CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Oppen Swolle 1 te Vollenhove.pdf

Politieke Markt 2 juni 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Oppen Swolle 1 in Vollenhove43.475 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6   aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7   ambacht(elijk): het  bedrijfsmatig,  geheel  of  overwegend  door  middel  van  handwerk  vervaardigen,  ver‐/bewerken, herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver‐ of bewerkt, ondergeschikt aan de woonfunctie. Wanneer  deze  activiteit  in  een  woning  en  de  daarbij  behorende  bijgebouwen  plaatsvindt,  dient  de omvang  van  de  activiteit  zodanig  te  zijn  dat  de  woonfunctie  in  overwegende  mate  wordt  gehand‐ haafd; 1.8   archeologisch monument: terrein  dat  op  basis  van  de  Monumentenwet  1988  is  aangewezen  als  beschermd  archeologisch  mo‐ nument. 1.9     archeologische deskundige: de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 42   HEADELEMENT (ontwerp) 1.10   archeologische verwachting: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeolo‐ gische relicten.

1.11   archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden; 1.12   bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.13   bedrijf: een  inrichting  of  instelling  gericht  op  het  bedrijfsmatig  voortbrengen,  vervaardigen,  bewerken,  op‐ slaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan huis verbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen; 1.14   bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. 1.15   bedrijfsmatig: via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen; 1.16   bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw ten behoeve van de huisvesting van twee of meer bedrijven. 1.17   bedrijfsvloeroppervlak: het vloeroppervlak van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.

1.18   bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor één huishouden waarvan de huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw en/of terrein; 1.19   bestaand: situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.20   bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.21   bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.22   bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.23   bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.24   bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk,  alsmede  het  geheel  of  gedeeltelijk  oprichten,  vernieuwen  of  veranderen  van  een  stand‐ plaats; 1.25   bouwgrens: de grens van een bouwvlak; bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   43 1.26   bouwperceel: een  aaneengesloten  stuk  grond,  waarop  ingevolge  de  regels  een  zelfstandige,  bij  elkaar  behorende bebouwing is toegelaten; 1.27   bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.28   bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.29  

bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.30   consument  verzorgend  ambacht/consument  verzorgende  ambachtelijke  bedrijfsactivitei‐ ten: het  beroepsmatig  uitoefenen  van  ambachtelijke  bedrijvigheid,  in  tegenstelling  tot  het  aan  huis  ver‐ bonden beroep, gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteit zodanig is dat als deze in een woning en daarbij behorende bij‐ gebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd; 1.31   dak: een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk; 1.32   detailhandel: het  bedrijfsmatig te  koop,  te huur of in lease aanbieden, waaronder  begrepen  de  uitstalling  ter ver‐ koop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps‐ of bedrijfsactiviteit; 1.33   erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in  feitelijk  opzicht  is  ingericht  ten  dienste  van  het  gebruik  van  dat  gebouw,  en,  voor  zover  een  be‐

stemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.34   erfafscheiding: afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst; 1.35   gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden om‐ sloten ruimte vormt; 1.36   geluidzoneringsplichtige inrichting: een  inrichting,  zoals  genoemd  in  bijlage  I,  onderdeel  D  van  het  Besluit  omgevingsrecht,  bij  welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging een geluidszone als bedoeld in die wet moet worden vastgesteld. 1.37   kampeermiddel: bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 44   HEADELEMENT (ontwerp) a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren; b.

enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen  bouwwerk  zijnde,  waarvoor  ingevolge  artikel  2.1  lid  1a  van  de  Wabo  een  omgevingsver‐ gunning voor het  bouwen vereist is. Eén  en  ander voor zover genoemde onderkomens  of  voer‐ tuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.38   kantoor: een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaam‐ heden van hoofdzakelijk administratieve aard; 1.39   kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: de in Bijlage 1 (Bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrij‐ vigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.40   maaiveld: bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging; 1.41   milieubelasting: de beïnvloeding van de fysieke omgeving door het veroorzaken van lawaai, stank, hinder en/of door de uitworp van schadelijk (afval‐)stoffen daarin.

1.42   milieucategorie: een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1 bij de regels). 1.43   nevenactiviteit: een  bedrijfs‐  of  beroepsmatige  activiteit  die  in  ruimtelijk,  functioneel  en  inkomenswervend  opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een perceel. 1.44   nevenactiviteit: een  bedrijfs‐  of  beroepsmatige  activiteit  die  in  ruimtelijk,  functioneel  en  inkomenswervend  opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een perceel; 1.45   nutsvoorziening: voorzieningen  ten  behoeve  van  het  op  het  openbare  net  aangesloten  nutsvoorziening,  het  telecom‐ municatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.46   omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.47   onderkomens: voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer‐ en vaartuigen, waaronder begrepen  woonwagens,  woonschepen,  caravans,  stacaravans,  kampeerautoʹs,  alsook  tenten,  schuil‐ hutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief verblijf; 1.48   opslag: het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewer‐

king, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard; 1.49   parkeervoorzieningen: bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   45 een  al  dan  niet  overdekte  c.q.  ondergrondse  stallingsgelegenheid  ten  behoeve  van  gemotoriseerd verkeer: a. openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn; b. particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein; 1.50   parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in‐ of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen; 1.51   peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld; c.

indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil; 1.52   productiegebonden detailhandel: detailhandel  in  goederen  die  ter  plaatse  worden  vervaardigd,  gerepareerd  en/of  toegepast  in  het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.53   prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoe‐ ding; 1.54   recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding; 1.55   risicovolle inrichting: een  inrichting  die  valt  onder  het  Besluit  externe  veiligheid  inrichtingen  (Bevi),  het  Besluit  risicoʹs zware ongevallen 1999 (BRZOʹ99) of het Vuurwerkbesluit.

1.56   seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij be‐ drijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch‐pornografische aard plaatsvinden.  Onder  een  seksinrichting  worden  in  elk  geval  verstaan:  een  (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische‐massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.57   sociale veiligheid: een ruimtelijke situatie die overzichtelijk, herkenbaar en sociaal controleerbaar is; 1.58   Staat van bedrijfsactiviteiten: de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering, zoals die lijst is opgenomen in de Bijlage 1behorende bij deze regels.

1.59   stedenbouwkundig beeld: het  door  de  omvang,  de  vorm  en  de  situering  van  de  bouwmassaʹs  bepaalde  beeld  inclusief  de  ter plaatse  door  de  infrastructuur,  de  begroeiing  en  andere  door  de  mens  aangebrachte  (kunstmatige) elementen gevormde ruimte; bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 46   HEADELEMENT (ontwerp) 1.60   straatmeubilair: de op of bij de weg behorende bouwwerken, zoals verkeersgeleiders, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten,  parkeermeters,  stadsplattegronden,  oplaadpunten  voor  elektrische  autoʹs,  zitbanken, bloem‐  en  plantenbakken,  papier‐,  glas‐  en  andere  inzamelbakken,  kunstobjecten,  draagconstructies voor  reclame  alsmede  telefooncellen,  abriʹs,  openbaar  urinoir,  en  andere,  hiermee  gelijk  te  stellen bouwwerken; 1.61   verbeelding: de  weergave  van  de  inhoud  van  een  bestemmingsplan  conform  het  gestelde  in  de  Regeling  Stan‐ daarden Ruimtelijke Ordening 2012. Onder het begrip ʹverbeeldingʹ wordt zowel de analoge wijze als de digitale wijze verstaan.

1.62   verkeersveiligheid: de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers; 1.63   vloeroppervlak: de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijgebouwen op de begane grond; 1.64   voorgevel: gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt; 1.65   waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen  die  nodig  zijn  ten  behoeve  van  een  goede  wateraanvoer,  waterafvoer,  waterberging, hemelwaterinfiltratie  en/of  waterkwaliteit  zoals  duikers,  stuwen,  infiltratievoorzieningen,  gemalen, inlaten etc.; 1.66   weg: een voor het openbaar rij‐ of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin ge‐ legen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen; 1.67   woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   47 1BArtikel 2   Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1   bestaande maatvoeringen: a.

daar  waar  bestaande afstanden  meer of minder  bedragen dan ingevolge  hoofdstuk  2 is  voorge‐ schreven,  worden  de  bestaande  afstanden  als  ten  hoogste  respectievelijk  ten  minste  toelaatbaar aangehouden; b. in  die  gevallen  dat  bestaande  dakhellingen,  kapvormen,  hoogten,  bestaande  inhoud  en/of  be‐ staande oppervlakten afwijken van de regels in hoofdstuk 2, worden de bestaande maatvoeringen als ten hoogste toelaatbaar aangehouden. 2.2   de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens: tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voor‐ komend (hoofd‐)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.3   het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. 2.4   de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5   de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6   de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7   de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand; 2.8   de ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel‐ en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter; 2.9   de ondergrondse diepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.10   de oppervlakte van een bouwwerk: tussen  de  buitenwerkse  gevelvlakken  en/of  het  hart  van  de  scheidingsmuren,  neerwaarts  geprojec‐ teerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 48   HEADELEMENT (ontwerp) 15BHoofdstuk 2   Bestemmingsregels 2BArtikel 3   Bedrijventerrein 3.1   Bestemmingsomschrijving 3.1.1   Algemeen De voor ʹBedrijventerreinʹ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten die behoren tot milieucategorie 1 tot en met 3.1, zoals die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua mili‐ eueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzone‐ ringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen; b. een bedrijfswoning al dan niet inpandig, ter plaatse van de aanduiding ʹbedrijfswoningʹ; c. kantoren ten dienste van het bedrijf of de bedrijfsactiviteiten, dan wel als onderdeel van een be‐ drijfsverzamelgebouw; met daaraan ondergeschikt: d. (ontsluitings)wegen, in‐ en uitritten en voorzieningen ter ontsluiting van de bedrijven; e. parkeervoorzieningen en overige verhardingen; f. erven, tuinen en terreinen; g. groenvoorzieningen; h. infiltratie‐ en bergingsvoorzieningen, inclusief benodigde voorzieningen voor voorbehandeling en risicobeperking in verband met het te infiltreren en/of te bergen water; i. nutsvoorzieningen; j. afvalwaterzuiveringsvoorzieningen; k. voorzieningen voor het gebruik van duurzame ernergiebronnen; l. collectieve voorzieningen ten aanzien van de inzameling en afvoer van vrijkomende afvalstromen; m.   de aanleg van collectieve energiesystemen; n.   water.

3.1.2   Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aandui‐ dingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 3.2   Bouwregels 3.2.1   Algemeen Op de voor ʹBedrijventerreinʹ aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen  ten  behoeve  van  de  in  artikel  3.1  genoemde  bestemming,  uitsluitend  binnen  de  aan‐ duiding ʹbouwvlakʹ; b. één bedrijfswoning, uitsluitend binnen de aanduiding ʹbouwvlakʹ ter plaatse van de aanduiding ʹbedrijfswoningʹ; c. de bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding ʹbouwvlakʹ; d. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, zo‐ wel binnen als buiten de aanduiding ʹbouwvlakʹ; met inachtneming van de volgende regels (3.2.2 tot en met 3.2.6). bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   49 3.2.2   Regels ter plaatse van de aanduiding ʹbouwvlakʹ Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding ʹbouwvlakʹ gelden de volgende regels: a. het bouwperceel mag tot maximaal 80% worden bebouwd; b. de gebouwen worden op een afstand van minimaal 2,00 meter uit de perceelsgrens gebouwd; c. ter plaatse van de aanduiding ʹgevellijnʹ worden de gevels van de gebouwen in de gevellijn ge‐ bouwd; d.

de bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding ʹmaximum bouwhoogte (m)ʹ aangeduide maximale bouwhoogte of maximaal de bestaande bouwhoogte indien deze hoger is; e. per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan; f. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³ of maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is; g. voor de maatvoering van de bijgebouwen wordt verwezen naar artikel 3.2.3; h. voor de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde wordt verwezen naar artikel 3.2.5. 3.2.3   Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports bedraagt maximaal 50 m²; b. bijgebouwen worden plat afgedekt; c. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 meter; d. de  bouwhoogte  van  bijgebouwen  bedraagt  maximaal  80%  van  de  bouwhoogte  van  de  bedrijfs‐ woning. 3.2.4   Nutsvoorzieningen Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 5,00 meter. 3.2.5   Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a.

bouwwerken,  geen  gebouw  zijnde  mogen  zowel  binnen  als  buiten  het  bouwvlak  worden  ge‐ bouwd; b. de  bouwhoogte  van  verlichtingsarmaturen,  lichtmasten  en  cameramasten  bedraagt  maximaal 12,00 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 10,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen maximaal 2,50 meter bedraagt. 3.2.6   Overige regels Voor het overige dient te worden voorzien in voldoende laad‐ en losvoorzieningen op eigen terrein, waarbij de laad‐ en losplaatsen zo dienen te worden gesitueerd dat het openbaar terrein niet wordt belast met de bevoorrading. 3.3   Nadere eisen 3.3.1   Onderwerpen bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 50   HEADELEMENT (ontwerp) Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de hoogte van de bebouwing; b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; c. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan; d. voorzieningen  ter  voorkoming  van  hemelwaterproblematiek  in  verband  met  de  nieuwe  bebou‐ wing. 3.3.2   Toepassingscriteria De in artikel 3.3.1 genoemde onderwerpen voor het stellen van nadere eisen mogen uitsluitend wor‐ den gesteld ten behoeve van: a. het stedenbouwkundig beeld; b. de verkeerssituatie; c. een goede parkeerbalans; d. de milieusituatie; e. de sociale veiligheid; f.

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; g. instandhouding van omliggende waarden. 3.4   Specifieke gebruiksregels 3.4.1   Strijdig gebruik Onder  gebruiken  en/of  het  laten  gebruiken  in  strijd  met  de  bestemming  als  bedoeld  in  artikel  3.1, wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten anders dan bedoeld in artikel 3.1.1; b. geluidszoneringsplichtige inrichtingen anders dan bedoeld in artikel 3.1.1; c. risicovolle inrichtingen anders dan bedoeld in artikel 3.1.1; d. het gebruik van gronden en opstallen voor het plaatsen van onderkomens en/of kampeermidde‐ len, van al dan niet afgedankte voer‐ en vaartuigen en van wagen; e. zelfstandig kantoren; f. een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de bijgebouwen, anders dan be‐ doeld in artikel 3.4.2; g. buitenopslag,  anders  dan  bedoeld  in  artikel  3.1.1  of  als  dit  noodzakelijk  is  voor  het  op  de  be‐ stemming  gerichte  tijdelijke  gebruik.  Als  strijdig  gebruik  wordt  in  ieder  geval  aangemerkt  bui‐ tenopslag buiten het bouwvlak en hoger dan de maximaal toegelaten hoogte voor bebouwing; h. wonen anders dan bedoeld in artikel 3.1.1; i. laden en lossen, anders dan bedoeld in artikel 3.1.1.

3.4.2   Aan huis verbonden beroepen Een aan huis verbonden beroep, als opgenomen in het overzicht aan huis verbonden beroepen (bijlage 2), is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de bedrijfswoning of in de daar‐ bij behorende bijgebouwen; b. maximaal  in  totaal  35%  van  de  toegestane  bebouwde  oppervlakte  van  de  bedrijfswoning  en  de daarbij behorende bijgebouwen wordt gebruikt voor aan huis verbonden beroep(en); c. de  woonfunctie  in  overwegende  mate  wordt  gehandhaafd  en  de  verschijningsvorm  als  woning niet wezenlijk wordt aangetast; d. er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de bedrijfswoning is; e. er is ten hoogste één reclame‐uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   51 f. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; g. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangs‐ punt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; h.

er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep ge‐ bruikte oppervlakte mag worden gebruikt. 3.5   Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1   Afwijken  van  de  gebruiksregels  ten  behoeve  van  detailhandel  in  ter  plaatse  vervaardigde  of  bewerkte goederen als nevenactiviteit Het  bevoegd  gezag  kan  een  omgevingsvergunning  verlenen  voor  het  afwijken  van  het  bepaalde  in artikel  3.5,  ten  behoeve  van  het  gebruik  voor  detailhandel  in  ter  plaatse  vervaardigde  of  bewerkte goederen als nevenactiviteit naast de bedrijfsfunctie, met dien verstande dat: a. de oppervlakte van productiegebonden detailhandel tot een maximum van 200 m²; b. de  oppervlakte  van  afhaalpunten  van  internetwinkels  maximaal  15  m²  bedraagt,  met  dien  ver‐ stande dat detailhandel anders dan in de aan het hoofdassortiment ondergeschikte artikelen niet is toegestaan; c. etalages niet zijn toegestaan; d. verkoop  van  etenswaren,  dranken  en  genotsmiddelen  uitgesloten  is,  tenzij  het  ter  plaatse  ver‐ vaardigde producten betreft; e. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de verkeersveiligheid; 2. de milieusituatie; 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.5.2   Afwijken van de gebruiksregels ten aanzien van het vestigen van andere bedrijven Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de milieusituatie, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 3.1.1 onder b. ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsacti‐ viteiten, die zijn opgenomen in een hogere milieucategorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel  3.1.1,  indien  deze  gelet  op  de  milieubelasting  naar  aard  en  invloed  op  de  omgeving  gelijk‐ waardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.1.1, maar niet in de Staat van bedrijfs‐ activiteiten, als bedoeld in Bijlage 1 bij de regels, wordt genoemd, met dien verstande dat: a. het geen risicovolle inrichtingen betreft; b. het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen betreft; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat‐ en bebouwingsbeeld; 2. de milieusituatie; 3. de sociale veiligheid; 4. de verkeersveiligheid; 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten  mede  in  de  beoordeling  te  worden  betrokken:  geluid,  geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bo‐ dem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en ver‐ keersaantrekkende werking. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 52   HEADELEMENT (ontwerp) 3BArtikel 4   Tuin 4.1   Bestemmingsomschrijving 4.1.1   Algemeen De voor ʹTuinʹ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen behorende bij op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen; b. parkeren, ter plaatse van de aanduiding ʹparkeerterreinʹ; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende voorzieningen. 4.1.2   Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aandui‐ dingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 4.2   Bouwregels 4.2.1   Algemeen Op de voor ʹTuinʹ aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt; b.

vlaggenmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 6,00 meter bedraagt; c. erkers, luifels, balkons en dergelijke aan de bedrijfswoning, mits: 1. de  diepte  gemeten  vanaf  de  bouwvlakgrens  binnen  de  bestemming ʹ Bedrijventerreinʹ  niet meer dan 1,00 meter bedraagt; 2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de voorgevel van de bedrijfswo‐ ning; d. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van de bedrijfs‐ woning. 4.3   Specifieke gebruiksregels Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. het  plaatsen  van  onderkomens  en/of  kampeermiddelen,  van  al  dan  niet  afgedankte  voer‐  en vaartuigen en van wagens; b. buitenopslag. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   53 4BArtikel 5   Waarde ‐ Archeologie 1 5.1   Bestemmingsomschrijving 5.1.1   Algemeen De  voor ʹ Waarde ‐  Archeologie  1ʹ  aangewezen  gronden  zijn,  behalve  voor  de  andere  daar  voorko‐ mende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

5.2   Bouwregels 5.2.1   Onderzoek ten behoeve van verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen Voor  aanvragen  om  een  omgevingsvergunning  voor  het  bouwen  van  bouwwerken,  waarbij  de  be‐ staande  bebouwing  wordt  vergroot  met  een  oppervlakte  van  meer  dan  100  m²  en/of  de  bestaande fundering  niet  wordt  benut,  dient  door  de  aanvrager  een  aanvullend  en/of  definitief  archeologisch rapport te worden overgelegd waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en; b. in  voldoende  mate  is  aangegeven  op  welke  wijze  de  archeologische  waarden  worden  bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenre‐ dig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. 5.2.2   Voorwaarden verlening omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in artikel 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergun‐ ning: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de  bodemverstoring,  te laten  bege‐ leiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.3   Omgevingsvergunning  voor  het  uitvoeren  van  werken,  geen  bouwwerk  zijnde,  of  van werkzaamheden 5.3.1   Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor ʹWaarde ‐ Archeologie 1ʹ aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; c.

het aanleggen van ondergrondse transport‐, energie‐, of communicatieleidingen en daarmee ver‐ band houdende constructies, installaties of apparatuur; voorzover de ingreep dieper gaat dan 50 centimeter benden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 100 m² beslaat.. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 54   HEADELEMENT (ontwerp) 5.3.2   Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 5.3.1 is niet van toepassing, indien: a. door  middel  van  een  aanvullend  en/of  definitief  archeologisch  onderzoek  naar  het  oordeel  van burgemeester  en  wethouders  in  voldoende  mate  is  aangegeven  dat  de  archeologische  waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aan‐ wezig zijn; b. het gaat om onderhouds‐ en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplan‐ tingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. d. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief ar‐ cheologisch onderzoek.

5.3.3   Toepassingscriteria De  omgevingsvergunning  als  bedoeld  in  artikel  5.3.1  kan  alleen  worden  verleend  indien  mede  op basis  van  aanvullend  en/of  definitief  archeologisch  onderzoek  is  aangetoond  dat  de  archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 5.3.4   Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 die betrekking heeft op gron‐ den, die zijn aangewezen voor ʹWaarde ‐  Archeologie 1ʹ dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en; b. in  voldoende  mate  is  aangegeven  op  welke  wijze  de  archeologische  waarden  worden  bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenre‐ dig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. 5.3.5   Voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 5.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de  bodemverstoring,  te laten  bege‐ leiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   55 5BArtikel 6   Waarde ‐ Archeologie 2 6.1   Bestemmingsomschrijving 6.1.1   Algemeen De  voor ʹ Waarde ‐  Archeologie  2ʹ  aangewezen  gronden  zijn,  behalve  voor  de  andere  daar  voorko‐ mende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. 6.2   Bouwregels 6.2.1   Onderzoek ten behoeve van verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen a. Voor aanvragen om een  omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een op‐ pervlakte groter dan 250 m² dient door de aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: 1. de  archeologische  waarden  van  de  gronden  die  blijkens  de  aanvraag  kunnen  worden  ver‐ stoord in voldoende mate zijn vastgesteld en; 2.

in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel: 3. in  voldoende  mate  is  aangegeven  dat  de  archeologische  waarden  van  de  gronden  niet  on‐ evenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. 6.2.2   Voorwaarden verlening omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in artikel 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergun‐ ning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de  bodemverstoring,  te laten  bege‐ leiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.3   Omgevingsvergunning  voor  het  uitvoeren  van  werken,  geen  bouwwerk  zijnde,  of  van werkzaamheden 6.3.1   Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor ʹWaarde ‐ Archeologie 2ʹ aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; c. het aanleggen van ondergrondse transport‐, energie‐, of communicatieleidingen en daarmee ver‐ band houdende constructies, installaties of apparatuur; voorzover de ingreep dieper gaat dan 50 centimeter beneden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 250 m² beslaat. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 56   HEADELEMENT (ontwerp) 6.3.2   Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 6.3.1 is niet van toepassing, indien: a.

door  middel  van  een  aanvullend  en/of  definitief  archeologisch  onderzoek  naar  het  oordeel  van burgemeester  en  wethouders  in  voldoende  mate  is  aangegeven  dat  de  archeologische  waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aan‐ wezig zijn; b. het gaat om onderhouds‐ en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplan‐ tingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. d. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief ar‐ cheologisch onderzoek. 6.3.3   Toepassingscriteria De  omgevingsvergunning  als  bedoeld  in  artikel  6.3.1  kan  alleen  worden  verleend  indien  mede  op basis  van  aanvullend  en/of  definitief  archeologisch  onderzoek  is  aangetoond  dat  de  archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 6.3.4   Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3 die betrekking heeft op gron‐ den, die zijn aangewezen voor ʹWaarde ‐  Archeologie 2ʹ dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a.

de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en; b. in  voldoende  mate  is  aangegeven  op  welke  wijze  de  archeologische  waarden  worden  bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenre‐ dig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. 6.3.5   Voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 6.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de  bodemverstoring,  te laten  bege‐ leiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   57 16BHoofdstuk 3   Algemene regels 6BArtikel 7   Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is  gegeven  of  alsnog  kan  worden  gegeven,  blijft  bij  de  beoordeling  van  latere  bouwplannen  buiten beschouwing. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 58   HEADELEMENT (ontwerp) 7BArtikel 8   Algemene bouwregels Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. ondergrondse  bouwwerken  zijn  uitsluitend  toegestaan  ter  plaatse  van  de  aanduidingen ʹ bouw‐ vlakʹ; b. de oppervlakte  van ondergrondse  bouwwerken mag  niet  meer bedragen  dan  de toegestane  op‐ pervlakte van bouwwerken boven peil; c. de ondergrondse bouwdiepte mag maximaal 4,00 meter onder peil bedragen; d. om het ondergrondse bouwwerk toegankelijk te maken is overschrijding van het bouwvlak toe‐ gestaan, mits de voorgevelrooilijn niet wordt overschreden; e. de regels van de betreffende bestemmingen zijn van overeenkomstige toepassing. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   59 8BArtikel 9   Algemene aanduidingsregels 9.1   geluidzone ‐ industrie 9.1.1   Verbod Ter plaatse van de aanduiding ʹgeluidzone ‐  industrieʹ mogen geen geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd.

9.1.2   Afwijken van de regels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.1.1,  met  dien  verstande  dat  de  geluidsbelasting  vanwege  industrielawaai  op  de  gevels  van  de  te realiseren  geluidgevoelige  objecten  niet  hoger  mag  zijn  dan  de  daarvoor  geldende  voorkeurgrens‐ waarde of een verleende hogere grenswaarde. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 60   HEADELEMENT (ontwerp) 9BArtikel 10   Algemene gebruiksregels 10.1   Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval ver‐ staan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen gedoogbestemming is verleend; c. straatprostitutie; d. het  plaatsen  van  onderkomens  en/of  kampeermiddelen,  van  al  dan  niet  afgedankte  voer‐  en vaartuigen en van wagens, tenzij de betreffende bestemming daarin wel uitdrukkelijk voorziet; e.

een bed en breakfast; bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   61 10BArtikel 11   Algemene afwijkingsregels 11.1   Meetverschillen Het  bevoegd  gezag  kan  een  omgevingsvergunning  verlenen  voor  het  afwijken  van  de  aangeduide bouwgrenzen  indien  een  meetverschil  of  onnauwkeurigheid  ten  opzichte  van  de  feitelijke  situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 62   HEADELEMENT (ontwerp) 11BArtikel 12   Overige regels 12.1   Voorrangsregels 12.1.1   Voorrang dubbelbestemming In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor. 12.1.2   Onderlinge relatie dubbelbestemmingen Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat dubbelbestemmingen gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebou‐ wing  voorgaan  boven  dubbelbestemmingen  met  bebouwing.  In  concreto  wordt  in  afnemende  mate prioriteit verleend aan de dubbelbestemming: a. Waarde ‐ Archeologie 1; b. Waarde ‐ Archeologie 2. 12.2   Voldoende parkeergelegenheid a.

Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden; b. Bij de afweging omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wordt aan de hand van de Nota Parkeernormen 2015 of het meeste actuele gemeentelijke parkeerbeleid zoals deze geldt ten tijde van de aanvraag, bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid; bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   63 17BHoofdstuk 4   Overgangs‐ en slotregels 12BArtikel 13   Overgangsrecht 13.1   Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bou‐ wen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b.

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 13.1 sub a een omgevingsvergunning ver‐ lenen  voor  het  vergroten  van  de  inhoud  van  een  bouwwerk  als  bedoeld  in  lid  13.1  sub  a  met maximaal 10%. c. lid  13.1  sub  a  is  niet  van  toepassing  op  bouwwerken  die  weliswaar  bestaan  op  het  tijdstip  van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daar‐ voor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2   Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 13.2 sub a, te ver‐ anderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze ver‐ andering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een  periode  langer  dan  een  jaar  wordt  onderbroken,  is  het  verboden  dit  gebruik  daarna  te  her‐ vatten of te laten hervatten; d. lid 191113.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 64   HEADELEMENT (ontwerp) 13BArtikel 14   Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 Behorend bij het besluit van .............................. bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   65 Bijlagen regels bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 66   HEADELEMENT (ontwerp) bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   67 Bijlage 1   Staat van Bedrijfsactiviteiten bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 68   HEADELEMENT (ontwerp) bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp)   69 Bijlage 2   Overzicht Aan huis gebonden beroepen en consumentver‐ zorgende en/of ambachtelijke bedrijven bestemmingsplan Vollenhove ‐ Oppen Swolle 1 70   HEADELEMENT (ontwerp) bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 8 HEADELEMENT (ontwerp) 2.2 Huidige situatie plangebied Het plangebied is bestemd voor een agrarisch bedrijf waarvan de voormalige bebouwing in het oos- telijke deel van het plangebied staat. Het betreft een vervallen boerderij, bestaande uit één bou wlaag met een kap. Het voorste deel is ingericht als woonhuis met daarachter een schuur. De overige gron- den zijn grasland. Op de zuidoosthoek van het perceel staat beplanting, ter afscherming van het ge- bouw richting de naastgelegen wegen.

Ook aan de zuidzijde, waar het perceel middels een inrit wordt ontsloten aan de Weg van Rollecate, staan bomen. Een vooraanzicht op het plangebied is weergegeven in figuur 2.2. Figuur 2.2 Vooraanzicht op het plangebied (zuidzijde) 2.3 Beschrijving initiatief De huidige bedrijfslocatie van het te verplaatsen bedrijf ligt op het bedrijventerrein in Vollenhove, aan de Kampen. Voor deze huidige locatie geldt dat er geen ruimte is voor uitbreiding van de bedrijfsbe- bouwing en tevens geen mogelijkheid tot het realiseren van een bedrijfswoning. Daarom heeft de initiatiefnemer besloten om in de nabije omgeving een nieuwe locatie te betrekken, waarbij de locatie aan de Oppen Swolle 1 als geschikt is bevonden. Het voornemen is om binnen het plangebied de bestaande bebouwing en beplanting te slo- pen/verwijderen. Vervolgens wordt het plangebied opnieuw ingericht ten behoeve van het bedrijf. Daarbij wordt in het noorden van het plangebied een bedrijfsloods gerealiseerd, centraal een kan- toorpand en in het zuiden een bedrijfswonin g. Tevens worden op het perceel parkeerplaatsen aange- legd. De werkplaats krijgt een oppervlakte van circa 366 m 2 met een bouwhoogte van 8 meter. Het kan- toorgebouw krijgt een oppervlakte van 250 m2 met een bouwhoogte van 8,5 meter hoog. Tot slot krijgt de bedrijfswoning een oppervlakte van circa 106 m2 met een bouwhoogte van 7,5 meter.

Het perceel wordt, in tegenstelling tot in de huidige situatie, ontsloten op De Weyert. Hier wordt een inrit aangelegd die toegang biedt tot zowel de bedrijfswoning als het kantoorpand. Verder richting het noorden wordt een inrit aangelegd die ontsluiting en direct toegang biedt tot de bedrijfsloods.

bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 9 In figuur 2.3 is de voorgenomen indeling van het plangebied weergegeven. Op dit moment is er nog geen definitief ontwerp besc hikbaar van de voorgenomen bebouwing. Wel zijn een aantal sfeerim- pressies opgenomen in figuur 2.4. Figuur 2.3 Situatietekening van de voorgenomen inrichting van het plangebied Figuur 2.4 Sfeerimpressies voorgenomen bebouwing

bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 10 HEADELEMENT (ontwerp) Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk laat de ruimte- lijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nati- onale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit project raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro. Duurzame verstedelijking In de SVIR is 'de ladder voor duurzame vers tedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als proces- vereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de om- geving. In het Bro is vastgelegd wat moet worden verstaan onder een stedelijke ontwikkeling.

Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven- terrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In dit plan is sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij een voormalige locatie van een agrarisch bedrijf wordt herontwikkeld tot bedrijfslocatie, inclusief bedrijfswoning. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van het dorp Vollenhove. In dit geval gaat het om een concreet initiatief van een bedrijf/eigenaar die behoefte heeft aan een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Kampen 19 te Vollenhove en tevens behoefte heeft aan een bedrijfswoning bij het bedrijf. De huidige locatie biedt hier onvoldoende ruimte en mogelijkheden voor, daarom is gekozen voor het perceel Oppen Swolle 1 dat grenst aan de bestaande bedrijventerreinen in Vollenhove. Bovendien wordt met dit plan een vervallen boerderij opgeruimd, waarmee ontsierende bebouwing in het plan- gebied wordt opgeruimd. 3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel De ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken kleur’ en de ‘Omgevingsverordening Overijssel 2017’ worden elk jaar bijgewerkt. Dit gebeurt in een jaarlijkse actualisatieronde.

Het gaat om alle eerder vastgestelde wijzigingen in het beleid die nog moeten worden doorvertaald in de Omgevingsvisie en/of Omgevingsverordening. Ook worden omissies hers teld. Op 26 september 2018 hebben Provin- ciale Staten de Actualisatie 2017/2018 vastgesteld. Op 1 november 2018 zijn deze aanpassingen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening in werking getreden. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 11 In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel ce ntraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn gene- rieke en gebiedsspecifieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspec- tieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Onderstaand wordt op deze drie niveaus van het uitvoeringsmodel ingegaan. Generieke beleidskeuzes Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor stedelijke ontwikkelingen hanteert de provincie de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit bete- kent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.

Het realiseren van de nieuwe bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning past binnen de genoemde gene- rieke beleidskeuzes van de provincie. In paragraaf 3.1 is de voor deze ontwikkeling uitgevoerde lad- der-toets beschreven en is aangegeven waarom deze locatie geschikt is. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en betreft herontwikkeling van een vervallen agrarische bedrijfslo- catie. Ontwikkelperspectieven Het plangebied ligt in de zone Woon - en werklocaties buiten de stedelijke netwerken. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon -, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden volgens de provincie kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw - en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast.

Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie- efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakopper- vlak te benutten). In dit geval vestigt een lokaal bedrijf zich op de locatie van een voormalig agrarisch bedrijf. Daarmee voorziet het plan in de lokale behoefte. Hoe met het wateraspect wordt omgegaan is opgenomen in paragraaf 4.6. Gebiedskenmerken De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken het uitgangspunt. In de lagenbenadering zijn per laag de daarbij horende gebiedskenmerken genoemd. Voor het plangebied zien de gebiedskenmerken van de verschillende lagen er als volgt uit: bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 12 HEADELEMENT (ontwerp) Natuurlijke laag: Stuwwallen Ter plaatse is sprake van de natuurlijke laag 'stuwwallen'. De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opge- stuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ingangen van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen.

Als ontwikkelingen pl aats vin- den, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Daarnaast dragen ontwikkelingen bij aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de 'natte voet' van de stuwwal en dienen deze de natte voet beter zichtbaar te maken. In dit geval betreft het plangebied een relatief klein perceel, dat omringd is door bebouwing. In de huidige situatie is reeds sprake van bebouwing. De voorgenomen herontwikkeling is te klein van aard en omvang om afbreuk te doen aan de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de stuwwal. Daarmee verzet de natuurlijke laag zich niet tegen de voorgenomen ontwikkeling. Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude Hoevenlandschap De amb itie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Ook hier geldt dat de erftransformaties perceelsgebonden is en daarom geen afbreuk doet aan deze kenmerken van het gebied. Stedelijke laag: Woonwijken 1955 - nu De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collec- tief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken en voorzieningencentra) zijn uiteen- gelegd en de wijken zijn op gedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter.

Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Lokaal zijn kleinere eenheden die afwijken van het systeem. Steeds is sprake van een afgeronde eenheid met duidelijke in- en uitgangen en kunst in de openbare ruimte. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel, maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. In dit geval ligt het plangebied in feite buiten de afgeronde eenheid van de woonwijk ten zuidwesten van het plangebied. Het plangebied lijkt hierbij betrokken omdat de huidige functie afwijk t van het omringende bedrijventerrein. Met dit plan wordt echter toch een bedrijfslocatie ontwikkelt binnen het plangebied. Dit sluit aan bij de omringende gronden ten westen, noorden en oosten van het plange- bied waar de stedelijke laag 'bedrijventerreinen ' geldt. Gezien de ligging van het plangebied, waarbij geen directe connectie is met de zuidwestelijk gelegen woonwijk, maar des te meer met de omrin- gende bedrijfsfuncties, is het daarom een logische keuze om dit perceel te herontwikkelen tot be- drijfslocatie. Laag van de beleving: Donkerte De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden.

De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebie- den met een lage gebruiksdruk. In de donkere gebieden is het de bedoeling alleen minimaal noodza- kelijke toepassing van kunstlicht te hebben. Dit vereist selectief inzetten en richten va n kunstlicht. Daarnaast moet er veel aandacht zijn voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied. bestemmingsplan Vollenhove - Oppen Swolle 1 HEADELEMENT (ontwerp) 13 Het plangebied maakt deel uit van het stedelijk gebied en is omgeven door bedrijfsfuncties en, ten zuidwesten, door woning en. Daarmee is in de huidige situatie al sprake van een bepaalde mate van (kunstmatige) lichtuitstoot rondom het plangebied. Door de ontwikkeling in het plangebied zal geen verdere afbreuk worden gedaan aan de donkerte van het gebied en wordt zoveel mogeli jk rekening gehouden met de uitgangspunten van dit gebied. 3.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Steenwijkerland De gemeente heeft de Omgevingsvisie Steenwijkerland 'Waardevast landschap' (juni 2017) opgesteld. Het betreft een visie op hoofdlijnen die zich richt op de fysieke leefomgeving en een strategisch kader voor ruimtelijke ontwikkeling is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/a43ed067-8833-4865-83c9-342c8d83f415?agendaItemId=915af635-9f21-4735-aa52-9e11e6fab7b8