CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Eeserwold Werken_Bijlagen bij de toelichting.pdf

Politieke Markt 11 oktober 2022, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen ontwerpbestemmingsplan Eeserwold Werken116.590 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 11

Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen. Door de afstand van meer dan 8 km van het plangebied ten opzichte Natura 2000-gebied de Weeribben kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. (Significant) negatieve effecten als gevolg van een toename in stikstofd epositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitatsoorten in de Weeribben zijn op voorhand uit te sluiten. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 29 - 16 maart 2015 Geluid en trillingen De aangewezen habitatsoorten die gevoelig zijn voor onderwatergeluid zijn de vissen; grote modderkruiper, kleine modd erkruiper, rivierdonderpad, bittervoorn en de meervleermuis. De werkzaamheden vinden op land plaats en niet in het water. Mogelijk kunnen de trillingen en/of geluid afkomstig van heimachines en het vrachtverkeer zich voortplanten van het land naar het water. Echter is de afstand tussen het plangebied en de Weeribben meer dan 8 km waardoor het niet realistisch is om te denken dat de zeer lokale heiactiviteiten en verkeersbewegingen effect hebben op habitatsoorten in de Wieden. Daarnaast wordt er overdag gewe rkt waardoor effecten op de meervleermuis die ’s nachts actief is, uitgesloten.

Doordat de Weeribben op een afstand van meer dan 8 km van het plangebied ligt, is er geen sprake van een geluidstoename in de Weeribben en treden er geen (significante) effect en op de beschermde vissen en de meervleermuis. Significante effecten als gevolg van een toename in geluid en trillingen op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitatsoorten in de Weeribben zijn uitgesloten. 6.2.3 Broedvogels Stikstofdepositie De aangewezen broedvogelsoorten roerdomp, watersnip en zwarte stern in het Natura 2000-gebied de Weeribben zijn gevoelig voor stikstofdepositie (effectenindicator, 2015). Dit hangt voor al deze soorten af van de status van het leefgebied; de roerdomp komt voor in rietlanden en door stikstofdepositie kan rietland verrijken waardoor er opslag van ruigtes en bomen ontstaat waardoor zijn habitat ongeschikt wordt. Voor de watersnip en zwarte stern geldt dat hij voornamelijk in open, nat gebied voorkomt, waardoor de successie van het gebied ook beperkt moet zijn. Voor de zwarte stern geldt daarnaast dat de waterkwaliteit (zichtjager) goed moet zijn. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens de b ouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase.

Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen. Door de afstand van meer dan 8 km van het plangebied ten opzichte Natura 2000-gebied de Weeribben kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. (Significant) negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van de niet -broedvogelsoorten in de Weeribben zijn uitgesloten. Geluid en trillingen De aangewezen broedvogels zijn niet gevoelig zijn voor verstoring door geluid en/of trillingen. En daarnaast ligt het plangebied op meer dan 8 km afstand van de Weeribben, waardoor effecten uitgesloten kunnen worden. (Significant) negatieve effecten op de aangewezen broedvogelsoorten als gevolg van geluidsverstoring en trillingen zijn uitgesloten. 6.3 Effectbeoordeling Holtingerveld De mogelijke effecten op Natura 2000 - gebied Holtingerveld worden hieronder per soortgroep of habitat beschreven. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 30 - 16 maart 2015 6.3.1 Habitatttypen Stikstofdepositie Vooral de habitattypen zure vennen, vochtige heide, droge heide, heischrale graslanden en binnenlandse kraaihei begroei ingen zijn gevoelig voor stikstofdepositie (effectenindicator, 2015).

De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrach tverkeer tijdens de gebruiksfase. Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen. Door de afstand van meer dan 4 km van het plangebied ten opzichte Natura 2000 -gebied de Hol tingerveld kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. Significante effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitattypen in Holtingerveld zijn op voorhand uit te sluiten. Geluid en trillingen Deze storingsfactor is niet van toepassing op habitattypen. Er treden geen (significant) negatieve effecten op. 6.3.2 Habitatsoorten Stikstofdepositie Allebei de habitatsoorten: kamsalamander en gevlekte witsnuitlibel zijn gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie. Beide soorten hebben een zeer lokale verspreiding. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase.

Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen. Door de afstand van meer da n 4 km v an het plangebied ten opzichte N atura 2000-gebied Holtingerveld kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. (Significant) negatieve effecten als gevolg van een toename in stiksto fdepositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitatsoorten in Holtingerveld zijn op voorhand uit te sluiten. Geluid en trillingen Het is onbekend of de kamsalamander en gevlekte witsnuitlibel gevoelig zijn voor verstoring door geluid en trillingen. De werkzaamheden vinden op land plaats en niet in het water. Mogelijk kunnen de trillingen en/of geluid afkomstig van heimachines en het vrachtverkeer zich voortplanten van het land naar het water. Echter is de afstand tussen het plangebied en Holtinger veld meer dan 4 km waardoor het niet realistisch is om te denken dat de zeer lokale heiactiviteiten en verkeersbewegingen effect hebben op de zeer lokaal verspreide habitatsoorten in Holtingerveld. Doordat Holtingerveld op een afstand van meer dan 4 km van het plangebied ligt, is er geen sprake van een geluidstoename in Holtingerveld en treden er geen (significante) effecten op de kamsalamander en gevlekte witsnuitlibel.

Significante effecten als gevolg van een toename in geluid en trillingen op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitatsoorten in Holtingerveld zijn uitgesloten. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 31 - 16 maart 2015 7 TOETSING VOORMALIGE EHS; NATUURNETWERK NEDERLAND Direct grenzend aan het plangebied ligt de (robuuste) verbindingzone langs de Steenwijker Aa die deel uitmaakt van de provinc iale ecologische hoofdstructuur, nu Natuurnetwerk Nederland genoemd (NNN). Het plan Eeserwold heeft geen doorsnijding van natuurgebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, zie Figuur 3.2. De Steenwijker Aa zelf is aangew ezen als KRW water en de waarden hiervan zullen in stand gehouden moeten worden. Het plan Eeserwold heeft op de kwaliteit en de natuurwaarden van de Steenwijker Aa geen effect doordat er geen verontreiniging plaats vindt en daarnaast heeft de bouw van huiz en en bedrijfscomplexen geen invloed op de natuurwaarden van de Steenwijker Aa. De bouwwerkzaamheden zijn zeer lokaal en tijdelijk. Tijdens de gebruiksfase zal er wel een toename zijn van de recreatiedruk langs de Steenwijker Aa, maar dit heeft geen invloed op de waarden van de Steenwijker Aa als KRW waterlichaam. Op dit moment draagt de status ‘Tijdelijke natuur’ van het plangebied bij aan de versterking van het Natuurnetwerk Nederland, dat zal straks verdwijnen.

Conclusie: Wanneer er straks een deel van het project Eeserwold weer verder in uitvoering gaat dan zijn er geen belemmeringen vanuit het Natuurnetwerk Nederland omdat er geen doorsnijding of habitatverlies plaatsvindt en er daarmee geen wezenlijke kenmerken en waarden worden aangetast. Figuur 7.1. Robuuste ecologische verbindingzone met nevengeul langs de Steenwijker Aa

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 32 - 16 maart 2015 8 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 8.1 Conclusie voortoets  Significante effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitattypen, habitatsoorten, broedvogel en niet- broedvogels in de Wieden, de Weeribben en het Holtingerveld zijn op voorhand uit te sluiten.  Significante effecten als gevolg van een toename in geluid en trillingen op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen, habitatsoorten, broedvogel en niet-broedvogels in de Wieden, de Weeribben en het Holtingerveld zijn op voorhand uit te sluiten.  Een Natuurbeschermingswetvergunning aanvraag en nadere onderbouwing via een passende beoordeling is niet aan de orde. 8.2 Conclusie quickscan Flora- en faunawet Voor alle aangetroffen soorten geldt dat er in het kader van de Tijdelijke natuur al een ontheffing aanwezig is voor de Flora - en faunawet. Echter blijft de zorgplicht van krach t ondanks dat deze ontheffing aanwezig is. Aan de zorgplicht kan bijvoorbeeld worden voldaan door te werken volgens één van de door de Minister van EL&I goedgekeurde gedragscodes, zie ook hoofdstuk 9, mitigatie.

 Beschermde vaatplanten worden verwacht in he t plangebied; er zal gericht veldonderzoek plaats moeten vinden om de locaties van de beschermde vaatplanten goed in kaart te brengen om zo de zorgplicht goed uit te kunnen voeren.  Er worden broedvogels verwacht in het plangebied. Overtreding van de Ff -wet wordt voorkomen door buiten het broedseizoen te werken of door ruim voor het broedseizoen (in januari) het plangebied ongeschikt te maken, in het kader van de zorgplicht.  Er worden vleermuizen verwacht in het plangebied die mogelijk gebruik maken van het gebied als foerageergebied en vliegroute. Doordat er voldoende alternatieven zijn in de directe omgeving van het plangebied voor foerageergebieden en vliegroutes, kunnen effecten uitgesloten worden. De zwaar beschermde otter en andere meer algemene zoogdi eren komen voor in het plangebied. Voor de otter geldt dat hij vooral voor komt in de Steenwijker Aa en de directe omgeving hiervan waardoor er faunabuizen aangelegd moeten worden onder wegen die straks worden aangelegd en grenzen aan de Steenwijker Aa, of er vlakbij liggen, in het kader van de zorgplicht.  De zwaar beschermde rugstreeppad en andere meer algemene amfibieën worden verwacht in het plangebied. Om de zorgplicht op de rugstreeppad goed toe te passen wordt vervolgonderzoek aanbevolen.

 Er komen geen reptielen voor het in het plangebied waardoor effecten op reptielen op voorhand uitgesloten worden.  Er komen beschermde vissoorten voor in het plangebied en er is voldoende alternatief leefgebied beschikbaar wanneer het project Eeserwold straks verder uitgevoerd wordt. Door in het kader van de zorgplicht de vissen voor het dempen van de watergangen weg te vangen en te verplaatsen naar het alternatieve zeer geschikte leefgebied, worden effecten voorkomen.  Er komen geen beschermde insecten voor waardoor ef fecten uitgesloten kunnen worden. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 33 - 16 maart 2015 8.3 Conclusie toetsing voormalige EHS: NNN Er zijn geen belemmeringen vanuit het Natuurnetwerk Nederland wanneer straks het project Eeserwold weer verder in uitvoering gaat omdat er geen doorsnijding plaatsvindt en er daarmee geen wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland worden aangetast. Er hoeft hiervoor geen actie ondernomen te worden als straks de uitvoering weer start. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 34 - 16 maart 2015 9 MITIGATIE Beschermde vaatplanten Om onopzettelijke vernietiging van (spontaan g ekiemde) beschermde vaatplanten te voorkomen, moet begin juni het plangebied geïnventariseerd worden op beschermde vaatplanten.

Gevonden beschermde vaatplanten worden gemarkeerd en wanneer de groeiplaats niet ontzien kan worden door de geplande werkzaamhed en, worden de planten met een diepe grondkluit overgeplaatst naar een vergelijkbare plaats waar ze niet in de weg staan. Broedvogels  start het bouwrijp maken, het kaal maken van het terrein, voor de aanvang van het nieuwe broedseizoen, vòòr half februari. Wilde eenden en grauwe ganzen beginnen rond half februari met de eileg. Door het kaal maken van het terrein worden broedgevallen voorkomen of de werkzaamheden moeten in februari starten en continue doorgaan;  verjaag potentiële broedparen door het plaatse n van vogelverschrikkers, zoals stevige hoge palen met zwarte, ritselende plastic zakken. Deze vogelverschrikkers moeten in voldoende hoge aantallen in het plangebied worden neergezet en intact aanwezig blijven tot het broedseizoen voor betrokken vogels (weide- en akkervogels en broedvogels van slootoevers) voorbij is. Wilde eenden, scholeksters en kieviten zijn half juli klaar met broeden, maar meerkoeten en witte kwikstaarten broeden meerdere malen, tot in augustus. Dit vergt regelmatige controle en reparatie, zeker op plaatsen waar veel wind is.

Rugstreeppad Vlak voordat er een gebied bouwrijp gemaakt gaat worden wordt aanbevolen het volgende te doen: ● het opsporen, vangen en verplaatsen van dieren die zich verplaatsen van winterhabitat (vergraafbare grond) naar potentiele voortplantingswateren (ondiepe plassen) onder begeleiding van een deskundige, in de periode maart tot en met mei en voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd.  het uitleggen en iedere ochtend controleren van vochtige dakpannen, waar de dieren onder kruipen en waar de dieren relatief makkelijk (overdag) onder vandaan gehaald kunnen worden. In een droge periode worden de dakpannen extra vochtig gehouden. Verspreid door het gebied worden deze dakpannen neergelegd, op plekken waar amfibieën w orden verwacht. het aantal uit te leggen en te controleren dakpannen is afhankelijk van de grootte van het leeg te vangen gebied, maar bedraagt minstens 20 dakpannen.  de gevangen dieren moeten naar de poelen langs de Steenwijker Aa worden overgebracht ( De directe omgeving van de poel is ook geschikt als foerageergebied en winterbiotoop). ● het opsporen en verplaatsen van ei-snoeren die toch door padden in de rivier of in ontstane plasjes zijn afgezet. De snoeren in een bak met gebiedseigen water verzamelen en deze verspreid in de compensatiepoel uitzetten.

Voor het zoeken en verzamelen van eisnoeren en het vervolgens verplaatsen naar een geschikt water is ontheffing van artikel 12 noodzakelijk. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 35 - 16 maart 2015 Otter Onderhouden van het hek tussen het zanddepot en de Ste enwijker Aa. Aanleg van een faunabuis en otter werende rasters onder de nog aan te leggen wegen van het project Eeserwold die grenzen aan de Steenwijker Aa, of daar vlakbij liggen. Vissen  Bij de planning van de werkzaamheden aan de sloten wordt rekening gehouden met de levenscyclus van de beschermde vissen. Verstoring in de meest kwetsbare periode moet voorkomen worden. De meest kwetsbare periodes zijn de overwintering periode tijdens zeer koud weer (vorst of luchttemperaturen beneden de 5º C) en de voortplantingsperiode. Een deskundig ecoloog (zie figuur 9. 1 Checklist deskundige) met de benodigde vergunningen en een groot fijnmazig (RAVON) -net of draagbare elektrische visapparatuur (bijvoorbeeld type ‘de Fuut’, 350V/100W) vist de te dempen slootdelen leeg. Bij het elektrische leegvissen gebeurt dit met zeer zwakke stroom. Dan zwemmen alle vissen naar het stroom geleidende net (waaraan de kathode is gekoppeld) toe.

Bij te sterke stroom blijven vooral de modderkru ipers (en andere vissoorten met kleine zwemblazen, zoals paling) verdoofd in de modder achter, waardoor ze niet weggevangen kunnen worden. Het viswerk moet systematisch plaatsvinden; van de ene zijde naar de andere. Liefst wordt de elektrische bemonstering nog een keer herhaald door wat dieper in de modder te vissen. Figuur 9.1. Checklist deskundige.  De gevangen dieren worden overgezet naar de nevengeul van de Steenwijker Aa.  Er wordt nooit met meerdere machines naar elkaar toegewerkt, er wordt één kant op gewerkt.  Wanneer de sloot na afvissen is leeggepompt wordt de bagger op de kant gezet en gecontroleerd door een deskundig ecoloog  De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundig ecoloog.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 36 - 16 maart 2015 Figuur 9.2. Status realisatie Eeserwold januari 2015. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 37 - 16 maart 2015 BRONNEN  Ecologie Eesveense Hooilanden, 2002,C.S. Holsteijn, Royal Haskoning  Effectenindicator, 2015, Synbiosys, Ministerie van Economische Zaken  Flora en Fauna Eeserwold, 2004, Royal Haskoning, C.S. van Holsteijn, concept, M1709.A7  Geel Schorpioenmos, 2008, van Tweel, Naturalis  Natuuronderzoek Eesveense Hooilanden Steenwijk, 2003 Felix en Boonman, Bureau Natuurbalans  Nota van uitgangspunten bestemmingsplanherziening Eeserwold, concept  Zelf aan de slag met tijdelijke natuur, 2011, innovatienetwerk Internetsites http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1 http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx http://www.Overijssel.nl/thema%27s/natuur-en-landschap/projecten/ecologische/ http://www.destentor.nl/regio/steenwijkerland/ecozone-eeserwold-bewoond-1.3559904 http://www.zoogdiervereniging.nl/de-otter-lutra-lutra http://www.ravon.nl www.sovon.nl www.telmee.nl Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport 16 maart 2015 Bijlage 1 Flora en fauna Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 2 - 16 maart 2015 Flora- en faunawet Verbodsbepalingen De belangrijkste

voor, ruimtelijke ontwikkeling en ingrepen relevante verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet zijn weergegeven in tabel 1. Artikel 2 (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, evenals voor hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover dat in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Artikel 8 Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Artikel 9 Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Artikel 10 Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11 Het is verboden nesten, holen of andere voortplanting - of vaste rust - of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoo rt, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Artikel 12 Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen. Artikel 13 Het is verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort …, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin …, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben. Beoordelingskader Flora- en faunawet Indien er beschermde soorten van de tabellen 2 of 3 aanwezig zijn in het plangebied en de activiteiten een mogelijk negatief effect hebben op de gunstige staat van instandhouding, dient te worden vastgesteld of het project kan worden uitgevoerd. Als daarbij een overtreding van de Flora - en faunawet wordt voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen is er geen ontheffing ex. Art. 75c nodig.

Kan er ondanks het treffen van voorzorgsmaatregelen niet worden uitgesloten dat er effecten op de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten optreden, dan zijn er verschillende vervolgstappen mogelijk. Deze zijn afhankelijk van de ‘zwaarte’ van de te beschermen soort, de impact van het initiatief op de staat van instandhouding en de evt. aanwezigheid van een goedgekeurde gedragscode. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 3 - 16 maart 2015 Indien de uitkomst is dat er een ontheffing nodig is, dan is een belangrijk beoordelingscriterium in hoeverre de ‘functionaliteit’ voor een specifieke soort intact blijft. Vogels nemen een bijzondere plaats in, zij worden i n deze paragraaf afzonderlijk behandeld. Naar aanleiding van enkele recente uitspraken van de Raad van State is de interpretatie van de Flora- en faunawet aangescherpt. Deze aanscherping heeft betrekking op artikel 11: het verstoren van voortplantings - en/of vaste rust- en verblijfplaatsen, voor soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage IV en de Vogelrichtlijn. Verstoring zoals bedoeld in artikel 11 van de Flora - en faunawet is een begrip dat niet genoemd wordt in de Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn. Dit betekent dat verstoring in deze context, niet getoetst hoeft te worden aan wettelijke belangen uit beide Europese richtlijnen .

In plaats daarvan kan getoetst worden aan wettelijk belangen op nationaal niveau , waaronder ook ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vallen. Vogels De bescherming van vogels neemt binnen de Flora - en faunawet een aparte positie in. In de Flora- en faunawet is de bescherming van de meeste vogelsoorten gericht op de nesten van broedvogels. Dit houdt in dat de ne sten van broedvogels gedurende het broedseizoen zijn beschermd. Het is gedurende het broedseizoen verboden om de nesten van broedvogels te verstoren en/of weg te nemen. De vogelnesten vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van Artikel 11 van de Flora - en faunawet. Buiten het broedseizoen zijn nesten van de meeste vogelsoorten niet beschermd. Een ontheffing is niet noodzakelijk als de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats vinden en ook niet als er maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat er zich vogels vestigen op de bouwplaats. De Flora - en faunawet kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen (zie kader). Broedseizoen Voor een begrip als ‘broedseizoen’ is geen standaardperiode te hanteren. Afhankelijk van de soort en weersomstandigheden in een bepaald jaar kunnen soorten veel eerder of juist later broeden dan normaal het geval zou zijn. Dit kan zelfs per regio verschillen. Voor de wet is van belang of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum.

De vaak geciteerde periode 15 maart t/m 15 juli is dus slechts een indicatie. De periode januari tot begin oktober kan theoretisch door broedvogels nog gebruikt worden als een broedperiode. Voor aanvang van de werkzaamheden dient altijd op broedgevallen gecontroleerd te worden. Voor een aantal vogelsoorten bestaat een uitzonderingspositie op het boven staande. Van deze vogelsoorten is het nest aangemerkt als “vaste rust - of verblijfplaats”. Deze nesten zijn gedurende het gehele seizoen beschermd onder artikel 11 en zijn aangewezen in de “aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (ministerie van LNV, 2009). De jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in onderstaande categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (roek, gierzwaluw en huismus). Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 4 - 16 maart 2015 3. Nesten van vogels (geen kolonievogels), die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing.

De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (kerkuil, ooievaar, slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (boomvalk, buizerd, ransuil). 5. Nesten van vogels, die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar ervoor h ebben gebroed of de directe omgeving ervan, maar dan wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, maar vragen wel extra onderzoek, omdat ze jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen.

Twee belangrijke vragen bij de beoordeling of er voor de soorten uit de bovenstaande categorieën een ontheffing noodzakelijk is zijn de volgende:  Is er voor de soort voldoende gelegenheid om zelfstandig een natuurlijk alternatief nest te vinden?  Is er voor de soort voldoende mogelijkheid om met succes een kunstmatig alternatief nest aan te bieden? bestemmingsplan Eeserwold Werken Bijlage 3 Beknopte natuurtoets 94 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) Beknopte natuurtoets Eeserwold Opdrachtgever: Roelofs Planontwikkeling projectnummer: 245.55.50.00.00 Onderwerp: Beknopte natuurtoets bestemmingsplan Eeserwold Datum: 12-10-2020 KADER In 2017 is voor het plan Eeserwold te Steenwijk door ons bureau een integraal voorontwerpbeste m- mingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan betrof een bijstelling van de beheersverordening Eese r- wold uit 2015 en is door de gemeente Steenwijkerland niet in proce dure gebracht. Op dit moment wordt opnieuw een bestemmingsplanprocedure doorlopen voor een deel van het oorspronkelijke plangebied. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van de natuurwaar- den uitgevoerd. Het doel van de inventarisatie is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescher ming (Wnb) 1 of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is.

Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 1 oktober 2020 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: bewolkt, circa 16˚C en een matige wind. Aan het eind van het veldbezoek viel wat lichte regen. PLANGEBIED Het plangebied ligt ten noorden van de A32 en ten oosten van de Eesveenseweg ten noordoosten van Steenwijk. Het plangebied omvat de zandwinlocatie Eesermeer inclusief de ten westen hiervan gelegen percelen, met uitzondering van de bestaande woonerven langs de Eesveenseweg. Ten oo s- ten van het plangebied ligt open agrarisch gebied e n ten noorden van het gebied ligt een terrein met braakliggende graslandpercelen die op termijn bebouwd kunnen worden. De oostzijde van het pla n- gebied bestaat uit de grote, diepe zandwinplas met langs de oevers stroken riet en (wilgen)struweel. De westzijde bestaat uit een aantal graslandpercelen die van elkaar gescheiden worden door de reeds aangelegde wegen. Tijdens het veldbezoek was een deel van de graslanden kort afgemaaid en een deel was met ruigte begroeid. In he t westelijk deel van het plangebied en langs de randen hie r- van liggen een aantal sloten met relatief steile oevers . In het westelijk deel zijn al enkele kantoorg e- bouwen gerealiseerd. Overige bebouwing ontbreekt.

Bomen ontbreken grotendeels, met uitzond e- ring van solitaire bomen en bomenrijen langs de wegen. Wel is her en der opslag van jonge bomen en struiken aanwezig. Ook op de erven langs de Eesveenseweg langs het plangebied staan bomen. 1 De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurge- bieden. datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 2 Het plan bestaat uit de realisatie van bedrijfsgebouwen, zoals kan toorpanden, op de nog onbebouw- de percelen aan de westrand van het plangebied. Hierbij wordt vegetatie verwijderd en grond vergr a- ven. De bomen langs de wegen blijven naar verwachting geheel of grotendeels behouden. Ook de bestaande kantoorpanden blijven behouden. Mogelijk worden enkele sloten gedempt of vergraven. Impressie van het plangebied op 1 oktober 2020: boven het Eesermeer met rietruigte en struweel op de oevers, links midden grasland aan de zuidwestzijde bezien richting de A32, rechts midden grasland en ruigte ten noordwesten van het Eesermeer, linksonder sloot aan de westzijde en rechtsonder jonge bomenrijen langs de weg Eesergaard bezien richting het oosten.

datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 3 Soortbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: - alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); - dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); - nationaal beschermde dier - en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelin- gen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. INVENTARISATIE Uit het raadplegen van de Na tionale Database Flora en Fauna 2 (© NDFF - 12 oktober 2020 10:14:49 ) blijkt dat binnen een straal van een kilometer rond het plangebied diverse beschermde dier- en plan- tensoorten aanwezig zijn. Het betreffen vogels met jaarrond beschermde nesten , zoogdieren, onge- wervelden, reptielen, amfibieën en een vaatplant.

In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek een aantal algemene gras- en plantensoorten van voed- selrijke tot zeer voedselrijke g raslanden en ruigtes, zoals Engels raaigras, grote vossenstaart, paa r- denbloem, smalle weegbree, Jakobskruiskruid, akkerdistel, riet, liesgras, rietgras en grote brandnetel. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen. De uit de omgeving van het plangebied bekende kartuizeranjer (NDFF) is aangewezen op kalkrijke schraalgraslanden, waarvoor in het plangebied geen geschikte groeiplaatsen aanwezig zijn . Gezien de terreingesteldheid en voedselrijkdom zijn deze en andere beschermde plantensoorten niet in het plangebied te verwachten. Op de te ontwikkelen locaties zijn geen gebouwen aanwezig en ook geen oudere bomen met voor vleermuizen geschikte holtes, spleten of plakkaten loszittende schors. Wel kunnen in de reeds gere a- liseerde kantoorpanden en in bomen en bebouwing om het plangebied vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor de in de omgeving voorkomende soo r- ten. In 2003 zijn in het plangebied de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, la at- 2 Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF is de meeste complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens.

datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 4 vlieger en meervleermuis foeragerend aangetroffen (Roodhart, 2015 3). In het plangebied zijn geen bomenrijen of brede watergangen aanwezig die onderdeel kunnen vormen van een vliegroute van vleermuizen. Wel kan de houtsingel direct ten noorden van het pla ngebied een potentieel onderdeel vormen van een vliegroute. Tijdens het veldbezoek zijn twee vogelsoorten in het plangebied waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het gaat om circa 40 foeragerende roeken in de graslanden en één opvli e- gende buizerd aan de rand van de zandwinplas. Ook voor buizerd is het plangebied geschikt als fo e- rageergebied. In de jonge bomen in het plangebied zijn geen nesten van deze en andere vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Ook in de kantoorgebouwen zijn geen geschikte invlie g- openingen voor vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig, zoals huismus. Op de erven om het plangebied kunnen wel vogels met jaarrond beschermde nesten broeden en die in het plang e- bied kunnen foerageren, zoals de uit de omgeving bekende kerkuil. Ook is op het erf van de Eesveen- seweg 38 aan de rand van het plangebied een paal met een ooievaarsnest aanwezig, waarvoor het plangebied geschikt foerageergebied biedt. Ook in de houtsingel direct ten noorden van het plang e- bied kunnen vogels met jaarrond beschermde nesten broeden.

Hier zijn tijdens het eerdere onde r- zoek in 2015 kraaiennesten aangetroffen die kunnen worden gebruikt door boomvalk of ransuil, waarvoor het plangebied eveneens geschikt foerageergebied biedt. Tevens is een mogelijk buizerd- nest aangetroffen (Roodhart, 2015). In Overijssel zijn ook nesten van een aantal andere vogelsoorten jaarrond beschermd die in andere provincies geen jaarronde bescherming genieten. Enkele van deze soorten zijn uit de omgeving van het plangebied bekend, namelijk boerenzwaluw, huiszwaluw, torenvalk en bosuil. Deze soorten fo e- rageren mogelijk ook in het plangebied. In het plangebied kunnen een aantal vogels tot broeden komen waarvan de nesten niet jaarrond b e- schermd zijn, zoals merel, winterkoning, wilde eend, meerkoet en rietgors. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor een aantal algemene grondgebonden zoogdiersoo r- ten, zoals de uit de omgeving bekende soorten bosmuis, woelrat, haas, ree en vos (NDFF). Voor deze soorten geldt in de provincie Overijssel een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb. Uit de omgeving van h et plangebied is het voorkomen van niet-vrijgestelde bunzing, boommarter, steenmarter, otter, eekhoorn en egel bekend (NDFF). Voor bunzing en egel vormt het plangeb ied ge- schikt leefgebied. Hetzelfde geldt mogelijk voor de niet uit de omgeving van het plangebied bekende hermelijn.

Verblijfplaatsen van deze soorten kunnen niet op voorhand uitgesloten worden. Nesten 3 Roodhart, C. (2015). Voorbereiding op het nieuwe bestemmingsplan Natuurtoets Eeserwold, Gemeente Stee n- wijkerland. RoyalHaskoningDHV datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 5 van eekhoorn en geschikte holtes voor boommarter in de bomen binnen het plangebied zijn niet waargenomen. Het plangebied is ook te open voor deze soorten. Otter is bekend van de Steenwijker Aa ten oosten van het plangebied (Roodhart, 2015). Voor otter is potentieel geschikt leefgebied aa n- wezig in de zandwinplas en langs de met riet en struweel begroeide oevers daaromheen. De te b e- bouwen delen van het plangebied vormen geen geschikt leefgebied. Steenmarter is hooguit foerage- rend in het plangebied te verwachten. Voor deze soort zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig op de erven om het plangebied. Uit de omgeving van het plangebied is het voorkomen bekend van enkele soorten amfibieën (Quickscanhulp.nl). Het plangebied vormt geschikt voortplantings- en landbiotoop voor enkele alg e- mene amfibieënsoorten, zoals bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander of gewone pad (NDFF). Voor deze soorten geldt in de provincie Overijssel een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb.

Voor de uit de omgeving bekende ni et-vrijgestelde boomkikker ontbreekt geschikt voor t- plantingswater en ook is geen hoogwaardig landbiotoop aanwezig. Overige n iet-vrijgestelde amfibie- ensoorten zijn gezien de terreingesteldheid en/of het ontbreken van waarnemingen vanuit de omg e- ving (NDFF) niet in het plangebied te verwachten. Beschermde reptielen zijn niet in het plangebied te verwachten door het ontbreken van geschikt bi o- toop, zoals bosranden en houtwallen voor hazelworm en broeihopen of overwinteringsplaatsen voor ringslang. Hoewel beschermde vissoorten in de afgelopen 5 jaar niet bekend zijn uit de direct omgeving van het plangebied, is het voorkomen van grote modderkruiper niet uit te sluiten. De exacte verspreiding van deze moeilijk te inventariseren is niet exact bekend en in het te ontwikkelen gebied zijn sloten aa n- wezig met een goed ontwikkelde watervegetatie die potentieel geschikt zijn voor grote modderkru i- per. Uit de omgeving van het plangebied zijn een aantal beschermde ongewervelden aanwezig, te weten noordse winterjuffer, sleedoornpage en brede geelgerande waterroofkever (NDFF). De noordse winterjuffer is afhankelijk van schone wateren met een goed ontwikkelde riet - en lisdod- devegetatie, zoals in petgaten of vennen.

Deze soort is bekend in het plangebied (Zekhuis & De Gel- der4) en zou zich kunnen voortplanten in de brede rietkragen langs de oevers van de zandwinplas. De ruigtes in het gebied vormen geschikt overwinteringsbiotoop. 4 Zekhuis, M. & A. de Gelder (2013). Het succes van Tijdelijke Natuur - Monitoring vier jaar Tijdelijke Natuur Eeser- wold. Landschap Overijssel datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 6 Sleedoornpage is aangewezen op sleedoornstruwelen of andere struikvormige Prunus -soorten die ontbreken in het plangebied. Brede geelgerande waterroofkevers komen in Nederland voor in grote- re vennen met een goede waterkwaliteit die ontbreken in het plangebi ed. Deze en andere niet uit de omgeving bekende beschermde ongewervelden worden niet verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop en/of het ontbreken van waarnemingen (NDFF). TOETSING Bij uitvoering van het plan gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. Ook wordt de houtsingel ten noorden van het plangebied niet aangetast bij uitvoering van het plan. Indien tijdens de aanleg - en gebruiksfase geen verlichting wordt geplaatst die lichtuitstraling veroorzaakt op deze houtsingel, zijn geen negatieve effecten op een vliegroute van vleermuizen te verwachten.

Door de ontwikkelingen verandert het gebied als foerageergebied van vleermuizen, maar het zal naar verwachting niet onge- schikt worden voor de te verwachten soorten. De zandwinplas blijft als hoogwaardig foerageergebied behouden. En ook in de omgeving is in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied zijn niet aan de orde. Bij uitvoering van het plan gaan geen nestplaatsen van v ogels met jaarrond beschermde nesten ve r- loren. Wel wordt het te bebouwen deel van het plangebied naar verwachting minder geschikt als fo e- rageergebied voor roek, roofvogels, uilen, huiszwaluw en boerenzwaluw. Voor de te verwachten v o- gels met jaarrond beschermd nesten is in de directe omgeving in ruime mate alternatief en deels ook hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Zo blijven voor roek veel agrarische graslandpercelen ten westen, noorden en oosten van het plangebied beschikbaar als foerageergebied. Nega tieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op indien gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, i ndien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten kunnen worden verstoord of vernie- tigd. Dit is bij wet verboden.

Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voo r- komen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rek ening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen o n- geveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Bij uitvoering van het plan gaan mogelijk verblijfplaatsen en leefgebied van niet-vrijgestelde kleine marterachtigen en egel verloren. D eze soorten waren ten tijde van de Flora - en faunawet nog vrijg e- steld van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkel ingen, maar deze vrijstelling geldt in de pr o- vincie Overijssel inmiddels niet meer. D aarom is nader onderzoek nodig om te bepalen of deze soo r- ten in het plangebied voorkomen. Aan de hand van het onderzoek kan worden bepaald of voor deze datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 7 soorten een ontheffing nodig is. We adviseren om in dat geval een uitbreiding van de ontheffing tijde- lijke natuur aan te vragen, aangezien hierin wordt aangegeven dat uitbreiding mogelijk is indien zich andere soorten vestigen dan die in de ontheffing zijn opgenomen. Het pl angebied verandert als foerageergebied voor steenmarter, maar zal niet ongeschikt worden voor deze soort.

Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief hoogwaardig foerageergebied voorhanden. Negatieve effecten op steenma rter door verlies van lee f- gebied treden niet op. De zandwinplas blijft geschikt als leefgebied voor otter. Ook ligt het te ontwikkelen westelijke deel van het plangebied niet tussen belangrijke watergangen in, waardoor dit deel van het plangebied naar verwachting ook geen belangrijke migratieroute vormt. De kans op sterfte door aanrijdingen in het plangebied is daarom bijzonder klein. Otter is bovendien opgenomen in de ontheffing tijdelijke natuur voor het plangebied. Eventuele verstoring en verlies van foe rageergebied zijn daarom toeg e- staan, mits bij de aanlegfase gewerkt wordt volgens de voorschriften uit de ontheffing tijdelijke n a- tuur. Het is niet uitgesloten dat in de sloten in het plangebied grote modderkruipers voorkomen. Indien bij uitvoering van he t plan sloten worden gedempt of vergraven, kunnen negatieve effecten optreden. Grote modderkruiper is eveneens opgenomen in de ontheffing tijdelijke natuur, zodat bij de uitvo e- ring kan worden gewerkt volgens de voorschriften uit de ontheffing tijdelijke natuur en er geen nie u- we ontheffing nodig is. De noordse winterjuffer die uit het plangebied bekend is, is eveneens opgenomen in de ontheffing tijdelijke natuur.

Dit betekent dat bij de uitvoering kan worden gewerkt volgens de voorschriften uit de ontheffing tijdelijke natuur. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën - en zoog- dierensoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden g e- dood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun vo ortbestaan bedreigd en vallen bi n- nen de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Overijssel. Voor deze soor- ten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Negatieve effecten op beschermde soorten van de s oortgroepen vaatplanten en reptielen zijn niet te verwachten. datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 8 G e b i e d s b e s c h e r m i n g Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. WET NATUURBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000 - gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent.

Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000 -gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN ) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te on t- wikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het nationale natuurb e- leid. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor provincie Overijssel uitgewerkt in de Omgevingsvisie Overijssel en de bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2018. Het NNN in Overijssel kent geen externe werking. INVENTARISATIE Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een in het kader van de Wnb beschermd gebied. Het plangebied ligt op een afstand van bijna 4 kilometer ten noordoosten van een in het kader van de Wnb beschermd gebied, te weten Natura 2000-gebied De Wieden. Tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied liggen de A32 en de bebouwing van Steenwijk. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aan- gewezen als NNN is gelegen op ruim 500 meter ten we sten van het plangebied. Tussen het plange- bied en het dichtstbijzijnde gebie d dat is aangewezen als NNN liggen onder meer de Eesveenseweg en woonerven. TOETSING Het plangebied ligt op grote afstand van het Natura 2000-gebied De Wieden. Het plangebied is ge- scheiden van de Natura 2000-gebieden door de A32 en door bebouwing .

Gezien de afstand tot het Natura 2000 -gebied, de inrich ting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Over grote afstand kan in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natur a 2000- gebieden. Daarom dient een AERIUS-berekening te worden utigevoerd waaruit blijkt of bij aan- leg en gebruik sprake is van een depositie van meer dan 0.00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige Natu- ra 2000-gebieden. datum 12-10-2020 projectnummer 245.55.50.00.00 9 Gezien de terreinomstandigheden, de afstand tot beschermde gebieden, de inrichting van het tu s- senliggend gebied en de aard van de ontwikkeling, kunnen met betrekking tot het voorgenomen plan negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten. Deze inventarisatie is niet in strijd met het pr o- vinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Conclusie Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is op basis van het uitgevoerde veldb e- zoek (d.d. 1 oktober 2020 ) en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het p lan, een nog onvoldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen en egel is nodig om te bepalen of sprake kan zijn van negatieve effecten op deze soorten. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is.

Wij adviseren om in dat geval een uitbreiding van de ontheffing tijdelijke natuur aan te vragen. Voor otter, grote modderkruiper en noordse winterjuffer geldt dat bij de uitvoering van het plan moet worden gewerkt volgens de voorschriften van de ontheffing tijdelijke natuur. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat rekening moet worden gehouden met het broedse i- zoen van vogels en dat tijdens de aanleg - en gebruiksfase geen verlichting moet worden gebruikt die lichtuitstraling veroorzaakt op de houtsingel ten noorden van het plangebied. Op basis van de Aerius-berekening kan worden bepaald of als gevolg van het plan sprake kan zijn van een negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Na tura 2000- gebieden. Op basis hiervan kan worden bepaald of een vergunning van de Wnb nodig is. Ten aanzien van andere aspecten treden als gevolg van het plan geen negatieve effecten op voor de instandhou- dingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten van Natura 2000-gebieden. Een nadere anal yse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve effecten op het NNN en is ook op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.

bestemmingsplan Eeserwold Werken Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek 104 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) Pagina 1 van 5 Aanleiding en doelstelling BügelHajema is in opdracht van Roelofs planontwikkeling bezig met de voorbereidingen voor een bestemminsplan- wijziging voor het Eeserwold te Steenwijk. Het plangebied omvat een toekomstig bedrijvenpark, een zandwinplas en een ecologische verbindingszone. Voor de procedure is het van belang om in beeld te brengen welke onder de Wet Natuurbescherming (Wnb) beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn en of er in de toekomst uitzicht is op het verkrijgen van ontheffing voor deze soorten. BügelHajema heeft daarom een beknopte natuurtoets opge- steld waarin de mogelijke effecten op beschermde soorten worden omschreven. Op basis van deze rapportage is Ecogroen gevraagd om nader onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van kleine marterachtigen en egel. Deze notie beschrijft de methode en de uitkomsten van dit onderzoek. Bij het onderzoek is uitsluitend gekeken naar kleine marterachtigen en egel, andere onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten en gebieden zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied “het Eeserwold” ligt ten noorden van Steenwijk (zie figuur 1) en is deels bestemd voor de inrichting van een bedrijventerrein.

Het Eesermeer blijft als zandwinplas functioneren en de ecologische verbindingszone blijft in zijn huidige vorm bestaan en wordt als zodanig beheerd door Landschap Overijssel. Op het toekomstig bedrijven- terrein zijn een tweetal percelen beheerd als tijdelijke natuur (zie figuur 1) deze percelen zijn grotendeels bedekt met opgaande begroeiing en ruigte. De andere percelen zijn regulier gemaaid met het oog op de voorgenomen ont- wikkelingen. In het westelijk deel zijn al enkele kantoorgebouwen gerealiseerd, overige bebouwing ontbreekt. Met uitzondering van solitaire bomen en bomenrijen langs wegen zijn geen bomen aanwezig in het plangebied. Aan Roelofs planontwikkeling t.a.v. Notitie Contactpersoon Kenmerk Status Datum 21-305 definitief 14 juli 2021 Betreft Onderzoek naar aanwezigheid van kleine marterachtigen op het Eeserwold te Steenwijk

Notitie Pagina 2 van 5 Figuur 1 – Globale ligging plangebied (rood omlijnd) met percelen beheerd als tijdelijke natuur (blauw omlijnd). Bron achtergrond – satallietdata- portaal. Onderzoeksmethode Literatuuronderz oek Om de aanwezige of te verwachten (beschermde) waarden binnen de invloeds sfeer van het plangebied in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hierbij is onderzocht of (beschermde) soorten bekend zijn in of in de directe omgeving van het plangebied. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databa nk Flora en Fauna (NDFF). Verder blijkt uit de “Beknopte natuurtoets Eeserwold” van BügelHajema (2020) dat geschikt leef- gebied voor kleine marterachtigen en egel aanwezig is in het plangebied. Onderzoek k leine marterachtigen en egel Om te bepalen of kleine marterachtigen en egel in het plangebied voorkomen is onderzoek uitgevoerd met behulp van cameravallen. Het onderzoek is in tweeën opgesplitst omdat er in een separaat traject reeds cameravallenon- derzoek heeft plaatsgevonden op de twee als tijdelijke natuur beheerde percelen. In de periode van 6 tot en met 31 mei 2021 zijn vijf wildcamera’s binnen de twee tijdelijke natuur percelen geplaatst. Deze vijf cameravallen zijn ver- volgens verplaatst in het omliggende gebied en hebben daar van 31 mei tot en met 24 juni 2021 gestaan. De posities van de camera’s zijn weergegeven in figuur 2.

Notitie Pagina 3 van 5 Figuur 2 Posities cameravallen Eeserwold. Bron achtergrond - Satallietdataportaal. Twee van de vijf wildcamera’s zijn gemonteerd in een zogenaamde mostela1 en drie camera’s in een struikrover2. De cameravallen zijn verdekt opgesteld en zodanig geplaatst dat er optimaal zicht was op (potentiële) verblijfplaatsen, verbindingszones en foerageergebied. Tussentijds zijn de camera’s in het veld gecontroleerd op functioneren, is beeldmateriaal uitgelezen en zijn batterijen verwisseld. De verkregen beelden zijn geanalyseerd op aanwezigheid van kleine marterachtigen en egel. Zie tabel 1.1 voor een overzicht van de bezoekmomenten en weersomstandighe- den ten tijde van de bezoeken. 1 Mostela - wildcamera gemonteerd in een houten kast toegankelijk via een inloop buis voorzien van een maatlat – lokstof visolie. 2 Struikrover - wildcamera gemonteerd in een aan de voorzijde open houten kast met een blikje vis als lokmiddel.

Notitie Pagina 4 van 5 Tabel 1.1 – Overzicht onderzoeksmomenten. Datum Type onderzoek Weersomstandigheden 06-05-2021 Plaatsen wildcamera’s (nr. 1 t/m 5) Bewolkt, droog, 10°C, weinig wind 20-05-2021 Controle wildcamera’s (uitlezen en batterijwissel) Half bewolkt, droog, 16 °C, matige wind 31-05-2021 Verplaatsen wildcamera’s en uitlezen data (nr. 6 t/m 10) Helder, droog, 22°C, weinig wind 10-06-2021 Controle wildcamera’s (uitlezen en batterijwissel) Onbewolkt, droog, 21 °C, weinig wind 24-06-2021 Ophalen wildcamera’s en uitlezen data Half bewolkt, droog, 18 °C, weinig wind Resultaten bunz ing, hermelijn en egel Tijdens het aanvullende onderzoek met cameravallen zijn bunzing, hermelijn en egel niet vastgesteld. V erblijfplaat- sen van overige bunzing, hermelijn en egel kunnen op basis van terreinkenmerken, het cameravallen onderzoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) worden uitgesloten. Wez el Tijdens het aanvullende onderzoek zijn meerdere waarnemingen gedaan van wezel. Wezel is waargenomen op ca- merabeelden van camera 2 en camera 5 (figuur 3). Op positie 2 (struikrover) is een wezel waargenomen op 9 mei en op positie 5 (mostela) is een wezel waargenomen op 7 en op 25 mei (figuur 4.1). De waarnemingen komen uitslui- tend voor op de percelen die beheerd zijn als tijdelijke natuur. Op de overige cameralocaties zijn geen wezels waar- genomen.

Wezels leven solitair met uitzondering van de voortplantingstijd en hebben een territorium wat variabel is in grootte, sterk afhankelijk van het voedselaanbod. Het gebied moet voldoende dekking en schuilmogelijkheden bie- den zoals takkenbossen, dichte begroeiingen en rommelhoekjes. Het leefgebied va n mannetjes is ca. 1 tot 25 ha groot en overlapt dat van meerdere vrouwtjes die een territorium van ca. 1 tot 7 ha. Wezels doorkruisen hun territo- rium met enige regelmaat en gebruiken daarbij verschillende rustplaatsen. Rustplaatsen bestaan uit oude gangen- stelsels met holen die bekleed worden met gras en/of bladeren. Jongen worden over het algemeen in mei geboren en zijn na twee tot drie maanden zelfstandig. De waarnemingen geven een goede indicatie over het gebruik van het gebied door wezel. Op basis van de waarne- mingen en de in het plangebied aanwezige terreinkenmerken wordt verwacht dat het gebied gebruikt wordt als ver- blijfplaats en foerageergebied door wezel. Bij het bouwrijp maken en de aanleg van het geplande bedrijventerrein gaat circa 5 hectare leef- en foerageergebied van wezel verloren. Het is hierbij niet uit te sluiten dat er rust - en/ of voortplantingsplaatsen van wezel verloren gaan.

Voor het vernietigen van verblijfplaatsen en onmisbaar leefgebied van wezel is het noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen bij de provincie Overijssel. Voor het verkrijgen van een ontheffing is voor het verlies van rust- en/ of voortplantingsplaatsen compensatie van leefgebied noodzakelijk. Nieuw te realiseren leefge- bied dient van vergelijkbare of betere kwaliteit of oppervlakte te zijn dan het leefgebied dat verloren zal gaan 3. 3 Bron: Soortenbescherming in Overijssel – Handreiking voor het aanvragen van een ontheffing – Scholten-Huizendveld, H.T. _ Februari 2021. Notitie Pagina 5 van 5 Figuur 3 - Wezel (Mustela nivalis) links - aangetoond in een mostela (camera 5) en rechts - middels een struikrover (camera 2). Met het oog op de tijdelijke natuurfuncties van verschillende percelen in het gehele ontwikkelingsgebied “het Eeser- wold” zijn in de afgelopen jaren reeds groene zones (EVZ’s) aangewezen die niet voor kaveluitgifte in aanmerking komen, maar die dienen als groene buffer bij het op termijn verwijderen van de tijdelijke natuur op de twee perce- len binnen het plangebied. De stroken hebben zich in de tussentijd kunnen ontwikkel en naar volwaardige natuur met natuurvriendelijke oevers, opgaande begroeiing riet en ruigte.

Qua oppervlakte en kwaliteit bieden de aange- legde stroken ruim voldoende compensatie voor het verlies aan leefgebied binnen het plangebied. Circa 20 hectare van de “groene bufferzones” zijn inmiddels in bezit en beheer bij Landschap Overijssel, het betreft de ecologisch verbindingszone (EVZ) aan de zuidoostzijde van het Eeserwold. De overige bufferzone tussen wonen en werken is ca. 1,8 hectare groot. De bufferzones blijven onaangetast. Conclusie Voor het vernietigen van verblijfplaatsen en onmisbaar leefgebied van wezel is het noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Overijssel. In een separaat traject is deze procedure reeds in gang gezet. De verwachting is dat deze ontheffing wordt verleend. Omdat er uitzicht is op een ontheffing Wet na- tuurbescherming vormt de aanwezigheid van wezel geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmings- plan.

bestemmingsplan Eeserwold Werken Bijlage 5 Voortoets gebiedsbescherming Wet natuurbescherming 110 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) Datum Referentie Behandeld door 9 juni 2021 07814-54827-01 M.J.M. Blankvoort 1 Inleiding In opdracht van Roelofs Projectontwikkeling B.V. is do or Cauberg Huygen B.V. onderzoek verricht naar de effecten vanwege de beoogde activiteiten binnen bestemmingsplan Eeserwold op natuurgebieden. De aanleiding van het onderzoek is het voornemen om een bestemmingsplan op te stellen voor het plangebied Eeserwold. Hiervoor is een reguliere herziening noodzakelijk. Het vast te stellen bestemmingsplan (een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid Wet natuurbescherming (Wnb)), kan ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken die significante effecten kan hebben op de waarden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen c.q. de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Gelet hierop is een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) noodzakelijk naar de effecten op de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natuurgebied, waardoor deze kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Onderhavige onderzoek dient ertoe om die effecten in beeld te brengen. Deze notitie doet verslag van het onderzoek ten aanzien van gebiedsbescherming.

2 Situatie Het plangebied is gelegen ten noorden van de A32, ten oosten van de Eesveenseweg en ten westen van de bestaande zandwinplas. M omenteel bestaat het plangebid voornamelijk uit een ingeric ht bedrijventerrein waarvoor alle civieltechnische werken (grondwerk, riolering en (ontsluitings)wegen) reeds zijn uitgevoerd. In afbeelding 2.1 is de ligging van het plangebied rood weergegeven. Notitie 07814-54827-01 Bestemmingsplan Eeserwold te Steenwijk Voortoets gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Bezoekadres: Stationsweg 2 8011 CZ Zwolle Postadres: Hoofdweg 70 3067 GH Rotterdam T +31 (0)88-5152505 E info@cauberghuygen.nl W http://www.cauberghuygen.nl K.V.K. 58792562 IBAN NL71RABO0112075584 Bestemmingsplan Eeserwold te Steenwijk 07814-54827-01 Voortoets gebiedsbescherming Wet natuurbescherming 9 juni 2021 Pagina 2 Afbeelding 2.1: ligging van het plangebied in de omgeving. Kaart is noordgericht. In de (nabije en verdere) omgeving van het plangebied zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen, namelijk: − De Wieden, gelegen op een afstand van circa 4 km. − Holtingerveld, gelegen op een afstand van circa 5 km. − Drents-Friese Wold & Leggelderveld, gelegen op een afstand van circa 8 km. − De Weerribben, gelegen op een afstand van circa 8 km. − De Rottige Meenthe & Brandemeer, gelegen op een afstand van circa 14 km. − Dwingelderveld, gelegen op een afstand van circa 14 km.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/4343bb30-0df7-4f0f-a2d8-f0e39359db54?agendaItemId=b978c23e-8403-43c9-a50b-b7491602e9f2