CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Marijenkampen 16.pdf

Politieke Markt 17 november 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Marijenkampen 16 in Marijenkampen76.960 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 8

Op de hogere voormalige heidegronden bestaat de bebouwing deels uit voormalige keuterboerderijtjes. Op de rug heeft zich het landschapstype "Kampen- en hoevenlandschap (met kleine escomplexen) ontwikkeld. Dit landschapstype heeft zich ontwikkeld op de overgang van hoog naar laag en van droog naar nat. Ze worden gekenmerkt door het naast elkaar voorkomen van onregelmatige blokvormige percelen op de hoger gelegen delen. De vele houtwallen, singels, bosjes en steilranden maken het landschap kleinschalig en gevarieerd. Hier en daar duiken uit de beslotenheid boerderijen op. De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa maakt deel uit van het deelgebied Rug Steenwijk- Oldemarkt. Het gehele deelgebied is aangewezen als landschapsbeschermingsgebied, in het Landschapsontwikkelingsplan 'Parel'. De hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de stuwwal hangen sterk samen met de ligging temidden van natte veen- en rivierlandschappen. Dit, tezamen met de aanwezige oude bebouwing, kleinschalige landschapsstructuur van houtwallen, laan- en erfbeplanting maken het deelgebied tot één van de 'parels' van Steenwijkerland. De ruimtelijke samenhang met de omliggende veengebieden is zeer groot en door het open karakter van de flanken is de overgang naar de nattere veen- en kleigebieden merkbaar.

Het accent in dit deelgebied ligt dan ook sterk op 'behoud en bescherming' en ontwikkeling mogelijkheden in het vasthouden en bergen van water. De overgangen van de hogere zandgronden naar de lager gelegen veengronden zijn van essentieel belang voor het begrip van het landschap. De overgang nat-droog wordt beter zichtbaar indien het grondgebruik aansluit bij de landschappelijke gegevenheden/potenties. De van oorsprong natte gebieden dienen bij voorkeur een natte functie krijgen (nat grasland, waterretentiegebieden, etc.). De drogere gronden tegen de flank van de stuwwal krijgen bij voorkeur een grondgebruik passend bij het bodemtype (akkerbouw en droge graslanden). Hoog-laag 27 verschillen worden benadrukt als het besloten karakter van de hogere gronden versterkt wordt en het zicht op de lage gebieden gehandhaafd blijft. Zoals te zien in onderstaande figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat, in het kader van de landschappelijke hoofdstructuur, is aangemerkt als 'halfopen landschap met singels en houtwallen' Kaart landschappelijke hoofdstructuur landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland Bron: Gemeente Steenwijkerland Met de voorgenomen ontwikkeling zal de openheid van het landschap niet worden aangetast. Tevens zal de blokverkaveling behouden blijven en versterkt door het aanbrengen en herstellen van houtwallen.

Verder worden in het LOP per ontwikkeling knelpunten en kansen gegeven. Voor de landbouw zijn deze als volgt: "De grondgebonden landbouw neemt in Steenwijkerland een belangrijke positie in. Het overgrote deel van het gebied is in gebruik als weiland. In de zandgebieden bestaat de landbouw uit meer extensieve bedrijven met veelal een neventak. In de droogmakerijen komen voornamelijk grote melkveebedrijven voor. De gebieden Weerribben en Wieden kennen een kleinschalige landbouw met lage melkproductie. Neveninkomsten komen ook uit rietteelt en visserij. De zeekleipolders en de gebieden langs de Linde behoren tot de grotere melkveehouderijbedrijven van Overijssel. Het zoeken naar nieuwe inkomensbronnen kan zowel positieve als negatieve effecten (bijdrage aan eigen identiteit) hebben op het landschap (verrommeling). Hetzelfde geldt voor vrijkomende agrarische bebouwing. Door sloop kan mogelijk een storende invloed op het landschap ongedaan worden gemaakt, anderzijds bestaat het gevaar dat karakteristieke bedrijfsbebouwing zal verdwijnen. Als knelpunten worden de volgende onderwerpen genoemd: Gevaar van verrommeling van het landschap door hergebruik stallen en ontstaan nevenfuncties. Gevaar verdwijnen van karakteristieke bedrijfsbebouwing door afbreken stallen. 28 In onderhavig geval is geen sprake van hergebruik van stallen of het uitvoeren van nevenfuncties.

Op de huidige bedrijfslocatie van de initiatiefnemer worden enkele verouderde bedrijfsgebouwen gesaneerd en vervangen door moderne bedrijfsgebouwen die passen bij de overige bedrijfsgebouwen op de locatie. Als kansen worden de volgende punten genoemd: Stimulering inpassing bestaande en nieuwe stallen door aanbrengen erfbeplantingen. Behoud openheid door versterken positie grondgebonden landbouw in de open gebieden. Financieel stimuleren activiteiten agrariërs op het gebied van natuurbeheer, waterbeheer en recreatie. Financieel stimuleren actief behoud en herstel van landschapselementen door agrariërs. Financieel stimuleren aanleg erfbeplanting en goede ruimtelijke inpassing nieuwe stallen. De voorgenomen ontwikkeling biedt ruimte aan de genoemde kansen. Om de manier waarop de kansen worden benut in beeld te brengen is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarmee tegemoet gekomen kan worden aan de eis te voorzien in een goede landschappelijk inpassing. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf 2.2.2. Met het opstellen van het landschappelijk inrichtingsplan en de uitvoer daarvan wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en wordt ruimte geboden aan de in het LOP gestelde kansen. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit het LOP van gemeente Steenwijkerland.

3.3.3 Welstandsnota De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal welstandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen. Het uitgangspunt is dat het bouwplan een definitief positief welstandsadvies krijgt. Het plangebied ligt in het welstandsgebied 'Stuwwallenlandschap tussen Oldemarkt en De Eese', deelgebied 'Kampenlandschap'. In dit gebied zijn de oorspronkelijke boerderijen overheersend. Veel oorspronkelijke boerderijen en bijbehorende erven zijn ook nog gaaf in situering, hoofdvorm en gevelindeling. De bebouwingskarakteristieken van deze gebouwen zijn dan ook bepalend voor het aanzien van dit gebied waarmee het historische karakter van het gebied nog goed afleesbaar is. Het beleid is er dan ook op gericht het oorspronkelijke karakter van het gebied te bewaren en bij nieuwe ontwikkelingen voorzichtigheid te betrachten. Bij nieuwbouw, vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling (nieuwbouw, wijziging en uitbreidingen) dient de architectonische kwaliteit minimaal gelijkwaardig te zijn aan de bestaande architectonische kwaliteit. Het ontwerp van de nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen zal daarom voorgelegd worden aan de welstandscommissie. 3.3.4 Notitie nieuwe energie 2012 De Notitie Nieuwe Energie gemeente Steenwijkerland is een beleidsnotitie, ontwikkeld om tot 2020 de ambitie en doelstellingen op het gebied van nieuwe energie te bepalen. De notitie beschrijft een strategische routekaart waarin wordt aangegeven waarop de gemeente gaat inzetten met betrekking tot energiebesparing en opwekking van hernieuwbare energie. Bij de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied zal de toekomstige uitbreiding van de melkveestapel gepaard gaan met uitbreiding van de oppervlakte zonnepanelen om zodoende minimaal 30% van de electriciteitsbehoefte op te wekken met duurzame energiebronnen, zodat sprake is van duurzame energie opwekking in lijn met de doelstellingen uit de notitie. 29 Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen: 1. Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen). 2. Het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van melkrundveehouderij.

Ten aanzien van een melkrundveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelig object betreft een burgerwoning aan de Marijenkampen 18 en bevindt zich op een afstand van 8,5 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstand van 100 meter voldaan. Voor het aspect geur wordt verwezen naar de op dit moment geldende gemeentelijke geurverordening op basis waarvan een afstandcriterium van 25 meter geldt tussen geuremissiepunt en de gevel van het te beschermen object. Hieraan wordt in de gewenste situatie voldaan. De afstand bedraagt namelijk 40 meter van de gevel van de woning aan de Marijenkampen 18 tot het emissiepunt van de dichtstbijzijnde stal (bestaande ligboxenstal). Voor wat betreft het aspect geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden behandeld bij het aspect geluid in paragraaf 4.1.4. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelings- mogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.

Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. 30 4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden.

Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De gemeente Steenwijkerland heeft een eigen geurbeleid vastgelegd in de "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Steenwijkerland. Volgens de gebiedsindeleing uit deze verordening ligt de planlocatie in het gebiedtype I (buitengebied), zoals aangegeven op de kaart behorende bij deze verordening. In artikel 2 van de verordening wordt een andere waarde voor de afstand in gebiedstype I aangegeven. Volgens artikel 2 geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype 1 een minimale afstand van 25 meter. Het dichtsbij gelegen geurgevoelige object betreft de woning op Marijenkampen 18. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van melkrundveehouderij met een viertal paarden. Voor melkkoeien, jongvee en paarden, zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstand van 25 meter aangehouden dient te worden. In onderstaande figuur is met rood de contour van 25 meter aangegeven.

Figuur: Uitsnede situatietekening met aanduiding 25 meter contour vanuit woning Marijenkampen 18 Bron: DLV Advies 31 De afstand van de gevel van (het woongedeelte) van de woonboerderij bedraagt in de huidige situatie minder dan 25 meter. In de gewenste situatie die met dit plan mogelijk wordt gemaakt zal de afstand van de woning op Marijenkampen 18 tot het geuremissiepunt van het meest nabije dierenverblijf minimaal 25 meter bedragen. Binnen de afstandscontour van 25 meter bevinden zich geen gebouwen (emissiepunten) waarin melkkoeien en/of bijbehorend jongvee gehuisvest worden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden. De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven. Afstand tot te toetsen plaats 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m Totale emissie in g/jr van uit- breiding / oprichting 324000 387000 473000 581000 817000 1075000 1376000 Tabel grenswaarden fijn stof op verschillende afstanden. Bron: ECN. In de huidige situatie worden 165 melkkoeien en 69 stuks jongvee gehouden.

De huidige fijnstofemissie bedraagt: 165 x 118 g/dier/jaar = 19.470 g/jaar. 126 x 38 g/dier/jaar = 4.788 g/jaar. 32 Totaal: 19.470 + 2.622 = 24.258 g/jaar. Bij de voorgenomen ontwikkeling is op termijn een toename van de veestapel van 45 stuks melkkoeien en 11 stuks jongvee. De aangevraagde fijnstofemissie bedraagt: 210 x 118 g/dier/jaar = 24.780 g/jaar. 80 x 38 g/p/jaar = 3.040 g/jaar. Totaal: 24.780 + 3.040 = 27.820 g/jaar. Na realisatie van de werktuigenberging cq. voeropslag, de jongveestal en de ligboxenstal bedraagt de fijnstofemissie van het hele bedrijf: 27.820 gr/jaar. De fijnstofbelasting neemt toe met 3.562 gram per jaar. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van ca. 40 meter; gemeten van gevel van de woning aan de Marijenkampen 18 tot het emissiepunt van de bestaande ligboxenstal. Aangenomen mag worden dat een geringe emissietoename van 12.108 g/jaar op 40 meter ten opzichte van een grenswaarde van 324.000 g/jaar bij 70 meter, aangemerkt kan worden als NIBM. Uitgaande van de aanname dat sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).

Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. 33 4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde).

Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een melkveehouderij met op termijn een toename van het aantal verkeersbewegingen welke mogelijk leiden tot een toename van de geluidsbelasting aan de omgeving. Om te onderzoeken of ter plaatse van omliggende gevoelige objecten de geldende normen uit de Wgh worden overschreden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Voor het volleidge onderzoek wordt vewezen naar bijlage 3. Het onderzoek gaat over de nieuwe, aangevraagde bedrijfssituatie. Ten opzichte van de bestaande, vergunde situatie wordt het bedrijf uitgebreid met twee nieuw te bouwen stallen en een werktuigenberging. Ook wordt onder andere de voeropslag aan de straatzijde gesloopt en worden enkele nieuwe sleufsilo's gerealiseerd naast en achter de bestaande sleufsilo's. Uit vooronderzoek is gebleken, dat het inkuilen van mais en gras in de avondperiode in de huidige situatie niet mogelijk is binnen de geluidsnormen. Door de zuidelijke inrit 25 meter naar het noorden te verplaatsen (zie eerste figuur in bijlage 3), kan de aanvoer van kuilvoer in de avondperiode wel binnen de geluidsnormen plaatsvinden. In het onderzoek is deze maatregel als uitgangspunt gehanteerd. In het onderzoek zijn het gemiddelde geluidsniveau en het piekgeluidsniveau berekend op de woningen die in de omgeving van het bedrijf liggen. Verder is aandacht besteed aan de geluidsbelasting door het verkeer van en naar het bedrijf. De conclusies uit rapport zij als volgt: Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituatie in de avond- en nachtperiode aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. In de dagperiode wordt de richtwaarde overschreden door vergunde geluidsbronnen, waarbij wordt voldaan aan de vigerende geluidsnorm.

Geluidsreducerende maatregelen zijn praktisch niet mogelijk. Daarom wordt de geluidsbelasting aanvaardbaar en vergunbaar geacht. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is tijdens de afvoer van drijfmest met sleepslangen (3 dagen per jaar) op 1 woning hoger dan in de representatieve bedrijfssituatie. Deze situatie kan beschouwd worden als regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie en op maat vergund worden. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is tijdens het inkuilen van voer hoger dan in de representatieve bedrijfssituatie. Deze situatie kan beschouwd worden als incident dat maximaal 12 keer per jaar voor komt. Volgens het 12-dagencriterium wordt deze situatie aanvaardbaar geacht. Het maximale geluidsniveau voldoet in de onderzochte situaties aan de grenswaarde. Het is praktisch niet mogelijk om aan de richtwaarde te voldoen. De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet in de representatieve bedrijfssituatie in de avond- en nachtperiode aan de voorkeursgrenswaarde. In de dagperiode wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De geluidsbelasting wordt aanvaardbaar en vergunbaar geacht. Tijdens het inkuilen van voer wordt de voorkeursgrenswaarde in zowel de dag- als avondperiode 34 overschreden. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde.

Omdat maatregelen praktisch niet mogelijk zijn en deze situatie maximaal 12 keer per jaar voorkomt, wordt deze aanvaardbaar en vergunbaar geacht. De verplaatsing van de nieuwe inrit in noordelijke richting welke als uitgangspunt gehanteerd is in het akoestisch onderzoek zal pas uitgevoerd worden zodra de nieuwbouw van de ligboxenstal voor melkkoeien gerealiseerd wordt. In de huidige situatie hebben de bewoners van de betreffende woning op Marijenkampen 5 verklaard akkoord te gaan met handhaving van de bestaande situatie ten aanzien van de huidige bedrijfsvoering in relatie tot de bestaande inrit. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. 4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijn stof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. 4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijn stof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.

Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. 4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 35 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen.

Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn. Uitsnede Risicokaart. Bron: risicokaart.nl 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Daarnaast neemt de personendichtheid niet toe.

Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. 4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. 36 Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging. 4.1.8 Lichthinder In melkveestallen wordt de laatste jaren steeds meer verlichting toegepast. Tezamen met hogere goot- en nokhoogtes en de toepassing van open zijgevels kan dit leiden tot meer lichtuitstoot naar de omgeving.

Omwonenden kunnen hier hinder van ondervinden, met name in de avonduren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een lichtbron effecten kan hebben op de flora en fauna in de omgeving. Om overlast te voorkomen dient daarom lichthinder zoveel mogelijk te worden tegengegaan. Bij de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied die met dit plan mogelijke gemaakt worden gaat het in eerste instantie om de nieuwbouw van een jongveestal. Voor jongvee is geen lichtregime nodig waarbij lichthinder voor de omgeving zou kunnen ontstaan. Voor de op termijn te realiseren uitbreiding van de ligboxenstal voor melkkoeien zijn voldoende maatregelen beschikbaar om lichthinder tegen te gaan of te voorkomen. Om lichthinder tegen te gaan zal bij de voorgenomen ontwikkeling zullen in ieder geval de volgende maatregelen aan de orde zijn: Toepassen van specifieke lichtarmaturen die door vorm en spiegeloptiek van de armaturen lichtuistraling tegen gaan. Lichtbronnen hoger ophangen dan de goothoogte. Toepassen van lichtregime (alleen specifieke nachtverlichting tussen 22.00 en 06.00, donkerperiode van 8 uur per nacht voor de melkkoeien). Toepassen van doeken/schermen aan de zijden van de stal van een donkerdere kleur (geen lichtdoorlatend transparant materiaal). Terugbrengen van de lichtsterkte in de stal tijdens de avonduren (bij jongvee).

Hiermee zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige lichthinder aan de omgeving. 4.1.9 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in 37 bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.9.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in uitbreiding van een bestaande melkrundveehouderij. Ter plaatste worden na realisatie van het plan 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee gehouden worden. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (RAV-cat. A1, A2 en A3). Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. 4.1.9.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. 4.1.9.3 Kenmerken van het potentiële effect van he t project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal.

Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten. 4.2 Ecologie 4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht.

Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden 38 en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (De Weerribben) is gelegen op een afstand van ongeveer 4 kilometer van de locatie.

39 Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden Bron: provincie Overijssel Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee vergunning plichting in het kader van de Wet natuurbescherming Op 3 september 2012 is voor het melkrundveebedrijf op de planlocatie een Natuurbeschermingswetvergunning 1998 verleend. De volgende dieraantallen zijn vergund: Met de voorziene nieuwbouw van de jongveestal zal er ten aanzien van de vergunde ammoniakemissie geen sprake zijn van uitbreiding. Ten behoeve van de gewenste huisvesting van een viertal paarden zal het overeenkomstige aantal stuks rundvee (jongvee en/of melkkoeien) minder gehouden worden zodat geen sprake zal zijn van uitbreiding ammoniakemissie. De voorgenomen nieuwbouw van de ligboxenstal is gepland over 5 - 10 jaar. De huidige Natuurbeschermingswetvergunning heeft voldoende ruimte die benut kan worden binnen het bestemmingsplan. Mocht in de toekomst blijken dat de ruimte binnen de Natuurbeschermingswetvergunning niet meer volstaat dan zal een gewijzigde Natuurbeschermingswetvergunning vergunning worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Op het moment dat de initiatiefnemer de jongveestal en de uitbreiding van de melkveestal gaat realiseren moet er voorafgaand aan de werkzaamheden de wijzigingsvergunning worden aangevraagd.

De werkzaamheden mogen pas worden gestart als de vergunning verleend is. 40 Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten.

Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te 41 doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Aequator Groen & Ruimte. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij dit plan. De conclusies luiden als volgt: De bouwwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels aan te vangen om mogelijke overtreding van de Wet Natuurbescherming te voorkomen. In grote lijnen loopt het broedseizoen van half maart tot half juli. Door in voldoende alternatieve nestgelegenheid te voorzien voor huismussen, blijven er nestmogelijkheden bestaan. De werkzaamheden leiden dan hooguit tot verstoring. Geadviseerd wordt om, ter verificatie, een ontheffing aan te vragen. Er dient onderzocht te worden of er in het kleine te slopen huisje (waar zich nu jongvee bevind) verblijfplaatsen van vleermuizen zijn. Het plangebied en de directe omgeving bieden mogelijk een geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen.

Er is in de omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig, zodat de plannen niet zullen leiden tot een significante aantasting van het foerageergebied. Het plangebied vormt potentieel foerageergebied voor dassen en steenmarters. Er is in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied. De plannen conflicteren dan ook voor wat betreft steenmarters niet met de Wet Natuurbescherming. Het moment van de sloop van het betreffende kleine huisje waar mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn staat nog niet vast. Pas nadat de nieuwe jongveestal in gebruik genomen kan worden zal er in het kader van benodigde sloopmelding tijdig vleermuizenonderzoek verricht worden. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Ten tijde van het opstellen van het flora- en faunaonderzoek in 2017 was onderzoek naar de egel nog niet verplicht. Ten tijde van het ter inzage leggen van het bestemmingsplan is deze verplichting er wel. Daarom heeft het onderzoeksbureau een aanvullende notitie opgesteld. Daaruit blijkt dat er geen functioneel leefgebied aangetast wordt of verblijfplaatsen van egels worden verstoord. Er wordt geen leefgebied doorsneden. Het buitengebied is en blijft voornamelijk graslanden en erven. Het habitat dat voor egels het meest relevant is zijn de houtwallen, slootranden en tuinen. Dit blijft intact.

Zie voor de volledige notitie Bijlage 6 Notitie egel. 42 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 1.600 meter. Uitsnede kaart NNN.

Bron: Provincie Overijssel Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg. 43 4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De Wav-gebieden zijn altijd gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betekent niet dat alle NNN-gebieden ook zijn aangemerkt als Wav-gebieden, maar wel dat alle Wav-gebieden eveneens zijn aangemerkt als NNN-gebieden en ook als dusdanig zijn opgenomen op de betreffende kaart. Zoals aangetoond in de paragraaf "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2) is de locatie niet binnen 250 meter van een NNN-gebied gelegen.

Hiermee kan de locatie dus ook niet binnen 250 meter van een Wav-gebied gelegen zijn, waarmee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een onevenredige aantasting van de betreffende gebieden. 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Steenwijkerland voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'hoge archeologische verwachting'. 44 Uitsnede archeologische beleidskaart voor bewoningskernen en buitengebied. Bron: Gemeente Steenwijkerland. Volgens de vigerende beheersverordening geldt ter plaatse de 'Waarde-Archeologie 2'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2500 m² en indien deze zich bevindt buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2500 m² waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. 4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen.

Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Om de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld te brengen is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld door de provincie Overijssel. Volgens de CHW, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie gelegen in de kop van Overijssel, bestaande uit een zand- en ruilverkavelingslandschap. Dit zijn cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen welke met voorgenomen ontwikkeling niet aangetast zullen worden. 45 Kaartfragment cultuurhistorische atlas met aanduiding planlocatie. Bron: Provincie Overijssel / Het Oversticht Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen van de cultuurhistorisch waardevolle elementen zal worden aangetast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. 4.3.3 Aardkundige waarden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie nie in een aardkundig waardevol gebied gelegen. 46 Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.

Bron: gemeente Steenwijkerland Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden 4.4 Verkeer en parkeren 4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Marijenkampen. De locatie is voorzien van twee inritten welke aansluit(en) op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. 47 4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ontwikkeling van een bestaande melkrundveehouderij waarbij in eerste instantie een werktuigenberging en daarop volgend de vervangende nieuwbouw voor het jongvee gerealiseerd zal worden. Ook zullen nieuwe sleufsilo's aangelegd worden voor de opslag van ruwvoer. Hiervoor zullen de twee bestaande kuiplaten aan de voorzijde van het erf verwijderd worden. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Het aantal dieren blijft in deze fases van de ontwikkeling gelijk. Het is aannemelijk dat er minder interne verkeersbewegingen plaatsvinden op het erf omdat de ruwvoeropslagen geclusterd worden. Over 5 tot 10 jaar staat nieuwbouw van de ligboxenstal gepland voor uitbreiding van de melkkoeien met ca. 70 stuks. Hierdoor zal vanaf dat moment de melkproductie toenemen. Bij uitbreiding van een melkveehouderij in het algemeen zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen.

Er is meer krachtvoer nodig en er zal meer melk worden afgedragen, maar dit kan in dezelfde vrachtwagen plaatsvinden die dan voller wordt geladen. Er is alleen sprake van een extra levering van overige goederen. Gezien de ligging van het bedrijf ten opzichte van omliggende bebouwing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarbij o.a. ook het aspect verkeersbewegingen is beoordeeld (zie bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat in twee van de drie beoordeelde scenario's wordt voldaan aan de voorkeursgeluidsnormen. In één scenario overdag wordt deze norm licht overschreden. De overschrijding vindt alleen plaats op dagen dat er mest wordt afgevoerd. Tijdens het inkuilen van ruwvoer (situatie 3 volgens het akoestisch rapport) wordt de geluidsnorm overdag en 's avonds overschreden. In alle situatie wordt voldaan aan de maximale geluidsnorm. De geluidsbelastingen zijn zodoende aanvaardbaar en vergunbaar. Naar aanleiding van de resultaten van het akoestisch onderzoek, adviseert het akoestisch bureau om de zuidelijke inrit 25 meter te verplaatsen naar het noorden. Initiatiefnemer gaat deze verplaatsing uitvoeren in combinatie met de realisatie van de laatste fase; de nieuwbouw/uitbreiding van de ligboxenstal voor melkkoeien. 4.5 Wateraspecten Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening.

Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Op 9 mei 2017 is de digitale watertoets uitgevoerd. Naar aanleiding van de uitkomsten van de watertoets heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta aangegeven dat de normale procedure gevolgd dient te worden waarbij het waterschap een watertoetsdocument opsteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/8f19e5c0-4611-4efc-bc59-f6f6d0351c9a?agendaItemId=3eb250e1-dd14-4f22-8bef-dab4059bb916