CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Eeserwold Werken_Bijlagen bij de toelichting.pdf

Politieke Markt 11 oktober 2022, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen ontwerpbestemmingsplan Eeserwold Werken116.590 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 11

Bestemmingsplan Eeserwold Werken ID plan: NL.IMRO.1708.STWeeserwoldwerkBP-ON02 Datum: Status: ontwerp Auteur:

Eeserwold Werken bestemmingsplan Eeserwold Werken Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting 3 Bijlage 1 Marktanalyse Eeserwold 4 Bijlage 2 Ecologisch Eeserwold 49 Bijlage 3 Beknopte natuurtoets 94 Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek 104 Bijlage 5 Voortoets gebiedsbescherming Wet natuurbescherming 110 Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek 173 Bijlage 7 Onderzoek Pfas 318 Bijlage 8 Akoestisch onderzoek 365 Bijlage 9 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 402 Bijlage 10 Onderzoek externe veiligheid 436 2 Inhoudsopgave (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Bijlagen bij de toelichting Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) 3 bestemmingsplan Eeserwold Werken Bijlage 1 Marktanalyse Eeserwold 4 Bijlagen bij de toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Eeserwold Werken Bijlage 2 Ecologisch Eeserwold Bijlagen bij de toelichting (ontwerp) 49 Voorbereiding op het nieuwe bestemmingsplan Natuurtoets Eeserwold Gemeente Steenwijkerland 16 maart 2015 Concept rapport BD4157

A company of Royal HaskoningDHV Documenttitel Voorbereiding op het nieuwe bestemmingsplan Natuurtoets Eeserwold Verkorte documenttitel Natuurtoets Eeserwold Status Concept rapport Datum 16 maart 2015 Projectnaam Voorbereiding op het nieuwe bestemmingsplan Projectnummer BD4157 Opdrachtgever Gemeente Steenwijkerland Referentie BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Chopinlaan 12 Postbus 8064 9702 KB Groningen +31 88 348 53 00 Telefoon info@groningen.royalhaskoning.com E-mail www.royalhaskoningdhv.com Internet Amersfoort 56515154 KvK HASKONINGDHV NEDERLAND B.V. PLANNING & STRATEGY Auteur(s) Celine Roodhart Collegiale toets Carolien van der Ziel Datum/paraaf 16-03-2015 ⱱ Vrijgegeven door Tom van Ravenstein Datum/paraaf 16-03-2015

Natuurtoets Eeserwold - i - BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport 16 maart 2015 INHOUDSOPGAVE Blz. 1 INLEIDING 1 1.1 Aanleiding 1 1.2 Doel 1 1.3 Leeswijzer 2 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED 3 2.1 Toekomstvisie plangebied 3 2.2 Status plangebied 4 3 JURIDISCHE KADERS 6 3.1 Natuurbeschermingswet 1998 6 3.2 Beschermde natura 2000- gebieden 7 3.3 Flora- en faunawet 13 3.4 Voormalige EHS: Natuur Netwerk Nederland 14 3.5 Tijdelijke natuur 15 4 EFFECTEN OP NATUUR 17 5 QUICKSCAN FLORA –EN FAUNAWET 18 5.1 Werkwijze 18 5.2 Beschermde soorten 18 6 VOORTOETS NATUURBESCHERMINGSWET 1998 25 6.1 Effectbeoordeling de Wieden 25 6.1.1 Habitatttypen 25 6.1.2 Habitatsoorten 25 6.1.3 Broedvogels 27 6.1.4 Niet-broedvogels 27 6.2 Effectbeoordeling de Weeribben 28 6.2.1 Habitatttypen 28 6.2.2 Habitatsoorten 28 6.2.3 Broedvogels 29 6.3 Effectbeoordeling Holtingerveld 29 6.3.1 Habitatttypen 30 6.3.2 Habitatsoorten 30 7 TOETSING VOORMALIGE EHS; NATUURNETWERK NEDERLAND 31 8 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 32 8.1 Conclusie voortoets 32 8.2 Conclusie quickscan Flora- en faunawet 32 8.3 Conclusie toetsing voormalige EHS: NNN 33 9 MITIGATIE 34 Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 1 - 16 maart 2015 1 INLEIDING Het project Eeserwold is een gebiedsontwikkeling in de gemeente Steenwijkerland, waarbij wonen, werken en recreatie worden samengebracht.

Het plangebied ligt ten noorden van Steenwi jk. De oostgrens wordt gevormd door de Steenwijker Aa, de westgrens door de Eesveense Wetering en de zuidgrens door rijksweg A32 (zie figuur 2.1). 1.1 Aanleiding De gemeente is in 2005 begonnen met de voorbereiding van het nieuwe bestemmingsplan. Omdat dit ne gen jaar geleden is, zijn de natuuronderzoeken te oud voor het aanvragen van een eventuele ontheffing Flora - en faunawet en vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. De gemeente Steenwijkerland heeft aan Royal HaskoningDHV gevraagd om de onderzoeken uit 2005 te actualiseren. 1.2 Doel Het doel van deze rapportage is het actualiseren van de natuuronderzoeken die in 2005 zijn gebruikt bij de voorbereiding van het nieuwe bestemmingplan van het project Eeserwold. Daarnaast wordt aangeven wat de gemeente Steenwijkerland moet doen op het gebied van natuur om het nieuwe bestemmingsplan vast te kunnen stellen. In de actualisatie zullen de effecten in beeld gebracht worden voor de Natura 2000 -gebieden (N-2000), de Flora - en faunawet ( Ff-wet) en het Natu ur Netwerk Nederland (NNN) (de voormalige EHS). Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt wat de haalbaarheid is van het plan in relatie tot eventuele effecten en de noodzaak tot het aanvragen van vergunning/ ontheffing en het nemen van eventuele compensatie- en mitigatiemaatregelen.

Voortoets Natuurbeschermingswet De Natura 2000 -gebieden Holtingerveld, de Wieden en de Weerribben liggen in de omgeving van het plangebied. Deze Natura 2000 -gebieden zijn beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb -wet). In artikel 19d van de Nb -wet staat vermeld dat het niet toegestaan is zonder Nb -wetvergunning projecten te realiseren die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een si gnificant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder hoofdstuk 3). Deze natuurtoets bevat een voortoets Nb -wet die beoordeel t of de kwaliteit van een Natura 2000 -gebied wordt aangetast en of er een negatief effect kan optreden op soorten waarvoor het Natura 2000 -gebied is aangewezen. De voortoets concludeert vervolgens of nader onderzoek, een passende beoordeling en/of een Nb-wetvergunning nodig zijn. Quickscan Flora- en faunawet Mogelijk komen er in en ron dom het plangebied soorten voor die beschermd zijn in het kader van de Flora - en faunawet (Ff -wet).

Bij de totstandkoming van het huidige bestemmingsplan in 2005 zijn voorafgaand ook natuuronderzoeken gedaan; Ecologie Eesveense Hooilanden ,2002 (Royal Hasko ning), Natuuronderzoek Eesveense Hooilanden Steenwijk, 2003 (Bureau Natuurbalans) en Flora en fauna Eeserwold,2004 (Royal Haskoning). Ook is er in het plangebied Tijdelijke natuur ontwikkeld. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 2 - 16 maart 2015 Deze natuurtoets bevat een flora en fauna quickscan waarin de m ogelijk negatieve effecten op de huidige aanwezige soorten worden bepaald, hierin zijn de vorige onderzoeken meegenomen. Als een verbodsbepaling in de Ff -wet wordt overtreden is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen. Toetsing Natuur Netwerk Nederland Aangrenzend aan het plangebied ligt een (robuuste) ecologische verbinding van het Natuur Netwerk Nederland. Mogelijk worden de wezenlijke waarden en kenmerken van deze verbinding aangetast door de realisatie van het project Eeserwold. Wanneer effecten hierop niet uit te sluiten zijn zal er in overleg met de provincie Overijssel bepaald moeten worden hoe hiermee om te gaan. Er kan gedacht worden aan compensatie in kwalitatieve of financiële vorm. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving geg even van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden.

Daarna wordt in hoofdstuk 3 het kader van de Natuur - beschermingswet 1998 en de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 - gebieden beschreven. In dit hoofdstuk wordt ook het kader van de Flora - en faunawet en het Natuur Netwerk Nederland (voormalige EHS) beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de effecten die mogelijk invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabij gelegen Natura 2000 -gebieden en/of op de Ff -wet beschermde soorten en de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Nederland. Hoofdstuk 5 bevat de quickscan van de Ff-wet beschermde soorten. Hoofdstuk 6 bevat de voortoets waarin de effecten op de Natura 2000 -instandhoudingsdoestellingen worden beoordeeld. Hoofdstuk 7 gaat in op de eventuele effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Nederland. Hoofdstuk 8 bevat de conclusies uitgesplitst op de Ff-wet, Nb-wet en Natuur Netwerk Nederland, waarin antwoord wordt gegeven of er (significant) negatieve effecten optreden op de beschermde soorten of gebieden. Daarnaast bevat het een advies over de eventueel benodigde vervolgstappen. Er wordt afgesloten met een hoofdstuk mitigerende maatregelen. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 3 - 16 maart 2015 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED Het plangebied ligt ten n oorden van Steenwijk.

De oostgrens is de Steenwijker Aa, de westgrens de Eesveense Wetering en in het zuiden de A32. Het plangebied ligt midden in het beekdal van de Steenwijker Aa op een plaats waar het beekdal zich versmalt tussen twee stuwwallen. Het gebied had een agrarische functie en een zandwinplas. Op dit moment is de agrarische functie er deels af en is er sprake van Tijdelijke natuur (zie ook paragraaf 3.5.). Op de locatie waar eventueel het golfterrein gerealiseerd zou worden is nu nog agrarisch gebied. Daarnaast is de zandwinplas nog in gebruik. Figuur 2.1. Ligging plangebied in rood kader (bron: Google Earth). Ter hoogte van de zandwinplas wordt het plangebied van west naar oost doorkruist met een singel van zachte berk, populier (spec.), zomereik en zwarte els met ondergroei van riet en brandnetel. Tussen de zandwinplas en de Steenwijker Aa is een ecologische zone ingericht met geïsoleerde poelen voor amfibieën, een vistrap voor onder andere het bermpje en de grote modderkruiper met een nevengeul en verlaagde oevers die ook zeer geschikt zijn voor de otter. 2.1 Toekomstvisie plangebied Om de ontwikkelruimte van het plangebied Eeserwold door te vertalen naar het nieuwe bestemmingsplan Eeserwold 20 15, moet er voor het nieuwe bestemmingsplan onderzoek worden gedaan waaruit blijkt dat het behoud van deze ruimte ruimtelijk haalbaar en uitvoerbaar is.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 4 - 16 maart 2015 De woonbestemmingen blijven afgestemd op de ontwikkeling van luxe woningen (villa’s op ruime woonkavel s). Het aantal woningen dat binnen de planperiode volgens het nieuwe bestemmingsplan mag worden gerealiseerd, wordt gebaseerd op de uitkomst van een nieuw woningmarktonderzoek. Voor zover dit onderzoek uitwijst dat de behoefte aan deze woningen de komende tien jaar lager is dan in het huidige bestemmingsplan opgenomen maximum (154 woningen) wordt in het nieuwe bestemmingsplan dit lagere aantal als een nieuw maximum opgenomen. Figuur 2.2. Schets van de toekomstige gewenste inrichting van het plangebied. 2.2 Status plangebied De ruimtelijke ontwikkeling die het huidige bestemmingsplan in het plangebied mogelijk maakt, is tot dusver gedeeltelijk gerealiseerd. In de periode 2003 tot en met 2007 werd er nog relatief veel bedrijfsgrond uitgegeven. De afgelopen jaren (2008 tot nu) zijn de uitgiftecijfers aanzienlijk gereduceerd. Voorlopig moet worden aangenomen dat de hoge uitgiftes van 2003 - 2007 niet meer bereikt zullen worden. Voor de komende planperiode van het nieuwe bestemmingsplan Eeserwold (2015 - 2020) moet worden uitgegaan van een veel lagere bedrijfsuitgifte. Wat betreft de Campus (bedrijventerrein) zijn er enkele bedrijfskavels uitgegeven.

In 2013 is er een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een hypermarkt op deze campus. Er is ook een start gemaakt met de realisering van de woningen; op 1 januari 2014 waren er zes woningen gebouwd. De exploitatie van de overige deelgebieden is echter nog niet gestart.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 5 - 16 maart 2015 Het plangebied ligt voor het grootste deel bouwrijp te wachten op verdere invulling en is deels nog in gebruik als agrarisch gebied en Tijdelijke natuur. Figuur 2.3. Luchtfoto status verbindingzone langs de Steenwijker Aa omstreeks 2013 (bron: provincie Overijssel).

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 6 - 16 maart 2015 3 JURIDISCHE KADERS In dit hoofdstuk staan de juridische kaders van de Natuurbeschermingswet 1998, Flora - en faunawet, de voormalige EHS, het Natuur Netwerk Nederland en Tijdelijke natuur beschreven. 3.1 Natuurbeschermingswet 1998 De Natuurbeschermingswet 1998 richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel - en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijnen worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Dit zijn de Natura 2000 -gebieden. De Natuurbeschermingswet 1998 is ook van kracht voor beschermde natuurmonumenten en op gebieden die de Minister van Economische Zaken heeft aangewezen ter uitvoering van internationale verdragen en verplichtingen, zoals de Wetlands-Conventie. Sinds 1 oktober 2005 is het beschermingsregime van de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn in de nationale Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) van kracht. Vanuit de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskade r, inclusief compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden.

Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000 -gebieden zijn aangewezen (of momenteel nog aangemeld), te voorkomen, bepaalt de wet dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op Natura 2000 -gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). In Aanwijzingsbesluiten wordt door het Ministerie van Economische Zaken de bescherming van de Natura 2000 -gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant - en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen ofwel Natura 2000 -doelen, geven een concretisering van de hoofddoelstelling van het Natura 2000 -netwerk voor Nederland. Deze concretisering gebeurt op landelijk niveau en op gebiedsniveau. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. De Natura 2000 -doelen op landelijk en op gebiedsniveau worden vastgelegd in het ‘Natura 2000 Doelendocument’.

‘Het Natura 2000 Doelendocument ’ omvat het landelijke kader van de Natura 2000 -doelen, de bijdrage van Nederland aan het Natura 2000 -netwerk en de bijdrage van concrete gebieden hieraan. De Natura 2000 -doelen betreffen zowel behoud van bestaande waarden als ontwikkeling van waarden. De do elen op gebiedsniveau worden opgenomen in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000 -gebieden. In de beheerplannen wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen willen realiseren. Het aanwijzingsbesluit definieert naast de instandhoudingsdoelstellingen de precieze omvang en begrenzing van het aangewezen gebied. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 7 - 16 maart 2015 Het is een formeel besluit en daarmee het instrument dat burgers, bedrijven en andere overheden direct bindt. Provincies en (rijks)overheid zijn echter verantwoordelijk voor de realisatie van maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Aanwijzingsbesluiten hebben een onbepaalde looptijd en worden vastgesteld door de Minister van Economische Zaken (Ministerie van Economische Zaken). Externe werking Niet alleen activiteiten in ee n Natura 2000 -gebied kunnen invloed hebben op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd.

Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Voor de vergunningverlening betekent dat ook activiteiten buiten het gebied getoetst dienen te worden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. 3.2 Beschermde natura 2000- gebieden Het plangebied Eeserwold ligt niet in een Natura 2000-gebied. Echter er kan wel externe werking optreden in de nabijgelegen Natura 2000 -gebieden. Het doel van deze voortoets is te bepalen of er door externe werking (significant) negatieve effecten kunnen optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden de Wieden (op 4,0 km afstand) Holtingerveld (op 4,2 km afstand) en de Weerribben (op 8,5 km afstand) als gevolg van het project Eeserwold. Op grotere afstand (meer dan 6 km) liggen ook de gebieden Drents Friese Wold en het Dwingelderveld. Voor deze gebieden geldt dat wordt aangenomen dat de grote afstand ten opzichte van het plangebied er voor zorgt dat er geen significante effecten optreden op de natuurwaarden van deze gebieden.

De Weerribben ligt ook buiten de afstand van 6 km, maar doordat de otter voor kan komen in het plangebied en de Wieden en Weerribben belangrijk leefgebied zijn voor de otter, wordt de Weerribben ook meegenomen in de beoordeling. De Wieden, de Weerribben en Holtingerveld worden hieronder beschreven Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 8 - 16 maart 2015 Figuur 3.1. Ligging van het plangebied (in groen kader) ten opzichte van de Wieden en de Weerribben en Holtingerveld (gele arcering) (bron: synbiosys). De Wieden Het gebied de Wieden is een laagveenmoe ras met meren, kanalen, natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos. Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ver in Friesland uitstrekte. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig (Synbiosys, 2015). Instandhoudingsdoelstellingen Het gebied de Wieden is in 2013 definitief aangewezen als Natura 2000 -gebied waarin de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is opgenomen. Tabel 3.1.

Instandhoudingsdoelstellingen de Wieden (bron:synbiosys) SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels Habitattypen H3140 Kranswierwateren -- > > H3150 Meren met krabben - scheer en fontein - kruiden - > > H4010B Vochtige heiden (laagveengebieden) - = = H6410 Blauwgraslanden -- > > H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) + = = H7140A Overgangs- en trilve - nen (trilvenen) -- > =

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 9 - 16 maart 2015 SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels H7140B Overgangs-en trilvenen (veenmosrietlanden) - = = H7210 Galigaanmoerassen - > > H91D0 Hoogveenbossen + = > Habitatsoorten H1016 Zeggekorfslak = = = H1042 Gevlekte witsnuitlibel -- > > > H1060 Grote vuurvlinder -- > > > H1082 Gestreepte waterroofkever -- > > > H1134 Bittervoorn - = = = H1145 Grote modderkruiper - = = = H1149 Kleine modderkruiper + = = = H1163 Rivierdonderpad - = = = H1318 Meervleermuis - = = = H1393 Geel schorpioenmos -- > > > H1903 Groenknolorchis -- = = = H4056 Platte schijfhoren - = = = Broedvogels A017 Aalscholver + = = A021 Roerdomp -- = = A029 Purperreiger -- = = A081 Bruine Kiekendief + = = A119 Porseleinhoen -- = = A122 Kwartelkoning - > > A153 Watersnip -- = = A197 Zwarte Stern -- > > A229 IJsvogel = = A275 Paapje -- > > A292 Snor -- = = A295 Rietzanger - = = A298 Grote karekiet -- > > Niet-broedvogels A005 Fuut - = = 110 A017 Aalscholver + = = behoud A037 Kleine Zwaan - = = 8 A041 Kolgans + = = 3800 A043 Grauwe Gans + = = 1100 A050 Smient + = = 500 A051 Krakeend + = = 150 A059 Tafeleend -- = = 210 A061 Kuifeend - = = 430 A068 Nonnetje - = = 30 Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 10 - 16 maart 2015 SVI Doelstelling Oppervlakte

Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels A070 Grote Zaagbek -- = = 20 A094 Visarend + = = 2 Legenda SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) = Behoudsdoelstelling > Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling =(<) Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering De Weerribben De Weerribben bestaat uit uitgeveende trekgat en, onvergraven legakkers van wisselende breedte, grotere percelen niet -vergraven veen, verlandend water, trilveen rietlanden, graslanden, ruigteterreinen en moerasbossen. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Toen rond 1920 de turfwinning niet meer rendabel was, schakelde de lokale bevolking geleidelijk over op rietteelt. In 1919 werd het Stroink gemaal bij Blokzijl gebouwd om het waterpeil in Noordwest Overijssel onder controle te krijgen. Hierdoor werden de rietlanden minder nat, waardoor het verlandingsproces versnelde en het riet doorgroeid raakte met ruigtekruiden (synbiosys, 2015). Instandhoudingsdoelstellingen Het gebied de Weerribben is in 2013 definitief aangewezen als Natura 2000 -gebied waarin de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is opgenomen. Tabel 3.2. Instandhoudingsdoelstellingen de Weerribben (bron:synbiosys).

SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels Habitattypen H3140 Kranswierwateren -- > > H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden - > > H4010B Vochtige heiden (laag-veengebieden) - > = H6410 Blauwgraslanden -- = > H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) + = = H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) -- > > H7140B Overgangs-en trilvenen (veenmosrietlanden) - = = Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 11 - 16 maart 2015 SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels H7210 Galigaanmoerassen - > > H91D0 Hoogveenbossen - = > Habitatsoorten H1016 Zeggekorfslak = = = H1042 Gevlekte witsnuitlibel -- > > > H1060 Grote vuurvlinder -- > > > H1082 Gestreepte waterroofkever -- > > > H1134 Bittervoorn - = = = H1145 Grote modderkruiper - = = = H1149 Kleine modderkruiper + = = = H1163 Rivierdonderpad - = = = H1318 Meervleermuis - = = = H1903 Groenknolorchis -- = = = H4056 Platte schijfhoren - = = = Broedvogels A021 Roerdomp -- > > A029 Purperreiger -- > > A119 Porseleinhoen -- > > A153 Watersnip -- = = A197 Zwarte Stern -- > > A292 Snor -- > > A295 Rietzanger - = = A298 Grote karekiet -- > > Legenda SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) = Behoudsdoelstelling > Verbeter- of

uitbreidingsdoelstelling =(<) Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering Holtingerveld Holtingerveld (voorheen Havelte-Oost) is een heidegebied op de stuwwal Havelterberg. De Havelterberg bestaat voor een groot deel uit kalkrijke rode keileem, die een slecht doorlatende laag vormt waardoor zelfs boven op de berg natte condities bestaan, waarin dopheidevegetaties voorkomen. Natte en droge heiden en heischrale graslanden in afwisseling met vennen en stuifzanden vormen de belangrijke bestanddelen van deze diversiteit. In de vennen zijn verschillende stadia van ve rlanding aanwezig. Rond de essen komen plaatselijk soortenrijke eikenberkenbossen voor. In de stuifzandgebieden die vrijwel volledig zijn bebost zijn plaatselijk nog kleinschalige stuifzanden aanwezig met karakteristieke soortenarme buntgrasvegetaties (synbiosys, 2015). Instandhoudingsdoelstellingen Het gebied Holtingerveld is in 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied waarin de Habitatrichtlijn is opgenomen. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 12 - 16 maart 2015 Tabel 3.3.

Instandhoudingsdoelstellingen Holtingerveld (bron: synbiosys) SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels Habitattypen H2310 Stuifzandheiden met struikhei -- > > H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen - = = H2330 Zandverstuivingen -- = > H3160 Zure vennen - = > H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) - > > H4030 Droge heiden -- = > H6230 *Heischrale graslanden -- > > H7110B *Actieve hoogvenen (heideveentjes) -- = > H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen - = = H9190 Oude eikenbossen - = > H91D0 *Hoogveenbossen = = Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel = = = H1166 Kamsalamander - > > > Legenda SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) = Behoudsdoelstelling > Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling =(<) Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering Tabel 3.4. Instandhoudingsdoelstellingen Holtingerveld (bron: synbiosys).

SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels Habitattypen H2310 Stuifzandheiden met struikhei -- > > H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen - = = H2330 Zandverstuivingen -- = > H3160 Zure vennen - = > H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) - > > H4030 Droge heiden -- = > H6230 *Heischrale -- > > Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 13 - 16 maart 2015 SVI Doelstelling Oppervlakte Doelstelling Kwaliteit Doelstelling Populatie Draagkracht aantal vogels graslanden H7110B *Actieve hoogvenen (heideveentjes) -- = > H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen - = = H9190 Oude eikenbossen - = > H91D0 *Hoogveenbossen = = Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel = = = H1166 Kamsalamander - > > > Legenda SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) = Behoudsdoelstelling > Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling =(<) Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering 3.3 Flora- en faunawet Sinds 1 april 2002 is de Flora - en faunawet van kracht. De Flora- en faunawet regelt de bescherming van in het wild levende planten en dieren in Nederland door middel van een aantal verbodsbepalingen (zie bijlage). In deze wet zijn de soortbeschermingsbepalingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen.

De opgenomen soorten zijn vaak op landelijk of Europees niveau zeldzaam of bedreigd, maar ook meer algemene soorten zijn beschermd in de wet. Er zijn vier categorieën beschermde soorten: tabel 1, tabel 2, tabel 3 en vogels. De eerste tabel betreft algemene beschermde soorten. Bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt voor deze soorten een vrijstelling voor artikel 8 t/m 12. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld behalve de algemene zorgplicht (art 2 Ff- wet). Voor soorten van tabel 2 (zeldzam e soorten en alle vissen die niet onder de Visserijwet vallen), geldt bij kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling en/of inrichting een vrijstelling voor artikel 8 t/m 12, mits activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de Minister van EZ goedgekeurde gedragscode. Indien niet met een gedragscode kan worden gewerkt, moet ook voor tabel 2 soorten een ontheffing aangevraagd worden. Voor soorten van tabel 3 kan bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting niet gewerkt worden met een gedragscode en is bij overtreding van een verbodsbepaling een ontheffing nodig. Tot tabel 3 behoren alle soorten van de Europese Habitatrichtlijn aangevuld met soorten die in Nederland kwetsbaar en zeldzaam zijn. Voor vogels geldt een aparte beschermingsstatus.

Werkzaamheden o f gebruik van ruimte waarbij vogels worden gedood of verontrust, of waardoor hun nesten of vaste rust - of verblijfplaatsen worden verstoord, zijn verboden. Voor tabel 2 soorten is een ‘lichte toets’ noodzakelijk. In de lichte toets moet er voor worden gezorgd dat de gunstige staat van instandhouding (op landelijk niveau) wordt gegarandeerd en de activiteit moet een redelijk doel dienen. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 14 - 16 maart 2015 Voor de soorten van tabel 3 geldt een ‘uitgebreide toets’. Er mag hierin geen andere bevredigende oplossing zijn voor de geplande activiteit, de gunstige staat van instandhouding dient te worden gewaarborgd en er moet sprake zijn van een bij de wet genoemd belang. De gunstige staat van instandhouding van soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn dient lokaal beoordeeld te worden. Voor de overige soorten uit tabel 3 is de landelijke populatie van belang. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn.

Daarnaast erkent de wet dat ook dieren die geen direct nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn (erkenning van de intrinsieke waarde). Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) of, i n geval van beheer en schadebestrijding, van Gedeputeerde Staten van de provincies. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden. Daarnaast mogen planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Dit is nader omschreven in de algemene verbodsbepalingen, artikel 8 t/m 12. Naast deze verbodsbepalingen is er ook een algemene zorgplicht van toepassing. Deze zorgplicht schrijft voor dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor alle in het wild levende planten en dieren. Ook is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van soorten te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De Flora - en faunawet heeft belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. De interpretatie van de wet is in 2009 en 2013 aangescherpt, mede naar aanleiding van uitspraken van de Raad van State.

Voor een uitgebreide toelichting op de bescherming categorieën, de verbodsbepalingen, het beoordelingskader en een specifieke toelichting op broedvogels, zie bijlage 1. Zorgplicht Voor alle soorten (beschermd en onbeschermd) kent de Ff -wet een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. 3.4 Voormalige EHS: Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het om ringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) en hierna NNN, is planologisch verankerd in de actualisatie van de omgevingsverordening Overijssel 2013. Het NNN bestaat uit natuurkerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en natuurverbindingen. Bestemmingswijzigingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant aantasten zijn niet toegestaan. De provincie Overijssel toetst het plan hierop en hanteert het ‘nee, tenzij’ beginsel’. Wanneer e r significante effecten en geen alternatieven zijn moeten mitigerende en compenserende maatregelen genomen worden. Het plangebied valt deels binnen de begrenzing van het NNN, zie Figuur 3.2.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 15 - 16 maart 2015 Figuur 3.2. Ligging plangebied (in rood kader) ten opzichte van NNN (groene arcering) (bron: provincie Overijssel). 3.5 Tijdelijke natuur Tijdelijk natuurterrein Eeserwold is door projectontwikkelaar Roelofs in samenwerking met Landschap Overijssel ontwikkeld. Flora en fauna mogen op dit terrein hun gang gaan zolang er niet gebouwd wordt. Zodra dit wel het geval is zal de mogelijke aanwezigheid van waardevolle natuur echter geen beletsel zijn om de ontwikkeling door te zetten, hi ervoor heeft het Ministerie Economische Zaken namelijk een ontheffing afgegeven. Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een ontheffing voor Tijdelijke natuur moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:  de uiteindelijke bestemming ligt onherroepelijk vast;  aan eventuele compensatievoorwaarden in het kader van de Flora- en faunawet die de bestemmingswijziging mogelijk maken, is voldaan;  de uiteindelijke bestemming is nog niet gerealiseerd;  er vindt, tussen het moment van bestemmings wijziging en het moment van daadwerkelijke bestemmingsrealisatie, natuurontwikkeling plaats;  er zit minimaal één broedseizoen tussen het toestaan van natuur en de realisatie van de uiteindelijke bestemming. Eeserwold voldoet aan al deze voorwaarden.

R oelofs heeft volgens een inrichtingsplan van Landschap Overijssel een ecozone in het beekdal van de Steenwijker Aa gerealiseerd als compensatie; ruim anderhalve kilometer lang en 75 m breed is deze natuurzone en het doel hiervan is om langs de Steenwijker Aa de leefomstandigheden en doortrekmogelijkheden van planten en dieren te verbeteren. Hiervoor zijn meanders, natte oevers en verschillende ondiepe poelen aangelegd, die nieuw leefgebied vormen voor vissen en amfibieën. Voordelen De Nederlandse overhei d heeft de verantwoordelijkheid om flora en fauna op haar grondgebied in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te houden. Tijdelijke natuur kan hieraan een bijdrage leveren.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 16 - 16 maart 2015 Het biedt planten en dieren een tijdelijk leef - en voortplantingsgebied. Die ti jdelijkheid lijkt een bezwaar, maar veel soorten gedijen juist in gebieden met sterk wisselende omstandigheden. Vooral bij een uitgangssituatie met kale bodems zal tijdelijke natuur een aantrekkingskracht zijn voor ‘pionierssoorten’ zoals plevieren en de r ugstreeppad. Deze zullen weer verdwijnen door natuurlijke successie of doordat de terreinen definitief bebouwd of ontgraven worden. Ontheffing Kern van het nieuwe beleid is dat een terreineigenaar vooraf toestemming krijgt om in het kader van de Flora- en faunawet beschermde soorten te verwijderen op het moment dat het gebied zijn uiteindelijke bestemming krijgt (in dit geval een woonwijk en bedrijventerrein). Als voorwaarde geldt dat de terreineigenaar de natuur zich vrij laat ontwikkelen totdat de werkzaamheden beginnen. Daarnaast geldt de zorgplicht nog wel; waardoor het belangrijk is om op tijd met de voorbereidingen voor het opruimen van de Tijdelijke natuur en de uitvoering van de geplande werkzaamheden te beginnen. Er zal bijvoorbeeld vanaf het begin van het broedseizoen gezorgd moeten worden dat broedvogels zich niet vestigen als er gewerkt gaat worden in het broedseizoen. Figuur 3.3. Informatiebord over de tijdelijke natuur in Eeserwold.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 17 - 16 maart 2015 4 EFFECTEN OP NATUUR In de toekomstige periode wordt het project Eeserwold verder gerealiseerd waarbij er huizen en bedrijven worden gebouwd en de bedrijvigheid en recreatie toe zal nemen. Voor de toetsing onderscheiden we de volgende mogelijke effecten:  Verstoring door geluid en trillingen : dit betreft verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen. Tijdens de bouwfase zijn er machines (zoals heimachines en voertuigen aanwezig en komt er geluid en trillingen vrij van de machines en voertuigen. Tijdens de gebruiksfase is er meer verstoring van recreatie en woon-werk verkeer.  Optische verstoring: Als gevolg van de aanwezigheid van mensen en materiaal kan er sprake zijn van optische verstoring . Optische verstoring kan tot effecten leiden op beschermde diersoorten wanne er deze dieren gedurende langere tijd hierdoor hun leefgebied zullen mijden. Als gevolg waarvan het leefgebied tijdelijk of permanent ongeschikt is.  Stikstofdepositie: Als gevolg van de werkzaamheden zal er een toename zijn van de uitstoot van vermestende en verzurende stoffen door voertuigen die ingezet worden. Dit kan tot verslechtering leiden van gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten.

 Verlies leefgebied: dit gaat om het oppervlaktebeslag van de tijdelijke natuur door de toekomstige huizen en bedrijvenbouw.  Grondwaterstandsdaling: bij de start van de bouw kan het nodig zijn om de bouwkuip droog te malen waardoor dit op kleine schaal effect kan hebben op het grondwaterpeil. Deze verstoringen kunnen mogelijk van invloed zijn op beschermde so orten en gebieden die in of nabij het plangebied voorkomen. Andere storingsfactoren kunnen op voorhand uitgesloten worden. Figuur 4. Plasdrassituatie en houtwal in het plangebied Eeserwold

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 18 - 16 maart 2015 5 QUICKSCAN FLORA –EN FAUNAWET Aan de hand van een quickscan kan snel in beeld worden gebracht wat de daadwerkelijk aanwezige natuurwaarden en te verwachten natuurwaarden, aan de hand van een habitatanalyse zijn in het plangebied. Met een bureaustudie en een veldbezoek zijn de natuurwaarden in beeld gebra cht en op basis hiervan worden de effecten van voortzetting van het project Eeserwold op de beschermde natuurwaarden uit de Flora - en faunawet bepaald en worden de eventuele vervolgstappen aangegeven. 5.1 Werkwijze Met behulp van onder andere de soorteninvent arisaties op de websites telmee.nl, ravon.nl en floron.nl en de eerder uitgevoerde natuuronderzoeken is allereerst een bureaustudie gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten ter hoogte van het plangebied Eeserwold. Donderdag 29 januari 2015 is er e en veldbezoek uitgevoerd in het plangebied Eeserwold door Celine Roodhart, ecoloog in dienst van Royal HaskoningDHV. Het weer was bewolkt en net boven het vriespunt met perioden van zon en buien met natte sneeuw. Het plangebied is te voet doorkruist en ook de directe omgeving van het plangebied is meegenomen in de habitatgeschiktheidsbeoordeling.

Tijdens het veldbezoek is een habitatgeschiktheidsbeoordeling gedaan voor beschermde soorten die volgens de bureaustudie mogelijk voorkomen. Daarbij is vooral gele t op eventuele resterende beschermde vaatplanten, eventuele sporen of oude nesten van broedvogels, otters en het voorkomen van amfibieën. Gezien het seizoen is januari niet de optimale periode om veldonderzoek te doen, maar met een bezoek aan het plangebie d kan wel een goede inschatting van de habitatgeschiktheid worden gemaakt. 5.2 Beschermde soorten Biotoopbeschrijving Het gebied bestaat uit een braakliggend terrein onder de noemer Tijdelijke natuur met in het noorden agrarisch grasland wat in gebruik is d oor melkveehouders. Het zuiden van het gebied bestaat uit een zandwinplas, drassige rietlanden en enkele bedrijfspanden. Het oostelijk deel van het plangebied bestaat uit een ruigtezone met een nevengeul en een vistrap. Midden in het plangebied loopt een h outwal met bomen als zomereik, hazelaar, zwarte els en meidoorn waar algemene zoogdieren zoals ree en konijn voorkomen. Parallel aan deze houtwal loopt een nieuw gegraven watergang en ongeveer 50 m daarna een al langer bestaande watergang, zie Figuur 5.2. Het westelijk deel van het plangebied wordt begrensd door een brede watergang en graslandpercelen.

Vaatplanten Op basis van de bureaustudie en de voorgaande onderzoeken worden blaasjeskruid, wilde marjolein, gewon e dotterbloem en zwanenbloem verwacht in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen (niet het juiste inventarisatieseizoen) maar op basis van een biotoopgeschiktheidsbeoordeling worden bovenstaande soorten wel verw acht. De beschermde vaatplanten kunnen effecten ondervinden van lokale grondwaterstandsdaling en biotoopverlies. Conclusie: beschermde vaatplanten worden verwacht in het plangebied. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 19 - 16 maart 2015 Er is een ontheffing voor de Tijdelijke natuur aanwezig wat inhoudt dat er geen aparte ontheffing meer hoeft te worden aangevraagd voor beschermde vaatplanten. Wel geldt de zorgplicht in het kader van de Flora -en faunawet. Daar , waar beschermde vaatplanten worden aangetroffen geldt dat deze exemplaren uitgespit moeten worden en verplaatst moeten worden naar een locatie met dezelfde milieuomstandigheden waar ze geen effect ondervinden van de werkzaamheden. (Broed)vogels Op basis van de inventarisatiegegevens op telmee.nl en sovon.nl worden de kievit, graspieper, witte kwikstaar t, gele kwikstaart, boerenzwaluw, tapuit en scholekster verwacht in het plangebied.

Op basis van het veldbezoek worden ook de kleine plevier, patrijs, tureluur, watervogels zoals krakeend en zomertaling, rietvogels zoals blauwborst en kleine karekiet en kl eine zangvogels als fitis, putter verwacht in het plangebied. Aan de westkant van de zandwinplas kunnen oeverzwaluwen voorkomen met nesten, in 2003 zat hier een kolonie (Royal Haskoning, 2004). De zandwinplas is geschikt als foerageergebied voor sterns (visdief) en meeuwen (kokmeeuw). Tijdens het veldbezoek zijn torenvalk, wulp, buizerd, kraai, kokmeeuw en kuifeend waargenomen in het plangebied. Daarnaast zijn er enkele kraaiennesten en mogelijk een buizerdnest aangetroffen in de houtwal in het midden van het plangebied. Langs de Steenwijker Aa is een oud nestje van een zangvogel aangetroffen zie Figuur 5.1. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart -15 juli 1) kunnen broedvogels verstoren. Voor all e inheemse vogelsoorten geldt dat verstoren of aantasten van nesten in het broedseizoen verboden is , overtreding (F f-wet artikel 9, 11, 12). Vogels zijn op dezelfde wijze beschermd als tabel 3 -soorten. Ontheffing voor het verstoren van broedvogels wordt in principe niet verleend. Overtreding van de F f-wet wordt voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.

Als dat niet mogelijk is, dient op een andere manier te worden gezorgd dat verstoring wordt voorkomen, een ontheffing is niet mogelijk voor broedvogels. Conclusie: er worden broedvogels verwacht in het plangebied. Overtreding van de Ff - wet wordt voorkomen door buiten het broedseizoen te werken of door ruim voor het broedseizoen (in januari) het plangebied ongeschikt te maken. 1 ook buiten deze periode kunnen vogels broeden Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 20 - 16 maart 2015 Figuur 5.1. Oud nest van een zangvogel (putter) met op de achtergrond de Steenwijker Aa. Vleermuizen De gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis zijn in 2003 (Felix en Boonman) boven de zandwinplas en boven de Steenwijker Aa waargenomen. Vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn destijds niet in het onderzoeksgebied vastgesteld en de verblijfplaatsen worden op basis van habitatgeschiktheid ook nu niet verwacht in het plangeb ied; er staan geen bomen met holtes of kleine gebouwen met spouwmuren. De enige gebouwen die er staan zijn de nieuwbouwhuizen die nog niet geschikt zijn voor vleermuisverblijfplaatsen. De Steenwijker Aa en de houtwal worden mogelijk als vliegroute gebruikt en het plangebied is geschikt als foerageergebied voor alle bovengenoemde soorten.

De houtwal verdwijnt mogelijk door de uitvoering van project Eeserwold maar er zijn in de directe omgeving voldoende lintvormige elementen in de vorm van begroeiing. Ook is er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied waardoor er geen significant effect optreedt wanneer het project Eeserwold verder wordt uitgevoerd. De Steenwijker Aa wordt niet aangetast door de voorgenomen bouwplannen w aardoor effecten op vleermuizen als gevolg van project Eeserwold uitgesloten kunnen worden. Conclusie: Er worden vleermuizen verwacht in het plangebied die mogelijk gebruik maken van het gebied als foerageergebied en vliegroute. Doordat de vliegroute over de Steewijker Aa niet wordt aangetast en er voldoende alternatieven zijn in de directe omgeving van het plangebied voor foerageergebieden en vliegroutes, kunnen effecten uitgesloten worden. Zoogdieren Op basis van de literatuurstudie worden otter (zwaar beschermd, tabel 3 bijlage IV), mol, egel, (spits)muizen, vos, bunzing, steenmarter, ree, haas en konijn (alle tabel 1, algemene soort) verwacht in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn ree, haas en konijn waargenomen, zie figuur 5.2 . Ook zijn er molshopen en muizengaten aangetroffen.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 21 - 16 maart 2015 Op basis van een habitatgeschiktheidsbeoordeling en contact met Mark Zekhuis (ecoloog Landschap Overijssel) is daarnaast het voorkomen van de otter langs de Steenwijker Aa vastgesteld. Voor de algemene tabel 1 soorten geldt de zorgplicht. Voor de zwaar beschermde otter geldt dat vooral de extra verkeersbewegingen die de realisatie van project Eeserwold met zich meebrengt, een belangrijk effect kunnen hebben op de otter. De otter komt voor in de Steenwijker Aa en de directe omgeving daarvan in de oevers en in de ruigtevegetatie van de Ecozone. Op dit moment ligt er een fietspad langs de Steenwijker Aa en een zanddepot waar vrachtverkeer op en neer rijdt. Het zanddepot en de ecozone van de Steenwijker Aa zijn op dit moment van elkaar gescheiden door een hoog hekwerk, waardoor er geen verkeersslachtoffers van de otter zullen vallen door het vrachtverkeer hier. Dit hek zal goed onderhouden moeten worden en daarnaast zal het fietspad alleen toegankeli jk moeten blijven voor fietsers en wandelaars, waardoor hier, op dit moment significante effecten op de otter uitgesloten kunnen worden. Het bouwverkeer naar de bouwlocaties kan zorgen voor effecten op de otter, in de vorm van aanrijdingen.

Om dit effect z o goed mogelijk in te perken wordt aanbevolen om faunabuizen onder de wegen die dichtbij de Steenwijker Aa liggen aan te leggen zo gauw er bouwwegen of toegangswegen worden aangelegd. Verder zal door de vordering van het project Eeserwold de recreatiedruk langs de Steenwijker Aa toenemen waardoor er meer visuele en geluidsverstoring voor de otter op zal treden. Echter doordat de otter een zeer mobiele soort is en geen vaste verblijfplaats heeft, worden significante effecten als gevolg van deze verstoring ui tgesloten. Er zal verder geen habitatverlies optreden omdat de ecozone een permanente groene zone is in het kader van de compensatie voor de Flora - en faunawet, NNN en de KRW. Daarnaast dient deze relatief brede zone van 75 m ook als buffer voor de visuele en geluidsverstoring van de recreanten op het fietspad. Conclusie: voor algemeen voorkomende zoogdieren geldt de zorgplicht. De otter is een zwaar beschermde soort en hiervoor geldt dat hij vooral voor komt in de Steenwijker Aa en de directe omgeving hie rvan waardoor er faunabuizen aangelegd moeten worden onder wegen die grenzen aan de Steenwijker Aa, of er vlakbij liggen.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 22 - 16 maart 2015 Figuur 5.2 Een haas en holen van konijnen in het plangebied Amfibieën Op bas is van de bureaustudie worden rugstreeppad (tabel 3) meerkikker, middelste groene kikker, bruine kikker en gewone pad verwacht in het plangebied (Ravon, 2015). De poelachtige wateren, snel opwarmende plassen en ruigtezones en flauwe oevers vormen het leefgebied en voortplantingsbiotoop voor deze soorten zie Figuur 5.3 . In de sloten en de visvijver die grenst aan de A32 komen bruine kikker, meerkikker, middelste groene kikker en kleine watersalamander voor. Door het verder uitvoeren van project Eeserwold kan er mogelijk effect optreden op dit leefgebied en deze voortplantingswateren. Er zal vervolgonderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd moeten worden om de effecten uit te kunnen sluiten of aan te kunnen tonen. He t plangebied is zowel in de overwintering als tijdens de voortplanting relevant, want er zijn ondiepe wateren en snel opwarmende poelen aanwezig maar ook goed vergraafbare grond waar de soort kan overwinteren. Er is een ontheffing voor de Flora- en faunawet aanwezig in het kader van de Tijdelijke natuur maar de zorgplicht blijft gelden. Conclusie: De zwaar beschermde rugstreeppad en andere meer algemene amfibieën worden verwacht in het plangebied.

In het kader van de Tijdelijke natuur is er al een ontheffing aanwezig maar de zorgplicht blijft gelden. Om zo goed mogelijk de zorgplicht toe te kunnen passen op de rugstreeppad wordt aanbevolen om met vervolgonderzoek inzichtelijk te maken of de soort daadwerkelijk aanwezig is.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 23 - 16 maart 2015 Figuur 5.3. Leefgebied voor amfibieën in het zuidwestelijk deel van het plangebied. Reptielen Op basis van de bureaustudie en het veldonderzoek worden er geen reptielen verwacht in het plangebied. Mogelijk dat het gebied direct grenzend aan de Steenwijker Aa in de toekomst leefgebied kan worden van de ringslang, maar deze soort komt hier nu niet voor. Hierdoor kunnen effecten op reptielen op voorhand uitgesloten worden. Vissen Op basis van de bureaustudie worden het bermpje, bittervoorn kleine modderkruiper en de grote modderkruiper verwacht in het plangebied (Ravon.nl). Op basis van een habitatgeschiktheidsbeoordeling in het veld worden deze soorten ook verwacht, er is bijvoorbeeld zwanenmossel gevonden, dit duidt er op dat er ook bitte rvoorn kan voorkomen, omdat deze soort voor zijn voortplanting afhankelijk is van de zwanenmossel, zie ook Figuur 5.4. Het bermpje is een soort die zich in kleine tot middelgrote stromende wateren ophoudt, met een grindrijke zandige bodem. Behalve in beken worden ze ook regelmatig in sloten aangetroffen (Ravon, 2015). Verder worden meer algemene soorten zoals tiendoornige stekelbaars, gewone baars en zeelt verwacht in het plangebied. Bij uitvoering van het project gaan de polderslo ten verloren en verdwijnt het leefgebied voor bovenstaand e vissoorten.

Er is echter voldoende alternatief leefgebied in de Steenwijker Aa en de nevengeul. Omdat de zorgplicht geldt ondanks dat er een ontheffing voor de Flora- en faunawet aanwezig is in he t kader van de Tijdelijke natuur, kunnen de vissen tijdig voor het dempen van de sloten worden verplaatst naar dit alternatief leefgebied waardoor effecten op vissen uitgesloten kunnen worden.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 24 - 16 maart 2015 Conclusie: er komen beschermde vissoorten voor in het plangebied en er is voldoende alternatief leefgebied beschikbaar wanneer het project Eeserwold straks verder uitgevoerd wordt. Door in het kader van de zorgplicht de vissen voor het dempen van de watergangen weg te vangen en te verplaatsen naar het alternatieve zee r geschikte leefgebied, worden effecten voorkomen. Figuur 5.4. Een zwanenmossel en geschikte watergangen in het plangebied als leefgebied voor vissen zoals bittervoorn en bermpje. Insecten en ongewervelden Op basis van de bureaustudie worden (nog) geen beschermde insecten en ongewervelden verwacht in het plangebied, maar het gebied wordt steeds meer geschikt voor deze soortgroep, dus deze kunnen wel voor gaan komen. Er zijn wel meer algemene soorten aangetroffen zoals de heidelibel en grasjuffers (landschap Overijssel, 2011). Doordat er nu nog geen beschermde soorten voor komen kunnen effecten worden uitgesloten. Conclusie: er komen geen beschermde insecten voor waardoor effecten uitgesloten kunnen worden. Wel geldt de zorgplicht.

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 25 - 16 maart 2015 6 VOORTOETS NATUURBESCHERMINGSWET 1998 De werkzaamheden vinden buiten de Natura 2000 -gebieden plaats. Er is daarom geen sprake van optische verstoring of verlies van leefgebied. Ook kunnen effecten van grondwaterstanddaling o p voorhand uitgesloten worden omdat dit een zeer lokale activiteit is en daarnaast zeer tijdelijk. Echter kan het door externe werking stikstofdepositie en of geluid en trillingen mogelijk wel een verstorend of verslechterend effect hebben op de Natura 200 0-instandhoudingsdoelstellingen. Op basis van een kwalitatieve beoordeling wordt in dit hoofdstuk bepaald of er (significant) negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden de Wieden, de Weerribben of het Holtingerveld. 6.1 Effectbeoordeling de Wieden De mogelijke effecten op Natura 2000 - gebied de Wieden worden hieronder per soortgroep of habitat beschreven. 6.1.1 Habitatttypen Stikstofdepositie Vooral de habitattypen kranswierwateren, blauwgrasland, overgangs - en tri lvenen en vochtige heide zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkee r tijdens de gebruiksfase.

Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen. Door de afstand van meer dan 3 km van het plangebied ten opzichte Natura 2000-gebied de Wieden kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. Significante effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitattypen in de Wieden zijn op voorhand uit te sluiten. Geluid en trillingen Deze storingsfactor is niet van toepassing op habitattypen. Er treden geen (significant) negatieve effecten op. 6.1.2 Habitatsoorten Stikstofdepositie De habitatsoorten geel schorpioenmos, groenknolorchis, grote vuurvlinder en gevlekte witsnuitlibel zijn gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie. Al deze soorten hebben een zeer lokale verspreiding. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmi ddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase. Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen.

Door de afst and van meer dan 3 km van het plangebied ten opzichte natura 2000 -gebied de Wieden kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 26 - 16 maart 2015 (Significant) negatieve effecten als gevolg van een toename in stikstofdepositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitatsoorten in de Wieden zijn op voorhand uit te sluiten. Geluid en trillingen De aangewezen habitatsoorten die gevoelig zijn voor onderwatergeluid zijn de vissen; grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, bittervoorn en de meervleermuis. De werkzaamheden vinden op land plaats en niet in het water. Mogelijk kunnen de trillingen en/of geluid afkomstig van heimachines, de bouwwerkzaamheden en het vrachtverkeer zich voortplanten van het land naar het water, zie ook figuur 6 1. Echter is de afstand tussen het plangebied en de Wieden meer dan 3 km waardoor het niet realistisch is om te denken dat de zeer lokale heiactiviteiten en verkeersbewegingen effect hebben op habitatsoorten in de Wieden. Daarnaast wordt er overdag gewerkt waardoor effecten op de meervleermuis die ’s nachts actief is, uitgesloten.

Doordat de Wieden op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied ligt, is er geen sprake van een geluidstoename in de Wieden en treden er geen (significante) effecten op de beschermde vissen en de meervleermuis. Significante effecten als gevolg van een toename in geluid en trillingen op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitatsoorten in de Wieden zijn uitgesloten. Figuur 6.1. De in aanbouw zijnde en al gerealiseerde villa's in Eeserwold langs de zandwinplas

Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 27 - 16 maart 2015 6.1.3 Broedvogels Stikstofdepositie De aangewezen broedvogelsoorten bruine kiekendief en ijsvogel in het Natura 200 0- gebied de Wieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie (effectenindicator, 2015). Dit hangt voor de bruine kiekendief af van de status van zijn leefgebied; de bruine kiekendief broedt in rietlanden en door stikstofdepositie kan rietland verrijken waardoor er opslag van ruigtes en bomen ontstaat met als gevolg dat zijn habitat ongeschikt wordt. Voor de ijsvogel geldt dat hij vooral afhankelijk is van een goed e waterkwaliteit. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase. Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en beweginge n. Door de afstand van meer dan 3 km van het plangebied ten opzichte Natura 2000 - gebied de Wieden kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. (Significant) negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van de niet -broedvogelsoorten in de Wieden zijn uitgesloten.

Geluid en trillingen De aangewezen broedvogels zijn niet gevoelig zijn voor verstoring door geluid en/of trillingen. En daarnaast ligt het plangebied op meer dan 3 km afstand van de Wieden, waardoor effecten uitgesloten kunnen worden. (Significant) negatieve effecten op de aangewezen broedvogelsoorten als gevolg van geluidsverstoring en trillingen zijn uitgesloten. 6.1.4 Niet-broedvogels Stikstofdepositie De aangewezen niet- broedvogelsoorten paapje, roerdomp, watersnip en zwarte stern in het Natura 2000 -gebied de Wieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie (effectenindicator, 2015). Dit hangt voor al deze soorten af van de status van het leefgebied; het paapje en de roerdomp komen voor in rietlanden en door stikstofdepositie kan rietland verrijken waardoor er opslag van ruigtes en bomen ontstaat waardoor zijn habitat ongeschikt wordt. Voor de watersnip en zwarte stern geldt dat hij voornamelij k in open, nat gebied voorkomt, waardoor de successie van het gebied ook beperkt moet zijn. Voor de zwarte stern geldt daarnaast dat de waterkwaliteit (zichtjager) goed moet zijn. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitst oot van machines en transportmiddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase.

Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bron nen en bewegingen. Door de afstand van meer dan 3 km van het plangebied ten opzichte N atura 2000 -gebied de Wieden kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. (Significant) negatieve effe cten als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van de niet -broedvogelsoorten in de Wieden zijn uitgesloten. Natuurtoets Eeserwold BD4157/R003-C1/TRA/NVW/Gron Concept rapport - 28 - 16 maart 2015 Geluid en trillingen De aangewezen niet - broedvogels zijn niet gevoelig zijn voor verstoring door geluid en/of trillin gen. En daarnaast ligt het plangebied op meer dan 3 km afstand van de Wieden, waardoor effecten uitgesloten kunnen worden. (Significant) negatieve effecten op de aangewezen broedvogelsoorten als gevolg van geluidsverstoring en trillingen zijn uitgesloten. 6.2 Effectbeoordeling de Weeribben De mogelijke effecten op Natura 2000 - gebied de Weeribben worden hieronder per soortgroep of habitat beschreven. 6.2.1 Habitatttypen Stikstofdepositie Vooral de habitattypen kranswierwateren, blauwgrasland, overgangs - en trilve nen en vochtige heide zijn gevoelig voor stikstofdepositie.

De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens de bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase. Zowel de tijdelijke als de permanente toename van stikstofdepositie zal veroorzaakt worden door zeer lokale bronnen en bewegingen. Door de afstand van meer dan 8 km van het plangebied ten opzichte Natura 2000-gebied de Weeribben kunnen significante effecten als gevolg van de mogelijke toename van lokale stikstofdepositie uitgesloten worden. Significante effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de instandhoudingdoelstelling van de habitattypen in de Weeribben zijn op voorhand uit te sluiten. Geluid en trillingen Deze storingsfactor is niet van toepassing op habitattypen. Er treden geen (significant) negatieve effecten op. 6.2.2 Habitatsoorten Stikstofdepositie De habitatsoorten groenknolorchis, grote vuurvlinder en gevlekte witsnuitlibel zijn gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie. Al deze soorten hebben een zeer lokale verspreiding. De mogelijke toename van stikstofdepositie komt van de tijdelijk extra uitstoot van machines en transportmiddelen tijdens d e bouw en de toename van verkeersbewegingen van auto’s en vrachtverkeer tijdens de gebruiksfase.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/4343bb30-0df7-4f0f-a2d8-f0e39359db54?agendaItemId=b978c23e-8403-43c9-a50b-b7491602e9f2