CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de regels_Bijlage 1 Bestemmingsplan Oldemarkt - Oosterbroek 2013.pdf

Politieke Markt 14 april 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Herziening Beheersverordening Buitengebied - Oosterbroek27.727 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Lindenholz (2010). Actualisatie natuurtoets woningbouw Oldemarkt. Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet- en regelgeving. Rapport 10-311. EcoGroen Advies, Zwolle. ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT Inhoud Samenvatting en conclusies 1 Inleiding ..................................................................................................................... .......................... 1 1.1 Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................ 1 1.2 Situatie en beoogde ontwikkelingen ............................................................................................ 1 1.3 Algemene opzet ........................................................................................................................... 2 2 Gebiedsgericht natuurbeleid ................................................................................................... .............. 3 2.1 Inleiding ..................................................................................................................... .................. 3 2.2 Natuurbeschermingswet 1998 .....................................................................................................

3 2.3 Nota Ruimte ................................................................................................................................. 3 3 Flora en fauna van het plangebied ............................................................................................. ........... 5 3.1 Methode ....................................................................................................................................... 5 3.2 Flora ......................................................................................................................... ................... 5 3.3 Vleermuizen ................................................................................................................................. 5 3.4 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 7 3.5 Broedvogels ................................................................................................................................. 7 3.6 Amfibieën ............................................................................................................................... ...... 8 3.7 Reptielen ..................................................................................................................... ................

8 3.8 Vissen .......................................................................................................................................... 9 3.9 Ongewervelden ................................................................................................................. .......... 9 4 Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 10 Bijlagen I - Wettelijk kader II – Inventarisatiekaart Kleine modderkruiper ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT Samenvatting en conclusies Aanleiding en doelstelling In opdracht van gemeente Steenwijkerland (contactpersoon dhr. J. Huizing) heeft EcoGroen Advies BV een actualisatie van een natuurtoets uitgevoerd in verband met de voorgenomen realisatie van een woonwijk ten noorden van Oldemarkt. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep op de aanwezige natuurwaarden zijn getoetst aan de Flora- en faunawet en het vigerend gebiedsgericht natuurbeleid. Het onderzoek is gebaseerd op één locatiebezoek in 2010, meerdere veldbezoeken in 2005 en 2007 en een inventarisatie van bekende verspreidingsgegevens. Gebiedsgericht natuurbeleid Het plangebied maakt geen deel uit van een gebied dat is beschermd krachtens de Natuurbeschermingswet, Ecologische Hoofdstructuur of ander gebiedsgericht beleid.

Gezien de afstand van het plangebied tot deze beschermde gebieden, het besloten karakter van het plangebied en de aard van de beoogde ingreep zijn negatieve, uitstralende effecten ook niet aan de orde. Aangetroffen en te verwachten soorten • In/in de nabijheid van het plangebied zijn twee laag beschermde plantensoorten aangetroffen: Grote kaardenbol en Zwanenbloem; • Er zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in het plangebied. Net buiten het plangebied vormen de bomen langs de Telwal mogelijk wel een belangrijke vliegroute voor vleermuizen als Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger. Daarnaast worden de tuinen van de bestaande bebouwing aan de noordzijde van Oldemarkt door Meervleermuis als vliegroute gebruikt; • Verspreid in het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van enkele laag beschermde zoogdiersoorten te verwachten. Verblijfplaatsen van juridisch zwaarder beschermde zoogdieren zijn niet aangetroffen/ te verwachten; • Tijdens de veldbezoeken zijn in het plangebied geen weidevogels aangetroffen. Soorten als Kievit en Scholekster zij echter wel broedend te verwachten. Ook watervogels als Wilde eend, Waterhoen en Meerkoet zijn broedend te verwachten.

Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van broedlocaties van broedvogels met jaarrond beschermde nesten; • Voortplanting en overwintering van de laag beschermde amfibieënsoorten Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker en Bastaardkikker is aangetoond/wordt verwacht; • In en net buiten het plangebied komt de middelhoog beschermde Kleine modderkruiper voor in watergangen; • Tijdens het onderzoek in 2010 is een exemplaar van de strikt beschermde Ringslang waargenomen in het plangebied. Vanwege het ontbreken van geschikte voortplantingsplekken wordt het plangebied naar verwachting niet als voortplantingsgebied door Ringslangen gebruikt. In het geval een zwervend exemplaar van Ringslang de locatie zou aandoen kan deze vluchten wanneer de werkzaamheden worden opgestart. Schade zal hierbij niet optreden. Andere reptielen soorten zijn niet te verwachten; • Gezien de terreingesteldheid van het plangebied en bekende verspreidingsgegevens kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde ongewervelden aanwezig en te verwachten zijn. Geschikte biotopen voor deze soorten ontbreken.

Vervolgstappen en mitigerende maatregelen • Voor de aanwezige Kleine modderkruiper is het noodzakelijk een ecologisch werkprotocol op te stellen of te werken volgens de gedragscode van de Unie van Waterschappen (zie ook §3.8); • Om schade aan vliegroutes van met name Meervleermuizen te voorkomen is het van belang om een aantal algemene richtlijnen in acht te nemen. Overmatige verlichting van onder andere waterwegen en bruggen kan namelijk zorgen voor een barrière voor de vliegroute van Meervleermuizen; • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor begin maart en na eind juli of het plangebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum; • Bij de beoogde plannen zouden mogelijk exemplaren en verblijfplaatsen van enkele algemene en laag beschermde flora, kleine zoogdieren en amfibieën verloren kunnen gaan.

Het overtreden van verbodsartikelen uit de Flora- en faunawet is hier voor laag beschermde soorten echter niet aan de orde, omdat automatisch vrijstelling geldt van de verbodsartikelen; • Voor de in het plangebied voorkomende laag beschermde flora, zoogdieren en amfibieën wordt als belangrijkste mitigerende maatregel fasering in tijd genoemd. Schade is – indien de planning van activiteiten dit toelaat - te minimaliseren door het bouwrijp maken van het plangebied zoveel mogelijk uit te voeren in de periode augustus - februari, waarbij de maanden september en oktober de voorkeur hebben. ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 1 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling In opdracht van de gemeente Steenwijkerland (contactpersoon dhr. J. Huizing) heeft EcoGroen Advies BV een quickscan natuurtoets uitgevoerd in verband met de voorgenomen woningbouw ten noorden van Oldemarkt. Deze natuurtoets betreft een actualisatie van een in 2005 en 2007 door EcoGroen Advies uitgevoerd onderzoek (Veeman & Van der Sluis 2005 en Van der Sluis & Veeman 2007). De Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 verplichten vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen of activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats.

In het voorliggende onderzoek worden, ten behoeve van de onderbouwing van de ruimtelijke planvorming, de consequenties in beeld gebracht van de mogelijk te nemen ruimtelijke ingrepen en vindt toetsing plaats aan de Flora- en faunawet en vigerend gebiedsgericht natuurbeleid. 1.2 Situatie en beoogde ontwikkelingen Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van de kern Oldemarkt (zie figuur 1). Het plangebied heeft een open karakter en bestaat voornamelijk uit graslanden en slootjes. Aan de westzijde bevindt zich het terrein van een voormalig agrarisch bedrijf, dat inmiddels geheel gesloopt is. Ook de erfbeplanting rond dat terrein (in 2007 nog aanwezig) is inmiddels verwijderd. Langs de westzijde van het plangebied staat langs Telwal een rij oude Essen. In het plangebied is een woongebied gepland. Naast woningbouw worden groenstructuren aangelegd en watergangen gerealiseerd. Figuur 1: Topografische kaart met de locatie van het plangebied (Bron kaartondergrond: Topografische Dienst Emmen). ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 2 1.3 Algemene opzet Voorliggende ecologische beoordeling is gebaseerd op één locatiebezoek in 2010, meerdere veldbezoeken in 2005 en 2007 en bekende verspreidingsgegevens (zie Hoofdstuk 4 Geraadpleegde bronnen).

Om inzicht te krijgen in de aanwezige natuurwaarden en beperkingen met betrekking tot de beoogde ruimtelijke ingreep in het plangebied, zijn twee sporen gevolgd: • Ten eerste is in kaart gebracht welk gebiedsgericht beleid uitwerking heeft in het gebied (hoofdstuk 2); • Ten tweede is nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten in het gebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofdstuk 3). Uit de verzamelde informatie volgt een korte beschrijving van de verwachte effecten van de ruimtelijke ingreep op beschermde soorten en welke mitigerende (verzachtende of inpassings-) maatregelen eventueel nodig zijn om overtreding van de Flora- en faunawet te kunnen voorkomen. ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 3 2 Gebiedsgericht natuurbeleid 2.1 Inleiding In het kader van dit onderzoek wordt, naast de aanwezigheid van beschermde soorten, aandacht besteed aan gebieden met een beschermingsstatus. De volgende wet- en regelgeving is daarbij van belang: • Natuurbeschermingswet, waarin opgenomen de Vogel- en Habitatrichtlijn; • Nota Ruimte, in streekplannen uitgewerkt voor bescherming van o.a. de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De beschermingsregimes hebben tot doel de natuurwaarden in de betreffende gebieden veilig te stellen.

In sommige situaties dienen ook ruimtelijke activiteiten buiten de begrenzing van deze gebieden getoetst te worden op mogelijke schadelijke uitstralende effecten. In de onderstaande paragrafen wordt kort ingegaan op de eventuele effecten die de geplande werkzaamheden kunnen hebben op nabijgelegen gebieden met een beschermingsstatus. 2.2 Natuurbeschermingswet 1998 In de Natuurbeschermingswet 1998 is de bescherming geregeld van Habitat- en Vogelrichtlijngebieden - tezamen Natura 2000-gebieden genoemd - en Beschermde Natuurmonumenten (Ministerie van LNV). Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebied ‘Weerribben’ ligt op een afstand van ruim 2 kilometer van het plangebied. Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingdoelen opgesteld voor diverse habitattypen en dier- en vogelsoorten (Ministerie van LNV). Gezien de afstand van het plangebied tot het genoemde Natura 2000-gebied, de tussenliggende barrières en de aard van de beoogde ingreep, kan gesteld worden dat als gevolg van de plannen geen effecten op de instandhoudingdoelen van Natura 2000-gebied ‘Weerribben’ te verwachten zijn. Beschermde Natuurmonumenten Beschermd Natuurmonument ‘De Antjeskolk’ ligt op ruim 9 kilometer afstand van het plangebied. Door de afstand en de aard van de ingreep worden geen effecten verwacht op wezenlijke kenmerken en waarden van dit Beschermd Natuurmonument.

2.3 Nota Ruimte De Nota Ruimte is één van de structuurschema’s waarin de visie van het Rijk over natuur en landelijk gebied is vastgelegd. De nota richt zich op het behoud, herstel en ontwikkeling van wezenlijke natuurlijke kenmerken en waarden. Vanuit deze doelstelling is de Ecologische Hoofdstructuur in het leven geroepen en zijn ganzen- en weidevogelgebied aangewezen. Het Rijk verwacht dat provincies en gemeenten de Nota Ruimte laten doorwerken in hun ruimtelijke plannen, zoals het streekplan en het bestemmingsplan. Ecologische Hoofdstructuur Volgens de begrenzing van de EHS, zoals weergegeven in de Omgevingsvisie van de Provincie Overijssel (2009), ligt het plangebied op ruim 2 kilometer van de Ecologische Hoofdstructuur. De EHS bestaat hier uit moerasgebied ‘De Weerribben’. ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 4 Vanwege de afstand van het plangebied tot het EHS-gebied en de aard van de beoogde ingreep kan aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van EHS- gebieden worden uitgesloten. Natuur buiten de EHS Volgens de kaarten in de Omgevingsvisie van de Provincie Overijssel zijn er in en in de directe omgeving van het plangebied geen specifieke natuurwaarden buiten de EHS (bijvoorbeeld weidevogelbeheergebied en ganzengebied) aanwezig.

ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 5 3 Flora en fauna van het plangebied 3.1 Methode Het onderzoek is gebaseerd op een dagbezoek van 29 juli 2010. Het betreft een aanvullend onderzoek op de uitgevoerde veldinventarisaties van 22 februari, 19 april en 19 mei 2005 en 25 april 2007 (Van der Sluis & Veeman 2007). Tijdens het veldonderzoek is aandacht besteed aan onder andere beschermde soorten binnen de Flora- en faunawet (FFW) en vooral aan de juridisch zwaarder beschermde soorten (tabel 2 en 3). Voor zover mogelijk zijn de volgende soortgroepen geïnventariseerd: hogere planten, zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden. Daarnaast is op basis van de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens (zie Hoofdstuk 4 Geraadpleegde Bronnen) en ‘expert judgement’, een uitspraak gedaan over de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In dit hoofdstuk worden de onderzochte soortengroepen beschreven die in het plangebied en de directe omgeving zijn aangetroffen en te verwachten. De relevante soorten worden in de onderstaande tekst kort toegelicht. Een toelichting op de beschermingsstatus is gegeven in bijlage I. 3.2 Flora Het plangebied bestaat intensief grasland met waterhoudende sloten. Op de locatie van de voormalige boerderij is nu een braakliggend terrein aanwezig.

In het grasland zijn soorten aanwezig als Ridderzuring, Grote weegbree, Engels raaigras, Straatgras, Kruipende boterbloem en Vogelmuur. Langs en in sloten groeien soorten als Grote egelskop, Zwanenbloem, Waterzuring, Kalmoes en Riet. Op het braakliggende terrein zijn veel ruigtesoorten aanwezig waaronder Akkerdistel, speerdistel, Wilgenroosje, Grote kattenstaart, Grote kaardenbol. Boerenwormkruid, Moerasandoorn, Heermoes en Melganzevoet. Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied twee laag beschermde plantensoorten aangetroffen: Zwanenbloem en Grote kaardenbol. Juridisch zwaarder beschermde soorten en soorten van de Rode Lijst zijn niet aangetroffen en gezien de terreingesteldheid en soortensamenstelling ook niet te verwachten in het plangebied. Voor laag beschermde plantensoorten geldt automatisch een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Flora- en faunawet, zodat het nemen van vervolgstappen hier voor flora niet aan de orde is. 3.3 Vleermuizen Alle vleermuizen zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en tabel 3 van de Flora- en faunawet en daardoor strikt beschermd. Potentiële verblijfplaatsen Verblijfplaatsen bevinden zich in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera. Gedurende het veldonderzoek is specifiek gelet op dergelijke ruimten.

Tijdens de veldbezoeken zijn de bomen in het plangebied en net buiten het plangebied (langs de Telwal) geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte holten en spleten die als potentiële vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen fungeren. Deze zijn niet aangetroffen. Bebouwing ontbreekt binnen het onderzoeksgebied, zodat de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen ook kan worden uitgesloten. ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 6 Potentiële vliegroutes Van veel vleermuissoorten is bekend dat zij gedurende lange tijd gebruik kunnen maken van dezelfde structuren voor de oriëntatie en daarlangs van hun verblijfplaats naar de foerageergebieden trekken. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en singels) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Net buiten het plangebied vormen de bomen langs de Telwal mogelijk een belangrijke vliegroute voor vleermuizen als Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger. Daarnaast worden de tuinen van de bestaande bebouwing aan de noordzijde van Oldemarkt als vliegroute door Meervleermuis gebruikt (zie kader 1).

Kader 1: Meervleermuizen Oldemarkt (Zoon 2008 en Tuitert & Haarsma 2005) In Oldemarkt zijn enkele vaste verblijfplaatsen van kolonies Meervleermuizen bekend die ver verwijderd liggen van grote wateren. Drie bekende kolonieplaatsen liggen in dezelfde wijk, in het zuidoosten van Oldemarkt. Deze wijk ligt juist het verst verwijderd van het water, dat zich in het noorden van Oldemarkt bevindt. Een groot deel van de kolonies heeft de Weerribben als jachtgebied. Om deze te bereiken moeten de vleermuizen ruim 2,5 kilometer afleggen boven land en deels boven kleine slootjes. Vanuit de kolonie vliegen de dieren over de huizenrijen richting het zuidwesten. Als ze het dorp verlaten worden met name houtwallen en kleine slootjes gebruikt als vliegroute in de richting van de Weerribben. Op een aantal plaatsen tussen Oldemarkt en de Weerribben werden langs houtwallen en eikenbosjes foeragerende en trekkende Meervleermuizen aangetroffen. Een ander deel van de kolonie vliegt langs de rand van het dorp over de tuintjes richting het noordwesten. Via de jachthaven en het Mallegat vliegen de dieren naar Het Wijde. Op dit meertje werden tientallen foeragerende Meervleermuizen aangetroffen. Vanaf Het Wijde kunnen ze via de Linde in westelijke richting naar de Rottige Meenthe en in oostelijke richting naar de Lindevallei vliegen.

De beoogde realisatie van de (waterrijke) woonwijk zal naar verwachting geen schade toebrengen aan vliegroutes van Meervleermuizen. Zo wordt onder andere tussen de bestaande en de nieuwe woonwijk een watergang gerealiseerd. Wanneer deze en andere watergangen niet verlicht worden, zullen deze geschikt zijn als vliegroute voor onder andere Meervleermuizen. Om schade aan vliegroutes van Meervleermuizen te voorkomen is het van belang om een aantal algemene richtlijnen in acht te nemen (zie kader 2). Overmatige verlichting van onder andere waterwegen en bruggen kan namelijk zorgen voor een barrière voor de vliegroute van Meervleermuizen (Haarsma et al. 2006). Daarnaast is het van belang op locaties waar wegen watergangen kruisen aandacht te besteden aan vliegroutes van vleermuizen. In de brochure ‘Met vleermuizen overweg’ van het ministerie van Verkeer & Waterstaat en Rijkswaterstaat, is hierover meer informatie te vinden. Kader 2: Richtlijnen ter voorkoming van schade aan vliegroutes van Meervleermuizen • Geen lantaarns op de oevers, maar aan huizenzijde (of eenzijdig afgeschermd); • Plant bomen op oevers om eventueel lantaarnlicht te filtreren; • Voorkom onnodige verlichting onder een brug. Potentieel foerageergebied Vleermuizen foerageren op locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen en bomenrijen of boven water.

Door de aanwezigheid van bomen(rijen) en oppervlaktewater wordt het plangebied mogelijk als foerageergebied gebruikt door enkele vleermuissoorten. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Flora- en faunawetgeving echter geen juridische bescherming, tenzij het ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 7 onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie. Het plangebied vormt in de huidige situatie geen aantrekkelijk foerageergebied voor vleermuizen. De realisatie van bebouwing, beplanting en waterpartijen heeft naar verwachting zelfs een positief effect op de foerageermogelijkheden van deze soortgroep. 3.4 Grondgebonden zoogdieren In het plangebied is de aanwezigheid van de laag beschermde soorten Haas, Woelrat, Huisspitsmuis, Dwergspitsmuis, Gewone bosspitsmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Rosse woelmuis, Mol, Bosmuis en Veldmuis aangetoond of te verwachten. Het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van geschikt biotoop voor de strikt beschermde Waterspitsmuis (FFW tabel 3). Vanwege het ontbreken van geschikt biotoop is Waterspitsmuis echter niet in het plangebied te verwachten (zie kader 3). Daarnaast zijn vanwege het ontbreken van geschikte schuilmogelijkheden geen verblijfplaatsen van de middelhoog beschermde Steenmarter (FFW tabel 2) in het plangebied te verwachten.

Andere dan genoemde zwaarder beschermde soorten zijn niet aangetroffen en worden wegens het ontbreken van geschikt biotoop ook niet verwacht in het plangebied. Kader 3: Waterspitsmuis Aanwezigheid van Waterspitsmuis beperkt zich tot rijk begroeide ruigtes, vrijwel altijd in de nabijheid van oppervlaktewater. Schoon en helder water is belangrijk vanwege de betere voedselkwaliteit. Vaak heeft zich een vegetatie ontwikkeld die kenmerkend is voor het afwezig blijven van beheer (onder andere met soorten als Pluimzegge, Moerasspirea en overblijvend Riet). Aangezien dergelijke begroeiingen ontbreken kan de aanwezigheid van Waterspitsmuis worden uitgesloten. Bij de planrealisatie zullen exemplaren en verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde (FFW tabel 1) zoogdieren verloren kunnen gaan. Voor laag beschermde kleine zoogdieren geldt overigens automatisch vrijstelling van artikel 75 van de Flora- en faunawet, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze laag beschermde zoogdieren niet aan de orde is. Schade aan de algemene en laag beschermde zoogdieren kan – indien de planning van de werkzaamheden dit toelaat - geminimaliseerd worden door het plangebied bouwrijp te maken buiten de voortplantingsperiode (maart tot augustus). De minst schadelijke periode is september tot december (mits vorstvrij). 3.5 Broedvogels Er is geen volledige broedvogelinventarisatie uitgevoerd.

Op basis van het uitgevoerde veldbezoek in combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement is wel een goede uitspraak te doen over de te verwachten soorten. Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen In augustus 2009 is door het Ministerie van LNV de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ uitgebracht, waarin voor een aantal kwetsbare vogelsoorten is aangegeven welke nestplaatsen en hun functionele omgeving jaarrond beschermd zijn. Het betreft in functie zijnde nesten van de Ooievaar, Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Roek, Wespendief, Zwarte wouw, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Kerkuil, Oehoe, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart en Huismus. Voor overige soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 8 omstandigheden dat rechtvaardigen. In het plangebied was in 2007 een kolonie Roeken aanwezig in de erfbeplanting rond de voormalige boerderij. Omdat de erfbeplanting inmiddels (2010) verwijderd is, broeden er geen Roeken meer in het plangebied. Van de aanwezigheid van overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten zijn ook geen aanwijzingen aangetroffen. Overige soorten In 2007 en 2009 zijn in het onderzoeksgebied geen weidevogels aangetroffen, wel in de directe omgeving ervan.

Soorten als Kievit en Scholekster kunnen echter niet broedend worden uitgesloten in het plangebied. Daarnaast zijn watervogels als Wilde eend, Waterhoen en Meerkoet broedend te verwachten. Het is veelal niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor verbodsbepalingen die gelden voor broedvogels. Er mogen daarom geen activiteiten worden ondernomen op locaties waar nesten of andere vaste rust- of verblijfplaatsen van de vogels aanwezig zijn. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen dienen buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels te worden gestart. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. De broedperiode verschilt per soort en soms ook per jaar. In het kader van de Flora- en faunawet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Wanneer in de periode tussen half juli en eind september gestart wordt met de werkzaamheden is het van belang om na te gaan of bewoonde nesten van Meerkoet, Waterhoen en Wilde eend aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de plannen. Meerkoet, Waterhoen en Wilde eend kunnen namelijk broeden tot in september.

3.6 Amfibieën Gedurende onderzoek in 2005, 2007 en 2010 zijn de laag beschermde Meerkikker, Bastaardkikker, Gewone pad, Kleine watersalamander en Bruine kikker (FFW tabel 1) aangetroffen. Voortplanting van deze soorten plaats in de watergangen in het plangebied. De sliblaag van de watergangen fungeert mogelijk als overwinteringsgebied voor Bastaardkikker, Meerkikker en/ of Bruine kikker en de ruige oevers als overwinteringsgebied voor Gewone pad, Bruine kikker en/ of Kleine watersalamander. Strikt beschermde amfibieën zijn gezien bekende verspreidingsgegevens en de terreinkenmerken niet voortplantend en overwinterend te verwachten in het plangebied (RAVON, telmee.nl en waarneming.nl). Door de beoogde werkzaamheden vindt aantasting plaats van zowel voortplantingsgebied als overwinteringhabitat van Gewone pad, Bastaardkikker, Meerkikker, Bruine kikker en/ of Kleine watersalamander. Voor laag beschermde soorten van FFW tabel 1 geldt in deze situatie echter automatisch een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Flora- en faunawet. Het nemen van vervolgstappen is dan ook niet nodig. Wel is het wenselijk om rekening te houden met deze kwetsbare soortgroep.

Effecten op overwinterende en voortplantende amfibieën kunnen – mits de planning van de werkzaamheden dit toelaat - geminimaliseerd worden door de werkzaamheden uit te voeren buiten de overwinterings- en voortplantingsperiode van amfibieën. De maanden september en oktober zijn in de regel het meest geschikt (minst schadelijk) voor het uitvoeren van werkzaamheden op zowel het land als in/ nabij water. 3.7 Reptielen Tijdens het veldbezoek op 29 juli 2010 is één Ringslang (FFW tabel 3 en RL3) waargenomen. Tijdens de veldbezoeken in 2005 en 2007 zijn geen Ringslangen waargenomen. Naar verwachting wordt het plangebied niet als voortplantingsgebied door Ringslangen gebruikt vanwege het ontbreken van geschikte voortplantingsplekken (broeihopen en dergelijke). Van Ringslang is bekend dat het een mobiele soort is die grote afstanden kan afleggen buiten het voortplantingsseizoen ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 9 waardoor zwervende exemplaren op onverwachte plaatsen gezien kunnen worden. In het geval een zwervend exemplaar van Ringslang de locatie zou aandoen kan deze vluchten wanneer de werkzaamheden worden opgestart. Schade zal hierbij niet optreden. Overige reptielensoorten zijn op basis van de terreingesteld van het plangebied en bekende verspreidingsgegevens niet te verwachten (RAVON).

3.8 Vissen In totaal zijn tijdens de veldbezoeken in 2005, 2007 en 2010 zeven vissoorten aangetroffen in of net buiten het plangebied: Tiendoornige stekelbaars, Ruisvoorn, Blankvoorn, Zeelt, Baars, Snoek en Kleine modderkruiper. De laatstgenoemde soort is middelhoog beschermd (FFW tabel 2). Kleine modderkuiper Kleine modderkruiper is verspreid in relatief kleine aantallen aangetroffen in diverse watergangen in en net buiten het plangebied (zie kaartbijlage II). Het betrof hier zowel juveniele als adulte exemplaren. Naar verwachting plant de soort zich voor in de ondiepe oeverzones van de waterpartijen. Effectbeoordeling Door het dempen en vergraven van watergangen treedt mogelijk schade op aan Kleine modderkruiper. De gunstige staat van instandhouding komt echter niet in gevaar, aangezien Kleine modderkruiper algemeen voorkomt in de regio (Crombaghs et al. 2002) en de plannen een waterrijke woonwijk beogen, waarbij ook geschikt leefgebied voor Kleine modderkruiper gecreëerd wordt. Daarnaast worden schadebeperkende maatregelen worden getroffen. Vervolgtraject Indien beoordeeld wordt dat de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van een beschermde soort niet in gevaar komt, is het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk.

Wel is het dan noodzakelijk een ecologisch werkprotocol1 op te stellen of te werken volgens de gedragscode van de Unie van waterschappen. In elk geval dienen mitigerende maatregelen worden genomen, zoals: • Uitvoering in de minst kwetsbare periode tussen 1 september en 1 april (buiten de voortplantingsperiode), mits vorstvrij; • Dieren worden weggevangen voorafgaande aan het dempen van de sloot en teruggeplaatst in geschikte biotopen in de omgeving; • Het vangen van beschermde dieren en het elders terugplaatsen gebeurt onder begeleiding van en op aanwijzing van een ecologisch deskundig persoon met kennis van Kleine modderkuiper. 3.9 Ongewervelden Uit het veldonderzoek, de terreingesteldheid van de plangebied en bekende verspreidingsgegevens kan geconcludeerd worden er geen beschermde of bedreigde ongewervelden aanwezig of te verwachten zijn in het plangebied. 1 In een ecologisch werkprotocol wordt beschreven welke mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van de aanwezige tabel 2/3 soorten te bewaren en de aanvraag van ontheffing te voorkomen. ACTUALISATIE NATUURTOETS WONINGBOUW OLDEMARKT 10 4 Geraadpleegde bronnen Bos F.M., D. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay & I. Wynhoff, De Vlinderstichting (2006).

De Dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Lieden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland. Broekhuizen S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen (1992). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV. Crombaghs, B.H.J.M., Berg, N van den &A.B. Goutbeek (2002). Vissen in Overijssel. Verspreidingsatlas van zoetwatervissen in stromende en stilstaande wateren in Overijssel. Dienst Regelingen (2009a). Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Dienst Regelingen (2009b). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Haarsma, A.J. (2006). Nederland ‘Meer’vleermuisland! Omgaan met vleermuizen in het landschap. Brochure VZZ, Arnhem. Hustings, F.J. & J.W. Vergeer (red.), 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels (1998-2000). KNNV-Uitgeverij. Lange E., P. Twisk, A. van Winden en A. Diepenbeek (1994). Zoogdieren van West-Europa. Uitgegeven door de KNNV. Limpens H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van LNV (2004).

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden. (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000) Nöllert A. & C. Nöllert (2001). Amfibieëngids van Europa. Tirion Uitgevers BV, Baarn. Omgevingsvisie Provincie Overijssel (www.provincie.overijssel.nl). RAVON, Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland. Sluis M. van der & I. Veeman (2007). Actualisatie en aanvulling natuurtoets Oosterbroek- Oldemarkt; Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet- en regelgeving. Rapport 07-017 EcoGroen Advies, Zwolle. Tuitert A.H. & A.J. Haarsma (2005). Meervleermuizen in de Kop van Overijssel. Een onderzoek naar de verspreiding en de ecologie van de meervleermuis in De Wieden en de Weerribben. Uitgave Natuur en Milieu Overijssel, 2005 i.o.v. Provincie Overijssel. Veeman I. & M. van der Sluis (2005). Ecologisch onderzoek woningbouw Martens Molen Oldemarkt; Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van artikel 75 van de Flora- en faunawet. Rapport Stw(01)-280205 EcoGroen Advies, Zwolle. Zoon C. (2008). Hoe kan de Meervleermuis in Noordwest Overijssel beschermd worden? Versie 2, september 2008. Zoon, buro voor ecologie.

BIJLAGEN BIJLAGE I: WETTELIJK KADER Flora- en faunawet Inleiding Sinds 1 april 2002 is de Flora- en faunawet van kracht. Onder de Flora- en faunawet zijn ongeveer 500 soorten in Nederland aangewezen als beschermde dier- of plantensoort. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is `nee, tenzij`. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. De Flora- en faunawet kent een groot aantal verbodsbepalingen die samenhangen met ruimtelijke ingrepen, plannen en projecten. Zo is het verboden beschermde inheemse planten te plukken of te beschadigen en geldt voor beschermde dieren een verbod op het doden, verwonden en opzettelijk verontrusten. Ook is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde inheemse dieren te beschadigen of te verstoren of eieren te rapen of te vernielen. De verbodsbepalingen betreffende planten op hun groeiplaats zijn opgenomen in artikel 8. De verbodsbepalingen betreffende dieren in hun natuurlijke leefomgeving zijn vermeld in artikel 9 tot en met 12. Van het verbod op schadelijke handelingen (`nee`) kan onder voorwaarden (`tenzij`) worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling.

Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) of, in geval van beheer en schadebestrijding, van gedeputeerde staten van de provincies. Beschermde dier- en plantensoorten Beschermde inheemse planten- en diersoorten zijn bij algemene maatregel van bestuur aangewezen. Het zijn soorten die van nature in Nederland voorkomen en die in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Ook zijn soorten aangewezen die niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd, maar wel bescherming genieten ter voorkoming van overmatige benutting. De volgende diersoorten zijn beschermd volgens de Flora- en faunawet: 1) Alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren, met uitzondering van gedomesticeerde dieren en met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis; 2) Alle van nature op het Europese grondgebied van de Lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels; 3) Alle van nature in Nederland voorkomende soorten amfibieën en reptielen; 4) Alle van nature in Nederland voorkomende soorten vissen, met uitzondering van de soorten waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is; 5) Een aantal ongewervelden (o.a.

insecten, libellen en kevers) die in hun voortbestaan bedreigd zijn of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Er zijn drie beschermingsregimes van kracht, mede afhankelijk van de zeldzaamheid van de soort en de status in Europese richtlijnen. Van licht naar zwaar beschermd zijn de soorten opgenomen op Tabel 1, 2 of 3. Voor vogels gelden specifieke eisen, met name tijdens het broedseizoen. Bij ruimtelijke ingrepen geldt automatisch vrijstelling voor soorten van Tabel 1 waardoor de meeste aandacht gevraagd is voor soorten van Tabel 2/3 en voor vogels. Wijze van toetsing Door uitspraken van de Raad van State in het voorjaar van 2009 is de beoordeling aangepast bij ontheffingsaanvragen voor ruimtelijke ingrepen. Sinds 26 augustus van dat jaar werken we daardoor volgens een nieuw stroomschema (zie volgende pagina). Gaat u een ruimtelijke ingreep uitvoeren en zijn beschermde soorten aanwezig, dan zijn er vaak twee opties: 1) Voorkom overtreding van de Flora- en faunawet. Het gaat dan om het behoud van de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van de soort. Het betreft de functies van het leefgebied die ervoor zorgen dat de soort succesvol kan rusten of voortplanten, bijvoorbeeld nesten, migratieroutes en foerageergebied.

Als u deze veilig stelt door vooraf mitigerende maatregelen te treffen, heeft u mogelijk geen ontheffing meer nodig. Om zeker te zijn dat uw maatregelen voldoende zijn, kunt u ze vóóraf laten beoordelen door Dienst Regelingen. Als deze voldoende zijn krijgt u een beschikking met daarin de goedkeuring van uw maatregelen. De goedkeuring krijgt u in de vorm van een afwijzing van uw ontheffingsaanvraag. U heeft namelijk geen ontheffing nodig doordat u met uw maatregelen overtreding van de Flora- en faunawet voorkomt. 2 ) Kan de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van de soort niet worden gegarandeerd door mitigerende maatregelen? Dan dient u een reguliere ontheffingsaanvraag in waarbij de onderstaande vragen gesteld worden: • In welke mate wordt de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats aangetast? • Is er een bij wet genoemd belang? (behalve bij Tabel 2-soorten) • Is er een andere bevredigende oplossing? (behalve bij Tabel 2-soorten) • Komt de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar? Beoordeling Dienst Regelingen Dienst Regelingen beoordeelt of het bij wet genoemd belang zwaarder weegt dan het overtreden van de verbodsbepaling(en). Voor Tabel 2-soorten gelden minder zware eisen en kan een door het ministerie goedgekeurde gedragscode ook uitkomst bieden.

De gedragscode moet wel van toepassing zijn op uw activiteit en u moet kunnen aantonen dat u precies zo werkt als in de gedragscode staat. Voor Bijlage 1-soorten uit Tabel 3 krijgt u alleen ontheffing wanneer sprake is van een bij wet genoemd belang. Bij een ruimtelijke ingreep betreft het meestal één van de onderstaande vier belangen: • Bescherming van flora en fauna (b) • Volksgezondheid of openbare veiligheid (d) • Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (e) • Uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling (j) Voor vogels en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een bij wet genoemd belang uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In de praktijk zijn de mogelijkheden voor het verkrijgen van een ontheffing voor die soorten dan ook zeer beperkt, met name voor vogels2. Toetsingsschema Flora- en faunawet (Dienst Regelingen 2009a).

2 In de Vogelrichtlijn worden alleen de belangen b en d én de veiligheid van het luchtverkeer (belang c) genoemd; Rode lijsten Los van de Flora- en faunawet heeft de Minister van LNV ter uitvoering van de bepalingen in artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Bern een aantal Rode Lijsten voor bedreigde en kwetsbare soorten dieren en planten gepubliceerd3. Voor soorten van de Rode Lijsten heeft de overheid zich verplicht onderzoek en werkzaamheden te bevorderen die nodig zijn voor bescherming en beheer. Het voorkomen van een soort op de Rode Lijst heeft geen wettelijke beschermingsstatus tot gevolg. Opname op de Rode Lijst zegt alleen iets over de zeldzaamheid en populatieontwikkelingen van de betreffende soorten. Natuurbeschermingswet 1998 Op 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op Natura 2000 gebieden in Nederland en verankert een deel van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de nationale wetgeving. Natura 2000 bestaat uit een netwerk van Europese natuurgebieden. Het vormt de basis van het Europese natuurbeleid. Natura 2000 is gericht op de instandhouding en ontwikkeling van soorten en ecosystemen die voor Europa belangrijk zijn. Nederland regelt aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.

Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Daarnaast stelt Nederland voor al haar Natura 2000-gebieden beheerplannen op waarin de te beschermen waarden, de zogeheten instandhoudingsdoelen, nader worden uitgewerkt in ruimte, tijd en omvang. In deze samenvatting zijn alleen de meest relevante onderdelen van de wetgeving vereenvoudigd weergegeven. Aan deze tekst kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Voor meer achtergronden en de oorspronkelijke wetsteksten kunt u terecht op www.minlnv.nl ‘Onderwerpen Natuur’. U kunt daar ook verleende ontheffingen inzien. 3 Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. BIJLAGE II: INVENTARISATIEKAART KLEINE MODDERKUIPER

BIJLAGE 2 Oldemarkt - Frieseweg/Markeweg (Ov.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Steekproefrapport 2008-04/19

Oldemarkt - Frieseweg/Markeweg (Ov.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Een onderzoek in opdracht van Verhoeve Groep Steekproefrapport 2008-04/19 ISSN 1871-269X auteur: drs. R. Exaltus Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door de Steekproef bv, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, Zuidhorn, mei 2008 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Hogeweg 3 9801 TG Zuidhorn telefoon 050 - 5779784 fax 050 - 5779786 internet www.desteekproef.nl e-mail info@desteekproef.nl kvk 02067214 Inhoud 1. Inleiding 1 1.1 Aanleiding en doel 1 1.2 Locatie 1 1.3 Administratieve gegevens 1 2. Bureauonderzoek 3 2.1 Bronnen 3 2.2 Geologie en bodem 3 2.3 Archeologie & Historie 5 2.4 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel 7 2.5 Strategie veldonderzoek 7 3. Resultaten Veldonderzoek 9 3.1 Algemeen 9 3.2 Bodem, reliëf en archeologie 9 4. Conclusies en Advies 15

Samenvatting In opdracht van Verhoeve Groep, is door De Steekproef b.v.een archeologisch onderzoek uitgevoerd op een veertien hectare groot plangebied in de gemeente Steenwijkerland, aan de noordoostrand van Oldemarkt, aan de Frieseweg en de Markeweg. De aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen in het gebied. Tijdens het veldonderzoek is de bodem onderzocht op de gaafheid van het bodemprofiel en de eventuele aanwezigheid van archeologische sporen en voorwerpen. Hieraan voorafgaande heeft een bureauonderzoek plaats gevonden. Het plangebied is tot diep in de twintigste eeuw in gebruik geweest als grasland. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel kunnen binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn die dateren vanaf de Steentijd. De kans op de aanwezigheid hiervan is het grootst op het relatief hoog gelegen zuidelijke del van het plangebied. De in de boringen aangetroffen afzettingen geven aan dat op de noordelijke helft van het plangebied, koopveengronden aanwezig zijn. De oorspronkelijk opbouw van deze veenbodems is tengevolge van ontginningswerkzaamheden, sterk verstoord. Op het zuidelijke deel van het plangebied bestaat de bodem overwegend uit een direct op het geelgrijze zand van de C-horizont gelegen bouwvoor. Nergens binnen het plangebied zijn archeologische indicatoren aangetroffen.

Resten van bodemvorming in de top van het zand, ontbreken eveneens volledig. Om deze reden heeft geen vindplaatsbeoordeling plaatsgevonden aan de hand van de waarderingstabel uit de KNA 3.1 (VS06) en bestaat geen aanleiding tot het adviseren van beschermende en/of beperkende maatregelen of archeologisch vervolgonderzoek.

1 1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Verhoeve Groep, vertegenwoordigd door de heer J. Kruse. De aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen in een plangebied te Oldemarkt. Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen en het bepalen van de kwaliteit van eventuele archeologische sporen in het gebied. Hiertoe is de bodem onderzocht op de gaafheid van het bodemprofiel en de eventuele aanwezigheid van archeologische sporen en voorwerpen. Voorafgaand aan het onderzoek heeft een bureauonderzoek plaats gevonden. Het doel van het bureauonderzoek was het opstellen van een archeologisch verwachtingsmodel (paragraaf 2.4) van het gebied aan de hand van beschikbare fysisch geografische, archeologische en historisch geografische informatie. Tijdens het veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. 1.2 Locatie De onderzochte locatie ligt in de gemeente Steenwijkerland, aan de noordoostrand van Oldemarkt, aan de Frieseweg en de markeweg. Het plangebied bestaat uit grasland (zie Figuren 1 en Appendix). Het onderzoeksterrein heeft een omvang van ongeveer veertien hectare. 1.3 Administratieve gegevens Provincie: Overijssel Gemeente: Steenwijkerland Plaats: Oldemarkt Toponiem: Frieseweg/Markeweg CIScode: 28693 RD-hoekcoördinaten: 194,406/537,494 194,325/538,013 194,555/538,102 194,825/537,590 Oppervlakte: Ca.

14 hectare 2 Figuur 1: Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; overzichtskaart 1 : 50000. De onderzoekslocatie licht binnen de zwarte lijn. [Verschaald: ANWB 2005 . Topografische Atlas : 1: 50000 Nederland. ANWB, Den Haag]. 3 2. Bureauonderzoek 2.1 Bronnen In het bureauonderzoek is de bestaande relevante kennis van de onderzoeks- locatie verzameld. Daartoe zijn onderstaande bronnen geraadpleegd. In de tekst wordt naar deze bronnen verwezen. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 11. Stichting voor Bodemkartering. Wageningen, 1981. Centraal Archeologisch Archief (CAA) en Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten [ARCHIS] Uitgeverij 12 Provinciën, 2006/2007. Atlas van topografische kaarten Nederland 1955- 19651934. 1 : 50 000. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer. Uitgeverij Nieuwland, 2006. Grote Historische Topografische Atlas ±1926-1934. Overijssel 1 : 25 000. Uitgeverij Nieuwland, Tilburg. Versfelt, H.J. & M. Schroor, 2005. De Atlas van Huguenin: Militair-topografische kaarten van Noord-Nederland 1819-1829 . Heveskes Uitgevers, Groningen/Veendam. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990. Grote Historische Atlas van Nederland deel 2: Noord- Nederland 1851-1855, schaal 1:50000. Wolters-Noordhoff, Groningen.

2.2 Geologie en bodem Het plangebied ligt op grondmorenewelvingen die de Formatie van Drenthe vormen. De ondergrond bestaat daardoor uit keileem waar overheen in het Laat - Pleistoceen een laag dekzand is afgezet. Dit dekzand bestaat hier uit leemarm en zwak lemig, fijn zand waarin oorspronkelijk podzolbodems kunnen zijn gevormd. De lage delen van dit dekzandlandschap zijn gedurende het Holoceen overdekt geraakt met hoogveen. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt op een lage stuwwal. De bodems op dit deel van het plangebied bestaan uit beekeerdgronden (classificatie bodemkaart pZg23x met grondwatertrap III: gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 40 cm beneden het maaiveld en gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm beneden het maaiveld). Dergelijke gronden worden gekenmerkt door een zwarte humeuze bovengrond en een roestig profiel. Op natte terreindelen is de bovengrond venig of moerig. Het noordelijke deel van het plangebied ligt op een ontgonnen veenvlakte. De bodems op dit deel van het plangebied bestaan uit koopveengronden met zand beginnend binnen 120 cm (classificatie bodemkaart hVz met grondwatertrap II: gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 40 cm 4 beneden het maaiveld en gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 50 en 80 cm beneden het maaiveld).

Dergelijke gronden worden gekenmerkt door de aanwezigheid van kleiig veen of venige klei die is ontstaan als voedselrijk bosveen bovenop het binnen 120 cm diepte beginnende (dek)zand. Figuur 2: Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; Het plangebied gezien vanaf boorpunt 81. 5 2.3 Archeologie & Historie Volgens de archeologische verwachtingen- en beleidskaart van de het grondgebied van de gemeente Steenwijkerland heeft het noordelijke deel van het plangebied een lage- en het zuidelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bekende archeologische vindplaatsen (zie Appendix). Ten zuidwesten van het plangebied ligt waarneming 12357. Het betreft de vondst van een stenen bijl uit de periode Laat - Neolithicum tot Bronstijd. Ten zuiden van het plangebied ligt waarneming 23978 waarop een verhogde woonplaats uit de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd is aangetroffen CMA/CAA-nrs Datering Omschrijving RD-coördinaten CAAnrs. 12357 Laat Neolithicum Stenen bijl 194,000/537,000 23978 Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd Verhoogde woonplaats 194,660/537,060 In Figuur 3 zijn achtereenvolgens uitsneden afgebeeld van kaarten uit; ±1825 (Huguenin), ±1905 (Grote Historische Atlas Overijssel) en ±1960 (Atlas van topografische kaarten Nederland, 1955-1965). De kaart uit ± 1825 is minder nauwkeurig dan die uit ±1905.

De situatie binnen het plangebied komt op beide kaarten echter grotendeels overeen. Het plangebied bestaat op beide kaarten uit grasland dat wordt doorsneden door overwegend zuidwest - noordoost lopende sloten. Het noordelijke deel van het plangebied wordt doorsneden door een brede watergang. Op de uit ± 1960 daterende kaart is deze brede watergang vervangen door een rechte sloot met dezelfde oriëntatie als de overige sloten binnen het plangebied. Aan het einde van de twintigste eeuw is een boerderij gebouwd langs de westgrens van het plangebied (zie Figuur 1). 6 Figuur 3: Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg. Hierop zijn achtereenvolgens uitsneden afgebeeld van kaarten uit ±1825 (Huguenin), ± 1905 (Grote historische atlas Overijssel) en ±1960 (Atlas van topografische kaarten Nederland, 1955-1965). 7 2.4 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Verwachte perioden (datering) Hoewel in de directe nabijheid van het plangebied geen archeologische vindplaatsen bekend zijn, moet op basis van bekende gegevens omtrent archeologische waarden in de ruime omgeving van het plangebied worden geconcludeerd dat archeologische vondsten aanwezig kunnen zijn die dateren vanaf het Neolithicum. Complextypen Archeologische resten binnen het plangebied kunnen zowel bestaan uit nederzettingen als begravingsresten.

Uiterlijke kenmerken Nederzettingsresten uit alle perioden kunnen binnen het plangebied zowel uit door veen afgedekte, vondstrijke lagen bestaan die niet aan het oppervlak zichtbaar zijn als uit aan het maaiveld liggende vondststrooingen in de top van het zand. Specifieke ligging (locatie) De mogelijke aanwezigheid van archeologische resten is met name gebonden aan opduikingen in het onderliggende pleistocene landschap. Dit maakt de kans op de aanwezigheid van archeologische resten binnen het plangebied, het grootst op het zuidelijke deel hiervan. Mogelijke verstoringen Veenontginning in het verleden, kan tot aanzienlijke bodemverstoring hebben geleid. 2.5 Strategie veldonderzoek Het karterend booronderzoek is uitgevoerd volgens Programma van Eisen (PvE) zoals opgetseld door drs. M. Nieuwenhuis van het Oversticht. Het doel is het opsporen van vindplaatsen en het bepalen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit hiervan. De uitkomsten van het booronderzoek dienen als leidraad voor eventueel vervolgonderzoek. Het booronderzoek is uitgevoerd in een systematisch driehoeksgrid met telkens 35 meter afstand tussen de boringen en 30 meter afstand tussen de boorraaien. Op deze manier word een boordichtheid bereikt van tien boringen per hectare. Voor het booronderzoek is gebruik gemaakt van een edelmanboor met een diameter van 12 cm.

Het hiermee opgeboorde materiaal is gezeefd op een zeef met een maaswijdte van vier millimeter. Op deze manier kunnen eventueel aanwezige archeologische indicatoren worden opgespoord. 8 V an alle bo orlocatie s is de ho ogte bep aald ten opz ichte van NAP. Figuur 4, Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; Boorpuntenkaart. De grijze onderbroken lijn geeft de ligging van het plangebied aan. De genummerde punten geven de uitgevoerde boringen weer. 9 10 3. Resultaten veldonderzoek 3.1 Algemeen Het onderzoek heeft plaatsgevonden tussen 16 en 26 mei 2008. Binnen het plangebied zijn 143 boringen gezet in een verspringend grid met telkens 35 meter afstand tussen de boringen en 30 meter tussen de boorraaien. Alle boringen zijn doorgezet tot een diepte van tenminste 25 centimeter in het schone gele zand van de C-horizont. De ligging van de boorpunten is afgebeeld in Figuur 4 Alle boringen zijn weergegeven in de boorprofielen in de Figuren 6, 7, 8 en 9. Van elke boring is de NAP-hoogte bepaald. 3.2 Bodem, reliëf en archeologie De hoogte van het onderzoeksgebied ligt rond 0 m +NAP. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt hier over het geheel genomen enkele decimeters boven terwijl het noordelijke deel van het plangebied hier juist enkele decimeters onder ligt. De dikte van de bouwvoor bedraagt in veruit de meeste boringen twintig tot veertig centimeter.

Op het zuidelijke deel van het plangebied bestaat de bouwvoor in de meeste gevallen uit humusrijk zand. Met name op de noordelijke helft van het plangebied, bestaat de bouwvoor uit klei dat door de opname hierin van veenresten, moerig is. In de boringen 1 tot en met 16, 19, tot en met 23, 25 tot en met 30, 31, 33, 34, 38 tot en met 41, 43, 44, 45, 50 tot en met 53, 57, 58, 66, 67, 77, 78, 92, 93, 94, 103, 104, 127, 134, en 140 tot en met 142, is onder een uit klei bestaande bouwvoor, sterk veraard veen aangetroffen. De dikte van deze veenlaag loopt uiteen van enkele centimeters in de boringen 57, 58, 93 en 127, tot meer dan een halve meter in de boringen 1 tot en met 16, 23, 27, 30, 31 en 140. Behalve boorpunt 140, liggen al deze boorpunten op het meest noordelijke deel van het plangebied. Over het geheel genomen lijkt de dikte van de veenlaag dan ook in zuidelijke richting af te nemen. De verbreiding van het veendek is weergegeven in Figuur 4. Het sterk veraarde veen heeft in alle gevallen een rommelige opbouw. Het veen lijkt uit sterk samengedrukte brokken te bestaan waartussen zand en brokken klei voorkomen. In alle gevallen is onder het veen geelgrijs zand aangetroffen. De overgang van het zand naar het bovenliggende veen, is vrijwel zonder uitzondering, scherp. Van een natuurlijke bodemopbouw lijkt hier dan ook geen sprake te zijn.

In dat geval zou de top van het zand immers vernattingsverschijnselen vertonen en doorworteld zijn. De natuurlijke bodemopbouw lijkt hier verloren te zijn gegaan door de ontginning van het veengebied. Hierbij is de bodem waarschijnlijk gediepwoeld. Door het diepwoelen is de natuurlijke bodemopbouw verstoord 11 zonder dat de opeenvolging van zand, veen en klei, (volledig) verloren is gegaan. Wel heeft hierdoor opname van zand en klei in het veen plaat sgev onde n en is de top van het zand verstoord. Figuur 5, Het sterk verstoorde veen zoals dat met name op de noordelijke helft van het plangebied is aangetroffen. Linksboven in de boring is de overwegend uit klei bestaande bouwvoor te zien zoals deze met name boven het veen is aangetroffen. Overal binnen het plangebied waar geen veen is aangetroffen, gaat de bouwvoor direct over in het geelgrijze zand van de C-horizont. Nergens vertoont dit zand sporen van bodemvorming. In de boringen 16, 19, 25, 29, 30, 39, 41, 42, 50, 52, 67, 95, 102, 140 en 142, is onder het dekzand, keileem aangetroffen. De diepte waarop de keileem is aangetroffen, varieert van een halve meter onder het maaiveld in boring 39 tot ongeveer een meter onder het maaiveld in de boringen 19, 140 en 142. Behalve stukjes baksteen in de bouwvoor, zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren aangetroffen.

De aangetroffen stukjes baksteen zijn van (sub)recente oorsprong, van uiteenlopend baksel en komen in een dunne spreiding over het gehele plangebied voor. In verband hiermee is hier geen archeologische betekenis aan toegekend. 12 Figuur 6, Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; Boorprofielen. Hierin zijn alle op de noordelijke helft van het plangebied gezette boringen weergegeven. 13 Figuur 7, Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; Boorprofielen. Hierin zijn alle op de noordelijke helft van het plangebied gezette boringen weergegeven. 14 Figuur 8, Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; Boorprofielen. Hierin zijn alle op de noordelijke helft van het plangebied gezette boringen weergegeven. 15 Figuur 9, Oldemarkt, Frieseweg/Markeweg; Boorprofielen. Hierin zijn alle op de zuidelijke helft van het plangebied gezette boringen weergegeven. 16 4. Conclusies en advies Het plangebied ligt aan de noordrand van Oldemarkt en is tot diep in de twintigste eeuw in gebruik geweest als grasland. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel kunnen binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zij die dateren vanaf de Steentijd. De kans op de aanwezigheid hiervan is het grootst op het relatief hoog gelegen zuidelijke del van het plangebied. De in de boringen aangetroffen afzettingen geven aan dat op de noordelijke helft van het plangebied, koopveengronden aanwezig zijn.

De oorspronkelijk opbouw van deze veenbodems is tengevolge van ontginningswerkzaamheden, sterk verstoord. Op het zuidelijke deel van het plangebied bestaat de bodem overwegend uit een direct op het geelgrijze zand van de C-horizont gelegen bouwvoor. Nergens binnen het plangebied zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Resten van bodemvorming in de top van het zand, ontbreken eveneens volledig. Om deze reden heeft geen vindplaatsbeoordeling plaatsgevonden aan de hand van de waarderingstabel uit de KNA 3.1 (VS06) en bestaat binnen het plangebied geen aanleiding tot het adviseren van beschermende en/of beperkende maatregelen of archeologisch vervolgonderzoek Wij wijzen er verder op dat in alle gevallen geldt dat indien archeologische materialen en/of sporen worden aangetroffen, deze conform de Monumentenwet 2007 artikel 53, gemeld dienen te worden bij de gemeente Steenwijkerland.

Appendix: Bekende en verwachte archeologische waarden 195859 / 539068 192897 / 536648 Oldemarkt 27339 12357 23978 Oldemarkt Bekende en verwachte archeologische waarden Legenda VONDSTMELDINGEN WAARNEMINGEN MONUMENTEN archeologische betekenis archeologische waarde hoge archeologische waarde zeer hoge archeologische waarde zeer hoge arch waarde, beschermd HUIZEN PLAATSNAMEN TOP10 ((c)TDN) PROVINCIES ONDERZOEKSMELDINGEN IKAW zeer lage trefkans lage trefkans middelhoge trefkans hoge trefkans lage trefkans (water) middelhoge trefkans (water) hoge trefkans (water) water niet gekarteerd 0 500 m N Archis2

BIJLAGE 3 Van: Marijke Nieuwenhuis Aan: Klaske Wiegersma Datum 11/28/2011 11:00 Onderwerp: Betr.: archeologisch veldonderzoek Oosterbroek Oldemarkt Bijlagen: Oldemarkt, Oosterbroek.doc Ha Klaske, Hierbij het advies. Het uitgevoerde onderzoek is uitgebreider dan dit advies. Het rapport en de uitkomsten kunnen gebruikt worden bij wijze van uitvoering van het advies. groet, Marijke >>> Klaske Wiegersma 11/28/2011 10:54 >>> Hoi Marijke, Ik wist niet dat jij in 2010 nog een advies hebt geschreven. Ik zal Jan Mulder naar dat advies vragen. Ik denk dat dat het uitgangspunt moet zijn voor het plan van nu. Bedankt voor je mail en ik hou je op de hoogte. Groet, klaske >>> Marijke Nieuwenhuis 11/28/2011 10:41 >>> Goedemorgen Klaske, Wat een vreemd geval: ik ken dit rapport helemaal niet. Wel het project, daar heb ik in juli 2010 een advies voor geschreven. Dat advies gaat uit van het aangepaste plan. Dit rapport is van voor die tijd, uit 2008. Weet jij wie opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van dit onderzoek? Het rapport voldoet niet aan de eisen die wij er aan stellen: er is geen gebruik gemaakt van de onze eigen gemeentelijke kaart, er zijn geen boorbeschrijvingen bijgevoegd en er zijn veel te veel boringen gezet. Hier is best wel wat geld te veel uitgegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/c6971aab-26d9-435a-8a65-995c4d31f858?agendaItemId=6d8b452b-6203-44c1-b5f5-6ed15aaa6556