CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Oppen Swolle 1 te Vollenhove.pdf

Politieke Markt 2 juni 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Oppen Swolle 1 in Vollenhove43.475 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Het gaat er hierbij niet alleen om hoe de ruimtes eruit zien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. In de Omgevingsvisie wordt ben adrukt dat kleinschalige bedrijvigheid en de combinatie van wonen en werken een hoge vlucht hebben genomen. Bedrijventerreinen zijn kleinschalig en de bedrijvigheid past bij de identiteit van de kern. Er ligt in de gemeente een stevige opgave om leegstand en verpau- pering in de kernen tegen te gaan en de leefbaarheid op het huidige niveau te houden. Daarom geeft de gemeente meer ruimte aan initiatiefnemers om leegstaande gebouwen om te vormen naar wonen of andere functies. In dit geval wordt een voormalig a grarische bedrijfslocatie omgevormd tot een bedrijfslocatie. Het plangebied ligt in de kern van Vollenhove. Het bedrijf past qua aard en omvang in deze kern en is zelfs in de huidige situatie al in de kern gevestigd. Hiermee sluit het voornemen aan bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland.

Welstandsnota gemeente Steenwijkerland In de welstandsnota wordt beschreven hoe de gemeente om wil gaan met de gebouwde omgeving en op welke aspecten en criteria de welstandscommissie zich daarbij baseert. Als laatste biedt deze wel- standsnota voor de welstandscommissie een beoordelingskader. De gemeente is in gebieden ingedeeld en per gebied zijn criteria vastgesteld waarop de welstands- commissie haar adviezen baseert. Het plangebied valt in het deelgebied Stuwwallenlandschap van het land van Vollenhove: Vollenhove overig. Het gebied bestaat uit de woonwijken van Vollenhove en het bedrijventerrein. De woonwijken zijn niet karakteristiek voor Vollenhove maar ze hebben wel een basiskwaliteit die de moeite van het bewaren waard is. Op het bedrijventerrein dient met name langs de belangrijke wegen en de rand met het buitengebied een betere uitstraling en inpassing te worden gerealiseerd. Dit vanwege het erg functionele karakter van de vormgeving van de bebouwing. Nieuwe bedrijfsbebouwing langs de doorgaande wegen dient een versterking van de architectonische kwaliteit te geven met speciale aandacht voor kleuren en materialen. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 14 HEADELEMENT (ontwerp) Het plangebied betreft een bedrijfslocatie gelegen naast een doorgaande weg in Vollenhove.

Daarom zal in h et ontwerp rekening worden gehouden met de uitstraling en inpassing van de nieuwe ge- bouwen conform de welstandscriteria die gelden voor het bedrijventerrein. De welstandscommissie zal het voornemen beoordelen. Momenteel wordt er in opmaat naar de aanvraag omgevingsvergun- ning gewerkt aan de planvorming. Hierbij zal speciale aandacht zijn voor kleur, textuur en materiali- satie. Vanuit het inrichtingsplan zullen de geduide volumes verder worden vormgegeven op archi- tectonisch niveau. Ter inspiratie en illustrati e zijn met betrekking tot de beoogde uitstraling in para- graaf 2.3 een aantal sfeerimpressies opgenomen. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 15 Hoofdstuk 4 Planologische randvoorwaarden In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te stellen be- stemmingsplan relevante milieuaspecten. Milieuaspecten zijn een belangrijk onderdeel van de belan- genafweging die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan. Eventuele milieuaspecten kunnen, voor zover mogelijk en noodzakelijk, vertaald worden in de regeling van dit bestemmingsplan. Voor het plangebied en de ontwikkeling die dit bestemmingplan mogelijk maakt, wordt advies ge- vraagd bij de regionale uitvoeringsdienst IJsselland. Conclusies en aanbevelingen van de uitvoe- ringsdienst worden verwerkt in dit hoofdstuk.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het be- stemmingsplan planmer -plichtig (bijlage C en D), projectmer- plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Vo or deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempel- waarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG -richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: 1. de kenmerken van de projecten; 2. de plaats van de projecten; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Toetsing aan de drempelwaarden uit het Besluit mer Het betreft een agrarisch perceel, waar binnen een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ plaats vindt. Hierbij vinden geen infrastructurele ingrepen plaats, Er is daarom in het kader van de mer- procedure geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Vormvrije mer-beoordeling Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drem- pelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effec- ten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

Dit blijkt ook uit het onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. De gemeente kan op basis van voorgaande een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen waarin besloten wordt dat een planmer niet noodzakelijk is. 4.2 Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk . Bij deze afstemming kan gebruik wor- den gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG- brochure Bedrijven en mi- lieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs uit te sluiten is. Het plangebied ligt direct ten westen van een provinciale weg (N331). Aan de noord en westzijde van het plangebied zijn industrieterreinen aanwezig. Ten zuiden en zuidwesten van het plangebied ligt een woonwijk. Deze functiemenging zorgt ervoor dat de omgeving van het plangebied als gemengd gebied kan worden bestempeld. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 16 HEADELEMENT (ontwerp) Brandweerkazerne Ten noorden van het plangebied staat een brandweerkazerne. In gemengd gebied geldt een richtaf- stand van 30 meter ten opzichte van hindergevoelige objecten.

De bedrijfswoning is het enige hin- dergevoelige object dat binnen het plangebied gerealiseerd wordt. De bedrijfswoning wordt op een grotere afstand dan 30 meter van de brandweerkazerne gerealiseerd. Daarom is geen onderzoek noodzakelijk. Bedrijfslocaties ten (noord)westen van het plangebied Ten (noord)westen van het plangebied zijn bedrijfslocaties aanwezig, maar bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Hiervoor geldt binnen gemengd gebied een ri chtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan doordat het plangebied op minimaal 33 meter van deze bedrijfslocaties ligt. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Industrieterrein De Weyert Het industrieterrein De Weyert is gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. De nieuwe be- drijfswoning is geprojecteerd net buiten de geluidzone (50 dB(A) -contour). Een hogere waarde voor industrielawaai is daarmee ten opzichte van dit industrieterrein niet noodzakelijk. Op basis van de voorgestelde geluidwering van G a;k = 26 dB(A) wordt voor industrielawaai een aanvaardbaar binnen- niveau gerealiseerd. 4.3 Ecologie Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb).

Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier - en plantensoorten niet in het geding komt. Voor de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 1 toegevoegd bij de toelichting. Hieronder worden de conclusies uit dit rapport beschreven. Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Wieden, ligt op circa 570 meter afstand ten noorden van het plangebied. Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effec- ten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 17 Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie In Nederland staan veel Natura 2000 -gebieden onder druk door een overbelas ting van sikstofdeposi- tie.

In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn alle Natura 2000 -gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leide n tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Daarom is in het kader van dit plan een stikstofberekening uitge- voerd, die is opgenomen als bijlage 2. Uit deze berekening is naar voren gekomen dat de toename van de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebieden niet boven 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Na- tura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Daarom hoeft voor dit plan geen vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Daarmee is geen sprake van verstoring van NNN-gebieden.

Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere alg emene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of versto- ren van voortplantings - of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Het veldbezoek is afgelegd op 13 september 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslo- catie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in verband met de aanwezigheid van algemene broed- vogels het noodzakelijk is om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbods- bepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust - en verblijfplaatsen wordt uitgeslo ten. Mogelijk vlie- gen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.

Op grond van bovenstaande analyse worden ef fecten op beschermde planten - en diersoorten uitge- sloten. De plannen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. 4.4 Geluid Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een ge- luidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij be- paalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ont- wikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 18 HEADELEMENT (ontwerp) Om na te gaan of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde Lden = 48 dB vanwege de Oppen Swolle /N331 wordt overschreden De maximale ontheffingswaarde van L den = 63 dB wordt niet overschreden. De geluid- belasting vanwege de overige wegen is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van L den = 48 dB. Het aspect wegverkeerslawaai (Wgh) is derhalve geen belemmering.

Een hogere waarde procedure is wel noodzakelijk. Geadviseerd wordt om daarom de hoogst berekende waarde vast te stellen als ho- gere waarde (Lden = 56 dB). Het treffen van maatregelen (stiller wegdek, geluidschermen) ligt niet voor de hand vanwege financi- ele doeleinden; de kosten worden relatief hoog omdat het slechts één woning betreft. Bij het vaststellen van de geluidwering dient rekening te worden gehouden met de geluidbelasting exclusief aftrek art. 110g Wgh, waarbij tevens rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten. Uitgaande van de hoogste berekende cumulatieve geluidbelasting (exclusief aftrek) van L den 59 dB, dien een geluidwe- ring van tenminste GA;k = 26 dB(A) te worden gerealiseerd. Door toepassing van een hogere waarde procedure en de juiste geluidwering is geen nader onderzoek noodzakelijk naar het aspect geluid. 4.5 Bodem Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden ge- houden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (func- tiegericht saneren). In het kader van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, die is opge- nomen als bijlage 4.

Hieruit is geconcludeerd dat ter plaatse van de onderzochte locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetoond in de (bovengrond) en in het grondwater. De licht verhoogde gehal- ten in de bodem betreffen over het algemeen relatief geringe overschrijdingen van de achtergrond- waarden en streefwaarden. Bij licht verhoogde gehalten zijn geen risico's voor milieu en volksgezondheid aanwezig en hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Daarnaast is in het verkennend bodemonderzoek naar asbest in de bodem geen asbest aangetoond en hoeft dus geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van de onder- zoekslocatie voldoende vast gelegd. Voor wat betreft de kwaliteit van de bodem hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van de onderzochte locatie. 4.6 Water Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, w ordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke ordening geworden. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 19 Wateradvies Via de digitale watertoets (www.dewatert oets.nl) is het waterschap Drents Overijsselse Delta ge- vraagd een reactie te geven op het plan.

Uit de ingediende gegevens (bijlage 5) is bepaald dat met het plan belangen van het waterschap worden geraakt. Daarom is de normale procedure van toepassing. Het waterschap levert hierop een uitgangspuntennotitie aan die te zijner tijd wordt verwerkt in het plan. 4.7 Cultuurhistorie In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opge- nomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren en ken- merken in de omgeving als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Om dat dit be- stemmingsplan perceelsgebonden is, wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving. De te bouwen gebouw wordt afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur qua functie e n volume. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. 4.8 Archeologie Voor archeologische resten in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. Deze wet regelt onder an- dere dat in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Voor een deel van de gemeente is een Archeologische Waarderingskaart vastgesteld.

Hierin is per gebied een waardering toegekend ten aanzien van de archeologische waarden. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt tussen: archeologische monumenten; gebieden met een hoge archeologische verwachting; gebieden met een lage archeologische verwachting; gebieden zonder archeologische verwachting; gebieden met onbekende archeologische verwachting. De beleidskaart is in het geldende bestemmingsplan vertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hier geldt dat voor ruim- telijke ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom en dieper dan 50 centimeter beneden het maaiveld een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In de huidige situatie is het perceel lager gelegen ten opzichte van de omringende gronden. Het voornemen is daarom om het perceel voorafgaand aan de voorgenomen ontwikkeling op te hogen met een laag van circa een meter dik. De bodemroerende werkzaamheden die vervolgens worden uitge- voerd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zullen niet dieper gaan dan 50 centimeter onder het huidige maaiveld, doordat deze laag grond wordt aangebracht. Daarmee wordt de grenswaarde uit de regeling van de archeologische dubbelbestemming qua diepte niet overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 20 HEADELEMENT (ontwerp) 4.9 Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwa- liteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd d oor hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimte- lijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in bete- kenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In dit geval gaat het 'slechts' om een verhuizing en uitbreiding van één bedrijf van relatief beperkte omvang. De uitstoot van stikstof en fijn stof als gevolg hiervan kan hierdoor toenemen, maar deze toename zal zeer beperkt zijn de gestelde grenswaarden niet overschrijden. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Een bedrijfswoning is aangemerkt als een kwetsbaar object.

Daarom is de risicokaart geraadpleegd naar de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied. Hieruit is naar voren gekomen dat ten noordwesten van het plangebied een aardgasontvangststation aanwezig is, waar twee aardgasleidingen naar toe lopen. Voor het aardgasontvangststation geldt een risicocontour van 15 meter. Het plangebied ligt op circa 50 meter afstand van het aardgasontvangststation en valt daarmee buiten deze contour. Voor de aardgasleidingen geldt dat deze beide een diamet er van 4 inch hebben en een maximale werkdruk van 40 bar. De inventarisatieafstand (KA) die hierbij geldt is 45 meter. Omdat het plange- bied op circa 50 meter afstand ligt wordt hieraan voldaan. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 21 Omdat het plangebied niet binnen een inventarisatieafstand va n een risicovolle inrichting, buisleiding of transportroute ligt is geen nader onderzoek noodzakelijk. 4.11 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezig- heid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang.

Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige fu ncties of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van be- lang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een pla- nologische regeling. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 22 HEADELEMENT (ontwerp) Hoofdstuk 5 Juridische opzet In dit hoofdstuk staat een toelichting op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. In paragraaf 5.1 staat een algemene toelichting op de betekenis en opbouw van het bestemmingsplan en de ach- tergronden daarvan. In paragraaf 5.2 wordt de bestemmingsregeling van dit bestemmingsplan toege- licht. 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijk e ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Onderdeel hiervan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP beoogt bestemmingsplannen die op verg elijkbare wijze zijn opgebouwd en op een- zelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de ver- beelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog.

De regels van dit bestemmingsplan zijn op- gesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan voldoet ook aan de terminologie van de Wet algemene bepalingen omgevings- recht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks - en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plan- gebied. De juridische regeling is vervat in een verb eelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw - en ge- bruiksmogelijkheden. 5.2 Toelichting op de bestemmingen De bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen zijn afgestemd op de regeling uit het be- stemmingsplan 'Bedrijventerreinen', dat is vastgesteld op 28 januari 2014. Binnen het plangebied ko- men de volgende bestemmingen voor: 5.2.1 Bedrijventerrein De gronden waar het de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswonin g worden gerealiseerd, evenals het voorterrein, zijn bestemd als 'Bedrijventerrein'. Daarmee wordt aangesloten bij het geldende plan, waarin de bedrijfspercelen in de omgeving eveneens als 'Bedrijventerrein' zijn bestemd. Ter plaatse geldt een bouwhoogte v an 9 meter, waar de voorgenomen gebouwen binnen passen. In overeen- stemming met het geldende plan mag het bouwvlak voor 80 % worden volgebouwd. Aan de noord- zijde is bewust geen bouwvlak opgenomen om de onderhoudszone van de noordelijk gelegen water- gang te behouden.

5.2.2 Tuin De gronden aan de zuid- en oostzijde van het plangebied zijn bestemd als 'Tuin'. Deze gronden wor- den niet bebouwd, maar worden ingericht als tuin bij het bedrijfsperceel. Om de gronden als erf in te kunnen richten is hier de bestemming Tuin aan gegeven. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 23 5.2.3 Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2 Ter plaatse van het plangebied is sprake van twee archeologische dubbelbestemmingen. Deze dub- belbestemmingen zitten al in het geldende plan en zijn overgenomen in dit nieuwe bestem mingsplan. Ter plaatse geldt dat bij ruimtelijke ingrepen met een oppervlakte van 100 m² (Waarde - Archeologie 1) en 250 m² (Waarde - Archeologie 2) en dieper dan 50 centimeter, dat archeologisch onderzoek nood- zakelijk is. Omdat in dit geval de grond wordt opgehoogd en dus de bodem niet diep genoeg wordt geroerd is voor dit plan geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om de bestaande waarden een beschermende regeling te bieden bij mogelijk toekomstige ruimtelijke ingrepen zijn daarom de arche- ologische dubbelbestemmingen opgenomen. 5.2.4 geluidzone - industrie Het naastgelegen industrieterrein De Weyert betreft een geluidgezoneerd industrieterrein. De ge- luidzone hiervan loopt over het plangebied. Daarom is de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen.

bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 24 HEADELEMENT (ontwerp) Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spelen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol. 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inspraak en overleg Voorafgaand aan de ruimtelijke procedure heeft de initiatiefnemer uitgebreid overleg gevoerd met de omwonenden van het plangebied. Vanwege de markante ligging van deze specifieke herontwikke- lingslocatie aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove is er besloten om omwonenden (met zicht op de betreffende percelen) tijdig kennis te laten nemen van het voornemen. Inmiddels zijn één -op-één gesprekken gevoerd. De woon - en werkomgeving van het plangebied, specifiek met zicht op het plangebied, feitelijk de bewoners/bedrijfspandeigenaren van De Weyert 1, 2, 32, 38 en 40 Oppen Swolle 2, De Hagen 1 3, 2 en 5 en de Kampen 1 en 1a, zijn persoonlijk benaderd en geïnformeerd over het voornemen.

In de persoonlijke gesprekken heeft de initiatiefnemer de planvorming met betrekking tot de trans- formatie van het perceel van agrarisch naar een woon-werkbestemming alsmede de perceelsinrichting en sfeerbeelden van de toekomstige bebouwing van het plangebied zow el mondeling als door middel van vormtekeningen uitgebreid toegelicht. Geconcludeerd wordt dat het houden van deze overlegmomenten met waardering en enthousiasme aangaande de planvorming is ontvangen. Het bestemmingsplan wordt in deze fase daarnaast aan de wettelijke overlegpartners gestuurd ter beoordeling. Zienswijze Het bestemmingsplan wordt direct als ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te die- nen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 25 6.2 Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitati eplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fase- ring. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergeli jke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt.

In dergelijke gevallen is de grondexploitatieregeling van toepassing, tenzij het verhaal van de kosten v an grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. De gemeente Steenwijkerland dekt de kosten van een bestemmingsplanherziening uit voor een der- gelijke herziening in rekening gebrachte leges. In dit geval kan derhalve worden volstaan met het sluiten van een p lanschadeovereenkomst waarbij het risico voor eventuele planschade bij de initia- tiefnemer komt te liggen. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 26 HEADELEMENT (ontwerp) bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 27 Bijlagen toelichting bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 28 HEADELEMENT (ontwerp) bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 29 Bijlage 1 Quickscan flora en fauna bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 30 HEADELEMENT (ontwerp) QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN OPPEN SWOLLE 1 TE VOLLENHOVE Eindrapport QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN OPPEN SWOLLE 1 TE VOLLENHOVE rapportnummer 2019.3452 oktober 2019 In opdracht van: Rho adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD ROTTERDAM Adviesbureau Mertens B.V.

Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl © Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2019 Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 1 Wageningen INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 4 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 4 2.

BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 6 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 6 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 6 3. METHODE ........................................................................................................................................................... 8 4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ...................................................................................... 9 4.1 FLORA ...................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN .............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS .......................................................................................................................................

10 4.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 10 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 10 4.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 10 5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 11 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 12 BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 13 1. PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 14 2.

BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 15 Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 2 Wageningen 1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de functieverandering van het perceel Oppen Swolle 1 te Vollenhove dat zal samen gaan met de sloop van de aanwezige voormalige boerderij en het rooien van de opgaande beplanting. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd. Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove. 1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove is een voormalige boerderij met rondom opgaande beplanting gelegen. Ten oosten van de boerderij staat één boom. Verder bestaat het perceel uit grasland. Aan de noordzijde is een (waterhoudende) greppel gelegen.

Het voornemen is om de voormalige boerderij te slopen, de opgaande beplanting te rooien, het perceel bouwrijp te maken en een nieuwe woning met twee bedrijfsgebouwen te bouwen. De waterhoudende greppel in het noorden wordt niet beïnvloedt door het voornemen. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op vrijdag 13 september 2019 en in figuur 3 wordt een overzicht gegeven van de plannen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 3 Wageningen Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 4 Wageningen Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove. 1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1.

Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie? 1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen.

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 5 Wageningen Figuur 3. Impressie van de plannen aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 6 Wageningen 2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogel- en Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten). De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn:  in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;  ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Overijssel wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a.

aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 7 Wageningen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk.

Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 8 Wageningen 3. METHODE Op vrijdag 13 september 2019 is een bezoek gebracht aan het plangebied Oppen Swolle 1 te Vollenhove en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove.

Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 9 Wageningen 4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING 4.1 Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 13 september 2019 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In het plangebied zijn geheel geen geschikte openingen aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte daklijsten en geschikte beluchtingsgaten om achter of in te kruipen. In het dak zijn geen openingen aangetroffen waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn ook geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders.

In het gebied blijft bebouwing waardoor vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve oriëntatiemogelijkheden. Negatieve effecten op vliegroutes worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch gewone dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (pionierecotopen). Het plangebied en directe omgeving is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen van de supermarkt en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van overige zoogdieren uitgesloten. Voor steenmarter is het plangebied geen leefgebied omdat er geen openingen in de voormalige boerderij aanwezig zijn waarin de steenmarter zich kan ophouden. . Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove.

Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 10 Wageningen 4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 13 september 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. De voormalige boerderij aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove heeft geen mogelijkheden voor vogels om in te verblijven.. Negatieve effecten op nesten en eieren van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel, fitis, roodborst en winterkoning. Gedurende het veldonderzoek op woensdag vrijdag 13 september 2019 is merel vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). 4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied (ontbreken geschikt oppervlaktewater) en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van amfibieën uitgesloten. 4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. De waterhoudende greppel in het noorden wordt niet beïnvloedt door het voornemen.

4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 11 Wageningen 5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE Er is het voornemen voor de functieverandering van het perceel Oppen Swolle 1 te Vollenhove dat zal samen gaan met de sloop van de aanwezige voormalige boerderij en het rooien van de opgaande beplanting. Deze activiteiten zouden kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.

Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Eindrapport oktober 2019 Adviesbureau Mertens 12 Wageningen GERAADPLEEGDE LITERATUUR Literatuur  Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348.  Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476.  EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103.  EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7.  Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368.  Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002.

Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584.  Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1- 260.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84.  SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels.  Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151.  Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.

Website  www.ravon.nl  www.waarneming.nl  www.sovon.nl  www.telmee.nl  www.zoogdiervereniging.nl  www.netwerkecologischemonitoring.nl  www.verspreidingsatlas.nl BIJLAGEN 1. PLANGEBIED 2. BEGRIPPEN Baltsplaats Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt. Foerageerplaats Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop. Kolonie Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.

Migratieroute Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen. Paarplaats Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”. Verblijfplaats Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent). Vliegroute Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d.

De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel. Voorbijvliegend Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers. Zwermen Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats. Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 31 Bijlage 2 Stikstofberekening bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 32 HEADELEMENT (ontwerp) blz. 1 memo Postbus 150, 3000 AD Rotterdam Telefoon: 010-2018555 Fax: 010-4121039 E-mail: info@rho.nl Plan: Bestemmingsplan Oppen Swolle 1 Vollenhove Onderwerp: Stikstofdepositieberekeningen Datum: 8 oktober 2019 Auteur: E.

Venema, BSc Doelstelling De initiatiefnemer wil aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove zijn bedrijf, inclusief bedrijfswoning vestigen. Het bedrijf is momenteel gevestigd aan de Kampen 19 te Vollenhove. De ontwikkeling bestaat uit het ophogen van de huidige kavel, het realiseren van een bedrijfsloods en –kantoor en een bijbehorende bedrijfswoning. Voor deze ontwikkeling moet worden beoordeeld of deze significante effecten heeft voor de stikstofdepositie binnen daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Uitgangspunten De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitatten liggen in het gebied De Wieden. Deze habitatten liggen op minimaal 1,5 kilometer afstand vanaf de projectlocatie. Voor dit gebied geldt gedeeltelijk dat de kritische depositiewaarde (KDW) overschreden is. Een kleine toename zou theoretisch tot negatieve effecten kunnen leiden. In deze memo wordt daarom uitgegaan van een drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar op deze gebieden. Gebruiksfase In de gebruiksfase is er sprake van gebouwgebonden emissies en van emissie als gevolg van een verkeer aantrekkende werking. Gebouwgebonden emissies ontstaan d oor gasgebruik.

De nieuwbouw moet gasloos worden gebouwd, waarmee deze in de gebruiksfase op zichzelf niet tot een toename van stikstofdepositie. Het project heeft wel invloed op de verkeersintensiteit in de omgeving. Voor een arbeidsintensief en bezoekersextensief bedrijf kan basis van de CROW-kentallen uitgegaan worden van 10 mvt/etmaal per 100 m 2 bvo. De totale omvang van het bedrijf is ongeveer 900 m2 (300 m2 werkplaats en 600 m2 kantoor). De woning heeft op basis van dezelfde kentallen een verkeersgeneratie van 8 mvt/etmaal. De totale verkeersgeneratie van het project is dus 98 mvt/etmaal. Aangezien het gaat om de verplaatsing van een bestaand bedrijf gaat dit op de Oppen Swolle al op in het heersende verkeersbeeld. Veiligheidshalve wordt gerekend tot de Flevoweg. De ingevoerde verkeersroute (tot de plek waar dit opgaat in het heersende verkeersbeeld) is weergegeven in de AERIUS berekening. Aanlegfase In de aanlegfase is er sprake van de inzet van zwaar materieel en de aanvoer van materiaal met vrachtwagens. Deze aanlegfase heeft, zij het tijdelijk, ook een potentieel effect op de stikstofdepositie. De inzet van materieel is gebaseerd op de cijfers van vergelijkbare plannen. De aanlegfase zal maximaal 1 jaar duren. Voor zwaar materieel wordt uitgegaan van een brandstofverbruik van gemiddeld 25 liter en voor licht materieel 10 liter per uur.

Er worden ongeveer 80 vrachtwagen met 20 m2 grond aangeleverd. Bron Onderdeel Inzet Aantal Inzet totaal Brandstofverbruik Zwaar materieel Bedrijfspanden 18 uur per 100 m2 9 162 uren 4.050 l Woningen 22 uur per woning 1 22 uren 550 l Bouw-woonrijp 540 uur per ha <1 540 uren 13.500 l

blz. 2 Licht materieel Bedrijfspanden 5 uur per 100 m2 6 30 uren 300 l Woningen 10 uur per woning 1 10 uren 100 l Bouw-woonrijp 130 uur per ha <1 130 uren 1.300 l Transport zwaar Bedrijfspanden 10 per 100 m2 9 90 x n.v.t. Woningen 12 per woning 1 12 x Bouw-woonrijp 10 per ha <1 + 80 x grond 90 x Transport licht Bedrijfspanden 70 per 100 m2 9 630 x Woningen 100 per woning 1 100 x Omdat wordt uitgegaan van de aanleg in één jaar, wordt het jaarlijkse brandstofgebruik in de aanlegfase 19.800 liter. Zwaar transport komt op 192 vrachtwagens per jaar en licht transport op 730 mvt/jaar. Voor de berekening maakt het niet uit of er 10 kleine of 1 grote machine aan het werk is. Het gaat om de hoeveelheid brandstof en de STAGE klasse (in dit geval IV, bouwjaar 2014). Voor de aanlegfase wordt daarom ‘Materieel’ ingevoerd met een gebruik van 19.800 liter per jaar. De jaarlijkse 192 vrachtwagens voor aanvoer van materiaal komen neer op gemiddeld 0,5 vrachtwagens per dag . Een dergelijk aantal gaat direct op het heersende verkeersbeeld en is dus berekent langs de randen van het projectgebied. Het personenvervoer van werklieden en aanvoer van klein materiaal (2 mvt/etmaal) is weg te strepen tegen de 98 auto’s per etmaal in de gebruiksfase. Daarom is aanlegfase met de gebruiksfase gecumuleerd. Resultaten Ingevoerde bronnen In AERIUS zijn de volgende bronnen ingevoerd: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/a43ed067-8833-4865-83c9-342c8d83f415?agendaItemId=915af635-9f21-4735-aa52-9e11e6fab7b8