Bloemenbuurt Steenwijk - Bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Archeologie vormt zodoende geen belemmering voor uitvoering van dit plan. 4.1.2 Cultuurhistorie Teneinde inzicht te krijgen in de cultuurhistorische waarde van het plangebied is een korte inventarisatie uitgevoerd naar de in het plangebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren. Zo is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Overijssel bekeken, de Rijksmonumentenlijst en de monumentenlijst van gemeente Steenwijkerland. Hieruit is gebleken dat het pand aan de Gasthuislaan 20 tot en met 26, Gasthuislaan 56 en Gasthuislaan 109 (hoek Acaciastraat) zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Al deze panden liggen buiten het plangebied en blijven behouden. In het plangebied zelf bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of objecten. De Gasthuislaan zelf is eveneens van cultuurhistorische waarde als historische toegangsweg naar Steenwijk. Onderhavig plan heeft geen invloed op het verloop van de Gasthuislaan, noch op de ruimtelijke uitstraling van deze weg. Het aspect cultuurhistorie staat zodoende niet in de weg aan uitvoering van het plan. 4.2 Bedrijven en milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau.
De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van bedrijven en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken en eventuele functiemenging. In het kader van een goede ruimtelijke ordening met het oog op het toestaan van een nieuwe functie is in dit bestemmingsplan een nadere uitwerking gemaakt van de milieuzonering. Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van de in de VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) opgenomen richtafstanden. Voor de onderhavige plannen is uitgegaan van de omgevingskwaliteit van een buitengebied. De richtafstanden zijn daarbij als volgt: Categorie Richtafstanden in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 Tussen een bedrijf en omliggende gevoelige functies, zoals omliggende woningen, dient voor een 26 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) rustige woonwijk of buitengebied in beginsel te worden uitgegaan van de genoemde richtafstanden.
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante (bedrijfsmatige) functies aanwezig: RSG Tromp Meesters, Lijsterbesstraat 1 (milieucategorie 2, richtafstand 30m ivm geluid) Politiebureau Steenwijk, Vendelweg 2 (milieucategorie 2, richtafstand 30m ivm geluid) Kerkgebouw van de Vrije Zendingsgemeente, Gasthuislaan 109 (milieucategorie 2, richtafstand 30m ivm geluid) Edwin Mulder, fietsenwinkel, Meidoornstraat 2 (milieucategorie 1, richtafstand 10m) Dagbestedingscentrum De Slinger, Frion, Meidoornstraat 1 (milieucategorie 1, richtafstand 10m) Café - resto 't Buurtje, Gasthuislaan 30 (milieucategorie 1, richtafstand 10m ivm geur) Gelet op het feit dat deze functies in de bestaande situatie voorkomen naast woningen, kan worden gesteld dat reeds sprake is van functiemenging. Het plangebied kan zodoende worden aangemerkt als een 'gemengd gebied'. In 'gemengde gebieden' kunnen de richtafstanden uit de VNG -brochure met 1 stap worden verkleind. Volgens vaste jurisprudentie worden de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden in principe gemeten tussen de perceelsgrens van het bedrijf enerzijds en anderzijds de gevel van de woning (ABRvS 10 augustus 2011, zaaknr. 200906804/1/R1). Voor alle functies geldt dat voldaan wordt aan de richtafstanden van de VNG, uitgaande van een 'gemengd gebied'.
Zodoende kan, zonder nader onderzoek, worden gesteld dat ter plaatse van de woningen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. Het plan voldoet daarmee aan de principes van een goede ruimtelijke ordening. 4.3 Bodem Het is wettelijk geregeld in de Bouwverordening dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwbouw activiteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De onderzoeksresultaten mogen in beginsel niet ouder zijn dan 5 jaar en moet een vastgestelde informatie kwaliteit bieden (NEN5740). Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan is aanvullend onderzoek vereist. Wanneer blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem geschikt te maken of dient de bouwaanvraag te worden geweigerd. 4.3.1 Bodemonderzoek In het kader van de wijkvernieuwingsplannen is in 2019 door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. Het verkennend onderzoek had tot doel om vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond en/of grondwaterverontreinigin g aanwezig is, teneinde te bepalen of er in milieuhygiënisch opzicht belemmeringen zijn voor de nieuwbouw.
Uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen sprake is van bodembelasting anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefstofwaarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor 'antropogene' achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie 'onverdacht'. Daarbij is de onderzoekshypothese 'niet verontreinigd'. Uit het uitgevoerde veldonderzoek door middel van boringen is gebleken dat de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd is. Ook het grondwater is licht verontreinigd. Daarmee is de vooraf gestelde onderzoekshypothese 'onverdacht' niet geheel bevestigd. Gelet op de aard en de mate van verontreiniging is er geen aanleiding voor nader onderzoek met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De volledige onderzoeksresultaten maken als bijlage 3 deel uit van dit plan. De onderzoeksresultaten met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormen geen belemmering voor uitvoering van het plan.
Adviesbureau Haver Droeze BNT 27 4.4 Duurzaamheid Het wettelijk kader ten aanzien van het aspect duurzaamheid is vastgelegd in het Bouwbesluit. Toetsing hieraan vindt plaats bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Ook in de Provinciale Ruimtelijke Verordening is bepaald dat in de toelichting op een plan inzichtelijk dient te worden gemaakt op welke wijze rekening wordt gehouden met energiebesparing en de toepassing van duurzame energiebronnen. De in het plan voorziene duurzaamheidsmaatregelen zijn uitgewerkt in paragra af 3.5.7. 4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op risico's voor de omgeving bij het gebruik, productie, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van externe veiligheid dient bij ruimtelijke ontwikkelingen een afweging te worden gemaakt over de risico's en belemmeringen met het oog op de veiligheid. In het Besluit Externe Veiligheid (Bevi) en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire RNVGS) zijn de risiconormen voor bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Het besluit heeft tot doel om zowel individuele burgers als groepen een minimumbeschermingsniveau te bieden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Raadpleging van de risicokaart (afbeelding 5) leert dat in de nabijheid van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Afbeelding 5: uitsnede risicokaart Bron: www.risicokaart.nl, bewerking LHD
28 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) 4.6 Flora en fauna De bescherming van bijzondere flora- en faunasoorten, bossen en houtopstanden en de aangewezen natuurgebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb maakt onderscheid tussen soorten die bescherming genieten op grond van de Vogelrichtlijn en soorten, die bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Beide categorieën vallen onder een strikt beschermingsregime. Daarnaast voorziet de wet in een algemener beschermingsregime voor andere (nationale) soorten (bijlage A van de Wet natuurbescherming). Daarnaast kunnen provincies een eigen lijst aanleggen van beschermde soorten. Ieder beschermingsregime kent een eigen afwegingskader waarmee wordt bepaald of een activiteit vergunningplichtig is. De Provincie is bevoegd gezag als het gaat om vergunningverlening en ontheffingen. De zorgplicht zoals die gold op grond van de Flora- en faunawet is ook in de Wnb onverminderd van toepassing. Deze is opgenomen in artikel 1.11 Wn dat voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten in hun directe leefomgeving.
Het uitgangspunt van de zorgplicht is dat burgers, ondernemers en overheden alle handelingen die een nadelig effect zouden kunnen hebben op dieren en planten achterwege laten. Degene die een bepaalde handeling wil verrichten moet zich daarom vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige natuurwaard en, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvan voor zijn handelen. De zorgplicht dient (mede) als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De verbodsbepalingen zijn neergelegd in artikel 2.7 (Natura 2000), artikel 3.1 (Vogelrichtlijn), artikel 3.5 (Habitatrichtlijn) en 3.10 (nationale soorten) Wn. In de wet is ook bepaald in welke gevallen GS ontheffing of vrijstelling kunnen verlenen. Voor soorten die bescherming genieten op grond van d e Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn, zijn in de wet de wet de toetsingsgronden overgenomen uit die richtlijnen. Voor die soorten kan ontheffing of vrijstelling uitsluitend worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: er bestaat geen andere bevredigende oplossing; de ontheffing is nodig in het kader van een groot maatschappelijk belang, waarbij voor soorten uit de Habitatrichtlijn ook ontheffing mogelijk is vanwege redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Voor soorten die bescherming genieten op grond van de Vogelrichtlijn is dat niet mogelijk; er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven van de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 4.6.1 Gebiedsbescherming 4.6.1.1 Natura 2000 Met de voormalige Natuurbeschermingswet zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de Europese Unie omgezet in nationale regelgeving. Dit heeft geresulteerd in de aanwijzing van 126 Europees beschermde natuurgebieden, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Op grond van deze wetgeving is het in en in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten verboden om zonder vergunning activiteiten of handelingen uit te voeren in een speciale beschermingszone als deze, gelet op de instandhoudingdoelstellingen van het gebied, die de kwaliteit van de habitats zouden kunnen doen verslechteren of een verstorend effect zouden kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
In en in de nabijheid van Natura 2000 beschermingszones / gebieden is verboden om zonder vergunning activiteiten of handelingen uit te voeren in een speciale beschermingszone als deze, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, de kwaliteit van de habitats zouden kunnen doen verslechteren of een verstorend effect zouden kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Adviesbureau Haver Droeze BNT 29 Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een speciale beschermingszone (Natur a 2000 gebied) uit de Habitat- of de Vogelrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is "De Wieden" (zie afbeelding 6). Dit gebied ligt op 1,3km afstand. Er is geen sprake van wijziging in het functionele gebruik, het aantal woningen neemt af ten opzichte van de bestaande situatie. Wel vinden ten behoeve van de sloop en herbouw werkzaamheden plaats. Tevens zijn hiermee tijdelijk extra verkeersbewegingen gemoeid. Zekerheidshalve is daarom een Aerius-berekening opgesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag in hoeverre negatieve effecten van het plan op De Wieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Afbeelding 6: uitsnede kaart Natura 2000 Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Uit de Aerius-berekening blijkt dat realisatie van het plan geen verschillen oplevert die groter zijn dan 0,00mol/ha/jr.
Zodoende kan worden gesteld dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie; er zijn geen vervolgstappen nodig. De Aerius-berekening en het bijbehorende memo maken als bijlagen 4 en 5 deel uit van dit plan. 4.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland (NNN) De provincie Overijssel heeft in haar Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening uitwerking gegeven aan het NNN (voorheen: EHS). Nieuwe projecten, plannen of handelingen in NNN zijn niet toegestaan indien deze de wezenlijke waarden en / of kenmerken van NNN aantasten, tot oppervlakte verlies van NNN leiden of de robuuste samenhang wezenlijk (negatief) beïnvloeden, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Dit principe wordt het 'nee, tenzij beginsel' genoemd. Raadpleging van de kaart van het NNN van de Provincie Overijssel (zie afbeelding 7) laat zien dat het plangebied niet in NNN ligt. Het 'nee, tenzij – beginsel' is daarom niet van toepassing.
30 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Afbeelding 7: ligging plangebied ten opzichte van NNN Bron: https://overijssel.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9923VerordeningOv01-va01 4.6.2 Soortbescherming Ten behoeve van de beoogde herstructurering waarbij de bestaande boven-benedenwoningen worden gesloopt en worden herbouwd als grondgebonden woningen in combinatie met een herinrichting van de wijk, is door Ecogroen een natuurtoets uitgevoerd. In de Natuurtoets zijn tevens de resultaten van het aanvullend onderzoek én het huismus onderzoek van ecoloog D. Heidinga verwerkt. In de Natuurtoets is beoordeeld in hoeverre de plannen (significant ne gatieve) gevolgen hebben voor wettelijk beschermde soorten flora en fauna. De natuurtoets maakt als bijlage 6 deel uit van dit bestemmingsplan. Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat met een aantal beschermde soorten rekening gehouden dient te worden. Voor huismus en gewone dwergvleermuis is het noodzakelijk om ontheffing te vragen van de verbodsbepalingen van de Wnb. Hiervoor dient een activiteitenplan te worden opgesteld waarin is beschreven welke functie het gebied heeft voor de betreffende soorten, welke effecten optreden en op welke wijze negatieve effecten voorkomen of beperkt kunnen worden. Er is inmiddels een Activiteitenplan opgesteld en de benodigde ontheffing is aangevraagd en verkregen.
In het kader van de zorgplicht is bovendien een notitie opgesteld met daarin de te nemen natuurinclusieve maatregelen als onderdeel van de beoogde herstructurering. Deze notitie maakt als bijlage 7 deel uit van dit bestemmingsplan. Geadviseerd wordt om ten behoeve van de huismus zogenaamde vogelvides aan te brengen aan de woningen. Voor vleermuizen wordt geadviseerd om openingen te maken in de spouwmuur en/of inbouwvoorzieningen op te nemen in de spouwmuur die kunnen worden gebruikt als verblijfplaats door vleermuizen. Voor de gierzwaluw wordt geadviseerd zogenaamde 'neststenen' in te metselen in de woningen. Daarnaast bevat de notitie nog een aantal aanbevelingen om het plangebied aantrekkelijker te maken voor flora en fauna waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het verhogen van de biodiversiteit. Waar mogelijk zullen de aanbevelingen worden overgenomen in de planuitwerking. In aanvulling hierop heeft tevens overleg plaatsgevonden met een lokale ecologe. De lokale ecologe was tevens aanwezig bij de informatieavond en was op die manier op de hoogte van de plannen.
Adviesbureau Haver Droeze BNT 31 Door haar is aandacht gevraagd en zijn suggesties gedaan om naast broedgelegenheid voor de huismus (liever neststenen of vogelschroot dan vogelvides) ook voldoende voorzieningen te treffen die schuil- en slaapplaats bieden. Daarnaast is aandacht gevraagd voor de aanwezigheid van voldoende functioneel groen en de eventuele fasering van de werkzaamheden. Vanuit dat oogpunt zijn de bestaande ligusterhagen in het binnengebied waardevol; mogelijk kunnen deze (deels) behouden blijven. In de nieuwe situatie zijn begroeide (verticale) schermen (klimop) geschikt om dergelijke functie te vervullen evenals het aanplanten van dichte heesters/struiken langs de parkeerplaatsen. Ten slotte wordt gevraagd om in de beplanting en inrichting rekening te houden met insecten. Ook deze aanbevelingen zullen waar mogelijk worden overgenomen in de uitwerking van de plannen. Daarmee kan worden gesteld dat het onderdeel soortenbescherming uit de Wnb geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 4.7 Geluid Voor zover de plannen voorzien in de bouw ten behoeve van een nieuwe geluidgevoelige functie (wonen) is een akoestisch onderzoek noodzakelijk.
Langs elke weg waar men harder mag rijden da n 30 km/uur bevindt zich een geluidzone waarbinnen een wettelijke verplichting bestaat om onderzoek te doen naar de geluidbelasting op gevels van geluidgevoelige functies. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging ten opzichte van het (binnen)stedelijk gebied zoals weergegeven in onderstaande tabel. Weg in stedelijk gebied 1-2 rijstroken 200m 3 of meer rijstroken 300m Weg in buitenstedelijk gebied 1-2 rijstroken 250m 3-4 rijstroken 400m 5 of meer rijstroken 600m Het plangebied ligt in het stedelijk gebied. Voor geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde 48 dB. Indien de geluidbelasting op de gevel van de nieuwe woning boven deze waarde uitkomt, kan er onder voorwaarden ontheffing worden verleend van de voorkeurgrenswaarde tot een maximale waarde van 63 dB. In de omgeving van de planlocatie zijn diverse geluidzones van wegen aanwezig. Gezien het karakter en de ligging van het plangebied kan uit worden gegaan van een binnenstedelijk ge bied. Daardoor dient bij wegen bestaande uit 1-2 rijstroken een geluidszone van 200 meter te worden aangehouden.
Gelet op het feit dat 'wonen' in de Wet geluidhinder is aangemerkt als een geluidgevoelige functie, dient met het oog op de nieuwe woningen onderzoek te worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevel van de nieuwe woning vanwege het wegverkeer. In het kader van de herontwikkeling van de Bloemenbuurt is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op het totale plangebied. Het onderzoek maakt als bijlage 8 deel uit van dit plan. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied binnen de geluidzone ligt van de volgende wegen: Gasthuislaan (gedeelte 50 km/u); Schansweg; Vendelweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens gekeken naar de invloed van het wegverkeer op de nabij gelegen wegen waarvoor een snelheidsregime geldt van maximaal 30 km/u: Acaciastraat; Bloemstraat; Jan van Riebeeckstraat; Lijsterbesstraat; Meidoornstraat; Paul Krugerstraat; Rozenstraat. 32 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Voor het akoestisch onderzoek is gebruik gemaakt van het stedenbouwkundig plan dat voor het gebied is opgesteld. Voor elke zijde van de bouwblokken zijn toetspunten ten behoeve van 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn uitgevoerd aan de hand van het Reken - en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 5.10.
De geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt op alle toetspunten ten hoogste 47dB. Er vindt geen overschrijding plaats van de maximale grenswaarde (48 dB). Geluid vormt daarmee geen belemmering die uitvoering van het plan in de weg staat. 4.8 Ladder voor Duurzame verstedelijking Sinds oktober 2012 geldt op grond van de artikelen 1.1.1 en 3.1.6 Barro de zogenaamde 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. Gezien de constante stroom van jurisprudentie over dit onderwerp, heeft het Rijk de ladder in juli 2017 gewijzigd vastgesteld. In artikel 3.1.6 lid 2 is bepaald dat de toelichting bij een ruimtelijke onderbouwing die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Uit de jurisprudentie (b.v. ABRvS d.d. 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt een vergelijking gemaakt tussen het nieuwe bestemmingsplan en het vorige bestemmingsplan. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is de Laddertoets niet van toepassing.
In onderhavige situatie is geen sprake van functieverandering; de functie blijft immer s wonen. Evenmin is sprake van extra ruimtebeslag: er is sprake van wijkvernieuwing waarbij bestaande boven- en benedenwoningen worden vervangen door grondgebonden woningen. Het ruimtebeslag voor wonen neemt af en ook het aantal woningen neemt af ten gunste van openbare ruimte en groen. In dat geval is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294). De Laddertoets is zodoende niet van toepassing. Uiteraard moet wel worden getoetst in hoeverre het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, ook in dat kader dient een beoordeling plaats te vinden of de in het plan voorziene bestemmingen passend zijn en of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen voorzien in een behoefte. De diverse omgevingsaspecten zijn uitgewerkt in dit hoofdstuk. De behoefte is uitgewerkt in deze paragraaf. Hieruit volgt dat het plan voldoet aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening en dat het plan voorziet in een actuele behoefte. Het plan voldoet daarmee aan de beginselen van 'duurzame verstedelijking'.
Zoals aangegeven in paragraaf 3.3 heeft de Provincie Overijssel een eigen uitwerking gegeven aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking; daarbij is naast behoefte en zorgvuldig ruimtegebruik tevens een koppeling gelegd met het principe van concentratie. Voorliggend plan gaat uit van transformatie van een bestaande woonwijk waarbij verouderde gestapelde woningen worden vervangen door een kleiner aantal grondgebonden woningen. Het plan maakt deel uit van de prestatieafspraken die in regionaal verband zijn gemaakt over het aantal en type te realiseren woningen. Het plan is daarmee ook in overeenstemming met de Overijsselse Ladder voor Duurzame Verstedelijking. 4.9 Luchtkwaliteit In Nederland gelden regels voor luchtkwaliteit; deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit 2007 die op 15 november 2007 in werking is getreden en als titel 5.2 deel uitmaakt van de Wet milieubeheer (Wmb). Hiermee is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen ter bescherming van het milieu en de leefkwaliteit. In 'artikel 5.16' is geregeld op welke wijze het aspect luchtkwaliteit in acht dient te worden genomen bij planvorming.
Indien één of meerdere grenswaarden niet worden overschreden na realisatie van het plan, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan, zelfs niet als het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Adviesbureau Haver Droeze BNT 33 Indien één of meerdere grenswaarden reeds worden overschreden voor realisatie van het plan, moet worden onderzocht in hoeverre het voorgenomen plan "in betekenende mate bijdraagt" aan de concentraties van de stof waarvoor de grenswaarden worden overschreden. De Uitvoeringsregels voor het bepalen van de luchtkwaliteit en de bijdrage van een plan daarin zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur "Niet in Betekenende Mate Bijdragen" en de Ministeriële regelingen: "Beoordeling Luchtkwaliteit 2007" en "Projectsaldering luchtkwaliteit 2007". Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het NSL is de definitie van "niet in betekenende mate" verschoven van 1% naar 3%. Indien een voorgenomen plan "niet in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alsnog doorgang vinden. Indien het plan wel "in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alleen doorgang vinden, indien de positieve effecten van dat plan -en/of de met het plan samenhangende maatregelen- zodanig verbeteren dat per saldo geen verslechtering optreedt.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit project kan zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De bijdrage van NIBM -projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het NSL gecompenseerd met algemene maatregelen. Bij woningbouw geldt dat een bouwplan met minder dan 1500 woningen, gelegen aan één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdraagt. Deze gevallen kunnen als gezegd zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Onderhavig plan gaat uit van de sloop van 94 boven- en benedenwoningen en de herbouw van 77 grondgebonden woningen. Rekening houdende met de drempelwaarden kan worden gesteld dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt en dat nader onderzoek achterwege kan blijven. Aangezien woningen niet zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming' in de zin van het Besluit Gevoelige Bestemmingen, hoeft in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet te worden gekeken in hoeverre provinciale en/of rijkswegen een belemmering vormen voor uitvoering van de plannen. Bovendien ligt de dichtstbijzijnde provinciale weg (N334) op bijna 900 meter afstand.
Het plan is daarmee wat betreft het aspect luchtkwaliteit in overeenstemming met de uitgangspunten van 'een goede ruimtelijke ordening'. 4.10 Water In onderhavig plangebied is het Waterschap Drents Overijsselse Delta verantwoordelijk voor het regionale waterbeheer, de waterveiligheid en de zuivering van afvalwater. In het Waterbeheerplan 2016 - 2021 heeft het waterschap naast doelen en maatregelen, ook de ontwikkelingen beschreven die voor het waterbeheer van belang zijn. Voor onderhavig plan is van belang dat het waterschap inzet op 'de klimaatadaptieve stad'. Doel is om door concrete initatieven in de stad om te gaan met de gevolgen van klimaatverandering en deze waar mogelijk te verminderen. Ruimtelijke aanpassingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van wateroverlast en de eventuele gevolgen daarvan beperken. Afstemming hierover vindt plaats in de vorm van de 'watertoets'. Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. 34 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) 4.10.1 Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijg en van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Initiatiefnemers worden gevraagd de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak toe te passen. Deze beslisboom is te vinden op de website van het Waterschap. 4.10.2 Beoordeling In de huidige situatie is er in sommige delen van de wijk sprake van wateroverlast. Deze overlast heeft te maken met het hoogteverschil in de wijk in combinatie met een verouderd (gemengd) rioolstelsel dat sinds de aanleg in de jaren '60 van de vorige eeuw nauwelijks meer is aangepast. Doordat het verhard oppervlak in de loop der tijd is toegenomen, en door de directe nabijheid van een RWZI, stroomt bij hevige neerslag te veel water te snel naar deze RWZI. Op die momenten vindt overstort (van ongezuiverd water) plaats op het Dolderkanaal. In de lagere delen van de wijk kan het water op die momenten echter niet snel genoeg wegstromen waardoor water op de straten blijft staan. Voor de toekomst zal ook in Steenwijk-west een gescheiden rioolstelsel moeten worden aangelegd. Het hemelwater wordt dan op het oppervlaktewater geloosd.
Om wateroverlast richting bestaande waterlopen en vijvers te voorkomen, dient echter in de wijk (extra) bergingscapaciteit te worden gerealiseerd. Deze extra bergingscapaciteit wordt gerealiseerd in de vorm van een zogenaamde wadi (een bufferings- en infiltratievoorziening die tijdelijk kan worden gevuld met hemelwater). In het plangebied zijn geen andere oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden aanwezig, die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Evenmin voorzien de plannen in het dempen van bestaande watergangen. Op basis van rioolvervanging in het verleden, is de verwachting dat ten behoeve van de uitvoering van het plan geen bronnering hoeft te worden toegepast. Zekerheidshalve wordt geadviseerd hier nog nader onderzoek naar te doen. Mocht er toch bronnering moeten worden toegepast, dan mag dit water niet worden geloosd op het riool. Met het oog op de watertoets is relevant om te vermelden dat het plangebied reeds grotendeels mag worden bebouwd en verhard. In de beoogde nieuwe situatie worden 'gestapelde woningen' vervangen door grondgebonden woningen.
De bebouwings- en verhardingsmogelijkheden in de nieuwe situatie zijn vergelijkbaar met de bestaande bebouwing; zij het dat deze mogelijkheden anders zijn verdeeld over de bestemmingen (zie afbeelding 8): Adviesbureau Haver Droeze BNT 35 Bestemming Bestaande situatie Nieuwe situatie Groen 4123m² 5913m² Maatschappelijk 644m² Tuin 3332m² Verkeer 4914m² 9584m² Wonen - gestapeld 10998m² 8514m² Totaal 24011m² 24011m² Afbeelding 8: vergelijking verdeling bestemmingen bestaand en nieuw Bron: www.ruimtelijkeplannen en Adviesbureau Haver Droeze Naast woningbouw voorzien de plannen tevens in de inrichting van openbaar groen, wegen, parkeervoorzieningen maar ook een waterberingsvoorziening. De plannen zijn afgestemd met het waterschap in de vorm van een digitale watertoets. Naar aanleiding daarvan heeft het waterschap een wateradvies uitgebracht. De uitkomsten daarvan zijn verwerkt in dit plan.
36 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) 4.10.3 Wateradvies Door het waterschap is aangegeven dat het plangebied zich in het stroomgebied Boezem NW bevindt. Ter voorkoming van wateroverlast adviseert het waterschap het plan zo te ontwerpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte of op particulier terrein. Op die manier wordt wateroverlast bij woningen of andere kwetsbare functies voorkomen. Voor middelgrote plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak word t ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een extra verhard oppervlak van circa 1500m² gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 150m² wordt aangelegd waarin maximaal 30cm peil stijging is toegestaan. De aan te leggen waterberging wordt ontworpen op basis van vertraagde afvoer en een infiltratiesituatie. Bij het ontwerp van het watersysteem wordt rekening gehouden met toenemende neerslagintensiteiten als gevolg van klimaatverandering. Op basis van de KNMI 14- klimaatscenario's adviseert het waterschap rekening te houden met minimaal 10% meer neerslag in 2050; Het waterschap toetst het plan op basis van de werknormen die zijn vastgesteld in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).
Voor bebouwde omgeving betekent dit dat in een neerslagsituatie die eens in de 100 jaar plaatsvindt er geen water in woningen mag stromen en dat belangrijke ontsluitingswegen vrij blijven van water. Andere kapitaalsintensieve functies, zoals elektriciteits- of communicatievoorzieningen mogen ook niet onder water staan. Toetsbui voor extreme neerslagsituatie: het systeem wordt getoetst op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Er wordt rekening gehouden met een bui van 111mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6l/s/ha. Er mag bij deze bui geen water in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water. Neerslagstatistiek Nieuwe statistiek volgens STOWA rapport 2015-10 Klimaatscenario Huidig klimaat + 10% Afvoer (l/s/ha) T=1 0,8 Afvoer (L/s/ha) T=100 1,6 Maatgevende buiduur (uur) 48 Totale neerslaghoeveelheid 111 (100,9*1,1) Afvoer via oppervlaktewater 28 Berging dak / straat / etc. (mm) 3 Benodigde berging (mm) 80 Tabel 1: Overzicht van hoeveelheden en benodigde berging Hoosbui (bovennormatieve situatie): verder wordt geadviseerd een stress-test uit te voeren met een bui die boven de genoemde normen uitgaat. Deze hoosbui kan zeer lokaal tot veel wateroverlast leiden en het is belangrijk dat de gevolgen hiervan in beeld worden gebracht.
het gaat in deze situatie vooral om de afstroming van het hemelwater over het maaiveld. De keuze welke bovennormatieve situatie wordt bekeken ligt bij de initiatiefnemer. Te denken valt aan een range van 60mm tot 150mm in een uur. Dat zijn zeer grote hoeveelheden maar deze ku nnen zeker met verandering van klimaat voorkomen. De gemeente kan ook ervaring hebben met extreme gebeurtenissen en van daaruit een referentiekader hebben. Gemeentelijk beleid: De gemeente heeft een beleid dat erop is gericht om water vast te houden op particulier terrein. In het gemeentelijke rioleringsplan hebben zij aangegeven hoeveel mm moet worden geborgen. Het waterschap adviseert rekening te houden met dit beleid. Grondwateroverlast bij bebouwing: in gebieden waar grondwateroverlast kan optreden, adviseert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het plangebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en op particulier terrein. Adviesbureau Haver Droeze BNT 37 Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem adviseert het waterschap om in overleg met het zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Dit kan in eerste instantie op basis van bestaande peilbuizen binnen of in de omgeving van het plangebied. Indien noodzakelijk kan de initiatiefnemer nieuwe peilbuizen plaatsen.
Aanleghoogte van bebouwing: voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen, wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 0,3 meter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld gelegen, ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico's voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Kwaliteit afvoer hemelwater: schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Doorspoeling oppervlaktewater: geïsoleerde vijverpartijen of watergangen worden vermeden.
Het watersysteem wordt ontworpen met aandacht voor doorspoeling. Microverontreiniging: er worden geen metalen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink mogen niet worden gebruikt. Deze uitgangspunten zijn in het stedenbouwkundig plan dat aan dit plan ten grondslag ligt als volgt verwerkt: Gevolgen voor het plan Het hemelwater van de daken is afgekoppeld en wordt via het maaiveld naar verschillende 'wadi's' geleid waar het water geleidelijk de bodem in kan zakken (infiltreren). De wadi's zijn aangesloten op het watersysteem zodat bij langdurige hevige regenval water kan worden afgevoerd en geloosd op het oppervlaktewatersysteem. De oppervlakte en de capaciteit van de wadi's is zodanig gedimensioneerd dat deze voldoende is om de toename van het verharde oppervlak met 1500m² te kunnen compenseren. De wadi's hebben daartoe een oppervlakte van tenminste 150m² een zodanige capaciteit dat het waterpeil hierin ten minste 30cm kan stijgen. Er worden geen kelders gerealiseerd en de woningen worden zonder kruipruimte gebouwd. Bij het bepalen van de aanleghoogte van de woningen zal rekening worden gehouden met de adviezen met betrekking tot de ontwateringsdiepte. Ook de drempels van de woningen zullen op 0,3 meter boven het straatpeil worden aangelegd.
Met het oog op de huidige grondwaterproblemen, zal hierover bij de uitwerking afstemming plaatsvinden met het waterschap. Zodoende kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering v ormt voor de uitvoering van dit plan. 38 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen samen één geheel. Tevens vormen de regels met de daaraan gekoppelde verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Voor de gemeente is het bestemmingsplan het belangrijkste publiekrechtelijke instrument om doelstellingen te realiseren. In onderhavig plangebied legt het bestemmingsplan de basis voor nieuwe ontwikkelingen. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied voorzien van een bestemming waarin tevens regels zijn gesteld ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden op en de gebruiksmogelijkheden van die gronden. De toelichting heeft geen juridische bindingskracht, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan omdat hierin de beweegredenen, onderzoeksresultaten en de (beleids)uitgangspunten zijn verwoord, die aan het be stemmingsplan ten grondslag liggen.
Daarmee is de toelichting van wezenlijk belang voor de juiste interpretatie van het bestemmingsplan en de wijze waarop de daarin opgenomen bepalingen moeten worden toegepast. 5.2 Methodiek Aangezien dit plan een partiële herziening betreft van het bestemmingsplan Steenwijk en Tuk is ervoor gekozen het bestemmingsplan inhoudelijk zoveel mogelijk te laten aansluiten op dat bestemmingsplan. Wel zijn de bestemmingen waar nodig aangepast aan de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De begrenzing van het plangebied komt grotendeels overeen met de begrenzing van de eigendommen van Woonconcept. Daarnaast zijn twee aanpassingen voorzien in parkeerplaats aan de Bloemwestraat en de Lijsterbesstraat, deze zijn daarom meegenomen binnen de begrenzing van het plangebied. In het plangebied komen de volgende enkelbestemmingen voor: 'Groen', 'Verkeer - verblijfsgebied' en 'Wonen - 3'. Dit bestemmingsplan is opgezet volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die het mogelijk maakt om bestemmingsplannen te maken die op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting omdat deze immers geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan.
De Wet ruimtelijke ordening kent drie planvormen: gedetailleerd bestemmingsplan globaal eindplan globaal bestemmingsplan met uitwerkingsbevoegdheden De eerste twee plansoorten bieden een directe basis voor vergunningverlening. Een globaal bestemmingsplan met uitwerkingsbevoegdheden moet eerst worden uitgewerkt in een uitwerkingsplan voordat (bouw)vergunning kan worden verleend. Dit plan is ontwikkelingsgericht en heeft de vorm van een globaal eindplan. Het bestemmingsplan wordt digitaal vastgesteld en via digitaal (via internet) raadpleegbaar gepubliceerd. Daarnaast wordt het bestemmingsplan afgedrukt zodat het ook analoog kan worden geraadpleegd. Bij inhoudelijke verschillen tussen het digitale en het analoge bestemmingsplan, geldt het digitale bestemmingsplan. 5.3 Opzet regels De opbouw van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen geeft een definitie van voor het plan relevante begrippen, zoals 'bestemmingsvlak', 'bijbehorend bouwwerk' of 'grondgebonden woning'. Artikel 2 Wijze van meten geeft aan op welke wijze maten, oppervlakten en hoogten worden gemeten. Adviesbureau Haver Droeze BNT 39 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving zijn de functies benoemd die binnen de bestemming zijn toegestaan.
De bouwvoorschriften zijn gerelateerd aan deze omschrijving evenals het gebruik van de gronden en de daarop toegestane bebouwing. De bestemmingsvoorschriften hebben allemaal dezelfde opbouw met de volgende onderdelen: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Niet elke bestemmingsregel bevat deze elementen; dit is afhankelijk van de bestemming en de daarvoor relevante bepalingen. Voor de inhoud van de regels is de regeling zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan Steenwijk en Tuk als uitgangspunt genomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels die voor alle gronden binnen het plangebied gelden, ongeacht de bestemming. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In hoofdstuk 4 zijn de overgangsbepalingen met betrekking tot bouwwerken en gebruik opgenomen en tevens de slotregel van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel 5.4 Verbeelding Op de verbeelding (plankaart) is de bestemming van de betreffende percelen aangegeven. De verbeelding bestaat uit een verzameling van geografisch bepaalde objecten, die tezamen met de regels zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen en de raadpleegbaarheid te verbeteren. 5.5 Bestemmingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemmingsregeling. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan alle in het plan begrepen gronden bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van die gronden en ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden. Elke bestemming is geometrisch bepaald. In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: 'Groen', 'Verkeer - verblijfsgebied' en 'Wonen - 3'. 40 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Groen De hoofdgroenstructuur in de wijk heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Beeldbepalende bermen hebben dezelfde bestemming.
Ook het overige openbare groen in de vorm van de 'groene wig' heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Naast groenvoorzieningen zijn binnen deze bestemming ook waterbergingsvoorzieningen (zoals wadi's) en speelveldjes toegestaan. Verkeer - verblijfsgebied Alle wegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer - verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming zijn naast wegen ook parkeerplaatsen in de vorm van 'parkeerkoffers' toegestaan. Een parkeerkoffer is een parkeerplaats die is omgeven door hagen, zodat er een groen omrande ruimte ontstaat waardoor geparkeerde auto's zoveel mogelijk aan het zicht worden onttrokken. Met het oog op de duurzame instandhouding van deze groene randen zijn deze voorzien van de bestemming 'Groen' en is hier niet de bestemming 'Verkeer - verblijfsgebied' toegekend. Wonen - 3 Alle woningen in het plangebied hebben de bestemming 'Wonen - 3' gekregen. Binnen het bestemmingsvlak zijn bouwvlakken aangegeven waarbinnen grondgebonden woningen mogen worden gebouwd. Er is in afwijking van het bestemmingsplan Steenwijk en Tuk geen onderscheid gemaakt tussen een woonbestemming en een tuinbestemming aan de voorzijde van de woning. Het plangebied wordt 'projectmatig' ontwikkeld waarbij het wenselijk is om nog enige bewegingsr uimte te hebben voor het positioneren van de woning.
De regels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, zoals bijbehorende bouwwerken en aan - en uitbouwen, en de bouw en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van mantelzorg, zijn in beginsel opgenomen in bijlage II Besluit omgevingsrecht. Zodoende zijn ook de bouwvlakken voor bijbehorende bouwwerken vervallen en zijn geen specifieke gebruiksregels meer opgenomen ten aanzien van mantelzorg. In overeenstemming met het gemeentelijke archeologie beleid is onderzoek verricht naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten. Hieruit is naar voren gekomen dat het aannemelijk is dat in het plangebied geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Het gebied is daarop vrijgegeven. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is daarom niet opnieuw opgenomen. Adviesbureau Haver Droeze BNT 41 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid De gronden waarop de voorgenomen nieuwbouw is geprojecteerd zijn in eigendom van Woonconcept. De realisatie van de plannen vindt plaats voor rekening en risico van de Woonconcept en maakt deel uit van de afspraken tussen de gemeente en Woonconcept. Daarbij zijn tevens afspraken gemaakt over de financiële risico's. In het kader van het bepaalde in afdeling 6.4 Wro zijn tussen Woonconcept en de gemeen te afspraken gemaakt inzake kostenverhaal. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Gevolg hiervan is dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld, aangezien de kosten anderszins verzekerd zijn. 42 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Maatschappelijk draagvlak De plannen voor de herstructurering van de Bloemenbuurt zijn het resultaat van een proces waarbij in samenspraak tussen de gemeente Steenwijkerland, Woonconcept en bewoners is gewerkt aan een visie voor Steenwijk - West. De planvorming voor de Bloemenbuurt is een uitwerking voor één van de in de Wijkvisie aangewezen deelgebieden. Bij de uitvoering hiervan is gesproken met een vertegenwoordiging van de wijkbewoners en de in de wijk betrokken organisaties. Op 5 februari 2018 en op 12 maart 2018 zijn twee 'pressurecooker-sessies' georganiseerd. Daarnaast zijn meerdere bewonersavonden / inloopbijeenkomsten georganiseerd (op 14 februari 2019 en op 17 april 2019) waarbij alle bewoners de mogelijkheid hebben gehad om kennis te nemen van de plannen en invloed uit te oefenen op de plannen.
Daarbij zijn de volgende punten als aandachtspunt benoemd: de verkeerssituatie en het parkeren hoogteverschillen aan de zijde van de Rozenstraat afwerking van de erfafscheidingen containeropstelplaatsen en speeltoestellen planning en fasering sloop- en bouw en de routing van het bouwverkeer 7.2 Bestuurlijk vooroverleg Het bestemmingsplan wordt overeenkomstig artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan de volgende instanties: Provincie Overijssel De Provincie heeft laten weten naar aanleiding van het plan geen opmerkingen te hebben. 7.3 Inspraak Het bestemmingsplan heeft gedurende heeft van 12 februari 2020 tot en met 24 maart 2020 gedurende een periode van 6 weken, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon een ieder zienswijzen inbrengen op het bestemmingsplan. Naar aanleiding van het plan zijn geen zienswijzen ontvangen.
Adviesbureau Haver Droeze BNT 43 Bijlagen Toelichting 44 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Bijlage 1 Beeldkwaliteitplan Adviesbureau Haver Droeze BNT 45 Bijlage 2 Archeologisch onderzoek 46 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Adviesbureau Haver Droeze BNT 47 Bijlage 4 Aeriusberekening - memo 48 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Bijlage 5 Aeriusberekening Adviesbureau Haver Droeze BNT 49 Bijlage 6 Natuurtoets 50 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Bijlage 7 Notitie natuurinclusieve voorzieningen Adviesbureau Haver Droeze BNT 51 Bijlage 8 Akoestisch onderzoek 52 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Bijlage 9 Verkeersonderzoek Adviesbureau Haver Droeze BNT 53 Regels 54 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan 'Bloemenbuurt Steenwijk' van de gemeente Steenwijkerland. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.STWBloemenbuurtBP-VA01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen). 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden bedrijf het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.6 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie be houdt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.7 achtererf gebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.
1.8 archeologisch deskundige de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. 1.9 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.10 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden. 1.11 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.12 bebouwingspercentage een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.13 beeldkwaliteit Adviesbureau Haver Droeze BNT 55 de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige v ormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten. 1.14 begane grond het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrei n, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte daarvan. 1.15 bestaand situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
1.16 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.17 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of an der bouwwerk, met een dak. 1.19 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.21 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback. 1.22 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.24 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.25 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.26 buitenopslag / open opslag het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke. 1.27 carport een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden. 1.28 dak 56 bestemmingsplan Bloemenbuurt Steenwijk (vastgesteld) een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk. 1.29 detailhandel het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de ui tstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.30 dienstverlening bedrijf of instelling voor het bedrijfsmatig verrichten van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder in ieder geval zijn begrepen een kapperszaak, schoonheidsinstituut, fotostudio, uitzendbureau, stomerij, wasserette, apotheek, reisbureau en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf, een horecabedrijf, een centrum voor fysiotherapie, een fitnesscentrum, een seksinrichting en een coffeeshop. 1.31 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.32 erfafscheiding afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst. 1.33 erker een ondergeschikte uitbreiding van het hoofdgebouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voor- of zijgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.
1.34 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.35 gevellijn de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart. 1.36 grondgebonden woning een gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen. 1.37 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwe zig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.38 kampeermiddel a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is. Eén en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Adviesbureau Haver Droeze BNT 57 1.39 kantoor een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard. 1.40 maaiveld bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. 1.41 maatvoeringsvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten. 1.42 mantelzorg zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie. 1.43 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.44 onderbouw / kelder een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.