BP Marijenkampen 16.pdf
Tekst van het document
MARIJENKAMPEN 16 bestemmingsplan
Marijenkampen 16 bestemmingsplan Naam plan: Marijenkampen 16 Nummer: NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01 Gemeente: Steenwijkerland Opdrachtgever: Melkveehouderijbedrijf Wardenier M arijenkampen Plan gemaakt door: DLV Advies Datum: 24 november 2020 Versie: Vastgesteld 2 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 6 1.1 Aanleiding voor het plan 6 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 6 1.3 Vigerende beheersverordening 7 1.4 Leeswijzer 7 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 9 2.1 Huidige situatie 9 2.2 Gewenste situatie 10 Hoofdstuk 3 Beleidskader 14 3.1 Rijksbeleid 14 3.2 Provinciaal beleid 15 3.3 Gemeentelijk beleid 26 Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 30 4.1 Milieu 30 4.2 Ecologie 38 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 44 4.4 Verkeer en parkeren 47 4.5 Wateraspecten 48 Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 52 5.1 Economische uitvoerbaarheid 52 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 53 5.3 Handhaving 53 Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 54 6.1 Doel en reikwijdte 54 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 54 6.3 Voorliggend bestemmingsplan 56 Bijlagen bij de toelichting 57 Bijlage 1 Situatietekening op schaal 58 Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan 60 Bijlage 3 Akoestisch onderzoek 76 Bijlage 4 Onderzoek flora en fauna 158 Bijlage 5 Aerius-verschilberekening 183 Bijlage 6 Notitie egel 212 Bijlage 7 Watertoets invoer 216 Bijlage 8 Watertoetsadvies 220 Bijlage 9
Watertoetsdocument 223 Bijlage 10 Bedrijfsomvang bestaande situatie 22 9 Bijlage 11 Bedrijfsomvang gewenste bedrijfsopzet 232 Bijlage 12 Uitnodiging infobijeenkomst buurt 2 35 Bijlage 13 Presentielijst infobijeenkomst buurt 237 Bijlage 14 Verslag infobijeenkomst buurt 239 Regels 241 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 242 Artikel 1 Begrippen 242 Artikel 2 Wijze van meten 249 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 250 Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1 250 3 Artikel 4 Agrarisch met waarden 254 Artikel 5 Groen 258 Artikel 6 Water 259 Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 261 Hoofdstuk 3 Algemene regels 263 Artikel 8 Antidubbeltelregel 263 Artikel 9 Algemene bouwregels 264 Artikel 10 Algemene gebruiksregels 265 Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 266 Artikel 12 Overige regels 267 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 268 Artikel 13 Overgangsrecht 268 Artikel 14 Slotregel 269 Bijlagen bij de regels 271 Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan 272 Bijlage 2 Situatietekening 288 Bijlage 3 Staat van bedrijfsactiviteiten 290 Bijlage 4 Overzicht aan huis gebonden beroepen/bedrijven 305 4 Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van de "Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014" van gemeente Steenwijkerland ten behoeve van vergroting van het agrarisch bouwvlak naar 1,5 hectare.
De initiatiefnemer is voornemens de bestaande melkrundveehouderij uit te breiden middels een nieuwe ligboxenstal, jongveestal, werktuigenberging en een viertal sleufsilo's voor de opslag van ruwvoer. Daarnaast wordt de bestaande paardenbak verplaatst. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk voor een efficiënte bedrijfsvoering, nu en in de toekomst. Het is van belang dat het bedrijfserf optimaal ingedeeld wordt waarbij de ruwvoeropslag, de werktuigenberging, de ligboxenstallen en de jongveestal op de juiste positie op het erf worden geplaatst. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht en is ook een situatietekening van de beoogde situatie opgenomen. De beoogde bouwactiviteiten passen niet binnen het huidige agrarisch bouwvlak en daarmee past de voorgenomen ontwikkeling niet binnen de bepalingen uit de geldende beheersverordening. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De planlocatie is gelegen aan de Marijenkampen 16 te Marijenkampen en ligt ten noorden van Steenwijkerwold in het landelijk gebied van gemeente Steenwijkerland. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Steenwijkerland, sectie M, nummer 60. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven. Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: PDOK Viewer 6 1.3 Vigerende beheersverordening Ter plaatse is het bepaalde uit de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" van de gemeente Steenwijkerland, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 9 december 2014, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de enkelbestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' onverkort van toepassing. Daarnaast ligt over de locatie een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensief veehouderij neventak. Het huidige agrarisch bouwvlak heeft een omvang van 9800 m². Op de gronden buiten het agrarische bouwvlak is de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' van toepassing. Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. In de geldende beheersverordening is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Om deze reden is het noodzakelijk de beheersverordening gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. 1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. 7 Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan.
Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn. 8 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Steenwijkerland. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit het typerende Kampenlandschap aan de zuidwestelijke zijde van het stuwwallandschap tussen Oldemarkt en de Eese. De verkavelingsstructuur betreft een onregelmatige verkaveling met een kleinschalige opzet. De onderlinge kavels worden veelal gescheiden door houtwallen. Voor een uitgebreide omschrijving van het landschap en de ontstaansgeschiedenis daarvan wordt verwezen naar de inhoud van het advies "Landschappelijke inpassing Marijenkampen 16 in Marijenkampen" van Buro Greet Bierema in bijlage 2. 2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een melkrundveehouderij gevestigd. Ter plaatse worden in de huidige situatie 130 melkkoeien en 94 jongvee gehouden (bijlage 10).
Het bedrijf beschikt over een melding Besluit landbouw en milieubeheer (2009) voor het houden van 165 melkkoeien (RAV A1.6.2), 126 jongvee (RAV A3.100), 5 vleesstieren (RAV A6.100) en 4 paarden (RAV K1.100). Op 3 september 2012 is voor het melkrundveebedrijf op de planlocatie een Natuurbeschermingswetvergunning 1998 verleend. De volgende dieraantallen zijn vergund: Zoals nader toegelicht in paragraaf 4.2.1 Wet natuurbescherming is er binnen de huidige Natuurbeschermingswetvergunning voldoende ruimte om de ontwikkeling stikstofneutraal uit te voeren. Om aan te tonen dat de gewenste ontwikkeling mogelijk is, is er een verschilberekening met Aerius gemaakt. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling naar 210 stuks melkkoeien en 80 stuks jongvee neutraal kan plaatsvinden. In onderstaande figuur is de huidige situatie weergeven. Centraal op het erf gelegen zijn de twee gekoppelde ligboxenstallen waarin de melkkoeien gehouden worden. Het jongvee wordt momenteel gehuisvest in meerdere gebouwen die deels sterk verouderd zijn en niet meer voldoen aan de eisen voor huisvesting en welzijn van deze diercategorie. Voor de ruwvoeropslag zijn twee kuilplaten en een viertal sleufsilo's ingebruik. Achter de bestaande ligboxenstal is tevens een paardenbak gevestigd. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 9.800 m² groot.
9 Luchtfoto huidige situatie Bron: PDOK Viewer 2.2 Gewenste situatie 2.2.1 Ruimtelijke structuur Na vergroting van het bouwvlak is de initiatiefnemer voornemens ter plaatse de volgende gebouwen en andere bedrijfsonderdelen te realiseren (zes fasen): 1. Nieuwbouw van een werktuigenberging cq. voeropslag. 2. Nieuwbouw jongveestal. 3. Sloop en verwijdering van enkele oude opstallen en tweetal kuilplaten. 4. Nieuwbouw ligboxenstal. 5. Aanleg extra ruwvoeropslag in de vorm van sleufsilo's. 6. Verplaatsen van de paardenbak. Genoemde ontwikkeling wordt noodzakelijk geacht voor een efficiënte en optimale bedrijfseconomische bedrijfsvoering voor komende jaren. De argumenten hiervoor zijn de volgende: De matige kwaliteit van de huidige jongveehuisvesting en de huisvesting van jongvee in meerdere oude gebouwen staan een optimale opfok van jongvee in de weg en is bovendien qua verzorging zeer inefficiënt. De klimaatbeheersing in deze oude bedrijfsgebouwen is verre van optimaal en kan leiden tot gezondheidsproblemen bij het jongvee. Het ontwerp van de nieuw te bouwen jongveestal komt tegemoet aan de jongste welzijns- en klimaateisen voor deze diercategorie terwijl er qua veeverzorging zeer efficiënt gewerkt kan worden.
Voor een efficiënte bedrijfsvoering, nu en in de toekomst, is het van belang dat het bedrijf optimaal wordt ingedeeld waarbij de ruwvoeropslag, de werktuigenberging, de ligboxenstallen en de jongveestal op de juiste positie op het erf worden geplaatst. Daarmee worden korte interne logistieke routes mogelijk gemaakt. In de toekomstige bedrijfsopzet is het erf ten zuiden van de ligboxenstal ingericht ten behoeve van de centrale opslag van ruwvoer. Op het bedrijf wordt gevoerd met een voermengwagen welke gevuld wordt 10 vanuit de ruwvoeropslagen en eventueel aangevuld met enkelvoudige voerproducten welke opgeslagen worden in de nieuw te bouwen werktuigenberging. Ook de machines en werktuigen welke t.a.v. het voeren dagelijks gebruikt worden bevinden zich in de nieuw te bouwen werktuigenberging welke aan de zijde van de ruwvoeropslag voorzien wordt van twee brede toegangen. Hierdoor zijn de interne transportroutes van machines en werktuigen binnen het bedrijf tot een minimum te beperken. De volgende stap in de bedrijfsontwikkeling is uitbreiding van het melkrundvee door een nieuwe ligboxenstal te realiseren aan de oostijde van het erf. In de bestaande situatie worden de koeien gemolken met drie melkrobots. Tijdens de aanschaf van deze robots is al rekening gehouden met een toekomstige uitbreiding van de veestapel.
Met deze melkrobots kunnen meer koeien gemolken worden dan de huidige 130 melkkoeien. Uitbreiding van het aantal melkkoeien kan relatief eenvoudig en goedkoop omdat er geen uitbreiding van het aantal melkrobots nodig is (alleen stalruimte). Voor een volgende stap in de bedrijfsontwikkeling ligt het voor de hand dat de jongveestal op termijn verlengd wordt. Door de ruwvoeropslagen bij elkaar te groeperen op het erf, kunnen twee bestaande ruwvoeropslagen verwijderd worden. De huidige paardenbak welke in de zuidwesthoek van het erf is gelegen is al verplaatst naar een positie achter de nieuw te bouwen ligboxenstal voor melkkoeien. Deze verplaatsing is vooral ingegeven door een betere landschappelijke inpassing van het complete bedrijf en voorkomen van verrommeling van het voorerf. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen. Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Het voornemen is om de bouwactiviteiten gefaseerd uit te voeren in de eerder genoemde zes fases.De 11 verwachting is dat binnen 5 jaar fase 1 - 3 worden gerealiseerd en vervolgens fase 4 - 6. Uitbreiding van de bedrijfsomvang zal uiteraard alleen volgens de geldende landelijke en EU regelgeving plaats kunnen vinden.
Deze regelgeving is constant in beweging waardoor de voorwaarden voor bedrijfsontwikkeling van jaar tot jaar aangepast kunnen worden. Bij elke stap in bedrijfsomvang zal voldaan moeten worden aan de dan geldende wet- en regelgeving. In zijn totaal wil de initiatiefnemer doorgroeien naar 210 stuks melkkoeien en 80 stuks jongvee. Het bouwvlak ter plaatse is niet groot genoeg om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Het bouwvlak wordt daarom vergroot tot 1,5 hectare. Van belang is nog te vermelden dat huidige beheersverordening reeds een beperking stelt van maximaal 400 melkkoeien. Het nieuwe bestemmingsplan maakt daarom niet meer dieraantallen mogelijk dan reeds volgens de huidige beheersverordening is toegestaan. Deze beperking is weer opgenomen in de planregels. Zoals nader toegelicht in paragraaf 4.2.1 Wet natuurbescherming is er binnen de huidige Natuurbeschermingswetvergunning voldoende ruimte om de ontwikkeling stikstofneutraal uit te voeren. Om aan te tonen dat de gewenste ontwikkeling mogelijk is, is er een verschilberekening met Aerius gemaakt. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling naar 210 stuks melkkoeien en 80 stuks jongvee neutraal kan plaatsvinden. Op het moment dat de initiatiefnemer wil beginnen met fase 2 dient hij een gewijzigde Wet natuurbeschermingsvergunning aan te vragen.
Uit de berekening in Bijlage 5 Aerius-verschilberekening blijkt dat dit stikstofneutraal kan plaatsvinden en dat daarom de vergunning verleend zal worden. 2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, indien mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een analyse gemaakt van het landschap ter plaatse en is er een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven. 12 Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Bureau Greet Bierema Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor wordt toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
13 Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen.
Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden.
Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 14 belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel Provinciale staten van de provincie Overijssel hebben op 13 november 2019 de 'Geconsolideerde Omgevingsvisie vanaf 2017' geconsolideerd. De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. 3.2.1.1 Duurzaamheid Door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is.
Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie (duurzame energiehuishouding), grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staan daarbij centraal. Dit uit zich onder andere in een toenemende aandacht voor gezond voedsel, dierenwelzijn en zorg voor het milieu. Voor de agrarische sector ziet de provincie één belangrijke opgave: “Transitie naar een duurzame agrarische bedrijfsvoering, met – in antwoord op de veranderde eisen van consumenten en direct omwonenden – bijzondere aandacht voor volksgezondheid, dierenwelzijn en zorg voor het milieu (onder andere door ketenoptimalisatie). Dit biedt kansen om de concurrentiepositie van de agro- en foodsector – en daarmee de toegevoegde waarde voor de regionale economie – te versterken." De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid: "Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien." Met het vooruitzicht op een veilige, gezonde en aantrekkelijke omgeving voor mensen, dieren en planten – voor nu én in de toekomst – is duurzaamheid voor de provincie dan ook een leidend principe bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. De provincie heeft vier duurzame kwaliteitsambities geformuleerd: 1. Een klimaatbestendig Overijssel; 2. Een duurzame energiehuishouding; 3.
Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie; 4. Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. 15 Om te zorgen dat elk initiatief, groot of klein, bijdraagt aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de leefomgeving, stuurt de provincie via de Omgevingsverordening onder andere aan op een integrale aanpak van opgaven en op toekomstbestendigheid. 3.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit wordt door de provincie gedefinieerd als: "Datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is." Ruimtelijke kwaliteit gaat voor de provincie dus niet zozeer over 'mooi', maar vooral over 'goed': functioneel, mooi en toekomstbestendig. Ruimtelijke kwaliteit is geen luxe, maar maatschappelijke noodzaak. Ruimtelijke kwaliteit is van grote betekenis voor het vestigingsklimaat voor bedrijven, bewoners en de toeristische mogelijkheden van een gebied. En daarmee ook voor de werkgelegenheid. Met andere woorden: de inzet op ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan versterking van de sociaaleconomische positie van Overijssel. Op provinciaal schaalniveau zijn zeven kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van de provinciale sturing op ruimtelijke kwaliteit. De zeven ambities luiden als volgt: 1. Natuur als ruggengraat; 2. Een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel; 3.
Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen; 4. Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur; 5. Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; 6. Het contrast tussen dynamisch en luwe gebieden ve rsterken; 7. Sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor O verijssel. Ruimtelijke kwaliteit wil de provincie realiseren door nieuwe initiatieven in de fysieke leefomgeving te verbinden met de bestaande kwaliteiten van Overijssel. Door deze benadering van ruimtelijke kwaliteit: bevordert de provincie een weloverwogen locatiekeuze, vormgeving en inrichting van initiatieven, passend bij de identiteit van de plek; beoogt de provincie dat ontwikkelingen en projecten in een tijdsperspectief worden geplaatst en ook in de verdere toekomst nog een functie kunnen vervullen;\ wil de provincie de bestaande en hoog gewaardeerde verscheidenheid in Overijssel behouden en versterken en zo de belevingswaarde vergroten. Om ruimtelijke kwaliteit te realiseren zijn drie zaken van belang: een brede gebiedsgerichte blik en aanpak; aandacht voor ruimtelijke kwaliteit in alle fases van het planproces; een creatief, ontwerpend proces. 3.2.1.3 Sociale kwaliteit De rode draad sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens.
Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. In de Omgevingsvisie beperkt de provincie zich tot het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. Op provinciaal niveau zijn drie kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van de sturing op sociale kwaliteit. Deze kwaliteitsambities luiden als volgt: 1. Het Overijssels 'noaberschap' koesteren; 2. Stimuleren van culturele identiteit; 3. Verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven. Sociale kwaliteit realiseert de provincie door: bewoners en 'gebruikers' te betrekken bij de ontwikkeling van haar provinciaal beleid en de uitvoering van projecten; ruimte te bieden aan initiatieven van 'onderop' 16 Agrarische ondernemers kunnen ruimte voor ontwikkeling verdienen door te investeren in ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit. 3.2.1.4 Het uitvoeringsmodel In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke beleidskeuzes van belang.
Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Rode draden en beleidsambities Omgevingsvisie Bron: Provincie Overijssel 1. Generieke beleidskeuzes (hoe) In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: integraliteit toekomstbestendigheid concentratiebeleid (boven)regionale afstemming zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) moeten doorlopen. Deze Ladder voor duurzame verstedelijking stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking 17 geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake een locatie in het buitenstedelijk gebied.
De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing. 2. Ontwikkelingsperspectieven (waar) In de visie op de ruimte in Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Met de Groene Omgeving bedoelt de provincie het grondgebied buiten de steden, dorpen en hoofdinfrastructuur. In de Groene Omgeving gaat het wat de provincie betreft vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van natuur en landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. De ondergrond speelt hierbij een belangrijke rol; bijvoorbeeld bij de voedselproductie in de landbouw, de (drink)watervoorziening of als mogelijke bron of buffer voor duurzame energie. ‘Groene’ functies hebben prioriteit in de Groene Omgeving.
Ontwikkelingen die hier niet primair thuishoren, zoals woningbouw, worden alleen toegestaan als zij een meerwaarde opleveren voor de kwaliteit van landschap, cultuurhistorie, water- en natuuropgaven. Aanpassing aan de klimaatverandering is bij dit alles een belangrijke overkoepelende opgave. Dat geldt overigens voor alle kwaliteitsambities die de provincie voor de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit heeft benoemd. Het accent kan daarbij wel verschillen. Voor de Groene Omgeving gelden de volgende ruimtelijke kwaliteitsambities: een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel voortbouwen aan de kenmerkende structuren van het agrarisch cultuurlandschap natuur als ruggengraat een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken In de volgende figuur is te zien dat de locatie ligt in een gebied wat is aangeduid als 'Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. 18 Uitsnede kaart Ontwikkelingsperspectieven (Waar) Bron: provincie Overijssel Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop.
Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Strekking van beleid De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden.
Waardevermeerdering ontstaat door het benutten van de specifieke gebiedskwaliteiten, en van het maatschappelijk draagvlak voor kwaliteitsproductie en -producten. Ook verbreding van economische activiteiten op het erf, bijvoorbeeld met zorg, recreatie of landwinkels, krijgt de ruimte. Toelichting (waarom?) Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel. 19 Uitvoering/instrumenten In het geval van grootschalige ontwikkelingen of uitbreiding van agrarische bedrijven, verwacht de provincie van de initiatiefnemer het plan te ontwikkelen in samenspraak met de omgeving. Zo ontstaat draagvlak. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling in de Groene Omgeving in een kleinschalig mixlandschap. Het kleinschalige mixlandschap is geschikt voor de ontwikkeling van de ter plaatse aanwezige melkrundveehouderij. De wijze waarop de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen worden versterkt is vastgelegd in het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2). Het plan is tevens ontwikkeld in samenspraak met de omgeving.Tijdens een informatiebijeenkomst heeft een omgevingsdialoog plaats gevonden.
Het verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 14 3. Gebiedskenmerken Nieuwe ruimtelijke opgaven wil de provincie verbinden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaat de provincie de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. De provincie maakt onderscheidt in vier lagen: Natuurlijke laag De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. In de volgende figuur is te zien dat de locatie in de natuurlijke laag in het gebiedstype 'Stuwwallen' ligt. Uitsnede kaart natuurlijke laag Bron: provincie Overijssel De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale 20 stelsels van grondwaterstromen.
Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. De verschillende stuwwallen in de provincie hebben zich in de loop van de tijd allemaal anders ontwikkeld. In de occupatiegeschiedenis zijn sommige stuwwallen betrekkelijk ongemoeid gelaten. Op andere kwamen grote en kleinere escomplexen tot ontwikkeling. De hoge delen werden vaak als extensieve heidevelden in gebruik genomen, later zijn grote delen ervan bebost. De inzijging is afgenomen door oppervlakkige afwatering, waterwinning en het op grote schaal bebossen met naaldhout. De ambitie voor dit gebied luidt: "De ambitie is het eigen karaker van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken." De provincie stuurt hierop door: Stuwwallen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone, brongebied) en deze beter zichtbaar maken. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. Uitbreiding vindt plaats op het bestaande agrarische perceel en leidt niet tot aantasting van het stuwwallenlandschap. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap. In de volgende figuur is te zien dat de locatie in de laag van het agrarisch cultuurlandschap is gelegen in het 'Oude hoevenlandschap'. 21 Uitsnede kaart agrarisch cultuurlandschap Bron: provincie Overijssel Het 'Oude hoevenlandschap' is een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen.
Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. Ontwikkelingen zijn: Samenhang erven/ essen/ flanken/ heide(ontginningen) / laagtes verdwijnt. Open karakter van de essen wordt bedreigd door toename bebouwing, en grondgebruik bij voorbeeld boomteelt. Vanwege de kleinschaligheid van het hoevenlandschap is dit landschapstype gevoeliger voor verandering dan bij voorbeeld het essenlandschap. Schaalvergroting in de landbouw en toename van burgererven veranderen het karakter van dit kleinschalige werklandschap. De ambitie voor dit gebied is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen.
Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. De provincie stuurt hierop door: De essen en esjes krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de bodemkwaliteit en het reliëf. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid. Ontwikkelingen vergroten de toegankelijkheid van erven en erfroutes. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. Uitbreiding van het agrarisch bedrijf leidt niet tot aantasting van het oude hoevenlandschap omdat de ontwikkeling plaats vindt op het bestaande agrarische perceel. De wijze waarop rekening wordt gehouden met de oude erven, essen en landschapsbeplantingen is vastgelegd in het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2). Stedelijke laag De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen.
Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De locatie ligt in stedelijke in het gebiedstype 'Verspreide bebouwing'. De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen, 22 veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan. Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap.
Daarbij heeft de oorspronkelijke ‘eenheid in handelen’, waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor ‘diversiteit in handelen’: iedereen doet op zijn erf zijn eigen ‘ding’. De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen. Nieuwe functies bepalen het aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). Deze verschillen zijn zowel in het landschap - als op luchtfoto’s - heel goed te zien. De ambitie voor dit gebied is is Levende erven! Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale / regionale sociaal-economische ontwikkeling.
Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Gebiedsgewijze aanpak van herstel erven en bebouwing volgens het ‘Streekeigen huis en erf’ concept. De provincie stuurt hierop door: De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (zie Omgevingsverordeing Overijssel) Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd. Reanimatie agrarisch erfgoed wordt verder gestimuleerd. Kwaliteitsadvies bij de transformatie van erven bijvoorbeeld via een ‘ervenconsulent’ van het Oversticht. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij.
Uitbreiding van het agrarisch bedrijf leidt niet tot aantasting van de agrarische erven en de binding met het landschap. De ontwikkelingen leiden juiste tot een verbetering van het Oude Hoevenlandschap. De wijze waarop rekening wordt gehouden met de oude erven, essen en landschapsbeplantingen is vastgelegd in het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2). Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De locatie ligt in de laag van de beleving in het gebiedstype 'Donkerte'.
Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de 23 grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Ontwikkelingen zijn: Autonoom wordt het steeds lichter doordat het bebouwd oppervlak steeds uitbreidt, door verlichte wegen, uitbreiding van kassencomplexen en door de toename van de woon- en werkfuncties verspreid in het landschap. Steeds meer maatschappelijke aandacht voor vermindering van lichthinder en onnodige uitstraling naar boven. De ambitie voor dit gebied is dat donkerte een te koesteren kwaliteit wordt. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief.
De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. De provincie stuurt hierop door: In de donkere gebieden alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht. Veel aandacht voor vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied. Behoud van het rustige en onthaaste karakter van de ‘donkere’ gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. In paragraaf "Lichthinder" (paragraaf 4.1.8) wordt ingegaan op welke wijze lichthinder bij ligboxenstallen kan worden voorkomen. Op deze wijze worden de 'donkere' gebieden in Overijssel beschermt. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel. 3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017 De Geconsoideerde Omgevingsverordening Overijssel is één van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken.
De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening is gelijk aan de Omgevingsvisie op 27 februari 2019 geconsolideerd. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening en de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskeuzes en uitgangspunten van de provincie Overijssel. Gesteld kan dus worden dat met de voorgenomen ontwikkeling aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van provincie Overijssel kan worden voldaan, mits wordt voldaan aan het gestelde in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de Kwaliteitsimpuls Agro & Food. 3.2.3 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Ten behoeve van de instandhouding en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving in de provincie Overijssel is, tezamen met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, ook de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) vastgesteld. Hierin staan richtlijnen opgenomen ten aanzien van compensatie van de ruimtelijke impact van ontwikkelingen in de groene omgeving. Per afzonderlijk geval zal evenwichtig gekeken moeten worden naar de wijze van het evenwicht tussen de ontwikkeling van agrarische bedrijven en de mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is maatwerk van belang.
Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke inpassing (vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting), zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en rekening houden met de gebiedskenmerken. Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn een drietal aspecten van 24 belang: Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd? Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving? Vervult het initiatief een eigen belang of ook maatschappelijke belangen? Voor investeringen op het eigen erf geldt dat die in algemene zin niet als aanvullende kwaliteitsprestatie worden gezien, tenzij een gebiedseigen ontwikkeling al bijdraagt aan de omgevingskwaliteiten. In de toelichting op de omgevingsverordening is aangegeven dat de kwaliteitsimpuls in elk geval van toepassing is, als er een agrarisch bouwperceel ontstaat dat groter is dan 1,5 ha. Voor het overige laat het provinciebestuur de gemeenten zelf bepalen wat nu precies onder grootschalig kan worden verstaan. De impact van de uitbreiding op de omgeving is bepalend voor de beantwoording van de vraag op een uitbreiding grootschalig is. Bij agrarische bedrijven die groter zijn dan 1,5 hectare wordt in de toelichting van de verordening gesteld dat deze als "grootschalig" zijn aan te merken.
Voor het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen en het uitbreiden van bestaande agrarische bouwpercelen tot 1,5 hectare is een specifieke vorm van het instrument Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing (Kwaliteitsimpuls agro en food). Met voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van het agrarisch bouwvlak naar 1,5 hectare. Hierdoor is het ter plaatse aanwezige melkrundveebedrijf niet als een grootschalig bedrijf aan te merken. Voor de ontwikkeling van het bedrijf is de aanvullende investering uit de KGO dus niet van toepassing en is een aanvullende kwaliteitsprestatie, bovenop de landschappelijke inpassing van het bedrijf, dus niet noodzakelijk. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de richtlijnen van de KGO en dat de basisinspanning genoeg toereikend is. 3.2.4 Kwaliteitsimpuls agro en food De komende jaren zal nog heel veel bestaande agrarische bebouwing haar functie voor de landbouw verliezen. In veel gemeenten geldt dat er te weinig programma is om voor alle vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) een geschikte vervolgfunctie te vinden. Dit zal leegstand op grote schaal tot gevolg hebben en het risico op verrommeling van de Groene Omgeving.
De provincie wil voorkomen dat er onnodig ruimtebeslag wordt gelegd op de Groene Omgeving zodat er ruimte blijft voor agrarische bedrijven die wel toekomstperspectief hebben en groeien in omvang. Daarom is in de Omgevingsverordening een bepaling opgenomen die verplicht om zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande en voormalige agrarische bouwpercelen. Gelet op de impact van agrarische bedrijfsvoering op de omgeving, gaat de provincie uit van het principe dat ondernemers ruimte voor ontwikkeling moeten verdienen door te investeren in aanvullende kwaliteitsvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit. Bij grootschalige uitbreiding en nieuwvestiging wordt verder de eis gesteld dat niet alleen de basisinspanning ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd zoals vereist op grond van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening. Met voorgenomen ontwikkeling wordt het bouwvlak echter maximaal 1,5 hectare groot, waardoor het melkrundveebedrijf niet als grootschalige uitbreiding zal worden aangemerkt. De basisinspanning die geleverd wordt, is om die reden voldoende. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat met de uitvoering van de ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden met dit plan, voldoende rekening gehouden wordt met het beleid zoals geformuleerd in de 'Kwaliteitsimpuls Agro en Food'.
25 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Gemeente Steenwijkerland beschikt over een Omgevingsvisie welke zich richt op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoekers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren. De "Omgevingsvisie Steenwijkerland; Waardevast landschap" is vastgesteld in juni 2017. De Omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen handvatten om de balans te bewaren tussen landschap, economie, (ontwikkelingen in) de landbouw, natuur, recreatie en toerisme om zo in de toekomst een gemeente te blijven met een levendige en aantrekkelijke leefomgeving. De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. De visie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn meetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed). Een deel van de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, veiligheid).
Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekenisvol: omgevingskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen. Dat is een breuk met het verleden waarin het doel vaak economische groei was en deze groei geconfronteerd werd met bijvoorbeeld de randvoorwaarde erfgoed of natuur. In de omgevingsvisie stelt de gemeente dat het streven is dat de boerenbedrijvigheid op peil blijft. Niet alleen vanwege de primaire werkgelegenheid maar ook omdat boerenbedrijven de kwaliteit en vitaliteit van het buitengebied bepalen. Goed onderhouden erven en stallen bepalen het beeld. Agrariërs spelen een belangrijke rol in natuurbeheer. De gemeente zet in op landschappelijke kwaliteit met en door de landbouw. Daarbij realiseert de gemeente zich dat behoud van werkgelegenheid in de agrarische sector tegen de trend in is. Het kan alleen als er ruimte gegeven wordt aan schaalvergroting, diversificatie, (gedeeltelijke) functieverandering en innovatie binnen de landbouw. Gemeente wil bijdragen aan de kracht van de Nederlandse land- en tuinbouw, ook in verbinding met de omliggende landbouwgebieden in de provincies Flevoland en Friesland. De agrarische sector is vitaal.
In alle sectoren, en zowel op gespecialiseerde als verbrede bedrijven, is schaalvergroting en professionalisering zichtbaar, maar met behoud van de cultuurhistorische waarden van het landschap. De ontwikkelingen van de agrarische sector kunnen een stevig stempel drukken op het buitengebied. Het gaat om de ontwikkeling van grotere bedrijfsgebouwen, de behoefte aan meer ruimte voor verbreding en om de verandering van de erfinrichting, de inrichting van gebieden (verkaveling) en ontsluiting. Grootschaligheid kan botsen met landschappelijke en recreatieve waarden. Toch moet er ruimte zijn voor de ontwikkeling van de agrarische sector. We willen vanuit waarden (geur, geluid, gezondheid, landschap) agrarische ontwikkelingen ruimte bieden. De verschillende landschapstypen hebben elk hun eigen draagvermogen. Dit draagvermogen bepaalt wat mogelijk is qua schaalvergroting. De mogelijkheid en de voorwaarden om door te groeien, worden gebiedsafhankelijk bepaald. Er zijn in Steenwijkerland rond de 200 agrarische bestemmingen bekend waarvan de activiteiten zijn beëindigd. Er zijn zo’n 250 woonbestemmingen met grote bijgebouwen. Het is onduidelijk hoeveel bijgebouwen hiervan geen functie hebben of leeg staan. De gemeente wil ruimhartig nieuwe functies toestaan met respect voor de belevingswaarde van het landelijk gebied.
Zo worden karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle boerderijen interessant voor allerlei vormen van gebruik. Beheer en herstel van landschapselementen krijgt veel aandacht. Herstel en onderhoud van landschapselementen in de gemeente is kwetsbaar want afhankelijk van subsidie en vrijwilligheid. Maar deze landschapselementen zijn wel cruciaal voor de ruimtelijke kwaliteit. We zetten in op duurzaam behoud van waardevolle elementen. In onderhavig plan is sprake van een bedrijfsontwikkeling die bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit en een ondernemer die, ook buiten het bedrijfserf, het onderhoud en herstel verzorgt van landschapselementen in de omgeving. 26 De conclusie van de gemeente ten aanzien van agrarische ontwikkelingen is dat dit alleen mogelijk is in de vorm van maatwerk om daarmee de landschappelijke veelzijdigheid te behouden. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn om te ondernemen. Per gebied gaat de gemeente beoordelen wat mogelijk is. Balans en maatwerk zijn daarbij de sleutelwoorden. 3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van gemeente Steenwijkerland is vastgesteld op 28 februari 2005 en is een samenvoegsel van de landschapsbeleidsplannen van de voormalige gemeenten die zijn samengevoegd tot gemeente Steenwijkerland.
Het doel van dit LOP is het geven van een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkelingen van het landelijk gebied, waarbij het dient als instrument waarmee richting kan worden gegeven aan nieuwe ontwikkelingen die zich aandienen, of die zich reeds hebben aangediend. De gemeente Steenwijkerland bestaat uit drie verschillende landschapstypen op basis van bodemmateriaal: 1. Zandgebieden. 2. Veengebieden. 3. Kleigebieden. De planlocatie is gelegen in een zandlandschap De bodem van de zandgebieden bestaat uit keileem, een door het ijs afgezette slecht doorlatende laag, met daarop zand. Deze gebieden zijn relatief hoog gelegen en kennen soms markante hoogteverschillen. In de gemeente Steenwijkerland zijn drie grote zandgebieden te onderscheiden: De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa. De rug tussen de Steenwijker Aa en de riviertjes afkomstig uit Zuidwest Drenthe. Het Hoge Land van Vollenhove. De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa is de grootste. Vroeger kwam op de rug verspreid staande bebouwing voor, nu vinden we er enkele kernen (Steenwijkerwold, Paasloo). Op de rug volgen de wegen de hoogteverschillen, waardoor geen enkele weg recht is, het beeld verandert daarom voortdurend. Door de hoogteverschillen en de verspreid staande beplanting doet het gebied parkachtig aan. Langs de zuidrand liggen enkele grote boerenerven.