Eeserwold - Wonen.pdf
Tekst van het document
Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Groep LE (D) Totaal LE (A) 63 LE (A) 125 LE (A) 250 LE (A) 500 LE (A) 1k LE (A) 2k LE (A) 4k Eesveenseweg 112,08 78,13 87,27 92,60 100,12 106,47 102,62 95,73 Eesveenseweg 104,49 77,81 82,99 92,21 93,12 97,62 94,96 88,58 Eesveenseweg 112,08 78,13 87,27 92,60 100,12 106,47 102,62 95,73 21-6-2021 12:56:19 Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: Rho - Rotterdam Bijlage 1: ingevoerde weg (Eesveenseweg) Eeserwold Model: eerste model Groep: (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Groep LE (A) 8k LE (A) Totaal LE (N) 63 LE (N) 125 LE (N) 250 LE (N) 500 LE (N) 1k LE (N) 2k Eesveenseweg 84,72 109,00 71,82 81,32 86,61 93,86 100,28 96,46 Eesveenseweg 83,56 101,41 71,87 76,91 86,40 86,78 91,40 88,81 Eesveenseweg 84,72 109,00 71,82 81,32 86,61 93,86 100,28 96,46 21-6-2021 12:56:19 Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: Rho - Rotterdam Bijlage 1: ingevoerde weg (Eesveenseweg) Eeserwold Model: eerste model Groep: (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Groep LE (N) 4k LE (N) 8k LE (N) Totaal LE (P4) 63 LE (P4) 125 LE (P4) 250 LE (P4) 500 Eesveenseweg 89,58 78,59 102,81 -- -- -- -- Eesveenseweg 82,39 77,54 95,25 -- -- -- -- Eesveenseweg 89,58 78,59 102,81 -- -- -- -- 21-6-2021 12:56:19 Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: Rho - Rotterdam Bijlage 1: ingevoerde weg (Eesveenseweg) Eeserwold Model: eerste
model Groep: (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Groep LE (P4) 1k LE (P4) 2k LE (P4) 4k LE (P4) 8k LE (P4) Totaal Eesveenseweg -- -- -- -- -- Eesveenseweg -- -- -- -- -- Eesveenseweg -- -- -- -- -- 21-6-2021 12:56:19 Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: Rho - Rotterdam bestemmingsplan Eeserwold - Wonen Bijlage 6 Memo stikstofdepositie Bijlagen toelichting (ontwerp) 141 - MEMO In opdracht van Landgoed Woldberg B.V. is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase van woningbouw op Eeser buiten en Eeser landgoed in Steenwijk. In deze berekening is rekening gehouden met verkeersbe- wegingen en de inzet van diesel aangedreven materieel. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daar- van op Natura 2000 -gebieden. In het kader van het bestemmingsplan Eeser landgoed en Eeser buiten is het voorliggende onderzoek uitgevoerd. In Eeser landgoed en Eeser buiten is het momenteel planologisch mogelijk om in totaal 154 woningen (130 vrijstaande en 24 appartementen) en een hotel te realiseren.
De initiatiefnemer heeft de wens om 34 vrijstaande woningen en 3 appartemen- ten toe te voegen en de planologische mogelijkhed en voor het hotel te laten vervallen. Het toevoegen van de vrijstaande woningen en de appartementen dient te gebeuren in de twee deelgebieden in het oosten en westen van Eeser landgoed en buiten. In het westelijke deelgebied komen 15 vrijstaande woningen. In het oostelijk deelgebied komen 19 vrijstaande wo- ningen en 3 appartementen erbij. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking getreden. De Wsn en de Bsn regelt een vrijstelling voor de vergunningsplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Dit is de vergunningplicht voor Wnb-projecten. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor e ventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura -2000 gebieden. De Wsn en de Bsn regelt slechts indirect een vrijstelling voor de aanlegfase van Wnb-plannen en dus voor bestem- mingsplannen. Omdat de Wsn en Bsn slechts indirect een vrijstelling voor de aanlegfase van Wnb-plannen en bestemmings- plannen regelt, zou indien gewenst de aanlegfase toch in het kader van een goede ruimtelijke ordening kunnen worden meegenomen.
In het voorliggende onderzoek is de aanlegfase in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in de berekening. 2. AERIUS-CALCULATOR EN UITGANGSPUNTEN 2.1 AERIUS, release 20 januari 2022 Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 20 januari 2022) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000 -gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS -calculator is DATUM 31 januari 2022 KENMERK 20210758 VAN M. van Putten AAN -- CC -- PROJECT Steenwijk - Eeserwold OPDRACHTGEVER Landgoed De Woldberg B.V. STIKSTOFEMISSIE EN DEPOSITIE 1. INLEIDING 2/6 vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Het projectgebied ligt grotendeels op meer dan 5 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden Holtingerveld en De Wieden. 2.2 Exploitatiefase Voor het project wordt uitgegaan van een gasloze woningen. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen de woningen. Op basis van 34 grondgebonden vrijstaande woningen en 3 appartementen bedraagt het aantal ve rkeersbewegingen ten hoogste 301 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 381), zie tabel 1.
Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van een route vanaf de eerste splitsing in het p rojectgebied naar de aansluiting met de Eesveenseweg (N855). Tabel 1: Verkeersgeneratie exploitatiefase Woningtype Aantal woon- eenheden Kencijfer CROW per Verkeersgeneratie per etmaal Koop, vrijstaand 34 8,2 278,2 Koop, appartementen, duur 3 7,4 22,2 Totaal 300,4 Figuur 1 Plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden 3/6 2.3 Aanlegfase Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselgebruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: 1. Voor de aanlegfase wordt uitgegaan van 760 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan - en afvoer van materiaal en machines. Dit zijn 20 verkeersbewegingen per woning per jaar. Voor het vervoer van personeel zijn er 16 verkeersbewegingen per etmaal. 2. De aanlegfase van de woning valt te splitsen in de voorbereiding-/grondwerk en de bouwfase. Gedurende voorbereiding- /grondwerk vindt het bouw - en woonrijp maken plaats.
Het gaat hier om de aanleg van de funderingen, rioleringen, bekabeling, wegen, bestrating, straatmeubilair en groenvoorzieningen. Gedurende de bouwfase vindt de daadwerkelijke constructie van de woningen plaats. 3. In de berekening is ook het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd. In combinatie met SCR-technologie (selectieve katalystische reductie) zorg t dit voor reductie van de emissie van stikstofoxide (NO x). Het Adblue verbruik bedraagt ongeveer 5 liter per 100 liter diesel. In de berekening is het Adblue verbruik daarom op 5% van het dieselver- bruik gespecificeerd. In de berekening is het Adblue-verbruik daarom op 5% van het dieselverbruik gespecificeerd. Het Adblue-verbruik gedurende het voorbereiding-/grondwerk en de bouwfase bedraagt respectievelijk 360 en 120 liter voor de vrijstaande woningen in westelijk deelgebied.
Respectievelijk 456 en 152 liter voor de vrijstaande woningen in ooste- lijk deelgebied en respectievelijk 36 en 12 liter voor de vrijstaande woningen in westelijk deelgebied Tabel 2: uitgangspunten dieselverbruik materieel aanlegfase vrijstaande woningen westelijk deelgebied Tabel 3: uitgangspunten dieselverbruik materieel aanlegfase vrijstaande woningen oostelijk deelgebied Tabel 4: uitgangspunten dieselverbruik materieel aanlegfase appartementen oostelijk deelgebied activiteit klasse dieselverbruik [liter/uur] uren/dag aantal dagen/ woning totaal diesel- verbruik [liter] Appartementen (3 stuks) voorbereiding/grondwerk stage IV, 75-560 kW 15 8 2 720 bouwfase stage IV, 75-560 kW 10 8 1 240 Totaal 960 activiteit klasse dieselverbruik [liter/uur] uren/dag aantal dagen/ woning totaal diesel- verbruik [liter] Grondgebonden eengezinswoningen (15 stuks) voorbereiding/grondwerk stage IV, 75-560 kW 20 8 3 7.200 bouwfase stage IV, 75-560 kW 10 8 2 2.400 Totaal 9.600 activiteit klasse dieselverbruik [liter/uur] uren/dag aantal dagen/ woning totaal diesel- verbruik [liter] Grondgebonden eengezinswoningen (19 stuks) voorbereiding/grondwerk stage IV, 75-560 kW 20 8 3 9.120 bouwfase stage IV, 75-560 kW 10 8 2 3.040 Totaal 12.800 4/6 Omdat het materieel verspreid over het bouwterrein wordt ingezet is de emissie ingevoerd als vlakbron in het projectgebied. 3.
RESULTATEN EN CONCLUSIE In het bijgevoegde PDF -bestand van de berekening van de exploitatiefase (bijlage 1), is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuur-bescherming (Wnb). De aanlegfase is in een aparte berekening meegenomen omdat de huidige release van AERIUS geen mogelijkheid biedt om de aanlegfase samen met de exploitatiefase als pdf te exporteren. In de berekening is de aanlegfase worst -case ingevoerd onder de beoogde situatie. Uit de berekening van de depositie blijkt dat er alleen in aanlegperiode een overschrijding is van 0,01 mol N/ha/jr (bijlage 2). In deze tijdelijke fase bedraagt de hoogst berekende (indicatief) depositie 0,01 mol/ha/jaar. Op de website van BIJ12 staat hierover het volgende: “In de aanlegfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. In een voortoets kan onderbouwd worden dat kleine, tijdelijke deposities van tijdelijk e bronnen binnen het project op zichzelf en in cumulatie, op voorhand niet kunnen leiden tot significant negatiev e effecten.
Hierbij kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplicht is voor het aspect stikstofdepositie. In beginsel geldt deze lijn voor alle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase, in de praktijk zal dit met name mobiele werktuigen en de aan -/afvoer van materiaal en materieel betreffen. Indien de stikstofde- positie in de aanlegfase groter is dan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar of er is sprake van een depositiebijdrage in de gebruiksfase op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000 -gebied, dan kan wel sprake zijn van een ver- gunningplicht op het gebied van stikstof.” Omdat het zwaartepunt van de realisatie/aanleg plaatsvindt binnen een periode van 1-2 jaar en binnen de aangegeven uit- gangspunten voor wat betreft verkeer en dieselverbruik kan worden gewerkt, is er sprake van een tijdelijke situatie met en depositie niet hoger dan 0,05 mol/ha/jaar en kan bij deze beoordelingsrichtlijn worden aangesloten. 5/6 Bijlage 1 exploitatiefase Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator.
De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof. Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers Projectberekening Contactgegevens Rechtspersoon Rho Adviseurs Inrichtingslocatie -, - - Activiteit Omschrijving Eeserwold - Wonen Toelichting Realisatie woningen Berekening AERIUS kenmerk RfK72yWRnf23 Datum berekening 01 februari 2022, 10:26 Rekenconguratie Wnb-rekengrid Totale emissie Rekenjaar Emissie NH3 Emissie NOx Situatie 1 - Beoogd 2022 < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j Resultaten Hoogste depositie Hexagon Gebied Situatie 1 - Beoogd - Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j Projectberekening 2/6RfK72yWRnf23 (01 februari 2022) Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen Emissie NH3 Emissie NOx 1 Wonen en Werken |
Woningen | westelelijk deelgebied - - 3 Wonen en Werken | Woningen | Oostedelijk deelgebied - - Verkeersnetwerk < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j Projectberekening 3/6RfK72yWRnf23 (01 februari 2022) Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald 500 m Projectberekening 4/6RfK72yWRnf23 (01 februari 2022) Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl.
saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd) Hoogste totale depositie (mol/ha/jr) Met toename (ha gekarteerd) Grootste toename (mol/ha/jr) Met afname (ha gekarteerd) Grootste afname (mol/ha/jr) Totaal 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 Projectberekening 5/6RfK72yWRnf23 (01 februari 2022) Situatie 1, Rekenjaar 2022 1 Wonen en Werken | Woningen Naam westelelijk deelgebied Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie Uittreedhoogte 1,0 m Warmteinhoud 0,000 MW 3 Wonen en Werken | Woningen Naam Oostedelijk deelgebied Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie Uittreedhoogte 1,0 m Warmteinhoud 0,000 MW Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.2_20220128_2eee9c6138 Database versie 2021_2eee9c6138 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/ Projectberekening 6/6RfK72yWRnf23 (01 februari 2022) 6/6 Bijlage 2 aanlegfase Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof. Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer.
Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers Projectberekening Contactgegevens Rechtspersoon Rho Adviseurs Inrichtingslocatie -, - - Activiteit Omschrijving Eeserwold - Wonen Toelichting Realisatie woningen Berekening AERIUS kenmerk S1v5n3yfKoSn Datum berekening 01 februari 2022, 10:58 Rekenconguratie Wnb-rekengrid Totale emissie Rekenjaar Emissie NH3 Emissie NOx Aanlegfase - Beoogd 2022 < 0,1 ton/j 0,2 ton/j Resultaten Hoogste depositie Hexagon Gebied Aanlegfase - Beoogd 2.273,17 mol/ha/j 7023809 Drents-Friese Wold & Leggelderveld Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 606,60 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,01 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j Projectberekening 2/7S1v5n3yfKoSn (01 februari 2022) Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen Emissie NH3 Emissie NOx 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoenwinning | westelijk deelgebied < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j 3 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoenwinning | Oostelijk deelgebied < 0,1 ton/j 0,1 ton/j Verkeersnetwerk < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j Projectberekening 3/7S1v5n3yfKoSn (01 februari 2022) Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald 2 km Projectberekening 4/7S1v5n3yfKoSn (01 februari 2022) Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd) Hoogste totale depositie (mol/ha/jr) Met toename (ha gekarteerd) Grootste toename (mol/ha/jr) Met afname (ha gekarteerd) Grootste afname (mol/ha/jr) Totaal 606,60 2.273,17 606,60 0,01 0,00 0,00 Per gebied Berekend (ha gekarteerd) Hoogste totale depositie (mol/ha/jr) Met toename (ha gekarteerd) Grootste toename (mol/ha/jr) Met afname (ha gekarteerd) Grootste afname (mol/ha/jr) Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27) 423,86 2.273,17 423,86 0,01 0,00 0,00 Holtingerveld (29) 182,65 1.979,60 182,65 0,01 0,00 0,00 De Wieden (35) 0,10 1.657,98 0,10 0,01 0,00 0,00 Projectberekening 5/7S1v5n3yfKoSn (01 februari 2022) Aanlegfase, Rekenjaar 2022 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoenwinning Naam westelijk deelgebied Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie Uittreedhoogte 1,0 m Warmteinhoud 0,000 MW NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j Naam Stageklasse Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik Stof Emissie Voorbereiding /grondwerk Stage-V, >=
2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 7200 l/j 360 u/j 360 l/j NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j Bouwfase Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 2400 l/j 240 u/j 120 l/j NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j 3 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoenwinning Naam Oostelijk deelgebied Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie Uittreedhoogte 1,0 m Warmteinhoud 0,000 MW NOx 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j Naam Stageklasse Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik Stof Emissie Voorbereiding /grondwerk Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 9120 l/j 456 u/j 456 l/j NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j Bouwfase Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 3040 l/j 304 u/j 152 l/j NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j Voorbereiding /grondwerk appartementen Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 720 l/j 48 u/j 36 l/j NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j bouwfase appartementen Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 240 l/j 24 u/j 12 l/j NOx < 0,1 ton/j NH3 < 0,1 ton/j Projectberekening 6/7S1v5n3yfKoSn (01 februari 2022) Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie.
Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.2_20220128_2eee9c6138 Database versie 2021_2eee9c6138 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/ Projectberekening 7/7S1v5n3yfKoSn (01 februari 2022) bestemmingsplan Eeserwold - Wonen Bijlage 7 Ecologisch onderzoek Bijlagen toelichting (ontwerp) 161 Quickscan natuurwaardenonderzoek Bouw woningen Landgoedallee & Buitensingel te Steenwijk Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 1 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Bouw Landgoedallee & Buitensingel te Steenwijk Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700 Opdrachtgever: Hoveniersbedrijf Dijk BV Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna Projectnummer en versie: 3429A versie 1.0 Status: definitief Ligging plangebied: Landgoedallee (ongenummerd) & Buitensingel (ongenummerd) te Steenwijk
Rapportdatum: 17-6-2021
2 Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Het plangebied ......................................................................................................................... 5 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3 Voorgenomen activiteiten ........................................................................................................ 6 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................
6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 6 Hoofdstuk 4 Toetsingskaders ........................................................................................................................ 7 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 7 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 7 4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ........................................................................... 8 Hoofdstuk 5 Gebiedsbescherming ................................................................................................................ 9 5.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 5.2 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................................
9 5.3 Natura 2000 ............................................................................................................................................ 10 5.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 6 Soortenbescherming .............................................................................................................. 13 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 13 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 13 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 15 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................... 17 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 19 6.6 Volledigheid van het onderzoek .............................................................................................................
19 Hoofdstuk 7 Conclusies ............................................................................................................................... 20 3 SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor het bouwen van woningen gesitueerd in het landgoed allee (ongenummerd) en gedeeltelijk in Hooilanden (ongenummerd) te Steenwijk. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uit gevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 21 mei 2021 on derzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust - en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natur a 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 -gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en het feit dat er sprake is van omzetting van agrarische cultuurgrond naar woningbouw, is het niet aannemelijk dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inri chting van het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk beze tten beschermde grondgebonden zoogdier en er een vaste rust - en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De hoogte van de vegetatie in het broedseizoen, bepaalt in grote mate de geschiktheid van het terrein als broedbiotoop voor vogels. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en am fibieën die een (winter)rust - en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige diersoorten af. Echter leidt dit niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties samengevat: • Percelen bouwrijp maken buiten voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde dieren (opzettelijk) doden; 4 HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen voor het bouwen van woningen aan de Landgoedallee en Buitensingel te Steenwijk.
Omdat overtreding van de wet - en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresent eerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te v oorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc. 5 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Landgoedallee en Buitensingel te Steenwijk. Het plangebied ligt circa 1 kilometer ten noordoosten van de woonker n van Steenwijk. Het plangebied wordt omgeven door landelijk gebied.
Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl). 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden (deelgebied oost & deelgebied west). Deelgebied west bestaat grotendeels uit uit braakland met een korte grazige vegetatie. Deelgebied oost bestaat deels uit grasland, en deels uit verruigd gras land en ruigte met plaatselijk natuurlijke jonge opslag van bomen . In beide deelgebieden ontbreekt bebouwing en hoge o pgaande beplanting. Ten zuiden en ten zuidoosten van de deelgebieden ligt het Eesermeer. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing va n het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage. Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
6 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om beide deelgebieden bouwrijp te maken , te verharden en te bebouwen met woningen. Tijdens het schrijven van dit onderzoek is er geen verbeelding van het wenselijk eindbeeld beschikbaar. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woningen; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust - en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksg ebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer.
De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het p langebied aan braakland, grasland en enkele houtsingels (ten zuiden voor beide deelgebieden). Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden buiten het plangebied negatief beïnvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied. 7 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt.
4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogel richtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben , zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. I n dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild le vende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen v an dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied o pzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of 8 • onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B , bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werke n volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig. 4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks -, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schade lijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende prov inciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel 9 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit en op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd).
De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. D e mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel . Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 860 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. 10 Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de lichtgroene kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties Uitvoering van de voorgenomen plannen leidt niet tot wettelijke cons equenties in het kader van gebiedsbescherming, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn.
Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuu rgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000 -gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en project en, op zichzelf óf in combinatie met andere 860 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot het NNN behoren 11 plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘v oortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het opschorten van de PAS -systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000 -gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,02 kilometer afstand van Natura 2000 -gebied Holtingerveld en 4,49 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied De Wieden. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura 2000 -gebied in de omgeving van het plangebied.
De ligging van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele, lichtgroene en lichtblauwe kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 -gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000, kan een negatief effect op kwalificerende soorten en habitats, zoals optische verstoring, geluid, trillingen e.d. uitgesloten worden. Vooral de aard van de werkzaamheden en de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied zorgen er voor dat de uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet leidt tot een negatief effect.
4,02 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren 12 Beoordeling Stikstof Niet alle habitattypen in Natura 2000 -gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar de Natura 2000-gebieden Holtingerveld en De Wieden bestaan voor een groot deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Ook in de gebr uiksfase neemt het aantal vervoersbeweginge n van en naar het plangebied toe. Daarentegen worde n de agrarische gr onden die nu benut worden t.b.v. woningbouw uit agrarisch gebruik gehaald en wordt de grond ni et meer zo intensief bemest en b ewerkt. Deze afname is min of meer onomkeerbaar. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en het feit dat er sprake is van omzetting van agrarische cultuurgrond naar woningbouw, is het niet aannemelijk dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000 -gebied. Nader onderzoek, zoal s een stikstof berekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Wettelijke consequenties Voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en het feit dat er sprake is van omzetting van agrarische cultuurgrond naar woningbouw, is het niet aannemelijk dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. 13 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen ve ldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied is gesitueerd in het landgoed allee (ongenummerd) en gedeeltelijk in Hooilanden (ongenummerd) te Steenwijk. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten.
Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag - en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze s oorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 21 mei 2021 tijdens de daglichtperiode bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapp ort opgenomen afbeeldingen gemaakt.
De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; • NDFF; 14 Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Veel vogels vertonen territorium-indicerend gedrag en sommige vogels hebben een bezet nest of zelfs al uitgevlogen jongen in deze tijd van het jaar. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen hebben de winterverblijfplaats verlaten en bezetten de zomerverblijfplaatsen. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren.
Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (kamsalamander, gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Soorten als ‘groene kikker’ en rugstreeppad moeten nog beginnen aan de voortplanting. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 15 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied (beide deelgebieden) vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Deelgebied west Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied.
Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in het braakland en ruigte. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn scholekster , kievit, graspi eper, gele kwikstaart, rietzanger, rietgor s en mogelijk kwartel. Gebouwbewonende soorten als, huismus, zwaluwen en kerkuilen ontbreken. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels of uilen in de ruigte nestelen. Als gevolg van het bouwrijp maken en het b ebouwen en verharden van het plangebied tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. Door het inrichten van het plangebied als woningbouwlocatie, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogelsoorten aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Vegetatie maaien tijdens de voortplantingsperiode; - Bebouwen en verharden plangebied tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene - en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als dwergmuis, aardmuis, veldmuis, bosmuis, vos, haas en ree.
Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten s oorten als dwergmuis, aardmuis en veldmuis er een vaste rust - en voortplantingsplaats. Deze soorten bezetten een vaste rust- of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en in de dichte vegetatie (dwergmuis). Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van otter, bever of hermelijn beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Door het inrichten van het plangebied als woningbouwlocatie, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige grondgebonden zoogdieren aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Maaien vegetatie; - Uitvoeren grondverzet; - Bebouwen en verharden plangebied; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een vaste rust - of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Potentiële vaste rust - of voortplantingsplaatsen, zoals gebouwen, andere bouwwerken en holenbomen ontbreken in het plangebied.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis versto ord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. 16 Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foer ageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten beschouwd. Gelet op de inrichting en de oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfp laats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.