BP Marijenkampen 16.pdf
Tekst van het document
De connectiviteit met het landschap staat voor de mate waarin een ind ividu gebruik maakt van deze bestaande lijnen en structuren om te “pendelen” tussen verblijfplaat s en foerageergebied. Voor diverse soorten geldt dat deze connectiviteit hoog is. Indien structuren in het landschap verdwijnen heeft dit mogelijk een negatieve invloed op soorten met een hoge connectiv iteit. Als gevolg van de plannen gaan geen structuren in het landschap verloren. Het plangebied biedt mogelijk geschikt foerageergeb ied aan onder andere gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermui s. Onderstaande tabel beschrijft de verblijfplaatsen e n het foerageergebied van deze soorten.
Tabel 1 Verblijfplaatsen en foerageergebied vleermu izen Naam winterver- blijf kraamver- blijf zomerver- blijf paarverblijf Foerageergebied Connec- tiviteit Franjestaart bomen, gebufferde objecten bomen, zolders bomen, zolders bomen, gebufferde objecten bossen, heide, droge greppels, grasland en stallen Hoog Gewone Dwergvleermuis gebouwen, zwak gebuf- ferde objec- ten gebouwen gebouwen, bomen gebouwen, bomen overal Laag Laatvlieger gebouwen, zwak gebuf- ferde objec- ten gebouwen, zolders gebouwen, zolders gebufferde objecten stedelijk gebied, pol- ders, weilanden, bosranden Laag Rosse vleermuis bomen, hoge ge- bouwen bomen (gebouwen) bomen, zolders bomen natte gebieden, wei- landen, steden (ver- lichting) Laag Ruige dwergvleermuis bomen, houtstapels, gebouwen bomen, zolders bomen, gebouwen natte gebieden, bos Laag Meervleermuis gebouwen, gebufferde objecten gebouwen, zolders gebouwen, zolders, gebufferde objecten Gebufferde objecten, gebouwen, boomholtes (?) water, natte veenge- bieden, weilanden Hoog Watervleermuis bomen, gebufferde objecten bomen, zolders, gebouwen, brug- gen/duikers bomen, kerken, zwak gebuf- ferde objec- ten bomen, gebufferde objecten water, bossen, par- ken Hoog Gewone Grootoorvleermuis bomen, zolders, gebufferde objecten, kasten bomen, zolders, gebouwen bomen, zolders bomen, zolders, gebufferde objecten bos, kleinschalig landschap, tuinen Hoog 12 Overige
zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens zijn er op een afstan d van minder dan 1 kilometer van het plange- bied de beschermde das, eekhoorn, steenmarter en ot ter waargenomen. Binnen een afstand van 5 kilometer van het plangebied zijn beschermde boomma rters en waterspitsmuizen waargenomen. Dassen komen voor in allerlei landschapstypen, bij voorkeu r in een combinatie van hellingen met verspreide bosjes, heggen of houtwallen en een klei nschalig akker- en weidegebied. Belangrijk zijn het voedselaanbod, dekkingsmogelijkheden en weinig verstoring. Dassen zijn overwegend in de nacht actief. Er zijn geen dassenburchten aangetrof fen. Het plangebied vormt een potentieel foera- geergebied voor de das. De eekhoorn leeft vooral in boszomen van naaldbossen of gemengd bos. De soort komt ook veelvul- dig voor in loofbos met een rijke ondergroei, houtw allen, tuinen, en parken in een beboste omgeving. De leeftijd van het bos is bepalend; rijpe boomzade n vormen een belangrijke voedselbron (Twisk et al, 2010). Er worden ten behoeve van de plannen geen bomen gekapt. De steenmarter is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’ ). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met klein- schalige landbouw, met oude schuren, heggen en geri efhoutbosjes.
Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, grepp els en bermen van belang, omdat de steenmar- ter daar zijn voedsel zoekt. Het plangebied vormt e en potentieel foerageergebied voor de steenmar- ter. Aangezien otters voorkomen in schoon zoet water, waar voldoende bed ekking en rust is, wordt het niet waarschijnlijk geacht dat de soort in het plan gebied zelf geschikt gebied vindt. De boommarter heeft een voorkeur voor oudere en rijk gestructuree rde bossen. Indien voldoende bosjes en lijnvormige elementen aanwezig zijn, word t de soort ook waargenomen in agrarische land- schappen. Het plangebied biedt geen potentieel gesc hikt leefgebied aan de boommarter. De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij be- ken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwa ter opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en k unstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetati e aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn pro oien op te eten (bron: zoogdiervereniging.nl).
Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan de wa terspitsmuis. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens is het voorkomen beke nd van de beschermde boomkikker, kamsala- mander, heikikker en poelkikker binnen een afstand van 5 kilometer van het plangebied. Binnen een afstand van 10 kilometer van het plangebied zijn al penwatersalamanders, vinpootsalamanders, geel- buikvuurpadden, knoflookpadden, rugstreeppadden en vroedmeesterpadden waargenomen. 13 De boomkikker komt verspreid voor op geïsoleerde locaties in het oosten en zuiden van Nederland. Hij heeft een voorkeur voor een kleinschalig landsc hap, waar hij zich ophoudt in de struweelzone van bosranden, houtwallen en moerasgebieden. Vooral de zuidkant van braamstruwelen heeft de voor- keur. Voor de voortplanting dienen wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie vlak- bij te zijn. Dit zijn meestal niet te diepe poelen met een open ligging, veel zoninstraling, en vrijwe l geen stroming (www.ravon.nl). Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor de boomkikker. Kamsalamanders leven met name in de wat diepere en licht voedselr ijke wateren op landgoederen, in beekdalen en in het rivierengebied. Het landhabitat bestaat uit loofbossen en kleinschalige cultuur- landschappen, vooral op zand- en rivierkleigronden. De soort wordt zelden waargenomen in akker- bouwgebieden.
De soort is goed vertegenwoordigd op de overgang van agrarisch gebied (en halfna- tuurlijk grasland) naar bos (Creemers & van Delft, 2009). Het plangebied biedt geen geschikt leefge- bied aan de kamsalamander. De heikikker is een laaglandsoort die voornamelijk wordt aangetr offen in hoog- en laagvenen, op hei- de, in beekdalen, klei-op-veen en komkleigebieden e n soms ook in uiterwaarden. De soort maakt bij voorkeur gebruik van relatief voedselarme wateren. In klei- en veenweidegebieden wordt ook voort- planting geconstateerd in meer voedselrijke sloten. Uit verspreidingsgegevens blijkt de heikikker een vennensoort bij uitstek. De soort wordt nauwelijks aangetroffen in intensief gebruikt agrarische land- schap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers e n van Delft, 2009). Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan de heikikker. De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorke ur voor onbeschaduwde wate- ren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid z ijn. En het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. De poe lkikker is een kritische soort, die houdt van voedselarm, schoon water. Hij heeft een voorkeur vo or zwak zure, stilstaande wateren in bos- en hei- degebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoog- veengebieden, en in uiterwaarden.
Het plangebied bi edt geen geschikt leefgebied aan de poelkikker. De Alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, va ak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandi ge leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen me t heggen en struwelen. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor de alpenwatersalamander. De vinpootsalamander komt vooral voor op zandgrond in bosgebieden. Aan de samenstelling van het bos worden weinig eisen gesteld. In Noord-Brabant e n het noordelijke deel van Limburg is de soort te vinden in de grotere bos- en heidegebieden. Daar pl anten ze zich voort in heidevennen, bosvijvers en poelen. Ze vertonen hierbij een vrij grote tolerant ie voor zuur water (tot pH 4). Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor vinpootsalamanders. De geelbuikvuurpad is het zeldzaamste amfibie in Nederland. In Zuid-L imburg bereikt hij de noord- westgrens van zijn gebied. Het is een warmteminnend e soort. Hij komt voor in heuvelachtige land- schappen. Van origine is hij een bewoner van overst romingszones van heuvellandbeken en natte graslanden bij bronbeken. Met andere woorden; zeer dynamische biotopen, waar continu nieuwe nat- te plekken ontstaan. Juist deze tijdelijke ondiepe wateren vormen het natuurlijke voortplantingsbio- toop van de geelbuikvuurpad.
Door toedoen van de me ns zijn dergelijke situaties grotendeels ver- dwenen. Ook werden vervangende voortplantingsbiotop en geschapen in de vorm van met water ge- 14 vulde karrensporen, kaalgevreten veedrinkpoelen en natte plekken in weilanden. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan de geelbuikvuurp ad. De knoflookpad is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivier en in het oosten en zuidoosten van Nederland. Het is een bedreigde soort, die maar op een paar plekken voor komt. Zijn leefgebied bestaat uit rivierduinen en kleinschalig agrarisch landschap met bos in de nabijheid (www.ravon.nl). Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels onde rgronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand m oet een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Het voortplantingsbiotoop bes taat vaak uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voe dselrijk karakter. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor de knoflookpad. De rugstreeppad is gebonden aan pioniermilieus, zoals op rivierduin en, overstromingsvlakten en langs oevers van meanderende kleine rivieren. In he t cultuurlandschap handhaaft de rugstreeppad zich op braakliggend terrein. Voortplantingswateren zijn vaak klein en ondiep en vrijwel onbegroeid (Janssen & Schaminée 2008).
Het plangebied biedt ge en geschikt leefgebied aan de rugstreeppad. De vroedmeesterpad komt van nature alleen in Zuid-Limburg voor. Op an dere plaatsen in Nederland is hij uitgezet. Hij wordt aangetroffen op ruderale plaatsen (groeven, oude bebouwing en kerkhoven) en in hellingbossen en graften. De soort wordt in z ekere zin gezien als een cultuurvolger. Een stenige structuur van de bodem is de belangrijkste bepalend e factor voor verspreiding. Meer dan 80% van de vindplaatsen in Zuid-Limburg is gelegen in de assoc iatie van krijt- en krijtverweringsgronden. De vroedmeesterpad heeft een duidelijke voorkeur voor naar het zuiden geëxponeerde hellingen. Het is een warmteminnende soort. Aan de waterbiotoop worde n relatief weinig eisen gesteld. De pad plant zich voort in typische pionierwateren in groeven, i n betonnen drinkbakken en in diepe koude bronpoe- len langs hellingbossen. In pioniermilieus wordt ve elal voldaan aan de eisen ten aanzien van land- en waterbiotoop. Open groeven zijn dan ook belangrijke kerngebieden met grote populaties vroed- meesterpadden. Zomer- en winterbiotoop zijn stenige , open hellingen en hellingbossen en graften met een stenige ondergrond. Overwintering is ook va stgesteld in kalksteengroeven, kalkovens en in andere bebouwing. Het plangebied biedt geen geschik t leefgebied aan deze soort.
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens is het voorkomen beke nd van de beschermde levendbarende hage- dis, hazelworm, ringslang, adder, muurhagedis en z andhagedis op een afstand van minder dan 10 kilometer van het plangebied. De levendbarende hagedis heeft een diverse habitatkeuze. Wel wordt de soort vooral in heidegebie- den, hoogvenen en open bossen waargenomen. Tevens z ijn waarnemingen bekend langs infra- structuur (bermen) (Creemers & van Delft, 2009). He t plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis. Vindplaatsen van hazelwormen liggen voornamelijk in bos- en heidegebieden op de pleistocene zandgronden. Het voorkeurshabitat bestaat uit enigs zins vochtige, met dichte vegetatie bedekte ge- bieden. De meeste waarnemingen hebben betrekking op bos- en heideterreinen (Creemers & van Delft, 2009). Het plangebied biedt geen geschikt le efgebied aan de hazelworm. 15 De ringslang is sterk gebonden aan water. De aanwezigheid van h ogere gronden is een belangrijke voorwaarde voor de soort om alle stadia van de leve nscyclus te kunnen doorlopen. Naast laagvenen wordt de soort relatief veel waargenomen in landsch apstypen met bos, struweel en op of nabij infra- structuur. De soort komt ook voor in systemen die v oedselrijk en ruig begroeid zijn (Creemers & van Delft, 2009). Het plangebied biedt geen geschikte l eefomgeving aan de ringslang.
Adders komen voor in heide- en hoogveengebieden en soms o ok op open plekken in bossen. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor de a dder. De muurhagedis komt in Nederland alleen nog voor op enkele oude v estingwerken in het centrum van Maastricht. De soort bereikt hier de uiterste n oordwestelijke grens van zijn areaal. In België is hij te vinden op enkele plaatsen in het Maasdal. Muurha gedissen komen voor op oude muren, steile, stenige zuidhellingen en rotswanden. De eieren van de muurhagedis worden afgezet tussen stenen of in zand. Het plangebied biedt geen geschikt leef gebied voor de adder. De zandhagedis komt in Nederland vooral voor op heideterreinen op hogere zandgronden in het oos- ten, zuiden en midden van ons land en in de duinen ten noorden van Zeeland. De aanwezigheid van voldoende zonnige plekken om op te kunnen warmen is een belangrijk vereiste voor het leefgebied van de zandhagedis. Hierbij is optimaal de afwissel ing van hoge en lage planten en van plekken met open zand en dichte begroeiing. De dieren hebben ee n duidelijke voorkeur voor warme, beschutte plekken met een zuidexpositie. Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aan de zandhage- dis. Vissen Uit verspreidingsgegevens van vissen komt naar vore n dat er binnen 5 km van het plangebied grote modderkruipers zijn waargenomen.
De grote modderkruiper komt voor in geïsoleerde wateren met verlandingsve getaties. Met name de natte gebieden die aan de ruilverkaveling ontsnapt zijn, zijn kansrijk. Deze wateren zijn doorgaans soortenarm. Het plangebied biedt geen geschikte lee fomgeving aan deze soort. Ongewervelden Volgens verspreidingsgegevens is het voorkomen beke nd van de beschermde noordse winterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, rivierr ombout en sierlijke witsnuitlibel op een afstand va n minder dan 5 kilometer van het plangebied. De noordse winterjuffer plant zich voort in petgaten en sloten in laagveenm oerassen, meestal met lisdodde en riet. Daarnaast ook in plassen met bred e rietkraag of andere laagveenachtige vegetatie. De soort overwintert op beschutte plaatsen in heide velden, velden van pijpenstrootje en halfopen (moeras)bossen met ondergroei van pijpenstrootje. H et plangebied is niet geschikt voor de noordse winterjuffer. De gevlekte witsnuitlibel komt in verschillende biotopen voor, met name verl andingszones en laag- veenmoerassen (Kalkman, 2004b). De soort komt ook b ij matig voedselrijke bosplassen en niet te zure vennen voor, veelal met een uitgebreide oeverv egetatie. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor deze soort.
16 De groene glazenmaker leeft in stilstaande wateren met dichte krabbensche ervelden: plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenwe idegebieden (Kalkman, 2004a). Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aan de groene gla zenmaker. De rivierrombout komt voor langs rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is af- gezet. Het plangebied biedt geen geschikte leefomge ving aan de rivierrombout. De habitat van de sierlijke witsnuitlibel bestaat uit stilstaande, ongestoorde wateren met e en rijke submerse watervegetatie, zoals veenplassen, vijvers en dode rivierarmen. De wateren zijn (matig) voedselrijk en doorgaans omgeven door bos. Het plan gebied biedt geen geschikt leefgebied voor sierlijke witsnuitlibellen. Planten Het plangebied bestaat uit intensief grasland, het voorkomen van beschermde plantensoorten ter plaatse is uitgesloten, omdat het daarvoor geen ges chikt leefgebied vormt. 4.2 Toets Wet natuurbescherming Vogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in N ederland zijn beschermd onder de Wet Natuurbe- scherming. Het is dan ook verboden om nesten, rustp laatsen en eieren van vogels opzettelijk te ver- nielen en te beschadigen (artikel 3.1 lid 2). Daarn aast is het verboden om vogels opzettelijk te verst o- ren (lid 4).
Het verbod op verstoren van de vogels is niet van toepassing wanneer de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandho uding van de soort (artikel 3.1 lid 5) en wanneer het nest functioneel blijft. De vrijstelling op lid 4 geldt alleen voor vogels die vallen onder artike l 3.1 (Vogelrichtlijn) en geldt niet voor vogels die ook genoemd staan in artikel 3.5. Voor vogelsoorten die vallen onder artikel 3.5 van de Wet Natuurbeschermi ng geldt dat het te allen tijde verboden is om voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vogels t e vernielen en te beschadigen (artikel 3.5 lid 4). Over het algemeen kunnen de effecten van de voorgen omen plannen, en daarmee de invloed op vo- gelsoorten, worden verkleind als de werkzaamheden b uiten het broedseizoen worden verricht. Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart – juli ) worden uitgevoerd, zal dat niet leiden tot ver- storing van de mogelijk in de omgeving broedende vo gels (m.u.v. de sloop van het kleine gebouwtje waar zich jongvee bevindt). Wanneer voor het broeds eizoen gestart wordt met de werkzaamheden is het de verwachting dat er, vanwege de verstoring, g een broedvogels vestigen in en direct nabij het gebied. Het is aan te raden om maatregelen te nemen die eventueel broeden voorkomen, zoals het afdekken van zandhopen en het direct afvoeren van m ateriaal.
De Wet Natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels. De nestbescherming geldt voor alle soorten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd, omdat zij als kolo- niebroeders elk broedseizoen op dezelfde plaats bro eden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De nesten zijn daarom, vo or zover ze niet permanent verlaten zijn, jaar- rond beschermd. 17 Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ges chikt is voor de huismus. Er zijn circa 10 mussen waargenomen, het exacte aantal broedparen is onbeke nd. De voorgenomen sloop heeft tot gevolg dat nesten van de huismus worden verstoord en verni eld. Dit betekent dat de Wet Natuurbescherming wordt overtreden als de sloop pla atsvindt. Om vernieling te voorkomen is het mogelijk vervangende nestgelegenheid te creëren, zo wel tijdelijk (voor tijdens de sloop) als perma- nent (in de nieuwbouw). Door in voldoende alternati eve nestgelegenheid te voorzien, blijven er nestmogelijkheden. De werkzaamheden leiden dan hoog uit tot verstoring. Geadviseerd wordt om, ter verificatie, een ontheffing aan te vragen. Voor het verstoren van de huismus (Wnb art.
3.1, li d 4 en 5) geldt dat dit in principe verboden is, behalve als de verstoring niet van wezenlijke invlo ed is op de gunstige staat van instandhouding (landelijk). De huismus is landelijk gezien nog ste eds een van de meest voorkomende broedvogels (www.sovon.nl). Daarom is verstoring van de vaste r ust en verblijfplaatsen van enkele mussen niet van wezenlijke invloed. Verstoring is dus, conform lid 5, niet verboden. Maatregelen alternatieve verblijfplaatsen Mogelijke maatregelen om het aanbod en functioneren van alternatieve verblijfplaatsen tijdens en na de werkzaamheden te garanderen, zijn (soortenstanda ard huismus, https://www.rvo.nl/sites/default/files/2015/04/2015 0415%20Huismus%20v1.0.pdf): • Voor elke verblijfplaats die aangetast of verwijde rd worden minimaal twee nieuwe verblijfplaatsen aangeboden. Dit in de vorm van bijvoorbeeld vogelda kpannen, gierzwaluwpannen/stenen, huis- zwaluwnestkommen, nestkasten, neststenen, mussenpot ten, dakvoetsystemen (waaronder vo- gelvides, figuur 19) of vergelijkbare voorzieningen of door het maken van toegangen in gebou- wen tussen dakbedekking en isolatielaag of het verw ijderen van aanwezig vogelschroot. • Voor de vervangende verblijfplaatsen geldt: - dat er meerdere nestplekken bij elkaar aangeboden moeten worden.
Zorg dat de openingen minimaal 50 centimeter uit elkaar liggen; dit kan d ichter bijeen, maar zorg er dan voor dat de nestingang niet zichtbaar is voor de huismus die in de andere nestingang zit - zo dicht mogelijk bij de locatie van de oorspronk elijke verblijfplaats worden geplaatst en als dat niet mogelijk is, dan in de directe omgeving (i n de regel binnen 200 meter, bij uitzonde- ring 500 meter) van de oorspronkelijke verblijfplaa ts en buiten de invloedsfeer van de werk- zaamheden liggen - op minimaal 3 meter hoogte geplaatst moeten worde n - een minimale broedruimte van 15 x 8 centimeter he bben - ze op een voor de huismus geschikte wijze en plek worden aangebracht. Zo mogen ze niet te heet worden in de middagzon, maar zich ook niet op een te koude locatie bevinden: voor- keur heeft een noord- of oost expositie of een ligg ing in de schaduw van een dakgoot of iets desgelijks - in de directe omgeving van de nieuwe nestplaats c ontinu voldoende dekking aanwezig is (minimaal 3 à 4 meter hoog opgaand groen), en dat e r altijd (binnen 100 à 200 meter, bij voorkeur binnen 50 meter) voldoende geschikt voedse l en potentiële slaapplaatsen beschik- baar zijn - ze van voldoende duurzaam materiaal moeten zijn e n op een voldoende duurzame wijze worden bevestigd.
Of de duurzaamheid voldoende is h angt van meerdere factoren af, bij- voorbeeld van het type materiaal (hout, houtbeton, aardewerk, pvc, en dergelijke), van de houtsoort (ceder en robinia zijn duurzamer dan vure n of grenen), de wijze van ophanging, de aangebrachte plek (bijvoorbeeld onder een dakgoot o f een andere vorm van overhang of vol in zon en wind), dient het voor tijdelijke vervangi ng ter overbrugging van de periode van de 18 werkzaamheden of als permanente vervanging, het te verwachten gebouwbeheer (bij schil- derwerk verdwijnen regelmatig aangebrachte voorzien ingen) en of het beheer en onderhoud van de voorziening (schoonhouden, herstel bij gebre ken) geregeld is. - er voldoende veiligheid is tegen predatoren. Dit geldt voor de verblijfplaats zelf, als ook dat er voldoende opgaand groen in de directe omgeving a anwezig is als dekking voor adulten of (net uitvliegende) juvenielen - het materiaal waarvan ze zijn gemaakt niet behand eld is met chemische middelen - ze minimaal drie maanden voor de start van de wer kzaamheden aanwezig zijn, om de vogels te laten wennen aan de nieuwe voorzieningen - het beheer duurzaam geregeld is. Dit beheer moet gebeuren in een periode dat verstoring niet of minimaal optreedt. • De effectiviteit van de genomen maatregelen moet g emonitord worden.
Vleermuizen Het plangebied biedt mogelijk geschikt foerageergeb ied aan gewone dwergvleermuis, gewone groot- oorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Er is in de omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig, waardoor gesteld kan worden dat de plannen niet zullen leiden tot een significante aantasting van het foerageergebied . Er is nader onderzoek nodig om te bepalen of er zic h verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden in het te slopen jongvee gebouwtje. Overige zoogdieren Het plangebied vormt potentieel foerageergebied voo r dassen en steenmarters. Er is in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied. De plannen c onflicteren dan ook voor wat betreft zoogdieren niet met de Wet Natuurbescherming. Reptielen Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aa n beschermde soorten reptielen. Uitvoering van de plannen conflicteert dan ook voor wat betreft re ptielen niet met de Wet Natuurbescherming. Amfibieën Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aa n beschermde soorten amfibieën. Uitvoering van de plannen conflicteert dan ook voor wat betref t amfibieën niet met de Wet Natuurbescherming. Vissen Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aa n beschermde vissen. De plannen conflicteren dan ook niet met de Wet Natuurbescherming.
Ongewervelden Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aa n beschermde soorten ongewervelden. Uitvoe- ring van de plannen conflicteert dan ook voor wat b etreft ongewervelden niet met de Wet Natuurbe- scherming. Planten Het plangebied biedt geen geschikte leefomgeving aa n beschermde soorten planten. Uitvoering van de plannen conflicteert dan ook voor wat betreft pl anten niet met de Wet Natuurbescherming. 19 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN • De bouwwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoe n van vogels aan te vangen om mo- gelijke overtreding van de Wet Natuurbescherming te voorkomen. In grote lijnen loopt het broedseizoen van half maart tot half juli. • Door in voldoende alternatieve nestgelegenheid te voorzien voor huismussen, blijven er nestmogelijkheden bestaan. De werkzaamheden leiden dan hooguit tot verstoring. Geadvi- seerd wordt om, ter verificatie, een ontheffing aan te vragen. • Er dient onderzocht te worden of er in het kleine te slopen huisje (waar zich nu jongvee be- vindt) verblijfplaatsen van vleermuizen zijn. • Het plangebied en de directe omgeving bieden mogel ijk een geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Er is in de omge ving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig, zodat de plannen niet zullen leiden tot e en significante aantasting van het foera- geergebied.
• Het plangebied vormt potentieel foerageergebied vo or dassen en steenmarters. Er is in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied. De plannen conflicteren dan ook voor wat betreft steenmarters niet met de Wet Natuurbescherm ing. 20 REFERENTIES Creemers R., Van Delft, J. (2009) De amfibieën en r eptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9, KNNV Uitgeverij Utrecht Janssen en Schaminée (2008) Europese Natuur in Nede rland, Soorten van de habitatrichtlijn, KNNV Uitgeverij, Utrecht Limpens et al, (2010) Handleiding Vleermuizen en Pl anologie, Zoogdiervereniging www.minez.nederlandsesoorten.nl www.natuurkalender.nl www.quickscanhulp.nl "© NDFF - quickscanhulp.nl 28-02-2017 09:38:46".
www.rijksoverheid.nl www.vleermuisnet.nl www.vlinderstichting.nl www.wetten.overheid.nl www.zoogdieratlas.nl www.zoogdiervereniging.nl 21 BIJLAGE 1 RESULTATEN QUICKSCANHULP "© NDFF - quickscanhulp.nl 10-05-2017 10:07:04" Soort* Soortgroep Bescherming# Afstand Boomkikker Amfibieën wnb-hrl 0 - 1 km Heikikker Amfibieën wnb-hrl 1 - 5 km Kamsalamander Amfibieën wnb-hrl 1 - 5 km Poelkikker Amfibieën wnb-hrl 1 - 5 km Alpenwatersalamander Amfibieën wnb-andere soorten 5 - 10 km Vinpootsalamander Amfibieën wnb-andere soorten 5 - 10 km Geelbuikvuurpad Amfibieën wnb-hrl 5 - 10 km Knoflookpad Amfibieën wnb-hrl 5 - 10 km Rugstreeppad Amfibieën wnb-hrl 5 - 10 km Vroedmeesterpad Amfibieën wnb-hrl 5 - 10 km Noordse winterjuffer Insecten - Libellen wnb-hrl 0 - 1 km Gevlekte witsnuitlibel Insecten - Libellen wnb-hrl 1 - 5 km Groene glazenmaker Insecten - Libellen wnb-hrl 1 - 5 km Rivierrombout Insecten - Libellen wnb-hrl 1 - 5 km Sierlijke witsnuitlibel Insecten - Libellen wnb-hrl 1 - 5 km Levendbarende hagedis Reptielen wnb-andere soorten 0 - 1 km Ringslang Reptielen wnb-andere soorten 0 - 1 km Adder Reptielen wnb-andere soorten 1 - 5 km Hazelworm Reptielen wnb-andere soorten 1 - 5 km Muurhagedis Reptielen wnb-hrl 5 - 10 km Zandhagedis Reptielen wnb-hrl 5 - 10 km Groenknolorchis Vaatplanten wnb-hrl 1 - 5 km Grote modderkruiper Vissen wnb-andere soorten 1 - 5 km Das Zoogdieren wnb-andere soorten
0 - 1 km Eekhoorn Zoogdieren wnb-andere soorten 0 - 1 km Steenmarter Zoogdieren wnb-andere soorten 0 - 1 km Franjestaart Zoogdieren wnb-hrl 0 - 1 km Gewone dwergvleermuis Zoogdieren wnb-hrl 0 - 1 km Gewone grootoorvleermuis Zoogdieren wnb-hrl 0 - 1 km Otter Zoogdieren wnb-hrl 0 - 1 km Watervleermuis Zoogdieren wnb-hrl 0 - 1 km Boommarter Zoogdieren wnb-andere soorten 1 - 5 km Laatvlieger Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Meervleermuis Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Rosse vleermuis Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Ruige dwergvleermuis Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Waterspitsmuis Zoogdieren wnb-andere soorten 5 - 10 km * Voor vogels zijn alleen de soorten met jaarrond b eschermde nesten weergegeven # wnb-andere soorten = Wet Natuurbescherming, ander e soorten dan Vogelrichtlijnsoorten en Habitatricht lijn- soorten - hrl = Habitatrichtlijnsoorten Bijlage 5 Aerius-verschilberekening 183 Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx).
Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl. Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. Berekening NB vergund 2012 en Beoogd Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens Romiq9JG2AGu (20 februari 2020) pagina 1/28 Contact Rechtspersoon Inrichtingslocatie Wardenier Marijenkamp 18, Marijenkampen Activiteit Omschrijving AERIUS kenmerk Verschilberekening Romiq9JG2AGu Datum berekening Rekenjaar Rekenconfiguratie 20 februari 2020, 14:15 2020 Berekend voor natuurgebieden Totale emissie Situatie 1 Situatie 2 Verschil NOx - 165,31 kg/j 165,31 kg/j NH3 2.592,15 kg/j 2.540,36 kg/j -51,79 kg/j Resultaten Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j) Natuurgebied Verschil De Wieden 0,00 Toelichting verschil A.13: 90 mv en A1.100 gebouw 4a/b 120 mv en 100 jv Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 2/28 Locatie NB vergund 2012 Emissie NB vergund 2012 Bron Sector Emissie NH3 Emissie NOx Gebouw 1 Landbouw | Stalemissies 92,40 kg/j - Gebouw 2 Landbouw | Stalemissies 158,40 kg/j - Gebouw 4a Landbouw | Stalemissies 1.049,75 kg/j - Gebouw 4b Landbouw | Stalemissies 988,00
kg/j - Gebouw 5 Landbouw | Stalemissies 303,60 kg/j - Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 3/28 Locatie Beoogd Emissie Beoogd Bron Sector Emissie NH3 Emissie NOx Gebouw 1 Landbouw | Stalemissies 352,00 kg/j - Nieuwe stal emissie arm Landbouw | Stalemissies 540,00 kg/j - Gebouw 4a Landbouw | Stalemissies 650,00 kg/j - Gebouw 4b Landbouw | Stalemissies 910,00 kg/j - Bron 5 Wegverkeer | Buitenwegen < 1 kg/j 13,18 kg/j Bron 6 Mobiele werktuigen | Landbouw - 152,13 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 4/28 Bron Sector Emissie NH3 Emissie NOx Bron 7 Landbouw | Stalemissies 88,00 kg/j - Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 5/28 Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden (mol/ha/j) Natuurgebied Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* De Wieden 0,18 0,18 0,00 Drents-Friese Wold & Leggelderveld 0,34 0,35 0,00 Holtingerveld 0,22 0,22 0,00 Dwingelderveld 0,11 0,11 0,00 Weerribben 0,07 0,07 0,00 Drentsche Aa-gebied 0,04 0,04 0,00 Fochteloërveen 0,08 0,08 0,00 Rottige Meenthe & Brandemeer 0,10 0,10 0,00 Mantingerzand 0,05 0,05 0,00 Alde Feanen 0,03 0,03 0,00 Van Oordt's Mersken 0,03 0,03 0,00 Wijnjeterper Schar 0,07 0,07 0,00 Witterveld 0,07 0,07 0,00 Uiterwaarden Zwarte Water en
Vecht 0,03 0,03 0,00 Olde Maten & Veerslootslanden 0,03 0,03 0,00 Elperstroomgebied 0,04 0,04 0,00 Mantingerbos 0,05 0,05 0,00 Vecht- en Beneden-Reggegebied 0,02 0,02 0,00 Bakkeveense Duinen 0,07 0,07 0,00 Zwarte Meer 0,03 0,03 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 6/28 Natuurgebied Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* Rijntakken 0,03 0,03 0,00 Norgerholt 0,06 0,07 0,00 Drouwenerzand 0,02 0,02 0,00 Veluwe 0,02 0,02 0,00 Bargerveen 0,01 0,01 0,00 Waddenzee 0,01 0,01 0,00 Engbertsdijksvenen 0,01 0,01 0,00 Boetelerveld 0,01 0,01 0,00 Lieftinghsbroek 0,01 0,01 0,00 Springendal & Dal van de Mosbeek 0,01 0,01 0,00 Duinen Schiermonnikoog 0,01 0,01 0,00 Sallandse Heuvelrug 0,01 0,01 0,00 Dinkelland 0,01 0,01 0,00 Wierdense Veld 0,01 0,01 0,00 Sneekermeergebied 0,02 0,02 0,00 Duinen Ameland 0,01 0,01 0,00 Duinen Terschelling 0,01 0,01 0,00 Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving 0,01 0,01 0,00 Noordzeekustzone 0,01 0,01 0,00 Bergvennen & Brecklenkampse Veld 0,01 0,01 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 7/28 Natuurgebied Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* Landgoederen Oldenzaal 0,01 0,01 0,00 Borkeld 0,01 0,01 0,00 Achter de Voort, Agelerbroek &
Voltherbroek 0,01 0,01 0,00 Duinen Den Helder-Callantsoog 0,01 0,01 0,00 Buurserzand & Haaksbergerveen 0,01 0,01 0,00 Landgoederen Brummen 0,01 0,01 0,00 Duinen en Lage Land Texel 0,01 0,01 0,00 Witte Veen 0,01 0,01 0,00 Noordhollands Duinreservaat 0,01 0,01 0,00 Schoorlse Duinen 0,01 0,01 0,00 Naardermeer 0,01 0,01 0,00 Lonnekermeer 0,01 0,01 0,00 Zwanenwater & Pettemerduinen 0,01 0,01 0,00 Duinen Vlieland 0,01 0,01 0,00 Lemselermaten 0,01 0,01 0,00 Stelkampsveld 0,01 0,01 0,00 IJsselmeer 0,01 0,01 0,00 -0,00 * Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven. Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 8/28 Resultaten per habitattype (mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden met het hoogste resultaat De Wieden Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* Lg02 Geïsoleerde meander en petgat 0,18 0,18 0,00 Lg05 Grote-zeggenmoeras 0,18 0,18 0,00 Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei 0,18 0,18 0,00 Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland 0,22 0,22 0,00 H9999:35 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7140B).
0,14 0,14 0,00 ZGH3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,14 0,14 0,00 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 0,13 0,14 0,00 H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,12 0,12 0,00 Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied 0,13 0,13 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,13 0,13 0,00 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 0,10 0,10 0,00 H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,10 0,10 0,00 ZGH7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 0,09 0,09 0,00 H6410 Blauwgraslanden 0,07 0,07 0,00 H3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden 0,11 0,12 0,00 ZGH4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 0,20 0,20 0,00 ZGH3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden 0,05 0,05 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 9/28 De Wieden Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* ZGH91D0 Hoogveenbossen 0,08 0,08 0,00 Lg03 Zwakgebufferde sloot 0,05 0,05 0,00 Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied 0,04 0,05 0,00 H7210 Galigaanmoerassen 0,10 0,10 0,00 ZGH7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,08 0,08 0,00 ZGH6410 Blauwgraslanden 0,06 0,06 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd
Resultaten pagina 10/28 Drents-Friese Wold & Leggelderveld Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* Lg13 Bos van arme zandgronden 0,34 0,35 0,00 Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden 0,40 0,41 0,00 H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,26 0,26 0,00 H4030 Droge heiden 0,26 0,26 0,00 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen 0,26 0,26 0,00 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen 0,28 0,29 0,00 H3160 Zure vennen 0,30 0,30 0,00 H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) 0,30 0,30 0,00 H2310 Stuifzandheiden met struikhei 0,16 0,17 0,00 Lg04 Zuur ven 0,17 0,17 0,00 H2330 Zandverstuivingen 0,17 0,17 0,00 H5130 Jeneverbesstruwelen 0,14 0,14 0,00 H9190 Oude eikenbossen 0,23 0,23 0,00 L4030 Droge heiden 0,14 0,14 0,00 H3130 Zwakgebufferde vennen 0,17 0,17 0,00 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,12 0,12 0,00 Lg09 Droog struisgrasland 0,09 0,09 0,00 H3110 Zeer zwakgebufferde vennen 0,09 0,09 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 11/28 Holtingerveld Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H4030 Droge heiden 0,22 0,22 0,00 H9120 Beuken-eikenbossen met hulst 0,22 0,22 0,00 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,26 0,26 0,00 H4010A Vochtige heiden (hogere
zandgronden) 0,22 0,22 0,00 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen 0,23 0,23 0,00 H2330 Zandverstuivingen 0,29 0,29 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,26 0,26 0,00 H3160 Zure vennen 0,24 0,24 0,00 H9190 Oude eikenbossen 0,18 0,18 0,00 H2310 Stuifzandheiden met struikhei 0,18 0,18 0,00 ZGH6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,15 0,15 0,00 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen 0,16 0,16 0,00 H3130 Zwakgebufferde vennen 0,18 0,18 0,00 H5130 Jeneverbesstruwelen 0,26 0,26 0,00 ZGH4030 Droge heiden 0,15 0,15 0,00 H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) 0,20 0,20 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 12/28 Dwingelderveld Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H3160 Zure vennen 0,11 0,11 0,00 H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,11 0,11 0,00 Lg04 Zuur ven 0,11 0,11 0,00 Lg13 Bos van arme zandgronden 0,11 0,11 0,00 H9999:30 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7120).
0,10 0,10 0,00 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen 0,10 0,10 0,00 H4030 Droge heiden 0,10 0,10 0,00 H5130 Jeneverbesstruwelen 0,10 0,10 0,00 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,10 0,10 0,00 Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden 0,10 0,10 0,00 L4030 Droge heiden 0,10 0,10 0,00 H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) 0,09 0,09 0,00 L4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,09 0,09 0,00 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen 0,08 0,08 0,00 H2310 Stuifzandheiden met struikhei 0,09 0,09 0,00 H9190 Oude eikenbossen 0,13 0,13 0,00 ZGH7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen 0,05 0,05 0,00 H7120ah Herstellende hoogvenen, actief hoogveen 0,05 0,05 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 13/28 Dwingelderveld Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* ZGH6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,10 0,10 0,00 ZGH6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm 0,05 0,05 0,00 H3130 Zwakgebufferde vennen 0,06 0,07 0,00 H9120 Beuken-eikenbossen met hulst 0,08 0,08 0,00 H2330 Zandverstuivingen 0,13 0,13 0,00 ZGH2330 Zandverstuivingen 0,13 0,13 0,00 Lg09 Droog struisgrasland 0,05 0,05 0,00 ZGH3160 Zure vennen 0,05 0,05 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 14/28 Weerribben Habitattype
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,07 0,07 0,00 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 0,07 0,07 0,00 Lg05 Grote-zeggenmoeras 0,07 0,07 0,00 H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,14 0,14 0,00 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 0,14 0,14 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,14 0,14 0,00 Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei 0,14 0,14 0,00 H7210 Galigaanmoerassen 0,11 0,11 0,00 Lg02 Geïsoleerde meander en petgat 0,11 0,11 0,00 H9999:34 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7140B).
0,13 0,13 0,00 ZGH91D0 Hoogveenbossen 0,13 0,13 0,00 ZGH3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,11 0,11 0,00 H6410 Blauwgraslanden 0,09 0,09 0,00 H3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden 0,08 0,08 0,00 ZGH3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden 0,08 0,08 0,00 Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland 0,11 0,11 0,00 ZGH7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,09 0,09 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 15/28 Weerribben Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* ZGH7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 0,08 0,08 0,00 Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied 0,13 0,13 0,00 ZGH4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 0,23 0,23 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 16/28 Drentsche Aa-gebied Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H2310 Stuifzandheiden met struikhei 0,04 0,04 0,00 H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,04 0,04 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,04 0,04 0,00 H9120 Beuken-eikenbossen met hulst 0,04 0,04 0,00 H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) 0,04 0,04 0,00 H9190 Oude eikenbossen 0,04 0,04 0,00 ZGH4030 Droge heiden 0,04 0,04
0,00 H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,04 0,04 0,00 H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) 0,04 0,04 0,00 ZGH2310 Stuifzandheiden met struikhei 0,04 0,04 0,00 H4030 Droge heiden 0,04 0,04 0,00 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,04 0,04 0,00 H6410 Blauwgraslanden 0,02 0,02 0,00 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen 0,03 0,03 0,00 H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) 0,05 0,05 0,00 H3160 Zure vennen 0,02 0,02 0,00 H2330 Zandverstuivingen 0,03 0,03 0,00 H5130 Jeneverbesstruwelen 0,04 0,04 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 17/28 Drentsche Aa-gebied Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* ZGH4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,04 0,04 0,00 ZGH3160 Zure vennen 0,03 0,03 0,00 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen 0,03 0,03 0,00 ZGH2330 Zandverstuivingen 0,03 0,03 0,00 Fochteloërveen Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H7120ah Herstellende hoogvenen, actief hoogveen 0,08 0,08 0,00 ZGH7120ah Herstellende hoogvenen, actief hoogveen 0,08 0,08 0,00 H4030 Droge heiden 0,10 0,10 0,00 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen 0,04 0,04 0,00 H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,05 0,05 0,00 H7110A Actieve
hoogvenen (hoogveenlandschap) 0,06 0,06 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 18/28 Rottige Meenthe & Brandemeer Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 0,10 0,10 0,00 Lg05 Grote-zeggenmoeras 0,10 0,10 0,00 H6230 Heischrale graslanden 0,10 0,10 0,00 ZGH3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,10 0,10 0,00 H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,09 0,09 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,15 0,15 0,00 Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei 0,08 0,08 0,00 H6410 Blauwgraslanden 0,10 0,10 0,00 H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,10 0,10 0,00 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 0,10 0,10 0,00 H7210 Galigaanmoerassen 0,10 0,10 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 19/28 Mantingerzand Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) 0,05 0,05 0,00 H4030 Droge heiden 0,05 0,05 0,00 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm 0,05 0,05 0,00 H2310 Stuifzandheiden met struikhei 0,04 0,04 0,00 H2330 Zandverstuivingen 0,04 0,04 0,00 H5130 Jeneverbesstruwelen 0,04 0,04
0,00 H9190 Oude eikenbossen 0,04 0,04 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,06 0,06 0,00 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen 0,03 0,03 0,00 H3130 Zwakgebufferde vennen 0,03 0,03 0,00 H3160 Zure vennen 0,03 0,03 0,00 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen 0,02 0,02 0,00 Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 20/28 Alde Feanen Habitattype Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen* H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) 0,03 0,03 0,00 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 0,03 0,03 0,00 Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied 0,03 0,03 0,00 H6410 Blauwgraslanden 0,04 0,04 0,00 H91D0 Hoogveenbossen 0,03 0,04 0,00 Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei 0,04 0,04 0,00 Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland 0,01 0,01 0,00 H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen 0,03 0,03 0,00 Lg03 Zwakgebufferde sloot 0,02 0,02 0,00 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 0,02 0,02 0,00 H7210 Galigaanmoerassen 0,02 0,02 0,00 -0,00 * Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 21/28 Emissie (per bron) NB vergund 2012 Naam Gebouw 1 Locatie (X,Y) 200415, 536494 Uitstoothoogte 1,3 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 92,40 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 3.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig) 21 NH3 4,400 92,40 kg/j Naam Gebouw 2 Locatie (X,Y) 200418, 536497 Uitstoothoogte 1,8 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 158,40 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 3.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig) 36 NH3 4,400 158,40 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 22/28 Naam Gebouw 4a Locatie (X,Y) 200441, 536471 Uitstoothoogte 5,4 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 1.049,75 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 1.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) (Overig) 85 NH3 13,000 1.105,00 kg/j PAS 2015.08 -01 Beweiden ten minste 720 uur in een kalenderjaar- 5% emissiereductie NH3 1.049,75 kg/j Naam Gebouw 4b Locatie (X,Y) 200459, 536475 Uitstoothoogte 7,8 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 988,00 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 1.100
overige huisvestingssystemen (Rundvee; melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) (Overig) 80 NH3 13,000 1.040,00 kg/j PAS 2015.08 -01 Beweiden ten minste 720 uur in een kalenderjaar- 5% emissiereductie NH3 988,00 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 23/28 Naam Gebouw 5 Locatie (X,Y) 200440, 536507 Uitstoothoogte 7,3 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 303,60 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 3.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig) 69 NH3 4,400 303,60 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 24/28 Emissie (per bron) Beoogd Naam Gebouw 1 Locatie (X,Y) 200466, 536518 Uitstoothoogte 7,0 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 352,00 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 3.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig) 80 NH3 4,400 352,00 kg/j Naam Nieuwe stal emissie arm Locatie (X,Y) 200486, 536477 Uitstoothoogte 8,0 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 540,00 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie AFW A1.13 def 90 NH3 6,000 540,00 kg/j Naam Gebouw 4a Locatie (X,Y) 200441, 536471 Uitstoothoogte 5,4 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 650,00 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof
Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 1.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) (Overig) 50 NH3 13,000 650,00 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 25/28 Naam Gebouw 4b Locatie (X,Y) 200459, 536475 Uitstoothoogte 7,8 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 910,00 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 1.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) (Overig) 70 NH3 13,000 910,00 kg/j Naam Bron 5 Locatie (X,Y) 201170, 536445 NOx 13,18 kg/j NH3 < 1 kg/j Soort Voertuig Aantal voertuigen Stof Emissie Standaard Licht verkeer 5,0 / etmaal NOx NH3 1,55 kg/j < 1 kg/j Standaard Zwaar vrachtverkeer 2,0 / etmaal NOx NH3 6,53 kg/j < 1 kg/j Standaard Middelzwaar vrachtverkeer 2,0 / etmaal NOx NH3 5,10 kg/j < 1 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 26/28 Naam Bron 6 Locatie (X,Y) 200501, 536461 NOx 152,13 kg/j Voertuig Omschrijving Brandstof verbruik (l/j) Uitstoot hoogte (m) Spreiding (m) Warmte inhoud (MW) Stof Emissie STAGE II, 18 – 37 kW, bouwjaar 2001/01, Cat.
D Werkzaamheden erf 7.300 NOx 152,13 kg/j Naam Bron 7 Locatie (X,Y) 200418, 536497 Uitstoothoogte 1,8 m Warmteinhoud 0,000 MW NH3 88,00 kg/j Dier RAV code Omschrijving Aantal dieren Stof Emissiefactor (kg/dier/j) Emissie A 3.100 overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig) 20 NH3 4,400 88,00 kg/j Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 27/28 Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200211_3b24c29c22 Database versie 2019A_20200212_3b24c29c22 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A Romiq9JG2AGu (20 februari 2020)Resultaten NB vergund 2012 Beoogd Resultaten pagina 28/28 Bijlage 6 Notitie egel 212 Notitie Aequator Groen & Ruimte bv Postbus 1171 3840 BD Harderwijk t (088) 426 2422 internet: www.aequator.nl aequator@aequator.nl Aan : De heer L. Zuurbier, DLV Advies Van : De heer J. Faber, Aequator Groen & Ruimte Locatie : Marijenkampen 16 te Marijenkampen Datum : 13 mei 2020 Onderwerp : Aanvulling egels quickscan flora en fa una Geachte heer Zuurbier Op 22 mei 2017 is een natuurtoets opgesteld door Ae quator Groen & Ruimte in het kader van de vergroting van het bouwblok op de locatie Ma rijenkampen 16 te Marijenkampen. Dit betreft een quickscan flora en fauna. Sinds sep tember 2019 zijn enkele soorten aanvullend beschermd in de provincie Overijssel (ni et meer vrijgesteld). Dit betreft onder andere de egel. In het kader van de ruimtelijke pro cedure heeft DLV Advies onderstaand verzoek van de gemeente ontvangen: Mijn bevindingen zijn in overeenstemming met de con clusies van de quickscan- rapportage.
Op één aspect heb ik een aanvulling; In de rapportage wordt genoemd dat ten aanzien van grondgebonden zoogdieren de zorgpli cht geldt. Echter in september van dit jaar heeft de provincie Overijssel nieuw beleid vastgesteld waardoor nu ook de Egel een beschermde soort is. Hoewel ik geen belemmering en zie in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan geldt er dus met betrekking tot de Egel wel iets meer dan alleen de zorgplicht. Het ecologische adviesbureau doet er go ed om ook het gebruik van Egel in beeld te brengen naast de andere soort(groepen) die in de conclusie worden genoemd. De provincie zou moeten weten hoe dit te doen. Aanvulling egel Als naslagwerk is gebruikt: Brochure soortenbescher ming Overijssel: bunzing, egel, hermelijn en wezel, november 2019. Hierin staat dat nader veldonderzoek nodig is als b lijkt dat de aanwezigheid van kleine marterachtigen of egels aannemelijk is: a)Er kans bestaat dat functioneel leefgebied wordt aangetast of verblijfplaatsen van dieren worden verstoord. b)Er een project wordt gerealiseerd dat potentieel een leefgebied permanent doorsnijdt, te denken valt aan het aanleggen van spoor-, water- of autowegen. Op locatie wordt het volgende gebouwd: werktuigenbe rging, twee sleufsilo’s, ligboxenstal, jongveestal, paardenbak. De nieuwbouw locaties (huidig grasland of erf) zijn niet van groot belang voor egels.
Notitie Aanvulling egels quickscan flora en fauna 2 van 3 Locatie nieuw te bouwen ligboxenstal, paardenbak en sl eufsilo’s [A] en locatie nieuw te bouwen werktuigenberging [B]. A B
Notitie Aanvulling egels quickscan flora en fauna 3 van 3 Op locatie wordt het volgende gesloopt: oude jongve estal, houten gedeelte stal, klein opstal midden op erf. Deze opstallen zijn ongeschik t als foerageergebied of verblijfplaats voor egels. Tevens worden twee voeropslagplaatsen v erwijderd die momenteel vol in agrarisch gebruik zijn. Foto’s te slopen opstallen: De (voor de helft) te s lopen ligboxenstal [A], houten deel oude jongveestal [B] en huisje waarin zich jongvee bevin dt [C]. Conclusie Er wordt geen functioneel leefgebied aangetast of v erblijfplaatsen van egels verstoord. Er wordt geen leefgebied doorsneden. Het buitengebied is en blijft voornamelijk graslanden en erven. Het habitat dat voor egels het meest rele vant is zijn de houtwallen, slootranden en tuinen. Dit blijft intact. Bijlage: nieuwe situatieschets ontwikkeling A B C C Bijlage 7 Watertoets invoer 216 datum 9-5-2017 dossiercode 20170509-35-15230 Samenvatting van de watertoets De toets is uitgevoerd op een ruimtelijke ontwikkeling in het beheergebied van waterschap Drents Overijsselse Delta. Voor algemene informatie over de watertoets van Drents Overijsselse Delta kunt u ook terecht op onze website www.wdodelta.nl. Mocht u specifieke vragen hebben naar aanleiding van deze toets dan kunt u ons bereiken via telefoonnummer 088 - 2331200. U kunt ook een email sturen naar watertoets@wdodelta.nl.
Uit deze toets volgt de normale procedure. Hieronder vindt u een samenvatting van de door u ingevulde gegevens. _______________________________________________________________________________________________ Plangegevens Marijenkampen 16: "Uitbreiding melkveehouderij Marijenkampen 16 te Marijenkampen" Ligging plan: Marijenkampen 16 8339SM Marijenkampen Uw gegevens: Ico Boersma DLV Advies i.boersma@dlvadvies.nl Postbus 354 8440AJ Heerenveen Gegevens gemeente: Gemeente Steenwijkerland Jannie Bloemert 140521 jannie.bloemert@steenwijkerland.nl _______________________________________________________________________________________________ Samenvatting resultaat Kaartlagen: Heeft u een beperkingsgebied geraakt? nee Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Steenwijkerland Vragen: Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? nee Is er sprake van een uitbreiding van de lozing van huishoudelijk afvalwater in het landelijk gebied groter dan 9 vervuilingseenheden (ve) of in het stedelijk gebied van 30 ve? nee Is er in of rondom het plangebied sprake van wateroverlast of grondwateroverlast? nee Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2? ja Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is? nee Worden er op bedrijfsmatige wijze
activiteiten verricht waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? nee Heeft het plan een permanente waterpeilverandering van 10cm of meer tot gevolg? nee Aanvullende vragen ten behoeve van de normale procedure In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): ● een gemengd stelsel ● een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geinfiltreerd ● een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater ja ● een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool Wat is de toename of afname van het verharde oppervlak in m2? 4500 Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee Vindt er een lozing plaats in oppervlaktewater? nee Vinden er binnen het plan agrarische activiteiten of glastuinbouw plaats? ja Vindt er een tijdelijke of permanente onttrekking van grondwater plaats? nee _____________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegeneerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en u heeft verklaard alles naar waarheid te hebben ingevuld.
De WaterToets 2014 Bijlage 8 Watertoetsadvies 220 ! "# !$% # !$%# !$$& Geachte heer Boersma, Het waterschap heeft het plan behandeld. Op basis van de digitale watertoets en het beleid van het waterschap komen wij tot de normale procedure. De normale procedure houdt in dat wij u een watertoetsdocument toezenden (zie bijlage) met daarin de volgende onderdelen: 1. Korte omschrijving van de bestaande waterhuishouding 2. Uitgangspunten en toetsingscriteria voor het plan 3. Vervolg watertoets en beoordeling Het is de bedoeling dat u de uitgangspunten (paragraaf 2) verwerkt in het plan. Indien u vragen heeft over de uitgangspunten of het er niet mee eens bent, kunt u contact opnemen met onderstaande contactpersoon. Nadat u onze uitgangspunten zichtbaar in het plan heeft verwerkt, kunt u het plan ter beoordeling naar het waterschap terugsturen. Hierbij geldt dat wij pas een advies geven op basis van een uitgewerkt inrichtingsplan, bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. Er wordt geen advies gegeven op basis van alleen een waterparagraaf zonder bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing zonder inrichtingsschets.
Heeft u een watervergunning nodig op grond van de Waterwet? Het wateradvies dat is afgegeven in het kader van de watertoets is geen watervergunning. Gaat u werkzaamheden verrichten in de verbodszone, of gaat u grondwater onttrekken voor de werkzaamheden? Dan kunt u een watervergunning aanvragen op de website: www.omgevingsloket.nl. De aanvraag zal getoetst worden aan het dan vastgestelde beleid. Dat kan het huidige beleid zijn, afhankelijk van de tussenliggende periode, ook gewijzigd beleid. In de uitgangspunten (paragraaf 2) is aangegeven waar mogelijk een watervergunning voor moet worden aangevraagd. Kijk voor meer informatie over de werkwijze omtrent de watertoets op de website van het waterschap. Voor meer informatie over de uitgangspunten die door waterschap Drents Overijsselse Delta gehanteerd worden in het watertoetsproces, zie het Waterbeheerplan 2016-2021 en beleidsnotitie stedelijk waterbeheer Water Raakt!. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met ondergetekende, Met vriendelijke groet, Sander Habing Beleidsadviseur Waterschap Drents Overijsselse Delta Dokter van Deenweg 186, 8025 BM Zwolle Postbus 60, 8000 AB Zwolle T.