CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Marijenkampen 16.pdf

Politieke Markt 17 november 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Marijenkampen 16 in Marijenkampen76.960 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 7 van 8

(088) 233 17 17 Volg ons:            Bijlage 9 Watertoetsdocument 223 Marijenkampen 16 Marijenkampen Pagina 1 van 5 Watertoetsdocument Plannaam: Marijenkampen 16 Plaatsnaam: Marijenkampen Gemeente: Steenwijkerland Doel en inhoud van het document Het watertoetsdocument is opgesteld op basis van het door u op 9 mei 2017 ingediende digitale watertoets formulier. Daarnaast zijn de gegevens in dit document gebaseerd op geografische k aarten en gebiedsgegevens van het waterschap. Kijk voor meer informatie over de werkwijze omtrent de watertoets op de website van het waterschap. De uitgangspunten die door waterschap Drents Overijsselse Delta worden gehanteerd in het watertoetsproces, zijn afkomstig uit het Waterbeheerplan 2016-2021 en beleidsnotitie stedelijk waterbeheer Water Raakt!. Het doel van het watertoetsdocument is om u bruikbare informatie aan te leveren op basis waarvan de waterhuishouding in en rond het plangebied kan worden geregeld. Met dit document krijgt u inzic ht in: 1. De bestaande waterhuishouding van het plangebied; 2. Concrete uitgangspunten voor het plan op basis waarvan u waterhuishouding kunt regelen ; en 3. Het vervolg van de watertoets en de uiteindelijke beoordeling van het waterschap in het k ader van de watertoets.

In het document van de digitale watertoets is aangegeven dat de ontwikkeling het volgende betreft:”Uitbreiding melkveehouderij Marijenkampen 16 te Marijenkampen”. 1. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied de boezem van Noordwest Overijssel. Het peilgebied heeft ee n maximumpeil van NAP -0.73 m. Opgemerkt wordt dat dit peil de instelhoogte van het kun stwerk is en zodoende voor het laagste deel van het peilvak de drooglegging garandeert. Lokaal kunnen dus (grote) verschillen optreden. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP 7.80 m De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit zand en keileem ondergrond. De maximale grondwaterstand ligt op 40 – 80 (Gt VIo) cm onder het maaiveld. Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maai veld voorkomen.

Marijenkampen 16 Marijenkampen Pagina 2 van 5 Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied Marijenkampen 16. Marijenkampen 16 Marijenkampen Pagina 3 van 5 2. Uitgangspunten voor het plan Het waterschap geeft u concrete uitgangspunten die in het plan moeten worden verwerkt. U krijgt de vrijheid om de uitgangspunten zelf te vertalen in maatregelen. Eventueel kan over maatregelen advies worden gevraagd aan het waterschap. Dat geldt ook voor onduidelijke uitgangspunten of uitgangspunten waar u het niet mee eens bent. Bij elk thema wordt ook verwezen naar relevante hoofdstukken uit het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) van het waterschap Drents Overijsselse Delta en uit beleidsnotitie Water Raakt! (WR!). Doelstelling en uitgangspunten per thema voor plannen op inrichtingsniveau (Grond) wateroverlast WBP hoofdstukken: 3, 4 WR! hoofdstukken: 2, 3, 4, 7 Doelstelling Vergroten veerkracht van watersysteem door niet afwentelen van problemen met water. Ontwerpen op basis van: 1 vasthouden – 2 bergen – 3 afvoeren. Uitgangspunt  Compensatie: Voor middelgrote plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet als wateroppervlak ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende regenwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 4500 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 450 m2 moet worden aangelegd.

 Aanleghoogte bebouwing: Om wateroverlast en grondwateroverlast rond de bebouwing te voorkomen adviseert het waterschap om de bebouwing op voldoende hoogte aan te leggen. Het waterschap adviseert een aanleghoogte van ten minste 30 cm boven straatpeil.  Grondwateroverlast bij bebouwing: In gebieden met een slechte bodemgesteldheid (keileem, klei, veen) of met een te hoge grondwaterstand dicht onder het maaiveld kan grondwateroverlast optreden. Dit wordt voorkomen door de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het plangebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en particulier terrein. Waterkwaliteit en ecologie WBP hoofdstukken: 5, 6.1, 6.2 WR! hoofdstukken: 5, 6 Doelstelling In (stads)wateren wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en helofyten. Uitgangspunt  Eutrofiëring (vermesting): de inrichting van het watersysteem moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het ecosysteem wordt voorkomen. Bij de inrichting van het agrarische terrein wordt rekening gehouden met het ‘activiteitenbesluit’. Er wordt gezorgd voor bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen.

 Microverontreiniging: Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan.  Afkoppelen: Regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Minder schoon regenwater wordt via een zuiverende passage/voorziening geloosd op het oppervlaktewater. Marijenkampen 16 Marijenkampen Pagina 4 van 5 Riolering WBP hoofdstuk: 6 WR! hoofdstukken: 5, 6 Doelstelling Verminderen hydraulische belasting RWZI. Beperking van (vuilwater) overstorten. Uitgangspunt  Gescheiden afvoer: Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water.  Kwaliteit hemelwater: Alleen schone oppervlaktes mogen worden gescheiden van de afvalwaterstroom. Er wordt een zuiverende passage/voorziening aangebracht voordat vervuild hemelwater (zoals afstromend van een parkeerterrein) wordt geloosd op het oppervlaktewater.

Watervoorziening WBP hoofdstuk: 4 Doelstelling Voorzien van de bestaande functie van water, van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid, op het juiste moment. Beperken nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. Uitgangspunt  Relatie oppervlaktewater en grondwater: Geen onnodig diepe drooglegging en ontwatering. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig.  Flexibel peilbeheer: Een flexibel peil wordt toegepast en afgestemd op relatie oppervlaktewater en grondwater en op aanwezigheid van regenwateruitlaten en/of riooloverstorten.  Inrichting: Gebiedseigen water wordt vastgehouden en aanvoer van gebiedsvreemd water wordt zoveel mogelijk beperkt. Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen wordt vermeden. Verdroging/Vernatting WBP hoofdstuk: 4 WR! hoofdstuk: 4 Doelstelling Beschermen karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden. Ontwikkeling/bescherming van rijke, gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Uitgangspunt  Verdroging van natuur: Verdroging als gevolg van functiewijziging wordt tegengegaan. Optimaal peil voor omliggende functies blijft gehandhaafd.

Marijenkampen 16 Marijenkampen Pagina 5 van 5 3. Vervolg watertoets en beoordeling Informeel overleg over de uitgangspunten Met dit document heeft u handvatten om de waterhuishouding op orde te brengen. Indien u het niet eens bent met de genoemde uitgangspunten of behoefte heeft aan nadere uitleg van de uitgangspunten, kunt u hierover overleg voeren met het waterschap. Het is de bedoeling dat u op basis van dit document het plan uitwerkt. Beoordeling en officieel wateradvies Vervolgens wordt het plan ter beoordeling naar het waterschap gestuurd. In de meeste gevallen geeft het waterschap haar wateradvies in het vooroverleg zoals dat bedoeld is in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Het waterschap kan alleen een officieel wateradvies afgeven op basis van een compleet p lan. Dat wil zeggen dat wij een bestemmingsplan beoordelen op basis van de toelichting, de voorschriften en de plankaart. Alleen de waterparagraaf geeft ons onvoldoende informatie. Controle op het watertoetsproces Het waterschap controleert of het officiële wateradvies is opgenomen in het plan. Afhankelij k van het moment waarop ons wateradvies is gegeven, gebeurt dat op basis van het voorontwerp of het ontwerp bestemmingsplan. Eventueel vraagt het waterschap bij de gemeente naar het definit ieve besluit op het bestemmingsplan.

Geldigheid van het watertoetsdocument De uitgangspunten in dit watertoetsdocument komen tot stand op basis van beleidsregels. Ruimtelij ke plannen hebben soms een lange doorlooptijd. Tegelijkertijd ontstaan er soms veranderende inzichten in het beleid ten aanzien van de waterketen en het watersysteem. Verder is het watersysteem aan verandering onderhevig. Om te garanderen dat de juiste uitgangspunten worden toegepast in d e planvorming hanteert het waterschap een uiterste houdbaarheidsdatum van maximaal 1 jaar . Onderaan het document vindt u deze termijn. Wanneer deze termijn verstreken is kunt u contact opnemen met het waterschap voor eventueel een verlenging van nogmaals 1 jaar. Heeft u een watervergunning nodig op grond van de Waterwet? Het wateradvies dat uiteindelijk wordt afgegeven in het kader van de watertoets is geen watervergunning. Gaat u werkzaamheden verrichten in de verbodszone, of gaat u grondwater onttrekken voor de werkzaamheden? Dan kunt u een watervergunning aanvragen op de website: www.omgevingsloket.nl. De aanvraag zal getoetst worden aan het dan vastgestelde beleid. Dat kan het huidige beleid zijn of, afhankelijk van de tussenliggende periode, gewijzigd beleid. In de uitgangspunten (paragraaf 2) is aangegeven waar mogelijk een watervergunning voor moet worden aangevraagd.

© Waterschap Drents Overijsselse Delta Dit document is opgesteld door S.Habing op 29 mei 2017 De geleverde informatie in dit watertoetsdocument is houdbaar tot maximaal 1 jaar na bovengenoemde datum en heeft alleen betrekking op het plan, zoals dat wordt genoemd bovenaan de eerste pagina. De informatie kan niet worden gebruikt ten behoeve van andere plannen. Bijlage 10 Bedrijfsomvang bestaande situatie 229 Bedrijfsomvang en -type volgens NSO-typering 2017 De ingevoerde gegevens leiden tot de volgende informatie: EenheidResultaatOmschrijving euro524.400Standaardopbrengst (SO) ha57Totale oppervlakte cultuurgrond Bedrijfstype volgens NSO-typering 4500 - MelkveebedrijvenSubtype 4 - GraasdierbedrijvenHoofdtype 23-11-2017 Specificatie van ingevoerde gegevens, normen en SO per product Klasse 4: 100.000 – 250.000 euro: grote bedrijvenGrootteklasse o.b.v. SVC euro140.540Standaardverdiencapaciteit (SVC) In statistiek en onderzoek worden bedrijven vaak ingedeeld naar bedrijfstype en bedrijfsomvang. Sinds 2010 wordt daarvoor de NSO-typering en de Standaardopbrengst (SO) gebruikt. Ook voor beleid wordt gebruik gemaakt van deze kengetallen. Wageningen Economic Research berekent en beheert de normen en biedt op internet een rekenmodule aan, waar bedrijfsgegevens kunnen worden ingevuld en waar deze rapportage wordt samengesteld.

Dit rapport is via die rekenmodule samengesteld op De gegevens en de gebruikte normen horen bij de Landbouwtelling van Standaard- opbrengst SO per eenheidEenheidAantalCategorie Akkerbouwgewassen 17.8201.620ha, gemeten maat11Snijmais Grasland en weiden 57.5001.250ha, gemeten maat46Blijvend grasland Rundvee: melk- en fokvee (geen vleesvee) 22.680540aantal dieren42Fokjongvee 1 tot 2 jaar vrouwelijk 0400aantal dieren52Fokjongvee jonger dan 1 jaar vrouwelijk 426.4003.280aantal dieren130Melk- en kalfkoeien AgrimatieU kunt resultaten van groepen bedrijven bekijken in *) Aan de kalveren jonger dan 1 jaar wordt geen norm toegekend, omdat de opbrengst van die dieren is meegenomen in de norm van de koeien. Wageningen Economic Research is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan door het gebruik van de Rekenmodule, door het beëindigen van het beschikbaar stellen ervan of door conclusies en besluiten van gebruikers op basis van de uitkomsten ervan. Toelichting bij de kengetallen Bedrijfstype De agrarische bedrijven in Nederland verschillen onderling sterk in bedrijfsopzet. Op het ene bedrijf wordt bijvoorbeeld melk geproduceerd en op een ander bedrijf appels. Om bedrijven te kunnen indelen en met elkaar te kunnen vergelijken wordt de Standaardopbrengst (SO) gebruikt.

Met behulp van de SO-normen kunnen de appels en de koeien bij elkaar worden geteld en kan de economische bedrijfsomvang (SO) en het NSO-bedrijfstype (specialisatiegraad) van agrarische bedrijven worden berekend. Informatie over de verschillende typen is opgenomen in de notities op de website: De agrarische bedrijven in Nederland verschillen onderling sterk in bedrijfsopzet. Op het ene bedrijf wordt bijvoorbeeld melk geproduceerd en op een ander bedrijf appels. Om bedrijven te kunnen indelen en met elkaar te kunnen vergelijken wordt de Standaardopbrengst (SO) gebruikt. Met behulp van de SO-normen kunnen de appels en de koeien bij elkaar worden geteld en kan de economische bedrijfsomvang (SO) en het NSO-bedrijfstype (specialisatiegraad) van agrarische bedrijven worden berekend. Informatie over de verschillende typen is opgenomen in de notities op de website: Wageningen Economic Research Standaardopbrengst (SO) De bedrijfsomvang van een bedrijf wordt gemeten in Standaardopbrengst (SO). Voor elke gewas- en diersoort uit de Landbouwtelling is een SO-norm berekend, die de opbrengsten per eenheid weergeeft die onder normale omstandigheden op jaarbasis behaald worden. De bedrijfsomvang wordt berekend als een sommatie van alle eenheden van de producten maal hun SO-norm.

De opbrengsten van toeslagen, subsidies en verbredingsactiviteiten zijn niet meegenomen in de normen en dus ook niet in de totale SO van het bedrijf. Standaard verdiencapaciteit (SVC) De bedrijfsomvang in SO is over bedrijfstypen heen niet sterk gerelateerd met de arbeidsinzet of het resultaat van een bedrijf. Een akkerbouwer houdt van 100.000 euro opbrengsten bijvoorbeeld meer over dan een vleesvarkenshouder. Met het kengetal SVC wordt daarvoor gecorrigeerd. De SVC geeft een beeld van de vergoeding voor de inzet van arbeid en kapitaal (toegevoegde waarde) die op basis van standaarden gemiddeld in een jaar wordt behaald met de betreffende agrarische productie. De werkelijk gerealiseerde toegevoegde waarde van een bedrijf zal nooit gelijk zijn aan de berekende SVC, vanwege verschillen in prijsvorming, technisch resultaat, productbewerking, subsidies en/of multifunctionele activiteiten. Grootteklasse SVC Voor het handiger gebruik van de SVC zijn standaard-grootteklassen vastgesteld. De gehanteerde grenzen van die klassen zijn gebaseerd op de gemiddelde verhouding van de SVC per arbeidskracht en dus min of meer bij een gemiddeld-efficiënte arbeidsinzet. De werkelijke arbeidsinzet van een bedrijf hangt mede af van de mate van mechanisering.

Omdat de werkelijke toegevoegde van een bedrijf af kan wijken van de norm is het mogelijk dat de omschrijving bij de grootteklasse niet van toepassing is op het individuele bedrijf. De uitkomsten moeten dan ook vooral als een (globale) richtlijn worden gezien. Er zijn 5 klassen gedefinieerd op basis van het bedrag aan SVC: 1. < 25.000 euro: zeer kleine bedrijven Deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van maximaal 0,75 arbeidsjaareenheden (aje), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. 2. 25.000 – 60.000 euro: kleine bedrijven Deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van 0,75 tot maximaal 1,5 aje, afhankelijk van de mate van automatisering en de efficiëntie waarmee de arbeid kan worden ingezet. 3. 60.000 – 100.000 euro: middelgrote bedrijven Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 1,5 tot 2,5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. 4. 100.000 – 250.000 euro: grote bedrijven Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. 5. >= 250.000 euro: zeer grote bedrijven Deze bedrijven kunnen aan meer dan 5 aje arbeid bieden tegen een gemiddelde vergoeding.

Bijlage 11 Bedrijfsomvang gewenste bedrijfsopzet 232 Bedrijfsomvang en -type volgens NSO-typering 2017 De ingevoerde gegevens leiden tot de volgende informatie: EenheidResultaatOmschrijving euro763.720Standaardopbrengst (SO) ha57Totale oppervlakte cultuurgrond Bedrijfstype volgens NSO-typering 4500 - MelkveebedrijvenSubtype 4 - GraasdierbedrijvenHoofdtype 23-11-2017 Specificatie van ingevoerde gegevens, normen en SO per product Klasse 4: 100.000 – 250.000 euro: grote bedrijvenGrootteklasse o.b.v. SVC euro204.680Standaardverdiencapaciteit (SVC) In statistiek en onderzoek worden bedrijven vaak ingedeeld naar bedrijfstype en bedrijfsomvang. Sinds 2010 wordt daarvoor de NSO-typering en de Standaardopbrengst (SO) gebruikt. Ook voor beleid wordt gebruik gemaakt van deze kengetallen. Wageningen Economic Research berekent en beheert de normen en biedt op internet een rekenmodule aan, waar bedrijfsgegevens kunnen worden ingevuld en waar deze rapportage wordt samengesteld.

Dit rapport is via die rekenmodule samengesteld op De gegevens en de gebruikte normen horen bij de Landbouwtelling van Standaard- opbrengst SO per eenheidEenheidAantalCategorie Akkerbouwgewassen 17.8201.620ha, gemeten maat11Snijmais Grasland en weiden 57.5001.250ha, gemeten maat46Blijvend grasland Rundvee: melk- en fokvee (geen vleesvee) 32.400540aantal dieren60Fokjongvee 1 tot 2 jaar vrouwelijk 0400aantal dieren80Fokjongvee jonger dan 1 jaar vrouwelijk 656.0003.280aantal dieren200Melk- en kalfkoeien AgrimatieU kunt resultaten van groepen bedrijven bekijken in *) Aan de kalveren jonger dan 1 jaar wordt geen norm toegekend, omdat de opbrengst van die dieren is meegenomen in de norm van de koeien. Wageningen Economic Research is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan door het gebruik van de Rekenmodule, door het beëindigen van het beschikbaar stellen ervan of door conclusies en besluiten van gebruikers op basis van de uitkomsten ervan. Toelichting bij de kengetallen Bedrijfstype De agrarische bedrijven in Nederland verschillen onderling sterk in bedrijfsopzet. Op het ene bedrijf wordt bijvoorbeeld melk geproduceerd en op een ander bedrijf appels. Om bedrijven te kunnen indelen en met elkaar te kunnen vergelijken wordt de Standaardopbrengst (SO) gebruikt.

Met behulp van de SO-normen kunnen de appels en de koeien bij elkaar worden geteld en kan de economische bedrijfsomvang (SO) en het NSO-bedrijfstype (specialisatiegraad) van agrarische bedrijven worden berekend. Informatie over de verschillende typen is opgenomen in de notities op de website: De agrarische bedrijven in Nederland verschillen onderling sterk in bedrijfsopzet. Op het ene bedrijf wordt bijvoorbeeld melk geproduceerd en op een ander bedrijf appels. Om bedrijven te kunnen indelen en met elkaar te kunnen vergelijken wordt de Standaardopbrengst (SO) gebruikt. Met behulp van de SO-normen kunnen de appels en de koeien bij elkaar worden geteld en kan de economische bedrijfsomvang (SO) en het NSO-bedrijfstype (specialisatiegraad) van agrarische bedrijven worden berekend. Informatie over de verschillende typen is opgenomen in de notities op de website: Wageningen Economic Research Standaardopbrengst (SO) De bedrijfsomvang van een bedrijf wordt gemeten in Standaardopbrengst (SO). Voor elke gewas- en diersoort uit de Landbouwtelling is een SO-norm berekend, die de opbrengsten per eenheid weergeeft die onder normale omstandigheden op jaarbasis behaald worden. De bedrijfsomvang wordt berekend als een sommatie van alle eenheden van de producten maal hun SO-norm.

De opbrengsten van toeslagen, subsidies en verbredingsactiviteiten zijn niet meegenomen in de normen en dus ook niet in de totale SO van het bedrijf. Standaard verdiencapaciteit (SVC) De bedrijfsomvang in SO is over bedrijfstypen heen niet sterk gerelateerd met de arbeidsinzet of het resultaat van een bedrijf. Een akkerbouwer houdt van 100.000 euro opbrengsten bijvoorbeeld meer over dan een vleesvarkenshouder. Met het kengetal SVC wordt daarvoor gecorrigeerd. De SVC geeft een beeld van de vergoeding voor de inzet van arbeid en kapitaal (toegevoegde waarde) die op basis van standaarden gemiddeld in een jaar wordt behaald met de betreffende agrarische productie. De werkelijk gerealiseerde toegevoegde waarde van een bedrijf zal nooit gelijk zijn aan de berekende SVC, vanwege verschillen in prijsvorming, technisch resultaat, productbewerking, subsidies en/of multifunctionele activiteiten. Grootteklasse SVC Voor het handiger gebruik van de SVC zijn standaard-grootteklassen vastgesteld. De gehanteerde grenzen van die klassen zijn gebaseerd op de gemiddelde verhouding van de SVC per arbeidskracht en dus min of meer bij een gemiddeld-efficiënte arbeidsinzet. De werkelijke arbeidsinzet van een bedrijf hangt mede af van de mate van mechanisering.

Omdat de werkelijke toegevoegde van een bedrijf af kan wijken van de norm is het mogelijk dat de omschrijving bij de grootteklasse niet van toepassing is op het individuele bedrijf. De uitkomsten moeten dan ook vooral als een (globale) richtlijn worden gezien. Er zijn 5 klassen gedefinieerd op basis van het bedrag aan SVC: 1. < 25.000 euro: zeer kleine bedrijven Deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van maximaal 0,75 arbeidsjaareenheden (aje), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. 2. 25.000 – 60.000 euro: kleine bedrijven Deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van 0,75 tot maximaal 1,5 aje, afhankelijk van de mate van automatisering en de efficiëntie waarmee de arbeid kan worden ingezet. 3. 60.000 – 100.000 euro: middelgrote bedrijven Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 1,5 tot 2,5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. 4. 100.000 – 250.000 euro: grote bedrijven Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. 5. >= 250.000 euro: zeer grote bedrijven Deze bedrijven kunnen aan meer dan 5 aje arbeid bieden tegen een gemiddelde vergoeding.

Bijlage 12 Uitnodiging infobijeenkomst buurt 235                                       ! "#$    %        "    %      "   $&#’#(#)$                               Bijlage 13 Presentielijst infobijeenkomst buurt 237

Bijlage 14 Verslag infobijeenkomst buurt 239                                        ! "# $         % &  

       ’   ( &  )  *       # +     

 *     

  *    # !  

 *     *   # !  

        

     

            # !  

                   

   # ,           

  * 

       *      #     

     

  # )     -

 .   

    

        # &      * 

              * # /  0  *       1   *   1   

            2 1  *      *    3 #      4      *                          

 *      # 1+

    3 # )        2 ’      *   # +     *          &  .

  *          *  Regels 241 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 aan huis verbonden bedrijf: het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.2 aan huis verbonden beroep: een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.3 aanbouw/uitbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt.

1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit. 1.8 agrarisch bedrijfsmatig gebruik: het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hieronder wordt mede verstaan een rietteeltbedrijf. 1.9 agrarisch dienstverlenend bedrijf: een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven. 1.10 agrarisch grondgebruik: een agrarische activiteit waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond.

1.11 agrarisch hobbymatig gebruik: het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf. 242 1.12 agrarisch: het telen van gewassen en/of het houden van dieren. 1.13 archeologische deskundige: de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. 1.14 archeologische verwachting: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.15 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden. 1.16 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.17 bebouwingspercentage: het percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.18 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor (het huishouden van) één of meer personen, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw en/of terrein. 1.19 beeldkwaliteit: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.

1.20 begane grond: het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte. 1.21 bestaand: de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het 'bestemmingsplan Marijenkampen 16'. 1.22 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.23 bestemmingsplan het bestemmingsplan Marijenkampen 16 van de gemeente Steenwijkerland, bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.24 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.25 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Als hoofdregel is dit het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland. 1.26 bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 243 1.27 biomassa-vergistingsinstallatie: een installatie waarbij minimaal 50% dierlijke mest door toepassing van technieken energie dan wel warmte wordt opgewekt met digestaat als eindproduct.

1.28 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.29 bouwgrens: de grens van een bouwvlak. 1.30 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback. 1.31 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.32 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.33 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.34 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.35 cultuurgrond: gronden die in cultuur zijn gebracht, waaronder grasland-, akkerbouw- en tuinbouwgrond alsmede grond ten behoeve van de rietteelt.

1.36 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat in de loop van de geschiedenis is ontstaan door het gebruik dat de mens van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt. 1.37 cultuurlandschappelijke waarden: waarden die ontstaan zijn door het gebruik van de gronden in de loop van de geschiedenis door de mens. 1.38 digestaat: een product ontstaan na verwerking in vergistingsinstallatie, bestaande uit minimaal 50% dierlijke mest en co-producten afkomstig van witte of positieve lijst zoals bedoeld in de Meststoffenwet. 1.39 draadomheining en draaderfafscheiding: een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar lopende of haaks op elkaar staande draden. 1.40 eerste bouwlaag: bouwlaag op de begane grond. 1.41 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met de beheersverordening. 244 1.42 erfafscheiding: afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst. 1.43 erker: een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot.

Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voorgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas. 1.44 gastouderopvang: kinderopvang binnen een gezinssituatie in een woning waar de gastouder zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in artikel 1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. 1.45 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.46 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone als bedoeld in die wet moet worden vastgesteld. 1.47 gevellijn: de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.

1.48 grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering, al dan niet met beweiding, hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, een biologisch veehouderijbedrijf, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar aard daarmee gelijk te stellen aagrarische bedrijven. 1.49 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.50 intensief veehouderijbedrijf / intensieve vee houderij: een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zoals een rundveemesterij (exclusief vetweiderij), een varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met (nagenoeg) geen weidegang.

1.51 karakteristieke beplanting beeldbepalende en/of waardevolle beplanting welke kenmerkend is voor en past bij de omgeving. 1.52 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: de in Bijlage 3 Staat van bedrijfsactiviteiten (Bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. 1.53 maaiveld: bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. 245 1.54 maatvoeringsvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.

1.55 mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. 1.56 natuurbeheer: zorg voor onderhoud van het natuurlandschap. 1.57 natuurlijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige, biologische en ornithologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, alsmede door de aanwezigheid van soorten vallende onder de Wet natuurbescherming. 1.58 nevenactiviteit: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge het bestemmingsplan Marijenkampen 16 toegestane hoofdfunctie op een perceel. 1.59 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en dat als zodanig niet afhankeliljk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief kwekerijbedrijf of een intensief veehouderijbedrijf.

1.60 normale onderhoudswerkzaamheden werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de aciviteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. 1.61 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.62 onderbouw/kelder: een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen. 1.63 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand. 1.64 paardenbak: een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's. 1.65 paardenhouderij: het houden van paarden en pony's ten behoeve van het gebruik van deze dieren, zoals ten behoeve van pensionstallen, wedstrijdstallen, verhuurbedrijven, rijscholen en maneges. 246 1.66 paardenpension: een bedrijf waarvan de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het houden van paarden van derden, waaronder tevens wordt begrepen de verhuur van stalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van paarden.

1.67 parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. 1.68 peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil. 1.69 permanente bewoning: bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf. 1.70 ruimtelijke kwaliteit: de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte. 1.71 seksinrichting: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.72 silo: een bouwwerk dat dient voor het opslaan van mest, veevoeder, graan of andere bulkstoffen ten behoeve van het agrarische bedrijf. 1.73 statische opslag: opslag van goederen die naar hun aard weinig verplaatsing behoeven, zoals caravans, campers, boten en (klassieke) auto's. 1.74 stedenbouwkundig beeld: het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte. 1.75 teeltondersteunende voorzieningen In, op of boven de grond aangebrachte voorzieningen ter ondersteuning van agrarische, plantaardige teelt met als doel verbetering van de productie (onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraat), verbeteren van de arbeidsomstandigheden (onder meer door gewassen verhoogd te telen) en het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijdingsmiddelen, effectief omgaan met water).

1.76 verblijfsrecreatie: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtverblijf centraal staat. 247 1.77 verdieping: een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag welke is gelegen op de begane grond. 1.78 volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat voldoende werk en inkomen kan opleveren voor ten minste één volwaardige arbeidskracht, die in hoofdberoep aan het bedrijf is verbonden, 1.79 voorgevel: gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt. 1.80 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.81 weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en daarbij behorende parkeerplaatsen. 1.82 windturbine: een bouwwerk dat dient voor het omzetten van energie van bewegende lucht in andere vormen van energie zoals elektriciteit en warmte. 1.83 woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.84 woningsplitsing: het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden. 1.85 zolder: ruimte(n) in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht geen deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen. 1.86 zorgboerderij: een al dan niet voormalige boerderij met de bijbehorende gebouwen, waar activiteiten plaatsvinden gericht op het bieden van zorg en begeleiding aan personen die begeleid dienen te worden in de leefsituatie en de dagbesteding. 248 Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens : tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.2 het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de verbeelding bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.7 de horizontale diepte van een bouwwerk: de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel. 2.8 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand. 2.10 de ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.

2.11 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.12 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 249 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat: 1. op een grondgebonden agrarisch bedrijf maximaal 400 melkkoeien mogen worden gehouden met dien verstande dat indien voor een bedrijf voor de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning is verleend op grond waarvan een hoger aantal melkkoeien mag worden gehouden, dit aantal als maximum geldt; b. wonen in een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' met daaraan ondergeschikt: 1. tuinen, erven en groenvoorzieningen; 2. ontsluitings- en parkeervoorzieningen; 3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, voor de uitoefening van één bedrijf per bestemmingsvlak, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; b. bedrijfswoning, uitsluitend binnen de aanduiding 'bedrijfswoning'; c. de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; d. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, waaronder begrepen silo's, teeltondersteunende voorzieningen, mestopslagplaatsen, paddocks, stapmolens en paardenbakken, zowel binnen als buiten de aanduiding ' bouwvlak', met dien verstande dat teeltondersteunende voorzieningen, mestsilo's en folie mestbassins uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan; met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.2.2 tot en met 3.2.5. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van de bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a.

de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens of evenwijdig aan de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing; b. gebouwen worden met een kap van minimaal 12° en maximaal 60 °afgedekt; c. de goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 5,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt; d. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 12,00 meter. 3.2.3 Bedrijfswoning Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegest aan ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning. b. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 600 m³, dan wel maximaal de bestaande inhoud 250 indien deze groter is; c. de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 5,50 meter, dan wel maximaal de bestaande goothoogte indien deze groter is; d. de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 10,00 meter; e. de bedrijfswoning wordt met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt. 3.2.4 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports, bedraagt maximaal 75 m²; b.

bijgebouwen worden gebouwd op ten minste 3,00 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan; c. bijgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter; e. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van de bedrijfswoning. 3.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen; b. de carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 10,00 meter, met dien verstande dat: 1. de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt; 2. de hoogte van sleufsilo's maximaal 2,00 meter bedraagt; 3. de hoogte van mestsilo's maximaal 4,00 meter bedraagt; 4. de hoogte van voersilo's maximaal 8,00 meter bedraagt.

3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van h et verlagen van de dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.4 ten behoeve van het verlagen van de dakhelling van een bijgebouw tot 0°, met dien verstande dat: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 3. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden. 3.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van e en grotere hoogte van silo's Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder e ten behoeve van een grotere hoogte voor voersilo's, met dien verstande dat: a. de hoogte maximaal 15 meter bedraagt; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruiken of laten gebruiken wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten, b.

het huisvesten van meer dan 400 melkkoeien, of meer melkkoeien dan op grond van de in artikel 3.1.1 251 onder a sub 3 bedoelde omgevingsvergunning is toegestaan, op grondgebonden agrarische bedrijven; c. bomenteelt; d. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, een en ander met uitzondering van parkeren ten behoeve van het op de bestemming gerichte gebruik; e. de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie; f. het opslaan van mest en kuilvoer buiten het bouwvlak, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning is verleend; g. een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de bijgebouwen, anders dan bedoeld in artikel 3.4.2; h. het gebruik van een vrijstaand bijgebouw voor bewoning; i. detailhandel; j. ligplaats voor boten, anders dan voor eigen gebruik; k. buitenopslag voor de voorgevel van het hoofdgebouw. l. het gebruik binnen de aangewezen gronden en daarop aanwezige gebouwen ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde functies, indien niet is voldaan aan artikel 10.2 Voorwaardelijke verplichting. 3.4.2 Aan huis gebonden beroepen Een aan huis gebonden beroep is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. een aan huis verbonden beroep wordt uitsluitend uitgeoefend in de bedrijfswoning of de daarbij behorende bijgebouwen; b.

maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep; c. de woonfunctie wordt in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast; d. er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; e. er is slechts één reclame-uiting toegestaan met e en maximale afmeting van 20 x 30 cm; f. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; g. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein; h. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt; i. buitenopslag en buitenactiviteiten zijn niet toeg estaan; j. er mag geen sprake zijn van een onevenredig verkeersaantrekkende werking. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve v an nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4 ten behoeve van de volgende ondergeschikte nevenactiviteiten naast de agrarische bedrijfsfunctie: a.

bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten die behoren tot milieucategorie 1 en 2 die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 3 bij de regels) en/of daarmee qua milieu gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, tot maximaal van 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing; b. statische opslag, tot maximaal 35% van de oppervl akte van de bedrijfsbebouwing; c. hoogwaardige recreatieve voorzieningen tot maximaal 35 % van de bedrijfsbebouwing; d. hoogwaardige zorggerelateerde voorzieningen, tot maximaal 35% van de bedrijfsbebouwing en maximaal 10 slaapplaatsen voor logeren; e. verblijfsrecreatie, zoals in de vorm van kleine groepsaccommodaties, boerderijkamers, logiesverstrekking en/of bed en breakfast, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, met een maximum van 10 slaapplaatsen per bouwperceel, ten behoeve van een gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen; f. kleinschalige dagrecreatie, al dan niet met een c ulturele of educatieve inslag, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing; g. complementaire daghoreca (inclusief terras), tot maximaal 35% van de oppervlakte van de 252 bedrijfsbebouwing, met een maximum van 100 m²; h. toonzalen, expositieruimten, ateliers, praktijkru imten, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, met een maximum van 150 m²; i.

detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten, in de bestaande bebouwing tot maximaal 35% van de bedrijfsbebouwing tot een maximum van 25 m²; met dien verstande dat: 1. maximaal in totaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing wordt gebruikt ten behoeve van de onder a t/m i genoemde nevenactiviteiten tezamen; 2. de functies worden gevestigd in de bestaande bebouwing; 3. de wijziging niet leidt tot onevenredige aantasting van bestaande natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden; 4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; de milieusituatie; het woon- en leefklimaat; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 5. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt d at de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik; 6. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht (watertoets), waarbij geldt dat de bestaande waterhuishouding niet mag verslechteren als gevolg van de ontwikkeling; 7. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeer behoefte; 8. omliggende functies niet worden gehinderd. 3.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve v an minicampings Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.4, ten behoeve van een minicamping, met dien verstande dat: a.

het totaal aantal kampeerplaatsen op minicampings maximaal 750 bedraagt, binnen de gemeente Steenwijkerland. b. nieuwe minicampings in het Natura 2000 gebied (ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone natura 2000') en NNN gebieden niet mogelijk zijn; c. het aantal kampeerplaatsen per minicamping maxima al 20 bedraagt. d. uitsluitend kampeermiddelen mogen worden geplaatst; e. een goede landschappelijke inpassing dient te zij n gewaarborgd; f. de oppervlakte van een kampeerplaats minimaal 80 m² bedraagt; g. de afstand van de minicamping tot de perceelsgrens met aangrenzende woningen met een woonbestemming minimaal 25 meter bedraagt; h. het kamperen niet plaatsvindt tussen 1 november en 15 maart; i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de milieusituatie; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; 8. de waterstaatkundig en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden; j. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. 253 Artikel 4 Agrarisch met waarden 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik; b.

agrarisch hobbymatig gebruik; c. bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijk waarden; d. instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties; met daaraan ondergeschikt: 1. ontsluitingsvoorzieningen; 2. tuinen, erven en groenvoorzieningen; 3. recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft; 4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 4.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: a. bestaande gebouwen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt; 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van: a.

omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt; b. voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt; c. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van het instandhouden, versterken en/of ontwikkelen van de in artikel 4.1 genoemde natuur- en landschapselementen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt; d. bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van t eeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 en 4.2.2 ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat: a. de oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen per bedrijf maximaal 500 m2 mag bedragen; b. teeltondersteunende voorzieningen mogen niet in het Natuurnetwerk Nederland worden gesitueerd; 254 c. een goede landschappelijke inpassing dient te zij n gewaarborgd; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de verkeersveiligheid; 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/8f19e5c0-4611-4efc-bc59-f6f6d0351c9a?agendaItemId=3eb250e1-dd14-4f22-8bef-dab4059bb916