BP Giethoorn - Uitbreiding Hotel de Harmonie VA02.pdf
Tekst van het document
Het is voor een efficiënte bedrijfsvoering van een hotel niet realistisch om uit te gaan van twee locaties. Verplaatsing is uit financieel oogpunt niet realistisch. Gelet op de bovenstaande analyse is het uitbreiden van 4 sterrenhotels kansrijk. Gelet op de marktverwachting is het aannemelijk dat het aanbod aan 1 t/m 3 sterrenkamers zal afnemen. 16 Locatiekeuze 4101114.20170141 Rho adviseurs voor leefruimte 3. Locatiekeuze Onderdeel van de laddermotivering voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een motivering waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is. In de provinciale omgevingsverordening worden hieraan nadere eisen gesteld. In artikel 2.1.3. van de provinciale omgevingsverordening wordt de ladder duurzame verstedelijking van toepassing verklaard op stedelijke ontwikkelingen (o.a. realisering van horeca) die een extra ruimtebeslag leggen op de groene omgeving. De provincie heeft daarnaast aangegeven dat de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing is. Op de relevante artikelen uit de verordening is hierna ingegaan. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1.
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Lid 2. Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden e n dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing Uit jurisprudentie (Uitspraak 201602625/1/R4) blijkt dat de strekking van het artikel hetzelfde is als 3.1.6 lid 2: “De Afdeling overweegt dat de artikelen 2.1.3 en 2.1.4 van de omgevingsverordening eenzelfde doel en strekking hebben als artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Voor dit oordeel vindt de Afdeling steun in titel 2.1.
van de toelichting bij de omgevingsverordening, waarin staat dat de SER -ladder en de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik tot doel hebben om onnodig ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan.” Het is voor een efficiënte bedrijfsvoering van een hotel niet realistisch om uit te gaan van twee locaties. Het hotel richt zich bovendien op de doelgroep die behoefte heeft aan een groene waterrijke ‘Nederlandse’ natuurbeleving. (fietsen, fluisterboten, rondvaarten, wandelen). Een locatie binnen bestaand stedelijk gebied kan daar geen invulling aan geven. Verplaatsing van het hotel is hierdoor ook niet aan de orde (en bovendien uit financieel oogpunt niet realistisch). Uitbreiding van een bestaand hotel op de grens van het bestaand bebouwd gebied van Giethoorn en grenzend aan Nationaal Park Weerribben- Wieden is een logische keuze. Locatiekeuze 17 Rho adviseurs voor leefruimte 4101114.20170141 vestiging Rotterdam In dit geval is geen sprake van een geheel nieuwe functie, maar uitbreiding van een bestaande. Er wordt een bestaand erf uitgebreid. Hotel de Harmonie is in de verordening specifiek aangeduid als gebied voor verblijfsrecreatie. Figuur 3.1. Uitsnede kaart Gebiedskenmerken Laag van de beleving Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Lid 1.
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal- economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing Het ontwerp gaat uit van uitbreiding van het hotel in combinatie met landschappelijke/natuurontwikkeling. De landschappelijke kwaliteit neemt per saldo toe. Dit aspect is nader onderbouwd in het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Giethoorn - Uitbreiding Hotel de Harmonie Bijlage 5 Tussenuitspraak Raad van State 24 december 2019 232 BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING (vastgesteld) Uitspraak 201807760/1/R3 1 Uitspraak 201807760/1/R3 ECLI ECLI:NL:RVS:2019:4440 Datum uitspraak 24 december 2019 Inhoudsindicatie Bij besluit van 19 juni 2018 heeft de raad van de gemeente Steenwijkerland het bestemmingsplan "Giethoorn-uitbreiding hotel de Harmonie" vastgesteld. Het plan en de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt en maken de uitbreiding van hotel de Harmonie aan de Beulakerweg 55 in Giethoorn mogelijk. De uitbreiding bestaat uit een nieuw gebouw voor 27 hotelkamers. Het gebouw heeft een goothoogte van maximaal 6,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 11,5 meter. De uitbreiding wordt verbonden met de bestaande bebouwing door een corridor met een goot- en bouwhoogte van maximaal 3,5 meter. Daarnaast maakt het plan een nieuw parkeerterrein met 100 parkeerplaatsen mogelijk en zal er een aantal watergangen op het perceel worden gegraven. Het geheel is voorzien op gronden waaraan in het vorige plan een agrarische bestemming is toegekend. Volledige tekst 201807760/1/R3.
Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, 2. [appellanten sub 2], wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, Uitspraak 201807760/1/R3 2 3. [appellant sub 3], wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, 4. [appellant sub 4], wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, appellanten, en 1. de raad van de gemeente Steenwijkerland, 2. het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Giethoorn-uitbreiding hotel de Harmonie" vastgesteld. Bij besluit van 13 augustus 2018, kenmerk WABO/2014/2492, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een uitbreiding van hotel de Harmonie en het graven van watergangen. Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld. De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en de raad en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) die de Afdeling in zaken over vergunningen voor veehouderijen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2019, waar zijn verschenen: [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. drs. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. drs. R.S. Wertheim als voornoemd, [appellant sub 4], en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. M.R. Kruisselbrink, advocaat te Zwolle, vergezeld door drs. L. Verhees, J.G. Lindeman en M.A. Hoven. Ter zitting is hotel de Harmonie, vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen, als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Het plan en de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt en maken - kort gezegd - de uitbreiding van hotel de Harmonie aan de Beulakerweg 55 in Giethoorn mogelijk. De uitbreiding bestaat uit een nieuw gebouw voor 27 hotelkamers.
Het gebouw heeft een goothoogte van maximaal 6,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 11,5 meter. De uitbreiding wordt verbonden met de bestaande bebouwing door een corridor Uitspraak 201807760/1/R3 3 met een goot- en bouwhoogte van maximaal 3,5 meter. Daarnaast maakt het plan een nieuw parkeerterrein met 100 parkeerplaatsen mogelijk en zal er een aantal watergangen op het perceel worden gegraven. Het geheel is voorzien op gronden waaraan in het vorige plan een agrarische bestemming is toegekend. 2. Appellanten zijn omwonenden die aantasting van hun woon- en leefklimaat vrezen als gevolg van de uitbreiding van het hotel. 3. De regelgeving die relevant is voor de hierna volgende overwegingen is opgenomen in de uitspraak dan wel, onder aanduiding van de betrokken overweging(en), in de bijlage bij deze uitspraak Belanghebbendheid 4. [appellant sub 4] woont aan de [locatie A] ten noorden van het plangebied, op een afstand van ongeveer 1 km van hotel de Harmonie. Hij vreest een verkeersonveilige situatie op de Beulakerweg als gevolg van een toename van verkeer vanwege de uitbreiding van het hotel. Hij voert aan dat navigatiesoftware het verkeer over de Beulakerweg leidt in plaats van over de N334. 4.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’, dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het betrokken besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 4.2. Niet in geschil is dat [appellant sub 4] vanaf zijn perceel en/of vanuit zijn woning geen zicht heeft op het plangebied.
De Afdeling overweegt dat de uitbreiding van hotel de Harmonie met 27 kamers weliswaar tot enige verkeerstoename zal leiden, maar dat die verkeerstoename - mede in het licht van twee mogelijke routes naar het hotel - niet dusdanig zal zijn dat als gevolg daarvan moet worden geoordeeld dat ondanks de afstand van 1 km een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door de besluiten wordt geraakt. De enkele stelling dat navigatiesoftware het verkeer over de Beulakerweg leidt, maakt dit niet anders. [appellant sub 4] heeft ook anderszins geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat toch een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door de besluiten zou worden geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij de bestreden besluiten als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk. Procedurele aspecten Uitspraak 201807760/1/R3 4 5.
[appellant sub 3] en [appellanten sub 2] stellen dat de gemeentelijke coördinatieregeling ten onrechte is toegepast, omdat in het coördinatiebesluit de exploitatie en verhuur van rondvaartboten en pleziervaartuigen niet is vermeld, terwijl het bestemmingsplan daar wel in voorziet. 5.1. Uit artikel 3.30 van de Wro volgt dat de raad kan besluiten bepaalde besluiten - zoals een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning - gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken. In dat zogenoemde coördinatiebesluit worden de besluiten nader aangeduid die bij de coördinatie worden betrokken. In dit geval heeft de raad besloten tot een gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan "Giethoorn-uitbreiding hotel de Harmonie" en de omgevingsvergunning voor het bouwen van een uitbreiding van hotel de Harmonie en het graven van watergangen. Uit artikel 3.31, derde lid, aanhef en onder b van deze wet volgt dat het college de ontwerpen van de besluiten kan samenvoegen in een kennisgeving. In de kennisgeving in de Staatscourant van 21 november 2017, nr. 66815, heeft het college kennis gegeven van het ontwerpbestemmingsplan en omgevingsvergunning Giethoorn - uitbreiding hotel de Harmonie met 27 hotelkamers. In die kennisgeving staat ook dat de raad op 11 maart 2014 heeft besloten de coördinatieregeling van de Wro toe te passen op de procedures voor deze ontwikkeling.
Gelet hierop is duidelijk om welke ontwikkeling en welke besluiten het gaat en is in zoverre voldaan aan de artikelen 3.30 en 3.31, derde lid, aanhef en onder b, van de Wro. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen toepassing heeft mogen geven aan de coördinatieregeling. Dat naar de mening van [appellant] niet expliciet de mogelijkheid van exploitatie en verhuur van rondvaartboten en pleziervaartuigen is vermeld, doet daar niet aan af. Hierbij tekent de Afdeling aan dat voor zover appellanten menen dat het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de mogelijkheden voor vaarverkeer, dit hierna inhoudelijk aan de orde zal komen. Het betoog faalt. Het bestemmingsplan Toetsingskader 6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Ladder voor duurzame verstedelijking 7. [appellanten sub 2] stellen dat de behoefte aan de uitbreiding van hotel de Harmonie onvoldoende is onderzocht en beschreven. Er is volgens hen geen onderzoek gedaan naar de bezettingsgraad van hotels in de gemeente Steenwijkerland. Het rapport van Rho van 27 februari 2018 hanteert volgens hen ten onrechte en zonder onderbouwing de aanname dat de bezettingsgraad minimaal op het gemiddelde van Overijssel ligt. Uitspraak 201807760/1/R3 5 7.1. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening luidt: "[..] 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. [..]" 7.2. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren.
De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. 7.3. De raad heeft zich bij de beoordeling van de vraag of de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte gebaseerd op het door Rho opgestelde rapport "Uitbreiding hotel De Harmonie, Giethoorn - onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking" van 27 februari 2018 (hierna: Rho-rapport). De inhoud daarvan is samengevat weergegeven in paragraaf 3.2 van de plantoelichting. 7.4. In het Rho-rapport staat dat voor het bepalen van het aanbod gebruik is gemaakt van gegevens tot en met 2017 van HorecaDNA en Booking.com.
Volgens het Rho-rapport beschikt de gemeente Steenwijkerland in 2017 over 397 kamers en 812 bedden (inclusief het aanbod in pensions). Uit de marktruimteberekening blijkt dat er behoefte is aan ongeveer 73 hotelkamers en dat de marktverwachting voor hotels gelet op de algemene economische marktverwachting goed is. Er zijn de gemeente geen plannen bekend voor nieuwe hotels, aldus het Rho- rapport. Om de actuele behoefte van hotelkamers in Steenwijkerland te kunnen bepalen is in het Rho- rapport onder meer gekeken naar de bezettingsgraad van de hotelkamers. Omdat er geen specifieke cijfers voor de bezettingsgraad van de hotelkamers in de gemeente Steenwijkerland bekend zijn, is in het Rho-rapport uitgegaan van een meer algemene bezettingsgraad van hotels in Overijssel. 7.5. Gelet op paragraaf 3.2 van de plantoelichting en bovengenoemde passage uit het Rho- rapport bevat de plantoelichting een beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling. Uit die beschrijving komt daar voren dat er een behoefte bestaat aan ongeveer 73 hotelkamers. Daarmee voldoet de raad aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Voor zover [appellanten sub 2] stellen dat geen onderzoek is gedaan naar de bezettingsgraad van hotels in de gemeente Steenwijkerland, overweegt de Afdeling dat de raad ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro daartoe ook niet is gehouden.
Uitspraak 201807760/1/R3 6 Het betoog faalt. Omgevingsverordening Overijssel 8. [appellanten sub 2] stellen dat in het Rho-rapport onvoldoende is gekeken naar de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied. Volgens hen wordt ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de financiële bedrijfsvoering van hotel de Harmonie. [appellanten sub 2] voeren aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of is voldaan aan de eisen uit de artikelen 2.1.3 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (hierna: Omgevingsverordening). De uitbreiding is bovendien niet kleinschalig. 8.1. Artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening luidt: " Lid 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: - dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; - dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. [..]" 8.2.
Uit het Rho-rapport komt naar voren dat in de gemeente Steenwijkerland enkele locaties beschikbaar zijn waarop het mogelijk is om recreatiewoningen, recreatieappartementen of een appartementenhotel te vestigen. Dat betreft de percelen Beulakerweg 128, 133 en Hylkema 1. Voor deze locaties zijn echter geen concrete plannen voor hotels bekend. In het bestemmingsplan "Giethoorn" zijn geen ontwikkellocaties voor hotels opgenomen. Daarin is wel een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de vestiging van een bed & breakfast met maximaal 10 slaapplaatsen. De conclusie in het Rho-rapport luidt dat er in Steenwijkerland een behoefte bestaat aan ongeveer 73 nieuwe hotelkamers en dat er in de gemeente vrijwel geen mogelijkheden zijn voor nieuwe grote(re) hotels. Voor een efficiënte bedrijfsvoering van een hotel is het volgens het Rho-rapport niet realistisch om voor hotel de Harmonie uit te gaan van twee locaties. Hotel de Harmonie richt zich op de doelgroep die behoefte heeft aan een groene waterrijke natuurbeleving. Een locatie binnen bestaand stedelijk gebied kan daar geen invulling aan geven. Verplaatsing van het hotel is hierdoor niet aan de orde en uit financieel oogpunt ook niet realistisch. Uitbreiding van een bestaand hotel op de grens van het bestaand bebouwd gebied van Giethoorn en grenzend aan Nationaal Park Weerribben-Wieden is een logische keuze, aldus het Rho- rapport. 8.3.
Gelet op deze passages uit het Rho-rapport, waarvan de juistheid door [appellanten sub 2] niet is bestreden, gaat de Afdeling ervan uit dat er binnen stedelijk gebied geen mogelijkheid voor het realiseren van een groot hotel. De in het plan voorziene ontwikkeling vormt bovendien een aanvulling op en een uitbreiding van het bestaande hotel de Harmonie. Voor een efficiënte bedrijfsvoering is het niet realistisch om uit te gaan van twee locaties. Er Uitspraak 201807760/1/R3 7 is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het Rho-rapport heeft mogen baseren. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in deze regionale behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering en/of transformatie. Gelet hierop is het plan in zoverre niet in strijd met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening vastgesteld. 8.4. Artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening luidt: "Lid 1.
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen - met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn èn er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving." 8.5. In het Rho-rapport staat dat het ontwerp uitgaat van uitbreiding van het hotel in combinatie met landschaps- en natuurontwikkeling. De landschappelijke kwaliteit neemt per saldo toe en dit aspect is nader onderbouwd in het bestemmingsplan, aldus het Rho-rapport. De uitbreiding is volgens de plantoelichting niet grootschalig. Een inpassing op basis van de zogenoemde Catalogus Gebiedskenmerken is echter wel noodzakelijk. Het plangebied ligt aan de rand van het Nationaal Park Weerribben-Wieden. Voor dit gebied geldt vooral bescherming in de vorm van instandhouding van water- en natuurkwaliteit. Ontwikkelingen in het plangebied dienen bij te dragen aan de verhoging van het waterpeil, om bodemdaling en verdwijnen van het veenpakket te voorkomen.
De ambitie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het kraggenlandschap zoveel mogelijk in stand te houden. In het stedenbouwkundig advies zijn op basis van de ligging van het plangebied in het (kraggen)landschap en de karakteristieken van de (bebouwing in de) omgeving randvoorwaarden aan de terreininrichting gesteld. De inrichting respecteert het slotenpatroon en verbetert de inpassing van het terrein in de schaal en richting van het landschap, door het opsplitsen van het perceel. Door groeninpassing van het terrein aan de oostzijde wordt een overgang gecreëerd naar het oostelijk gelegen natuurgebied, aldus de plantoelichting. 8.6. Uit de hierboven weergegeven passages uit het Rho-rapport en de plantoelichting komt naar voren dat de raad het plan heeft getoetst aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening. [appellanten sub 2] hebben geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop de raad het plan aan deze bepaling van de Omgevingsverordening heeft getoetst. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in overeenstemming met de Omgevingsverordening heeft vastgesteld. De beroepsgronden over de Omgevingsverordening falen. Planregels - Bouwhoogte/ruimtelijke inpassing 9.
[appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met de toegestane maximale bouwhoogte van 11 m en stellen dat dit niet past in een landschap waar alleen panden staan die bestaan uit één bouwlaag met een kap. Uitspraak 201807760/1/R3 8 9.1. Aan het deel van de gronden waarop de uitbreiding van het hotel is voorzien, is de bestemming "Horeca" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gedifferentieerde goothoogte" toegekend. Tevens is daaraan de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie Beulakerweg" toegekend. 9.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder d, van de planregels gelden op de voor "Horeca" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding - gedifferentieerde goothoogte" de volgende regels ten aanzien van de bouw- en goothoogte: 1. De bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 11,5 m; 2. Over ten minste 20% van de gootlengte bedraagt de goothoogte ten hoogste 4,50 m; 3. Over ten hoogste 80% van de gootlengte bedraagt de goothoogte ten hoogste 6,5 m. 9.3. Voor het bestaande deel van het hotel geldt ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels, in samenhang bezien met de verbeelding, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 9 m.
Het plan voorziet voor het gedeelte van de gronden waarop de corridor naar het nieuwe gedeelte is voorzien in een bouw- en goothoogte van maximaal 3,5 m. 9.4. Op p. 6 van de plantoelichting staat dat de opbouw van de uitbreiding van het hotel overwegend bestaat uit anderhalve bouwlaag met kap, met plaatselijke verhogingen in de gootlijn. De gootlijn varieert daarmee tussen 4,1 en 6 m. De nok ligt op 11 m hoogte, aldus de plantoelichting. In paragraaf 2.4 van de plantoelichting staat dat de oorspronkelijke bebouwing van hotel de Harmonie is georiënteerd op de Beulakerweg en bestaat uit één laag met kap. De Beulakerweg wordt aan weerszijden begrensd door vrijstaande landelijke bebouwing, bestaande uit één laag met een kap. Voor een optimale inpassing wordt uitgegaan van een opbouw bestaande uit één laag met kap, maar omdat dit onvoldoende ruimte in het gebouw biedt, is op dit punt een compromis voorgesteld. Visueel gezien ligt de gootlijn over een deel van het pand halverwege de eerste verdieping, anderhalve laag met kap, met daarin voor een deel van de gevel balkons geïntegreerd. Zo voegt de nieuwbouw zich goed in de omgeving, aldus de plantoelichting. 9.5. Gezien het voorgaande heeft de raad, na afweging van alle betrokken belangen, er welbewust voor gekozen om aan het nieuwe gedeelte een geleidelijk oplopende goot- en bouwhoogte tot maximaal 6,5 en 11,5 m toe te kennen.
In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de maximale goot- en bouwhoogte in zoverre niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het betoog faalt. 10. [appellant sub 1] en anderen stellen dat het plan tot aantasting van het dorpsaanzicht leidt. De Beulakerweg en de Kanaaldijk vormen de bepalende structuren - met karakteristieke bebouwingslinten - die bestaan uit vrije kavels die worden ontsloten door een weg of een pad. Hierdoor is tussen de bebouwing doorzicht op het achterliggende landschap. Het plan stelt de visie van de inwoners van Giethoorn, zoals weergegeven in het Dorpsplan Giethoorn 2030, opgesteld in 2012 terzijde en leidt tot aantasting van het uitzicht op het Natura 2000- gebied De Wieden. Uitspraak 201807760/1/R3 9 10.1. Ingevolge artikel 3.1.6, vijfde lid, aanhef en onder a van het Bro wordt, voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, in de toelichting ten minste neergelegd: a. een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 10.2. Op p.
24 van de plantoelichting staat dat het plangebied niet in het beschermd dorpsgezicht van Giethoorn ligt en de kenmerkende structuur van het kraggenlandschap als cultuurhistorisch waardevol wordt aangemerkt. Op p. 9 van de plantoelichting staat dat het agrarisch perceel waarop de uitbreiding is voorzien een open plek vormt in het bebouwingslint aan de Beulakerweg. Het perceel kent op zichzelf geen bijzondere landschappelijke waarden, maar de uitbreiding moet wel worden ingepast in de landschappelijke structuren en kernkwaliteiten van de omgeving. De Beulakerweg, waar het hotel ligt, vormt een scheiding tussen twee bijzondere gebieden, het kraggenlandschap en het kleinschalige ontginningslandschap. De Beulakerweg wordt aan weerszijden begrensd door vrijstaande landelijke bebouwing, bestaande uit één laag met een kap. De uitstraling is divers. In het stedenbouwkundig advies zijn op basis van de ligging van het plangebied in het (kraggen)landschap en de karakteristieken van de bebouwing in de omgeving randvoorwaarden aan de terreininrichting gesteld. De inrichting respecteert het slotenpatroon en verbetert de inpassing van het terrein in de schaal en richting van het landschap, door het opsplitsen van het perceel (hotel/parkeren). Ook de typering en structuur van de bebouwing wordt gerespecteerd, aldus de plantoelichting. 10.3.
De Afdeling stelt vast dat zich binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden bevinden waarvoor een beschermingsregime geldt. Er bevinden zich in het plangebied ook geen panden die zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht of Rijks- of gemeentelijk monument. Gelet op de hiervoor weergegeven passages uit de plantoelichting heeft de raad rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van het achterliggende kraggenlandschap, de karakteristieken van het landschap en het dorpsaanzicht. De raad heeft zich bij de planvaststelling gebaseerd op het stedenbouwkundig advies, waarin op basis van de ligging van het plangebied randvoorwaarden worden gesteld aan de terreininrichting, zodat het zicht op het achterliggende kraggenlandschap behouden blijft. Om dit te waarborgen heeft de raad in artikel 4.5.1 de voorwaardelijke verplichting tot het aanleggen van landschapsmaatregelen opgenomen. Het plan is in zoverre niet in strijd met artikel 3.1.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Bro vastgesteld. In hetgeen is aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening tot een onaanvaardbare aantasting van het dorpsaanzicht dan wel tot een onaanvaardbare aantasting van het doorzicht op het achterliggende landschap zal leiden. Het betoog faalt. -uitbreiding vaaractiviteiten 11.
[appellant sub 3] geeft aan niet zozeer bezwaar te hebben tegen de uitbreiding van het hotel als zodanig, maar wel voor zover de bestemming "Horeca" een uitbreiding van botenactiviteiten toelaat. [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] stellen dat de bestemmingsvlakken met de Uitspraak 201807760/1/R3 10 bestemming "Horeca" en "Water" zijn vergroot ten opzichte van het voorheen geldende plan en dat daarmee ook de vaar- en (boot)recreatiemogelijkheden worden uitgebreid. Temeer omdat aan de gronden rondom het bouwvlak ook de bestemming "Horeca" is toegekend en deze bestemming ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen toelaat, aldus appellanten. Zij wijzen erop dat het plan ook op gronden waaraan de bestemming "Natuur" en "Groen" zijn toegekend water en waterhuishoudkundige voorzieningen toelaat. Ter zitting hebben zij toegelicht dat hun bezwaar niet ziet op het toelaten van waterhuishoudkundige voorzieningen, maar op het toestaan van water. Overal waar water is toegestaan, is volgens hen een toename van botenverkeer mogelijk. In dat verband wijzen [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] erop dat op gronden met de bestemming "Natuur" tevens ondergeschikt recreatief medegebruik is toegestaan en daaronder wordt volgens hen ook kanovaren verstaan. Zij wensen daarom dat binnen de bestemming "Natuur" vaarverkeer wordt uitgesloten.
[appellanten sub 2] voeren aan dat de raad zich weliswaar op het standpunt stelt dat de bedrijfsmatige verhuur van boten wordt gereguleerd door de Verordening regelende het gebruik van rondvaart- en verhuurboten in de gemeente Steenwijkerland, vastgesteld op 22 december 2009 (hierna: Vaarverordening) en de vergunde situatie ter plaatse niet wijzigt, maar het plan staat volgens hen niet in de weg aan een toekomstige uitbreiding van de vaarvergunning. De exploitatie en verhuur van rondvaartboten en de verhuur van pleziervaartuigen is volgens hen bovendien een volwaardige functie en niet een ondergeschikte, zoals de functies in planregel 4.1.1, onderdelen d tot en met g, worden genoemd. Als de raad meent dat het aantal boten en de botenactiviteiten in het plangebied niet toenemen, terwijl het plan wel een uitbreiding mogelijk maakt, omdat op diverse plaatsen uitbreiding van water planologisch is toegestaan, heeft de raad het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld, aldus [appellant sub 3] en [appellanten sub 2]. [appellant sub 1] anderen stellen dat in de plantoelichting weliswaar staat dat het plan niets wijzigt aan de vergunde situatie voor de verhuur van boten, en het aantal van 15 boten, maar dat dit niet is geborgd in de planregels. Dit aantal had volgens hen als voorwaardelijke verplichting in het plan moeten worden opgenomen.
Dit is ten onrechte niet gebeurd, aldus [appellant sub 1] en anderen. [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] stellen in dit verband nog dat de mogelijkheid tot de aanleg van walbeschoeiingen dient te worden uitgesloten, omdat de aanleg van walbeschoeiingen het realiseren van aanlegplaatsen voor boten en dus ook een toename van botenverkeer mogelijk maakt. Het vragen van een advies aan de Monumentencommissie biedt onvoldoende waarborgen om een toename van boten tegen te gaan. 11.1. De raad stelt dat het plan niet tot een uitbreiding van botenverkeer zal leiden. Dit plan, noch het vorige plan bevatten volgens de raad regels om de verhuur van het aantal boten te reguleren. De bedrijfsmatige exploitatie van verhuurboten kan alleen plaatsvinden op basis een vergunning op grond van de Vaarverordening. Het plan leidt niet tot een wijziging van de vergunde situatie. Uitbreiding van het aantal te verhuren rondvaartboten en verhuurboten met dit plan is dan ook niet aan de orde, aldus de raad. De raad stelt voorts dat verhuur van boten alleen mogelijk is ter plaatse van de bestemming "Water" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-rondvaart-en botenverhuur". Deze ruimte neemt af ten opzichte van het geldende bestemmingsplan "Giethoorn". Ook het botenhuis wordt in omvang niet uitgebreid ten opzichte van het geldende plan.
Uitspraak 201807760/1/R3 11 De opzet om binnen de Horeca- , Groen- en Natuurbestemming ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk te maken heeft volgens de raad te maken met het feit dat het bestemmingsplan een goede waterhuishouding planologisch moet kunnen waarborgen. In het kader van de aan te vragen watervergunning en de watertoets is het noodzakelijk dat de betreffende bestemmingen de uitvoering van een goede waterhuishouding en de uitvoering van de watertoets niet belemmeren. De bestemmingen fungeren als buffer en overloopgebied naar het achtergelegen gebied. De bestemmingen laten geen bedrijfsmatige vormen van watersport toe, zodat de vrees voor een toename van de verhuur en exploitatie van boten ongegrond is, aldus de raad. 11.2. Voor zover appellanten betogen dat op gronden met de bestemming "Horeca", "Groen" en "Natuur" ook water als ondergeschikte mogelijkheid is toegestaan, overweegt de Afdeling dat in het bestemmingsplan "Giethoorn" aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarisch met waarden" was toegekend. Op die gronden is ingevolge de planregels van dat plan het realiseren en in stand houden van natuur- en landschapselementen zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties toegestaan.
Het voorliggend plan leidt in zoverre niet tot een wijziging van hetgeen op de desbetreffende gronden reeds is toegestaan. Het betoog van appellanten dat dit plan op gronden met de bestemmingen "Horeca", "Groen" en "Natuur" ten opzichte van het vorige plan een uitbreiding van water mogelijk maakt en dat het plan - mede gelet op het toegestane recreatieve medegebruik op gronden met de bestemming "Natuur"- ook in zoverre tot een toename van botenverkeer zal leiden, mist dan ook feitelijke grondslag. 11.3. Voor zover appellanten betogen dat de exploitatie en verhuur van boten geen ondergeschikte functie is, stelt de Afdeling vast dat dit in artikel 4, lid 4.1.1, onder c van de planregels ook niet als ondergeschikte functie is opgenomen. Ook deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag. 11.4. In dit plan is aan de gronden waarop de bestaande bebouwing zich bevindt en waarop de uitbreiding is voorzien, de bestemming "Horeca" toegekend. Op grond daarvan is - evenals onder het bestemmingsplan "Giethoorn" - de exploitatie en verhuur van rondvaartboten en de verhuur van pleziervaartuigen toegestaan. De Afdeling stelt vast dat de exploitatie en verhuur van boten op gronden met de bestemming "Horeca" ook in de huidige situatie is toegestaan. Het plan leidt in zoverre niet tot een wijziging.
De gronden met de bestemming "Horeca" worden weliswaar uitgebreid, maar daarop is een uitbreiding van het hotel voorzien. Dit leidt op zichzelf niet tot een uitbreiding van de mogelijkheid tot verhuur van boten. 11.5. Artikel 7, lid 7.1 onder b en f van de planregels, die gelden voor gronden met de bestemming "Water", maakt verkeer te water mogelijk en de exploitatie en verhuur van rondvaartboten en de verhuur van pleziervaartuigen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-rondvaart-en botenverhuur". In paragraaf 2.1 van de plantoelichting staat dat aan de achterzijde van de gebouwen een insteekvaart ligt. Hier is ten behoeve van de bootverhuur een laag boothuis aanwezig. Er zijn 15 boten (sloepen en fluisterboten) voor 4 tot 6 personen aanwezig ten behoeve van de verhuur die hoofdzakelijk aan hotelgasten worden verhuurd. De uitbreiding van het hotel ziet hoofdzakelijk op de logiescapaciteit. Van een uitbreiding van bijbehorende faciliteiten, zoals extra botenverhuur en dergelijke, is geen sprake, aldus de plantoelichting. Uitspraak 201807760/1/R3 12 11.6. De Afdeling stelt vast dat het plan weliswaar voorziet in de mogelijkheid het areaal water te vergroten, maar dat de ruimte voor de mogelijkheid van botenverhuur niet wordt vergroot, zodat de planologische mogelijkheden in zoverre niet toenemen.
De exploitatie en verhuur van rondvaartboten en de verhuur van pleziervaartuigen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-rondvaart-en botenverhuur". In dit geval op twee plaatsen. Voor de verhuur van boten is een vaarvergunning nodig en hotel de Harmonie beschikt over een vaarvergunning. Op grond van de huidige vaarvergunning zijn ter plaatse 14 verhuurboten en 5 rondvaartboten toegestaan, een totaal van 19 boten. 11.7. De Afdeling stelt tevens vast dat de Vaarverordening Giethoorn het vaarverkeer in Giethoorn reguleert. Voor rondvaartboten geldt volgens de huidige Vaarverordening Giethoorn een maximum van 100 en voor huurboten geldt een maximum van 664. Dit betekent dat er niet meer boten in de grachten door Giethoorn mogen varen dan deze 100 rondvaartboten en 664 huurboten, ongeacht de toename van water in het plangebied, de mogelijkheid walbeschoeiingen aan te brengen - waarbij de Afdeling in aanmerking neemt dat dit niet bij recht is toegestaan - en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-rondvaart-en botenverhuur". Het plan biedt weliswaar de mogelijkheid om aanlegplaatsen te creëren, zodat daar boten aan een steiger kunnen liggen, maar dit verandert niets aan het totaal aantal boten dat in Giethoorn mag varen en het aantal boten dat het hotel mag verhuren.
Zoals vermeld is dit gereguleerd in de Vaarverordening Giethoorn en in de geldende vaarvergunning. 12. [appellanten sub 2] stellen dat hotel de Harmonie een vaarvergunning heeft voor 14 verhuurboten en 5 rondvaartboten. De vergunning maakt volgens hen niet duidelijk of de verhuur van rondvaartboten is vergund dan wel de exploitatie van een rondvaartbedrijf in de zin van de Vaarverordening. 12.1. Deze procedure ziet op het bestemmingsplan "Giethoorn- uitbreiding hotel de Harmonie". Alleen bezwaren die zien op het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunning kunnen in deze procedure aan de orde komen. Bezwaren die niet daarop zien - zoals bezwaren over de duidelijkheid van de vaarvergunning - kunnen inhoudelijk niet aan de orde komen. 13. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad eraan voorbij gaat dat de Vaarverordening ter discussie staat en er overleg wordt gevoerd over afschaffing daarvan. Mogelijk dat in de toekomst een regeling voor het toegestane aantal boten in bestemmingsplannen moet worden opgenomen. 13.1.
De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat de Vaarverordening mogelijk ter discussie staat en er overleg wordt gevoerd over een nieuw systeem niet maakt dat de raad zich ten tijde van de vaststelling van het plan niet op het standpunt kon stellen dat het vaarverkeer wordt gereguleerd door de Vaarverordening en dat er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding bestond om nadere beperkingen te stellen in dit plan. 14. [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen stellen dat de raad zich weliswaar op het standpunt stelt dat de Vaarverordening het juridisch kader vormt voor de verhuur en exploitatie van boten, maar voor bepaalde boten - zoals de authentieke punters met elektromotor - is niets geregeld in de Vaarverordening, dus een enkele verwijzing naar de Vaarverordening en het vergunde aantal boten volstaat volgens hen niet. Daarnaast werpt de Vaarverordening volgens hen geen belemmering op voor Uitspraak 201807760/1/R3 13 ongemotoriseerde vaartuigen en stelt deze ook geen beperkingen aan gemotoriseerde of ongemotoriseerde vaartuigen die niet bedrijfsmatig worden gebruikt, maar wordt meegegeven aan een toerist.
Zij wijzen erop dat uit de toelichting op artikel 1 van de Vaarverordening volgt dat boten die houders van pensions en appartementen exclusief aan de gebruikers ervan ter beschikking kunnen stellen niet onder het begrip "verhuurboot" vallen. Dit betekent volgens hen dat het ook in dit geval mogelijk is dat voor de 27 extra hotelkamers die het plan mogelijk maakt 27 boten ter beschikking kunnen worden gesteld en dat die 27 boten dan vergunningvrij zijn. 14.1. De Afdeling stelt vast dat dit plan geen betrekking heeft op het reguleren van niet bedrijfsmatig gebruikte vaartuigen. Het betoog faalt. 15. [appellanten sub 2] stellen dat voor zover de raad wel een uitbreiding van de botenactiviteiten voor ogen had, dat de behoefte hiervan had moeten worden aangetoond. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt, aldus [appellanten sub 2]. 15.1. Uit het voorgaande komt naar voren dat de raad geen uitbreiding van botenactiviteiten heeft beoogd en dat het plan ook geen uitbreiding van botenactiviteiten mogelijk maakt. De beroepsgrond mist feitelijke grondslag. - Vaarveiligheid 16. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de gemeente ten onrechte eraan voorbij gaat dat de hinder op het water wordt veroorzaakt door een groot aantal sloepen die dagelijks aan toeristen wordt verhuurd, dan wel bij chalets op vakantieparken hoort.
Er wordt volgens [appellant sub 1] en anderen ook extra water gecreëerd met aanlegplaatsen voor bootjes, ook dit zal tot hinder voor vaarverkeer leiden. 16.1. In paragraaf 5.2 van de plantoelichting staat dat de aanleg van ongeveer 1.500 m² oppervlaktewater in het plangebied tevens ter compensatie dient van een toename van het verhard oppervlak met ongeveer 3.000 m² in het plangebied. 16.2. Voor zover [appellant sub 1] en anderen wijzen op de hinder die wordt veroorzaakt door "een groot aantal sloepen die dagelijks aan toeristen wordt verhuurd, dan wel bij chalets op vakantieparken hoort", overweegt de Afdeling dat alleen beroepsgronden die zijn gericht tegen dit plan tijdens deze procedure aan de orde kunnen komen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen in het algemeen wijzen op de vaarveiligheid in Giethoorn, is dit in deze procedure niet aan de orde. Voor zover [appellant sub 1] en anderen menen dat de aanleg van extra water tot hinder voor het vaarverkeer zal leiden, wijst de Afdeling erop dat in het vorenstaande in 11.6 is geoordeeld dat het plan niet tot een toename van het aantal verhuur- en rondvaartboten zal leiden. Het plan zal in zoverre dan ook niet tot een extra vaaronveilige situatie leiden. Het betoog faalt. - bestemming "Groen" 17.
[appellanten sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat de bestemming "Groen" diverse voorzieningen mogelijk maakt waarvan onduidelijk is wat dit zijn en waarom deze nodig zijn. Zo is het begrip "andere voorzieningen" uit artikel 3.1.1 van de planregels niet gedefinieerd. Dit is volgens hen in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Voorts staat in de Reactienota Uitspraak 201807760/1/R3 14 zienswijzen dat bruggen noodzakelijk zijn voor de ontsluiting en de recreatieve en landschappelijke inpassing van het initiatief, maar een motivering daartoe ontbreekt. Het onderdeel "bruggen" in artikel 3.1.1. van de planregels getuigt dan ook niet van een goede ruimtelijk ordening, aldus [appellanten sub 2] en [appellant sub 3]. 17.1. De raad stelt dat het begrip "andere voorzieningen" bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet meer is opgenomen in artikel 3, lid 3.1.1 van de planregels. Voorts stelt de raad dat bruggen noodzakelijk zijn om de gronden op een goede wijze te kunnen bereiken. In een waterrijk gebied als Giethoorn zijn bruggen ook in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. De vorige bestemming "Agrarisch met waarden" liet ook bruggen toe. 17.2. De Afdeling stelt vast dat het begrip "andere voorzieningen" niet meer in artikel 3, lid 3.1.1. van de planregels staat. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag. 17.3.
Voor de gronden waaraan in dit plan de bestemming "Groen" is toegekend, was in het vorige bestemmingsplan "Giethoorn" de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Op die gronden is ingevolge de planregels van het bestemmingsplan "Giethoorn" de bouw van bruggen toegestaan. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder e van de planregels van voorliggend plan zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor bruggen. Dit betekent dat dit plan in zoverre geen wijziging in die mogelijkheid aanbrengt ten opzichte van het bestemmingsplan "Giethoorn". Gelet op de aard van het landschap ziet de Afdeling niet in dat de keuze om de mogelijkheid tot het realiseren van bruggen te handhaven onvoldoende is gemotiveerd, dan wel niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening. 18. [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat in de Reactienota zienswijzen onvoldoende wordt gemotiveerd waarom de opgenomen bouwmaten en afwijkingen noodzakelijk zijn voor de voorzieningen die eventueel nodig zijn voor openbaar nut. [appellanten sub 2] stellen voorts dat onduidelijk is waarom artikel 12, lid 12.2 van de planregels noodzakelijk is om af te wijken van deze bouwmaten. Bovendien is niet gemotiveerd hoe dit artikel zich verhoudt tot andere planregels waar gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen en dergelijke mogelijk worden gemaakt.
Er is niets geregeld over de verhouding tussen een (hoofd)bestemming en de algemene afwijkingsregels uit artikel 12, lid 12.2 van de planregels. 18.1. Artikel 3, lid 3.2.2 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels; a. de bouwhoogte van deze gebouwen bedraagt maximaal 3.00 meter; b. de oppervlakte van deze gebouwen bedraagt maximaal 15 m²." Artikel 12, lid 12.2 van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in de dubbelbestemmingen en (gebieds)aanduidingen, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de bouw- en/of gebruiksregels voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval- en glascontainers en dergelijke, met dien verstande dat: Uitspraak 201807760/1/R3 15 a. de oppervlakte maximaal 15 m² mag bedragen; b. de goothoogte maximaal 3,00 m mag bedragen; c. de bouwhoogte maximaal 6,00 m mag bedragen." 18.2. De raad stelt in de Reactienota zienswijzen dat de in het plan opgenomen bouwmaten en afwijkingen noodzakelijk zijn voor de voorzieningen die eventueel nodig zijn voor het openbare nut.
Het schrappen of verkleinen in maatvoering kan leiden tot een ongewenste situatie in het kader van de openbare veiligheid, aldus de Reactienota zienswijzen. 18.3. Gelet op de hiervoor weergegeven passage uit de Reactienota zienswijzen, die de Afdeling aannemelijk acht, volgt de Afdeling appellanten niet in hun niet nader geconcretiseerde stelling dat de raad zijn keuze voor de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte van bouwwerken voor openbaar nut in de planregels, dan wel de keuze voor een afwijkingsmogelijkheid door middel van een omgevingsvergunning, onvoldoende heeft gemotiveerd, dan wel dat daar niets over in het plan is geregeld. Het betoog faalt. 19. Volgens [appellanten sub 2] is onduidelijk wat moet worden verstaan onder "strijdigheid van belangen" in artikel 14, lid 14.1 van de planregels 19.1. Artikel 14, lid 4.1, van de planregels luidt: "In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor." 19.2. In artikel 14, lid 14.1 van de planregels is een zogenoemde voorrangsregel opgenomen. Uit deze titel en plaats kan worden afgeleid dat deze regel betrekking heeft op de verhouding tussen alle bestemmingen en de dubbelbestemming. Uit deze planregel komt naar voren dat wanneer regels van de dubbelbestemming in strijd zijn met andere planregels, dat het belang van de dubbelbestemming prevaleert.
De planregels van de dubbelbestemming krijgen dan voorrang. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze planregel onduidelijk is. Het betoog faalt. 20. [appellanten sub 2] voeren aan dat in de Reactienota zienswijzen niet is gereageerd op de stelling dat de in het plan voorziene groenstrook te dicht langs de erfgrens komt. Dit getuigt niet van een goede ruimtelijke ordening. Hierdoor vrezen zij aantasting van hun uitzicht en moeten ze tegen een haag of ander groen aankijken. Voorts is figuur 4 op p. 7 in de plantoelichting volgens hen ten onrechte niet aangepast, terwijl dit in verschillende artikelen van de planregels wordt genoemd en stemt figuur 4 niet overeen met de feitelijke eigendomssituatie. 20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het zicht voor appellanten niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Weliswaar wordt het uitzicht in de richting van de beoogde uitbreiding van het hotel licht belemmerd, maar het uitzicht in andere richtingen blijft behouden, zodat het zicht in zoverre niet op onevenredige wijze wordt belemmerd, aldus de raad. 20.2. De Afdeling overweegt dat niet uitgesloten is dat het plan tot aantasting van hun uitzicht zal leiden, maar de raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet een onaanvaardbare aantasting betreft.
Uitspraak 201807760/1/R3 16 De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet wordt verwezen naar figuur 4. Voor zover [appellanten sub 2] stellen dat figuur 4 van de plantoelichting niet overeenstemt met de feitelijke situatie, overweegt de Afdeling dat aan de plantoelichting zelf geen juridisch bindende betekenis toekomt. De beroepsgrond dat figuur 4 mogelijk niet klopt, kan - wat daar ook van zij - niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt. - bestemming "Natuur" 21. [appellant sub 3] stelt dat het toestaan van bouwwerken op gronden met de bestemming "Natuur" niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Hij wenst dat binnen deze bestemming de mogelijkheid van bouwwerken wordt uitgesloten, dan wel dat een maximaal bebouwingsoppervlak in de planregels wordt vastgelegd. 21.1. De raad stelt dat op gronden met de bestemming "Natuur" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd ten behoeve van onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water, bruggen en erfafscheidingen, aldus de raad. 21.2. Aan de gronden in het westen van het plangebied is de bestemming "Natuur" toegekend. Deze gronden zijn, zo blijkt ook uit de plantoelichting, in eerste instantie bedoeld voor de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.
Tevens zijn de gronden bestemd voor natuureducatie, bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast en het bestaand agrarische gebruik. De ambitie is om deze gronden hun groene karakter te laten behouden. Daarom mogen er ook geen gebouwen worden gebouwd maar zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met inachtneming van een aantal regels, aldus de plantoelichting. 21.3. Uit het vorenstaande komt naar voren dat de raad er welbewust voor heeft gekozen op deze gronden geen gebouwen toe te staan, maar alleen bouwwerken met inachtneming van artikel 5, lid 5.2.2 van de planregels. Appellanten hebben niet geconcretiseerd waarom deze keuze niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze keuze in redelijkheid niet ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het betoog faalt. 22. [appellanten sub 2] stellen dat in artikel 13, lid 13.1, van de planregels een ruimere termijn had moeten worden gegeven om belanghebbenden de gelegenheid te geven zienswijzen naar voren te brengen. Zij voeren aan dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing had moeten worden verklaard. Dit is ten onrechte niet gebeurd. 22.1. Artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de Wro biedt het college de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen.
Ingevolge artikel 13, lid 13.1, onder a, van de planregels ligt het ontwerpbesluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, gedurende twee weken voor belanghebbenden ter inzage. Dit betekent dat belanghebbenden gedurende twee weken in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen tegen een voorgenomen nadere eis. 22.2. Uit artikel 3.6, vierde lid, van de Wro volgt dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijzen over een voorgenomen nadere eis naar voren te brengen. Artikel 3.6, vierde lid, van de Wro stelt geen termijn en verklaart evenmin artikel 3.4 Uitspraak 201807760/1/R3 17 van de Awb van toepassing. De Afdeling constateert dat waar artikel 13, lid 13.1, onder a van de planregels belanghebbenden in de gelegenheid stelt gedurende twee weken hun zienswijzen naar voren te brengen, de raad hiermee in zoverre heeft voldaan aan artikel 3.6, vierde lid, van de Wro. De raad was niet gehouden om afdeling 3.4 van de Awb van toepassing te verklaren. Het betoog faalt. Verkeer en parkeren 23. [appellanten sub 2] stellen dat de bestemming "Horeca" ook een uitbreiding van het restaurant, een eventueel congrescentrum en zalenverhuur toelaat.
Dit leidt tot meer verkeersbewegingen dan een uitbreiding met 27 kamers en de verkeersaantrekkende werking van die bestemmingen zijn volgens hen ten onrechte niet betrokken bij de Memo verkeer en parkeren. Dat er een omgevingsvergunning is verleend voor een uitbreiding met maximaal 27 kamers is volgens hen niet relevant bij de toets naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid, omdat de raad bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen had moeten uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden. De gevolgen daarvan zijn ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt. Bovendien is in het verkeersonderzoek geen rekening gehouden met een toename van verkeer als gevolg van de uitbreiding van botenverhuur, aldus [appellanten sub 2]. 23.1. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan gebaseerd op de door Rho-Adviseurs voor leefruimte opgestelde memo "Verkeer en parkeren Hotel De Harmonie Giethoorn", van 8 maart 2016 (hierna: Memo verkeer en parkeren). De raad stelt zich op het standpunt dat de uitbreiding van het hotel met 27 kamers tot een geringe toename van de verkeersaantallen zal leiden. 23.2. De Afdeling heeft in 11.6 overwogen dat het plan niet leidt tot een uitbreiding van de exploitatie en verhuur van rondvaartboten en pleziervaartuigen, zodat het betoog van [appellanten sub 2] over een toename van verkeer als gevolg daarvan niet slaagt. 23.3.
Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels is ter plaatse van gronden met de bestemming "Horeca" horeca van categorie 4 met daaraan ondergeschikt de mogelijkheden tot horeca van categorie 2, een congrescentrum en zalenverhuur toegestaan. In dit plan is aan de gronden waarop het huidige hotel is gevestigd en aan de gronden waarop de uitbreiding is voorzien deze bestemming toegekend, zodat het plan op deze gronden het gebruik als restaurant, congrescentrum, dan wel zalenverhuur mogelijk maakt. Op p. 49 van de plantoelichting staat weliswaar dat het zeker niet de bedoeling is dat er zelfstandige overige functies, anders dan de hotelfunctie, ontstaan, maar een beperking daartoe in het plan ontbreekt. Gelet op de plantoelichting heeft de raad met de vaststelling van het plan niet beoogd ter plaatse een congrescentrum of zalenverhuur toe te staan. Nu de raad heeft nagelaten voor de in het plan voorziene uitbreiding een beperking tot het gebruik van hotelkamers op te nemen, dan wel een maximering van de oppervlakte voor het gebruik als restaurant, congrescentrum en zalenverhuur, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft vastgesteld.
De Afdeling overweegt in dat verband dat in de Memo verkeer en parkeren voor het bepalen van de verkeersaantallen en de parkeerbehoefte als gevolg van de in het plan voorziene uitbreiding is uitgegaan van 30 hotelkamers - later bijgesteld naar 27 hotelkamers - terwijl het plan op die gronden meer mogelijk maakt. De mogelijkheid tot dit gebruik zal tot andere en hogere verkeersaantallen en een andere parkeerbehoefte leiden dan het gebruik van 27 Uitspraak 201807760/1/R3 18 hotelkamers. Het betoog slaagt. 24. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. 25. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van 8:51d van de Awb op te dragen binnen twintig weken na het verzenden van deze uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 23.3 een maximering, dan wel een beperking voor het gebruik van horecafuncies in het plan op te nemen. Aan de hand van de uitkomst daarvan dient de raad te bepalen tot welke verkeersaantallen en parkeerbehoefte de toegestane ontwikkeling zal leiden. De raad dient het bestemmingsplan op dit punt nader te motiveren en op dit punt te wijzigen, dan wel in de plaats daarvan een ander besluit te nemen.