I31.1 Bestemmingsplan Oppen Swolle 5 te Vollenhove.pdf
Tekst van het document
Hierna worden voornoemde randvoorwaarden uitgewerkt. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 32 Kwaliteitsverbetering Voorliggend plan is een kwaliteitsverbetering door renovatie en verbouw van de boerderij en het (her)gebruik van de gronden en bijgebouwen. Hiermee wordt de monumentale bebouwing duurzaam behouden en is een duurzame en rendabele exploitatie van deze voormalige agrarische locatie en het Landgoed gewaarborgd. Ook de landschappelijke inrichting rondom de bebouwing wordt verankerd in het bestemmingsplan. Voor het parkeren ten behoeve van de theeschenkerij wordt een overeenkomst gesloten met het stichtingsbestuur van het landgoed. Deze parkeerpl aatsen worden gerealiseerd aan de Melkallee in een nieuw aan te leggen ‘parkeerkoffer’ tussen de bomen langs de laan. Deze parkeervoorziening zal deels door bezoekers aan het landgoed worden gebruikt en deels door bezoekers aan de theeschenkerij. De nieuwe parkeervoorziening is een mooie kwaliteitsverbetering, omdat de auto’s niet meer aan de kant van de weg, in de laan worden geparkeerd. De laanstructuren zijn de dragers van het landgoed. Hierdoor is voor zowel het landgoed als de nieuwe functie een kwalit eitsslag behaald. Passende functie De gevraagde functies ‘wonen’, ‘bed & breakfast’ en ‘complementaire dag -horeca’ zijn passend binnen het beleid.
Voor reguliere horeca wordt in principe een clustering in de kernen nagestreefd. Er wordt terughoudend omgegaan voor wat betreft het ontstaan van volwaardige horecavestigingen buiten de daarvoor beoogde gebieden. Complementaire dag-horeca als nevenactiviteit is toegestaan in het landelijk gebied. Onder complementaire dag-horeca wordt verstaan een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren. Ondergeschiktheid van de nevenfuncties bed & breakfast en complementaire dag -horeca en borging van de nevenfuncties. De gevraagde overnachtingsmogelijkheid, in de vorm van een bed & breakfast past binnen de voorwaarden van het huidige beleid. Maximaal 35% van de bedrijfsbebouwing mag gebruikt worden voor een bed & breakfast met maximaal 10 slaapplaatsen. De aanvraag behelst een oppervlakte van 182 m2 en 10 slaapplaatsen. Het huidige hoofdgebouw heeft een oppervlakte van 620 m2, hiervan mag 217 m2 worden gebruikt voor een bed & breakfast, de initiatiefnemers blijven binnen deze oppervlakte en het aantal bedden. De bed en breakfast is aangegeven op de verbeelding. In de regels van dit bestemmingsplan is benoemd dat de bed & breakfast ter plaatse van de aanduiding plaatsvindt en dat het aantal maximaal 10 slaapplaatsen bedraagt. De gevraagde complementaire dag-horeca is 200 m2.
De theeschenkerij in de bestaande bebouwing heeft een oppervlakte van 65 m 2, het terras buiten is 135 m2. Het terras is niet ingetekend om flexibiliteit te behouden om op meerdere plekken buiten te kunnen zitten, naar wens in de zon of de schaduw. In de beleidsnotitie wordt voor complementaire dag- horeca, bij voormalige agrarische bedrijven, een maximale oppervlakte van 100 m 2 aangehouden. In deze is geen sprake van regulier voormalig agrarisch bedrijf, maar van een boerenhofstede op een landgoed. De theeschenkerij is ten behoeve van verschillende activiteiten op het landgoed. Complementaire dag-horeca van 200 m2 is voor dit initiatief ondergeschikt vanwege het feit dat het op het landgoed is gelegen. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 33 De nieuwe functie past op hoofdlijnen in de Beleidsnotitie Bestemmingsplan B uitengebied. Er is een mooie kwaliteitsslag gemaakt door de parkeerfunctie een goede plek op het landgoed te geven. De nieuwe functies zijn voor wat betreft het gebruik passend. Voor de omvang van de theeschenkerij is maatwerk verricht, omdat hier sprake i s van een landgoed. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 34 Hoofdstuk 4 Actuele waarden 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de actuele waarden die aanwezig zijn in het plangebied.
Specifiek wordt achtereenvolgend ingegaan op de ecologische waarden, archeologie en cultuurhistorie. 4.2 Ecologie 4.2.1 Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soor tenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet. 4.2.2 Gebiedsbescherming 4.2.2.1 Natura 2000-gebieden Op 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Vanaf dat moment heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen of in de directe omgeving van een Natura 2000- gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Zwarte Meer’ is gelegen op een afstand van circa 1,2 kilometer van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000 wordt geconcludeerd dat er als gevolg van de in dit plan besloten ontwikkeling geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
4.2.2.2 Ecologische Hoofdstructuur De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). De EHS is in de provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het ‘nee, tenzij’ -principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 4.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS weergegeven. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 35 Afbeelding 4.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS (Bron: Provincie Overijssel) Het perceel Oppen Swolle 5 is niet gelegen binnen de concreet begrensde EHS. De nieuw te realiseren parkeerplaatsen zijn wel gelegen in de EHS en ter plaatse begrensd als ‘Bestaande natuur’. Voor ontwikkelingen in de EHS is een beschermingsregime van toepassing, tenzij er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. Middels toepassing van artikel 2.7.3, lid 3 van de omgevingsverordening Overijssel kan van het beschermingsregime van de EHS afgeweken worden. In paragraaf 3.2.3.1 is dit nader toegelicht. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen belemmeringen met zich mee brengt. 4.2.3 Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing.
Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling word en gevraagd. In voorliggend geval is sprake van functiewijziging van de monumentale boerderij en de gronden en bijgebouwen daaromheen ten behoeve van woondoeleinden. Er worden geen gebouwen gesloopt of nieuwe bebouwing gerealiseerd en geen bomen gekapt of groenelementen verwijderd. In voorliggend geval is het uitvoeren van een quickscan Flora en fauna dan ook niet noodzakelijk. 4.2.4 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op Flora en fauna, Natura 2000-gebieden of de EHS.
NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 36 4.3 Archeologie 4.3.1 Algemeen Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenweg 1988, van kracht geworden. Deze wijziging brengt met zich mee dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben gekregen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.3.2 Situatie plangebied De gemeente Steenwijkerland heeft de archeologische verwachtingswaarden doorvertaald in dubbelbestemmingen. Het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze dubbelbestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de eventueel te verwachten archeologische waarden.
Indien in gebieden met deze dubbelbestemming bodemverstorende activiteiten plaatsvinden met een oppervlakte groter dan 2.500 m2, dan is een archeologisch onderzoek vereist. In voorliggend geval is slechts sprake van een interne verbouwing en vinden er geen bodemingrepen plaats. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van voorliggend initiatief niet noodzakelijk. 4.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is, er zijn geen belemmeringen te verwachten. 4.4 Cultuurhistorie 4.4.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten r ekening is gehouden” dient te bevatten.
NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 37 4.4.2 Situatie plangebied Zoals reeds beschreven zijn de betreffende boerderij, de kapschuur, het bakhuisje en de gronden (Landgoed) aangewezen als Rijksmonument. Voorliggende ontwikkeling is op 16 februari 2016 besproken in het Steunpunt met daarin de Rijksdienst Cultureel Erfgoed en Provincie Overijssel. Zij hebben het initiatief positief beoordeeld. Het toestaan van een andere functie in de boerderij en ander gebruik van de gronden en bijgebouwen daaromheen voorziet in een duurzame instandhouding van de monumenten en zo kan deze worden gewaarborgd. Zonder functionele invulling bestaat de kans dat de technische staat achteruit gaat en op den duur niet meer te handhaven is met alle consequenties van dien. De ontwikkeling heeft een grote bijdrage in het behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden op het erf en het Landgoed “de Oldenhof”. Opgemerkt wordt dat de monumentale bebouwing en gronden vanuit de Monumentenwet is beschermd. Behalve de panden zelf verdient ook de omgeving van monumenten en karakteristieke panden aandacht, aangezien ze voor een groot deel de belevingswaarde van die panden bepalen. Het plangebied is daarom voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’.
4.4.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggende ontwikkeling voorziet in het behoud van de monumentale bebouwing en behoud en versterking van de cultuurhistorische waarde. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 38 Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Vigerend beleid 5.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregele n beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid.
De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid , zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking.
De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta, voorheen waterschappen Reest en Wieden en Groot Salland, hebben nog geen eigen waterbeheerplan. Daarom wordt terug gevallen op het waterbeheerplan van Reest en Wieden. Het waterbeleid van het waterschap is met name NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 39 gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, her stel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibele r peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt (tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen). 5.2 Waterparagraaf 5.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd.
In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de ge volgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt. Het plan betreft alleen een functieverandering van de bestaande bebouwing met daarbij behorende gronden en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Het waterschap heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. De watertoets is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hierna worden kort enkele wateraspecten nader toegelicht. Afvalwaterzorgplicht Het plangebied is gelegen in een gebied waar afvalwater wordt afgevoerd middels drukriolering. Uitsluitend het afvalwater mag worden afgevoerd via het drukriool.
Inhoudende dat hemelwaterafvoer niet op het riool mag worden aangesloten. Hemelwaterzorgplicht Het hemelwater is schoon genoeg om rechtstreeks teruggebracht te worden in het milieu. Grondwaterzorgplicht Het voornemen voorziet in hergebruik van bestaande bebouwing. Het grondwaterpeil zal door het initiatief niet veranderen. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 40 Overstromingsrisicoparagraaf Het plangebied ligt binnen dijkring 9 ‘Vollenhove’. Voor plannen in deze dijkring is een overstromingsrisicoparagraaf vereist. Uit de Omgevingsverordening blijkt dat dijkring 9 ‘Vollenhove’ is gelegen in de overstromingsrisicozone ‘minder snel en ondiep’. Voor de keringen van dijkring 9 geldt een overstromingsrisico van 1/1250 per jaar. Gezien de ligging van het plangebied op een oude stuwwal kent het initiatief bij een eventuele dijkdoorbraak geen overstromingsdiepte. De voorgenomen ontwikkeling is dan binnen de dijkring toelaatbaar. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 41 Hoofdstuk 6 Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken.
Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en de ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering en geur. 6.1 Bodem 6.1.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 6.1.2 Situatie plangebied Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v. heeft ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten en conclusies van dit onderzoek worden hierna behandeld. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoeksrapportage opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Op basis van de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat de grond licht verontreinigd is met Lood en PAK en het grondwater licht verontreinigd is met Barium en Naftaleen. Het is bekend dat in de bodem en in het grondwater zware metalen in fluctuerende gehalten kunnen voorkomen.
Zowel door natuurlijke bronnen als door menselijke activiteiten veroorzaakt (vermesting). De gehalten betreffen dan (natuurlijke) achtergrondwaarden. De verhoogde gehalten PAK in de grond worden (deels) waarschijnlijk veroorzaakt door antropogene bestanddelen (puin-/kooldeeltjes) en/of door microscopisch kleine deeltjes (bijv. roet). Het betreffen dan diffuus verspreide verontreinigingen. Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie geen bronlocatie aanwezig of aanwezig geweest, die een dergelijke verontreiniging met naftaleen veroorzaakt kan hebben. Mogelijk is de verontreiniging afkomstig van een bron elders. Gezien het slechts licht verhoogde gehalte is een nader onderzoek niet noodzakelijk. De hypothese “De gehele locatie is onverdacht” dient grotendeels aangenomen te worden. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er op grond van milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar voor het toekomstige gebruik van het terrein. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 42 6.1.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende ontwikkeling. 6.2 Geluid 6.2.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai.
De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbere iden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt . Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarden bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 6.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval wordt voor bestaande bebouwing toegestaan dat deze wordt gebruikt ten behoeve van woondoeleinden met nevenactiviteiten. Een woning wordt aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Hierna zal nader worden ingegaan op de aspecten industrielawaai, railverkeerslawaai en wegverkeerslawaai als bedoeld in de Wgh. 6.2.2.1 Industrielawaai en railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen industriële of gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Derhalve is het aspect industrielawaai buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 6.5 wordt nader ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. Railverkeerslawaai kan in dit geval tevens buiten beschouwing worden gelaten, aangezien de dichtstbijzijnde spoorweg op zeer ruime afstand is gelegen.
6.2.2.2 Wegverkeerslawaai Ingevolge de Wgh hebben alle wegen en zone waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (binnenstedelijk of buitenstedelijk). In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer bedraagt 48 dB. De omliggende infrastructuur betreft de Oppen Swolle ten zuiden van het plangebied en de Halleweg ten noorden en westen van het plangebied. Deze laatstgenoemde weg wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteit op deze weg is laag. De gevelbelasting als gevolg van deze weg – mede gelet op de afstand tot de weg – zal aanzienlijk lager zijn dan 48 dB. Ten aanzien van de Oppen Swolle bedraagt de afstand tot de monumentale boerderij ruim 200 meter. Gelet op deze grote afstand is aannemelijk NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 43 dat de geluidbelasting op de gevels gelijk of lager is dan de voorkeurswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. 6.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
6.3 Luchtkwaliteit 6.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de vo lgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 6.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 6.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 44 De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
6.3.2 Situatie plangebied In paragraaf 6.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van deze ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 6.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 6.4 Externe veiligheid 6.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing.
Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 45 Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 6.4.2 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 6.4.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project vanuit oogpunt externe veiligheid verantwoord is. 6.5 Milieuzonering 6.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds.
De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 46 toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
6.5.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. D irect naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied en aan te merken als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 6.5.3 Situatie plangebied 6.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking). NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 47 6.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Als gevolg van de woonfunctie is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Naast de woondoeleinden worden als nevenactiviteit overnachtingsmogelijkheden (bed & breakfast) en een theeschenkerij gerealiseerd.
Op basis van de VNG -uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn dergelijke activiteiten onder te brengen in milieucategorie 1 waarvoor een grootste richtafstand geldt van 10 meter. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning van derden bedraagt circa 28 meter, hiermee wordt voldaan aan de richtafstan den. 6.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In het plangebied wordt onder andere een milieugevoelig object (woning) toegestaan. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich nauwelijks milieubelastende functies, het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf bevindt zich op ruim 250 meter afstand van het plangebied. Bij agrarische bedrijven geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de volgende paragraaf nader op in gegaan. Voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt, indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten, een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid. Voor intensieve veehouderijen geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid.
Dichtstbijzijnd agrarisch bedrijf is gelegen op een afstand van ruim 250 meter en daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. De gewenste ontwikkeling brengt dan ook geen belemmeringen met zich mee. 6.5.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 6.6 Geur 6.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Op grond van de Wet geurhinder en NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 48 veehouderij (Wgv) dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin melkkoeien en/of vrouwelijk jongvee worden gehouden en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom een afstand van 100 meter en buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Voor de overige dieren welke binnen de inrichting worden gehouden, is in de Wet geurhinder en veehouderij een geurnorm opgenomen. Deze bedraagt voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 2 odour units per kubieke meter lucht. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom bedraagt deze 8 odour units per kubieke meter lucht.
De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 6.6.2 Geurverordening gemeente Steenwijkerland De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Steenwijkerland heeft op 1 1 maart 2014 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Steenwijkerland vastgesteld. Op basis van deze verordening geldt voor vaste afstandsdieren ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom een minimale afstand van 100 meter en voor geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 25 meter.
6.6.3 Situatie plangebied In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen het plangebied en het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf ruim 250 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstandseis en mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast brengt de ontwikkeling geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf met zich mee. Dit vanwege het feit dat er woningen van derden op kortere afstand gelegen zijn en hierdoor maatgevend zijn. 6.6.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 49 Hoofdstuk 7 Juridische opzet 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stel len. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 7.2.2 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels.
Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 50 • Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; • Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); • Nadere eisen: het recht van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan diverse aspecten; • Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels.
• Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; • Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden / Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk : omgevingsvergunningenstelsel. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele pl angebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. • Algemene bouwregels (Artikel 10) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. • Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. • Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. • Overige regels (Artikel 13) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van parkeren en laden/lossen opgenomen. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 51 7.2.5 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw - en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemm ingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 7.3.1 ‘Agrarisch met waarden’ (Artikel 3) Overeenkomstig het huidige planologisch regiem zijn de gronden ter plaatse van de te realiseren parkeerplaatsen bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. De aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – parkeren’ is toegevoegd om ter plaatse parkeerplaatsen mogelijk te maken. 7.3.1 ‘Landgoedschuur’ (Artikel 4) De meest noordelijke schuur en de gronden rondom zijn bestemd als ‘Landgoedschuur’. Gronden met deze bestemming zijn bestemt voor de landgoedschuur die voorziet in opslag van machines ten behoeve van het onderhoud en beheer van het landgoed. 7.3.2 ‘Tuin’ (Artikel 5) De gronden voor (en gedeeltelijk naast) de naar de weg gekeerde gevel van de monumentale boerderij krijgen overeenkomstig de andere woonerven in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland de bestemming ‘Tuin’. Gronden met deze bestemming zijn voornamelijk bestemd voor tuinen behorende bij op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen, parkeren en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.3.3 ‘Wonen - Buitengebied’ (Artikel 6) Het agrarisch bouwvlak wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen – Buitengebied’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen met daaraan ondergeschikt een Bed & Breakfast ter plaatse van de aanduiding ‘bed and breakfast’, een theeschenkerij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van horeca – dag-horeca’, tuinen, erven, NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 52 groenvoorzieningen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Teneinde verrommeling om de monumenten en karakteristieke panden tegen te gaan en belangrijke zichtlijnen intact te laten is de situering van de bijgebouwen vastgelegd door de aanduiding ‘bijgebouwen’. 7.3.4 ‘Waarde – Archeologie 2’ (Artikel 7) Overeenkomstig de situatie in het huidige bestemmingsplan is de bestemming ‘ Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Er zijn nadere bepalingen ten aanzien van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden.
7.3.5 ‘Waarde – Cultuurhistorie’ (Artikel 8) Monumentale bebouwing is vanuit de Monumentenwet beschermd en in voorliggend bestemmingsplan tevens voorzien van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – monument’. Behalve de panden zelf verdient ook de omgeving van monumenten en karakteristieke panden aandacht, aangezien ze voor een groot deel de belevingswaarde van die panden bepalen. Het plangebied is daarom voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. De voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorisch waardevolle karakteristieke bebouwing en de daaraan gerelateerde patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, stedenbouwkundig beeld). De karakteristieke verschijningsvorm van de landbouwschuur kenmerkt zich door een hoofdvolume met zadeldak met wolfseinden op de kopgevel en een aangebouwd volume met lessenaarsdak. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 53 Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan.
Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente voll edig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. Daarbij is de duurzame en rendabele exploitatie om het landgoed (en de monumentale bebouwing) in stand te houden vastgelegd in een overeenkomst. 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De gemeente hecht grote waarde aan (maatschappelijk) draagvlak voor ruimtelijke plannen. De initiatiefnemers hebben omwonenden, natuurmonumenten en buurtbewoners schriftelijk uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op donderdagavond 13 oktober 2016. Er is een presentielijst bijgehouden. Onder de genodigden waren een deel van de buren van Oppen Swolle en Halleweg, natuurmonumenten en de vleermuizenwerkgroep.
Daarnaast waren het stichtingsbestuur van De Oldenhof en de gemeente Steenwijkerland vertegenwoordigd. B+O Architectuur en Interieur uit Meppel heeft de presentatie gehouden. Het was een goedbezochte avond. Er zijn goede vragen gesteld en de algehele indruk is positief. NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 54 Hoofdstuk 9 Vooroverleg 9.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.2 Provincie Overijssel Indien dit van belang wordt geacht zal het plan worden voorgelegd aan de provincie Overijssel. 9.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is over het plan geïnformeerd middels de digitale watertoets via de website www.dewatertoets.nl. Uit de uitkomsten van de watertoets wordt geconcludeerd dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt. Nader vooroverleg met het waterschap kan dan ook achterwege blijven.
NL.IMRO.1708.VLHOPPENSWOLLE5BP-ON01 Bestemmingsplan “Oppen Swolle 5 te Vollenhove” 55 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Terreininrichtingstekening Bijlage 2 Watertoets – Geen waterschapsbelangen Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek bestemmingsplan Oppen Swolle 5 te Vollenhove Bijlage 1 Terreininrichtingstekening 4 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) K a d a s t r a l e e n a d r e s g e g e v e n s Bouwbedrijf Jongman Productieweg 4 8325 EZ Vollenhove Verbouw boerderij bij 'Den Oldenhof' Oppen Swolle 5 8325 PE Vollenhove V o o r o n t w e r p ; s i t u a t i e t e r r a s z o n e s / b e s t r a t i n g LS15127 V-00-B tl 594 x 420 mm 1:500 definitief maatvoering ed. bestaand in het werk te controleren 13-09-2016 14-09-2016 tl 07-10-2016 tl 10-10-2016 deg
bestemmingsplan Oppen Swolle 5 te Vollenhove Bijlage 2 Watertoetsresultaat 6 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) datum 31-5-2016 dossiercode 20160531-35-13076 Geachte M. de Gunst, U heeft een watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets wordt in uw plan geen waterschapsbelangen geraakt. U volgt de procedure geen waterschapsbelang. Dit houdt in dat u direct door kunt gaan met de planvorming van uw plan en onderstaande tekst kunt opnemen in het plan. waterparagraaf Geen Waterschapsbelang Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan Bestemmingsplan "Oppen Swolle 5 te Vollenhove". Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen waterschapsbelang. Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. _____________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegeneerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en u heeft verklaard alles naar waarheid te hebben ingevuld.
De WaterToets 2014 bestemmingsplan Oppen Swolle 5 te Vollenhove Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek 8 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv Postbus 74 Den Sliem 93 7140 AB Groenlo 7141 JG Groenlo TEL. 0544-474040 FAX. 0544-474049 Verkennend bodemonderzoek Oppen Swolle 5 te Vollenhove Opdrachtgever : BJZ Contactpersoon : Dhr. W. Bekke Adres : Twentepoort Oost 16a Postcode & plaats : 7609 RG Almelo Rapportnummer : MT.16304 Groenlo, 12 september 2016 Opgesteld: W. Egging Paraaf: Geautoriseerd: N. Looman Paraaf: Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem gebruikt worden voor het doel waarvoor het is vervaardigd. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v.
Rapportnummer: MT.16304 pagina 2 van 11 INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ----------------------------------------------------------------------------------------------------- 3 2 VOORINFORMATIE ---------------------------------------------------------------------------------------- 4 2.1 LOCATIESPECIFIEKE INFORMATIE ------------------------------------------------------------------------------------------- 4 2.2 OMGEVINGSGEGEVENS ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 5 2.3 GEOHYDROLOGISCHE GEGEVENS ------------------------------------------------------------------------------------------ 5 2.4 VOORGAANDE BODEMONDERZOEKEN -------------------------------------------------------------------------------------- 5 2.5 AFBAKENING LOCATIE VOOR BODEMONDERZOEK ------------------------------------------------------------------------ 5 3 VERWACHTINGSPATROON ---------------------------------------------------------------------------- 6 3.1 BODEMONDERZOEK ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- 6 3.2 ASBEST ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ 6 4 ONDERZOEKSOPZET ------------------------------------------------------------------------------------- 7 4.1 ALGEMEEN
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 7 4.2 BOOR- EN ANALYSEFREQUENTIE ------------------------------------------------------------------------------------------- 7 5 RESULTATEN ------------------------------------------------------------------------------------------------ 8 5.1 TOETSINGSKADER ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ 8 5.2 VERRICHTE WERKZAAMHEDEN ---------------------------------------------------------------------------------------------- 8 5.3 LOKALE BODEMOPBOUW ----------------------------------------------------------------------------------------------------- 8 5.4 ZINTUIGLIJKE WAARGENOMEN BIJZONDERHEDEN ------------------------------------------------------------------------ 8 5.5 METINGEN WATERMONSTERNAME ------------------------------------------------------------------------------------------ 9 5.6 SAMENSTELLING (MENG)MONSTERS EN CHEMISCHE ANALYSES-------------------------------------------------------- 9 5.7 ANALYSERESULTATEN ------------------------------------------------------------------------------------------------------- 9 5.8 INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ----------------------------------------------------------------------------------- 10 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
--------------------------------------------------------------- 11 6.1 ALGEMEEN ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 11 6.2 VERWACHTINGSPATROON ------------------------------------------------------------------------------------------------- 11 6.3 RESULTATEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 11 6.4 SLOTCONCLUSIE EN AANBEVELINGEN------------------------------------------------------------------------------------ 11 BIJLAGEN BIJLAGE 1a BIJLAGE 1b BIJLAGE 1c BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 Topografische kaart Kadastrale kaart met gegevens Situatietekening met monsternamepunten Boorbeschrijvingen Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Toetsingstabellen Projectfoto's Informatie vooronderzoek Onafhankelijkheidsverklaring Toegepaste normen Rapportnummer: MT.16304 pagina 3 van 11 1 INLEIDING In opdracht van BJZ heeft Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv op 23 augustus en 2 september 2016 een verkennend bodemonderzoek verricht ter plaatse van het perceel aan de Oppen Swolle 5 te Vollenhove (gemeente Steenwijkerland). De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 1.500 m 2.
In bijlage 1 zijn de topografische en de kadastrale kaart met de ligging en het overzicht van de locatie opgenomen. Aanleiding voor het bodemonderzoek is een bestemmingsplanwijziging. Doel van dit onderzoek is om de algemene bodemkwaliteit te bepalen ter plaatse van de onderzoekslocatie, waarmee bekeken kan worden in hoeverre deze bodemkwaliteit een belemmering kan vormen voor het beoogde gebruik en/of de voorgenomen ontwikkelingen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm 5740 (NEN 5740). Het vooronderzoek, dat parallel loopt aan deze norm, is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm 5725 (NEN 5725). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v. conform de beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000, veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek. Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v. is gecertificeerd en erkend voor het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek conform deze beoordelingsrichtlijn. Het toepassingsgebied van dit certificaat betreft de BRL-SIKB protocollen 2001, 2002 en 2018. De grond- en/of grondwateranalyses zijn uitgevoerd do or een RVA-gecertificeerd en door de overheid erkend laboratorium. Tussen Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v. en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie, die de onafhankelijkheid en de integriteit zouden beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren.
De onafhankelijkheidsverklaring van het uitgevoerde veldwerk is op genomen in bijlage 8. In het voorliggende rapport wordt verslag gedaan van het uitgevoerde bodemonderzoek. In hoofdstuk 2 is de locatie beschreven. Aan de hand van deze gegevens is in hoofdstuk 3 het verwachtingspatroon gedefinieerd omtrent de verontreinigingssituatie. Hoofdstuk 4 behandelt de onderzoeksopzet, terwijl in hoofdstuk 5 de veldwaarnemingen en de analyseresultaten kort samengevat zijn weergegeven. Ten slotte zijn in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen gedefinieerd. Rapportnummer: MT.16304 pagina 4 van 11 2 VOORINFORMATIE Voor aanvang van het bodemonderzoek zijn de (historische) gegevens, die relevant zijn voor het onderzoek, verzameld op basisniveau. Het vooronderzoek heeft plaatsgevonden op het onderhavige perceel en de aangrenzende terreinen (maximaal tot 50 meter afstand). Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: - informatie bodematlas - informatie van de gemeente - informatie van de opdrachtgever - locatie inspectie In bijlage 7 is de informatie van het vooronderzoek opgenomen. 2.1 Locatiespecifieke informatie De onderzoekslocatie is gelegen aan de Oppen Swolle 5 te Vollenhove (gemeente Steenwijkerland). De locatie is kadastraal bekend als gemeente Vollenhove, sectie L, nummer 408.