BP Marijenkampen 16.pdf
Tekst van het document
De reactie op de watertoets en het watertoetsdocument is opgenomen in bijlage 7 en 8 en 9. 4.5.1 Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied de boezem van Noordwest Overijssel. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP -0.73 m. Opgemerkt wordt dat dit peil de instelhoogte van het kunstwerk is en zodoende voor het laagste deel van het peilvak de drooglegging garandeert. Lokaal kunnen dus (grote) verschillen optreden. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP 7.80 m De bodem (deklaag) bestaat 48 voornamelijk uit zand en keileem ondergrond. De maximale grondwaterstand ligt op 40 – 80 (Gt VIo) cm onder het maaiveld. Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied Marijenkampen 16 4.5.2 (Grond) wateroverlast Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ontwikkeling van een melkrundveehouderij waarbij de bebouwing en verharding toeneemt.. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor middelgrote plannen geldt als regel: 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet als wateroppervlak ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende regenwater. In dit plan neemt de totale oppervlakte bebouwing en verharding toe met ca. 4.500 m2. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van ongeveer 450 m2 moet worden aangelegd. Dit zal gerealiseerd worden in de vorm van verbreding van sloten langs de boomwallen die het erf omzomen. Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.
49 Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte- en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.3 Waterkwaliteit en ecologie In (stads)wateren wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en Helofyten De inrichting van het watersysteem moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het ecosysteem, eutrofiëring (vermesting), wordt voorkomen. Bij de inrichting van het agrarische terrein wordt rekening gehouden met het 'activiteitenbesluit landbouw milieubeheer'. Er wordt gezorgd voor bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen Microverontreiniging wordt voorkomen doordat er geen materialen gebruikt worden die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan. Schoon regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Minder schoon en vervuild regenwater, bijvoorbeeld vanuit de vaste mestopslag en of de ruwvoeropslagen geloosd op de drijfmestkelder onder de stal. 4.5.4 Riolering Verminderen hydraulische belasting RWZI en beperking van (vuilwater) overstort. Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen.
Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water. Alleen schone oppervlaktes mogen worden gescheiden van de afvalwaterstroom. Er wordt een geen vervuild hemelwater geloosd op het oppervlaktewater. 4.5.5 Watervoorziening Doelstelling t.a.v. de watervoorziening is het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Beperken nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. Als uitgangspunt ten aanzien van de relatie oppervlaktewater en grondwater geldt: geen onnodig diepe drooglegging en ontwatering. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig.
Voorts is van belang een flexibel peilbeheer; een flexibel peil wordt toegepast en afgestemd op relatie oppervlaktewater en grondwater en op aanwezigheid van regenwateruitlaten en/of riooloverstorten 50 4.5.6 Verdroging / Vernatting Doelstelling ten aanzien van verdroging / vernatting is het beschermen van karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden door de ontwikkeling/bescherming van rijke, gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. In het plangebied is geen sprake van de hiervoor genoemde ecologische waarden.Verdroging als gevolg van functiewijziging is niet aan de orde in dit planen een optimaal peil voor omliggende functies blijft gehandhaafd. 51 Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.
Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.00 0 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten mi nste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld.
Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Voorliggend plan betreft de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Dit gebeurt op particulier initiatief. De voor de uitbreiding benodigde grond is in eigendom van de initiatiefnemer. Doordat het plan een particulier initiatief is, heeft de gemeente Steenwijkerland hier verder geen kosten aan. De kosten om het bestemmingsplan aan te passen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Zowel in de huidige als in de uiteindelijke bedrijfsomvang en -opzet is sprake van een volwaardige bedrijfsomvang. In bijlage 10 en 11 zijn de resultaten van de berekening van de bedrijfsomvang volgens de rekenmodule van Lei Wageningen University & Research opgenomen. In zowel de bestaande bedrijfsomvang als in de bedrijfsomvang die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt, is sprake van de categorie 'grote bedrijven'.
Deze bedrijven zijn van een dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 arbeidsjaareenheden een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. De met de daadwerkelijke realisering gaande kosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele bijkomende kosten komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een planschade-overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Steenwijkerland. Verder zal ook eventuele planschade in de separate overeenkomst worden geregeld. 52 Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het voorliggend plan betreft een herziening van de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" van gemeente Steenwijkerland en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De initiatiefnemer heeft een bijeekomst georganiseerd voor de buurt (14 december 2017) om zijn plannen kenkbaar te maken. Van deze bijeenkomst is een verslag opgenomen (bijlage 14) samen met de uitnodiging en de presentielijst (bijlagen 12 en 13). Tijdens deze informatiebijeenkomst zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen die een belemmering vormen voor dit plan. Daarmee kan de voorontwerpfase in de bestemmingsplanprocedure worden overgeslagen. In maart 2020 heeft de initiatiefnemer opnieuw gesproken met de buurtbewoners van Marijenkampen 5 en 18. De initiatiefnemer heeft de plannen opnieuw mondeling doorgenomen. Uit dat overleg zijn ook geen beperkingen voortgekomen. Hier is geen verslag van gemaakt. In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. 5.3 Handhaving Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente.
Het handhavingsbeleid van de gemeente Steenwijkerland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling. 53 Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie.
Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid.
Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen. 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart). 6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport.
Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. 54 Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument. 6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden.
Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht.
Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels. 6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding.
Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag. 55 6.3 Voorliggend bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende enkelbestemmingen: 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' met een functieaanduiding 'bouwvlak' ; 'Agrarisch met waarden'; Daarnaast bevat het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming" 'Waarde - Archeologie 2'; De voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van investeringen in ruimtelijke kwaliteit worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan door het opnemen van specifieke regels daaromtrent in artikel 10 Algemene regels. Het betreft de voorwaardelijke verplichting in verband met: sloop bedrijfsbebouwing; verplaatsen paardenbak; verplaatsen voeropslagen; landschappelijke inpassing. Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro). 56 Bijlagen bij de toelichting 57 Bijlage 1 Situatietekening op schaal 58 Opdrachtgever: Telefoon: Bouwlocatie: Blad:Klantnummer: Werknummer: Schaal: A Datum: C Wijzigingen: B D Benaming: E-mail: Telefoon: Projectleider: Telefoon: E-mail: DLV Advies Formaat: 256868 B160528-91 S11 Situatietekening Melkveehouderijbedrijf Wardenier Marijenkampen 16 8339 SM Marijenkampen 0521-588451/06-46402619 Marijenkampen 16 8339 SM Marijenkampen 1 : 1000 A3 16-11-2016 FvdA 29-11-2017 RD 30-10-2019 RD 13-05-2020 RD Postbus 686 9200 AR Drachten 0512-748340 info.bmt@dlvadvies.nl Dhr. L.
Zuurbier 06-30036994 L.zuurbier@dlvadvies.nl S i t u a t i e Gemeente Sectie Schaal Nummer
Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan 60 Landschappelijke inpassing Marijenkampen 16 in Mariienkampen Het bedrijf van Henk en Monic Wardenier !n samenwerking met DLV advies, lco Boersma November 2Ot7 Buro Greet Bierema Vriesburgerweg 20, 8475 EK Nijeholtpade, ereetbierema@planet.nl 0561-688920 lnleiding ln de notitie van de Regionale Uitvoeringsdienst lJsselland, datum 29 september 2OL6, wordt aangegeven dat naast de basisinspanningen ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het bedrijf, een aanvullende inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gedaan moet worden. Deze twee inspanningen dienen opgenomen te zijn in een plan voor de landschappelijk inpassing. ln diezelfde notitie wordt voor de voorgestelde bouwvlak door DLV een ander bouwvlak aangegeven. In dit advies wordt in het kader van een goede landschappelijk inpassing een d erde optie voorgestel. Om tot een landschappelijke inpassing en een aanvullende inspanning te komen wordt hierna uitgebreid op het landschap en het proces van veranderingen ingegaan. Hierbij wordt ook van foto's gebruik gemaakt. ln dit landschap blijkt de landschappelijke inpassing van bedrijf en de ruimtelijke kwaliteit van het landschap zeer dicht bij elkaar te liggen. Z L925 Al het heideveld was in dit gebied bijna ontgonnen.
Het patroon van de'kamers'was doorgezet, bos is gekapt en er is door de familie van Henk Wardenier een boerderij gebouwd, langs het recht getrokken onverharde pad tussen Wilhelminaoord en Marijenkampen. De 'kamer' waar deze boerderij aan de rand aan stond had ter hoogte van de boerderij een opening in de gesloten veekering. De blauw ingekleurde lijnen volgende hoogtelijnen en laten de richting van de stroming van het water zien naar de Beeksteeg. ln het keileem gebied belangrijk. Het waren gemengde bedrijven, dus waren de 'kamers' gevuld met grasland en bouwland. '---71. lït RË.s 'i\ï i.Ë,# 1 .#" r'l \ * ft' 3 1900 Binnen de rode cirkel is aangegeven dat er in 1990 nog geen boerenerf lag. Een nieuw erf zou uiteindelijk ontstaan buiten het complex erfjes in Marijenkampen, dat als kleine enclave midden op de heide lag. Tussen de enclaves van Wilhelmaoord en Marijekampen liep een kronkelpad. Dit pad contrasteerde met de kaarsrechte lijnen in het golvend landschap. Het heidelandschap werd vanuit het zuiden ontgonnen, met bos ingeplant of er ontstonden ruime percelen omgeven door houtwallen. Deze houtwallen waren met name veekeringen tegen wild en schapen op de heide, ter behoud van het product in de 'kamer'. De opzet van deze keringen was dat ze een geheel gesloten wand vormden.
B@ /y + 1950 Het onverharde pad op het keileem gaf zoveel overlast dat de opa van Wardenier de boerderij begon te verplaatsen naar de verharde weg. De boerderij werd achter de houtwal gebouwd. Dit verklaard dat de boerderij niet vlak aan de weg staat, zoals die aan de noordzijde van de kruising. De houtwallen vormen nog steeds gesloten 'kamers'. 8"S 950 5 L975 Ten opzichte van de overige 'kamers' uit de buurt is deze van de familie Wardenier nog geheel gesloten op twee gaten na. Die ter plekke van de oude boerderij en die bij de kruising ter plekke van de nieuwe boerderij met een vergelijkbaar pand er vlak ten noorden van. Ten noorden en achter het achtererf van de boerderij werden bijgebouwen gebouwd met de nokrichting haaks op die van de nokrichting van de boerderij. Tijdens de ruilverkaveling is de houtwal aan de oostzijde langs de openbare weg, MariJenkampen, naar de gemeente overgegaan. Toen is het onderhoud gewijzigd en dit is met name in het zuidelijk deel te zien. Hier staan op de wal alleen ndg eiken. Op deze wijze is er doorzicht in de twee 'kamers' gekomen en dit doorzicht is cultuurhistorisch onjuist. ".í1"à ó 2000 - 2015 Heel goed zijn de effecten van de ruilverkaveling te zien. Er zijn opnieuw 'kamers' gemaakt; niet met wanden als veekering, maar deze dienen nu als een casco van de ruimtelijke en ecologische kwaliteit van het landschap.
ln de kamer van Wardenier is het oude boerenerf geheel verdwenen, maar het gat in het patroon van de gesloten houtwal is gebleven. Het erf van Wardenier zelf is naar het oosten en zuiden uitgebreid. Naast de ligboxenstal is een nieuwe stal gebouwd en de voeropslag ligt ten zuiden van de twee ligboxenstallen. Een paardenbak is naast de 'open' houtwal gelegd, parallel aan de weg, tegenover een voormalige boerderij. De zichtbaarheid van paardenbak, nieuwbouw en voeropslag is groot. 2000 t' .*'": Carbe\iliern -íig .d q I 'I.,! -i : ,i t *j 111 ï-i :! I I r s.4 Marii §í ïf#irte "-i, '1ï'i" a ;ll ", 1 ,jrÈ.; 'l !-' i. {J, L. * a-.-rÍ -. I 1 900 : fi 'l iii-t .: I ,i ,;r) I I i t ! 'l i '.1., t" ..:ÀI.{1"4 {1,-r1r,;l: i11rË''.ilr{t:i: .1 í' .': lr '. I t\l /h:! . .. . Í I r* ?i"diiii :. ,l .:.. r t,.'# - 1.r* -+r.i-at. tí,"" , Ë*';:1 \i$ a; ..j fi;ti'1:* .,li § " 1i:,.:.. -, r 'i ,. r 1fl ;tr* '' 'r' g.g 1 ('tl-.\ -; it. ,,s' 1f t-r . ï.' hti I't Jfl !,i,, i.' ,A l 1,x,.# .lm:---,.#,Irr'. fr#-t !rJ +_a ! 'i r1, I 1..i. .À,'l ,_*.t /..-,**"'t / ..1*ï# Witte Faarden:*l.; vt 1 tt LiilL erl itr gla*t,s v^w d+ is fuzicla* oiv-'*rt' ,;ri + h owt v{*l vo^ ote IP- € Lv+L <-' 'o?b' .Voutwal- + soar kr*tr-)"weter ' qeilr({,-"' I.tp,it r& vtakht4*- b*4 w*l V,.t* S*oÀWt J !^ oo rd z\k erl fl§. "-{. . ._. ,i_- *i' " ,- ?, W*l At o7r' tIooé § fuktd(de- ,as -r17 ,.
.) lo Het boerenerí een eindplaatje Op de schets zijn de gewenste nieuwbouwplannen voor de komende tijd en voor de verre toekomst ingetekend, binnen het bouwblok dat door de gemeente is aangegeven. Met name de noordzijde van het bouwblok, levert een landschappelijk probleem op. De lijn ligt midden op de bestaande houtwal. Dit kan niet de bedoeling zijn. De nieuw te bouwen jongveestal komt ermee te dicht op een bestaande afwateringsloot en op de houtwalte staan. Hierdoor wordt voorgesteld om deze stal iets naar het oosten te verplaatsen. Als het gat in de houtwal wordt gedicht, wordt deze stal landschappelijk ingepast. De nieuwe werktuigenberging zal het aanzicht op het minst fraaie deel van het erí de veevoeropslag, gaan verbergen. De kaprichting die gelijk is aan de meeste bijgebouwen heeft dit als groot voordeel. Het is een ruimtelijke verbetering. Maar de transparante houtsingel er aan de westzijde achter vormt geen ruimtelijke kwaliteit. Door op het erf een strook met streekeigen struiken aan de houtwal toe te voegen zal in de toekomst een gesloten wand ontstaan, waardoor het erf landschappelijk is ingepast en de ruimtelijke kwaliteit toeneemt. 7" i 27s *4 --.
--'rililra I I ''-1---, I "rieuw ite bouwen longveEstot e+,-d.lxSg,.:gm -!' I I I r I tr--*'l kovelPod \ I I I ilrv r' bestoonde I sleuísilo 9x43m 'nreuw te bouwe.tyerktuiaenr.--^:l' N t s-t + r.h, u.lj rffii Ëíeuf5:lo 9x53"ri i urgenberging J0x20m De planning is dat de jongveestal en de werktuigenberging eerst worden gebouwd en in toekomst de ligboxenstal voor de melkkoeien. De twee bestaande kuilplaten blijven voorlopig liggen, totdat de ligboxenstal wordt gerealiseerd. Dan worden ze gesloopt en de ruimte wordt bij de zijtuin aangetrokken. Ë51 ion lvae ítJ + w^l V OOF r- ----'-t rl teslrtcil li out.woI 1 I I I t I I I Loov rU \, r -§-{ I l+ i1 .q ( I t...t 3-I l§:tv1.1 t§ - d iY-t-rj -.lr(r;--{-'ql .§rI Xr)§5_§v§:ó'-t- ', Oaafà-r [ Í/"' i baK ^i,r5lrtontl6utwa-[Lrrtcb ttu f(ooL Aa'h 1y aa19 z,-id.eu N f hotl, LolV\r/ 0hlvt;l lz Landschappelijke inpassing en verbetering ruimtelijke kwaliteit Het houtwallenlandschap is eeuwen oud. Een houtwal is een aarden wal met greppels of sloten aan weerszijden, begroeid met bomen en struiken; vroeger ondoordringbaar als veekering en nuttig voor gebruikshout. Ecologisch is een nagenoeg lange aaneen gesloten lijn als route belangrijk. Ook is het belangrijk dat er meerdere soorten in staan.
Bomen zoals inlandse eik, lijsterbes en/ of berk, struiken zoals Cornus, meidoorn, Gelderse roos, sleedoorn, krent, wilde kers, geoorde wilg, wilde liguster, kardinaalsmuts of hazelaar. ln dit landschapstype bestaat er nauwelijks verschil tussen erfbeplanting en de overige beplanting in het landschap. Voor het erf en de algemene ruimtelijk kwaliteit is het belangrijk om hier het cultuurhistorische patroon te handhaven van de kenmerkende houtwallen. Aan de rand van het erf worden daarom de gaten gedicht. Om ook de lange lijnen verder mogelijk te maken wordt voorgesteld om het gat waar vroeger de boerderij heeft gestaan te dichten, op een opening met een dam na. Het is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Een fruitboomgaarde levert geen meerwaarde aan dit erf op deze locatie. De twee gaten aan de noordzijde bestaan uit 20 meter bij het erf en 44 meter ter hoogte van de oude boerderij. Dit is een toevoeging van 64 meter houtwal. De aanvulling met streekeigen struiken aan de westzijde van het erf, met soorten zoals hierboven aangegeven, bedraagt 53 meter. De strook zal uit 3 meter bestaan. De benodigde ruimte voor de watercompensatie kan gevonden worden in sloten langs de houtwallen. Ook dit is een goede landschappelijke en ruimtelijke inrichting. 13, lM* lua,^f v/?"l,b* lz.ndt vl^tq? t+ L.v.r&t. VerdVQvrot'w boe(Q,w ?t{ : qq. V,eterqe* n*\ WOvt YlovL lr o f ic,f V oltl.
2 Qt't'- ho*twal v 15. Bijlage 3 Akoestisch onderzoek 76 Akoestisch Onderzoek Melkveehouderijbedrijf Wardenier Marijenkampen 2017-3046 14 juni 2017 Laarseweg 24-1, 8171 PR Vaassen (T) 0578 - 76 90 60 • KvK 082 04 400 www.sainadvies.nl • info@sainadvies.nl Colofon Titel Akoestisch Onderzoek Melkveehouderijbedrijf Wardenier Marijenkampen Projectnummer 2017-3046 Onderzoeksadres Melkveehouderijbedrijf Wardenier Marijenkampen 16 8339 SM MARIJENKAMPEN Contactpersonen: dhr. H. Wardenier dhr. I. Boersma (DLV Advies) Opdrachtgever Melkveehouderijbedrijf Wardenier Marijenkampen 16 8339 SM MARIJENKAMPEN Contactpersoon: dhr. H. Wardenier Opgesteld door Sain milieuadvies Laarseweg 24-1 8171 PR VAASSEN 0578 - 76 90 60 ir. A.R. (Agnes) Voerman avoerman@sainadvies.nl projectleider: ing. A.C. (Sander) Barten sbarten@sainadvies.nl Plaats en datum Vaassen, 14 juni 2017 2017-3046kenmerk Sain milieuadvies print op papier dat is voorzien van het EU Ecolabel. Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem gebruikt worden voor het doel waarvoor het is vervaardigd en met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteurs- rechten van dit document blijven berusten bij Sain milieuadvies. Samenvatting voor niet-akoestici Een akoestisch onderzoek staat vol technische begrippen en termen.
Daardoor is een akoestisch onderzoek voor niet-specialisten soms moeilijk leesbaar. In deze samenvatting wordt daarom vereenvoudigd weergegeven wat er is onderzocht en wat de resultaten zijn. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor Melkveehouderijbedrijf Wardenier in Marijenkampen (gemeente Steenwijkerland). Het onderzoek gaat over de nieuwe, aangevraagde bedrijfssituatie. Ten opzichte van de bestaande, vergunde situatie wordt het bedrijf uitgebreid met twee nieuw te bouwen stallen en een werktuigenberging. Ook wordt onder andere de voeropslag aan de straatzijde gesloopt en worden enkele nieuwe sleufsilo's gerealiseerd naast en achter de bestaande sleufsilo's. In het onderzoek zijn het gemiddelde geluidsniveau en het piekgeluidsniveau berekend op de woningen die in de omgeving van het bedrijf liggen. Verder is aandacht besteed aan de geluidsbelasting door het verkeer van en naar het bedrijf. Uitgangspunten In het onderzoek zijn drie (voor geluid) maximale bedrijfssituaties te onderscheiden. Er is rekening gehouden met alle relevante geluidsbronnen die tijdens deze bedrijfssituaties voorkomen. De onderzochte situaties zijn: 1. Een (theoretische) dag waarop overdag bulkvoer gebrach t wordt, vee gevoerd en gemolken wordt en drijfmest afgevoerd wordt met vrachtwagens en waarop overdag, 's avonds of 's nachts de melkwagen komt; 2.
Een dag waarop overdag een grote hoeveelheid drijfmest afgevoerd wordt met sleepslangen; 3. Een dag waarop overdag en 's avonds (tot 23.00 uur) m ais of gras ingekuild wordt. Maatregel: nieuwe inrit Uit vooronderzoek is gebleken, dat het inkuilen van mais en gras in de avondperiode in de huidige situatie niet mogelijk is binnen de geluidsnormen. Door de zuidelijke inrit 25 meter naar het noorden te verplaatsen (zie eerste figuur in bijlage 3), kan de aanvoer van kuilvoer in de avondperiode wel binnen de geluidsnormen plaatsvinden. In het onderzoek is deze maatregel als uitgangspunt gehanteerd. Gemiddelde geluidsbelasting De geluidsnorm waaraan het gemiddelde geluidsniveau moet voldoen, is situatie-afhankelijk. Bij voorkeur moet voldaan worden aan de 'richtwaarde' die past bij de aard van de omgeving. Lukt dat niet, dan kunnen er mogelijkheden zijn voor een ruimere geluidsnorm, bijvoorbeeld omdat het gaat om een bestaande, vergunde geluidsbron. Uit het onderzoek blijkt, dat de geluidsbelasting in situatie 1 's avonds en 's nachts aan de 'richtwaarde' voldoet. In de dagperiode wordt de 'richtwaarde' overschreden. Dit komt door bestaande, vergunde geluidsbronnen, waarbij bovendien voldaan wordt aan de vigerende geluidsnorm. De geluidsbelasting wordt zodoende aanvaardbaar en vergunbaar geacht. In situatie 2 en 3 wordt de 'richtwaarde' overschreden.
De afvoer van drijfmest met sleepslangen vindt 3 keer per jaar (dus maximaal een keer per week) plaats . Het inkuilen van voer vindt maximaal 12 keer per jaar plaats. Daarom kan voor deze activiteiten in de vergunning een aangepaste normstelling worden 2017-3046kenmerk opgenomen. Piekgeluidsniveau De piekgeluidsniveaus die bij het bedrijf kunnen voorkomen voldoen aan de algemeen aanvaarde en bij vergunningverlening gebruikelijke geluidsnorm. Geluidsbelasting door verkeer op de openbare weg (van en naar het bedrijf) Uit het onderzoek blijkt, dat in situatie 2 en 's avonds en 's nachts situatie 1 wordt voldaan aan de voorkeursgeluidsnorm. Overdag wordt deze norm (in situatie 1) licht overschreden. Deze overschrijding vindt alleen plaats op dagen dat er mest wordt afgevoerd. Tijdens het inkuilen van voer (situatie 3) wordt de geluidsnorm overdag en 's avonds overschreden. Wel wordt in alle situaties voldaan aan de maximale geluidsnorm. De geluidsbelastingen zijn zodoende aanvaardbaar en vergunbaar.
2017-3046kenmerk Inhoudsopgave Colofon Samenvatting voor niet-akoestici 1 Inleiding 6 2 Normstelling 8 3 Bedrijfsbeschrijving 10 3.1 Bedrijfsactiviteiten 10 3.2 Onderzochte bedrijfssituaties 11 3.3 Maatregel nieuwe inrit 12 4 Geluidsbronnen en -metingen 13 5 Modellering 14 6 Berekeningsresultaten 16 6.1 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L Ar,LT 16 6.2 Maximaal geluidsniveau L Amax 17 6.3 Indirecte hinder 19 7 Conclusies 20 Bijlage 1: Ligging van het bedrijf Bijlage 2: Bronsterkteberekeningen Bijlage 3: Gegevens rekenmodel Bijlage 4: Berekeningsresultaten L Ar,LT Bijlage 5: Berekeningsresultaten L Amax Bijlage 6: Berekeningsresultaten indirecte hinder 2017-3046kenmerk 1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de aanleiding en het doel van het onderzoek beschreven. Tevens wordt de opzet van het onderzoek aangegeven en volgt een beschrijving van de gebruikte gegevens en bedrijfs- en omgevingskenmerken. Aanleiding Melkveehouderijbedrijf Wardenier is van plan het bes taande bedrijf uit te breiden en enkele wijzigingen door te voeren. In verband hiermee wordt een bestemmingsplanprocedure voorbereid, evenals een aanvraag om een Omgevingsvergunning, onderdeel milieu. Bij beide procedures is een akoestisch onderzoek nodig. Doel van het onderzoek Het doel van het onderzoek is om t e bepalen of het bedrijf in de gewenste vorm akoestisch inpasbaar is.
Hiervoor wordt de geluidsbelasting van het bedrijf op de omgeving bepaald en getoetst aan de geldende geluidsnormen. Bij een overschrijding van de normen wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om toch tot een inpasbare situatie te komen. Onderzoeksopzet Het onderzoek is op te delen in een aa ntal stappen. Deze stappen worden achtereenvolgens in deze rapportage besproken. • Het bepalen van de uitgangspunten en het vaststellen van de te onderzoeken bedrijfssituaties; • Het opstellen van rekenmodellen om de geluidsbelastingen mee te berekenen; • De interpretatie van de berekeningsresultaten. Alle berekeningen zijn verricht conform methode II van de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', 1999. Gebruikte gegevens Bij het uitvoeren van het onderzoek is gebruik gemaakt van: • Informatie van dhr. H. Wardenier met betrekking tot de bedrijfsvoering; • Tekeningen van de inrichting: - werknummer B160528-91, blad S11, laatst gewijzigd 16 november 2016; - werknummer B160528-11, blad V10, laatst gewijzigd 21 juli 2016; - “LoodsDoorsende.pdf”; - werknummer 1545361, blad MI-V10, laatst gewijzigd 19 december 2008; • Divers kaartmateriaal (Kadastrale kaart, Basisregistraties Adressen en Gebouwen, etc.); • Luchtfoto's; • Waarnemingen en geluidsmetingen ter plaatse.
Bedrijfs- en omgevingskenmerken Het bedrijf is een melkrundveehouderij in een landelijk gebied, met diverse agrarische bedrijven en burgerwoningen in de omgeving. De dichtstbijgelegen woning, Marijenkampen 18, ligt op korte afstand van de noordelijke inrit van het bedrijf, onder andere afgeschermd door de 2017-3046 6 van 20 kenmerk pagina bedrijfswoning, gebouw 1 en 2. De woning aan de Marijenkampen 5 ligt op een afstand van minder dan 40 meter van de huidige zuidelijke inrit, zonder relevante afscherming. Bijlagen Bijlage 1: Ligging van het bedrijf 2017-3046 7 van 20 kenmerk pagina 2 Normstelling De normstelling waaraan de berekeningsresultaten worden getoetst, is afhankelijk van het gemeentelijk beleid en de aard van de omgeving. Toetsingskader Het bedrijf is in de huidige situatie meldingsp lichtig in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Door de wijzigingen wordt het bedrijf vergunningsplichtig in het kader van de Wet milieubeheer. In tegenstelling tot de beoordelingswijze uit het Activiteitenbesluit, waarbij voornamelijk naar alleen de geluidsbelasting ten gevolge van vast opgestelde installaties wordt gekeken, moet in het kader van vergunningverlening en een goede ruimtelijke ordening de geluidsbelasting van alle activiteiten beoordeeld worden.
Bovendien is de richtwaarde voor vergunningverlening voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 5 dB strenger dan de norm uit het Activiteitenbesluit. De gemeente Steenwijkerland heeft nog geen gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld. Daarom is aangesloten bij het toetsingskader van de 'Handreiking industrielawaai en vergunningverlening', 1998 (verder: 'Handreiking'). De gehanteerde geluidsnormen gelden op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (meestal woningen). Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT De omgeving van de inrichting is het best te typeren als 'landelijke omgeving', conform hoofdstuk 4 van de 'Handreiking'. Hierbij hoort de volgende richtwaarde: • 40 dB(A) in de dagperiode (7.00 – 19.00 uur); • 35 dB(A) in de avondperiode (19.00 – 23.00 uur); • 30 dB(A) in de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur). Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is er na bestuurlijke afweging een ruimere normstelling mogelijk voor activiteiten die maar beperkt voorkomen. Er moet wel onderbouwd worden waarom het niet stiller kan. Daarbij wordt er onderscheid gemaakt in activiteiten die: • maximaal 12 hele etmalen per jaar voorkomen ('incident'); • maximaal 1 keer per week een dag-, of avond- of nachtperiode voorkomen ('regelmatige afwijking'). Bestaande, vergunde, activiteiten kunnen een reden zijn om een hogere geluidsbelasting te vergunnen.
Uit jurisprudentie volgt, dat het daarbij gaat om de vergunde activiteiten en niet om de vergunde geluidsbelasting. Wel moet geprobeerd worden om zoveel mogelijk op of onder de richtwaarde te blijven, voor zover dat redelijkerwijs uitvoerbaar is. Maximaal geluidsniveau LAmax In de 'Handreiking' wordt voor het maximale geluidsniveau de volgende normstelling aanbevolen: • Bij voorkeur LAr,LT + 10 dB(A), maar maximaal; 2017-3046 8 van 20 kenmerk pagina • 70 dB(A) in de dagperiode (7.00 – 19.00 uur); • 65 dB(A) in de avondperiode (19.00 – 23.00 uur); • 60 dB(A) in de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur). De waarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag, avond en nacht worden zeer algemeen toegepast in plaats van de voorkeurswaarde. De voorkeurs- waarde is namelijk vrijwel nergens praktisch realiseerbaar. Indirecte hinder Voor de indirecte hinder wordt uitgegaan van de Circulaire 'Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.' van 29 februari 1996. Samengevat houdt dit de volgende normstelling in: • voorkeursgrenswaarde: 50 dB(A) etmaalwaarde; • ontheffingsmogelijkheid tot 65 dB(A) etmaalwaarde. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet het geluidsniveau in de woning voldoen aan 35 dB(A) etmaalwaarde.
2017-3046 9 van 20 kenmerk pagina 3 Bedrijfsbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de activiteiten die plaatsvinden op het bedrijf. Vervolgens wordt afgewogen welke situaties akoestisch maatgevend zijn. 3.1 Bedrijfsactiviteiten Algemeen Alle activiteiten vinden plaats in de dagperiode (van 7.00 tot 19.00 uur), tenzij anders vermeld. De codering van de gebouwen in de tekst komt overeen met de codering op de milieutekening die bij de aanvraag hoort. Ventilatie De stallen worden op natuurlijke wijze geventileerd. Aanvoer van voer en voeren van het vee Een deel van het voer bestaat uit brokvoer dat in silo's wordt opgeslagen. Verder wordt mais en gras aangevoerd: • Brokvoer. 1 tot 2 keer per maand wordt brokvoer gebracht. Per keer wordt in totaal 0,25 uur gelost bij de jongveestallen (evenredig verdeeld over de stallen) en 0,5 uur bij de ligboxenstallen. • Mais en gras. Op maximaal 12 dagen per jaar wordt er overdag en 's avonds mais of gras ingekuild (tussen 07.00 uur en 23.00 uur). Op deze dagen is er continu een wiellader in bedrijf op de sleufsilo's (75% van de tijd effectief). De aanvoer vindt plaats met tractors, met maximaal 90 vrachten per dag. Alle vrachten worden aangevoerd via de openbare weg. Elke dag wordt het vee gevoerd. Het vee in stal 1 en 2 wordt handmatig gevoerd, met een kruiwagen.
Het vee in de overige stallen wordt 2 keer per dag gevoerd met een tractor met mengwagen. Hiervoor is de tractor 0,5 uur per keer in bedrijf op de sleufsilo's om blokken te snijden. Vervolgens pakt de mengwagen de blokken op en wordt het voer gemengd en in de stallen uitgereden. Dit duurt 1 uur per keer. Het mengen vindt plaats tijdens het uitrijden. Technische ruimte en tanklokaal • In het tanklokaal zijn installaties opgesteld, zoals een compressor, die gebruikt worden voor de (gekoelde) opslag van de melk. Uit waarnemingen en geluidsmetingen ter plaatse blijkt dat de geluidsuitstraling via het rooster de maatgevende bron is. Deze bron is op warme dagen in de dag- en avondperiode (tot 23.00 uur) continu in werking en in de nachtperiode circa 50% van de tijd. • Het melken vindt plaats door middel van twee melkrobots in stal 4 en twee in de nieuwe ligboxenstal. De melkrobots zijn etmaalrond 75% van de tijd effectief in gebruik. Afvoer van melk Elke drie dagen wordt er melk opgehaald met e en vrachtwagen. Het laden gebeurt met een elektrisch aangedreven pomp en duurt 0,5 uur. De melkwagen kan behalve overdag ook 's avonds of 's nachts komen. Afvoer van dieren • Er vindt geen aanvoer van vee plaats. • Een keer per 1 tot 2 weken worden er kalfjes afgevoerd met een auto met aanhanger. Het laden duurt 5 tot 10 minuten per keer.
2017-3046 10 van 20 kenmerk pagina • Twee tot drie keer per maand worden overdag slachtkoeien afgevoerd met een vrachtwagen. Het laden duurt maximaal 0,5 uur per keer. Afvoer van mest en mixen van mest Op het bedrijf komt vaste mest en drijfmest vrij. • Vaste mest wordt regelmatig naar een van de vaste mestopslagen bij stal 4 gebracht. Dit gebeurt handmatig of met de eigen tractor, zie onder overige activiteiten. Daarvandaan wordt de mest op 1 dag per jaar afgevoerd met 8 tractorvrachten per dag. Het laden van de mest gebeurt met een lepelkraan en duurt in totaal 4 uur. • Drijfmest wordt afgevoerd met sleepslangen (3 dagen per jaar) en met vrachtwagens (2 dagen per jaar) en tractors met tank. Per dag worden er maximaal 20 vrachtwagenvrachten of 10 tractorvrachten afgevoerd. Het laden van een vrachtwagen duurt circa 15 minuten. Het laden van een tractor duurt 5 minuten. Bij afvoer met sleepslangen staat er gedurende 10 tot 11 uur per dag een tractor mest op te pompen aan de zuidzijde van stal 4 of aan de zuidzijde van de nieuwe ligboxenstal. • Periodiek wordt er drijfmest gemixt of overgepompt met een eigen tractor, zie onder overige activiteiten. Overige activiteiten • De eigen tractors worden ook gebruikt voor diverse overige werkzaamheden (zoals het uitmesten van de stallen en het mixen van drijfmest), gezamenlijk gedurende in totaal maximaal 1 uur per dag.
• Voor levering en afvoer van diverse producten komen er dagelijks enkele personen- en bestelwagens en, een enkele keer, een vrachtwagen op het terrein (bijvoorbeeld voor het leveren van zakgoed of zaagsel). Hierbij kan een kooiaap gebruikt worden, gedurende maximaal 15 minuten per dag. 3.2 Onderzochte bedrijfssituaties Algemeen Voor het akoestisch onderzoek is de 'represent atieve bedrijfssituatie' van belang. Dit is de akoestisch maximale situatie die vaker dan 12 dagen per jaar voorkomt. Naast de representatieve bedrijfssituatie kunnen er één of meer incidentele bedrijfssituaties en regelmatige afwijkingen zijn, waarop meer geluid gemaakt wordt dan in de representatieve bedrijfssituatie. Niet alle activiteiten die op het bedrijf plaatsvinden, vinden plaats op een en dezelfde dag. Op basis van de bronvermogens, bedrijfsduren en locatie van de verschillende activiteiten volgen de volgende (akoestisch) maatgevende bedrijfssituaties. Representatieve bedrijfssituatie Voor de woningen ten noorden van het bedrijf is het lossen bulkvoer een maatgevende activiteit, voor de woning aan de Marijenkampen 5 is dit de drijfmestafvoer met vrachtwagens danwel de afvoer van vaste mest. Deze laatste activiteit is akoestisch vergelijkbaar met de drijfmestafvoer met vrachtwagens.
Als representatieve bedrijfssituatie wordt zodoende een dag beschouwd waarop: 2017-3046 11 van 20 kenmerk pagina • Brokvoer wordt gebracht en gelost bij de silo's; • Vee wordt gevoerd; • Vee wordt gemolken; • De melktankkoeling in werking is; • Melk wordt afgevoerd (dag-, avond- en nachtperiode); • Drijfmest wordt afgevoerd met 20 vrachtwagens. Regelmatige afwijking Als regelmatige afwijking van de represen tatieve bedrijfssituatie wordt een dagperiode beschouwd, waarop de afvoer van drijfmest met sleepslangen plaatsvindt. Daarbij is er vanuit gegaan dat ook alle activiteiten uit de representatieve bedrijfssituatie zich voordoen, met uitzondering van het lossen van bulkvoer en de afvoer van drijfmest met vrachtwagens. Incidentele bedrijfssituatie Als incidentele bedrijfssituatie wordt een dag beschouwd waarop mais of gras ingekuild wordt (maximaal 12 dagen per jaar). Daarbij is er vanuit gegaan dat ook alle activiteiten uit de representatieve bedrijfssituatie zich voordoen, met uitzondering van het lossen van bulkvoer en de afvoer van drijfmest met vrachtwagens. Bijlagen Bijlage 3: Schema met alle bronnen en bedrijfstijden 3.3 Maatregel nieuwe inrit Verplaatsing inrit Uit vooronderzoek is gebleken, dat rijbew egingen van tractors en vrachtwagens op de bestaande zuidelijke inrit tot overschrijdingen van de normstelling voor het maximale geluidsniveau leiden.
Door de zuidelijke inrit 25 meter te verplaatsen in noordelijke richting (zie figuur in bijlage 3), kunnen de noodzakelijke rijbewegingen van tractors van/naar de openbare weg in de avondperiode toch mogelijk gemaakt worden. In de toekomst, na realisatie van de nieuwe jongveestal, zal alleen de aanvoer van mais (2 dagen per jaar) en circa 20 % van het in te kuilen gras via de openbare weg plaatsvinden. De overige vrachten gras worden dan aangevoerd via een nog te realiseren kavelpad aan de noordoostzijde van het bedrijf. Wel zal in de toekomst de aanvoer van kuilvoer via de openbare weg in de avondperiode noodzakelijk blijven. Verder is nog niet bekend op welke termijn het nieuwe kavelpad gerealiseerd gaat worden. Daarom is in het verdere onderzoek uitgegaan van het gebruik van de nieuwe inrit in plaats van de huidige zuidelijke inrit, waarbij alle kuilvoer aangevoerd wordt via de openbare weg. Bijlagen Bijlage 3: Ligging nieuwe inrit 2017-3046 12 van 20 kenmerk pagina 4 Geluidsbronnen en -metingen Dit hoofdstuk beschrijft de herkomst van de in dit onderzoek gebruikte geluidsbronvermogens. Aan sommige geluidsbronnen zijn metingen verricht. Voor andere geluidsbronnen zijn specificaties van de fabrikant gebruikt, of is gebruik gemaakt van geluidsmetingen aan vergelijkbare bronnen die bij andere bedrijven zijn uitgevoerd (ons metingenbestand).
Geluidsmetingen Op 15 mei 2017 zijn er bij het bedrijf geluid smetingen verricht aan: • de tractor tijdens het snijden van kuilvoer; • het rooster van de melkkoeling in gebouw 1; • een vrachtwagen tijdens het laden van drijfmest. De geluidsmetingen zijn uitgevoerd conform methode II.2 van de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', 1999. De geluidsmetingen zijn uitgevoerd met een klasse 1 geluidsmeter en analyser van Svantek, Svan 979. Bij de kalibratie van het meetsysteem zijn geen afwijkingen van betekenis gevonden. Bronvermogens Bij de afvoer van drijfmest kunnen andere vr achtwagens gebruikt worden dan de vrachtwagen waaraan gemeten is. Daarom is voor het laden van drijfmest met een vrachtwagen uitgegaan van ons metingenbestand. Ook de bronvermogens van de overige geluidsbronnen volgen uit ons metingenbestand. Het metingenbestand wordt actueel gehouden door regelmatig geluidsmetingen uit te voeren bij agrarische bedrijven. Bij de aanvoer van kuilvoer kan een andere (grotere) tractor worden gebruikt dan de tractor van het bedrijf zelf. Daarom is in het rekenmodel voor deze tractor(s) een hoger bronvermogen gebruikt. Bijlagen Bijlage 2: Bronsterkteberekeningen 2017-3046 13 van 20 kenmerk pagina 5 Modellering Op basis van alle geïnventariseerde gegevens zijn rekenmodellen opgesteld.
Met behulp van deze rekenmodellen worden de geluidsniveaus bij de beoordelingspunten berekend. Dit hoofdstuk beschrijft de uitgangspunten bij het opstellen van de rekenmodellen. Rekenmethode en software Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het softwarepakket Geomilieu V4.10 van DGMR. Dit rekenprogramma rekent conform Methode II van de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', 1999. Bodemmodel en gebouwen De standaard bodemfactor van het rekenmodel is akoestisch absorberend (Bf=1). Akoestisch reflecterende gebieden, zoals erfverhardingen en wegen, zijn afzonderlijk gemodelleerd. Gebouwen die van invloed zijn op afscherming en reflectie van geluid zijn in het rekenmodel ingevoerd. De bestaande sleufsilo's zijn voorzien van wanden. Ook de nieuwe sleufsilo zullen voorzien worden van wanden. De wanden van de voorste sleufsilo's zijn gemodelleerd als scherm. De wanden van de sleufsilo's aan de achterzijde van het bedrijf zijn akoestisch niet relevant en zodoende niet ingevoerd. De aarden wallen aan de straatzijde zijn ingevoerd als absorberend scherm met een profielcorrectie van 2 dB. Bronnen De rijbewegingen van voertuigen zijn gemodelleerd middels de optie 'mobiele bron' van het rekenprogramma. De overige activiteiten zijn gemodelleerd middels puntbronnen. De tractor tijdens het voeren van vee is gemodelleerd met meerdere deelbronnen.
Hierbij is onderscheid gemaakt in het snijden van kuilvoer en het uitrijden van het voer. De melk kan zowel in de dag-, avond-, als nachtperiode afgevoerd worden. Daarom is deze activiteit gemodelleerd in alle periodes. Omdat het laden met een elektrisch aangedreven pomp plaatsvindt, zijn alleen de rijbewegingen van de melkwagen gemodelleerd. Tijdens het inkuilen van gras/mais zal de wiellader bovenop de sleufsilo’s actief zijn. Voor de wiellader tijdens het inkuilen is daarom een bronhoogte van 4 meter gehanteerd. Toetspunten In het rekenmodel zijn toetspunten opgenome n. Deze toetspunten zijn gemodelleerd bij de woningen in de omgeving van het bedrijf. Voor de beoordeling van de geluidsbelasting in de dagperiode is een waarneem- hoogte van 1,5 meter boven maaiveld gehanteerd. Voor de avond- en nachtperiode is een waarneemhoogte van 5 meter gehanteerd. Bij de modellering is rekening gehouden met de locatie van ramen en geluidsgevoelige ruimtes. Zo betreft alleen het zuidelijke deel van het pand 2017-3046 14 van 20 kenmerk pagina aan de Marijenkampen 5 een woning en is de oostgevel van de woning aan de Marijenkampen 18 ter hoogte van de verdieping een dove gevel. Correcties Er is geen sprake van muziekgeluid, impulsachtig geluid en/of tonaal geluid. Daarom is LAr,LT gelijk aan equivalente geluidsniveau LAeq.
Maximaal geluidsniveau LAmax Voor het LAmax is een apart rekenmodel opgesteld. Het LAmax is bepaald als het immissieniveau Li, verminderd met de meteocorrectie term Cm bij de ontvanger. Voor de berekening is het bronvermogen Lw opgehoogd met het verschil tussen het gemeten LAeq en het tegelijkertijd gemeten LAmax. Indirecte hinder Voor de berekening van indirecte hinder is ook een rekenmodel opgesteld. Het geluidsniveau ten gevolge van indirecte hinder is berekend op de zuidgevel van de woning aan de Marijenkampen 5. Uitgangspunt is dat alle voertuigen van en naar de inrichting deze woning passeren, zowel bij aankomst als vertrek. Bijlagen Bijlage 3: Gegevens rekenmodel 2017-3046 15 van 20 kenmerk pagina 6 Berekeningsresultaten Met behulp van de opgestelde rekenmodellen zijn de geluidsniveaus berekend op de woningen in de omgeving van het bedrijf. In dit hoofdstuk worden de berekeningsresultaten op de maatgevende beoordelingspunten weergegeven. Tevens wordt een toelichting gegeven op de berekeningsresultaten. 6.1 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L Ar,LT Berekeningsresultaten In tabel 6.1 zijn de berekeningsresult aten van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau opgenomen voor de representatieve bedrijfssituatie, in tabel 6.2 voor de regelmatige afwijking en incidentele bedrijfssituatie.
Tabel 6.1: Berekeningsresultaten LAr,LT representatieve bedrijfssituatie Toets- punt Omschrijving Dag (7.00-19.00) Avond (19.00-23.00) Nacht (23.00-7.00) Richtwaarde 40 35 30 01 Marijenkampen 5 44 29 26 02 Marijenkampen 7 36 22 20 03 Marijenkampen 18 44 30 27 04 Marijenkampen 20 40 25 22 05 Ongeleg 2 40 25 22 Tabel 6.2: Berekeningsresultaten LAr,LT regelmatige afwijking ´mest´ en incidentele bedrijfssituatie´mais/gras' Toets- punt Omschrijving Dag (7.00-19.00) Dag (7.00-19.00) Avond (19.00-23.00) Richtwaarde 40 40 35 Situatie RA 1 IBS2 IBS 01 Marijenkampen 5 50 45 48 02 Marijenkampen 7 36 40 42 03 Marijenkampen 18 43 44 43 04 Marijenkampen 20 40 41 42 05 Ongeleg 2 37 42 44 Bespreking resultaten representatieve situatie De geluidsbelasting voldoet in de avond- en nachtperiode aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. In de dagperiode wordt de richtwaarde op 2 woningen overschreden. In de dagperiode zijn de maatgevende geluidsbronnen het lossen van 1 RA = regelmatige afwijking 2 IBS = incidentele bedrijfssituatie 2017-3046 16 van 20 kenmerk pagina brokvoer bij stal 4 en het uitrijden van voer bij stal 4, in combinatie met het laden van drijfmest danwel het lossen van brokvoer bij de bestaande silo's. In de avond- en nachtperiode is de melkkoeling de bepalende geluidsbron.
De overschrijdingen in de dagperiode worden geheel veroorzaakt door vergunde geluidsbronnen, waarbij wordt voldaan aan de vigerende geluidsnorm. Daarom wordt de geluidsbelasting aanvaardbaar en vergunbaar geacht. Bespreking resultaten regelmatige afwijking De geluidsbelasting is vergelijkbaar met of lager dan in de representatieve bedrijfssituatie, behalve op de woning aan de Marijenkampen 5. Dit komt door het langdurig oppompen van de drijfmest. Het afvoeren van drijfmest met sleepslangen vindt minder dan een etmaalperiode per week plaats en kan daarom gezien worden als regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. Bespreking resultaten incidentele situatie Gedurende maximaal 12 dagen per jaar wordt mais of gras ingekuild. Daardoor is de geluidsbelasting hoger dan in de representatieve bedrijfssituatie. De richtwaarde wordt hierdoor overschreden. In de dagperiode wordt wel voldaan aan de vigerende geluidsnorm. Op de maatgevende woningen zijn de rijbewegingen van de tractors voor de aanvoer van gras/mais bepalend, behalve op de Marijenkampen 18 in de dagperiode. Daar is ook de tractor tijdens het uitrijden van voer bij de bestaande stallen een relevante bron. Het inkuilen van voer vindt ook reeds plaats in de bestaande, vergunde situatie.