 30 5.3 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 31 5.4 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 32 5.5 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 35 5.6 ECOLOGIE ................................................................................................................................................. 37 5.7 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 39 5.8 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 40 5.9 GEUR ...................................................................................................................................................... 41 HOOFDSTUK 6 WATERPARAGRAAF ..........................................................

44 6.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 44 6.2 BELEID TEN AANZIEN VAN DE WATERHUISHOUDING........................................................................................... 44 6.3 WATERTOETS ............................................................................................................................................ 46 HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE OPZET ............................................................ 52 7.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 52 7.2 UITGANGSPUNTEN ..................................................................................................................................... 52 7.3 TOELICHTING OP DE PLANREGELS .................................................................................................................. 52 7.4 VERANTWOORDING VAN DE BESTEMMINGEN................................................................................................... 53 HOOFDSTUK 8 FINANCIËLE PARAGRAAF .................................................. 55 HOOFDSTUK 9 INSPRAAK, VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN .....................

56 9.1 VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 56 9.2 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 56 9.3 ZIENSWIJZEN ............................................................................................................................................. 56 BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING .................................................................... 57 NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 4 HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het agrarisch bedrijfsperceel aan Rondebroek 1 te Kuinre. Bij het kadaster staat deze locatie bekend onder de gemeentecode KRE00, sectie F, nu mmers 171, 209, 210, 212 en 282. Ter plaatse wordt een agrarisch bedrijf, te weten een vleeskuikenbedrijf (intensieve veehouderij) geëxploiteerd. Voorheen betrof dit een gemengd bedrijf/veehouderij met melkvee en kalkoenen. Inmiddels is er geen melkvee meer aanwezig maar worden er vleeskuikens gehouden. Op dit moment zijn er ook geen kalkoenen meer. In de afgelopen jaren zijn voor dit perceel diverse milieu - en bouwvergunningen verleend.

Recent is het plan opgevat om de bestaande pluimveestallen uit te rusten met een overdekte uitloop en een extra stal op te richten, eveneens voorzien van een overdekte uitloop. Dit in het kader van de overschakeling van ‘plofkippen’ naar ‘scharrelvleeskuikens’ in welzijnsvriendelijke huisvesting en een lagere bezetting. Deze uitbreiding is noodzakelijk om te voldoen aan de marktvraag naar ‘scharrelvleeskuikens’. De vigerende milieuvergunningen en het vigerende planologische regime staan deze ontwikkelingen niet toe. In voorliggend geval zouden de beoogde uitbreidingen van de bestaande stallen en de realisatie van de wintergartens mogelijk kunnen worden gemaakt door van het geldende planologisch regime af te wijken en medewerking aan de ontwikkeling worden verleend via een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (uitgebreide voorbereidingsprocedure). Echter, gezien de vele verleende bouw- en milieuvergunningen voor deze locatie en de wens om voor de toekomst een duidelijke planologische situatie te creëren, is gekozen voor een bestemmingsplanherziening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridische planologische kaders om voorgenomen ontwikkeling en mogelijk te maken.

Er zal worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en er sprake is van een goede landschappelijke inpassing . 1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland en bestaat uit de locatie aan Rondebroek 1 te Kuinre. De ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Kuinre en ten opzichte van de directe omgeving is weergegeven in afbeelding 1.1. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 5 Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied t.o.v. de kern Kuinre (rode ster) en de directe omgeving (rode kader) (Bron: PDOK) 1.4 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Kuinre, Rondebroek 1” bestaat uit de volgende stukken: • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01) en een renvooi; • regels (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmings plan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.5 Planologische regime 1.5.1 Algemeen Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014”, welke op 9 december 2014 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het plangebied kent op basis van deze beheersverordening de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf 2’, de aanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – intensieve veehouderij neventak’ en ter plaatse van het westelijke deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de beheersverordening ‘Buitengebied Steenwijkerland 2014’ opgenomen. Het plangebied is daarbij indicatief aangegeven met de rode omlijning. Afbeelding 1.2 Uitsnede vigerende beheersverordening ‘Buitengebied Steenwijkerland 2014’ (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In de volgende subparagraaf wordt ingegaan op de ter plaatse van de plangebieden geldende bestemmingen uit de beheersverordening ‘Buitengebied Steenwijkerland 2014’.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 6 1.5.2 Beschrijving bestemmingen en aanduidingen Agrarisch De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: • agrarisch bedrijfsmatig gebruik; • agrarisch hobbymatig gebruik; met daaraan ondergeschikt: • ontsluitingsvoorzieningen; • tuinen, erven en groenvoorzieningen; • recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft; • water en waterhuishoudkundige voorzieningen; Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van bestaande gebouwen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt. Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van: • omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt; • voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1,50 meter bedraagt; • bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt. Agrarisch – Agrarisch bedrijf 2 De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: • grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat: a.

uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij neventak' niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteiten zijn toegestaan met een maximale oppervlakte van 1000 m² dan wel de bestaande oppervlakte, indien deze groter is; b. op een grondgebonden agrarisch bedrijf maximaal 400 melkkoeien mogen worden gehouden met dien verstande dat indien voor een bedrijf voor de inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning is verleend op grond waarvan een hoger aantal melkkoeien mag worden gehouden, dit aantal als maximum geldt; • wonen in een bedrijfswoning, met dien verstande, dat een bedrijfswoning ook als plattelandswoning bewoond mag worden door een niet-functioneel met het bedrijf verbonden derde; met daaraan ondergeschikt: • tuinen, erven en groenvoorzieningen; • ontsluitings- en parkeervoorzieningen; • water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Gebouwen met daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de bestemming zijn uitsluitend toegestaan in het bouwvlak. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, waaronder begrepen silo's, teeltondersteunende voorzieningen, mestopslagplaatsen, paddocks, stapmolens en paardenbakken, mogen worden gebouwd zowel binnen als buiten de aanduiding ' bouwvlak', met dien verstande dat teeltondersteunende voorzieningen, mestsilo's en folie mestbassins uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 7 Waarde – Archeologie 2 De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2500 m2 dient een ar cheologisch bureauonderzoek overlegd te worden. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 8 1.5.3 Strijdigheid Op basis van de geldende beheersverordening is het voornemen in strijd met het bestemmingsplan. De gewenste (nieuwe) functies passen niet volledig binnen de bestaande gebruiks - en bouwregels. Ook bevat het geldende bestemmingsplan geen toereikende afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden om dit mogelijk te maken. Gezien de vele verleende bouw- en milieuvergunningen voor deze locatie en de wens om voor eens en altijd een duidelijk planologische situatie te creëren. Dit biedt voor initiatiefnemer de gewenste duidelijkheid en flexibiliteit vanuit dierenwelzijns-oogpunt, voor de gemeente Steenwijkerland biedt dit meer planologische duidelijkheid en handhaafbaarheid, dit in tegenstelling tot (ondui delijke) over elkaar vigerende omgevingsvergunningen. Een herziening van de geldende beheersverordening middels een bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

1.6 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied beschr even. Hoofdstuk 3 betreft de gewenste situatie. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de Provincie Overijssel en de gemeente Steenwijkerland beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieuthema’s de revue. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 9 gaat in op het vooroverleg, inspraak en zienswijzen. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 9 HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE 2.1 Huidige situatie plangebied Het erf aan de Rondebroek in Kuinre is gelegen aan weerszijden van de openbare weg, de Rondebroek. Op nummer 1 bevindt zich de bestaande woonboerderij, gelegen op een voormalige terp. De bijgebouwen bevinden zich aan weerszijden van de boerderij. De bebouwing bestaat uit een ligboxenstal aan de noordzijde van de boerderij en enkele vleeskuikenstallen ten oosten/zuidoosten van de boerderij. Rond 1900 zijn er in de open ruimte van Rondebroek vier verhogingen aanwezig, waar één of twee boerderijen op staan. De boerderij op nummer 1 is met de voorzijde naar de weg gericht en kreeg een hoog dak met rode pannen erop.

In 1985 is de initiatiefnemer kalkoenen begonnen te exploiteren. De pluimveetak is uitgebouwd en in 2001 is een pluimveestal een de overkant van de weg opgericht. Er werden ca. 60 stuks melkvee met bijbehorend jongvee en 17.880 vleeskalkoenen gehouden. De intensieve veehouderij vormt sindsdien de hoofdtak. De focus ligt sinds 2012 volledig op het pluimvee. In 2008 zijn de kalkoenen vervangen door vleeskuikens en is milieuvergunning verleend voor het verlengen van de pluimveestal aan de overkant. Het toenemend antibioticagebruik in de kalkoensector was de reden om te stoppen met kalkoenen houden en over te stappen naar vleeskuikens. Aanvankelijk hield het bedrijf alleen gangbare vleeskuikens (hoge bezetting), maar sinds 2015 worden er welzijnsvriendelijke traaggroeiende vleeskuikens in een lagere bezetting (Goed Nest Kippen) gehouden. Alle stallen worden gebruikt voor het houden van traaggroeiende kuikens. Feitelijk is het bedrijf sinds 1985 vooral gericht op kalkoenen en/of vleeskuikens en is er sindsdien al geen sprake meer van een grondgebonden hoofdtak. In 2012 is al het melkvee verdwenen en wordt volledig gericht op het houden van pluimvee. Daarnaast wordt nog enig vrouwelijk jongvee aangehouden.

Dit maakt dat in dit specifieke geval geconcludeerd kan worden dat het bedrijf vanwege deze omstandigheden gelijkgesteld kan worden aan een bes taande (positief bestemde) intensieve veehouderij. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto opgenomen van het plangebied en de directe omgeving, waarin de begrenzing van het plangebied indicatief is opgenomen. In afbeelding 2.2 en 2.3 zijn straatbeelden opgenomen van de huidige situatie in het plangebied. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 10 Afbeelding 2.1 Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving (Bron: PDOK.nl) Afbeelding 2.2 Straatbeeld van de huidige situatie in het plangebied aan Rondebroek 1 westkant (Bron: Google Street view) NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 11 Afbeelding 2.3 Straatbeeld van de huidige situatie in het plangebied aan Rondebroek 1 oostkant (Bron: Google Street view) NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 12 HOOFDSTUK 3 GEWENSTE SITUATIE 3.1 Planbeschrijving Initiatiefnemer stoot het melkvee af en gaat zich volledig richten op het houden van vleeskuikens. Daarnaast wordt nog enig vrouwlijk jongvee aangehouden. Initiatiefnemer wil als de markt dat vraagt kunnen schakelen tussen vleeskuikens en vleeskalkoenen en vraagt daarom een wisselvergunning aan. Binnen de inrichting worden stratks in totaal gehouden: 1. 139.000 st. vleeskuikens en 31 st. jongvee tot 2 jaar; 2.

114.000 st. vleeskuikens, 4.500 st. vleeskalkoenen met 32 st. jongvee. Dit bestemmingsplan ziet toe op de uitbreiding van de bestaande pluimveestallen en op de realisatie van zogenaamde wintergartens. Deze worden naast de bestaande stallen gerealiseerd. De beoogde bebouwing moet ruimte bieden aan voldoende vleeskuikens, dit vanwege de marktvraag naar pluimvee. De beoogde nieuwe stal heeft een oppervlakte van 2.822 m 2 (inclusief voorlokaal), en de beoogde wintergartens hebben in totaal een oppervlakte van 2.287 m 2. Echter neemt planologisch gezien de bebouwing maar met 1.764 m2 toe wegens de sloop van ligboxstallen. Ook worden de vele verleende bouw- en milieuvergunningen voor deze locatie duidelijk in een eenduidige planologische situatie in kaart gebracht. Dit biedt voor de initiatiefnemer de gewenste duidelijkheid en flexibiliteit vanuit dierenwelzijns-oogpunt, voor de gemeente Steenwijkerland biedt dit meer planologische duidelijkheid en handhaafbaarheid, dit in tegenstelling tot (onduidelijke) over elkaar vigerende omgevingsplannen. Tevens wordt het gehele erf landschappelijk ingepast omwille de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). Omwille de verkeersveiligheid wordt ook een extra ontsluiting tot de schuren gerealiseerd. Afbeelding 3.1 geeft een overzicht van de voorgenomen planologische wijziging.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 13 De gewenste pluimveestal heeft een lengte van 110,01 meter, een breedte van 25,40 meter. Het voorlokaal heeft een grote van 7,60 meter bij 3,70 meter. Hij wordt opgebouwd met prefab betonplaten, stalen damwandenprofielplaten en golfplaten van vezelcement. De dakconstructie is een zadeldak. De materialen, goothoogte en hellingshoek van het dak zijn hetzelfde als de reed s bestaande stal. Hierdoor lijken de stallen op elkaar en ontstaat er eenheid. Aan de oostzijde van het gebouw worden ventilatoren met koker in omkasting geplaatst. De groene singel rondom het erf blijft intact waardoor de uitstraling van het erf behouden blijft en het voornemen geen afbreuk doet aan de landschapswaarden ter plaatse. 3.2 Landschappelijke inpassing Voor de gehele ontwikkeling is door landschapsarchitect Greet Bierema en de gemeente Steenwijkerland een landschappelijke inpassing opgesteld di e visueel, cultuurhistorisch en ecologisch past in de nabijheid van Oud Kuinre, de Antjeskolk en de achterliggende Polder . Het volledige plan is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Eveneens is door ‘Hoeve Advies’ een verduidelijkende verbeelding van de landschappelijke inpassing opgesteld, deze is bijgevoegd als bijlage 2. Hierin is het beplantingsplan met afmetingen op kaart weergeven, een uitsnede hiervan is opgenomen als afbeelding 3.1.

Afbeelding 3.1 uitsnede Inpassingsplan n.a.v. ontwerp Greet Bierema (Bron: Hoeve Advies) NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 14 In de beplanting aan de westzijde van de weg staan hoofdzakelijk essen. Het zijn hoge bomen met in de zomer een donkergroen blad. Langs de weg zelf staarknotwilgen, als een veel lagere beplanting met een grijs blad. Het lint met die knotwilgen scheidt de twee erfdelen van elkaar. Omdat de hoogte van de stallen binnen die van de hoogte van de els valt en deze boom het hier goed doet, wordt voor deze beplanting rond de stallen gekozen. Ook zij hebben donkergroene bladeren, wel ke goed contrasteren met de grijze bladeren van de wilgen. Ook de verschillen in hoogte van de es en de els benadrukken het verschil in locatie. De es langs de Oude Kuinre en de kolk en de els in de polder (de essen lijken nog niet ziek). Aan de gehele zuizijde van de zuidelijkste stal wordt een 3 meter brede strook met elzen aangelegd. De 'elzenveren' kunnen op 1 meter afstand van elkaar worden gepland. De bedoeling is om een dichte wand te vormen. Langs deze singel wordt aan de buitenzijde weer een nieuwe sloot gegraven. Elzen als boom staan aan de twee kopse kanten van de stallen. De bomen staan op 5 meter afstand van elkaar. De hoge coniferen op het erf aan de westzijde van de weg worden verwijderd.

Parallel aan de weg komen op het erf daarvoor knotwilgen in de plaats. Ook enkele aan de noordoostzijde van het perceel, aan de rand van het schapenweitje tussen de weg en de Oude Kuinre. Door deze nieuwe invulling krijgt de bocht met het gazon op de glooiende terp meer nadruk. In de continue rij knotwilgen langs de weg zijn er diverse bomen wegens ouderdom of beschadigingen gekapt ter hoogte van het boerenerf. In overleg met de gemeente zouden z ij vervangen en weer aangevuld moeten worden. Dit vult de landschappelijke inpassing van de twee erfdelen aan. De bebouwing Bij de keuze van de plaatsing van de beoogde stal speelt met name de ruimte voor de stallen een belangrijke rol. Belangrijk zijn de logistiek voor de rij-route van vrachtauto's, zo min mogelijk bestrating en ruimte voor een groene invulling. Om de vrachtwagenchauffeurs (soms wel in drie vrachtauto's tegelijk achter elkaar) veilig te kunnen laten laden en lossen, is achteruitrijden geen goede keuze. Daarom biedt de tweede wijze voldoende ruimte om door te rijden en de bocht te kunnen nemen. In de drie hoek die overblijft ontstaat de mogelijkheid om bomen te planten. Door deze groene driehoek worden de voorgevel van de boerderij en de stal beter van elkaar gescheiden. Want een stal voor het voorhuis conflicteert.

Wit op de windveren en wit op andere onderdelen valt altijd sterk op en zou bij deze toename in bebouwing vermeden moeten worden. Zo is dus ook het plan. De kleurrijke voersilo's worden zoveel als mogelijk tussen de gebouwen geplaatst. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 15 3.3 Verkeer en parkeren 3.3.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In dit geval wordt voor wat betreft de parkeerbehoefte aangesloten bij de uitgangspunten uit de nota ‘Parkeernormen 2015’ van de gemeente Steenwijkerland. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de CROW - publicatie toekomstbestendig parkeren 381 (december 2018). Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer.

Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicatie van het CROW worden parkeerkencijfers weergegeven onderverdeeld naar functies, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad. 3.3.2 Situatie plangebied Voorliggend plan voorziet uitsluitend in de uitbreiding van pluimveestallen en het aanbouwen van Wintergartens om zo het pluimvee meer leefruimte te geven. Bij deze uitbreidingen neemt het aantal arbeidskrachten niet toe, zodoende neemt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie oo k niet toe. Daarnaast wordt in voorliggend bestemmingsplan voor eens en altijd een duidelijk planologische situatie gecreërd Deze bestaande situatie kent echter reeds een verkeersgeneratie- en parkeerbehoefte, welke echter niet tot problemen leidt. Opgemerkt wordt dat in de beoogde situatie, door het toevoegen van de wintergartens, sprake is van scharrelvleeskuikens. Deze hebben een langere groeiperiode waardoor de rondeduur toeneemt. Er worden dan ca 6. Ronden in plaats van 7,5 ronden per jaar zoals bij reguliere kuikens gehouden. Dit heeft als gevolg dat het aantal verkeers- en vervoers-bewegingen afneemt. Tenslotte wordt, als reeds besproken in voorgaande paragraaf, met de plaatsing van de nieuwe stallen zoveel mogelijk rekening gehouden met de rijroutes van vrachtauto’s.

3.3.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggende plan. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 16 HOOFDSTUK 4 GEBIEDSVISIE EN UITGANGSPUNTEN 4.1 Planologische kaders Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. 4.2 Rijksbeleid 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie 4.2.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze lee fomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.2.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven.

Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 17 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is o ngewenst en wordt tegengegaan. 4.2.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zij n er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 4.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 18 bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

4.2.2 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid Voorgenomen ontwikkeling betreft een uitbreiding van een intensieve veehouderij waarbij de bestaande pluimveestallen worden uitgebreid met wintergartens. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een goed leefklimaat voor de dieren in de stal. Binnen de ontwikkeling is daarmee geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Deze functie is, gelet op de definitie, niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het Rijksbeleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen herontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 4.3 Provinciaal beleid In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.

4.3.1 Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie: • goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typenwoningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief); • versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultu reel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit; • veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen door te zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid; • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan.

4.3.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat w ordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 19 Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 4.3.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal.

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch - recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 4.3.3.1 Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen.

Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 20 maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 4.3.3.2 Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal -economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen.

Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 4.3.3.3 Hoe – gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden.

Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 4.3.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.3.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name artikel 2.1.3, 2.1.5, 2.1.6 en 2.1.7 lid 5 en 2.7 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader ingegaan op de genoemde artikelen.

NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 21 Artikel 2.1.3 Zuinig in zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die e en extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijf waarbij de bebouwing wordt uitgebreid in de vorm van een stal voor pluimvee en wintergartens.

De huidige bebouwing biedt onvoldoende ruimte om te voorzien in de gewenste uitbreiding en een diervriendelijkere bedrijfsvoering te realiseren. De uitbreiding zal op een verantwoorde wijze worden ingepast in het landschap (zie paragraaf 3.2). Tenslotte worden voor de toekomst voor eens en altijd de verleende omgevingsvergunningen uit het verleden vastgelegd in een nieuwe bestemmingsplan, zodat sprake is van een overzichtelijk planologisch regime. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.1.5 Principe van ruimtelijke kwaliteit (lid 1,2,3 en 5) 1. In de toelichting op een bestemmingsplan wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteiten conform de geldende gebiedskenmerken; 2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd; 5.

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welde wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Voorliggende ontwikkeling draagt met de uitvoering van het erfinrichtingsplan (zie bijlage 1 bij deze toelichting) bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken. Later in deze paragraaf wordt conform de omgevingsvisie van de provincie Overijssel inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel en wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 22 Hier wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn en er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Het voornemen is om het agrarische bedrijf uit te breiden. Bij uitbreidingen in de groene omgeving moet worden aangetoond dat de ontwikkeling aan ecologische en/of landschappelijke waarden i n voldoende mate wordt gecompenseerd. Zodoende is in voorliggend geval de KGO van toepassing. Er zal immers extra beslag worden gelegd op de Groene omgeving. Middels de landschappelijke inpassingen en een beplantingsplan op het erf wordt de kwaliteit van de groene omgeving en ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Geconcludeerd wordt dat de realisatie hiervan voldoende compensatie betreft voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf. Artikel 2.1.7 lid 1 en 5 Kwaliteitsimpuls agro en food 1.

Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. 5. In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel grootschalig worden aangepast en/of uitgebreid als: a. is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; b. het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; c. aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. Toetsing aan artikel 2.1.7 van de Omgevingsverordening Het huidige agrarische bouwvlak is van onvoldoende omvang om de extra stal te bouwen. Daarbij komt dat de beoogde locatie voor het planvoornemen in gebruik is als weiland. Door de het intensieve onderhoud en het verdere ontbreken aan landschappelijke waarden is er geenszins sprake van verlies aan ecologische waarden. Dit wordt in ruime mate gecompenseerd door het toevoegen van groen.

Een groenstrook van 5 meter breed die langs en achter de stallen wordt aangelegd. Een strook groen met watergang ter afscheiding naar het achter gelegen weiland wat de biodiversiteit ten goede komt. Ook het herstel van de rij knotwilgen aan de weg draag bij aan een betere biotoop voor de plaatselijke flora en fauna. Deze landschappelijke inpassing is tevens geborgen in de regels van dit bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting. 4.3.4.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur - en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 23 opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven: • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW); • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap; • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’.

In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen, waarin het plangebied aangemerkt is met de rode ster. Afbeelding 4.2 Uitsnede perspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap” Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; • continu en beleefbaar watersysteem. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan de provincie hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden.

Agrarische ondernemers staan voor NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 24 de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken. Het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft wi ndenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het het hardst. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov) - routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).

Toetsing van het initiatief aan de ´Ontwikkelingsperspectief´ Voorliggend initiatief voorziet in de uitbreiding van agrarische stallen, hiervoor leent het ontwikkelperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ bij uitstek . Door te investeren in de kwaliteitsvoorwaarden middels een KGO kwaliteitsimpuls en landschappelijke inpassingsplan. Ook wordt door de uitbreiding van de stallen meer leefruimte voor de dieren gecreëerd, dit past beter bij de hedendaagse marktvraag. Tevens beperkt het uitbreiden van dit agrarisch bedrijf niet de ontwikkelmogelijkheden voor landbouw in de directe omgeving en sluit het aan bij de bestaande bebouwing. Ook wordt de weginfrastructuur niet in het gering gebracht door het erf zo in te richten wat het keren van bestemmingsverkeer gemakkelijker moet maken. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. 4.3.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch - cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en - opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Stedelijke laag” en “Laag van beleving’’ worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in of aangrenzend aan het plangebied geen relevante specifieke eigenschappen voor deze lagen gelden.

Hierna wordt ingegaan op de relevante kenmerken ter plaatse van het plangebied. 1. De “Natuurlijke laag” Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype ‘Zeekleigebied en randmeren’. In afbeelding 4.3 is dat aangegeven. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 25 Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) “Zeekleigebied en randmeren” Het ‘Zeekleigebied en randmeren’ kenmerking zich als het overgangsgebied van de zoetwaterdelta van de rivieren en de Zuiderzeekust. Patroon van waaiers van rivierafzettingen en geulen met veenvorming er tussen. Door invloed van de voormalige Zuiderzee verdere opslibbing in de vorm van kleiafzettingen. De ambitie is de stoerheid en het open karakter van deze landschappen te bewaren en versterken. Langs de waterrijke randen, wielen en kwelplekken zijn kansen voor natuurontwikkeling, als herinnering aan de herkomst van dit landschapstype benutten.

Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van geulen en kreken, hogere oevers en kreekruggen en (voormalige) overstromingsvlaktes, dan dragen deze bij aan accentuering van het patroon en de hoogteverschillen en de beleefbaarheid daarvan. Toetsing van het initiatief aan de "Natuurlijke laag” De landschappelijke inpassing (bijlage 1 bij deze toelichting) van het beoogde erf versterkt het karakteristieke patroon van de bestaande structuur door langs de weg met (knot)wilgen te realiseren. De aanplant hiervan versterkt het karakteristieke kavelpatroon zonder deze te doorbreken, zo blijft de uitstraling van de lange opstrekkende kavels in de omgeving behouden. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het gestelde in de ‘Natuurlijke laag’. 2. De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 26 Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd.

De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart in het "Zeekleilandschap”. In afbeelding 4.4 is dat aangegeven. Afbeelding 4.4 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) “Zeekleilandschap” Het ‘Zeekleilandschap kenmerkt zich als open landschap langs de voormalige Zuiderzeekust met verspreide terperven (Kampereiland) en boerderijen op natuurlijke hoogtes. Het terpe nlandschap beslaat hier een relatief klein gebied, maar maakt deel uit van een serie van terpenlandschappen rond de voormalige Zuiderzee: Marken, polder Arkenheem, Schokland en Kampereiland. De ambitie is hier de kwaliteit van de grote open ruimtes met de verspreide erven en het subtiele reliëf in stand te houden. Dit betekent aandacht voor de ruimtes zelf, maar ook voor de kwaliteit van de horizon, omdat het vergezicht hier beeldbepalend is. Deze gebieden zouden nog aan kwaliteit kunnen winnen, als het ‘dynamische deltakarakter’ weer meer voelbaar wordt gemaakt, bijvoorbeeld door het krekenpatroon zichtbaarder en beleefbaarder te maken en het contrast tussen binnen en buitendijks gebied te vergroten.

Als ontwikkelingen plaatsvinden in het zeekleilandschap, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van bestaande erven, lintdorpen en voormalige Zuiderzeestadjes. Als ontwikkelingen plaats vinden in het Land van Kuinre, dan dragen deze bij aan behoud van de bestaande structuur van lange opstrekkende kavels. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In voorliggend geval is een erfinrichtingsplan opgesteld om zodoende tot een gedegen landschappelijke inpassing te komen. Hierin is met het aanbrengen van beplanting rekening NL.IMRO.1708.KRErondebroek1BP-ON01 “Rondebroek 1” 27 gehouden met de landschappelijke kenmerken van de omgeving en van het Zeekleilandschap. Door de nieuwe aanplantingen zo te situeren dat de kenmerkende opstrekkende lange kavels behouden blijven. Geconcludeerd wordt dan ook dat de ontwikkeling in overeenstemm ing is met het gestelde in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”. 4.3.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid, zoals genoemd in de Omgevingsvisie en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) De Omgevingsvisie richt zich op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoek ers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren. De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. Voorloper van de Omgevingsvisie was de Strategische Toekomstvisie 2030. De strategische toekomstvisie bevatte een integrale (en globale) visie op de ontwikkeling van de hele gemeente tot 2030. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Toekomstvisie was dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend zijn voor de toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. De Toekomstvisie had als uitgangspu nt dat ontwikkelingsruimte wordt geboden voor wonen, werken en recreëren. De Strategische Toekomstvisie is geïntegreerd in de Omgevingsvisie 2017.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/fcd32bf3-a185-4bf6-bf7e-07b4080b1dbf?agendaItemId=9e93f951-504b-40f6-9904-cabb8faab3b5