CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8_ontwerp_1_Toelichting.pdf

Politieke Markt 7 maart 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8, IJsselham19.060 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Of anders gezegd, wanneer de uitvoering van plannen van een ondernemer effecten heeft op de omgeving, moet deze een compensatie leveren die gericht is op verbetering van die omgeving. Welke compensatie dit betreft, wordt per situatie bepaald. De volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: 1. De wijziging ten behoeve van vergroting van de agrarische bedrijfskavel mag alleen plaatsvinden op aangrenzende (agrarische) gronden. 2. Met een afwijking mag het agrarisch bouwvlak tot maximaal 1,5 hectare worden uitgebr eid. 3. Met een wijzigingsbevoegdheid mag het bouwvlak tot maximaal 2,0 hectare worden uitgebreid. 4. Ter voorkoming van (hemel)waterproblematiek dienen de effecten op de waterhuishouding in beeld te zijn gebracht (watertoets). 5. De uitbreiding leidt niet tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, ecologische, cultuurhistorische en visueel landschappelijke waarden. 6. Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. 7. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. 8. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. 9. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. 10.

Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Toetsing aan de randvoorwaarden 1. De vergroting van de bedrijfskavel vindt plaats op gronden aangrenzend aan het huidige bouwvlak; 2. Het bouwvlak wordt uitgebreid tot een maximum van 2 hectare (zie 3). 3. Het bouwvlak wordt uitgebreid tot maximaal 2 hectare, hiertoe dient deze bestemmingsplanherziening; 4. Er is een watertoets uitgevoerd (zie hoofdstuk 6 en paragraaf 6.4). Hierin zijn de gevolgen voor het water beschreven en de oplossingen verwerkt. Er is geen sprake van belemmering . Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 28 5. Het erf wordt landschappelijk ingepast waarbij gekeken is naar de landschappelijke - en gebiedskenmerken. 6. Het voornemen wordt getoetst aan de Welstandsnota. De aanpassingen passen binnen de uitstraling die past in het buitengebied van IJselham en de directe omgeving. 7. Het voorliggend bestemmingsplan is besproken met de gemeente Steenwijkerland, provincie Overijssel en het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Middels dit plan is de uitvoerbaarheid van het voornemen aangetoond. Tussen de gemeente en initiatiefnemer zal tevens een overeenkomst gesloten worden om het kostenverhaal te borgen. 8. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om te parkeren (zie paragraaf 3.3) 9.

Het woon- en leefklimaat blijft gewaarborgd (zie hoofdstuk 5, specifiek paragraaf 5.5. en 5.6) 10. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden , in paragraaf 5.5 en 5.6 wordt hier uitgebreid op ingegaan. 4.3.3 Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 4.3.3.1 Algemeen In de Woonagenda Steenwijkerland staat concreet waar de gemeente zich in de periode 2022-2026 voor gaat inzetten. De agenda dient dan ook basis voor het maken van afspraken en geldt als inputdocument voor de gemeentelijke omgevingsvisie en omgevingsplan. De woningmarkt in gemeente Steenwijkerland wordt momenteel gedomineerd door schaarste, vooral op de koopmarkt. Dit is een compleet andere werkelijkheid dan was voorzien in de voorgaande beleidsperiode. In de woonvisie 2017-2021 werd slechts een beperkte groei voorzien en in een aantal kernen zelfs krimp. De huidige schaarste is het gevolg van een combinatie van factoren zoals achterblijvende woningbouw o.a. als gevolg van de crisis in het afgelopen decennium, maar ook door verdunning van huishoudens, o.a. door vergrijzing. Om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen moeten er de komende 10 jaren in Steenwijkerland nog 1.735 woningen worden toegevoegd, waarvan 1.435 koopwoningen. Naast het toevoegen van nieuwe woningen is er ook een forse opgave in de bestaande woningvoorraad.

Een deel van de woningvoorraad is technisch en energetisch verouderd. Van de ca. 20.500 woningen in Steenwijkerland zijn er ca. 4.150 huur- en koopwoningen met een verbeteropgave, veelal op energetisch vlak. Hieronder vallen ca. 740 sociale huurwoningen met een label E, F en G. Wat nieuwe ontwikkelingen betreft richten we ons zoveel mogelijk op woonmilieus die aansluiten bij het bijzondere karakter en landschap van Steenwijkerland. Woonmilieus die passen bij de identiteit van het gebied en de kwaliteiten van het landschap. Naast vitale kernen willen we ook inzetten op een vitaal buitengebied. Om verpaupering van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) tegen te gaan zien we kansen om deze i n te zetten voor de invulling van de lokale woningvraag, zoals voor nieuwe woonvormen of meergeneratiewoningen op een erf. Toetsing aan de Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 Het voornemen voorziet aan de Lakeweg 8 in een wijziging van voormalige agrarische bedrijfsgronden naar een reguliere woonbestemming. Met het voornemen wordt een bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Per saldo wordt er geen nieuwe woning gerealiseerd. Tevens zal de bebouwing door de omzetting niet leegstaan waardoor er geen verpaupering op zal treden. Dit komt ten goede aan de ruimtelijke kwaliteit.

4.3.4 Welstandsnota 4.3.4.1 Algemeen De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 29 Voor het plangebied gelden de welstandscriteria van het gebied ‘Stuwwallandschap tussen Oldemarkt en De Eese’. De volgende welstandscriteria die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling . Dit is te zien op afbeelding 4.6, het plangebied is met een rode omlijning aangeduid. Afbeelding 4.6 Uitsnede Welstandskaart (Bron: Gemeente Steenwijkerland) 4.3.4.2 ‘Stuwwallandschap tussen Oldemarkt en De Eese’ De stuwwal is ontstaan in de voorlaatste ijstijd. Het reliëf, ontstaan door opstuwing van de kleibodem, vormt een opvallend contrast met het lager gelegen zeeklei- en laagveenlandschap. Op de stuwwal komen kleine dalen voor met beekjes. De zuidelijke helft wordt ingenomen door het kampenlandschap met Steenwijkerwold als belangrijkste bebouwingskern, de noordelijke helft door het heideontginningslandschap met Wi llemsoord als belangrijkste kern.

Tuk en Oldemarkt zijn op de rand van de stuwwal gelegen, op de grens van het kampenlandschap. IJsselham ligt op de overgang naar het kraggenlandschap. Eesveen is lager gelegen, tegen de rand van de stuwwal en aan de andere kant begrensd door het polderlandschap. 4.3.4.3 Situering Bouwplannen aan of bij de oorspronkelijke boerderijen dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven. De overige hoofdbebouwing dient in ieder geval op de weg te worden georiënteerd. Uitzonderingen hierop dienen afgestemd te worden op de plaatselijke situatie, bijvoorbeeld in besloten en golvend landschap met uitzicht. Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij met elkaar een samenhangend geheel vormen. 4.3.4.4 Vormgeving Bij bouwplannen aan of bij de oorspronkelijke boerderijen dienen de bebouwingskarakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven te worden behouden. Daarbij is in ieder geval r elevant: het boerderijtype, de dakvorm en schaal en maat. Bij de overige bebouwing zijn geringe afwijkingen van de karakteristieken op onderdelen acceptabel. Uitbreidingen dienen ondergeschikt zijn aan het bestaande gebouw en dienen daar qua vormgeving mee te harmoniëren.

In de buurtschappen dient de bebouwing aan de randen met het buitengebied qua vormgeving aan te sluiten op de bebouwingskarakteristieken van het buitengebied. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 30 De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam- en deuropeningen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn. Bij uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij dient in ieder geval het onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte herkenbaar te blijven. 4.3.4.5 Detaillering, kleuren en materialen Er dienen kleuren toegepast te worden conform de gebiedsbeschrijving. Er dienen materialen te worden toegepast gelijk aan of aansluitend bij de in de gebiedsbeschrijving genoemd materialen. Toetsing aan de Welstandsnota Met de voorliggende ontwikkeling aan de Lakeweg 7 en 8 wordt in het ontwerp rekening gehouden met de welstandscriteria. Tevens worden beide erven landschappelijk ingepast zodat het past bij de kenmerken en kwaliteiten van de omgeving. In voorliggend geval wordt in de eerste fase de stal aan de Lakeweg 7 u itgebreid naar achteren. De vorm en materiaalkeuze zal overeen komen en passend zijn aan de bestaande schuur. De toekomstige uitbreiding van de schuur zal naast de schuur gesitueerd zijn. Zodoende is de bebouwing zoveel mogelijk geclusterd. Zodoende heeft het erf in zijn geheel een samenhangende uitstraling.

De woning aan de Lakeweg 8 wordt gerestaureerd en aangepast zodat dit beter past in de omgeving. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal definitief getoetst worden aan de welstandscriteria. Gelet hiero p wordt gesteld dat het voorliggend project voldoet aan de welstandscriteria. 4.3.5 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals genoemd in de hiervoor genoemde beleidsstukken. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 31 HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het wijzigingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid b eschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een gelui dszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval wordt niet voorzien in nieuwe geluidgevoelige objecten. Dit bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de Lakeweg 7 en de functiewijziging van het perceel Lakeweg 8 van agrarisch naar wonen. De uitbreiding van het bedrijf betreft geen nieuwe geluidsgevoelige functie. Voor de omzetting naar regulier wonen aan de Lakeweg 8 geldt dat in artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning.

De aspecten rail-, wegverkeers- en industrielawaai kunnen daarom buiten beschouwing worden gelaten. 5.1.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwalite it past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruikt wordt gehandhaafd; 2. het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte van ten hoogste 50 m 2 heeft; Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 32 3. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven. Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uren gehanteerd; 4. als Burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen, omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een eerder uitgevoerd bodemonderzoek.

Aan de Lakeweg 8 zal de bestemming omgezet worden naar wonen en tuin. Aan de Lakeweg 7 zal het bouwvlak worden vergroot voor de uitbreiding van het bedrijf. Voor de planologische omzetting van het agrarisch erf naar een reguliere woonbestemming is een bodemonderzoek uitgevoerd. Er dient immers in beeld te worden gebracht of de bestemming ‘wonen’ passend is. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door Ava Milieuonderzoek. Dit volledige rapport is toegevoegd als bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. 5.2.2 Situatie plangebied Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld tot circa 0,9 m -mv uit zand. Hieronder is zandige leem aangetroffen tot de maximaal geboorde diepte van 2,5 m -mv. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn visueel geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Kwaliteit bodem/ analyseresultaten ▪ Grond In de onderzochte mengmonsters van de zandige bovengrond ter plaatse van de boerderij en van het overig deel van de kavel (MMbg1 en MMbg2; 0,0 – 0,5 à 0,8 m– mv) zijn licht verhoogde gehalten aan lood aangetoond. De gehalten aan overige onderzochte componenten overschrijden de achtergrondwaarden niet. In het mengmonster van de lemige ondergrond (MMog1; 0,9 – 2,0 m–mv) zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte componenten aangetoond.

▪ Grondwater In het grondwatermonster uit peilbuis 1 (filter 1,5 – 2,5 m -mv) is alleen barium (van nature) in een licht verhoogd gehalte aangetoond. De gehalten aan overige onderzochte componenten overschrijden de streefwaarden niet. Conclusie Visueel zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een mogelijke (ernstige) bodemverontreiniging. Analytisch zijn maximaal licht verhoogde gehalten in de bodem aangetoond. In de onderzochte zandige bovengrond zijn licht verho ogde gehalten aan lood gemeten. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarde voor lood in relatief geringe mate. Zware metalen zoals lood worden vaker licht verhoogd aangetroffen op oudere woonerven als gevolg van het jarenlange gebruik van de locatie. In het grondwater is barium van nature licht verhoogd aangetoond. Verder zijn geen verhoogde gehalten in de bodem gemeten. Bij de gemeten licht verhoogde gehalten zullen geen risico’s voor milieu en volksgezondheid voorkomen en hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het perceel Lakeweg 8 in IJsselham voldoende vastgelegd.

Voor wat betreft de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van het onderzochte perceel en is er geen bezwaar tegen een wijziging van de bestemming naar ‘wonen’ en de aanpassing van het woongedeelte van de boerderij. 5.2.3 Nader onderzoek bodem Er is een nader bodemonderzoek noodzakelijk voor de gronden aan de Lakewe g 7 en 8 zoals staande in het bodemadvies van de Omgevingsdienst IJsselland. Er is middels een voorwaardelijke verplichting juridisch Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 33 geregeld te voldoen aan deze onderzoeken en advies staande in de beoordeling van het bodemonderzoek opgenomen bij de regels van dit ontwerpbestemmingsplan. 5.2.4 Conclusie Na het uitvoeren van de nadere onderzoeken welke benodigd zijn en het uitvoeren van de onderzoeken en/of conclusies die hierin staan, is het de verwachting dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen.

De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 34 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvu llend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen ge voelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wege n 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie plangebied 5.3.2.1 Uitbreiding agrarisch bedrijf Op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit NIBM (Niet in betekende mate) kunnen gebieden en bronnen worden aangewezen die geen gebruik kunnen maken van NIBM. Het bedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd ligt niet in een aangewezen gebied en is niet aangewezen als bron. De omgevingsdienst heeft het volgende geconcludeerd. Uit toetsing van de Omgevingsdienst IJsselland blijkt dat door de voorgenomen wijziging de emissie van fijn stof in geringe mate toeneemt ten opzichte van de vergunde emissie. Uit de NIBM -toets blijkt dat ten gevolge van de aangevraagde situatie de toename van de emissie fijn stof (PM 10), ten opzichte van de geldende vergunning 6.512 gram per jaar bedraagt. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, Hareweg 16, ligt op een afstand van circa 85 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt. Lakewe g 7a maakt onderdeel uit van de inrichting. Uit de ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ blijkt dat dit als NIBM kan worden beschouwd.

5.3.2.2 Omzetten agrarisch bedrijf naar reguliere woonbestemming Van belang is uit oogpunt van ruimtelijk ordening te beoordelen of de luchtkwaliteit op de locatie geschikt is voor de woonfunctie. In de directe omgeving zijn diverse agrarische, maar geen industriële emissiebronnen van betekenis op planlocatie. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu op http://geodata.rivm.nl/gcn/ zijn op schaal van vierkante km vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontrei nigende stoffen. Uit deze kaart blijkt dat in het km2 vak waarin het plan ligt de achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof PM10 en PM2,5 ruim voldoen aan grenswaarden van de wet milieubeheer en de WHO-advieswaarde (zie tabel 1). 2020 2030 Grenswaarde WHO advieswaarde NO2 µg/m3 jaargemiddeld 10,0 6,7 40 µg/m3 40 µg/m3 aantal uren met NO2 concentraties > 200 µg/m3 0 0 18x p.j. PM10 µg/m3 jaargemiddeld 14,6 12,7 40 µg/m3 20 µg/m3 aantal dagen met PM10 concentraties > 50 µg/m3 6 6 35x p.j. PM2,5 µg/m3 jaargemiddeld 8,8 6,6 25 µg/m3 10 µg/m3 Tabel 1: Luchtkwaliteit ter hoogte van Lakeweg 8 te IJsselham (Bron: GCN) 5.3.2.3 Conclusie Luchtkwaliteit Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste woonfunctie.

Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 35 • De bijdrage van het plan aan de concentraties is Niet in Betekenende Mate in de zin van de Wet milieubeheer; • De achtergrondconcentratie stikstofdioxide, (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) voldoet aan grenswaarden Wet milieubeheer en advieswaarden WHO; • Luchtkwaliteit is geschikt voor de aangevraagde activiteit; • Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. 5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing.

Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisn et). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 5.4.2 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stof fen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 36 Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het aspect externe veiligheid voor dit project geen belemmeringen oplevert. 5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering.

Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bed rijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 37 Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG -uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en ge vaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen kom en andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van IJsselham. Vanwege de kleinschaligheid en ruime opzet is er geen sprake van functiemenging. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie.

De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 38 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval is er sprake van een uitbreiding van een bedrijf en een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een reguliere woonbestemming. Lakeweg 7 Aan de Lakeweg 7 gaat het om de uitbreiding van een melkveehouderij, (fokken en houden van rundvee) waarbij een milieucategorie geldt van 3.2. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden op basis van de VNG-uitgave bepalend, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen. Daarom wordt hier het aspect geur buiten beschouwing gelaten.

In paragraaf 5.6 zal hier nader op worden ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten geluid en stof. In de nabijheid van de melkveehouderij bevinden zich verschillende woningen , waaronder de woningen (Lakeweg 8 en Hareweg 16). De woning Lakeweg 7a behoort tot de eigen inrichting en hoeft niet meegenomen te worden. De afstand tot Lakeweg 8 bedraagt meer dan 30 meter. Opgemerkt wordt dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de andere zijde, ten westen, zal plaatsvinden. De milieubelastende activiteiten zullen niet dichterbi j de woning komen te liggen. Dit is juridisch geborgd in de regels en verbeelding. De afstand tot Hareweg 16 bedraagt 12 meter. Echter is dit dezelfde afstand als dat in de huidige situatie al is toegestaan. Aan de voorzijde van de Lakeweg 7 zullen dan ook geen nieuwe milieubelastende activiteiten plaatsvinden. De uitbreiding zal plaatsvinden aan de westzijde naast de huidige bestaande schuur. De afstand tot de beoogde schuur bedraagt circa 65 meter. De uitbreiding van de milieubelastende functies bevindt zich ruim buiten de richtafstand van 30 meter. Lakeweg 8 De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bes taande functies in de omgeving. Lakeweg 7 In voorliggend geval worden geen nieuwe milieugevoelige functies gerealiseerd. Interne werking staat het voornemen dan ook niet in de weg. Lakeweg 8 De afstand tot het agrarisch bedrijf aan de Lakeweg 7 bedraagt meer dan 30 meter. Tevens wordt opgemerkt dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de andere zijde, ten westen, zal plaatsvinden. De milieubelastende activiteiten zullen niet dichterbij de woning komen te liggen. 5.5.4 Conclusie milieuzonering Het aspect milieuzonering levert geen belemmering op voor de in dit plan besloten ontwikkeling. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 39 5.6 Geur 5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.

Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B -bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3 Verordening geurhinder en veehouderij Steenwijkerland De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen.

Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Steenwijkerland heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. Het plangebied bevindt zich in het gebiedstype 1, het buitengebied van gemeente Steenwijkerland. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 6, van de Wgv. In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hier om de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelig object: Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 40 • Voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype I geldt een minimale afstand van 25 meter. 5.6.4 Situatie plangebied De dichtstbijzijnde woning staat aan de Hareweg 16. De afstand van het bouwvlak tot aan de woning bedraagt minder dat 25 meter.

Echter wordt beargumenteerd dat aan de voorzijde van de Lakeweg 7 een woning gesitueerd is, zodoende kan aan de voorzijde van het perceel dan ook geen geurbelastende activiteiten worden uitgeoefend. De afstand vanaf de woning Hareweg 16 tot aan de bestaande veestallen bedragen circa 40 meter. De afstand tot aan de toekomstige stallen bedragen circa 74 meter. Daarmee is te verwachten dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiermee wordt voldaan aan de afstandsnorm van de Wvg en de Geurverordening Steenwijkerland, te weten 25 meter. 5.6.5 Conclusie Het aspect geur levert geen belemmering op voor de in dit plan besloten ontwikkeling. 5.7 Ecologie 5.7.1 Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000 -gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2 Gebiedsbescherming 5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa.

Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Weerribben’ en bevindt zich op een afstand van circa 580 meter (zie afbeelding 5.2). Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 580 meter van het plangebied. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd met behulp van de AERIUS- calculator. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 4. Conclusie stikstofonderzoek Gezien de vergunde situatie en de beoogde situatie valt te concluderen dat er geen toename is van de depositie. Er is zelfs sprake van een lichte afname van depositie 0,50 mol/ha/j. Er is geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000 -gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig.

Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 41 Afbeelding 5.2: Uitsnede kaart Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlasleefomgeving.nl) 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke k enmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.3 Soortenbescherming 5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In verband met de sloop en bouwwerkzaamheden is er door ‘Natuurbank Overijssel’ een QuickScan ecologie uitgevoerd. Dit volledige rapport is als bijlage 5 toegevoegd aan deze toelichting. 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren in het deelgebied Lakeweg 7.

Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust - of voortplantingsplaats in het plangebied. Het deelgebied Lakeweg 8 is niet geschikt als foerageergebied en verblijfplaats voor de verschillende diersoorten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten in deelgebied Lakeweg 7 worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een (vaste) rust - en voortplantingsplaats Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 42 van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën, die een (vaste) rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foera geergebied voor diverse diersoorten af in het deelgebied Lakeweg 7. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

5.7.4 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.8 Archeologie & Cultuurhistorie 5.8.1 Archeologie 5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Steenwijkerland heeft archeologische verwachtingskaarten van het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland gemaakt. In afbeelding 5.3 is een uitsnede zichtbaar van de archeologische waarden- en beleidskaart voor het grondgebied van Steenwijkerland. Het plangebied is middels de rode cirkel indicatief weergegeven. Afbeelding 5.3 Uitsnede Archeologische verwachtingskaart Steentijd – Bronstijd (Bron: Gemeente Steenwijkerland) Ter plaatse geldt een hoge archeologische verwachting. De beleidskaart is door de gemeente doorvertaald in de dubbelbestemming s ‘Waarde – Archeologie 2’.

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 43 behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken geldt dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden indien de oppervlakte groter is dan 2.500 m² wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom. In voorliggend geval zal het oppervlakte niet meer bedragen dan 2.500 m². Een archeologisch onderzoek is zodoende op voorhand niet noodzakelijk. Indien bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht. 5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Atlas van Overijssel, in het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen. Met het initiatief vindt er geen aantasting van de in de nabijheid van het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden. De nieuwe bebouwing zal op een adequate manier worden ontworpen en ingepast, aansluitend op de karakteristieken van de omgeving. 5.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Tevens is er geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wet milieubeheer (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

• Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 44 In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r..

is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. - beoordeling gehanteerd. 5.9.2 Situatie plangebied Het bevoegd gezag houdt bij haar beslissing in ieder geval rekening met artikel 7.17, tweede tot en met vierde lid, van de Wm. Volgens artikel 7.16, eerste lid, juncto artikel 7.2, eerste lid, letter b moet bij activiteiten welke zijn genoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. worden beoordeeld of deze activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Bij onderdeel D14 moet dit plaatsvinden bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor meer dan: - 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A 1 en A 2); - 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3); - 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3).

5.9.3 Conclusie In de notitie is er sprake van het uitbreiden van een melkveebedrijf als bedoeld in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. In de aangevraagde situatie worden de in onderdeel D.14 genoemde aantallen niet overschreden. De wijziging betreft een uitbreiding met 44 melk- en kalfkoeien. Deze wijziging heeft tot gevolg dat op grond van het Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd Er is een ‘M.e.r.- aanmeldnotitie’ opgesteld door “Rensen Milieu Advies v.o.f.”, gedateerd 25 november 2021, ten behoeve van het melkveebedrijf R.S. Bos, Lakeweg 7 te IJsselham. Deze notitie is ingeboekt onder Z2021-00013981. Uit de toetsing, van de Omgevingsdienst IJsselland, blijkt dat de gevraagde activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen bevat en dat er geen milieueffectrapport noodzakelijk is. Dit document is toegevoegd als bijlage 6 bij deze toelichting. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 45 HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN 6.1 Vigerend beleid 6.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren.

De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Str eefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016 -2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

6.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwali teit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied . 6.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn -Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. • Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken.

Inwoners kunnen hie rdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 46 • Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. 6.1.4 Gemeentelijk watertakenplan (2016-2021) Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma.

Doel is om de kwaliteit van de dienstverlen ing te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016-2021. Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang. Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijke plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijke (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijke projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2 Watertoets Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde “normale procedure” van toepassing is. Dit houdt in dat de ontwikkeling door het waterschap nader getoetst is. Als bijlage 7 bij deze toelichting is het watertoetsresultaat toegevoegd.

Het advies van het waterschap (uitgangspuntennotitie) is toegevoegd als bijlage 8 bij deze toelichting. 6.2.2.1 Normale procedure In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op Lakeweg 7 en 8. Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 47 waterschap Drents Overijsselse Delta contact met u op en ontvangt u een uitgangspuntennotitie. In het plan bevindt zich een B-watergang. B-watergangen (of schouwsloten) hebben een belangrijke functie voor de waterafvoer- en berging. Deze watergangen staan op de legger van het waterschap en de Keur is van toepassing. Volgens de Keur zijn alle activiteiten die plaatsvinden in, op of langs watergangen van het waterschapvergunningsplichtig. Voor minder ingrijpende activiteiten hebben zijn al gemene regels vastgesteld. Hierdoor kan er sprake zijn van vrijstelling of hoeven deze activiteiten alleen te worden gemeld. Er is in het plan rekening gehouden met de Keur van het waterschap. Er wordt tijdig melding gemaakt of een vergunning aangevraagd. Advies verharding In het plan vindt een grote toename aan verharding plaats. Dit kan effect hebben op de werking van het watersysteem in de omgeving van het plangebied.

Wij gaan graag tijdig met u in overleg over de wijze waarop in het plangebied wordt omgegaan met hemelwater dat afstroomt van dit verharde oppervlak. Zo wordt wateroverlast nu en in de toekomst voorkomen. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1.500 m2 . Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte aangehouden van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen wordt een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil aan (as van de weg) aangehouden. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/31acac40-32f6-455f-9f0e-de276d2a9969?agendaItemId=9b3fcc68-2b9e-4ac9-9f91-93631dab3f67